RIS322180 Bijlage 4 Advies governance
Tekst van het document
Dit heeft niet uitsluitend gevolgen voor de schenkbelasting, maar is voor meerdere regelingen relevant. Voor de Hub kunnen bijvoorbeeld de volgende punten relevant zijn: ● ● ● ● ●
Een ANBI kan, onder voorwaarden, gebruik maken van vrijstellingen in de overdrachtsbelasting; Een ANBI komt, onder voorwaarden, in aanmerking voor een teruggaafregeling in de energiebelasting; Particulieren kunnen een gift aan een ANBI, onder voorwaarden, in aftrek brengen van het belastbare inkomen voor de inkomstenbelasting; De ANBI-status kan een voorwaarde zijn voor het aanvragen van subsidies en/of financiële bijdragen bij fondsen; Microsoft geeft in sommige gevallen korting op pakketten als de afnemer de ANBI-status heeft.
4.2. Gevolgen coöperatie Het inbrengen van gelden door leden van de coöperatie vindt plaats zonder heffing van schenkbelasting. De ANBI-status staat niet open voor coöperaties. Het is daarom niet mogelijk om de ANBI-status te verkrijgen, indien wordt gekozen voor een coöperatie.
Pagina 12 van 14
Bijlage - Feiten en omstandigheden In onze notitie d.d. 9 september 2024 gaan wij uit van de volgende feiten en omstandigheden: ●
Gemeente Den Haag (''gemeente'' of ''Den Haag'') is voornemens om in samenwerking met een aantal partners de Zorginnovatiehub (''Hub'') op te richten. De doelstelling van de Hub is het versnellen van de zorginnovatie in Den Haag om op die manier de zorg toekomstbestendig te houden en de kansen die technologie hierin biedt te verzilveren. De brede samenwerking tussen de verschillende partners is de kern van de Hub. De Hub wordt een centrum waar zorgtechnologie wordt verkend, onderzocht en geïmplementeerd. Het betreft een fysieke locatie waar zorg, welzijn, onderzoek, onderwijs en bedrijvigheid samenkomen. Daarnaast is ook sprake van een inhoudelijk programma om de samenwerking tussen de partners te stimuleren en de zorginnovatie te versnellen.
●
Op dit moment is er nog geen uitsluitsel over de rechtsvorm en de wijze waarop de Hub bekostigd wordt.
●
Op dit moment worden twee verschillende rechtsvormen onderzocht, namelijk stichting en coöperatie.
●
De Hub bestaat uit een fysieke locatie en een inhoudelijk programma.
●
Op dit moment worden de activiteiten ten aanzien van de Hub uitgevoerd door de gemeente. De gemeente is voornemens deze activiteiten over te dragen aan het samenwerkingsverband die deze activiteiten gaat uitvoeren.
●
De gemeente heeft een vanuit de regiodeal Zuidwest financiering ontvangen voor het project. Deze financiering houdt de gemeente in beheer en zal deze in de vorm van opdrachten of subsidies verstrekken aan de Hub. Mogelijk in samenhang met de genoemde overdracht van activiteiten in voorgaand punt.
●
Wij nemen aan dat de huidige financiers niet voornemens zijn lid te worden van een coöperatie.
●
De gemeente zal de huurovereenkomst van de locatie waar de Hub zich zal vestigen overdragen aan de nieuw op te richten rechtsvorm. De Hub zal de gehuurde ruimten zelf gebruiken, maar ook (onder)verhuren tegen vergoeding.
●
Het voornemen bestaat dat de Hub van haar partners een bijdrage ontvangt van EUR 10.000 per jaar. Contractuele afspraken over deze partnerbijdrage en de activiteiten die de Hub hiervoor moet verrichten zijn nog niet gemaakt.
●
Uit de door ons ontvangen totaalbegroting blijkt dat in de jaren 2023 tot en met 2025 op totaalniveau sprake lijkt van aanloopverliezen van in EUR 1.282.457 en dat vanaf het jaar 2026 op totaalniveau positieve financiële resultaten worden verwacht.
Pagina 13 van 14
●
Tijdens onze bespreking van 28 augustus 2024 is aangegeven dat de stellige verwachting bestaat dat de Hub in de jaren vanaf 2026 eveneens geen structurele positieve overschotten zal behalen.
●
Tijdens onze bespreking van 28 augustus 2024 is aangeven dat op basis van de indicatoren voor clustering de verwachting bestaat dat sprake is van één cluster van activiteiten voor de Vpb.
Pagina 14 van 14
VOOR INTERNE DISCUSSIEDOELEINDEN
BIJLAGE C BESLISBOOM AANBESTEDINGSRECHTELIJKE PLICHTEN
11
VOOR INTERNE DISCUSSIEDOELEINDEN
BIJLAGE D STURING BIJ DE STICHTING
12
Onderwerpen
Mate van invloed1
Ter zake benoeming bestuurders / commissarissen
Ter zake besluitvorming m.b.t. uitvoering programma
Ter zake besluitvorming m.b.t. juridische structuur stichting (statutenwijziging, ontbinding, liquidatie)
Zeer hoog
Rechtstreeks benoemingsrecht voor gemeente of benoeming ambtenaren tot bestuurder of commissarissen
Rechtstreeks goedkeuringsrechten voor gemeente op bestuursbesluiten ten aanzien van onderwerpen die niet in het goedgekeurde programmaplan staan
De gemeente kan besluiten tot statutenwijziging of ontbinding
Hoog
Eigen voordrachtsrecht voor gemeente voor meer dan de helft van de bestuurders of commissarissen / goedkeuring benoemingen
Goedkeuringsrechten voor gemeente op (enkele) materiële besluiten die impact hebben op de uitvoering van het programma
Besluit tot statutenwijziging of ontbinding behoeft goedkeuring van de gemeente
Middel
Eigen voordrachtsrecht voor gemeente voor minder dan de helft van de bestuurders of commissarissen / (semi)bindend adviesrecht benoemingen
(Semi)bindend adviesrecht voor gemeente ter zake de uitvoering van het programma
Besluit tot statutenwijziging of ontbinding behoeft advies van de gemeente
Laag
Hoorrecht, informatierecht of nietbindend adviesrecht voor gemeente
Hoorrecht, informatierecht of nietbindend adviesrecht voor gemeente
Hoorrecht, informatierecht of niet-bindend adviesrecht voor gemeente
1 Noot BarentsKrans: deze tabel gaat uit van de stichting als juridische rechtsvorm en dezelfde tabel is van toepassing voor de mate van invloed die partners
krijgen binnen de stichting. Afgewogen moet worden welke mate van invloed de gemeente wenst dat de partners (naast de gemeente) krijgen.
VOOR INTERNE DISCUSSIEDOELEINDEN
BIJLAGE E STURING BIJ DE COOPERATIE
13
Onderwerpen
Wijze van invloed in de ALV
Ter zake benoeming bestuurders / commissarissen
Ter zake besluitvorming m.b.t. uitvoering programma
Ter zake besluitvorming m.b.t. juridische structuur coöperatie (statutenwijziging, ontbinding, liquidatie)
Bestuursbesluiten binnen de coöperatie kunnen aan de goedkeuring van de leden onderworpen worden.
De leden gaan over structuurwijzigingen in de coöperatie.
Zeer hoog (meer stemrecht dan de andere leden) Mate van invloed1
Hoog (meer stemrecht dan alle andere leden ten aanzien van bepaalde onderwerpen) Middel (even veel stemrecht dan de andere leden)
De leden gaan over de benoeming van bestuurders / commissarissen. De invloed van de gemeente binnen de coöperatie zal afhangen van hoeveel stemrecht zij in de algemene ledenvergadering heeft ten opzichte van de andere leden.
De invloed van de gemeente binnen de coöperatie zal afhangen van hoeveel stemrecht zij in de algemene ledenvergadering heeft ten opzichte van de andere leden.
De invloed van de gemeente binnen de coöperatie zal afhangen van hoeveel stemrecht zij in de algemene ledenvergadering heeft ten opzichte van de andere leden.
