RIS321990 Bijlage 9 Ontwerp bestemmingsplan Escher gardens zonder bijlagen toelichting
Tekst van het document
75
bestemmingsplan Escher Gardens (ontwerp)
controle) wordt vergroot door de aanwezigheid van meer personen op verschillende momenten van de dag. Dit leidt tot een positieve beoordeling.
5.6
Externe veiligheid
5.6.1
Toetsingskader
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico's, transportrisico's en risico's die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. 5.6.2
Risicovolle inrichtingen
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR rondom deze inrichtingen. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook LNG- en waterstoftankstations en windturbines. Hierop is het Besluit externe veiligheid inrichtingen niet van toepassing. Voor dergelijke objecten zijn wel rekenmethoden vastgelegd om de veiligheidscontouren te bepalen. Hierbij worden vergelijkbare grenswaarden (PR 10-6) gehanteerd. Voor de opslag van explosieven wordt geen risicobenadering maar een effectbenadering gehanteerd. Op grond van artikel 2.6.6 (veiligheidszones munitieopslag civiele inrichting) van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening worden drie veiligheidszones aangewezen. Voor zowel LPG- als LNG-tankstations heeft het Rijk aanvullend effectgericht beleid geformuleerd door middel van het vaststellen van circulaires.
In de circulaires wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten (bijvoorbeeld een verzorgingstehuis en een kindercrèche). Mensen op hoge leeftijd en kleine kinderen zijn beperkt zelfredzaam. Daarom moet voor dergelijke verblijfsobjecten een grotere afstand tot het vulpunt van een LNG- of LPG-installatie aangehouden worden tenzij aanvullende maatregelen aan de gebouwen worden getroffen. 5.6.3
Vervoer gevaarlijke stoffen
Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit
76
bestemmingsplan Escher Gardens (ontwerp)
bijlage I van de Regeling basisnet. In de gemeente Den Haag zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens met Leidschendam-Voorburg, en de A13 basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale).
Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd. Op 27 juni 2013 heeft de gemeenteraad een routeringsbesluit voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgesteld (raadsvoorstel, RIS258608 en besluitenlijst, RIS260481 onder E.2).
Dit routeringsbesluit is gewijzigd (RIS302166) en bij besluit van 16 mei 2019 door de gemeenteraad vastgesteld (besluitenlijst RIS302538 onder G.10). De wijziging is op 1 oktober 2019 in werking getreden. Vanaf die datum zijn de venstertijden voor het vervoer van routeplichtige stoffen (zoals LPG en propaan) op de Utrechtsebaan en de Benoordenhoutseweg komen te vervallen. Doorgaand vervoer van routeplichtige stoffen is niet meer mogelijk behoudens voor het bevoorraden van de LPG-tankstations aan de Prof. B.M. Teldersweg en de Rijksstraat 447 (Wassenaar) door middel van een ontheffing. 5.6.4
Buisleidingen
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording: 1. Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1%
77
bestemmingsplan Escher Gardens (ontwerp)
letaliteitszone van de buisleiding, of; 2. Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. 5.6.5
Gemeentelijk beleid
De Nota externe veiligheid Den Haag is op 27 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld (raadsvoorstel, RIS259485 en besluitenlijst, RIS260481, onder E.1). De belangrijkste uitgangspunten zijn hieronder vermeld: I.
De gemeente richt zich op het vasthouden en bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor de bestaande bedrijvigheid en het ontwikkelen van nieuwe bedrijvigheid; II. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op vier gebiedstypen: woongebieden, buitengebieden, gemengde gebieden, risicoarme bedrijventerreinen (inclusief buitengebieden) en bedrijventerreinen met risicovolle bedrijven/inrichtingen; III. Bij nieuwe ontwikkelingen in woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen van betekenis, zoals LPG-tankstations, toegelaten; IV. Op de bedrijventerreinen hanteert de gemeente een minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting (lichtere vorm van risicovolle bedrijven) onder voorwaarden mogelijk; V. Bij externe veiligheidsknelpunten, besteedt de gemeente eerst aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen worden in de nota 3 niveaus onderscheiden met elk hun eigen ambitieniveau: - Structuurvisieniveau
--> Veiligheidsgeïntegreerd ontwikkelen;
- Bestemmingsplanniveau --> Veiligheidsgeïntegreerd ordenen; - Bouwplanniveau
--> Veiligheidsgeïntegreerd ontwerpen.
