RIS321960 Bijlage Landschap van de Vlietzoom Historisch onderzoek & Ideeënboek
Tekst van het document
STICHTING IN ARCADIË
Het landschap van de Vlietzoom ‘Van polderland tot stadsrand’ Historisch onderzoek & ideeënboek 30 januari 2025
Het landschap van de Vlietzoom ‘Van polderland tot stadsrand’ Historisch onderzoek & ideeënboek 30 januari 2025 Opdrachtgever: gemeente Den Haag Mede mogelijk gemaakt door: provincie Zuid-Holland
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
STICHTING IN ARCADIË
30 JANUARI 2025
INHOUD
Deel 1: Historisch onderzoek
Deel 2: Ideeënboek
1.
Introductie
7
Introductie
99
2.
Historische ontwikkeling
13
Uitgangspunten
101
2.1 Vroegste geschiedenis 2.2 Romeinse tijd 2.3 Middeleeuwen 2.4 16e eeuw 2.5 17e en 18e eeuw 2.6 Eerste helft 19e eeuw 2.7 Tweede helft 19e eeuw 2.8 Eerste helft 20e eeuw 2.9 Tweede helft 20e eeuw 2.10 21e eeuw 2.11 Literatuur en noten
15 17 19 25 29 35 43 49 59 65 69
3. Actuele situatie, analyse en conclusie
73
3.1 Actuele situatie: inventarisatie 3.2 Analyse 3.3 Conclusie historisch onderzoek
75 89 95
I.
Inrichting van het landschap
103
Landschapsthema 1. De Vliet idee 1: Meer ruimte voor bomen en andere beplantingen langs de Vliet idee 2: Verbijzonderen van de bruglocaties idee 3: Meer ruimte voor ‘langzaam verkeer’ langs de Vliet idee 4: Aanleg van een ‘Polderpromenade’ idee 5: Versterken beleefbaarheid boezem, watergangen, molengangen, poldersloten idee 6: Meer aanlegplaatsen langs de Vliet
105
Landschapsthema 2: Polderlandschap idee 7: Ontwikkel een ‘Polder-idioom’ en een ‘Landschapsreservaat Vlietzoompolder’ idee 8: Versterk het landschapsvenster vanaf de A4 op het Vlietzoomgebied
113
Landschapsthema 3: Buitenplaatsen langs de Vliet 119 idee 9: Restauratie en versterking van de tuinen en parken op de buitenplaatsen idee 10: Ontwikkel een samenwerkingsverband en een cultureel programma idee 11: Vergroot de zichtbaarheid van de buitenplaatsen vanaf de Vliet en de Westvlietweg
II.
Toegankelijkheid van het landschap
125
idee 12: Kansen voor uitbreiding bestaande en nieuwe routestructuren idee 13: Historische en educatieve themaroutes idee 14: Struinen door het poldergebied
III.
Belevingsplekken landschap en historie
131
idee 15: Verbeelden van iconische archeologische vondsten in het landschap idee 16: Belevingsplekken gekoppeld aan historische en educatieve themaroutes idee 17: Inrichten van een centraal gebouw als ‘Belevingsruimte’ en voor publieksonthaal
5
STICHTING IN ARCADIË
6
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
30 JANUARI 2025
STICHTING IN ARCADIË
30 JANUARI 2025
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
Actuele luchtfoto van de Vlietzoom met de toponiemen Bron: Lufo 2024, kadaster percelen 7
STICHTING IN ARCADIË
8
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
30 JANUARI 2025
STICHTING IN ARCADIË
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
30 JANUARI 2025
Deel 1: Historisch onderzoek
← Foto van de Westvlietweg tussen de Kerkbrug en Wijkerbrug met links langs de Vliet het jaagpad gescheiden van de rijweg door een berm en iepen, 1930. Coll. Haags Gemeentearchief 9
STICHTING IN ARCADIË
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
30 JANUARI 2025
Recente luchtfoto met het studiegebied Vlietzoom.
10
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
STICHTING IN ARCADIË
30 JANUARI 2025
1. Introductie Aanleiding De aanleiding voor het voorliggende onderzoek naar de ontwikkelingsgeschiedenis en cultuurhistorische waarden van het landschap van de Vlietzoom vormt de opstelling van een integrale ‘Gebiedsvisie voor de Haagse Vlietzone’.
