CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS322601 Bijlage 1 ruimtelijke onderbouwing (def)

Gemeenteraad 10 juli 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Verzoek om bindend advies tijdelijke opvanglocatie Saturnusstraat 9 (RIS322601)13.761 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

M- Bos Witteveen -mm

Tijdelijke opvanglocatie Saturnusstraat 9, Den Haag Goede Onderbouwing van de Effecten op de Fysieke Leefomgeving (GoFlo)

Centraal Orgaan opvang asielzoekers 5 juni 2025

Project

Tijdelijke opvanglocatie Saturnusstraat 9, Den Haag

Opdrachtgever

Centraal Orgaan opvang asielzoekers

Document

Goede Onderbouwing van de Effecten op de Fysieke Leefomgeving (GoFlo)

Status

Definitief 04

Datum

5 juni 2025

Referentie

141935/25-009.013

Projectcode

141935

Adres

Witteveen + Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Stationsweg 5

Postbus 3465 4800 DL Breda

+ 31 (0)76 523 33 33 www.witteveenbos.com

KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen + Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen + Bos

Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Tekst- en datamining van (delen van) dit document, evenals enige verwerking of reproductie ervan door middel van kunstmatige intelligentie technologieën is uitdrukkelijk niet toegestaan, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Dit document (of delen ervan) mag niet worden verveelvoudigd en/of anderszins worden gebruikt op enigerlei wijze voor het trainen van kunstmatige intelligentie

technologieën, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit

uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen + Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Projectlocatie

5

1.2.1 1.2.2

Ligging projectlocatie Begrenzing projectlocatie

5 6

Van bestemmingsplan naar omgevingsplan

7

1.3.1

8

1.3

Toetsing vigerend omgevingsplan gemeente Den Haag

1.4

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit

9

1.5

Leeswijzer

9

2

BESCHRIJVING PROJECTLOCATIE

10

2.1

Huidige situatie

10

2.2

Toekomstige situatie

10

3

BELEIDSKADER

13

3.1

Rijksbeleid

13

3.1.1 3.1.2 3.2

Omgevingswet Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Provinciaal beleid

3.2.1 3.2.2

Omgevingsvisie Zuid-Holland Omgevingsverordening Zuid-Holland

13 14 14 14 15

3.3

Waterbeleid

15

3.4

Gemeentelijk beleid

16

Omgevingsvisie Den Haag

16

4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

17

4.1

Milieueffectrapportage

17

4.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

18

4.3

Duurzaamheid

18

4.4

Verkeersgeneratie, afwikkeling en parkeren

20

3.4.1

4.5

Weging van het waterbelang

21

4.6

Natuur

21

4.7

Luchtkwaliteit

24

4.8

Geluid

26

4.9

Geur

27

4.10

Bodemkwaliteit

28

4.11

Omgevingsveiligheid

29

4.12

Activiteiten en milieuzonering

34

4.13

Archeologie en cultuurhistorie

36

4.14

Sociale veiligheid

36

5

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID EN PARTICIPATIE

39

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid en participatieproces

39

6

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID & HANDHAVING

40

6.1

Financiering

40

6.2

Beheer en onderhoud

40

6.3

Handhaving

40

Laatste pagina

40

Bijlage(n) I

Stikstofdepositie onderzoek

Aantal pagina's

17

(referentie 141935/24-008.244 d.d. 23 mei 2024) II

Externe veiligheid (AVIV referentie 256134, d.d. 24 maart 2025)

33

III

Notitie Handreiking Activiteiten en Milieuzoneringen 2024

5

(referentie 141935/24-018.536 d.d. 13 december 2024) IV

Quickscan flora en fauna (referentie 25Q0004)

31

V

Akoestisch onderzoek

73

(referentie 141935/25-000.985 d.d. 23 januari 2025)

INLEIDING

1.1

Aanleiding

Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) werkt landelijk aan het zo spoedig mogelijk realiseren van

(tijdelijke) opvangplaatsen. In dit kader ziet het COA kansen voor de realisatie van een tijdelijke opvanglocatie aan de Saturnusstraat 9 te Den Haag. Het voornemen is om het bestaande kantoorpand aan

de Saturnusstraat 9 middels inpandige wijzigingen om te vormen tot een opvanglocatie voor maximaal 600 bewoners, voor een exploitatie periode van 10jaar.

Het planvoornemen is in strijd met de huidige bestemming 'gemengd' zoals vastgesteld in artikel 7 van de planregels. In overleg met de gemeente is bepaald dat, om de tijdelijke ontwikkeling mogelijk te maken, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) conform artikel 5.1, eerste lid, onder a Omgevingswet aangevraagd moet worden. Hiervoor dient een onderbouwing van de effecten op de

fysieke leefomgeving te worden overlegd, waarin wordt aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De toetsingsvereisten hiervoor zijn dat het tijdelijke planvoornemen voldoet aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de provinciale en

waterschapsverordening, en dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit rapport voorziet in deze onderbouwing en dient als basis voor de aanvraag van de

omgevingsvergunning.

1.2

Projectlocatie

1.2.1

Ligging projectlocatie

De projectlocatie bevindt zich aan de Saturnusstraat 9 in Den Haag. De algemene ligging is weergegeven in

afbeelding 1.1 en de locatie is kadastraal bekend bij de gemeente onder de nummers GVH32-AP-1768,

GVH32-AP-1670 en GVH32-AP-1767. Deze locatie is gelegen op het terrein Binckhorst, in het zuidoosten van Den Haag. Aan de noordoostzijde grenst het terrein aan een spoorlijn en de A12. Binckhorst is een

industriegebied dat zich ontwikkelt tot een aantrekkelijk en gemengd stedelijk gebied. De aanleg van de

Rotterdamsebaan, een tunnel die de snelweg met het stadscentrum verbindt, biedt veel ruimte voor deze ontwikkeling. Het gebied kenmerkt zich door bedrijvigheid en biedt mogelijkheden voor wonen, werken en woon-

werkcombinaties. In de directe omgeving zijn diverse functies te vinden, waaronder kantoren, horecagelegenheden, wooncomplexen, een school en industrie.

5 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.01 3 | Definitief 04

Afbeelding 1.1 Globale ligging projectlocatie

A N

A

O

1.2.2

Begrenzing projectlocatie

Deze onderbouwing ten aanzien van de effecten op de fysieke leefomgeving heeft betrekking op het rood gemarkeerde vlak op de afbeeldingen hieronder (afbeelding 1.2). De rode markering geeft aan waar afgeweken wordt van het omgevingsplan ten behoeve van de tijdelijke opvang van het COA. De kadastrale

aanduidingen van de projectlocatie zijn GVH32-AP-1768, GVH32-AP-1670 en GVH32-AP-1767 (gemeente). De opvang zal enkel plaatsvinden in bestaande bebouwing. Het portiersgebouw voor de ingang wordt

verwijderd en is daarmee geen onderdeel van de opvanglocatie. Het tijdelijk gebruik van de buitenruimte aan de voorzijde van het gebouw (GVH32-AP-1767) wordt in overleg met de gemeente nader afgestemd.