Wanneer beoogde ruimtelijke ontwikkelingen een overschrijding van het groepsrisico tot gevolg kunnen hebben, wordt het gemeentebestuur in een vroeg stadium actief bij het proces betrokken. Er is een expliciet collegebesluit ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico waarbij de kosteneffectiviteit van maatregelen in beschouwing wordt genomen. 5.6.6
Onderzoek
Het plangebied ligt buiten de veiligheidscontour van risicobronnen. Het plangebied ligt op meer dan 200m van transportroutes gevaarlijke stoffen en buiten het invloedsgebied van buisleidingen en risicovolle inrichtingen. Het groepsrisico behoeft niet te worden verantwoord. Het plangebied ligt net binnen het invloedsgebied van de ontheffingsroute gevaarlijke stoffen naar het LPG-tankstation aan de Neherkade 2980. De omgevingsvergunning (milieu) voor dit LPG-tankstation vervalt per 31 december 2022. Vanaf die datum vinden ook geen transporten LPG over de Neherkade meer plaats. Gelet op de omvang van het bouwprogramma zullen de woningen, kantoren, maatschappelijke en commerciële functies ver na deze datum worden opgeleverd en in gebruik worden genomen. Er behoeft geen rekening gehouden te worden met bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in geval van een calamiteit op de weg. In het kader van het project- MER is de externe veiligheid onderzocht.Vanwege de toename van inwoners door de toevoeging van Escher Gardens, nemen de personendichtheden toe. Voor bewoners geldt dat ze langdurig in het gebied verblijven. Door de hoge personendichtheden kunnen de risico's van de bestaande risicobronnen groter zijn dan in de referentiesituatie het geval is. Vanwege de grote personendichtheden vormt vooral de verandering van het groepsrisico een aandachtspunt.
Het projectgebied valt echter niet onder het invloedsgebied van buisleiding met gevaarlijk transport. Hierdoor vormt het groepsrisico geen belemmering voor de geplande ontwikkeling. Het plaatsgebonden risico is ook niet relevant, omdat de kwetsbare objecten zich buiten de risicocontour van de buisleiding bevinden. Dit leidt tot een neutrale beoordeling.
78
bestemmingsplan Escher Gardens (ontwerp)
5.6.7
Advies Veiligheidsregio Haaglanden
5.6.7.1 Inleiding De gemeente heeft in het kader van het wettelijk verplicht vooroverleg (ex art. 3.1.1 Bro) de Veiligheidsregio Haaglanden (hierna: VRH) om advies gevraagd. In haar reactie geeft de VRH geeft aan dat door de aanwezigheid van risicobronnen op het gebied van externe veiligheid en de toename van het aantal personen in het plangebied, de risico's op het gebied van externe veiligheid zullen toenemen door de ontwikkeling van dit bestemmingsplan. 5.6.7.2 Aanbevelingen De HVR adviseert de volgende maatregelen: 1. Effect reducerende maatregelen A. Afschakelbare ventilatie Indien in objecten een ventilatievoorziening aanwezig is of wordt gerealiseerd heeft afschakelbare ventilatie een positieve invloed op het beperken van de schadelijke effecten van de vrijgekomen stoffen binnen objecten ongeacht het incident (van een ‘gewone’ brand tot een incident met een risicobron in het kader van externe veiligheid). Daarom is het van belang dat in het object met ventilatievoorziening, deze ventilatie met een eenvoudige handeling kan worden uitgeschakeld. Hiermee kunnen de gevolgen bij het vrijkomen van giftige stoffen in het object worden beperkt. Dit mag ook een handmatige handeling zijn. Dit geldt bij verbouw en (vervangende) nieuwbouw van alle objecten, bestemd voor het verblijf van personen.
Het is daarbij van belang dat ook eventuele ramen en ventilatieopeningen kunnen worden gesloten. B. Voorbereiding interne organisatie In objecten waarin personeelsleden, bezoekers, verminderd tot niet zelfredzame personen en/of grote groepen mensen kunnen verblijvenis het van belang dat het personeel en/of de BHV-organisatie/de begeleiding binnen deze objecten is voorbereid op eventuele calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Het gaat hierbij om calamiteiten met het transport van gevaarlijke stoffen die effect binnen deze objecten kunnen hebben. Hierbij is het van belang dat zij weten hoe daarbij te handelen. Bijvoorbeeld om de aanwezigen binnen deze objecten te assisteren om zichzelf in veiligheid te brengen. Dit kan geborgd worden in een plan ten behoeve van noodsituaties. Hierbij is het ook belangrijk dat dit structureel wordt geoefend. C.
Risicocommunicatie Om ervoor te zorgen dat mensen goed voorbereid zijn en weten hoe ze moeten reageren bij een ongeval met één of meerdere risicobronnen, is het van belang dat zij hier vooraf over worden geïnformeerd.Om de bewoners, het personeel en/of de vaste bezoekers binnen het invloedsgebied van de risicobronnen te informeren over de risicobronnen, risico’s en gevaren, de wijze van alarmeren en de wenselijke manier van reageren tijdens incidenten, kan de gemeente voor dit plangebied mogelijk gebruik maken van de hulpmiddelen die zijn ontwikkeld of beschikbaar zijn. In de regio Haaglanden is bijvoorbeeld de website www.haaglandenveilig.nl beschikbaar. Via deze website worden burgers geïnformeerd over de aanwezige risico’s in de regio en is informatie te vinden over wat zij zelf kunnen doen om deze risico’s te beperken. Voor aanvullende informatie kan contact worden opgenomen met de afdeling communicatie van de Veiligheidsregio Haaglanden. 2. Maatregelen ten behoeve van de hulpverlening Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van ‘dagelijkse incidenten’, zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende zijn.