Laag (gemeente kan in de ALV overstemd worden)
Noot BarentsKrans: deze tabel gaat uit van de coöperatie als juridische rechtsvorm. De invloed van de andere partners zal samenhangen met de mate van invloed van de gemeente (stemrechtverdeling) Afgewogen moet worden welke mate van invloed de gemeente wenst dat de partners (naast de gemeente) krijgen. 1
VOOR INTERNE DISCUSSIEDOELEINDEN
BIJLAGE F EERDERE NOTITIES PWC EN BARENTSKRANS
14
Memo Aan:
Gemeente Den Haag
Van:
PwC PS Legal (Willem Kluck, Charlotte Koolen)
Datum:
17 september 2024
Betreft: Staatssteunrechtelijke analyse bekostiging ''Zorginnovatiehub Den Haag''
1.
Samenvatting en conclusie
1.1
De gemeente Den Haag (''gemeente'' of ''Den Haag'') richt in samenwerking met een aantal partners de Zorginnovatiehub (''Hub'') op. De Hub is een fysieke locatie waar zorg, welzijn, onderzoek, onderwijs en bedrijvigheid samenkomen. Op dit moment is er nog geen uitsluitsel over de rechtsvorm en de wijze van waarop de Hub wordt bekostigd. De gemeente heeft in dit kader aan PwC ("ons" of "wij”) gevraagd om de fiscale en juridische aandachtspunten (staatssteunrecht en Wet Markt en Overheid ("WM&O") in kaart te brengen in een juridisch memorandum. Tegelijkertijd werkt BarentsKrans aan een juridische analyse waarin wordt geadviseerd over de keuzes voor de rechtsvorm van de Hub.
1.2
In de eerste fase hebben wij een quickscan uitgevoerd ten aanzien van de fiscale en juridische aandachtspunten bij de oprichting van een nieuwe entiteit en de bekostiging van de Hub. In dit juridische memorandum werken wij, onder meer op basis van nieuw verkregen informatie, de implicaties en mogelijkheden bij de bekostiging van de Hub vanuit het staatssteunrecht en de WM&O verder uit.
1.3
Op basis van ons vervolgonderzoek komen wij tot de volgende conclusies: •
Ten aanzien van het pand aan de Leyweg heeft de gemeente momenteel twee opties in overweging. Optie 1 houdt in dat de gemeente optreedt als verhuurder richting de Hub. Kiest u hiervoor, dan moet nader worden onderzocht of het voor de gemeente mogelijk is een marktconforme huurprijs in rekening te brengen. Indien een marktconforme huurprijs mogelijk blijkt, dan is het staatssteunrecht niet van toepassing. Wel moet de gemeente vervolgens voldoen aan de gedragsregels van de WM&O. Belangrijkst hierbij is dat Den Haag in de huurprijs voor de faciliteiten minimaal de integrale kosten moet verrekenen. Gezien de voorgenomen investeringen van de gemeente in het pand (circa €1.000.000), is het aannemelijk dat doorberekening van deze investeringskosten in de integrale kostprijs
PricewaterhouseCoopers Belastingadviseurs N.V., Thomas R. Malthusstraat 5, 1066 JR Amsterdam, Postbus 90358, 1006 BJ Amsterdam T: 088 792 00 20, F: 088 792 96 40, www.pwc.nl ‘PwC’ is het merk waaronder PricewaterhouseCoopers Accountants N.V. (KvK 34180285), PricewaterhouseCoopers Belastingadviseurs N.V. (KvK 34180284), PricewaterhouseCoopers Advisory N.V. (KvK 34180287), PricewaterhouseCoopers Compliance Services B.V. (KvK 51414406), PricewaterhouseCoopers Pensions, Actuarial & Insurance Services B.V. (KvK 54226368), PricewaterhouseCoopers B.V. (KvK 34180289) en andere vennootschappen handelen en diensten verlenen. Op deze diensten zijn algemene voorwaarden van toepassing, waarin onder meer aansprakelijkheidsvoorwaarden zijn opgenomen. Op leveringen aan deze vennootschappen zijn algemene inkoopvoorwaarden van toepassing. Op www.pwc.nl treft u meer informatie over deze vennootschappen, waaronder deze algemene (inkoop)voorwaarden die ook zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Amsterdam.
leidt tot een huurprijs die boven marktconform ligt. Als een marktconforme huurprijs en integrale kostprijs niet wenselijk (of mogelijk) is, is het staatssteunrecht hoogstwaarschijnlijk van toepassing. •
In optie 2 draagt de gemeente de huurovereenkomst over aan de toekomstig exploitant van de Hub. Als de gemeente deze optie kiest, is het staatssteunrecht ook van toepassing als de gemeente een bijdrage wil doen voor investeringen in/exploitatie van de Hub.
•
In de gevallen dat het staatssteunrecht van toepassing is bij één van bovengenoemde opties, adviseren wij u de steun te verstrekken op grond van artikel 27 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening ("AGVV"). Als wordt voldaan aan de voorwaarden van de AGVV kan de gemeente steun verlenen voor de huurlasten van de Hub en is er sprake van geoorloofde staatssteun.
•
Of steun voor de projectactiviteiten van de Hub ook leidt tot staatssteun, is vooral afhankelijk van of de projectactiviteiten economisch of niet-economisch zijn. Economische activiteiten zijn activiteiten die in concurrentie op de markt worden aangeboden.
•
Wij hebben de thema's uit het document ‘Samenvatting Actieprogramma Technologie voor Thuis’ geanalyseerd. Op basis van ons onderzoek concluderen wij dat de toekomstige activiteiten van of in de Hub over het algemeen economisch van aard zijn. Ook aan de andere staatssteuncriteria wordt voldaan. Steun voor die activiteiten leidt zodoende tot staatssteun. Dit is naar onze mening geen groot probleem, omdat er in deze context voldoende mogelijkheden zijn om deze steun in overeenstemming met het staatssteunrecht te brengen. Deze mogelijkheden bespreken wij hieronder in hoofdstuk 3.
•
Wel adviseren wij u bij de Hub en haar partners eropaan te dringen de activiteiten, als ook de daarmee gemoeide kosten, meer precies uit te werken. Vanzelfsprekend is dit voor nu vooral van belang voor de projectactiviteiten waarvoor de gemeente als subsidieverlener of opdrachtgever in beeld is. Tot op heden zijn enkele activiteiten nog niet (altijd) precies omschreven en zijn ook de omvang en de kosten van de economische activiteiten soms niet goed inzichtelijk. Beide zaken zijn essentieel voor het inrichten van de rechtmatige steunverlening door Den Haag aan de Hub. Duidelijk moet zijn welke specifieke (economische) activiteiten worden gesubsidieerd en hoeveel steun daadwerkelijk wordt verleend. Wij adviseren u daarom een nadere staatssteuntoets uit te voeren zodra de Hub een concreter activiteitenplan heeft uitgewerkt. Ten behoeve van deze toets hebben wij een eerste aanzet gemaakt in Bijlage 1.
1.4
In de hierop volgende hoofdstukken onderbouwen wij onze conclusies en geven wij waar mogelijk richting aan de gemeente om nader te onderzoeken of geoorloofde steun kan worden verleend.
2.
Juridisch kader
2.1
Het staatssteunrecht speelt een belangrijke rol bij het goed inrichten van de door Den Haag voorgenomen bekostiging van de Hub. Het staatssteunrecht is een onderdeel van het Europese recht dat kaders stelt aan overheidsuitgaven, met als doel te voorkomen dat deze uitgaven leiden
september 2024
Pagina 2 van 22
tot een verstoring van de markt(werking). Den Haag is als overheid zelf verantwoordelijk om deze regelgeving juist toe te passen. 2.2
In dit hoofdstuk volgt een uiteenzetting van het relevante juridisch kader, gevolgd door een eerste inschatting van de toepasselijkheid van het staatssteunrecht op de activiteiten van de Hub. Dit hoofdstuk sluiten wij af met een uiteenzetting van relevante rechtvaardigingsgronden om geoorloofde steun te verlenen. Vervolgens wordt steeds specifieker ingegaan op de staatssteunrechtelijke aspecten van de bekostiging van de Hub en adviseren wij u – waar dit nodig blijkt – hoe Den Haag bij de bekostiging van de Hub in overeenstemming met het staatssteunrecht kan handelen. De staatssteuntoets
2.3
Het staatssteunverbod is neergelegd in artikel 107 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie1. In het eerste lid van dit artikel staan de cumulatieve criteria genoemd waaraan moet worden getoetst of er sprake is van staatssteun. Wordt aan één van de navolgende criteria niet voldaan, dan is geen sprake van staatssteun. 1. 2. 3. 4.
