RIS322600 Bijlage 1 onderbouwing en tekeningen
Tekst van het document
WE, Bos Witteveen Hm
‘T-cé E-j
m.. 3a '
1
=
E 4
ifü
4
*2/ g eg= “ ü-i
1
I
5
A
ƒ
E
I,
1
I
75-”
. Hü6
Mku
P
2=,
2 Aed---k* -Le
ia) u 1104A 2522
s
1.29a
5
8/24 €‘
2.N1
i1, ë 2
M2 a,C
357*, “40,ë
2 duN 4053 *E0
- —ië F==
1
# l
It-s2 af
5
Bv
• •>
Ea ■ 1,
3
g I 1.
‘anÊ" h--.,
üfFmF.fmmdi
TT
Tijdelijke opvanglocatie Onderbouwing van de Effecten op de Fysieke Leefomgeving
Centraal Orgaan opvang asielzoekers 5 juni 2025
—mg 42•
t
*9
9
TI FIAi
I
Im j
“ë . . X
4
1
v
Project
Tijdelijke opvanglocatie
Opdrachtgever
Centraal Orgaan opvang asielzoekers
Document
Onderbouwing van de Effecten op de Fysieke Leefomgeving
Status
Definitief 03
Datum
5 juni 2025
Referentie
145706/25-008.969
Projectcode
145706
Adres
Witteveen + Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer
Daalsesingel 51c Postbus 24087
3502 MB Utrecht
+31 (0)30 765 19 00
www.witteveenbos.com
KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen + Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen + Bos
Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens
schriftelijk anders overeengekomen. Tekst- en datamining van (delen van) dit document, evenals enige verwerking of reproductie ervan door middel
van kunstmatige intelligentie technologieën is uitdrukkelijk niet toegestaan, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Dit document (of delen ervan) mag niet worden verveelvoudigd en/of anderszins worden gebruikt op enigerlei wijze voor het trainen van kunstmatige intelligentie
technologieën, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit
uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
INLEIDING
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Projectlocatie
6
1.2.1 1.2.2
Begrenzing projectlocatie
6 8
Van bestemmingsplan naar omgevingsplan
8
1.3
1.3.1
Ligging projectlocatie
Toetsing vigerend omgevingsplan gemeente Den Haag
8
1.4
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit
10
1.5
Leeswijzer
10
2
BESCHRIJVING PROJECTLOCATIE
11
2.1
Huidige situatie
11
2.2
Toekomstige situatie
11
3
BELEIDSKADER
12
3.1
Rijksbeleid
12
3.2
3.3
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
3.1.2
Instructieregels Rijk
12 12
Provinciaal beleid
15
3.2.1 3.2.2
15 15
Omgevingsvisie Zuid-Holland
Omgevingsverordening provincie Zuid-Holland
Gemeentelijk beleid
16
3.3.1 3.3.2
16 16
Omgevingsvisie Den Haag 2050
Structuurvisies CID
4
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
18
4.1
Milieueffectrapportage
18
4.1.1 4.1.2 4.1.3
18 18 19
Toetsingskader Resultaten
Conclusie
4.2
4.3
4.4
4.5
Duurzaamheid en gezondheid
19
4.2.1 4.2.2 4.2.3
19 19 19
4.7
4.3.1 4.3.2 4.3.3
Conclusie
20 20 22
Weging van het waterbelang
23
4.4.1 4.4.2 4.4.3
23 23 23
4.11
Toetsingskader Resultaten
Conclusie
23 Toetsingskader Resultaten
Conclusie
23 24 26 26
4.6.1 4.6.2 4.6.3
26 27 29
Toetsingskader Resultaten
Conclusie
29
Geluid Toetsingskader Resultaten
Conclusie
29 29 31 31
Bodem
Toetsingskader Resultaten
Conclusie
Geur
31 31 31 31
Toetsingskader Resultaten
Conclusie
31 32 32
Omgevingsveiligheid (externe veiligheid)
32
4.10.1 4.10.2 4.10.3
32 33 34
Toetsingskader Resultaten
Conclusie
35
Trillingen
Conclusie
35 35 35
Archeologie en cultuurhistorie
36
4.12.1 4.12.2 4.12.3
36 36 36
4.11.1 4.11.2 4.11.3
4.12
Resultaten
Luchtkwaliteit
4.9.1 4.9.2 4.9.3 4.10
Toetsingskader
Natuur
4.8.1 4.8.2 4.8.3
4.9
Conclusie
20
4.7.1 4.7.2 4.7.3
4.8
Resultaten
Verkeer en parkeren
4.5.1 4.5.2 4.5.3 4.6
Toetsingskader
Toetsingskader Resultaten
Toetsingskader Resultaten
Conclusie
4.13
4.14
Activiteiten en milieuzonering
36
4.13.1
Toetsingskader
36
4.13.2
Resultaten
37
4.13.3
Conclusie
37
Sociale veiligheid
37
4.14.1
Toetsingskader
37
4.14.2
Resultaten
38
4.14.3
Conclusie
38
5
UITVOERBAARHEID
39
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid en participatie
39
5.2
Economische uitvoerbaarheid
39
5.3
Beheer en onderhoud
39
5.4
Handhaving
39
Laatste pagina
39
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Situatietekening
10
II
Stikstofdepositie onderzoek
19
(referentie 145706/24-019.057 d.d. 20 december 2024)
III
Akoestisch onderzoek (referentie 145706/25-008.955 d.d. 5 juni 2025)
44
INLEIDING
1.1
Aanleiding
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) werkt landelijk aan het zo spoedig mogelijk realiseren van
(tijdelijke) opvangplaatsen. In het kader hiervan ziet het COA kansen voor de realisatie van een tijdelijke opvanglocatie aan de Calandstraat 12 te Den Haag. Het voornemen is om het bestaande kantoorpand middels inpandige wijzigingen om te vormen tot een opvanglocatie voor 250 bewoners, voor een periode
van 3 jaar met een mogelijke verlenging van 2 jaar. De bewoners bestaan uit alleengaanden en gezinnen. Het gebruik van het kantoorpand als tijdelijke opvanglocatie past niet binnen het tijdelijk deel van het
Omgevingsplan van de gemeente Den Haag. Het planvoornemen is in strijd met de huidige enkelbestemming 'Kantoor' zoals vastgesteld in artikel 11 van de planregels. De tijdelijke opvanglocatie kan
planologisch mogelijk worden gemaakt middels een omgevingsvergunning buitenplanse
omgevingsplanactiviteit (artikel 5.1, eerste lid, onder a Omgevingswet). Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA) is een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het
verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan of
een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Voor de BOPA gelden de beoordelingsregels van afdeling 8.1 Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van deze regels kan het bevoegde gezag een omgevingsvergunning voor een BOPA slechts verlenen:
met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid Besluit kwaliteit leefomgeving); als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b (niet provinciaal of nationaal belang).