Om dit te realiseren wordt geadviseerd om bij de uitwerking van het plangebied vroegtijdigcontact op te nemen met de risicobeheerder in de wijk, de heer F.C.M. Hendriks (fred.hendriks@vrh.nl of 06 -25 07 04 41).Op deze manier kan geborgd worden dat de bereikbaarheid van het plangebied voor de hulpdiensten goed is en er tevens voldoende bluswater aanwezig is. De genoemde maatregelen worden geadviseerd in het kader van externe veiligheid (art. 9 van het Besluit externe veiligheid transportroutes) en art. 10 en 25 lid 1 onder e van de Wet veiligheidsregio's. Deze maatregelen kunnen ook een positief effect hebben op de zelfredzaamheid, de bestrijdbaarheid en beheersbaarheid. Ook is het belangrijk dat in de verdere uitwerking van het plangebied, zoals de
79
bestemmingsplan Escher Gardens (ontwerp)
realisatie van nieuwe ontwikkelingen, specifiek wordt gekeken naar het transport van gevaarlijke stoffen. Doordat het invloedsgebied groter is dan het plangebied, is de beschikbare hulpverleningscapaciteit waarschijnlijk onvoldoende om direct aan de benodigde hulpvraag te voldoen. Assistentie vanuit andere regio's is hierbij noodzakelijk. 5.6.7.3 Conclusie In het kader van het Bro-overleg heeft de VRH geconcludeerd dat door de realisatie van Escher Gardens de risico's op het gebied van externe veiligheid zullen toenemen. Dit is met name te wijten aan de aanwezigheid van risicobronnen op het gebied van externe veiligheid en de toename van het aantal personen in het plangebied. Derhalve heeft het VRH maatregelen ten behoeve van de hulpverlening en reductie van effecten aanbevolen. De geadviseerde maatregelen kunnen echter niet worden geborgd in het kader van dit bestemmingsplan. Deze maatregelen kunnen mogelijk binnen andere ruimtelijke plannen of door andere disciplines van de gemeente worden geborgd. Voorbeelden hiervan zijn een omgevingsvergunning en/of een afdeling communicatie.
5.7
Luchtkwaliteit
5.7.1
Inleiding
Op 15 november 2007 is de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). De luchtkwaliteit in een bepaald gebied wordt bepaald door de achtergrondconcentratie van fijn stof (PM10, deeltjes <10 µm) en stikstofdioxide (NO2) plus de bijdragen van lokale bronnen die bij de achtergrondconcentratie opgeteld worden. Bij de besluitvorming over bouw- en bestemmingsplannen dient te worden onderzocht of een project 'in betekenende' mate van invloed is op de luchtkwaliteit: in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is aangeven dat een bestuursorgaan bevoegdheden kan uitoefenen of wettelijke voorschriften kan toepassen indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de uitoefening of toepassing niet 'in betekenende mate' bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht. De definitie van 'in betekenende mate' is vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur. Projecten die de concentratie NO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In concentraties uitgedrukt betekent dit een verslechtering van 1,2 µg/m3 voor beide stoffen. De 3%-grens geldt sinds 1 augustus 2009, de datum waarop het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht werd.
De 3%-grens is voor een aantal categorieën van projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen. Zo gaat het bij woningbouw om de toevoeging van 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg, of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. 5.7.2
Beoordeling
In deze paragraaf worden de effecten op de luchtkwaliteit samengevat. Het volledige onderzoek is als Bijlage 1 Milieu effect rapportage Escher Gardens bij de toelichting opgenomen. Uit het project- Mer volgt dat de NO2-concentratietoename van extra verkeer minder dan 1,2 ìg/m3 bedraagt, namelijk 0,65 ìg/m3. De PM10-concentratie van extra verkeer bedraagt 0,21 ìg/m3 (zie onderstaande afbeelding). Er is alleen getoetst aan NO2- en PM10-concentraties. De concentraties van PM10 en PM2,5 hangen sterk met elkaar samen en in de praktijk blijkt dat als er wordt voldaan aan de grenswaarde voor PM10, dit ook het geval is voor PM2,5. Het bovenstaande is gebaseerd op een worst-case scenario waarvoor als jaar van planrealisatie van Escher Gardens het verst in de toekomst gelegen jaar (2030) is gekozen. Zie onderstaand tabel:
80
bestemmingsplan Escher Gardens (ontwerp)
Tabel 5.7.2 Resultaat plansituatie. Bron: Witteveen & Bos. Uit het project-Mer volgt dat de plansituatie niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis hiervan zijn de aspecten verandering van concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) als neutraal (0) beoordeeld.
5.8
Bodem
5.8.1
Algemeen
Op 1 januari 2006 is de wijziging van de Wet bodembescherming (Wbb) in werking getreden. Vertrekpunt van de nieuwe Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is voortaan functiegericht. Vroeger moesten alle functies van de bodem worden hersteld maar dit bleek in de praktijk lastig haalbaar. Hoge kosten en langdurige saneringen zorgden van stagnatie. De gewijzigde wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: f. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; g. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; h. het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. De uitvoering van deze verplichte saneringen wordt een stuk flexibeler. Het is niet meer altijd nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. Wanneer economische of maatschappelijke omstandigheden rond de vervuilde locatie uitstel vragen, kunnen tijdelijke maatregelen worden genomen, op voorwaarde dat risico's voldoende worden beheerst.