De steun is met staatsmiddelen bekostigd; De steun wordt verstrekt aan één of meerdere (groepen) ondernemingen; Met de steun wordt een (i) niet-marktconform en (ii) selectief voordeel verstrekt; De steun kan de mededinging vervalsen en de tussenstaatse handel negatief beïnvloeden.
2.4
In het geval van de voorgenomen steun voor de (innovatieve) activiteiten van/in de Hub is er evident sprake van staatsmiddelen (criterium 1). Ook middelen van decentrale overheden en waterschappen worden namelijk door de Europese Commissie (''Commissie'') aangemerkt als staatsmiddelen.
2.5
Onzes inziens wordt ook voldaan aan het derde criterium. Doorgaans levert subsidieverlening namelijk een niet-marktconform voordeel op (criterium 3.i). Dat is hier niet anders. Tegenover de subsidie van Den Haag staat geen (afdwingbare) wederprestatie van de toekomstige entiteit. Onder normale marktomstandigheden, dat wil zeggen zonder overheidsingrijpen, zou de Hub dit voordeel dan ook niet hebben verkregen. Dit voordeel is verder ook selectief. De subsidie wordt namelijk alleen aan de Hub (en zijn partners) verstrekt (criterium 3.ii).
2.6
Ook aan het vierde criterium (effect op de mededinging en tussenstaatse handel) wordt in dit geval voldaan. Dit criterium wordt in de praktijk namelijk erg strikt toegepast door de Commissie. Slechts in een beperkt aantal gevallen wordt aangenomen dat er van een maatregel geen of slechts een zeer marginaal effect op het tussenstaatse handelsverkeer uitgaat. De toekomstige activiteiten van de Hub zijn hoofdzakelijk gericht op het stimuleren van onderzoek, ontwikkeling en implementatie van innovatie in de zorg. Voor dergelijke zorgoplossingen zien wij een duidelijke (Europese) markt. Mede hierdoor zal niet snel kunnen worden aangenomen dat de activiteiten van de Hub geen invloed hebben op de tussenstaatse handel.
1 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU 2016, C 202).
september 2024
Pagina 3 van 22
2.7
Niet vanzelfsprekend is dat ook wordt voldaan aan het tweede criterium (ondernemersbegrip). De Commissie beschouwt elke entiteit die een economische activiteit verricht als onderneming. De rechtsvorm van de entiteit is daarbij niet relevant, net als of er sprake is van een winstoogmerk. De vraag of een entiteit kwalificeert als ‘onderneming’ moet daarom worden beoordeeld op het niveau van de betreffende activiteit.
2.8
Als een entiteit zowel economische als niet-economische activiteiten verricht, is het staatssteunrecht alleen van toepassing op de economische activiteiten. In dit geval kan mogelijkerwijs een deel van de subsidiabele activiteiten worden aangemerkt als niet-economisch, omdat deze niet in concurrentie op de markt plaatsvindt. Voor dergelijke niet-economische activiteiten geldt dus dat Hub niet hoeft te worden aangemerkt als onderneming. Mededeling betreffende het begrip staatssteun
2.9
Gelet op het hierboven omschreven belang van het in kaart brengen van de (niet-)economische activiteiten, achten wij het van belang in dit kader de Mededeling betreffende het begrip staatssteun2 (''Mededeling'') en de Kaderregeling voor Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie3 (''Kaderregeling'' of ''Kaderregeling O&O&I'') te benoemen. Dit omdat in de Hub mogelijk onderwijs- en onderzoeksactiviteiten plaatsvinden.
2.10 De Mededeling geeft uitleg over wanneer onderwijsactiviteiten kunnen worden aangemerkt als niet-economisch. Hiervoor is noodzakelijk dat het onderwijs volledig of hoofdzakelijk door de staat wordt gefinancierd. Voorgaande betekent niet dat een financiële bijdrage door leerlingen of hun ouders automatisch afdoet aan het niet-economische karakter van openbaar onderwijs. Het betalen van inschrijvingsgeld, zo stelt de Commissie, dekt over het algemeen namelijk maar een fractie van de reële kosten van de dienst en kan dus niet worden beschouwd als een vergoeding voor de verrichte dienst. 2.11
In overweging 31 van de Mededeling geeft de Commissie nog meer duidelijkheid over de nieteconomische activiteiten van (hoger) onderwijs. Zij stelt dat bepaalde kernactiviteiten van universiteiten en onderzoeksorganisaties in beginsel buiten het bereik van de staatssteunregels vallen, omdat zij binnen de primaire (niet-economische) onderwijsactiviteiten passen. Kaderregeling voor Onderzoek Ontwikkeling en Innovatie
2.12
In de Kaderregeling is door de Commissie uiteengezet onder welke voorwaarden activiteiten van onderzoeksorganisaties niet-economisch zijn. In de Kaderregeling wordt toegelicht wanneer er sprake is van een onderzoeksorganisatie en wat primaire (lees: niet-economische) activiteiten van onderzoeksorganisaties zijn.
2.13
Samengevat is een onderzoeksorganisatie een entiteit die zich richt op het uitvoeren van onafhankelijk onderzoek of het breed verspreiden van de resultaten van dergelijk onderzoek. De
2 Mededeling van de Commissie betreffende het begrip "staatssteun" in de zin van artikel 107, lid 1, van het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (2016/C 262/01). 3 Mededeling van de Commissie, Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (2022/C 414/01).
september 2024
Pagina 4 van 22
primaire activiteiten van een onderzoeksorganisatie omvatten i) opleiding met het oog op meer en beter gekwalificeerde menselijke hulpbronnen, ii) onafhankelijk onderzoek en ontwikkeling en iii) brede verspreiding van onderzoeksresultaten op een niet-exclusieve en niet-discriminerende basis. Ter illustratie: Nederlandse universiteiten en universitair medisch centra kwalificeren doorgaans als onderzoeksorganisatie. Op grond van de Kaderregeling zijn alleen primaire activiteiten van onderzoeksorganisaties niet-economisch. Het uitvoeren van contractonderzoek is daarom ‘gewoon’ economisch. Rechtvaardigingsgronden 2.14
Als na een eerste beoordeling wordt vastgesteld dat steun aan de staatssteuncriteria voldoet, moet een passende rechtvaardiging worden gevonden om toch steun te mogen verstrekken. Het is dus pertinent niet zo dat als sprake is van staatssteun, dat dit tot gevolg heeft dat het onmogelijk is om steun te verstrekken. Hieronder zetten wij de voor de Hub meest relevante rechtvaardigingsgronden uiteen op grond waarvan steun kan worden verleend zonder voorafgaande melding bij de Commissie. De-minimisverordening
2.15
Steun die voldoet aan de voorwaarden van de De-minimisverordening4 (''de-minimissteun'') heeft slechts een marginale invloed op de interne markt, waardoor niet kan worden gesproken van vervalsing van de mededinging of van negatieve beïnvloeding van de tussenstaatse handel (staatssteuncriterium 4). Er is dan geen sprake van staatssteun.
2.16
De belangrijkste voorwaarde van de De-minimisverordening is de drempelwaarde van €300.000,-. Eind 2023 is deze drempel aanzienlijk verhoogd, nadat eerder jarenlang een maximum van €200.000,- gold. Een onderneming komt alleen in aanmerking voor deminimissteun als het totale bedrag aan verkregen overheidssteun tijdens drie jaren beneden deze drempelwaarde blijft. Dit maximum geldt per lidstaat. Algemene Groepsvrijstellingsverordening
2.17
De AGVV5 biedt mogelijkheden om rechtmatig staatssteun te verstrekken. De basisregel is dat een maatregel die aan alle staatssteuncriteria voldoet, vooraf ter goedkeuring moet worden voorgelegd aan de Commissie. Voor bepaalde sectoren heeft de Commissie echter vrijstellingen gecreëerd. Zo biedt de AGVV de mogelijkheid om, zonder voorafgaande melding, steun te verlenen voor het midden- en kleinbedrijf, onderzoek, ontwikkeling en innovatie, opleiding en milieu.