Doel De algemene Haagse wens voor de Vlietzoom is dat het gebied zich ontwikkelt van een tussenzone naar een verweven schakel in de stad. Dat vraagt om strategische integrale keuzes voor het gebied. Voor de Vlietzone is het nodig om elke toevoeging aan het gebied een versterking van de onderliggende structuur en identiteit van het gebied te laten zijn. Het is daarom van belang om het verhaal van de ontwikkeling en cultuurhistorie van het gebied te kennen om ook het toekomstige gebied identiteit mee te kunnen geven. De ‘Haagse Vlietzone’ is cultuurhistorisch gezien een rijk gebied. De ontwikkelingsgeschiedenis van het landschap is tot op heden niet systematisch onderzocht. Het doel van het eerst deel van deze rapportage is het onderzoeken en in beeld brengen van deze geschiedenis.
Studie- en plangebied Het plangebied bestaat uit het gebied dat ligt in de gemeente Den Haag en wordt begrensd door de Vliet en het talud van de A4.
Werkmethode De ontwikkelingsgeschiedenis van het gehele studiegebied wordt chronologisch beschreven aan de hand van de belangrijkste ontwikkelingsperioden. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Richtlijnen Tuinhistorisch Onderzoek (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2012). Voor dit onderzoek is tevens dankbaar gebruik gemaakt van de input van Christiaan Rieffe, archeoloog gemeente Den Haag en Teunis Klapwijk, lid van de Vlietzoom Alliantie. In een historische verkenning wordt op hoofdlijnen een overzicht gegeven van de historische ontwikkeling en de actuele situatie van het studiegebied. Een verkenning is gebaseerd op literatuur, beschikbaar beelden kaartmateriaal, beperkt archiefonderzoek en terreinbezoek. Het eerste deel van het rapport wordt afgesloten met een overzicht van de actuele inrichting van het gebied en een analyse van de aanwezige cultuurhistorische waarden.
Plangebied Vlietzoom ligt globaal tussen watergang de Vliet en snelweg A4.
11
STICHTING IN ARCADIË
12
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
30 JANUARI 2025
STICHTING IN ARCADIË
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
30 JANUARI 2025
2 Historische ontwikkeling
← Aanleg van het recreatiegebied gezien vanaf de Westvlietweg, 1967. Coll. Haags Gemeentearchief 13
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
STICHTING IN ARCADIË
Lp. van Walcheren op Hollandveen Lp. op Lp. van Wormer op Laag van Rijswijk, waar de top van de zandafzettingen van het Lp. van Wormer en/of de Laag van Rijswijk ligt boven 5 m -NAP.
14
Lp. van Walcheren op Hollandveen Lp. op Lp. van Wormer, waar de top van de zandafzettingen van het Lp. van Wormer ligt onder 5 m -NAP.
Laag van Voorburg, met eventueel een deklaag van de Laag van Den Haag, dunner dan 2 m .
Lp. van Walcheren op HolLp. van Walcheren op Lp. van landveen Lp. op Laag van Ypenburg, op Wormer en/of de Laag van Rijswijk. Lp. van Wormer.
Hollandveen Lp. op Laag van Voorburg op Laag van Rijswijk
Lp. van Walcheren, waar de Gantel Laag zich matig diep ingesneden heeft in de onderliggende afz.