81
bestemmingsplan Escher Gardens (ontwerp)
5.8.2
Onderzoek
Het plangebied is gelegen in stadsdeel Laak, ten zuiden van station Hollands Spoor. Op de locatie bevindt zich een openbare parkeerplaats (kiss and ride), station ingang met horeca gelegenheden en een fietsenstalling. De locatie wordt begrensd door het treinspoor, de Waldorpstraat en bedrijven. Het plangebied is niet gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Den Haag blijkt dat het plangebied is gelegen in zone B3 Vroeg bebouwd gebied centrum. De algemene bodemkwaliteit van de boven-en ondergrond is voor beide geclassificeerd als klasse Wonen. Binnen het plangebied zijn geen bodembedreigende activiteiten bekend. Nabij het plangebied is ter plaatse van de Waldorpstraat 28-52 sprake van een restverontreiniging met VOCl (locatiecode AA051801347) en PAK (locatiecode AA051803249) in het grondwater. Hierdoor gelden er (mogelijk) beperkingen met betrekking tot het onttrekken van grondwater bij de voorgenomen plannen. Binnen het plangebied zijn een aantal bodemonderzoeken bekend, waarbij niet het gehele plangebied analytisch is onderzocht. Voor het plangebied waar de herinrichting plaatsvindt, is op basis van bovenstaande onvoldoende (actueel) bodemonderzoek bekend.
Derhalve zal ten behoeve van de aanvraag van een omgevingsvergunning op een deel nog (actualiserend) verkennend, dan wel aanvullend bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd en eventueel gesaneerd moeten worden. Uit het project- MER blijken de volgende effecten: Bodemkwaliteit Ten behoeve van de realisatie van Escher Gardens worden grondroerende werkzaamheden voorzien. Uit het in 2020 uitgevoerde verkennend milieukundig (asbest)bodemonderzoek blijkt dat de grond in het plangebied maximaal licht verontreinigd is met PAK (10 VROM), enkele zware metalen en bestrijdingsmiddelen. Daarbij wordt opgemerkt dat de ondergrond in het plangebied altijd toepasbaar is. Er zijn geen verontreinigingen in het grondwater aangetroffen. Daarnaast is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen en worden geen asbestconcentraties in de grond overschreden. Er zijn dus geen sanerings- en/of beheermaatregelen om de bodemkwaliteit te verbeteren benodigd en deze worden ook niet verwacht. Derhalve is het criterium bodemkwaliteit als neutraal beoordeeld (0). Bodemgesteldheid Ten behoeve van de ontwikkelingen van Escher Gardens worden grondroerende werkzaamheden voorzien. De ondergrond bestaat overwegend uit zand. Er zijn enkele kleilenzen in de grond aanwezig en op een diepte van ongeveer 7,5 m-mv bevindt zich een iets fijnere siltlaag.
Een dergelijke lithologie is gunstig voor de geplande werkzaamheden, omdat zand het minst gevoelig is voor zettingen. Derhalve is het aspect bodemgesteldheid als neutraal (0) beoordeeld.
5.9
Natuurbescherming
5.9.1
Algemeen
De Wet natuurbescherming is gericht op: het beschermen en ontwikkelen van natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit: het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming kent verbodsbepalingen en een zorgplicht. Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht.
82
bestemmingsplan Escher Gardens (ontwerp)
Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men bepaalde handelingen wil verrichten die gevolgen voor natuurwaarden kunnen hebben, met zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijk gevolgen daarvoor door het voorgenomen handelen. De zorgplicht is ten allen tijden van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld. De Wet natuurbescherming kent verbodsbepalingen gericht op de bescherming van soorten, gebieden en gericht op de bescherming van houtopstanden. 5.9.1.1 Soortenbescherming Er wordt bij de bescherming van soorten onderscheid gemaakt via soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden Het gaat om de volgende drie soorten: soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), zie tabel 5.9.1; soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5), zie tabel 5.9.2; andere soorten (artikel 3.10), zie tabel 5.9.3. Tabel 5.9.1 Soorten in artikel 3.1 van de Vogelrichtlijn.
Tabel 5.9.2 Soorten in art. 3.5 van de Habitatirichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn.
83
bestemmingsplan Escher Gardens (ontwerp)
Tabel 5.9.3 Andere soorten in art. 3.10 van van de Habitatirichtlijn.
84
bestemmingsplan Escher Gardens (ontwerp)
Uit het project- MER volgt dat er geen beschermde planten en diersoorten binnen plangebied aanwezig zijn. Het bovenstaande wordt derhalve niet in consideratie genomen als effect op de planontwikkeling zoals beschreven in paragraaf 5.10.2. 5.9.1.2 Gebiedsbescherming De Wet natuurbeheer benoemd verschillende soorten natuurgebieden die bescherming behoeven: de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en overige gebieden. Natura 2000-gebieden Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Activiteiten en ontwikkelingen die een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen hebben, zijn verboden. In een toetsing wordt bepaald of er negatieve effecten kunnen optreden. Een eerste toetsing (voortoets) geeft aan of er negatieve effecten kunnen optreden en zo ja of deze van dien aard kunnen zijn dat de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen komen. Indien dat het geval is, wordt een tweede toetsing verricht welke dieper ingaat op de mate van effect (passende beoordeling).