2.18 Voor een succesvol beroep op de AGVV moet de handelende (decentrale) overheid de in de verordening genoemde voorwaarden strikt naleven. Deze voorwaarden zijn grofweg te verdelen
4 Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023, betreffende de toepassing van de
artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU L). 5 Verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 187).
september 2024
Pagina 5 van 22
in algemene voorwaarden, die gelden voor alle soorten steun in het kader van de verordening, en specifieke voorwaarden, die alleen gelden voor steun in bepaalde sectoren. 2.19
In het specifieke deel van de AGVV zijn verschillende sectoren benoemd als het midden- en kleinbedrijf, onderzoek, ontwikkeling en innovatie, opleiding en lokale infrastructuur. Als gevolg hiervan kan binnen deze sectoren ruimer staatssteun worden vergeven, hetgeen in de ogen van de Commissie juist bevorderlijk is voor de interne markt en de concurrentiepositie van de Europese Unie. Per artikel zijn voorwaarden uitgewerkt die zien op bijvoorbeeld de in aanmerking komende kosten, de steunontvanger, de soort steun die mag worden verstrekt en de maximale steunintensiteit.
3.
Beoordeling activiteiten Zorginnovatiehub
3.1
In het vorige hoofdstuk is omschreven aan welke criteria moet worden voldaan om te kunnen spreken van staatssteun. Als aan één van deze criteria niet wordt voldaan, is er geen sprake van staatssteun.
3.2
Voor het tweede criterium – het ondernemersbegrip – geldt dat voor de activiteiten van de Hub niet direct kan worden gesteld dat alle voorgenomen subsidiabele activiteiten economisch van aard zijn. Daarom moet per activiteit worden vastgesteld of deze economisch is of niet. Aan de hand van de aan ons beschikbaar gestelde informatie hebben wij per beoogde activiteit van de Hub (of cluster aan activiteiten) beoordeeld of deze voldoet aan het tweede criterium.
3.3
In het vervolg van dit hoofdstuk worden de verschillende subsidiabele activiteiten beknopt uitgewerkt, waarna wordt beoordeeld of de activiteiten voldoen aan het ondernemersbegrip. Wij gaan hierbij uit het document ‘Samenvatting Actieprogramma Technologie voor Thuis’. In dit advies wordt onderscheid gemaakt tussen grofweg zeven thema’s: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Innovatief zorg- en sociaal domein; Arbeidsmarkt en onderwijs; Ondernemerschap; Onderzoek en ontwikkeling; Mens en technologie; Technologie en infrastructuur; en Samenwerking en netwerken.
3.4
In Bijlage 1 zijn de activiteiten per thema uiteengezet en gecategoriseerd (economisch of nieteconomisch) en zijn de voornaamste manieren om steun voor de economische activiteiten in overeenstemming met het staatssteunrecht te brengen opgesomd. Waar specifieke informatie over de activiteiten ontbrak, hebben wij bij twijfel aangenomen dat de activiteiten economisch zijn.
3.5
Voordat nader wordt ingegaan op de activiteiten per thema, bespreken wij de huursituatie van het pand aan de Leyweg waarin de Hub zich op termijn wil vestigen. Steun voor de huur van het pand aan de Leyweg in Den Haag
september 2024
Pagina 6 van 22
3.6
Den Haag huurt momenteel een pand aan de Leyweg in Den Haag. Dit pand is de beoogde locatie van de fysieke Hub. De gemeente overweegt twee mogelijkheden om (gedeeltelijk) te voorzien in de huurlasten van het pand aan de Leyweg: • •
Optie 1: De gemeente treedt op als verhuurder richting de Hub. Dat maakt de Hub onderhuurder van het genoemde pand. Optie 2: De gemeente draagt het huurcontract over aan de Hub. Daarmee wordt de Hub (hoofd)huurder.
Optie 1 3.7
Beide opties hebben juridische aandachtspunten. Wij hebben begrepen dat optie 1 uw voorkeur heeft, omdat de gemeente de beschikbare middelen uit de Regiodeal momenteel (nog) zelf wil beheren en er bovendien voorwaarden zijn gesteld door de eigenaar/verhuurder van het pand aan de Leyweg, die overdracht van de huurovereenkomst bemoeilijken. Wet Markt en Overheid
3.8
Kiest Den Haag voor de eerste optie, dan bevindt zij zich op het snijvlak van het staatssteunrecht en de WM&O6. Dit omdat de gemeente dan zelf ondernemingsactiviteiten uitvoert, namelijk het verhuren van vastgoed.
3.9
De WM&O is geen zelfstandige wet, maar een onderdeel van de Mededingingswet. Het doel van de WM&O is om de concurrentieverhoudingen tussen de overheid en private ondernemingen te reguleren, in het geval de overheid zich op de markt begeeft. Belangrijk hierbij is dat de WM&O complementair is aan de staatssteunregelgeving en pas van toepassing is als van staatssteun geheel geen sprake is.
3.10 In het geval van de Hub is de WM&O alleen van toepassing als door de gemeente voor de faciliteiten een marktconforme huurprijs wordt gevraagd en ook aan de andere staatssteuncriteria wordt voldaan. De WM&O bevat vervolgens vier gedragsregels waarmee de gemeente rekening moet houden. De voornaamste regel is dat de gemeente de integrale kostprijs van de faciliteiten moet verrekenen in de huurprijs van de faciliteiten. De integrale kostprijs is overigens niet per definitie gelijk aan een marktconforme prijs, zoals in het staatssteunrecht wordt gebruikt. Gezien de voorgenomen investering van de gemeente in het pand aan de Leyweg (circa €1.000.000,-), is het aannemelijk dat de integrale kostprijs die aan de Hub moet worden doorberekend hoger is dan de marktconforme huurprijs voor het pand. 3.11
Voornoemde gedragsregels van de WM&O zijn niet van toepassing als Den Haag kan aantonen dat zij de economische activiteit uitvoert in het kader van een algemeen belang. Het is niet voldoende om te stellen dat er sprake is van een algemeen belang, dit moet worden vastgelegd in een algemeenbelangbesluit. In het algemeenbelangbesluit moet Den Haag minimaal antwoord geven op de volgende vragen: •
Is er een algemeen belang dat ingrijpen door de gemeente rechtvaardigt?
6 Mededingingswet, hoofdstuk 4b, overheden en overheidsbedrijven.
september 2024
Pagina 7 van 22
• • 3.12
Wat is de hoogte van de integrale kostprijs, waarom kan deze niet worden gehanteerd en welke prijs is dan wél gerechtvaardigd? Wat zijn de gevolgen voor de overige belanghebbenden en waarom zijn deze gevolgen gerechtvaardigd?
Deze rechtvaardiging moet duidelijk uit het algemeenbelangbesluit volgen. Hiermee kan niet lichtzinnig worden omgegaan, omdat de ACM streng toeziet op de juiste naleving van de WM&O. Een wetsvoorstel tot wijziging van de WM&O ligt voor in de Tweede Kamer. Als dit voorstel wordt aangenomen, zal de WM&O worden verscherpt met onder meer verplichte publieksconsultatie voorafgaand aan het vaststellen van een algemeenbelangbesluit en een evaluatieplicht (iedere vijf jaar). Gezien de strenge eisen voor algemeenbelangbesluiten, adviseren wij u in het geval van de Hub hiervan geen gebruik te maken. Gemeente investeert zelf in de faciliteiten
3.13
Een belangrijk aandachtspunt voor de verhuur aan de Hub is dat de gemeente voornemens is zelf reeds aanzienlijke investeringen te doen in het pand aan de Leyweg. Gevolg hiervan is dat deze investeringskosten door de gemeente zelf worden gemaakt en niet als directe steun aan de Hub worden uitgekeerd. De gemeente verleent op die manier geen directe investeringssteun aan de Hub.
3.14
Vanzelfsprekend profiteert de Hub als onderhuurder wel van de up-to-date faciliteiten. Daarom is het in beginsel alsnog noodzakelijk dat de gemeente een marktconforme huurprijs rekent voor het gebruik van het pand. Daarmee wordt voorkomen dat de Hub staatssteun ontvangt. In dat kader signaleren wij drie aanvullende aandachtspunten die in de gemeentelijke besluitvorming moeten worden afgewogen: 1.