6 I 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.013 | Definitief 04

Afbeelding 1.2 Begrenzing locatie waarop activiteit wordt verricht (stippellijnen geven kadastrale percelen weer)

v

1.3

Van bestemmingsplan naar omgevingsplan

Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn de bestemmingsplannen van

gemeenten automatisch opgenomen in het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan (artikel 4.6 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet). Het overgangsrecht van de Omgevingswet regelt de overgang van onder

andere de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) naar de

Omgevingswet (Ow). Onder de Omgevingswet wordt niet langer gesproken van bestemmingen, maar van

functies en activiteiten. De projectlocatie is enigszins uniek, omdat het omgevingsplan Binckhorst een van de pilotprojecten in

Nederland is waarbinnen de nieuwe (toekomstige) regelgeving van de Omgevingswet al werd toegepast. Met deze pilot heeft de gemeente geëxperimenteerd en de mogelijkheden verkend die de Omgevingswet

biedt. De gemeente heeft de ambitie om de Binckhorst te transformeren tot een gemengd woon- en werkgebied.

Het omgevingsplan ondersteunt deze transformatie door meer flexibiliteit en ruimte te bieden voor bedrijven, ontwikkelaars en toekomstige bewoners om initiatieven en ideeën te ontwikkelen en kansen te

benutten. Tegelijkertijd garandeert het omgevingsplan dat de bestaande rechten van alle huidige activiteiten in het gebied worden beschermd. Dit is een van de uitgangspunten van het omgevingsplan (bron: gemeente

Den Haag).

7 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.013 | Definitief 04

1.3.1

Toetsing vigerend omgevingsplan gemeente Den Haag

Bij de beoogde projectlocatie in de gemeente Den Haag geldt het tijdelijke deel van het Omgevingsplan Den Haag, specifiek het 'Chw Omgevingsplan Binckhorst', d.d. 21 april 2022 (zie afbeelding 1.3). De locatie valt

volledig binnen het bestemmingsvlak 'Transformatiegebied' volgens artikel 7 van de planregels. Daarnaast is er een gebiedsaanduiding 'Overige zone - Binckhorsthaven en Maanplein' van toepassing, eveneens onder

artikel 7.

Afbeelding 1.3 Chw Omgevingsplan Binckhorst (Omgevingsloket)

% \

B

a 4.

—r

N

V

*

5e

N

2 * Saturnusstraat 9. 2516AD $ -Gravenhage

X\ N XX, X >X

.a 1 3 Mee

3

$

y

>

V

9

y

aX

O • 4

Iv

$

O

r

I

*

M3 KX

De gronden in het transformatiegebied zijn bestemd voor diverse activiteiten zoals wonen, bedrijfsvoering,

dienstverlening en horeca. Echter, het opvangen van asielzoekers is niet opgenomen in de toegestane activiteiten en is daarom in strijd met het tijdelijke deel van het Omgevingsplan. Het huidige plan biedt geen binnenplanse mogelijkheden om deze activiteit mogelijk te maken. Om de voorgenomen opvanglocatie te

kunnen realiseren dient er een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA) aangevraagd te worden. De gebiedsaanduiding 'Binckhorsthaven en Maanplein’ bevat specifieke randvoorwaarden voor milieu- en

omgevingseisen, met name ten aanzien van geluid en het woon- en leefklimaat. Artikel 4 stelt dat een

omgevingsvergunning verplicht is voor bepaalde activiteiten, tenzij aan specifieke uitzonderingen wordt voldaan. Voor het verkrijgen van een dergelijke vergunning moeten aan diverse voorschriften worden voldaan. Deze voorschriften hebben betrekking op verschillende aspecten zoals geluid, verkeer en mobiliteit, sociale veiligheid, externe veiligheid, water, bodemkwaliteit, ecologie en omgevingskwaliteit.

Hoewel voor activiteiten zonder nieuwbouw sommige voorschriften zoals water, bodemkwaliteit en ecologie mogelijk niet van toepassing zijn, moeten de overige voorwaarden wel worden nageleefd. GoFlo behandelt

deze omgevingsvoorschriften per thema gedetailleerd.

8 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.013 | Definitief 04

1.4

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit

Het planvoornemen is niet in overeenstemming met de functie 'gemengd' zoals vastgelegd in artikel 7 van

de planregels. De aangewezen gronden zijn bestemd voor diverse activiteiten, waaronder wonen, het exploiteren van een bedrijf, dienstverlening en horeca. Het opvangen van asielzoekers wordt niet genoemd onder de toegestane activiteiten en is daarmee in strijd met het tijdelijke deel van het Omgevingsplan. Het plan biedt geen binnenplanse mogelijkheden om het planvoornemen mogelijk te maken. De voorgenomen opvanglocatie kan planologisch mogelijk worden gemaakt door middel van een

omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Een BOPA betreft een

activiteit die niet voldoet aan of in strijd is met het omgevingsplan. Het bevoegd gezag mag een vergunning voor een BOPA alleen verlenen als de activiteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan

locaties, zoals beschreven in artikel 8.0a, lid 1, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De initiatiefnemer moet aantonen dat wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl, evenals aan de

provinciale en waterschapsverordening, en dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor

een BOPA-aanvraag geldt de reguliere procedure met een beslistermijn van 8 weken, die met 6 weken kan worden verlengd. Na deze periode is bezwaar en beroep mogelijk. De gemeente heeft de mogelijkheid om de uitgebreide voorbereidingsprocedure toe te passen bij projecten

die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving en waartegen naar verwachting meerdere belanghebbenden bezwaren gaan hebben. De procedurebepalingen hiervoor zijn vastgelegd in de

Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 van dit rapport wordt een nadere beschrijving van de projectlocatie gegeven. Zowel de huidige situatie als de toekomstige situatie worden geschetst. Hoofdstuk 3 omvat een toetsing van de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie aan relevante ruimtelijke beleidskaders van Rijk, provincie, waterschap

en gemeente. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 voor alle relevante milieu- en omgevingsaspecten beschouwd wat de effecten zijn van de tijdelijke opvanglocatie. In hoofdstuk 5 worden de maatschappelijke uitvoerbaarheid en participatieproces toegelicht en in hoofdstuk 6 volgen de economische uitvoerbaarheid,

beheer en onderhoud en handhaving.

9 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.01 3 | Definitief 04

2 BESCHRIJVING PROJECTLOCATIE In dit hoofdstuk wordt de projectlocatie beschreven. Allereerst wordt ingegaan op de huidige situatie en vervolgens wordt ingegaan op de toekomstige situatie.

Huidige situatie

2.1

De locatie voor de voorgenomen tijdelijke opvang bevindt zich aan de Saturnusstraat 9, in de wijk de

Binckhorst in Den Haag. Het betreft een bestaand pand in een zogenoemd transformatiegebied, waar zowel woon- als werkfuncties aanwezig zijn. Op het terrein zijn op dit moment verschillende soorten bedrijven in

de kunstsector gevestigd. Het gebouw is volledig omheind met hekwerk. Achter deze hekken bevinden zich fietsenstallingen en er zijn 43 parkeerplaatsen beschikbaar in het souterrain.