85
bestemmingsplan Escher Gardens (ontwerp)
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Gedeputeerde Staten stellen de NNN vast in een provinciale verordening. Natura 2000-gebieden maken veelal deel uit van de NNN. In provinciale verordeningen is vastgelegd wat de 'wezenlijke kenmerken en waarden' of 'kernkwaliteiten' zijn van de NNN-gebieden. De verordeningen geven ook aan of en onder welke voorwaarden plannen of projecten mogelijk zijn binnen of nabij de NNN-gebieden. Voor de Natura 2000-gebieden gelden de voorwaarden zoals eerder beschreven. Overige gebieden Gedeputeerde staten kunnen gebieden gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland aanwijzen die van provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarden of landschappelijke waarden, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken. Deze gebieden zijn in de Wet natuurbescherming aangeduid als 'bijzondere provinciale natuurgebieden', of 'bijzondere provinciale landschappen'. In provinciale verordeningen is vastgelegd wat de 'wezenlijke kenmerken en waarden' of 'kernkwaliteiten' zijn van de overige gebieden. De verordeningen geven ook aan of en onder welke voorwaarden plannen of projecten mogelijk zijn binnen of nabij de overige gebieden.
5.9.1.3 Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden.
86
bestemmingsplan Escher Gardens (ontwerp)
5.9.1.4 Bevoegd gezag De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) en voor Natura 2000-gebieden (de gebiedsbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincie. 5.9.2
Betekenis natuurbescherming voor dit plangebied
5.9.2.1 Stikstofdepositie Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van (significant) negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie is het van belang de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te bepalen. Het gaat daarbij om de stikstofdepositie van de totale, beoogde activiteit. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in de realisatie- en gebruiksfase. 5.9.2.2 Resultaten Ten behoeve van de ontwikkeling Escher Gardens is door Antea Group een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn vastgesteld met behulp van het verplicht gestelde rekenprogramma AERIUS-calculator (2021), waarbij als rekenjaar voor alle modellen 2022 is aangehouden, om zo een worstcase scenario te modelleren. In deze paragraaf wordt een samenvatting van het onderzoek gegeven. Het volledige onderzoek is als Bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen. In het onderzoek is rekening gehouden met de realisatie van maximaal 1.250 woningen. De dichtstbijzijnde Natura 2000- gebieden zijn 'Meijendal & Berkheide' en 'Westduinpark & Wapendal', beide op ongeveer 4,3 kilometer afstand. Uit de AERIUS- berekeningen blijkt dat er voor de gevraagde activiteit voor zowel de gebruiksfase als de realisatiefase van Escher Gardens in de vigerende periode én in de referentiesituatie in 2040, niet tot meer stikstofdepositie zal leiden dan 0,00 mol/ha/jaar op omliggende Natura-2000 gebieden.
5.9.2.3 Conclusie Uit de opgestelde AERIUS- modellen blijkt dat het voornemen tot de realisatie van Escher Gardens niet leidt tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van enig Natura 2000-gebied tijdens zowel de gebruiksfase als de referentiefase. Significante gevolgen voor de habitattypen in Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie zijn daarmee uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie is daarmee geen belemmering voor de bestemmingsplanprocedure.
5.10
Geluid
5.10.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen met betrekking tot de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten. Als geluidsgevoelige gebouwen zijn aangewezen: woningen De in artikel 1 van de Wet bedoelde 'andere geluidgevoelige gebouwen' worden aangewezen in het Besluit geluidhinder, artikel 1.2 lid 1: a. b. c. d. e. f.
een onderwijsgebouw; een ziekenhuis; een verpleeghuis; een verzorgingstehuis; een psychiatrische inrichting; een kinderdagverblijf.
87
bestemmingsplan Escher Gardens (ontwerp)
In lid 3 worden als geluidgevoelig terrein aangewezen: a. een standplaats als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Wet op de huurtoeslag, en b. een ligplaats in het water, bestemd om door een woonschip te worden ingenomen. De Wgh onderscheidt drie verschillende geluidsbronnen: industrie, spoorwegverkeer en wegverkeer. Wegverkeers- en spoorweglawaai Op grond van de Wet geluidhinder hebben wegen en spoorwegen een geluidszone, waarbinnen bepaalde normen gelden voor de geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, en waarbinnen bij het opstellen van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Die verplichting geldt niet indien op het tijdstip van de vaststelling van een bestemmingsplan de (spoor)weg reeds aanwezig of in aanleg is, met betrekking tot de daarbij in het plan of in de zone van de betreffende weg opgenomen geluidsgevoelige gebouwen die op dat tijdstip reeds aanwezig of in aanbouw zijn. Daarnaast maakt de wet een uitzondering voor wegen waar de maximaal toegelaten snelheid 30 km/uur is. De Wet geluidhinder kent voorkeursgrenswaarden: 48 dB voor wegverkeerslawaai (stedelijke wegen) 48 dB voor wegverkeerslawaai (buitenstedelijk wegverkeer) 55 dB voor spoorwegverkeerslawaai (inclusief randstadrail) Voor nieuwe situaties kunnen hogere waarden worden vastgesteld.