Als de gemeente besluit een marktconforme huurprijs te vragen van de Hub, is de staatssteunregelgeving niet van toepassing op de huurrelatie. Echter, omdat Den Haag optreedt als verhuurder, moet dan wel worden voldaan aan de gedragsregels van de WM&O (zie hierboven). Indien wenselijk kan – indirect – worden besloten de Hub subsidie te verlenen voor de exploitatie van de Hub (waaronder de huurlasten). Als de gemeente een integrale kostprijs hanteert, heeft de Hub mogelijk meer exploitatiesteun nodig. Wij hebben begrepen dat de Hub niet heeft begroot dat zij de integrale kostprijs moet betalen voor de huur van het pand aan de Leyweg. Hiervoor geldt dat die indirecte steun, in tegenstelling tot de huurovereenkomst zelf, dan wel in overeenstemming met het staatsteunrecht moet worden gebracht. Op welke wijze dat kan, leggen vanaf randnummer 3.17 uit.
2. Besluit Den Haag geen marktconforme huurprijs van de Hub te vragen, aangenomen dat aan de andere staatssteuncriteria is voldaan, dan is het staatssteunrecht van toepassing. Het verschil tussen de marktconforme huurprijs en de gehanteerde niet-marktconforme huurprijs is dan het steunbedrag. Dat steunbedrag, ten behoeve van de exploitatiekosten van de Hub, moet in lijn worden gebracht met de staatssteunregelgeving.
september 2024
Pagina 8 van 22
3. De gemeente verleent mogelijk (indirecte) staatssteun aan de eigenaar van het pand aan de Leyweg. Door de grote investeringen van de gemeente in het pand, kan onder meer de waarde van het pand toenemen. Gezien de grote investeringen die Den Haag in het pand wil doen, is het van belang dat deze investeringen daadwerkelijk en langjarig positieve effecten hebben voor de stad. De ‘value for money’, de meerwaarde voor de stad, moet daarom zorgvuldig worden vastgesteld en waar nodig ook (juridisch) worden geborgd. Het is als gemeente noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de publieke middelen rechtmatig, effectief en efficiënt worden aangewend. Om de winst voor de stad te maximaliseren is het wenselijk dat Den Haag vóór het overgaat tot de investeringen in het pand aan de Leyweg een aantal zaken zeer goed in beeld heeft, om zo een geïnformeerd besluit te kunnen nemen. Wij menen dat de gemeente minimaal inzicht moet hebben in een aantal variabelen, zoals de totale investeringskosten, eventuele cofinanciering van de eigenaar van het pand en de (beoogde) duur van de huurovereenkomsten eigenaar-gemeente en gemeente-Hub. Deze informatie is cruciaal voor het bepalen van de maatschappelijke waarde van de investeringen van Den Haag. Zo geldt bijvoorbeeld dat de gemeente is gebaat bij langdurige huurrelaties, omdat daarmee een duurzame plaats van de Hub in Den Haag wordt verzekerd.
Wij adviseren u om – voor zover dat nog niet het geval is – scherpe afspraken te maken met de eigenaar over onder meer een marktconforme huurprijs, de duur van de huurovereenkomst, de mogelijkheid tot onderhuur aan de Hub, overname van de huurovereenkomst door de Hub, aansprakelijkheid van de gemeente en compensatie voor door de gemeente gedane investeringen in het pand, die nog niet economisch zijn afgeschreven ten tijde van (een eventuele) beëindiging van de huurrelatie. Behalve dat hiermee de maatschappelijke waarde van de investeringen door de gemeente worden gemaximaliseerd, wordt een eventueel voordeel voor de eigenaar van het pand tot een minimum gebracht. Door scherpe afspraken te maken op dit vlak, wordt bovendien het risico voor de gemeente zelf drastisch ingeperkt. Tussenconclusie 3.15
Als de gemeente daadwerkelijk besluit het pand aan de Leyweg aan de Hub te verhuren, moet in een nadere analyse worden vastgesteld of het staatssteunrecht van toepassing is en, zo niet, welke huurprijs zij minimaal aan de op te richten activiteit in rekening moet brengen. Daarnaast adviseren wij u zorgvuldige afspraken te maken over de huurrelatie met de eigenaar van het pand aan de Leyweg. Optie 2
3.16
Bij de tweede optie is de WM&O niet van toepassing, omdat Den Haag dan zelf geen marktactiviteiten onderneemt. Als de gemeente de investeringen in of exploitatie van de Hub wil ondersteunen, is het staatssteunrecht doorgaans wel van toepassing, tenzij de gemeente marktconform handelt. Immers, bij een bijdrage in de huurlasten is er sprake van overheidssteun die de Hub selectief bevoordeelt (criterium 1 en 3.ii). Als de Hub bedrijfsruimte huurt voor de voorgenomen activiteiten, handelt zij bovendien als onderneming (criterium 2), omdat de
september 2024
Pagina 9 van 22
activiteiten van de Hub overwegend economisch zijn (zie hierna). Tot slot is de vastgoedsector een concurrerende internationale markt, waardoor ook aan het laatste staatssteuncriterium is voldaan. Of ook aan staatssteuncriterium 3.i wordt voldaan, is voornamelijk afhankelijk van of de gemeente een bijdrage wil doen in de huurlasten van de Hub. Het is aannemelijk dat ook dat dit staatssteuncriterium wordt voldaan. 3.17
Zoals in het juridisch kader omschreven, biedt de AGVV de mogelijkheid om, onder voorwaarden, staatssteun te verstrekken die geoorloofd is en die is vrijgesteld van de aanmeldplicht. Onzes inziens kan Den Haag de AGVV hanteren als wordt besloten een bijdrage te doen aan de huurlasten van de Hub. Om succesvol beroep te doen op de AGVV, moet worden voldaan aan de in die verordening opgenomen voorwaarden. Daarbij gelden een aantal algemene voorwaarden en een aantal voorwaarden die afhangen van het specifieke type steun dat wordt verleend.
3.18 De belangrijkste algemene voorwaarden zijn de volgende: • • • • • •
•
3.19
Steun mag niet worden verstrekt aan een onderneming ten aanzien waarvan een terugvorderingsbevel van onrechtmatige staatssteun uitstaat (artikel 1, onder 4, sub b AGVV). Steun mag niet worden verstrekt aan een onderneming in moeilijkheden (artikel 1, vierde lid, sub c AGVV). Steun mag de aanmeldingsdrempels als bedoeld in artikel 4 AGVV niet overschrijden. Deze drempels verschillen per categorie steun. Steun moet transparant zijn (artikel 5 AGVV). Vooraf moet inzichtelijk zijn hoeveel steun maximaal wordt verstrekt aan de begunstigde. Steun moet een stimulerend effect hebben (artikel 6 AGVV). Dat houdt in dat moet worden aangetoond dat de te (onder)steunen activiteiten zonder steun van de overheid niet of niet in dezelfde mate zouden zijn uitgevoerd. Steun (individueel of door middel van een regeling) moet worden kennisgegeven bij de Commissie (artikel 11, sub a AGVV). Een kennisgeving dient binnen 20 werkdagen na inwerkingtreding van de steunmaatregel te geschieden. In tegenstelling tot een meldingsprocedure heeft een kennisgevingstraject geen opschortend effect. Jaarlijks moet een staatssteunrapportage worden opgesteld voor de Commissie, waarin wordt gerapporteerd over de toepassing van de AGVV en de lopende steunmaatregelen (artikel 11, sub b AGVV).
Naar onze mening kan de beoogde bijdrage in de huur van de Hub zo worden ingericht, dat deze in lijn is met de algemene voorwaarden van de AGVV. Wel is van belang dat de steun ook past binnen het specifieke deel van de AGVV. Hier gaan wij hierna op in.