2.2

Toekomstige situatie

In het souterrain is er ruimte voor zowel parkeren als fietsenstalling. Er zijn 43 parkeerplaatsen voor motorvoertuigen en 300 fietsenstallingen voor bewoners. Daarnaast is er een klein hok met

48 fietsenstallingen voor personeel. Op deze verdieping bevinden zich ook technische ruimten, zoals de

hoofdverdeelkast en de CV-ruimte stadsverwarming, evenals opslagruimten. Op de begane grond is de ontvangst (receptie/infobalie/ meldplicht) daarnaast worden de dienstfuncties

vervuld, zoals laden en lossen, magazijnopslag en kantoorruimte. Ook is er sanitair voor bewoners en personeel aanwezig. De eerste verdieping wordt ingericht voor activiteiten, recreatie en aanvullende diensten, waaronder

kantoorruimten. Op deze verdieping bevinden zich ook sanitaire voorzieningen en technische ruimten. Op de 2e tot de 6e verdieping worden slaapvertrekken gerealiseerd in bestaande kantoorruimtes met sanitair, keukens en wasruimtes. De capaciteit per verdieping is als volgt:

2e verdieping, capaciteit van 135; 3e verdieping, capaciteit van 151;

4e verdieping, capaciteit van 150;

5e verdieping, capaciteit van 140; 6e verdieping, capaciteit van 133. Dit geeft een totaal aantal bedden van 709 (technische capaciteit), waarvan er maximaal 600 worden bewoond (bruto capaciteit). De extra bedden bieden ruimte voor flexibiliteit in de kamerindeling en zijn

afgestemd op de behoeften van de zittende bewonersgroep. De 7e en 8e verdieping worden afgesloten, en zijn hiermee niet in gebruik.

10 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.013 | Definitief 04

Het tijdelijk gebruik van het buitenterrein aan de voorzijde (GVH32-AP-1767) wordt in overleg met de gemeente nader afgestemd, waarbij in de tijdelijkheid in elk geval het portiersgebouw en de hekwerken

verwijderd worden en betonnen keerwanden blijven staan, (zie afbeelding 2.1). Helemaal links van de voorkant, apart van de hoofdentree, is er ruimte voor laden en lossen. Aan de rechterzijde, eveneens apart

van de hoofdentree, bevindt zich de inrit naar de kelder voor parkeren en de fietsenstalling (zie afbeelding 2.2).

Afbeelding 2.1 Entree opvanglocatie

, .3

3 1

V

2-gA==n

22

7)

el• dl

11 | 40

*

9

Witteveen+Bos | 141935/25-009.013 Definitief 04

Afbeelding 2.2 Tekening ontwerp begane grond en buitenruimte

Nieuwe situatie K

'

I 0 O IDI

lil

E

0

y ë i

F e n. o

[V

O E

1 2

•>

Ucpoo

•F

1

E

-4

I I

09

1

I

I

i

i

e

o

6

ON

I

7

.4

E

6tEi

bil

!

- M

►

o

Q

55

H

# e:

P.E è»

R

E

1

Ir

l

R

eg

’

Bi J

Apt

I

bpg

es

4? H

m i

13

*

iien EÊ

9

!♦

0

f

-h

J

1

1 -1 9

o

P -

T

II

Ki

I*

LLya

l-

E

.A

/I lil

a

o

ï

I

f s

<

U=

0 5

i—

i

E-Ei-E

» d

l

n

7 d 88,evo 16

6

6

Exo

8u

taMaiumen

•i.2 .

H

H

I

n

ë

C2

N

WU

I

w

__ 1 ■___

D

H

d

I

B

M

f

T

.I

K-p

■

5

!

s

l

D

o

I

f

I

U

I

H

1

I

I

F

w

------ 1

i

1z

I

1_ l F 3

I

8

m

lil

@ 1 £ •

(uchm14:*00

±

Saturnusstraat T

O Ê..

12 140

'© 0'

s

Witteveen+Bos | 141935/25-009.013 | Definitief 04

s

SL.

h

6

3 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden voor de voorgenomen te ontwikkelen tijdelijke opvanglocatie relevant ruimtelijk beleid van het Rijk, de provincie Zuid-Holland, waterschap Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente Den Haag beschreven. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen het plan en het geldende

beleid. Daaropvolgend wordt getoetst of het project in overeenstemming is met het geldende beleid.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Omgevingswet

De Omgevingswet is in werking getreden op 1 januari 2024. De Omgevingswet betreft een wet die een

verregaande vereenvoudiging van het stelsel van wetgeving en het beheer van de leefomgeving

(Omgevingsrecht) beoogt: van 26 wetten naar één wet, van 60 AMVB's naar 4 AMVB's en van 4 ministeriële

regelingen naar één ministeriële regeling. De wet betekent een aanzienlijke inhoudelijke reductie van regels op het terrein van water, lucht, bodem, natuur, infrastructuur, gebouwen en cultureel erfgoed. Het

overgangsrecht in de Invoeringswet Omgevingswet (lOw) en het Invoeringsbesluit Omgevingswet regelen de

verhouding tussen nieuwe en oude regelgeving. Paragraaf 11.2 van de lOw bevat het overgangsrecht voor

de kerninstrumenten van de Ow: de omgevingsvisie, programma's, het omgevingsplan, de omgevingsverordening en waterschapsverordening, algemene Rijksregels, de omgevingsvergunning en het

projectbesluit. Het is sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer mogelijk om het bestemmingsplan te wijzigen, ook niet op ondergeschikte punten. Artikel 22.6 lid 1 van Omgevingswet heeft betrekking op de ruimtelijke plannen die van rechtswege onderdeel zijn geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit artikel bepaalt dat de ruimtelijke regels die onderdeel zijn geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, alleen 'alle tegelijk' kunnen vervallen. Uit dit artikel volgt dus dat het niet

mogelijk is om regels uit de voormalige ruimtelijke plannen aan te passen. Ook is het niet mogelijk om per locatie alleen een deel van de daar op grond van het ruimtelijk plan geldende regels van het tijdelijke deel te

laten vervallen. Bij een vaststellingsbesluit kunnen alleen alle voor een locatie geldende regels van het

tijdelijke deel vervallen. Bij een wijziging van regels in het tijdelijke deel, zullen dus alle regels voor de betrokken locatie (ook de regels die op zichzelf niet gewijzigd hoeven te worden) opnieuw vastgesteld

moeten worden en met inachtneming van de regels van de Omgevingswet in het nieuwe deel van het omgevingsplan vastgelegd moeten worden.

Het verlenen van een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit is een

eenvoudiger alternatief om projecten planologisch mogelijk te maken zonder het omgevingsplan te

wijzigen. Relatie met voorgenomen tijdelijke opvanglocatie Gezien de aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit na 1 januari 2024 wordt ingediend is de wet- en regelgeving conform de Omgevingswet van kracht. De vergunning kan enkel verleend worden als

voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voorliggend rapport dient als onderbouwing hiervan.

13 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.013 | Definitief 04

3.1.2

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met

andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen

in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil

tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een

geïntegreerde benadering, komen deze samen in 4 prioriteiten: 1

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;

2

een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel;

3

sterke en gezonde steden en regio's;

4

een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften is een belang uit de NOVI.

Voorzien in de huisvesting van asielzoekers is onderdeel van dit belang.

Relatie met voorgenomen tijdelijke opvanglocatie In de NOVI wordt het zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften benoemd als nationaal belang. Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt om een groei van de woningvoorraad. Voorzien in opvanglocaties van het COA is onderdeel van de

opgave. In de NOVI wordt het Rijk aangewezen als resultaatverantwoordelijke voor de huisvestingslocaties

van het COA. Gezien het voorafgaande draagt het voornemen bij aan het in de NOVI vervatte rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

De herziene Omgevingsvisie Zuid-Holland is op 1 april 2023 in werking getreden en is opgesteld in het kader

van de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden. Het beleid is gericht op het realiseren van maatschappelijke belangen en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. De

provincie geeft in de Omgevingsvisie de visie, ambities en opgaven voor de provincie Zuid-Holland weer. De visie omvat 7 vernieuwingsambities:

1

samenwerken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten;

2

bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor;

3

schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen;

4

een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland;

5

versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de

6

sterke stede en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en

leefomgeving;

sociale kwaliteit;

7

gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving.