Om de tijdelijke ontwikkeling mogelijk te maken dient een omgevingsvergunning voor een buitenplanse
omgevingsplanactiviteit (BOPA) conform artikel 5.1, eerste lid, onder a Omgevingswet aangevraagd te worden. Hiervoor dient een onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving overlegd te worden, waarin wordt aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De toetsingsvereisten hiervan zijn, dat het tijdelijke planvoornemen voldoet aan de instructieregels uit het
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de provinciale- en waterschapsverordening en een evenwichtige
toedeling van functies aan locaties. Dit rapport voorziet in deze onderbouwing. Dit rapport voorziet in deze
onderbouwing en dient als basis voor de aanvraag van de omgevingsvergunning.
1.2
Projectlocatie
1.2.1
Ligging projectlocatie
De projectlocatie bevindt zich aan de Calandstraat 12 in Den Haag. De globale ligging van de projectlocatie is weergegeven in afbeelding 1.1 en afbeelding 1.2. De locatie is kadastraal bekend onder de gemeentenaam 's-Gravenhage, sectie AC en perceelnummer 2519 (kadastrale aanduiding: GVH20-AC-2519). De locatie is
gelegen in de stadswijk Laakhavens. Deze buurt maakt deel uit van het Central Innovation District (CID) van Den Haag en staat bekend om zijn vele hoog- en nieuwbouw, evenals de aanwezigheid van veel
(internationale) studenten. Aan de westzijde van de projectlocatie grenst een spoorlijn.
6 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
Afbeelding 1.1 Globale ligging projectlocatie Den Haag Leiden
Wassenaar
Hazerswoude- Rijndijk
''Voorschoten
Alphër aan den Rijn
/ .. /
Leidschendam
)
Voorburg
tusaz
dmetm*
tonster
w
3
‘Gravenzande
Naaldwijk'
Hoek war Holland
*
’
-ii
-
5-.
V
y Shlë
Maassluis.
k
4s-fm .
X ' Rotterdam
Vlaardingen I
Oostvoorne -
euprle *s»
Krimper aan den IIssel
Rozenburg
M -
Brielle
-/
kerker
Ridderkerk
Hoogvliet Barendrecht
I
k
ê
Al I
. a
Afbeelding 1.2 Globale ligging projectlocatie Calandstraat
ï;
6as
xg
M 83 •
she
, 6bé
6/é
17 5
8
A
-me =; 11,1 H A•
je '■ <
“a89heA
18//
(// ur
• .0A2 -u
u
/
WM
7,"8
2
ge —a Z
28
6jn
0
// i i,j/ n // // K
3 a 4/ga P. Huüg tie
a)
•046 902 ■
/ ; AF qe
I 1
2 aj
7 | 39
-
o ■ >/
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
26"
*"
9
A
?. "
1.2.2
Begrenzing projectlocatie
Deze onderbouwing ten aanzien van de effecten op de fysieke leefomgeving heeft betrekking op het rood gemarkeerde vlak weergegeven op afbeelding 1.3. De rode markering geeft aan waar afgeweken gaat
worden van het omgevingsplan ten behoeve van de tijdelijke opvanglocatie van het COA. De opvang zal enkel plaatsvinden in bestaande bebouwing en er worden geen nieuwe bouwwerken op het terrein geplaatst of andere aanpassingen op het terrein voorzien.
Afbeelding 1.3 Luchtfoto projectlocatie (rode markering)
□
"ë
r
S
X
3
g '
X Md
dp
/
4 »
2
1.3
• S
w F VE
Van bestemmingsplan naar omgevingsplan
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn de bestemmingsplannen van
gemeenten van rechtswege onderdeel geworden van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan (artikel 4.6 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet). Het overgangsrecht van de Omgevingswet regelt de overgang van onder andere de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
naar de Omgevingswet (Ow).
1.3.1
Toetsing vigerend omgevingsplan gemeente Den Haag
De tijdelijke opvanglocatie ligt binnen het omgevingsplan van de gemeente Den Haag. In het tijdelijke deel
van het omgevingsplan zijn van rechtswege verschillende bestemmingsplannen opgenomen waaraan getoetst dient te worden. De volgende bestemmingsplannen zijn toepassing ter plaatse van de
projectlocatie: bestemmingsplan Laakhavens (onherroepelijk vastgesteld op 27 november 2013); bestemmingsplan parapluherziening (fiets)parkeren (onherroepelijk vastgesteld op 20 september 2018); bestemmingsplan parapluherziening Flitsbezorging (onherroepelijk vastgesteld op 1 december 2022).
8 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
Bestemmingsplan Laakhavens
Op de projectlocatie gelden de volgende bestemmingen en maatvoeringen vanuit het bestemmingsplan
Laakhavens: enkelbestemming 'Kantoor' (artikel 11 planregels);
maatvoering maximum bouwhoogte (bouwvlak): 25 m. De voor 'Kantoor' aangewezen gronden zijn bestemd voor kantoor een en ander met de daarbij behorende
gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, wegen, parkeervoorzieningen, groen, water en overige voorzieningen. Het beoogde gebruik van de projectlocatie als tijdelijke opvang is strijdig met de geldende
enkelbestemming 'Kantoor'. Afbeelding 1.4 weergeeft een uitsnede van het ter plaatse geldende bestemmingsplan van de projectlocatie.
Afbeelding 1.4 Uitsnede bestemmingsplan Laakhavens projectlocatie
ov*
3%
s®
22%,
«o
/
toO'
/
4
/
38
‘/ /
5
/
/
/
/ / / ( / / / /
/
/—
/ Bestemmingsvlakken (1)
/
2
__ | Kantoor
r
>
\
J
81394, 453338
A
\ Bouwvlakken (1)
/ /
71/
bouwvlak
>
e2: Maatvoeringen (1)
•
?
Maximum bouwhoogte (m) (1)
A
1 Maximum bouwhoogte (m): 25
>
,4
( r
L.
C Johan van *
o
A
Bestemmingsplan parapluherziening (fiets)parkeren Ter plaatse van de beoogde tijdelijke opvanglocatie geldt het parapubestemmingsplan (fiets)parkeren. Het bestemmingsplan bepaalt volgens artikel 5.1 onder a dat indien de ligging, de omvang of de bestemming
van een gebouw of functie daartoe aanleiding geeft, mag een gebouw of functie alleen worden bebouwd of gebruikt onder de voorwaarde dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het
parkeren van voertuigen en (brom)fietsen, met dien verstande dat voldoende ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder de bebouwing, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij de bebouwing of functie
behoort. Artikel 5.1 onder b beschrijft of sprake is van voldoende (fiets)parkeergelegenheid, zoals genoemd in artikel
5.1 onder a, wordt bepaald op basis van de (fiets)parkeernomen, (fiets)parkeereisen en berekeningsmethode, zoals opgenomen in: voor motorvoertuigen: de Nota parkeernormen Den Haag, met dien verstande dat indien voornoemde
nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging; voor fietsen: de beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016, met dien verstande dat indien
voornoemde nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
9 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
In paragraaf 4.3 van deze rapportage wordt nader ingegaan op het thema parkeren. Hieruit volgt dat er geen belemmering zijn ten aanzien van het thema parkeren. Bestemmingsplan parapluherziening Flitsbezorging Ter plaatse van de projectlocatie geldt het paraplubestemmingsplan Flitsbezorging. Artikel 18 bevat wijzigingen die van toepassing zijn voor het geldende bestemmingsplan Laakhavens. Deze wijzigingen zijn
niet van toepassing voor de geldende enkelbestemming 'Kantoor' ter plaatse van de projectlocatie. Het bestemmingsplan bevat dus geen bepalingen welke relevant zijn voor de beoogde tijdelijke opvanglocatie.