3.20 De AGVV bevat verschillende specifieke voorwaarden afhankelijk van het type steun dat wordt verleend. Voor de huidige casus is in de eerste plaats artikel 27 AGVV relevant, die ziet op steun aan innovatieclusters.7 Met deze bepaling kan exploitatiesteun en investeringssteun worden 7 Innovatieclusters worden gedefinieerd als: ''structuren of georganiseerde groeperingen van onafhankelijke
partijen (..) die tot doel hebben innovatieve activiteiten te stimuleren door het delen van faciliteiten en de uitwisseling van kennis en deskundigheid te bevorderen, en door daadwerkelijk bij te dragen aan technologieoverdracht, netwerking, informatieverspreiding en samenwerking tussen de ondernemingen en andere organisaties binnen het cluster''.
september 2024
Pagina 10 van 22
verleend. De voorwaarden voor het verlenen van exploitatiesteun op basis van artikel 27 AGVV zijn (naast bovengenoemde algemene voorwaarden), de volgende: 1. 2.
3.
4. 5. 6. 7. 8.
9.
3.21
Steun voor innovatieclusters zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld. Investeringssteun kan worden toegekend aan de eigenaar van het innovatiecluster. Exploitatiesteun kan worden toegekend aan de exploitant van het innovatiecluster. De exploitant, indien verschillend van de eigenaar, kan een rechtspersoon zijn of een consortium van ondernemingen zonder afzonderlijke rechtspersoonlijkheid. In alle gevallen moet elke onderneming een afzonderlijke boekhouding voeren voor de kosten en opbrengsten van elke activiteit (eigendom, exploitatie en gebruik van het cluster) volgens de toepasselijke boekhoudkundige normen. Toegang tot de panden, faciliteiten en activiteiten van het cluster staat open voor meerdere gebruikers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend. Ondernemingen die ten minste 10 % van de investeringskosten van het innovatiecluster hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden. Om overcompensatie te vermijden, is deze toegang evenredig aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en worden deze voorwaarden publiek beschikbaar gesteld.
De vergoedingen die voor het gebruik van de faciliteiten van het cluster en voor deelname aan de activiteiten van het cluster worden berekend, stemmen overeen met de marktprijs of weerspiegelen de kosten ervan, plus een redelijke marge. Voor de bouw of het upgraden van innovatieclusters mag investeringssteun worden verleend. De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de investeringen in immateriële en materiële activa. De steunintensiteit van investeringssteun voor innovatieclusters bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten. (…) Voor de exploitatie van innovatieclusters mag exploitatiesteun worden verleend. De steun mag ten hoogste tien jaar lopen. De voor exploitatiesteun ten behoeve van innovatieclusters in aanmerking komende kosten zijn de personeelskosten en administratieve kosten (met inbegrip van de algemene kosten) met betrekking tot: a. het aansturen van het cluster ter bevordering van samenwerking, informatiedeling en het verschaffen of toeleiden van gespecialiseerde en op maat gemaakte zakelijke ondersteuningsdiensten; b. de marketing van het cluster om nieuwe ondernemingen of organisaties aan te trekken en de zichtbaarheid te verhogen; c. het beheer van de faciliteiten van het cluster, de organisatie van opleidingsprogramma's, workshops en conferenties ter ondersteuning van kennisdeling, netwerking en transnationale samenwerking.
De steunintensiteit van exploitatiesteun voor innovatieclusters bedraagt ten hoogste 50 % van de totale in aanmerking komende kosten over de periode waarvoor steun wordt toegekend.
Op basis van de bij ons bekende informatie zijn wij van mening dat een gemeentelijke bijdrage in de huurlasten van de Hub kunnen worden gerechtvaardigd op grond van artikel 27 AGVV. De
september 2024
Pagina 11 van 22
steun zal niet hoger zijn dan de aanmeldingsdrempel van artikel 4 AGVV. De op te richten entiteit is als ‘clusterorganisatie’ bovendien de begunstigde van de exploitatiesteun. 3.22 Een belangrijk aandachtspunt is dat de Hub aan de gebruikers een marktconforme vergoeding moet vragen, om te voorkomen dat zij indirecte staatssteun ontvangen. Er kunnen dus geen kunstmatig lage tarieven door de Hub worden berekend (lid 4). Ook moet worden gelet op de maximale steunintensiteit van 50% (lid 6). Dat betekent dat de Den Haag slechts de helft van de op grond van de AGVV subsidiabele exploitatiekosten (lid 8) mag steunen. Minstens 50% van die kosten moet zodoende uit private middelen worden bekostigd. Dit hoeven niet per se eigen middelen van de Hub te zijn. Ook bijdragen van andere ondernemingen, of bijvoorbeeld een banklening kunnen worden aangemerkt als private middelen. 3.23 Onzes inziens biedt de AGVV voldoende ruimte om een bijdrage in de huurlasten van de Hub aan te merken als geoorloofde staatssteun. De AGVV-voorwaarden moeten daarvoor wel strikt worden gevolgd. 3.24 Artikel 27 AGVV biedt ook de mogelijkheid om investeringssteun te verlenen voor de bouw van een innovatiecluster. U heeft echter aangegeven dat Den Haag voornemens is zelf de investeringen te doen in het pand aan de Leyweg.
Mocht er toch investeringssteun aan de Hub steun worden verleend, biedt artikel 27 waarschijnlijk onvoldoende aanknopingspunten. De belangrijkste beperking is de verplichte private bijdrage. Gezien de door u beschikbaar gestelde conceptbegroting van de Hub, zijn er onvoldoende private middelen beschikbaar om te voldoen aan de 50% cofinancieringseis van artikel 27, lid 6. Een alternatieve werkwijze is om een beroep te doen op artikel 56 AGVV. Dit artikel biedt waarschijnlijk wel de mogelijkheid om investeringssteun te verlenen voor de onrendabele top van lokale infrastructuurvoorzieningen. Steun voor de projectactiviteiten van de Hub 3.25 Tot op heden heeft de gemeente een deel van de (beoogde) projectactiviteiten zelf uitgevoerd. In de toekomst wil zij hiervoor als subsidieverlener of opdrachtgever richting de Hub optreden. De Hub zal daarom een inhoudelijk programma ontwikkelen. Hiervoor is al een belangrijke basis gelegd in het document ‘Samenvatting Actieprogramma Technologie voor Thuis’. In dit document is uitgewerkt langs welke thema’s de Hub de komende jaren projecten zal ondernemen (zie ook: randnummer 3.3). De betreffende (project)activiteiten zijn echter nog tamelijk algemeen uitgewerkt. Zo is niet duidelijk uit welke precieze activiteiten de projecten bestaan, wie de initiatiefnemers zijn en welke (financiële) bijdrage zij leveren aan de projecten.
Aan de hand daarvan kan bijvoorbeeld worden bepaald of er sprake is van economische of niet-economische activiteiten en of kan worden voldaan cofinancieringsvereisten. Bij gebrek aan een dergelijke ‘SMART’ omschrijving van de projecten, kunnen wij op dit moment geen op maat gesneden staatssteunadvies formuleren. 3.26 In het vervolg gaan wij derhalve beknopt in op de verschillende thema’s en bijbehorende projecten. Aan de hand van de beschikbare informatie geven wij een indicatie van of sprake is van economische of niet-economische activiteiten en doen wij – als sprake is van economische activiteiten – aanbevelingen voor te onderzoeken staatssteunrechtvaardigingen. Zo’n nader onderzoek kan plaatsvinden zodra het activiteitenplan van de Hub, of individuele projectplannen
september 2024
Pagina 12 van 22
in detail zijn uitgewerkt. Een samenvatting van onze analyse van de projectactiviteiten van/in de Hub vindt u in Bijlage 1. Thema’s werkpakketten 3.27 Op basis van onze eerste staatssteunanalyse hebben wij de projectactiviteiten in drie delen gecategoriseerd: economisch, niet-economisch en nader te bepalen. Het gros van de projectactiviteiten van/in de Hub valt in de categorie economisch. Daardoor is er, omdat waarschijnlijk ook aan de andere staatssteuncriteria wordt voldaan, sprake van staatssteun waarvan moet worden beoordeeld of het gaat om geoorloofde staatssteun. Voor de activiteiten die niet-economisch van aard zijn, geldt dat het staatssteunrecht niet van toepassing is omdat niet aan alle cumulatieve criteria van het staatssteunverbod is voldaan. 3.28 Het is nodig opnieuw te benadrukken dat nader onderzoek nodig is zodra bekend is wat de projecten precies gaan omvatten, om zo vast te stellen of de beoogde staatssteunrechtvaardiging daadwerkelijk werkbaar is. In Bijlage 1 is een overzichtstabel opgenomen met per beoogd project een eerste kwalificatie economisch of niet-economisch en - waar nodig en mogelijk – één of meer staatssteunrechtvaardigingsgronden. 3.29 Voor thema’s 1 tot en met 6 zetten wij eerst uiteen waarom wij verwachten dat bij deze projectactiviteiten doorgaans sprake is van economische activiteiten en welke rechtvaardigingsgrond wij werkbaar achten.