De 7 vernieuwingsambities zijn concreet gemaakt in 20 beleidsdoelen. De beleidsdoelen zijn vervolgens

uitgewerkt in beleidskeuzes. In de beleidskeuzes staan onder andere een diverse samenleving en het bieden

van hulp aan kwetsbaren die zijn gevlucht voor oorlog en geweld beschreven.

Relatie met de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie Het planvoornemen geeft invulling aan de beschreven beleidskeuzes in de omgevingsvisie van de provincie

Zuid-Holland. Het mogelijk maken van de huisvesting van asielzoekers betreft het hulp bieden aan kwetsbaren die zijn gevlucht voor oorlog en geweld. Daarmee past het voornemen binnen de ambities van

de Zuid-Hollandse omgevingsvisie.

14 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.01 3 | Definitief 04

3.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

De belangrijkste thema's uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland zijn opgenomen in de Omgevingsverordening

Zuid-Holland (ZHOV), die sinds 26 maart 2024 geldt. Deze verordening vervangt eerdere verordeningen zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening en de Waterverordeningen. De ZHOV beschrijft de gebieden, grenzen en activiteiten die de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland beïnvloeden. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moeten de waarden uit de ZHOV worden gerespecteerd. Dit

geldt ook voor het huidige project, waarbij de relevante regels zijn toegepast. De ZHOV is geraadpleegd via het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Voor de locatie van het plangebied gelden

de volgende provinciale regels: 'Zuid-Holland': afbakening van het plangebied zonder inhoudelijke gevolgen voor de voorgenomen

tijdelijke ontwikkeling; 'Hoogheemraadschap van Delfland': beheergebiedafbakening zonder inhoudelijke gevolgen voor de

voorgenomen tijdelijke ontwikkeling (zie paragraaf 3.3); ‘Peilbesluitgebiec"’: aanwijzing van regionale wateren waarvoor een peilbesluit nodig is, zonder invloed

op het lokale waterpeil van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling;

'Regionale wateren': aanwijzing met betrekking tot overstromingsrisico's, zonder invloed op het lokale

waterpeil of waterkeringen voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling; 'Stationsomgeving': gebieden rond stations met een parkeernorm van maximaal 0,7 parkeerplaatsen per woning. De opvanglocatie valt niet onder woningen waardoor dit aspect niet van toepassing is.

Daarnaast hebben de mensen die hier opgevangen worden geen auto's en zijn parkeerplaatsen alleen nodig voor personeel en leveranciers. Paragraaf 4.4 gaat hier nader op in.

Relatie met de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling De projectlocatie valt volgens de Omgevingsverordening binnen een gebied zonder bijzondere

beschermingsstatus, zoals een grondwaterbeschermingsgebied, stiltegebied, Natuurnetwerk Nederland of

andere aanduidingen. De beoogde ontwikkeling is daarom volledig in overeenstemming met de regels uit

de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

3.3

Waterbeleid

Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet rekening worden gehouden met waterbelangen. Dit wordt getoetst door middel van een watertoets, die de gevolgen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voor het waterhuishouden beoordeelt. Onder de Omgevingswet blijft dit proces bestaan, maar dan onder de naam 'weging van het waterbelang’ De specifieke elementen die van belang zijn om te

toetsen kunnen per waterbeheerder verschillen. De beoogde tijdelijke opvanglocatie ligt in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland.

Relatie met de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie Er zijn geen directe belemmeringen vanuit de Waterschapsverordening voor de voorgenomen tijdelijke

opvanglocatie. Het project voorziet niet in veranderingen van het watersysteem, noch in lozings- en/of

wateronttrekkingsactiviteiten waarvoor volgens de verordening een vergunning-, zorg-, of meldplicht geldt. Het project voegt geen verharding toe en er vinden geen activiteiten plaats in eigendommen van het waterschap. De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling is daarom niet in strijd met de Waterschapsverordening

van het Hoogheemraadschap van Delfland.

15140

Witteveen + Bos | 141935/25-009.013 | Definitief 04

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Den Haag

Het plangebied valt binnen de structuurvisie 'Masterplan Bereikbaarheid CID - Binckhorst', vastgesteld op

8 juni 2023. Deze visie onderstreept de grote behoefte aan nieuwe betaalbare woningen en werkgelegenheid, waarbij tot 2040 in de metropoolregio minimaal 200.000 nieuwe woningen gerealiseerd

moeten worden. Het Central Innovation District (CID) en de Binckhorst zijn aangewezen als geschikte locaties voor deze grootschalige verstedelijking, zoals ook benoemd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).

Daarnaast, in oktober 2021 stelde het college van B&W het Ambitiedocument Omgevingsvisie Den Haag

2050 vast. Dit document legt de basis met hoofdlijnen voor de inhoud en beschrijft het proces om te komen

tot de omgevingsvisie. Een omgevingsvisie geeft richting aan gemeentelijk beleid door bestaande

strategische beleidsplannen, zoals de gemeentelijke structuurvisie, de agenda Ruimte voor de Stad, de agenda Groen voor de Stad, de mobiliteitsvisie en de watervisie, in samenhang uit te werken. Het brengt alle

kwaliteiten van de fysieke leefomgeving en de belangen die er spelen samen en weegt deze tegen elkaar af. De Omgevingswet bepaalt dat een omgevingsvisie een breed scala aan thema's moet omvatten. De ambities die richting geven aan de verdere inhoudelijke uitwerking van de omgevingsvisie zijn onder

andere: een rechtvaardig en inclusief Den Haag; een betaalbare, toegankelijke en toekomstbestendige woningvoorraad in Den Haag; een klimaatbestendig, klimaatneutraal en natuurinclusief Den Haag; een economisch vitaal Den Haag; een gezond en veilig Den Haag; een duurzaam bereikbaar Den Haag.

Relatie met de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie De voorgenomen tijdelijke opvang past binnen het verstedelijkende karakter van de Binckhorst en de

doelstellingen van grootschalige verstedelijking zoals beschreven in het masterplan bereikbaarheid CID.

Daarnaast ondersteunt deze opvanglocatie de ambities van de Omgevingsvisie Den Haag 2050. Het project

draagt bij aan een rechtvaardig en inclusief Den Haag door onderdak te bieden aan mensen die vluchten voor oorlog en conflict. Bovendien maakt de tijdelijke opvanglocatie efficiënt gebruik van bestaande bouw

en beschikbare ruimte in de stad.

16 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.013 | Definitief 04

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN Bij een omgevingsvergunning voor een BOPA moet door middel van een integrale ruimtelijke benadering rekening te worden gehouden met de consequenties van het project voor de omgeving. Het bevoegd gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Het beginsel van de Omgevingswet, een evenwichtige

toedeling van functies aan locaties, is van toepassing op alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de

leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de behandeling van de voor de ontwikkeling relevante milieu- en omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen, en hiermee wordt de

uitvoerbaarheid van het project aangetoond.

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Daarbij wordt getoetst aan wet- en regelgeving met de volgende thematische onderverdeling:

m.e.r.-beoordeling;

ladder voor duurzame verstedelijking; duurzaamheid en gezondheid; verkeersgeneratie, afwikkeling en parkeren;

weging van het waterbelang;

natuur;

luchtkwaliteit; geluid;

geur;

bodem;

omgevingsveiligheid; activiteiten en milieuzonering;

archeologie en cultuurhistorie; sociale veiligheid.