30 JANUARI 2025
De geologische kaart van Den Haag en Rijswijk (2020) geprojecteerd op actuele ondergrond. In geel de contour van het plangebied. Met rode stip is de vindplaats met gevonden resten uit de Hazendonk-cultuur aangeduid. Bewerking Stichting In Arcadië, 2024
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
STICHTING IN ARCADIË
2.1
30 JANUARI 2025
Vroegste geschiedenis
Het studiegebied bevindt zich in een geologische zone die deel uitmaakt van de kustzone van Den Haag, gekenmerkt door langgerekte strandwallen (zandruggen) die na de laatste ijstijd grofweg parallel aan de kust zijn ontstaan met daartussenin stroken veen. De hooggelegen strandwallen en daarop opgestoven duinen kwamen tot ontwikkeling doordat in de kustzone zoveel zand door de zee werd afgezet in de strandvlakte dat hoogtes ontstonden die niet meer iedere vloed overspoelden. Hierdoor kon het zand opdrogen en verstuiven. Het fijne zand zette zich verder landinwaarts af en vormde kleinere en grote duinen, waarmee de invloed van de zee werd teruggedrongen. Doordat de strandwallen de ontwatering van het achter de strandwal gelegen gebied belemmerde kwam vanaf 2200 v. Chr. veenvorming op gang. Het veen ontwikkelde zich het eerst op de laagstgelegen, meest drassige delen van de strandvlaktes en groeide tegen de duinen en strandwallen op. De hoger gelegen strandwallen en duinen bleven altijd boven het veen uitsteken.1 Het studiegebied ligt direct ten oosten van de strandwal van Voorburg aan de rand van het veenkussen tussen de Oude Rijn en Maas. Op het Algemeen Hoogtebestand Nederland (AHN) zijn verschillende mogelijke duinkopjes zichtbaar.
De plaats van deze verhogingen komt in dit deelgebied redelijk overeen met de duinen zoals die zijn aangegeven op de Nieuwe geologische kaart van Den Haag en Rijswijk.2 De archeologische overblijfselen uit de vroegste periode in het studiegebied dateren voornamelijk uit het neolithicum (nieuwe steentijd). Hierbij zijn ten oosten van Park Nabij en het Sportpark aan de Westvlietweg in 2008-2009 neolithische resten gevonden. Op basis van de gevonden resten, waaronder fragmenten aardewerk en vuursteen, is de vindplaats gedateerd tussen ca. 4000 en 3300 v. Chr. (Hazendonk-cultuur).3 Vanaf omstreeks 500 v. Chr. krijgt de zee weer vat op het gebied: de grote getijdengeul de Gantel drong via de Maasmond door tot diep in het achterland. Er ontwikkelde een wijd vertakt getijdegeulengebied dat met vele vertakkingen ver het achterliggende land indrong. Door het gebied liep een geul van het Gantelsysteem. Vanuit het getijdegeulenstelsel werd een deel van het veen opgeruimd en klei afgezet.
Nadat de geul verlandde bleef deze als een inversierug in het landschap achter en bood mogelijkheden voor bewoning in de latere ijzertijd en Romeinse tijd in het verder drassige gebied.4 Op een oudere AHN-kaart uit 2009 is de inversierug die tot het Gantelsysteem als brede band zichtbaar, de smalle band ernaast zou kunnen duiden op een restgeul die langer open heeft gelegen.5 Door vele naoorlogse ingrepen in het landschap zijn er verder weinig restanten van het oorspronkelijke landschap op de huidige AHN-kaart te herkennen.
AHN-Kaart (2009) en analyse tijdens bureauonderzoek archeologische waarden voor de Vlietzoom: 1 Restgeul 2 Golfterrein 3 Mogelijke duinkopjes 4 Parallelle structuur 5 Mogelijke duinkopjes 6 Sportvelden 7 Volkstuinen Afb. en tekst overgenomen uit ‘Plangebied Vlietzone, Bureauonderzoek archeologische waarden, 2009’, pp. 11-12.
15
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
STICHTING IN ARCADIË
30 JANUARI 2025
4056
165
200
180/193 166 195
LWB13p.000008
194
Themakaart Romeinse tijd. Weergegeven zijn archeologische vondstlocaties geprojecteerd op de huidige topografie. In blauw is indicatief het Kanaal van Corbulo en de Romeinse verkavelingsrichting aangegeven. 16
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
STICHTING IN ARCADIË
2.2 ← Vondslocaties studiegebied behorende bij de themakaart Romeinse tijd: 165 – vondstmateriaal en greppels aangetroffen uit Romeinse tijd 166 – Locatie grote nederzetting uit de Romeinse tijd met diverse huisplattegronden en bijgebouwen, waterputten of – kuilen, palissaden en perceleringssloten. 180/193 - Romeinse nederzetting met opvallend veel militair vondstmateriaal en de Romeinse Zilverschat 194 – Terreindeel van een Romeins bewoningslint 195 – Boerderij uit Romeinse tijd met afwijkende bouw. 200 – Romeinse dakpannen LWB13p.000008 – Gedraaid Romeins aardewerk 4056: AMK-terrein met sporen van bewoning uit de MiddenRomeinse tijd en de Late Middeleeuwen (huisterp). De bewoning strekt zich mogelijk uit over een 60 meter brede en 1 kilometer lange kreekrug. Tijdens de opgraving op het golfterrein zijn houten waterputten aangetroffen. Het noordoostelijk deel van Park Leeuwenbergh is in 1990 opgegraven, hier werd een inheems-Romeinse nederzetting gevonden.