Deze bedraagt voor wegverkeerslawaai door stedelijke wegen maximaal 63 dB, door wegverkeerslawaai door buitenstedelijk wegverkeer maximaal 53 dB en door spoorweglawaai maximaal 68 dB. Dit bestemmingsplan maakt nieuwbouw van geluidgevoelige gebouwen (geluidgevoelige functies) mogelijk voor woningen en een schoolgebouw. Het plangebied van het bestemmingsplan ligt binnen de geluidszones van wegverkeer en spoorwegen. Het plangebied ligt niet binnen een geluidzone van een industrieterrein zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. 5.10.2 Onderzoeksresultaten Wegverkeerslawaai In het geluidsrapport Akkoestisch onderzoek hogere waardenbesluit Wet geluidhinder bestemmingsplan Escher Gardens, raadpleegbaar in bijlage 9 bij de toelichting, zijn de volgende wegen (inclusief tram) onderzocht: 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Waldorpstraat (inclusief bussen) Leeghwaterplein (inclusief tram) Parallelweg (inclusief tram) Naaldwijksestraat Stamkarststraat Rijswijkseweg (inclusief tram)
Uit de rekenresultaten blijkt dat het verkeerslawaai van de Waldorpstraat ten hoogste 51 dB bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee overschreden, de maximale grenswaarde van 63 dB niet. De geluidbelastingen van de overige wegen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde. De gemeente is bevoegd om de overschrijdingen toe te staan met een hogere grenswaardenbesluit. De gemeente Den Haag is hiertoe bereidt als voldaan wordt aan de voorwaarden van het Haagse hogere grenswaardenbeleid. Uit het geluidsrapport blijkt dat aan de voorwaarde van het gecumuleerde geluidniveau (max 69,5 dB(A)) voldaan zal worden en dat het mogelijk is om te voldoen aan de voorwaarden m.b.t de geluidluwe gevel. De overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarden zijn gering, geluidmaatregelen zijn daardoor niet kosteneffectief. Aangezien de positioneringen van de woongevels en buitenruimtes niet vaststaan is de eis met betrekking tot de geluidluwe gevel opgenomen als planregel in het bestemmingsplan zodat zeker gesteld wordt dat de nieuwbouw hieraan zal voldoen. Het hogere grenswaardenbesluit voor het wegverkeerslawaai van de Waldorpstraat is vastgesteld en wordt als bijlage X opgenomen bij de vaststelling van het bestemmingsplan.
88
bestemmingsplan Escher Gardens (ontwerp)
5.10.3 Onderzoeksresultaten Railverkeerslawaai In het geluidsrapport,aAkkoestisch onderzoek hogere waardenbesluit Wet geluidhinder bestemmingsplan Escher Gardens, raadpleegbaar in bijlage 9 bij de toelichting, is het spoorweglawaai onderzocht. Uit de rekenresultaten blijkt dat het spoorweglawaai ten hoogste 63 dB bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt daarmee overschreden, de maximale grenswaarde van 68 dB niet. De gemeente is bevoegd om de overschrijdingen toe te staan met een hogere grenswaardenbesluit. De gemeente Den Haag is hiertoe bereid als voldaan wordt aan de voorwaarden van het Haagse hogere grenswaarden beleid. Uit het geluidsrapport blijkt dat aan de voorwaarde van het gecumuleerde geluidniveau (max 69,5 dB(A)) voldaan zal worden en dat het mogelijk is om te voldoen aan de voorwaarden m.b.t de geluidluwe gevel. Ook blijkt dat het toepassen van raildempers en geluidschermen onvoldoende effectief is. Voor een goede werking van de raildempers is de rijsnelheid te laag en de woningbouw is te hoog om voldoende af te kunnen schermen. Aangezien de positioneringen van de woongevels en buitenruimtes niet vaststaan is de eis met betrekking tot de geluidluwe gevel opgenomen als planregel in het bestemmingsplan, zodat zeker gesteld wordt dat de nieuwbouw hieraan zal voldoen.
Het hogere grenswaarden besluit voor het spoorweglawaai is vastgesteld en wordt als bijlage X opgenomen bij de vaststelling van het bestemmingsplan. 5.10.4 Bedrijven en milieuzonering 5.10.4.1 Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes, waarbij specifiek naar de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar gekeken wordt. Om te beoordelen of woningen en bedrijven op een verantwoorde wijze gesitueerd worden is de handreiking Bedrijven en Milieuzonering opgesteld. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen, die gelden vanaf de grens van een inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen. De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Wanneer er sprake is van een omgevingstype gemengd gebied, kan een richtafstand met een stap worden verlaagd, zie ook tabel 5.5.1.
Tabel 5.5.1: Richtafstanden bedrijven en milieuzonering (bron: VNG). Bij het hanteren van de richtafstanden uit voorgaande tabel wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding. Binnen gebieden met functiemenging, waar milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd, zijn de richtafstanden uit de tabel niet toepasbaar. Er wordt in gebieden met functiemenging gewerkt met drie ruimtelijk relevante milieucategorieën: 1. Categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen; 2. Categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen; 3. Categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg.