4.1

Milieueffectrapportage

Toetsingskader Een belangrijk onderdeel van de beoordeling of een aanvraag voor een BOPA volledig is, betreft de toetsing

aan de regels omtrent milieueffectrapportage (m.e.r.). Deze regels zijn vastgelegd in paragraaf 16.4.2 van de

Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Volgens deze regels wordt bepaald of een

activiteit m.e.r.-beoordelingsplichtig is wanneer deze is opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit geven verdere onderbouwing voor deze beoordeling. Resultaten

Het opvangen van asielzoekers staat niet specifiek vermeld in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Echter, uit jurisprudentie blijkt dat in specifieke gevallen het opvangen van asielzoekers mogelijk kan worden

beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit is afhankelijk van factoren zoals de duur van de opvang, het aantal op te vangen asielzoekers en de aard van de locatie.

17 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.013 | Definitief 04

Voor de tijdelijke opvanglocatie aan de Saturnusstraat 9 in Den Haag is het COA voornemens om in totaal

600 bewoners voor een periode van 10 jaar op te vangen. Voor de realisatie van de opvang wordt een grotendeels leegstaand pand in gebruik genomen en er vinden uitsluitend inpandige werkzaamheden plaats. Er gaan geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden op de projectlocatie. Gezien de beperkte ingreep

en de tijdelijke aard van het voornemen, is het verdedigbaar om het project niet aan te duiden als een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarmee geldt er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. Conclusie De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig en vormt daarmee geen

belemmering voor de ontwikkeling.

4.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

Toetsingskader De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument dat efficiënt ruimtegebruik bevordert, met als

doel zorgvuldig ruimtegebruik in Nederland te waarborgen. Onder de Omgevingswet heeft de Ladder een nieuwe wettelijke verankering gekregen in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit

artikel fungeert als een instructieregel voor zowel het omgevingsplan als voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en stelt dat de Ladder moet worden toegepast bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Resultaten

Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen zoals bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, kantoren, detailhandelvoorzieningen, of andere stedelijke voorzieningen die substantieel zijn. Het tijdelijk gebruik van een bestaand pand voor een opvanglocatie valt

niet onder deze categorieën. De beoogde ontwikkeling betreft het tijdelijk benutten van een bestaande bebouwing voor maximaal

10 jaar. Artikel 5.129g richt zich op permanente of langdurige stedelijke ontwikkelingen. Het tijdelijke

karakter van het gebruik wijkt af van de ontwikkelingen waarvoor de laddertoets is bedoeld. Het gebruik van een bestaand pand binnen de stad betekent dat er geen nieuwe ruimte ontwikkeld of uitgebreid wordt. Artikel 5.129g, lid 2, onder b, benadrukt juist het tegengaan van leegstand en het

zorgvuldig omgaan met ruimtegebruik door eerst binnen het stedelijk gebied naar mogelijkheden te kijken. Omdat het pand al binnen de stad staat en benut wordt, voldoet de ontwikkeling aan deze principes.

Conclusie De laddertoets is bedoeld voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Aangezien het gebruik van een bestaand

pand voor een tijdelijke opvanglocatie geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft, maar een hergebruik van bestaande bebouwing, is de laddertoets niet van toepassing.

4.3

Duurzaamheid

Toetsingskader Toetsing aan het aspect duurzaamheid is bij een BOPA-aanvraag is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid. Er is geen algemeen toetsingskader. De gemeente Den Haag heeft in 2024 een Climate City Contract opgesteld en ingediend bij de EU en heeft

het Haags Klimaatakkoord opgesteld. In dit Haags Klimaatakkoord staan 38 afspraken met 115 Haagse partijen om de CO2-uitstoot fors te verlagen en samen te werken aan een toekomstbestendig Den Haag. De belangrijkste punten uit beide documenten worden hieronder kort toegelicht en getoetst.

18 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.013 | Definitief 04

De gemeente Den Haag heeft daarnaast in het omgevingsplan Binckhorst opgenomen dat voor dit

transformatiegebied rekening gehouden wordt met een duurzame mobiliteit door een vergroting van het

aandeel van de modaliteiten fiets en openbaar vervoer in het geheel aan verplaatsingen van en naar de Binckhorst, dan wel dat met andere vormen van vervoer het autogebruik en/of het gebruik van fossiele

brandstoffen wordt beperkt. Resultaten Climate City Contract

In het Climate City Contract staan de volgende drie strategische prioriteiten: 1

isoleren van woningen om van het aardgas af te kunnen;

2

zero emissie zone;

3

circulair bouwen.

De beoogde tijdelijke ontwikkeling sluit aan op de drie strategische prioriteiten zoals gesteld in het Climate

City Contract: het pand is aangesloten op stadsverwarming en daardoor niet afhankelijk van aardgas, de

bewoners zullen hoofdzakelijk gebruik maken van zero- of laag emissie vervoer en de ontwikkeling vindt plaats in een bestaand gebouw.

Haags Klimaatakkoord Het Haags Klimaatakkoord gaat over de volgende vijf (hoofd)onderwerpen: 1

de overgang van aardgas naar hernieuwbare energie (energietransitie);

2

schoon vervoer zonder uitstoot (duurzame mobiliteit);

3

hergebruik van spullen en grondstoffen (circulaire economie);

4

een groene stad die bestand is tegen extreem weer (klimaatadaptatie);

5

Den Haag als internationale stad van vrede, recht en klimaat.

De beoogde tijdelijk ontwikkeling sluit aan op de eerste twee (hoofd)onderwerpen binnen het Haags

Klimaatakkoord. De overgang van aardgas naar hernieuwbare energie wordt aan voldaan (zoals hierboven

benoemd) doordat het pand is aangesloten op stadsverwarming. Voor duurzame mobiliteit presenteert het rapport drie strategieën: 1 Verminderen van het aantal verkeersbewegingen en het aantal gereisde

kilometers; 2 Veranderen van het reisgedrag zodat mensen kiezen voor duurzamere manieren van vervoer; 3 Verschonen van bestaande vervoerwijzen: transitie naar voertuigen met nul uitstoot. Voor de beoogde

ontwikkeling wordt vooral ingezet op strategie 2, waarbij medewerkers van de COA-locatie worden

gestimuleerd om met het openbaar vervoer, de fiets of te voet naar het werk te komen. Op loopafstand bevinden zich zowel een busstation (Maanweg of Zonweg) als een treinstation (Voorburg). Omgevingsplan Binckhorst

Ook ten aanzien van de regel uit het Omgevingsplan geldt dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan

duurzame vormen van mobiliteit van en naar de Binckhorst, aangezien de bewoners van deze opvanglocatie

doorgaans alleen gebruik maken van de fiets of het openbaar vervoer. Het personeel dat werkzaam is op

deze locatie wordt ook gestimuleerd om gebruik te maken van het openbaar vervoer of andere duurzame vormen van mobiliteit. Hiermee is het gebruik van fossiele brandstoffen voor mobiliteit voor deze

opvanglocatie beperkt. Conclusie Ten aanzien van het thema duurzaamheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde tijdelijke

ontwikkeling.

19 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.013 | Definitief 04

4.4

Verkeersgeneratie, afwikkeling en parkeren

Toetsingskader

Primair wordt verkeersveiligheid geregeld door de weg- en verkeerswetgeving, zoals de Wegenverkeerswet.