Deze rechtvaardigingsgronden worden vervolgens overzichtelijk uitgewerkt. Vervolgens wordt ingegaan op de gesignaleerde niet-economische activiteiten en de projectactiviteiten die nog nadere toelichting behoeven voordat wij daarover een standpunt kunnen innemen. Economische activiteiten 3.30 Hoewel de projectactiviteiten van de Hub nog nader moeten uitgewerkt, is onze eerste inschatting dat de activiteiten binnen de thema’s 1 tot en met 5 overwegend economisch zijn. De projectactiviteiten binnen deze thema’s vallen in één van de volgende categorieën: • • • 3.31
Categorie a: Onderzoek en ontwikkeling; Categorie b: Ondersteunen van (innovatieve) ondernemingen; Categorie c: Clusteractiviteiten (zoals, kennisverspreiding, toegankelijkheid en netwerking).
De beoogde projecten in thema’s 1, 3 en 4 zijn over het algemeen gericht op onderzoek en ontwikkeling (categorie a). Enkele voorbeelden zijn het ontwikkelen en uitproberen van nieuwe technologieën, validatie van technologieën, uitvoeren van pilotstudies en het opzetten van living labs. Voor dergelijke activiteiten bestaat doorgaans een markt, waar private marktdeelnemers met elkaar concurreren. Dit blijkt onder meer ook uit de AGVV en de Kaderregeling O&O&I.
3.32 Als uit gemeentelijk of andere publieke middelen steun wordt gegeven aan de onderzoek- en ontwikkelingsactiviteiten, is artikel 25 AGVV de eerste keuze om op rechtmatige wijze steun te verlenen aan betrokken ondernemingen. Voor startende ondernemingen (minder dan 5 jaar
september 2024
Pagina 13 van 22
actief) geldt dat artikel 22 AGVV een aanvullende mogelijkheid biedt. Ten slotte kan ook artikel 28 AGVV uitkomst bieden bij steun aan innovatieve kleine en middelgrote ondernemingen. 3.33 Thema’s 3 en 4 richten zich voornamelijk op start-ups, scale-ups en innovatieve ondernemingen (categorie b). Wij begrijpen dat deze programma’s gericht zijn op het ondersteunen van ondernemingen die actief zijn op een markt, zoals (beginnende) ondernemingen die zorgoplossingen aanbieden of hier onderzoek naar doen. De projectactiviteiten binnen deze thema’s komen ook nadrukkelijk terug in de AGVV, hetgeen opnieuw een indicatie is dat sprake is van economische activiteiten. Als Den Haag wenst deze activiteiten te subsidiëren, kan een beroep worden gedaan op de eerder benoemen artikelen 22 en 28. 3.34 Naar onze mening vinden in thema’s 2, 3, 5 en 6 tot slot ‘clusteractiviteiten’ (categorie c) plaats. Met name in thema 3 en 5 zien wij veel activiteiten die doorgaans zullen worden uitgevoerd door een innovatiecluster.8 In de praktijk voorzien wij dat de Hub dit zal doen, eventueel in nauwe samenwerking met partners. 3.35 Innovatieclusters richten zich op het aanjagen van innovatie, stimuleren van samenwerking en netwerken en het toegankelijk maken van onderzoek.
Zoals al besproken vanaf randnummer 3.17, merkt de AGVV activiteiten van innovatieclusters aan als economisch.9 Relevanter is dat de AGVV regels stelt over hoe desondanks geoorloofde staatssteun kan worden verleend aan innovatieclusters. De economische projectactiviteiten van/in de Hub lenen zich voor exploitatiesteun op grond van artikel 27 AGVV. 3.36 Voor thema 6 en 7 geldt dat niet iedere projectactiviteit past binnen de staatssteunvrijstellingen van de AGVV. In die gevallen adviseren wij gebruik te maken van de De-minimisverordening (zie: tabel 5) of te besluiten voor deze activiteiten geen steun te verlenen. 3.37 De werkwijze om geoorloofde steun voor de bovenstaande economische activiteiten te verstrekken, is in onderstaande tabellen nader uitgewerkt. Telkens benoemen wij de belangrijkste mogelijkheden van de AGVV-artikelen, alsmede de belangrijkste aandachtspunten. Tabel 1
Artikel 22 AGVV Starterssteun Mogelijkheden: - Ruime steunmogelijkheid voor startende ondernemingen. - Steun is tot een bedrag van €500.000 mogelijk. - Voor innovatieve starters kan het hiervoor genoemde bedrag zelfs worden verdubbeld.
Aandachtspunten: - Steun is alleen mogelijk aan ‘startende ondernemingen’, die minder dan 5 jaar actief zijn.
8 Innovatieclusters worden gedefinieerd als: “structuren of georganiseerde groeperingen van onafhankelijke
partijen (..) die tot doel hebben innovatieve activiteiten te stimuleren door het delen van faciliteiten en de uitwisseling van kennis en deskundigheid te bevorderen, en door daadwerkelijk bij te dragen aan technologieoverdracht, netwerking, informatieverspreiding en samenwerking tussen de ondernemingen en andere organisaties binnen het cluster”. 9 Zie ook overweging 16, onder ff van de Kaderregeling voor Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie.
september 2024
Pagina 14 van 22
- Voor startende ondernemingen biedt dit
artikel doorgaans een werkbaardere staatssteunvrijstelling dan andere AGVVartikelen.
Tabel 2
Artikel 25 AGVV Steun voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten Mogelijkheden: Aandachtspunten: - Zeer hoge aanmeldingsdrempels per project. - Steunintensiteit (het procentuele deel van de subsidiabele kosten dat daadwerkelijk mag - Vrijwel alle aan het onderzoek gerelateerde worden gesubsidieerd) is afhankelijk van kosten zijn subsidiabel. factoren als het type onderzoek en de grootte - Kleine en middelgrote ondernemingen van de betrokken onderneming(en). mogen relatief meer steun krijgen dan grote - Het project moet passen in een van het type ondernemingen. onderzoeksprojecten. - Kennisdeling wordt beloond. Tabel 3
Artikel 27 AGVV Steun voor innovatieclusters Mogelijkheden: - Ruime steunmogelijkheid voor de eigenaar (investeringssteun) en de exploitant (exploitatiesteun) van het innovatiecluster. - Steun kan verleend worden voor personeelsen administratieve kosten voor het aansturen, de marketing en het beheer van het cluster.
Aandachtspunten: - De panden en faciliteiten van het cluster moeten worden opgesteld voor meerdere gebruikers. - Vergoedingen voor het gebruik van het pand en de faciliteiten van het cluster moeten marktconform zijn. - Maximaal 50% van de voor steun in aanmerking komende kosten mogen uit publieke middelen gefinancierd worden, voor het overige is private financiering noodzakelijk.
Tabel 4
Artikel 28 AGVV Innovatiesteun voor kmo’s Mogelijkheden: - Steun kan worden verstrekt aan kleine en middelgrote ondernemingen. - Er zijn ruime steunmogelijkheid voor innovatieve kmo’s tot €10 miljoen per onderneming per project. - Steun voor innovatieadviesdiensten en innovatieondersteuning mag onder voorwaarden 100% van de kosten dekken.
september 2024
Pagina 15 van 22
Aandachtspunten: - Steun kan alleen worden verleend voor octrooien en zogenoemde immateriële activa, het detacheren van hooggekwalificeerd personeel en de kosten verbonden aan innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning. - In de meeste gevallen geldt een maximale steunintensiteit van 50%.
Tabel 5
De-minimissteun Mogelijkheden: - Tot €300.000,- kan per onderneming, per driejaarsperiode worden verstrekt zonder dat dit staatssteun oplevert. - Aangenomen wordt dat er geen grensoverschrijdend effect is (staatssteuncriterium 4). - Erg laagdrempelige mogelijkheid om staatssteun te voorkomen, doordat slechts een verklaring over De-minimissteun nodig is.