89
bestemmingsplan Escher Gardens (ontwerp)
5.10.4.2 Onderzoeksresultaten Bedrijven en milieuzonering Rondom het plangebied met de nieuwe woonbestemmingen liggen kantoren, scholen, het station Hollands Spoor en het emplacement Hollands Spoor. De bedrijven mogen niet belemmerd worden in hun bedrijfsvoering vanwege de milieueisen die op de woningen zullen gelden en anderzijds mogen de toekomstige bewoners niet gehinderd worden door de bedrijven. In het onderzoeksrapport “BMZonderzoek kantoren, scholen en omroepinstallatie station”, raadpleegbaar in bijlage X, zijn de omliggende bedrijven onderzocht, uitgezonderd het emplacement Hollands Spoor (dit is apart onderzocht). Voor het onderzoek is een rekenmodel gebruikt waarbij de bronsterktes en bedrijfsduren van de bronnen zijn ingeschat. De bronposities van de installaties van de omliggende gebouwen zijn in onderstaande figuur weergegeven. Bronpositiesgebouwinstallaties(rood)
Het onderzoek geeft een indicatie van de te verwachten geluidniveaus. Uit de rekenresultaten blijkt dat de grenswaarden van het Activiteitenbesluit worden overschreden ter plaatse van Escher Gardens, en daarmee worden ook de richtwaarden van de VNG handreiking “bedrijven en milieuzonering” overschreden. Uit vervolgonderzoek (metingen en in overleg met de bedrijven) zal moeten blijken of en in welke mate maatregelen getroffen moeten worden zodat voldaan gaat worden aan de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit en de VNG Handreiking bedrijven en milieuzonering. Voor het vaststellen van het bestemmingsplan moet zeker gesteld zijn op welke wijze voldaan gaat worden aan de geluidseisen. 5.10.5 Emplacement Hollands Spoor Het emplacement ligt direct naast het project Escher Gardens. In het geluidsrapport spoorwegemplacement parallelweg, is het geluid van het emplacement op Escher Gardens onderzocht. Het onderzoek is nog niet definitief afgerond, het rekenmodel en de rapportage (nieuwe rekenresultaten) dienen verbeterd te worden. Desondanks is duidelijk dat de geluidniveaus van het emplacement hoog zijn en niet zondermeer vergund kunnen worden. Vooral het verwarmen van de treinen in de winter veroorzaakt hoge geluidniveaus.
Op basis van het huidige rekenmodel blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten plaatse van Escher Gardens tot een hoogte van 25 meter niet vergunbaar is (>57 dB(A) etmaalwaarde). Deze gevels dienen derhalve doof uitgevoerd te worden. Met de toename van de bouwhoogte nemen de geluidniveaus af. De thans berekende beoordelingsniveaus op de hoogtes boven 25 meter zijn, onder voorwaarde, vergunbaar. Hierbij zijn aan de woongevels gebouw gebonden maatregelen vereist. De gebouw gebonden maatregelen worden in de paragraaf aanvaardbaar woon- en leefklimaat beschouwd. De milieuvergunning van het emplacement Hollands Spoor bevat geen beoordelingspunten ter plaatse van Escher Gardens. Normaliter zou de milieuvergunning aangevuld worden met beoordelingspunten voordat er nieuwe geluidgevoelige functies worden bestemd. Het ambtshalve aanpassen van de
90
bestemmingsplan Escher Gardens (ontwerp)
milieugunning kost circa 26 weken tijd. Vooralsnog is de milieuvergunning niet aangepast omdat de Omgevingswet voorschrijft dat de geluidruimte van het emplacement Hollands Spoor (grotendeels) naar het geluidproductieplafond van het doorgaande spoor overgeheveld moet worden. Wanneer de overheveling plaatsvindt en op welke wijze dat precies gebeurt is onbekend. Naar ons oordeel zijn, gezien de gebouw gebonden maatregelen die in de planregels zijn geborgd, de optredende niveaus van het emplacement aanvaardbaar en eventueel vergunbaar. 5.10.6 Conclusie en maatregelen Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Escher Gardens ligt op een hoog geluid belaste locatie. De belangrijkste geluidbronnen aan de spoorzijde zijn: spoorweglawaai, het emplacement Hollands Spoor, installatielawaai en het omroepgeluid van het station. Aan de zijde Waldorpstraat: wegverkeerslawaai (= beperkt) en installatielawaai. Het installatielawaai (luchtbehandeling van gebouwen) zal door geluidsmaatregelen teruggebracht worden tot aanvaardbare niveaus waarbij voldaan wordt aan de generieke geluidnormen van het Activiteitenbesluit. Uit het vervolgonderzoek moet blijken of er daadwerkelijk maatregelen nodig zijn en zo ja welke dat zijn. Geluidmaatregelen aan de bronnen van het emplacement en het doorgaande spoor zijn redelijkerwijs niet mogelijk.