Deze regelgeving valt buiten de Omgevingswet. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW van kracht. De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten, en het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Resultaten

In het Chw Omgevingsplan Binckhorst wordt vermeld dat toegelaten activiteiten en functies moeten voldoen aan de randvoorwaarde dat er in voldoende mate in parkeergelegenheid wordt voorzien. Hoewel de beoogde functie niet expliciet in de lijst van toegelaten activiteiten en functies staat, zal voor deze

toekomstige functie dezelfde parkeervoorwaarde van toepassing zijn. Er is echter geen specifieke norm vastgesteld voor parkeergelegenheid binnen dit omgevingsplan. Daarom hanteren wij de parkeernorm van het COA, welke één parkeerplek per tien asielzoekers bedraagt.

In vergelijking met de verkeer aantrekkende werking van de planologisch toegestane functie (transformatiegebied met bedrijventerrein) van het perceel, zal de verkeer aantrekkende werking niet

toenemen doordat asielzoekers zich hoofdzakelijk te voet, met de fiets en het openbaar vervoer verplaatsen. De medewerkers van het COA en toeleveranciers maken wel gebruik van autovervoer. In tabel 4.1 hieronder

is het aantal voertuigen en bewegingen weergegeven. Deze vervoersbewegingen zijn gebaseerd op gegevens van soortgelijke opvanglocaties en afgestemd met het COA. Deze inschatting is gedaan met behulp van een rekentool van Witteveen + Bos die is gebaseerd op feitelijke tellingen van de

vervoersbewegingen van opvanglocaties van COA. Met deze rekentool wordt de verwachte vervoersbewegingen voor nieuwe opvanglocaties of voor uitbreiding van bestaande opvanglocaties ingeschat middels een vergelijking van de opvangcapaciteit van locaties. Deze rekentool wordt geregeld

herijkt wanneer nieuwe feitelijke waarnemingen zijn gedaan door het COA, zodat de inschatting van de verwachte vervoersbewegingen altijd actueel is. Uit deze herijking blijkt dat de inschattingen met de rekentool realistisch en vaak conservatief zijn, waardoor er in ieder geval geen sprake is van een

onderschatting van de verwachte vervoersbewegingen.

Tabel 4.1 Aantal voertuigen en bewegingen Saturnusstraat 9 Den Haag Type voertuig

Aantal

Bewegingen

licht

16.602

33.204

middel

7.889

15.778

zwaar

762

1.524

totaal perjaar

25.253

50.506

totaal per dag

70

140

Het gebouw beschikt over 43 parkeerplaatsen in het souterrain, wat gedeeltelijk voldoet aan de benodigde parkeervoorzieningen. Aangezien niet al het personeel en toeleveranciers tegelijkertijd aanwezig zullen zijn,

is de verwachting dat het aantal van 43 parkeerplaatsen toereikend is om in de parkeerbehoefte te voorzien.

Voor sporadische parkeerbehoefte boven deze 43 parkeerplaatsen kan gebruik worden gemaakt van (betaalde) parkeergarages in de omgeving van de opvanglocatie. Daarnaast zal het COA haar personeel

stimuleren om zo veel mogelijk met het openbaar vervoer te reizen, of het gebruik van andere duurzame vervoersopties zoals de fiets. Er zijn hiervoor 300 fietsenstallingen voor bewoners. Daarnaast is er een klein

hok met 48 fietsenstallingen voor personeel.

20 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.01 3 | Definitief 04

Conclusie De verkeersgeneratie en -afwikkeling door de opvanglocatie zal naar verwachting niet toenemen. De

tijdelijke opvanglocatie heeft geen significante effecten op de verkeerssituatie. De parkeernorm van het COA wordt deels gehaald met de huidige voorzieningen. Aanvullende oplossingen, zoals het gebruik van andere parkeerlocaties of duurzame vervoersalternatieven, zorgen ervoor dat de parkeervoorziening op de locatie

voldoende is.

Weging van het waterbelang

4.5

Toetsingskader Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening moet

worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels zoals gesteld in paragraaf 5.1.3 van het Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, moeten

de opvattingen van het bestuursorgaan dat belast is met het beheer van deze watersystemen worden betrokken bij de duiding van de gevolgen voor het watersysteembeheer. Resultaten De projectlocatie ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. Het plan

voorziet niet in activiteiten die invloed hebben op de waterhuishoudkundige situatie of op objecten die

onder het beheer van het Hoogheemraadschap vallen, omdat geen sprake is van bouwwerkzaamheden of de herinrichting van gebieden. Voor het mogelijk maken van de opvanglocatie vinden alleen inpandige wijzigingen plaats.

Conclusie De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling heeft geen gevolgen voor het beheer van watersystemen binnen het

beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland.

4.6

Natuur

Toetsingskader Voor het thema natuur komt het toetsingskader uit de Wet Natuurbescherming die beleidsneutraal is

overgenomen in de Omgevingswet, deze regelt op hoofdlijnen drie zaken: 1

bescherming van planten- en diersoorten;

2

bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden;

3

bescherming van bos en houtopstanden.

Voor de onderbouwing natuur is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd (d.d. 10 januari 2025) (bijlage IV). De resultaten hiervan zijn hieronder verwerkt. De Quickscan flora en fauna bevat een analyse voor de

soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden. Stikstofdepositie is los onderzocht (bijlage I)

Resultaten

Soortenbescherming

Het pand aan de Saturnusstraat is recentelijk gebruikt als kantoor en recreatieplek. De geplande veranderingen betreffen alleen aanpassingen binnen het pand en geen wijzigingen aan de buitenkant of op het terrein. Bovendien is het terrein volledig verhard.

Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde

soorten. Hoewel het onderzoek niet kan uitsluiten dat er beschermde soorten aanwezig zijn, kan het wel uitsluiten dat de werkzaamheden geen negatief effect op deze soorten zullen hebben.

21 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.013 | Definitief 04

Gebiedsbescherming Natura 2000

Het projectgebied ligt op circa 4.700 m van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide (afbeelding 4.1). Gezien de aard van de werkzaamheden, de afstand tot het Natura-2000 gebied en het

tussenstedelijk gebied worden geen negatieve effecten verwacht als gevolg van de toekomstige inrichting

van het projectgebied op het Natura 2000-gebied.

Afbeelding 4.1 N2000 gebied ten opzichte van projectgebied (Quickscan flora en fauna, 2025)

A

3 c V

ti L

7 e

.

□

Legenda Projectgebied

’J'

yN

2 283 5

406 £41

I

- - - Afstand projectgebied - N2000 _ I Natura2000 Luchtfoto 2022 Ortho 8cm RGB

1

9,3e*»8N, * 4 0 2032

Een" "

1

2 km

Bijzondere nationale natuurgebieden en Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het projectgebied bevindt zich op ongeveer 750 m van het dichtstbijzijnde bijzondere nationale

natuurgebied of NNN-gebied (afbeelding 4.2). Gezien de aard van de werkzaamheden, de afstand tot het bijzondere nationale natuurgebied/NNN en de tussenliggende stedelijke gebieden, worden geen negatieve effecten verwacht op deze gebieden als gevolg van de toekomstige inrichting van het projectgebied. De

werkzaamheden zullen niet leiden tot onderbreking of versnippering van het netwerk.