Aandachtspunten: - Alle de-minimissteun van Nederlandse overheden in de driejaarsperiode moeten bij elkaar worden opgeteld. - Begunstigden moeten in een deminimisverklaring verklaren te voldoen aan de voorwaarden uit de Deminimisverordening. - Voor (middel)grote ondernemingen is de De-minimisverordening vaak minder geschikt, omdat zij vaker de-minimissteun ontvangen.
Niet-economische activiteiten in thema's 2 en 4 3.38 Het tweede te bespreken deel van de voorgenomen projectactiviteiten van/in de Hub is gericht op het samenbrengen van zorg en onderwijs. Thema 2 en thema 4 omvatten activiteiten gericht op onderwijs en kennisdeling. In dit kader is relevant dat de Commissie in de Mededeling heeft opgenomen dat openbaar onderwijs dat binnen het nationale onderwijsstelsel door de staat wordt gefinancierd, een niet-economische activiteit is. Dit betekent dat het staatssteunrecht doorgaans niet van toepassing is op het Nederlandse basisonderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs (''MBO''), hoger beroepsonderwijs (''HBO'') en wetenschappelijk onderwijs. 3.39 Daarnaast volgt uit de Kaderregeling O&O&I dat de primaire activiteiten van onderzoeksorganisaties niet-economisch zijn. Zoals eerder benoemd is dit vaak het geval bij universiteiten en universitair medisch centra. HBO- en MBO-instellingen kwalificeren daarentegen meestal niet als onderzoekorganisaties.10 Tot de primaire activiteiten van onderzoekorganisaties behoren in ieder geval het geven van onderwijs, onafhankelijk onderzoek en ontwikkeling en kennisoverdracht. Ook alle activiteiten die onlosmakelijk verbonden zijn met de primaire activiteiten kunnen als niet-economisch worden aangemerkt. We spreken dan van nevenactiviteiten.
3.40 Alleen primaire activiteiten van onderzoeksorganisaties niet-economisch zijn. Het uitvoeren van contractonderzoek is daarom ‘gewoon’ economisch. 3.41
Bovenstaande uitleg dient om inzichtelijk te maken dat onderwijs- en onderzoeksactiviteiten onder voorwaarden niet-economisch zijn. Voor de activiteiten van/in de Hub is daarom van belang dat bij concrete projecten wordt vastgesteld of er onderwijsinstellingen of onderzoeksorganisaties zijn betrokken en of hun aandeel in een project onderdeel is van hun
10 In twee uitspraken van 2022 (C-164/21 (Baltijas Starptautiskā Akadēmija) en C-318/21, (Stockholm School of
Economics in Riga), 13 oktober 2022, ECLI:EU:C:2022:785) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaald dat onderwijsinstellingen die zich uitsluitend bezighouden met onderwijs- en opleidingsactiviteiten ''die op algemene wijze de huidige stand van de wetenschap verspreiden'' niet kunnen worden aangemerkt als organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding. Voor HBO- en MBO-instellingen geldt dan ook dat zij doorgaans niet als onderzoeksorganisatie zijn aan te merken.
september 2024
Pagina 16 van 22
primaire activiteiten. Zo ja, dan kan steun aan de betreffende onderwijsinstelling of onderzoeksorganisatie worden verleend, zonder dat dit staatsteun oplevert. 3.42 Zijn de projectactiviteiten geen onderdeel van de primaire activiteiten of worden de activiteiten uitgevoerd door entiteiten die niet kunnen worden aangemerkt als onderwijsinstelling of onderzoeksorganisatie, dan is het staatssteunrecht van toepassing. Steun voor deze economische activiteiten kan waarschijnlijk geoorloofd worden verstrekt door toepassing van artikel 25, artikel 27 AGVV en artikel 28 (zie: tabel 2, 3 en 4). Ook kan mogelijk een beroep worden gedaan op artikel 31 van de AGVV. Dit artikel maakt steun voor opleiding en (bij)scholing mogelijk. Tabel 6
Artikel 31 AGVV Opleidingssteun Mogelijkheden: - Ruime steunmogelijkheden voor opleidingssteun, onder meer voor personeelskosten van de opleiders, accommodatiekosten, materiaalkosten, kosten van adviesdienste en personeelskosten van de deelnemers.
Aandachtspunten:
- In beginsel kan tot 50% van de subsidiabele
kosten daadwerkelijk worden gesubsidieerd. - Voor kleine (+20%) en middelgrote (+10%) ondernemingen kan de steunintensiteit nog worden verhoogd.
Restcategorie/nader te bepalen activiteiten 3.43 Tot slot, is er een (derde) deel activiteiten die wij niet hebben kunnen kwalificeren. Deze activiteiten zijn in Bijlage 1 aangemerkt als ‘n.t.b.’. Uit het document ‘Samenvatting Actieprogramma Technologie voor Thuis’ valt niet af te leiden wat de betreffende projectactiviteiten inhouden. Daarom is, in tegenstelling tot de activiteiten besproken vanaf randnummer 3.30, het hier zelfs niet mogelijk een indicatie te geven van of sprake is van een (niet)economische activiteit en, zo ja, op welke wijze toch rechtmatige staatssteun kan worden verleend. Wij verzoeken u deze activiteiten nader te onderbouwen, zodat wij u hier nog over kunnen adviseren. Conclusie 3.44 Op basis van ons onderzoek concluderen wij dat de toekomstige activiteiten van of in de Hub over het algemeen economisch zijn. Ook aan de andere staatssteuncriteria wordt voldaan. Dit is naar onze mening geen groot probleem, omdat er legio mogelijkheden zijn om steun in overeenstemming met het staatssteunrecht te brengen. De AGVV biedt hiervoor de voornaamste mogelijkheid. In dat kader hebben wij reeds diverse artikelen toegelicht die het mogelijk maken om steun te verlenen voor onderzoek, innovatie, opleiding en activiteiten van startende ondernemingen. 3.45 Op bovenstaande zijn een twee belangrijke toevoegingen: 1.
De De-minimisverordening. In het juridisch kader zijn de randvoorwaarden voor deze verordening al uiteengezet. Als kan worden voldaan aan de voorwaarden van de Deminimisverordening, is er geen sprake van staatssteun vanwege het ontbreken van een grensoverschrijdend effect. De beperking van de De-minimisverordening is dat er
september 2024
Pagina 17 van 22
gedurende drie jaren slechts €300.000,- per onderneming aan steun mag worden verleend. Deze eis heeft tot gevolg dat voor ondernemingen die gedurende de driejaarsperiode al de-minimissteun van een Nederlandse (de)centrale overheidsinstelling hebben gehad, of in het kader van de Hub een bedrag verlangen dat groter is dan het drempelbedrag, (mogelijk) niet meer in aanmerking komen voor nieuwe de-minimissteun. Zeker voor (middel)grote ondernemingen biedt de De-minimisverordening vaak geen goede oplossing. Voor kleine ondernemingen juist wel. 2. De Mededeling en de Kaderregeling O&O&I. Steun voor primaire activiteiten van onderwijsinstellingen en onderzoeksorganisaties levert geen staatssteun op. Let op dat deze entiteiten soms ook economische activiteiten verrichten. 3.46 Wij adviseren u bij de Hub en haar partners aan te dringen de activiteiten, evenals de daarmee gemoeide kosten, op de korte termijn meer precies uit te werken. Vanzelfsprekend is dit voor nu vooral van belang voor de projectactiviteiten waarvoor de gemeente als subsidieverlener of opdrachtgever in beeld is. Tot op heden zijn enkele activiteiten nog niet (altijd) precies omschreven en zijn ook de omvang en de kosten van de economische activiteiten soms niet goed inzichtelijk. Beide zaken zijn van groot belang voor het inrichten van de rechtmatige steunverlening door Den Haag aan de Hub.
Duidelijk moet zijn welke specifieke (economische) activiteiten worden gesubsidieerd en hoeveel steun daadwerkelijk wordt verleend. Wij adviseren u daarom om op een later moment, zodra de Hub een concreter activiteitenplan heeft uitgewerkt, een nadere staatssteuntoets uit te voeren. **