Een nadere toetsing aan dit bestemmingsplan is dus niet aan de orde.
1.4
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Het planvoornemen is strijdig met de functie 'Kantoor' zoals vastgelegd in artikel 11 van de planregels. Een
tijdelijke opvanglocatie van het COA wordt niet genoemd onder de toegestane activiteiten en is daarmee in strijd met het tijdelijke deel van het vigerende omgevingsplan. Het plan biedt geen binnenplanse
mogelijkheden om het planvoornemen mogelijk te maken.
De voorgenomen opvanglocatie kan planologisch mogelijk worden gemaakt door middel van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Een BOPA betreft een
activiteit die niet voldoet aan of in strijd is met het omgevingsplan. Het bevoegde gezag mag een vergunning voor een BOPA alleen verlenen als de activiteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van
functies aan locaties, zoals beschreven in artikel 8.0a, lid 1, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
De initiatiefnemer moet aantonen dat wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl, evenals aan de provinciale- en waterschapsverordening, en dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Voor een BOPA-aanvraag geldt de reguliere procedure met een beslistermijn van 8 weken, die met 6 weken kan worden verlengd. Na deze periode is bezwaar en beroep mogelijk. In sommige gevallen (artikel 16.65,
lid 4, Omgevingswet en artikel 16.65, lid 1, onder a, Omgevingswet) geldt de uitgebreide procedure van 26 weken behandeltermijn + 6 weken beroepstermijn.
1.5
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 van dit rapport wordt een nadere beschrijving van het voornemen gegeven. Zowel de huidige situatie als de toekomstige situatie worden geschetst. Hoofdstuk 3 omvat een toetsing van de tijdelijke opvanglocatie aan relevante ruimtelijke beleidskaders van Rijk, provincie en gemeente. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 voor alle relevante milieu- en omgevingsaspecten beschouwd wat de effecten zijn van de
tijdelijke opvanglocatie. In hoofdstuk 5 worden de maatschappelijke uitvoerbaarheid en het participatieproces toegelicht en in hoofdstuk 6 volgen de financiële uitvoerbaarheid, beheer en onderhoud
en handhaving.
10 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
2 BESCHRIJVING PROJECTLOCATIE In dit hoofdstuk wordt de projectlocatie beschreven. Allereerst wordt ingegaan op de huidige situatie en vervolgens wordt ingegaan op de toekomstige situatie.
2.1
Huidige situatie
De locatie waar de tijdelijke opvanglocatie is voorzien bevindt zich aan de Calandstraat 12, in de wijk
Laakhavens in Den Haag. Het betreft een voormalig kantoorpand genaamd Haags Taalplein, waar
werkfuncties aanwezig zijn. Op het voorterrein van het pand bevindt zich een parkeerterrein met 22 parkeerplaatsen, dat toegankelijk is via de Waldorpstraat. Daarnaast is op het voorterrein gelegenheid om
fietsen te stallen in fietsenrekken.
2.2
Toekomstige situatie
Het bestaande pand op het terrein wordt gebruikt voor de tijdelijke opvang van 250 bewoners voor een periode van 3 jaar met mogelijk een verlenging van 2 jaar. Op het voorterrein is ruimte voor parkeren en fietsenstalling. Op de begane grond en eerste verdieping worden dienstfuncties vervuld, zoals kantoor,
ketenpartners, leslokalen, beveiliging, elektra en archief. Op de tweede verdieping worden in totaal 18 zelfstandige eenheden met 75 plaatsen gerealiseerd. Dit
gebeurt ook op de derde verdieping. Op de vierde verdieping zullen in totaal 23 zelfstandige eenheden met
67 plaatsen worden ontwikkeld. Op de vijfde verdieping bevinden zich in totaal 15 zelfstandige eenheden met 62 plaatsen. Elke verdieping is voorzien van een gezamenlijke keuken/woonkamer, badkamer en
toiletten. De situatietekening van de beoogde opvanglocatie zijn opgenomen in bijlage I van dit rapport.
Naast de bewoners zijn er ook maximaal 25 medewerkers van het COA en beveiliging aanwezig op de locatie. Er worden geen aanpassingen aan het (buiten)terrein gedaan. Er wordt alleen inpandig verbouwd om het gebouw geschikt te maken als opvanglocatie.
11 I 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
3 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden voor de voorgenomen te ontwikkelen tijdelijke opvanglocatie relevant ruimtelijk beleid van het Rijk, de provincie Zuid-Holland en de gemeente Den Haag beschreven. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen het project en het beleid. Daarnaast wordt getoetst of het project in
overeenstemming is met het geldende beleid.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met
andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk.
De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil
tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een
geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten:
1
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
2
een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel;
3
sterke en gezonde steden en regio's;
4
een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Relatie NOVI met tijdelijke opvanglocatie
In de NOVI wordt het zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften benoemd als nationaal belang. Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt om een groei van de woningvoorraad. Voorzien in de huisvesting van asielzoekers is onderdeel van
de opgave. In de NOVI wordt het Rijk aangewezen als resultaatverantwoordelijke voor de huisvesting van asielzoekers. Gezien het voorafgaande draagt het voornemen bij aan het in de NOVI vervatte rijksbeleid.
3.1.2 Instructie regels Rijk Artikel 8.0b, eerste lid onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat bij een aanvraag om een BOPA de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving het beoordelingskader vormen van een BOPA.
Afdeling 5.1 Besluit kwaliteit leefomgeving bevat over de volgende onderwerpen instructieregels met het
oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties: waarborgen veiligheid;
beschermen van waterbelangen; beschermen van gezondheid en milieu; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed; behoud van ruimte voor toekomstige functies;
12 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van
activiteiten; bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. Relatie instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving met tijdelijke opvanglocatie Hoe met de voor de tijdelijk opvanglocatie relevante instructieregels is omgegaan wordt in deze paragraaf
onderbouwd. Waarborgen veiligheid
Paragraaf 5.1.2.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de algemene bepalingen betreft het waarborgen van de veiligheid. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.7 Besluit kwaliteit leefomgeving
bevatten specifieke regels over het waarborgen van de veiligheid. In de BOPA moet rekening gehouden
worden met het belang van:
de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, beperken en bestrijden; de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; de geneeskundige hulpverlening. Het pand beschikt over technische installaties, waaronder brandmeldinstallaties die in goede technische condities verkeren gedurende de tijdelijke periode van de opvanglocatie. Het COA borgt dat de technische installaties het juiste preventief en correctief onderhoud krijgen. Ook is er op de opvanglocatie 24/7 een
BHV'er aanwezig en is er beveiliging aanwezig.
Voor nadere informatie over het waarborgen van veiligheid en de maatregelen die het COA neemt in relatie tot (sociale) veiligheid wordt verwezen naar paragraaf 4.14. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.7 Besluit kwaliteit leefomgeving bevatten specifieke regels over het waarborgen van de veiligheid voor bepaalde gevallen. Deze specifieke regels zijn niet van toepassing op het
voornemen.