Of er maatregelen aan het omroepgeluid van het station mogelijk zijn moet nog blijken uit vervolgonderzoek. Gezien de verhoogde niveaus en cumulatie van de bronsoorten zijn er gebouw gebonden maatregelen vereist om het woon- en leefklimaat te beschermen. De maatregelen zijn geborgd in de planregels van het bestemmingsplan. De gebouw gebonden maatregelen zijn: 1. Extra gevelwering, met name aan de spoorzijde. Er dient 2 dB extra gevelwering t.a.v. spoorweglawaai (met geluidproductieplafond 2023 en op basis van spectrum 2) van het doorgaand spoor conform de eisen uit het Bouwbesluit gerealiseerd te worden. Deze eis komt het binnenniveau t.a.v. cumulatie met het emplacementgeluid en het omroepgeluid ten goede. 2. Dove gevels (niet te openen delen) in de geluidgevoelige functies tot 25 meter hoogte. Hierdoor komt het geluid niet door geopende delen de woningen binnen. 3. Maatregelen die ervoor zorgen dat het spoorweglawaai op te openen delen van de buitengevel van geluidgevoelige functies niet meer bedraagt dan 58 dB. Hierdoor kunnen ramen en deuren opengezet worden zonder dat er teveel geluid binnenkomt. Deze eis komt het binnenniveau t.a.v. het spoorweglawaai, het emplacement en het omroepgeluid ten goede. Daarnaast wordt hierdoor ook het geluid op een balkon ter plaatse van de te openen toegangsdeur beperkt.
De vereiste extra gevelwering betreft een additionele eis op de zelfstandige eisen van het Bouwbesluit. De opslag van 2 dB is onder andere gebaseerd op cumulatie berekeningen van het spoorweglawaai en het emplacement Hollands Spoor. Ter plaatse van Escher Gardens rijden de treinen langzaam en er is cumulatie van het spoorweglawaai met het emplacementgeluid (industriegeluid), hierdoor dient de gevelwering van de geluidgevoelige functies gedimensioneerd te worden op spectrum 2 zoals aangegeven in de NEN 5077. Met de bovenstaande gebouwgebonden maatregelen en rekening houdend met het uitgangspunt dat de luchtbehandelingsinstallaties alsmede het omroepgeluid voldoen aan de generieke normen van het Activiteitenbesluit, is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zoals vereist bij een goede ruimtelijke ordening.
5.11
Geur
5.11.1 Wettelijk kader Het Activiteitenbesluit milieubeheer stelt dat geurhinder zoveel mogelijk tot een aanvaardbaar niveau moet worden beperkt. In gevallen dat een activiteit geuremissie veroorzaakt is het van belang dat geur niet leidt tot onaanvaardbare hinder.
91
bestemmingsplan Escher Gardens (ontwerp)
Bij het bepalen wanneer er sprake is van een aanvaardbaar niveau van geurhinder dient rekening gehouden te worden met verschillende aspecten, waaronder: het lokale geurbeleid, de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten, de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij een inrichting, de historie van de betreffende inrichting, het klachtenpatroon, de bestaande en verwachte geurhinder, de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting. De provincie Zuid-Holland heeft op basis van bovenstaande aspecten geurbeleid opgesteld. Dit beleid geeft voor wat betreft het toetsen van de geurbelasting concrete invulling aan de beoordeling of aan een aanvaardbaar geurhinderniveau kan worden voldaan. 5.11.1.1 Geurhinderbeleid provincie Zuid-Holland Actualisatie 2019 Het geurhinderbeleid van de provincie Zuid-Holland Actualisatie 2019 is gestoeld op het zoveel als mogelijk voorkomen van geurhinder. In de basis wordt getoetst aan de hindergrens (streefwaarde). Het is mogelijk om af te wijken tot aan de ernstige hindergrens, waarbij het aannemelijk is dat er geurhinder plaatsvindt maar dat dit nog als aanvaardbaar wordt geacht. In dat geval is er sprake van een matig leefklimaat. Het geurbeleid houdt de waarden aan zoals opgenomen in de volgende tabel:
Tabel 5.11.1: geurbeleid provincie Zuid-Holland, waardentabel (bron: Anteagroup) Aanvullend op de tabel heeft de provincie een niet-limitatieve lijst met verschillende types van geurgevoelige objecten. meest gevoelig (type 1): woningen binnen de bebouwde komt en andere lange termijn verblijfslocaties; minder gevoelig (type 2): bedrijfswoningen, woningen in het landelijk gebied en ander minder lange termijn verblijfslocaties; licht gevoelig (type 3): bedrijfsterreinen en industriegebied. Voor type 2 objecten is een driemaal zo hoge geurbelasting toelaatbaar ten opzichte van type 1. Bij type 3 objecten mag de ernstige hindergrens niet worden overschreden. 5.11.2 Onderzoek Het aspect geur is niet opgenomen in het project- MER vanwege het ontbreken van relevante (grote) bronnen van geurhinder. Ook worden bij de ontwikkeling van het CID geen inrichtingen toegevoegd die relevante geurhinder kunnen veroorzaken.
5.12
Stadsklimaat
Onderdeel van de toetsing voor stedenbouwkundige plannen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen worden de door de gemeenteraad vastgestelde normen voor windhinder en bezonning gehanteerd (RIS 170509).
92