22 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.013 | Definitief 04

Afbeelding 4.2 Bijzondere nationale natuurgebieden en Natuurnetwerk Nederland (Quickscan flora en fauna, 2025)

Pte K 05

55

•v

SS3

•c 5,

5.er

3 $ Legenda | | Projectgebieo - - - Afstand projectgebied - NNN NNN Luchtfoto 2022 Ortho 8cm RGB

s*

< 29. o

250

500 m

Stikstofdepositie Voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase is een stikstofdepositie onderzoek noodzakelijk. Met behulp van de AERIUS Calculator zijn stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd voor zowel de

aanlegfase als de gebruiksfase (bijlage I). De resultaten tonen aan dat er geen projecteffect is (stikstofdepositietoename) van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op de omliggende Natura 2000-gebieden (zie

bijlage I). Bij de berekening voor de aanlegfase is rekening gehouden met de werkzaamheden, waarbij stikstofemissies

vrijkomen door mobiele werktuigen en bouwverkeer. De werkzaamheden vinden volgens planning plaats in

2025 en zodoende is 2025 als rekenjaar gehanteerd. De werkzaamheden bestaan voornamelijk uit inpandige wijzigingen en er worden geen aanpassingen gedaan aan de buitenzijde van het pand. Ook vinden er wijzigingen plaats aan het voorterrein (slopen portierhuis, weghalen hekwerk) waarvoor mobiele werktuigen worden ingezet. De totale maximale duur van de aanlegfase bedraagt 7 maanden.

In de gebruiksfase is er sprake van stikstofemissies van verkeer. De opvanglocatie wordt in 2026 in gebruik genomen en zodoende is 2026 als rekenjaar gehanteerd. De locatie wordt verwarmd door middel van stadsverwarming. Op basis van deze resultaten kunnen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen

van Natura 2000-gebieden tijdens zowel de aanleg- als de gebruiksfase op voorhand worden uitgesloten. Concluderend geldt dat voor de beoogde aanleg en het beoogde gebruik van de gebouwen geen vergunningplicht bestaat voor de bescherming van Natura 2000 in het kader van de Omgevingswet.

Houtopstanden

In het Omgevingsplan worden contouren van de bebouwde kom vastgesteld. Hierbinnen gelden de algemene regels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) ter bescherming van houtopstanden in het

landelijk gebied niet (Artikel 2.28 sub g Ow). In de Omgevingsverordening kan de Provincie maatwerkregels stellen over de herbeplantingsplicht.

Binnen de invloedsfeer van het project zijn enkele jonge bomen aanwezig. Deze bomen voldoen niet aan de

definitie van een houtopstand. De geplande werkzaamheden zijn dan ook niet in strijd met hoofdstuk 4 van

de Ow.

23 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.013 | Definitief 04

Conclusie

Uit de uitgevoerde quickscan flora en fauna blijkt dat de geplande werkzaamheden aan de Saturnusstraat 9

te Den Haag geen negatieve effecten zullen hebben op beschermde planten- en diersoorten, Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden of het Natuurnetwerk Nederland. Evenmin

zullen de werkzaamheden leiden tot significante stikstofdepositie of in strijd zijn met de regels voor houtopstanden.

Luchtkwaliteit

4.7

Toetsingskader Toetsingskader Om de gezondheid van de mensen te beschermen, zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen in

de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De eisen aan de kwaliteit van de buitenlucht oftewel luchtkwaliteit staan vermeld in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Voor deze regels gelden zogenoemde

omgevingswaarden, waarbij stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM 10) maatgevend zijn. Activiteiten zijn toelaatbaar indien ze voldoen aan de volgende voorwaarden:

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een omgevingswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is komen te vervallen bij de inwerkingtreding van

de Omgevingswet. Het Bkl geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Bij ontwikkelingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat omgevingswaarden worden overschreden. Deze omgevingswaarden liggen voor zowel NO2 als PM10 op een jaargemiddelde van

40 microgram/m3. Onder de Omgevingswet staan aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit opgenomen. De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 van het Bkl. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgen de grenzen voor niet in

betekende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie maatgevende stoffen niet hoger is dan 1.2 pg/m3. Resultaten De grenswaarden voor NO2 en PM10 liggen op een jaargemiddelde van 40 microgram/m3. De huidige

achtergrondconcentraties in en rondom het plangebied liggen ver beneden deze wettelijke grenswaarden (zie afbeelding 4.3).

24 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.01 3 | Definitief 04

Afbeelding 4.3 NO2 en PM10 waarden plangebied

A N

X N2 conompttsos ag/m3 (RIVM) •C torcg-224 • m1

t* 10 amaid

■ 173-10-g‘m ■ 3-30 m • W* a 30 43

A

Fonatol M PM10/m3 tRMM) *,mo‘-g *10/2

■ 13-14303 14-15-03 W—0 ng,mraavoe

14-20-m

■2

■ i

In vergelijking met de verkeer aantrekkende werking van de planologisch toegestane functie (transformatiegebied met bedrijventerrein) van het perceel, wordt verwacht dat de verkeer aantrekkende

werking niet zal toenemen. Dit komt doordat asielzoekers zich hoofdzakelijk te voet, met de fiets en met het openbaar vervoer verplaatsen. De medewerkers van het COA en toeleveranciers maken echter wel gebruik

van autovervoer. In tabel 4.1 onder de paragraaf 'Verkeersgeneratie, afwikkeling en parkeren' is het aantal voertuigen en bewegingen weergegeven.

Deze gegevens zijn vervolgens ingevoerd in de NIBM-tool, een rekentool die ruimtelijke en verkeersplannen beoordeelt op hun impact op de luchtverontreiniging (zie afbeelding 4.4). Uit de resultaten blijkt dat de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling niet in significante mate bijdraagt aan luchtverontreiniging.

25 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.013 | Definitief 04

Afbeelding 4.4 NIBM-tool

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer NO in pg/m3

Maximale bijdrage extra verkeer

PM,q in pg/m'

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in pg/m3

2024

140 4.5%

0,14 0 02 1.2

Conclusie

De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Conclusie De huidige achtergrondconcentraties van NO2 en PM10 liggen ruim onder de wettelijke grenswaarden. De

verkeersaantrekkende werking door de functiewijziging zal niet verder toenemen en draagt niet in

significante mate bij aan de luchtverontreiniging. De NIBM-tool bevestigt dat de effecten op de luchtkwaliteit binnen de toegestane grenzen blijven. Hiermee voldoet het project aan de luchtkwaliteitseisen zoals vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving.

4.8

Geluid

Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van een geluidsbronsoort (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds en bestemmingen die een zekere mate van rust nodig hebben (zoals woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Ruimtelijke plannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Omgevingswet, via het gemeentelijke Omgevingsplan, het Besluit

kwaliteit leefomgeving (Bkl) en onderliggende besluiten en regelingen.

Toetsingskader Voor het afwijken van het omgevingsplan dient het aspect geluid te worden beoordeeld. Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van een geluidsbron (zoals wijzigingen aan een weg,

spoorweg of industrie) enerzijds en bestemmingen die een zekere mate van rust nodig hebben (zoals

woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Omgevingsplannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Omgevingswet (Ow).

In artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is opgenomen dat gebouwen met een woonfunctie worden gedefinieerd als geluidgevoelige gebouwen. Hieronder vallen alle gebouwen voor woongebruik, zoals woningen en verzorgingshuizen. Ook vallen hieronder woonwagens en woonschepen. De aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen sluit aan bij de gebruiksfuncties van een ander

Omgevingswetinstrument: het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hierdoor zijn gebouwen die worden ingezet voor het opvangen van personen geen gebouwen met een woonfunctie, maar met een logies-functie. De wet wijst gebouwen met deze functies niet aan als geluidgevoelig gebouw. De

instructieregels uit het Bkl hebben uitsluitend betrekking op geluidgevoelige gebouwen. Andere gebouwen

en locaties reguleert het Bkl niet. Het Rijk laat de bescherming van overige gebouwen en locaties over aan decentrale overheden. Dit is in lijn met het subsidiariteitsbeginsel (decentraal) en het proportionaliteitsbeginsel (artikel 2.3 Omgevingswet). Een wettelijke taak van de gemeente hierin is het 'evenwichtig toedelen van functies aan locaties' (artikel 4.2 Omgevingswet). De gemeente neemt bij deze taak het geluid door activiteiten op de niet van Rijkswege

beschermde gebouwen en locaties mee.