In paragraaf 4.10 van deze rapportage wordt nader ingegaan op het thema (omgevings-)veiligheid. Beschermen van waterbelangen Paragraaf 5.1.3.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de algemene bepalingen betreft het beschermen van het waterbelang. In een BOPA moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor het
beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. In paragraaf 4.4 van deze rapportage wordt nader ingegaan op het waterbelang. Hieruit volgt dat de tijdelijke ontwikkeling geen
gevolgen heeft voor het beheer van watersystemen binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. De paragrafen 5.1.3.2 tot en met 5.1.3.5 Besluit kwaliteit leefomgeving bevatten specifieke regels over het waarborgen van het waterbelang. Deze specifieke regels zijn niet van toepassing op het voornemen.
Beschermen van gezondheid en milieu
Voor het beschermen van gezondheid en milieu zijn instructieregels opgenomen voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid, geur en bodemkwaliteit.
In hoofdstuk 4 van deze rapportage wordt ingegaan op diverse onderwerpen die een raakvlak hebben met gezondheid of milieu.
13 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
In paragraaf 5.1.5.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het principe van de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Artikel 5.129g bepaalt dat voor zover een omgevingsplan/BOPA voorziet in een
nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in de BOPA rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling.
En, als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de
rand van de bebouwing van stedelijk gebied, de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Besluit kwaliteit leefomgeving gedefinieerd als 'een ontwikkeling of
uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is'. Of sprake is
van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het voornemen voorziet in een functiewijziging in vergelijking met de vigerende planologische situatie en welk beslag op de ruimte de nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt. Er is sprake van een tijdelijke ontwikkeling met een beperkte duur en niet van een permanente
ontwikkeling. Artikel 5.129g richt zich op permanente of langdurige stedelijke ontwikkelingen. Het tijdelijke
karakter van het gebruik wijkt af van de ontwikkelingen waarvoor de laddertoets is bedoeld.
Behoud van ruimte voor toekomstige functies In paragraaf 5.1.6 Besluit kwaliteit leefomgeving zijn een aantal reserveringsgebieden opgenomen, waar
vanwege de voorzienbare toekomstige aanleg van werken of objecten, regels gelden over activiteiten die
een dergelijke aanleg zouden kunnen bemoeilijken. Het gaat om reserveringen voor gebieden rond autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen, gebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal
belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, het aanleggebied voor de Tweede Maasvlakte voor diepzee gebonden activiteiten en de reservering van de Parallelle Kaagbaan.
De locatie is niet gelegen op een aangewezen gebied voor toekomstige functies op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten
In paragraaf 5.1.7.3 Besluit kwaliteit leefomgeving zijn bepalingen opgenomen voor de elektriciteitsvoorziening. Dit betreft bepalingen over grootschalige elektriciteitsvoorzieningen, zoals schakel
en transformatorstations voor hoogspanning (en zijn daarom niet van toepassing op het voornemen). De beoogde opvanglocatie is niet in strijd met paragraaf 5.1.7.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen
In artikel 5.162 Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, wordt in het omgevingsplan rekening gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die
openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Dit artikel is niet van toepassing op het voornemen.
14 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
De herziene Omgevingsvisie Zuid-Holland is op 1 mei 2023 in werking getreden en is opgesteld in het kader
van de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden. Het beleid is gericht op het realiseren van maatschappelijke belangen en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale
Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland. De provincie geeft in de Omgevingsvisie de visie, ambities
en opgaven voor de provincie Zuid-Holland weer. De visie omvat 7 vernieuwingsambities: 1
samenwerken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten;
2
bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor;
3
schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen;
4
een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland;
5
versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de
6
sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en
leefomgeving;
sociale kwaliteit;
7
gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving.
Deze vernieuwingsambities zijn concreet gemaakt in beleidsdoelen. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes. Relatie met de beoogde tijdelijke opvanglocatie
De voorgenomen tijdelijke opvanglocatie draagt bij aan de ambities en principes die de provincie Zuid-
Holland heeft verwoord in de Omgevingsvisie. Zo biedt deze ontwikkeling woonruimte aan asielzoekers zonder dat dit ten koste gaat van de bestaande woningvoorraad. Daarmee wordt een toenemende druk op
de woningvoorraad voorkomen. Daarnaast is de opvang in dit bestaande pand duurzaam, aangezien geen nieuwe gebouwen gebouwd hoeven te worden. De tijdelijke opvanglocatie sluit aan bij meerdere ambities
van de provincie en is hiermee in lijn met de provinciale omgevingsvisie.
3.2.2
Omgevingsverordening provincie Zuid-Holland
De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland zijn verankerd in de Omgevingsverordening Zuid-Holland, deze wordt ook wel de Zuid-Hollande Omgevingsverordening genoemd. De omgevingsverordening vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking op de
leefomgeving hebben, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) en de Waterverordeningen. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet is de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening
vastgesteld op 15 december 2021. De laatste gewijzigde versie is op 1 januari 2025 in werking getreden.
Artikel 8.0b, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat bij een aanvraag om een BOPA de
provinciale instructieregels het beoordelingskader vormen van een BOPA. Deze instructieregels zijn
opgenomen in de provinciale omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Ter plaatse van de projectlocatie gelden vanuit de Omgevingsverordening provincie Zuid-Holland de
volgende gebiedsaanwijzingen: bedrijventerrein; bedrijventerrein met locaties voor perifere detailhandelsvestigingen (PDV);
Hoogheemraadschap van Delfland; kantorengebied categorie 1;
1 5 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
peilbesluitgebieden, regionale wateren;
stationsomgeving; Zuid-Holland. Relatie met beoogde tijdelijke opvanglocatie
In de instructieregels van de ter plaatse geldende gebiedsaanduidingen staan geen regels opgenomen over
een tijdelijke opvang van het COA. Het voorgenomen initiatief is niet in strijd met de instructieregels uit de provinciale verordening. De projectlocatie behoort volgens de Omgevingsverordening niet tot een gebied met een bijzondere bescherming zoals grondwaterbeschermingsgebied, stiltegebied, Natuurnetwerk
Nederland of andere aanduiding.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Den Haag 2050
In oktober 2021 stelde het college van B&W het Ambitiedocument Omgevingsvisie Den Haag 2050 vast. Dit document legt de basis met hoofdlijnen voor de inhoud en beschrijft het proces om te komen tot de omgevingsvisie. Een omgevingsvisie geeft richting aan gemeentelijk beleid door bestaande strategische beleidsplannen, zoals de gemeentelijke structuurvisie, de agenda Ruimte voor de Stad, de agenda Groen voor de Stad, de mobiliteitsvisie en de watervisie, in samenhang uit te werken. Het brengt alle kwaliteiten
van de fysieke leefomgeving en de belangen die er spelen samen en weegt deze tegen elkaar af. De Omgevingswet bepaalt dat een omgevingsvisie een breed scala aan thema's moet omvatten. De ambities die richting geven aan de verdere inhoudelijke uitwerking van de omgevingsvisie zijn onder andere: een rechtvaardig en inclusief Den Haag; een betaalbare, toegankelijke en toekomstbestendige woningvoorraad in Den Haag; een klimaatbestendig, klimaatneutraal en natuurinclusief Den Haag; een economisch vitaal Den Haag; een gezond en veilig Den Haag; een duurzaam bereikbaar Den Haag. Relatie met de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie
De beoogde tijdelijke opvanglocatie ondersteunt de ambities van de Omgevingsvisie Den Haag 2050. Het project draagt bij aan een rechtvaardig en inclusief Den Haag door onderdak te bieden aan mensen die
vluchten voor oorlog en conflict. Bovendien maakt de tijdelijke opvanglocatie efficiënt gebruik van bestaande bouw en beschikbare ruimte in de stad.