30 JANUARI 2025
Romeinse tijd
In de Romeinse tijd (1e—3e eeuw na Chr.) bestaat er landschappelijk gezien een stabiele situatie. Op hooggelegen oever- en beddingafzettingen van de Gantel is bewoning mogelijk. Ten westen van het studiegebied, tussen de huidige Vliet, Trekvliet, de Prinses Mariannelaan en de Fonteynenburghlaan, wordt op de zuidkant van een strandwal door de Romeinen een stad gebouwd die Forum Hadriani of MAC (Municipium Aelium Cananefatium) werd genoemd. Hier zijn ook sporen van eerdere bewoning gevonden, waaronder een inheemse nederzetting uit de 1e eeuw - de Cananefaten.6 Forum Hadriani is door keizer Hadrianus in of rond 122 na Chr. gesticht. De laatst dateerbare vondsten uit de Romeinse periode in de stad dateren rond 270 na. Chr. Sinds de 19e eeuw hebben er opgravingen plaatsgevonden op de plek en hebben er vele onderzoeken plaatsgevonden. In 2008 is aangetoond dat de stad een insteekhaven had.7 Aanleiding voor het stichten van de stad op die plek zal mede gelegen zijn in het Kanaal van Corbulo (Fossa Corbulonis) van 34 kilometer lang dat door de Romeinse veldheer Gnaius Doimitius Corbulo werd aangelegd om de Rijn en Maas met elkaar te verbinden. Rond 50 na Chr. vormden de Romeinen dit kanaal door natuurlijke geulen met elkaar te verbinden.
Niet zeker is waar het kanaal van Corbulo exact heeft gelopen ten opzichte van de huidige Vliet, maar grotendeels wordt aangenomen dat het hetzelfde traject volgt en/of er deels parallel aan heeft gelopen. Rond Leidschendam zijn hier de afgelopen decennia verschillende onderzoeken aan gewijd, waarbij is vastgesteld dat het kanaal is gegraven ten oosten van de strandwal.8 Ter hoogte van Voorburg zal dit kanaal beïnvloed zijn door het aanwezige landschap. Op de rand tussen de duinen en het veenkussen bevond zich een waterige rand (in recente studies ook een ‘lägg’ genoemd - in Nederland ook bekend als ‘de rand van de moer’). Dit gebied was onderworpen aan de getijdewerking en stromen en het ecologisch watersysteem van het veen, waarbij zoet water aangevoerd werd vanuit het veenkussen en zout water vanuit de Noordzee. Dit is voor een groot deel de onderlegger geweest voor het traject van het latere kanaal van Corbulo en de Vliet.9 Aan de overkant van het Kanaal van Corbulo, in het studiegebied, zijn bij opgravingen meerdere sporen gevonden van (inheems-)Romeinse nederzettingen. De landinrichting van het studiegebied is vermoedelijk gestart om bij te dragen aan de extra voedselbehoefte van de in omvang gestegen stadsbevolking van Forum Hadriani.10 Op het huidige golfterrein zijn bij opgravingen vier omgreppelde erven en één niet omgreppeld erf met boerderijplattegrond gevonden.