26 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.013 | Definitief 04

Voor elk gebouw of locatie waarin met een zekere regelmaat en gedurende langere tijd personen kunnen verblijven, is geluid in principe een onderdeel van de afweging. Vaak zal de geluidkwaliteit door de

beleidsmatige ordening van functies/activiteiten in de fysieke leefomgeving acceptabel zijn. Of is de noodzakelijke mate van bescherming tegen geluid van functies gering. Het betreft hier geen geluidgevoelige functie en de locatie is daarmee niet beschermt tegen geluid. Dit betekent dat er geen toetsing hoeft plaats te vinden aan de standaardwaarde en grenswaarde uit de Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Wel wordt er aan de hand van deze waarden het woon- en leefklimaat inzichtelijk gemaakt en beoordeeld. Hierbij dient

gezegd te worden dat aanwezige bedrijven in de omgeving niet worden beperkt in hun geluidruimte. De standaardwaarden en grenswaarden uit het Bkl zijn in onderstaande tabel 4.2 opgenomen.

Tabel 4.2 Standaardwaarden en grenswaarden uit het Bkl Geluidbronsoort rijkswegen

Standaardwaarde

Grenswaarde

50 dB Lden

60 dB Lden

53 dB Lden

70 dB Lden

55 dB Lden

65 dB Lden

provinciale wegen gemeentelijke wegen

waterschapswegen lokale spoorwegen

hoofdspoorwegen industrieterreinen

geluid van activiteiten

50 dB Lden

60 dB Lden

40 dB Lnight

50 dB Lnight

50 dB(A) etmaalwaarde

Resultaten

Uit het akoestisch onderzoek (Bijlage V) is gebleken dat het geluid op de gevels ten gevolge van de

rijkswegen, gemeentelijke wegen, spoorwegen en ten gevolge van industrie ten hoogste respectievelijk 60, 55 en 58 dB Lden en 57 dB(A) bedraagt. Het cumulatieve geluid op de locatie bedraagt ten hoogste 62 dB

Lden en het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 63 dB Lden. De Miedema classificatie voor het woon-

en leefklimaat is op de hoogst belaste punten is beoordeeld als tamelijk slecht. Op de andere punten varieert het de classificatie voor het woon- en leefklimaat van goed tot matig.

Ondanks dat het geluid op de gevels relatief hoog is, kan geoordeeld worden dat er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Hiervoor dient de gevelisolatie voldoende te zijn. In het kader van een evenwichtige

toedeling van functies aan locaties en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, wordt beoordeeld op basis

van 43 dB zoals opgenomen in artikel 4.105 van het Bbl. Het gezamenlijke geluid op de locatie bedraagt ten hoogste 63 dB. De gevelwering dient op deze locatie dan 20 dB te bedragen. Op basis van zicht kan met de uitvoering van de gevel van het gebouw, de uitvoering van de ramen en dergelijke worden gezegd dat deze

waarde wel wordt behaald.

Conclusie

Er kan vanwege de tijdelijkheid van het initiatief en het feit dat er een aanvaardbaar binnenniveau op de locatie aanwezig is, gezegd worden dat het woon- en leefklimaat aanvaardbaar is voor de opvang van personen.

4.9

Geur

Toetsingskader

Regels over geur zijn verdeeld over verschillende algemene maatregelen van bestuur (Amvb's) van de

Omgevingswet en verschillen per activiteit. Het Rijk stelt specifieke regels aan geurbelasting voor bepaalde gebouwen. Regels voor milieubelastende activiteiten staan in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten

leefomgeving (Bal).

27 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.01 3 | Definitief 04

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat algemene en specifieke beoordelingsregels voor geur. Voor

tijdelijke gebouwen die niet meer dan 10jaarzijn toegelaten gelden niet alle geurregels. Wel moet in die gevallen sprake zijn van een aanvaardbaar geurhinderniveau. Op gemeentelijke niveau zijn ook regels over

geur in het (tijdelijke) omgevingsplan opgenomen. Indien er geen wijzigingen zijn in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, gelden de regels uit hoofdstuk 22 van het omgevingsplan, die met de Bruidsschat

onderdeel zijn geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het Chw Omgevingsplan Brinckhorst bevat specifieke geurregels. Volgens artikel 7.2.1 onder r mag de geurbelasting bij de perceelgrens niet meer dan 0,5 ouE/m3 als 98-percentiel voor continue geurbronnen of 2,5 ouE/m3 als

99,99-percentiel voor discontinue geurbronnen bedragen. Vanwege de tijdelijkheid van deze locatie blijft het uitgangspunt dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar geurhinderniveau. Het bevoegd gezag beoordeelt

of de geurhinder aanvaardbaar is.

Resultaten Een opvanglocatie voor asielzoekers is geen milieubelastende activiteit en veroorzaakt geen geuremissies.

In het omgevingseffectrapport van 2020 van het omgevingsplan Brinckhorst zijn de bedrijven met een

geurcontour in de Binckhorst weergegeven. Van de bedrijven in de omgeving van de tijdelijke opvanglocatie is de Haagse afvalcentrale bepalend in het verwachte geurhinderniveau. De 7,5 ouE/m3 geurcontour van de Haagse afvalcentrale ligt op meer dan 150 m afstand van de beoogde opvanglocatie (zie afbeelding 4.5). Met een normale verspreiding van geur is naar verwachting geen sprake van een onaanvaardbaar

geurhinderniveau op de tijdelijke opvanglocatie aan de Saturnusstraat. Gezien de afstand tot geurbronnen vormt geur geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie.

Afbeelding 4.5 Bedrijven met een geurcontour in de Binckhorst (Omgevingseffectrapport, 2020) (plangebied is het rode vierkant)

N *

AVR Mvaloverslagstation

;

a Mvaloverslagsttion De Zwar • • „Fape Afvjcentrale

P Mhe U

ƒ

Legenda

7,5 ouE/m3 als 99,99 percentiel

15 ouE/m3 als 98 percentiel

Conclusie Geur vormt geen belemmering voor de beoogde tijdelijke opvanglocatie voor asielzoekers, aangezien de

relevante geurbronnen zich op voldoende afstand bevinden van de opvanglocatie bevinden.

4.10

Bodemkwaliteit

Op grond van de instructieregel uit artikel 5.89i Bkl moeten de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie voor de in

bijlage Xllla aangewezen stoffen die de gezondheid bedreigen worden opgenomen in het definitieve

omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of gebruiksfunctie verschillen.

28 | 40

Witteveen + Bos | 141935/25-009.013 | Definitief 04

Op grond van het Bkl dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden

gehouden met de bodemgesteldheid op de projectlocatie. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en)/functie(s)? Is er bodemverontreiniging die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico's, ecologische risico's of verspreidingsrisico's

op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is, dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door

grondverzet, zoals door graafwerkzaamheden. Toetsingskader

Indien de bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, bepaalt de Omgevingswet dat

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15721504/1