3.3.2
Structuurvisies CID
De projectlocatie valt binnen de structuurvisie 'CID Den Haag', vastgesteld op 1 juli 2021. De visie luidt dat het Central Innovation District (CID) wordt (door)ontwikkeld tot een internationaal economisch topmilieu met voldoende ruimte voor kantoren en instellingen met een aantrekkelijk vestigingsklimaat en innovatieve
buitenruimte. Rondom de drie stations wordt ingezet op campusontwikkeling, waarbij met de triple helix
(kennisinstellingen, werkgevers en overheid) een innovatiemilieu wordt ontwikkeld met ruimte voor ontmoeting, kennisdeling en valorisatie. Eén van de ruimtelijke principes uit de structuurvisie benadrukt dat
functiemenging (bonte mix van wonen, werk en voorzieningen) het nieuwe normaal wordt binnen het CID.
16 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
De projectlocatie valt ook binnen de structuurvisie 'Masterplan Bereikbaarheid CID - Binckhorst', vastgesteld op 8 juni 2023. Deze visie onderstreept de grote behoefte aan nieuwe betaalbare woningen en
werkgelegenheid, waarbij tot 2040 in de metropoolregio minimaal 200.000 nieuwe woningen gerealiseerd
moeten worden. Het CID en de Binckhorst zijn aangewezen als geschikte locaties voor deze grootschalige verstedelijking, zoals ook benoemd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Relatie met de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie
De tijdelijke ingebruikname van het voormalige kantoorpand tot opvanglocatie past binnen het ruimtelijke principe uit de structuurvisie met betrekking tot functiemenging. De voorgenomen tijdelijke opvang past
ook binnen het verstedelijkende karakter van de Binckhorst en de doelstellingen van grootschalige verstedelijking zoals beschreven in het masterplan bereikbaarheid CID.
17 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een omgevingsvergunning voor een BOPAdoor middel van een integrale ruimtelijke benadering rekening te worden gehouden met de consequenties van
het project voor de omgeving. Dit gebeurt in het kader van een 'evenwichtige toedeling van functies aan
locaties'. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is van toepassing op alle ruimtelijke ontwikkelingen die in strijd zijn met het omgevingsplan. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de behandeling van de voor de ontwikkeling relevante milieu- en
omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Daarbij wordt getoetst aan wet- en regelgeving met de volgende thematische onderverdeling:
milieueffectrapportage; duurzaamheid en gezondheid; verkeersgeneratie, afwikkeling en parkeren;
weging van het waterbelang;
natuur;
luchtkwaliteit; geluid; bodem;
geur;
omgevingsveiligheid; trillingen;
archeologie en cultuurhistorie; activiteiten en milieuzonering; sociale veiligheid.
4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1
Toetsingskader
Een onderdeel van de beoordeling of een aanvraag van een BOPA volledig is, is toetsen aan de regels
omtrent milieueffectrapportage. Deze staan opgenomen in de Omgevingswet paragraaf 16.4.2 en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Het besluit of de activiteit is mer-beoordelingsplichtig wanneer het
opgenomen staat in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Artikel 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit geeft
een nadere onderbouwing hiervan.
4.1.2
Resultaten
Een tijdelijke opvanglocatie van het COA staat niet in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Echter, is uit jurisprudentie gebleken dat in specifieke gevallen het opvangen van personen mogelijkerwijs gezien kan
worden als een stedelijke ontwikkeling. Dit is voornamelijk afhankelijk van de duur van de opvang en de omvang van het aantal op te vangen personen.
18 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
Voor de tijdelijke opvanglocatie in Den Haag is het COA voornemens om maximaal 250 personen voor een periode van maximaal 5 jaar op te vangen. Het tijdelijke planvoornemen is gelet op de jurisprudentie, van
dermate korte duur en kleine omvang dat het verdedigbaar is om het planvoornemen niet aan te duiden als nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Daarnaast zijn op basis van de criteria uit de Europese richtlijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten, omdat de milieueffecten zeer beperkt, kort en lokaal zijn (zie paragraaf 4.2 tot en met
4.13). Daarmee geldt er geen mer-(beoordelings-)plicht.
4.1.3
Conclusie
De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling is niet opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Gezien de aard, omstandigheden en plaatselijke situatie (het betreft enkel een functiewijziging) is onderhavig plan niet
mer-beoordelingsplichtig.
4.2
Duurzaamheid en gezondheid
4.2.1
Toetsingskader
Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid, bij een BOPA-aanvraag, is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid. Er is geen algemeen toetsingskader. Per gemeente moet vastgesteld worden of en hoe er getoetst dient te worden.
4.2.2
Resultaten
Er wordt voor de huisvesting van bewoners op de opvanglocatie gebruik gemaakt van een bestaand pand,
waardoor er voor de realisatie van de opvangplekken geen nieuwe bebouwing en materialen benodigd zijn. Wat betreft het thema duurzaamheid wordt de tijdelijke opvanglocatie aangesloten op de bestaande
energievoorziening (koelmachine, multi-split airco en HR-ketels). Deze maatregel voorziet in energie voor de
opvanglocatie. Hoewel er duurzamere alternatieven zijn dan een ketel, is een HR-ketel (hoog rendement)
een duurzamere keuze onder de ketels. In vergelijking met een VR-ketel of CV-ketel zet een HR-ketel meer energie om in bruikbare warmte. Bovendien zou het energieverbruik van de opvanglocatie vergelijkbaar zijn met de huidige toegestane planologische situatie. Het thema duurzaamheid heeft daarom geen
belemmeringen ten aanzien van de beoogde opvanglocatie.
In het huidige omgevingsplan van gemeente Den Haag zijn geen artikelen toegevoegd met directe betrekking tot het thema gezondheid. Desondanks zijn in dit rapport alle relevante milieuaspecten bekeken
die een impact kunnen hebben op het aspect gezondheid. De resultaten hiervan zijn in onderhavig
hoofdstuk te vinden en daaruit blijkt dat er uit de desbetreffende relevante milieuaspecten geen belemmeringen naar voren komen. Voor het thema gezondheid zijn geen belemmeringen ten aanzien van
de ontwikkeling en kan de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.2.3
Conclusie
Wat betreft het thema duurzaamheid is de beoogde situatie vergelijkbaar met de huidige situatie door onder andere het gebruik van hetzelfde pand en energievoorziening. Het thema gezondheid wordt nader
uitgewerkt in onderhavig hoofdstuk en hieruit volgen geen belemmeringen. Voor zowel de thema's duurzaamheid als gezondheid zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de beoogde tijdelijke ontwikkeling.