De boerderij dateert uit het begin van de 2e eeuw na Chr. De erven lagen in een uitgebreid verkavelingssysteem wat een agrarische bestemming had. Er zijn aanwijzingen dat de verkaveling tot stand is gebracht door Romeinse militairen.11
Bij opgraving van de Rotterdamsebaan is deze pot met eenRomeinse zilverschat gevonden, bestaande uit 107 munten, zes zilveren armbanden en een verzilverde mantelspeld. Foto Dienst Archeologie, Den Haag
Ook op het terrein van de Rotterdamsebaan zijn verschillende vondsten gedaan met betrekking tot landinrichting en gebruik in de Romeinse tijd. Het vondstmateriaal laat zien dat bewoning doorloopt vanaf de 1e eeuw tot in de 3e eeuw. De eerste fase, met de vroegste 1e en begin 2e-eeuwse verkavelingen, was georiënteerd op een hogere kwelderwal die ontstaan is door de inbraak van de getijdengeul de Gantel. Dit bestond uit minimaal drie afzonderlijk omgreppelde ovale erfjes. In de loop van de 2e eeuw werd een geheel nieuw blokverkaveling uitgerold die georiënteerd was op het kanaal van Corbulo. In deze periode waren meerdere erven gelijktijdig in gebruik. De belangrijkste resten uit deze periode zijn grondsporen. Deze verraden de locatie van vroegere huizen, waterputten, greppels en afvalkuilen. Uit deze sporen kwam een zeer grote hoeveelheid vondstmateriaal. De vondsten bestaan uit aardewerk, dierlijk bot, metaal, hout en natuursteen.12 Ten zuidoosten van de golfbaan, op het inmiddels verdwenen ‘Bomeneiland’, werden meerdere dierbegravingen gevonden. Hierbij ging het met name om paardengraven.13 Op een weiland naast Drievliet in vier greppels ter hoogte van de Bovenwetering—Postenkade ontdekt met enkele honderden complete Romeinse bakstenen dakpannen.14 NB Het archeologisch onderzoek is wat betreft het studiegebied de Vlietzoom niet gebiedsdekkend.
Met name in het gebied ten zuiden van de A12/Utrechtsebaan zijn sporen en vondsten gedaan met betrekking tot de Romeinse tijd. Ten noorden van de A12/Utrechtsebaan zijn tot op heden geen Romeinse vindplaatsen bekend – alhoewel het niet concreet kan worden aangetoond is er wel een kans op de aanwezigheid van resten onder het maaiveld.15
→ Enkele vondsten opgegraven bij de Rotterdamsebaan uit de Romeinse tijd. Foto’s Dienst Archeologie, Den Haag 17
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
STICHTING IN ARCADIË
30 JANUARI 2025
De geologische kaart van Den Haag en Rijswijk (2020) geprojecteerd op actuele ondergrond. Met rood kader is het plangebied aangeduid. Bewerking Stichting In Arcadië, 2024
Den Haag
Poeldijk Pijnacker
Delft
Ackersdijk
Schipluiden
18
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
STICHTING IN ARCADIË
2.3
30 JANUARI 2025
Middeleeuwen Ontstaan Voorburg, de huidige Vliet en de Tedingerbroekpolder
Veel informatie over de Romeinse tijd is beschikbaar uit archeologische gegevens, die de laatste jaren aangevuld zijn met geologische gegevens. Hieruit is o.a. duidelijk geworden dat een praktijk van de Romeinse landmeters tot aan het jaar 1000 na Chr. door schriftelijke bronnen werd overgedragen. Het was belangrijk voor de agrarische basis van de abdijen en bisschoppelijke centra. Echter een traditionele agrarische basis ontbrak in het plangebied, behorende tot de Rijn-Maas delta, omdat het gedomineerd werd door het grote Holland-Utrecht veengebied, afgesloten van de Noordzee door het duingebied.16 Het veengebied was onaantrekkelijk voor permanente bewoning. Het plangebied wordt in de vroegste historische bronnen omschreven als wildernis.17 Toen in de 3e of 4e eeuw de bewoners van dit gebied vertrokken, verwilderde het land maar bleven de greppels als verlagingen zichtbaar in het landschap.18 Het duingebied werd echter continue bewoond net als de randen van de grote rivieren, waarbij de bewoning vaak gekoppeld was aan restanten van Romeinse vestigingen langs de Rijn en de Maas. De bewoners van het duingebied werden vaak aangeduid als Friezen, die in een levendige handelsrelatie stonden met andere aan de kust van de Noordzee levende groepen. Ze waren beperkt in hun middelen van bestaan, hoofdzakelijk vis, zoutwinning en wolproductie uit schapenteelt.