19 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
4.3
Verkeer en parkeren
4.3.1
Toetsingskader
Toetsing aan de aspecten verkeer en parkeren is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid. In deze
paragraaf worden de effecten van de beoogde tijdelijke opvanglocatie op het thema verkeer en parkeren besproken. Eerst wordt ingegaan op het effect van de tijdelijke opvanglocatie op de verkeersgeneratie. Daarna wordt ingegaan op de parkeerbehoefte en parkeercapaciteit. Ten aanzien van het thema parkeren
vormt de Nota parkeernormen Den Haag het toetsingskader.
4.3.2
Resultaten
De hoofdontsluitingsweg vindt plaats via de Waldorpstraat (50 km/uur). De locatie is direct aangesloten op
de Waldorpstraat.
Verkeersafwikkeling en -generatie De bewoners beschikken niet over een auto en verplaatsen zich hoofdzakelijk te voet, per fiets of door middel van het openbaar vervoer (ov). De tijdelijke opvanglocatie bevindt zich nabijgelegen velen ov-
verbindingen, waaronder bus- en tramhaltes. Daarnaast ligt het Intercity treinstation Den Haag HS op circa 800 m afstand van de projectlocatie. Op de tijdelijke opvanglocatie zijn, naast de bewoners,
medewerkers van het COA aanwezig. Gemotoriseerd verkeer als gevolg van de tijdelijke opvanglocatie is in hoofdzaak uitsluitend afkomstig van medewerkers van COA en ondersteunende diensten en leveranciers. In
tabel 4.1 is het aantal verwachte voertuigen en bewegingen weergegeven.
Rekentool vervoersbewegingen Sinds Witteveen + Bos betrokken is bij de realisatie van nieuwe opvanglocaties van COA (vanaf 2019) is
gebleken dat er geen goede CROW-kentallen zijn voor een opvanglocatie. Daarom is gezocht naar een alternatieve manier om consistent inzichtelijk te krijgen wat het verwachte aantal vervoersbewegingen zal
zijn voor opvanglocaties. Hiervoor is door Witteveen + Bos een rekentool ontwikkeld. De rekentool is een hulpmiddel voor het inschatten van de verkeersgeneratie van een nieuwe opvanglocatie of van uitbreidingen
van bestaande opvanglocaties. De rekentool is een standaard Excel-format waarin een vergelijking van de opvangcapaciteit wordt gemaakt met zowel stedelijke als landelijke ervaringscijfers van andere
opvanglocaties van COA. Het Excel-format rekent verhoudingen uit. De uitkomst van de tooi geeft een
indicatie voor het te verwachten aantal vervoersbewegingen, zoals medewerkers, leveranciers en ondersteunende diensten. Benadrukt wordt dat de tooi gebruikt wordt als hulpmiddel om een indicatie te maken en deze wordt herijkt wanneer nieuwe feitelijke waarnemingen zijn gedaan (tellingen). Uit de feitelijke waarnemingen die gedaan
zijn in de afgelopen jaren komt naar voren dat de verkeersgeneratie die berekend wordt vanuit het Excel-format conservatief realistisch is en in de praktijk gelijk of lager ligt dan op basis van de rekentool te
verwachten is. De rekentool is met name geschikt voor reguliere opvanglocaties of noodopvanglocaties. De
tooi is niet geschikt voor heel kleine locaties, omdat er altijd wel een minimum aan verkeersbewegingen afkomstig is van personeel en leveranciers en dit bij een zeer klein aantal opvangplekken niet meer representatief met de tooi te berekenen is. Daarnaast is de tooi niet geschikt voor locaties met een bijzonder
karakter dat afwijkt van een reguliere of noodopvanglocatie, zoals bijvoorbeeld een locatie waar ook een aanmeldstraat van de IND is, omdat dit een ander vervoersbeeld met zich mee kan brengen ten opzichte van
een reguliere of noodopvanglocatie.
20 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
Specifiek voor de rekentool geldt de rechterlijke uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 16 april 20251 waarin de rechtbank van oordeel is dat er in beginsel uitgegaan moet worden van de deskundigheid en
deugdelijkheid van de ontwikkelde rekentool van Witteveen + Bos. De ontwikkelde rekentool doet volgens de rechterlijke uitspraak meer recht aan de specifieke situatie van dit soort opvanglocaties dan de CROW-normen.
Tabel 4.1 Verwachte vervoersbewegingen beoogde situatie Type voertuig
Aantal
Bewegingen
licht verkeer
6.918
13.836
middelzwaar vrachtverkeer
3.287
6.574
318
636
totaal perjaar
10.523
21.046
totaal per dag
29
58
zwaar vrachtverkeer
Context rekentool vervoersbewegingen met tijdelijke opvanglocatie Aangezien de rekentool gebaseerd is op ervaringscijfers van zowel stedelijke als landelijke opvanglocaties,
kunnen we uitgaan dat de vervoersbewegingen uit tabel 4.1 een conservatieve inschatting is voor de
tijdelijke opvanglocatie aan de Calandstraat. De tijdelijke projectlocatie bevindt zich in een stedelijke context met een verfijnd ov-netwerk, waardoor het autogebruik van personeel, bezoekers en ondersteunende
diensten in de praktijk lager zal uitvallen dan uit de tooi komt.
Verkeersintensiteit
De verkeersintensiteit op de Waldorpstraat is gebaseerd op gegevens van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Voor het meest recente monitoringsjaar (2022) bedraagt de verkeersintensiteit van de Waldorpstraat, ter hoogte van
de geplande opvanglocatie, 14.482 voertuigen per weekdagetmaal. Dit aantal bestaat uit 13.679 lichte voertuigen, 465 middelzware voertuigen, 187 zware voertuigen en 151 busverkeer voertuigen. De verwachte
toename van de vervoersbewegingen afkomstig van de opvanglocatie in de beoogde situatie heeft gezien
de beperkte omvang hiervan nauwelijks invloed op de huidige verkeersintensiteit van de Waldorpstraat en leidt naar verwachting dan ook niet tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Autoparkeren
De parkeerbehoefte van de tijdelijke opvanglocatie bestaat vooral uit het parkeren door personeel.
Daarnaast kunnen er leveranciers en ondersteunende diensten van de opvanglocatie aanwezig zijn. Op het terrein van de projectlocatie zijn 22 parkeerplaatsen aanwezig. Nota parkeernormen Den Haag
De Nota parkeernormen Den Haag 2021 (d.d. 19 oktober 2021) bevat de parkeernormen en eisen voor de gemeente Den Haag. Samengevat komt het erop neer dat de Parkeerstrategie Den Haag 2021 -2030 de basis
vormt voor de Nota parkeernomen. Belangrijke uitgangspunten uit de Parkeerstrategie zijn: parkeerbeleid faciliteert de Haagse woningbouwopgave en economische opgave;
met het parkeerbeleid wordt de leefbaarheid van de openbare ruimte en de bereikbaarheid
gewaarborgd; groei van parkeerplaatsen vindt zo veel mogelijk plaats op eigen terrein of door centrale
parkeervoorzieningen te bouwen.
1
RBOVE 16 april 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:2340.
21 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
In de Nota parkeernormen Den Haag is geen specifieke categorie opgenomen voor parkeernormen van een
tijdelijke opvanglocatie van het COA. Aangezien de bewoners van de tijdelijke opvanglocatie niet beschikken over een auto hoeft er niet getoetst te worden aan de parkeernormen voor 'wonen' of 'hotel' uit de Nota
parkeernormen Den Haag. De bewoners hebben daarnaast ook geen zelfstandige wooneenheden in de
tijdelijke opvanglocatie waaraan getoetst kan worden aan de Nota parkeernormen. De kantoren van de tijdelijke opvanglocatie bevinden zich op de begane grond met een bruto
vloeroppervlak (bvo) van 1.265 m2. In de Nota parkeernormen valt de projectlocatie binnen zone 2, waarbij
een parkeernorm van 1 parkeerplaats per 100 m2 bvo wordt gehanteerd voor kantoren zonder een baliefunctie. Uitgaande van deze norm en het bvo van de begane grond komt dit uit op een norm van 12,65 parkeerplaatsen voor de kantoorfunctie van opvanglocatie.
Voor de dienstfuncties op de eerste verdieping zoals ondersteunende diensten (VWN, GZA, MFC en ACT) en leslokalen kan niet aangesloten worden aan een opgenomen categorie van de functie 'zorgvoorzieningen'
en 'onderwijs' uit de Nota parkeernomen Den Haag 2021. Een volledige toetsing aan de Nota parkeernormen Den Haag is daarom niet aan de orde. Parkeerbehoefte
De parkeerbehoefte van de opvanglocatie wordt veroorzaakt door bezoekers, medewerkers, vrijwilligers en leveranciers. Het maximaal aantal medewerkers dat aanwezig is op de locatie bedraagt 25. Op basis van
ervaringscijfers van tijdelijke opvanglocaties in (hoog)stedelijke gebieden blijkt dat 50 % van het personeel met de auto de projectlocatie aandoet. Voor de bezoekers wordt doorgaans een parkeernorm aangehouden
van 0,1 parkeerplaats per bewoner. Tevens voor de bezoekers wordt uitgegaan dat 50 % met de auto komt
en 50 % te voet, fiets of met openbaar vervoer. Om de totale parkeerbehoefte te bepalen van de tijdelijke opvanglocatie zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:
0 parkeerplaatsen per bewoner; 12,5 parkeerplaatsen voor personeel (0,5 parkeerplaats per medewerker); 12,5 parkeerplaatsen voor bezoekers (0,05 parkeerplaats voor bezoeker per bewoner).
De totale parkeerbehoefte komt uit op 25 parkeerplaatsen. Op het terrein van de projectlocatie zijn 22 parkeerplaatsen aanwezig. Benadrukt wordt dat de parkeerbehoefte van 25 parkeerplaatsen naar verwachting niet allemaal tegelijkertijd bezet zullen zijn. Bovendien zijn op ongeveer 200 m afstand van de
opvanglocatie tientallen openbare parkeerplaatsen aanwezig op de Van der Kunstraat en Lulofsstraat. De verwachting is echter dat hier niet of slechts op incidentele momenten gebruik van hoeft te worden
gemaakt. Dit leidt daarmee niet tot een noemenswaardige structurele extra parkeerdruk op de openbare
parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte van de beoogde opvanglocatie kan daarmee worden opgevangen. Fiets parkeren Ten aanzien van fietsparkeren gelden de Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016. In de
beleidsregels staan geen regels opgenomen voor fietsparkeernormen van opvanglocaties. Op de beoogde
tijdelijke opvanglocatie is een fietskelder aanwezig. Via de achterkant van de tijdelijke opvanglocatie is het mogelijk om de fietskelder te betreden. De fietskelder biedt parkeergelegenheid voor de fietsen van bewoners en medewerkers. In de fietskelder is parkeergelegenheid voor circa 200 fietsen van bewoners en circa 30 fietsen van medewerkers. Hiermee wordt in de parkeerbehoefte van fietsers voorzien van de
tijdelijke opvanglocatie.
4.3.3
Conclusie
De verkeersgeneratie zal door de opvanglocatie naar verwachting niet in aanzienlijke mate toenemen. De beoogde tijdelijke situatie heeft geen significante effecten op de verkeerssituatie. In de parkeerbehoefte van
het COA voor auto's wordt voorzien op het eigen terrein en incidenteel op de openbare parkeerplaatsen in
de nabije omgeving. De parkeerbehoefte van fietsen wordt voorzien in het pand (fietskelder) aanwezige voorzieningen. Het aspect verkeer en parkeren vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde
tijdelijke ontwikkeling.
22 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
4.4
Weging van het waterbelang
4.4.1
Toetsingskader
Het watersysteem en de ruimtelijke inrichting van een gebied zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een
goede afstemming tussen de waterbelangen en ruimtelijke ordening is daarom essentieel. Om dit te waarborgen is wet- en regelgeving opgesteld. De watertoets vormt het instrument om wet- en regelgeving
op het gebied van waterbelangen te borgen in ruimtelijke plannen en projecten. Met ingang van de
Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt ook voor het afwijken van een omgevingsplan met een BOPA (zie artikel 5.37 Besluit
kwaliteit leefomgeving).
4.4.2
Resultaten
De projectlocatie ligt binnen het beheergebied van Hoogheemraadschap van Delfland. De beoogde opvang ligt niet binnen een door het Hoogheemraadschap aangewezen beperkingengebied. Het plan voorziet niet in activiteiten die invloed hebben op de waterhuishoudkundige situatie of op objecten die onder het beheer
van het Hoogheemraadschap vallen, omdat er geen sprake is van bouwwerkzaamheden of herinrichting van gebieden. Voor het mogelijk maken van de tijdelijke opvanglocatie vinden alleen inpandige wijzigingen plaats.
4.4.3
Conclusie
De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling heeft geen gevolgen voor het beheer van watersystemen binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. Het aspect weging van waterbelang vormt geen
belemmering voor de ontwikkeling van de beoogde opvanglocatie.
4.5
Natuur
4.5.1
Toetsingskader
De Wet natuurbescherming (Wnb) is beleidsneutraal overgegaan in de Omgevingswet. Het normenkader, de instrumenten en bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Het
natuurbeschermingsrecht regels op hoofdlijnen 3 zaken: 1
bescherming van planten- en diersoorten (soortenbescherming);
2
bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden
(gebiedsbescherming);
3
bescherming van bos en houtopstanden.
Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming wordt er onderscheid gemaakt in 3 categorieën:
vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de
Vogelrichtlijn; habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag
van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn; andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat
hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten.
23 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
Gebiedsbescherming
De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese
netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat
Omgevingswet de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. Op grond van artikel 5.1, eerst lid, onder e van de Omgevingswet is een vergunning vereist voor een project
waar op voorhand significante negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Specifiek voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 20191 de
ecologische gevolgen van iedere berekende depositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar beoordeeld moet worden. Deze voorwaarde geldt voor zowel de aanlegfase als voor de gebruiksfase van een plan of activiteit.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en
natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones. De
bescherming van het NNN is geregeld via de provinciale omgevingsverordeningen. Houtopstanden
Het vellen van houtopstanden is niet zomaar toegestaan in de Omgevingswet.
4.5.2
Resultaten
Soortenbescherming
Het pand aan de Calandstraat is recentelijk in gebruik geweest als kantoor en taleninstituut (Haags Taalplein). De beoogde ontwikkeling kent enkel inpandige wijzigingen en geen wijzigingen aan de
buitenzijde of het terrein. Daarnaast is het buitenterrein vrijwel volledig verhard. Mogelijke aanwezige soorten worden naar verwachting in de beoogde situatie daardoor niet verstoord, gedood of verwond.
Daarnaast dient te allen tijde de zorgplicht in acht genomen te worden. Gebiedsbescherming
Natura 2000-gebieden De dichtstbijzijnde gelegen Natura 2000-gebieden 'Westduinpark & Wapendal’, 'Meijendal & Berkheide’ en 'Solleveld & Kapittelduinen’ zijn gelegen binnen een straal van 10 km afstand tot de beoogde opvanglocatie
(zie afbeelding 4.1). Het planvoornemen betreft enkel een functiewijziging waarbij gebruik gemaakt wordt
van de bestaande energievoorziening.
24 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
Afbeelding 4.1 Ligging opvang locatie ten opzichte van Natura 2000-gebieden
O
A Stikstofdepositie Gedurende de aanleg- en gebruiksfase is een stikstofdepositie toename bij voorbaat niet uit te sluiten
vanwege de verkeersbewegingen. In het kader hiervan is voor zowel de aanleg- als gebruiksfase een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd (bijlage II). De resultaten tonen aan dat er geen stikstofdepositie
toename (projecteffect) optreedt van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op omliggende Natura 2000-gebieden. Op basis van deze resultaten kunnen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen
van Natura 2000-gebieden tijdens zowel de aanleg- als de gebruiksfase op voorhand worden uitgesloten. Concluderend geldt dat voor de beoogde aanleg en het beoogde gebruik van de gebouwen geen vergunningplicht bestaat voor de bescherming van Natura 2000 in het kader van de Omgevingswet.
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt op een afstand van ongeveer 1,7 km van de projectlocatie (zie afbeelding 4.2). Gezien de afstand tussen de projectlocatie en het NNN-gebied en het tijdelijke karakter van
de opvanglocatie, al de ontwikkeling geen effecten hebben op het aanwezige NNN.
25 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
Afbeelding 4.2 Ligging projectlocatie ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland
3
/
$
O
/ /
A Houtopstanden
Ten behoeve van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling wordt er gebruik gemaakt van de bestaande
bebouwing en vinden er geen aanpassingen plaats aan het voorterrein. Hierdoor worden er geen bomen of
houtopstanden geveld.
4.5.3
Conclusie
De beoogde ontwikkeling biedt geen aanleiding tot negatieve effecten op beschermde flora- en
faunasoorten en andere gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Ten aanzien van het thema natuur zijn er geen belemmeringen voor de beoogde tijdelijke opvanglocatie.
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1
Toetsingskader
Om de gezondheid van de mensen te beschermen staan luchtkwaliteitseisen opgenomen in de
instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De eisen aan de kwaliteit van de buitenlucht oftewel luchtkwaliteit staan opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Voor deze regels gelden
zogenoemde omgevingswaarden, waarbij stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) maatgevend zijn. Activiteiten zijn toelaatbaar indien ze voldoen aan de volgende waarden: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijving van een omgevingswaarde;
het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het Bkl geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Bij ontwikkelingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat omgevingswaarden worden overschreden. Deze omgevingswaarden liggen voor zowel NOs als PM1c op een jaargemiddelde van
40 microgram/m3.
26 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
Onder de Omgevingswet staan aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit opgenomen. De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 van het Bkl.
Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgen de grenzen voor niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie maatgevende stoffen niet hoger is dan 1.2 pg/m2
4.6.2
Resultaten
Aan de hand van de verkeersgeneratie (weekdagmiddelde) is bekeken of de voorgenomen tijdelijke functiewijziging in betekenende mate een bijdrage heeft op de luchtkwaliteit. Door het invullen van de verkeersgeneratie in de NIBM-tool (geraadpleegd op 27 mei 2025) is gebleken dat de voorgenomen tijdelijke functiewijziging niet in betekenende mate bijdraagt (zie afbeelding 4.3). Dit betreft een conservatieve berekening, zie de toelichting op de berekende verwachte verkeersgeneratie in paragraaf 4.3.2.
Afbeelding 4.3 Resultaten NIBM-tool (d.d. 27 mei 2025)
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2024 Jaar van planrealisatie
2025
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
58
Aandeel vrachtverkeer
34,3%
.3
NO2 in |jg/m
0,21
.3
0,02
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer
PM 10 in ug/m
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in pg/m3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate;
geen nader onderzoek nodig
In het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is tevens gekeken naar de huidige achtergrondconcentraties in en rondom de projectlocatie. De huidige achtergrondconcentraties in en rondom de locatie zijn weergegeven op afbeeldingen 4.4 en 4.5. De achtergrondconcentraties voor NOs liggen onder de 25 microgram per m3 en voor PM10 onder de 20 microgram per m3. Voor NOs en PM10 is 40 microgram per m3 als jaargemiddelde de wettelijke grenswaarde. De huidige achtergrondconcentraties liggen ruim beneden de wettelijke grenswaarde. Op basis hiervan kan gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat.
27 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
Afbeelding 4.4 Luchtkwaliteit NO? (opgehaald van Atlasleefomgeving, d.d. 27 mei 2025)
Legenda: N02 conc.
(ug/m3) 8 8 -10 WHO advieswaarde 2021
10 -12 12 -14 14 -16
•16-20
WHO advieswaarde 2005 / EU grenswaarde 2030
30
30
A Afbeelding 4.5 Luchtkwaliteit PMw (opgehaald van Atlasleefomgeving, d.d. 27 mei 2025)
Legenda: Fijn stof conc.
(ug PM10/m3)
14 -15 WHO advieswaarde 2021
15 -16 16 -18
1
- 20 WHO advieswaarde 2005 / EU grenswaarde 2030
I20 - 22
■22 - 25 25
A 28 | 39
Witteveen + Bos | 145706/25-008.969 | Definitief 03
4.6.3
Conclusie
De NIBM-tool bevestigt dat de effecten op de luchtkwaliteit binnen de toegestane grenzen blijven. De huidige achtergrondconcentraties van NO2 en PMic liggen ruim onder de wettelijke grenswaarden. De verkeersaantrekkende werking door de functiewijziging zal niet verder toenemen en draagt niet in
significante mate bij aan de luchtverontreiniging. Hiermee voldoet het project aan de luchtkwaliteitseisen zoals vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7
Geluid
4.7.1
Toetsingskader
In paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen voor geluid door