Andere behoeften werden aangevuld vanuit een handelseconomie, waarin men aangesloten was op de Frankische wereld. Een interessante vondst was in dat kader het bootvormige graf in het Haagse Solleveld tussen Kijkduin en Monster.19 Tussen Rijn en Maas komen in de middeleeuwen de steden Leiden, Den Haag, Delft en Rotterdam op. De geschiedenis van de delta met stad en achterland is voor een groot deel de geschiedenis van de waterwegen. Hierbij liggen de steden Leiden en Rotterdam aan de grote rivieren, Den Haag in de duinen en Delft ligt midden in het veen. De steden zijn verbonden door een dominante waterweg. Deze waterweg is deels gebaseerd op natuurlijke waterlopen en is deels aangelegd. In het proces van stadsvorming breidde ook het woongebied zich uit vanuit de kust en de rivierranden naar het veen dat met enige moeite tot bruikbaar wingewest werd getransformeerd. Langs de doorgaande weg over de strandwal ten westen van het studiegebied ontwikkelde zich in de loop van de middeleeuwen geleidelijk het huidige dorp Voorburg, dat in de 9e eeuw op een goederenlijst van de Utrechtse Sint-Maartenskerk wordt vermeld als ‘Foreburg(h)’.20
De gebiedsaanduiding tussen de Liora en de Hollandse IJssel is niet zonder betekenis. Vanaf de Romeinse tijd was het evenwicht van het veengebied door landbouw langs de rivieren langzaam verstoord geraakt. Het water van de Rijn brak door het veenkussen en dit leidde tot de vorming van de Lek en de Hollandse IJssel. Hierdoor verloor de Rijn zijn dominante rol en was de MaasMerwede de belangrijkste opening in de duinrand geworden. Bij deze opening, die voorheen onderdeel was van de Fossa Corbulonis, werden door getijdegeulen in het Westland kleilagen gedeponeerd, die langs de duinen tot aan Voorburg, Pijnacker, het Oude land van Rodenrijs en Ackersdijk reikten, een soort kwelders, voor een deel aangeduid als het Ganteldek. Hierdoor bestaat in Delfland een, geologisch gezien, grillige grens, de rand tussen het veenkussen en het kleidek en eventueel rivierklei. Het is herkenbaar in toponiemen als ‘kleiweg’ in de buurt van andere toponiemen met ‘veen’ of ‘broek’. Het opmerkelijke van de Vlietzoom bij Voorburg is dat het oppervlak over een periode van 2000 jaar vrijwel op zeeniveau is gebleven, een gevolg van de onderliggende 1 à 2 kilometer brede tongvormige geulafzetting langs de Vliet.
Waar de kleilaag over de hele periode lokaal in gebruik was, begon de systematische kolonisatie van het veen in het begin van de 11e eeuw vanuit Schipluiden leidend tot de aanleg van de Delf aansluitend op de bovenloop van de natuurlijke Schie bij Oude Leede. Als gevolg van de agrarische stichtingen in het veen daalde het oppervlak waardoor de waterafvoer via de Schie, die over de geologisch robuustere ondergrond van Ackersdijk liep geblokkeerd. Dit proces was een voorloper van de vorming van het Westmeer. In de tweede helft van de 12e eeuw werd dit probleem deels opgelost door vanuit de bovenloop van de Schie bij Pijnacker een serie rechte kanalen aan te leggen door het veengebied van Rodenrijs eindigend bij de Schie voorbij Ackersdijck. Waarschijnlijk omstreeks 1076 werd er een extra veenontginning aangelegd, waarop de stad Delft zich zou ontwikkelen. De rechte kanalen in Rodenrijs uit de tweede helft van de 12e eeuw zijn aangelegd toen de stad Delft al op de huidige plaats lag en diende bij de aanleg als oriëntatiepunt. Het begin van de agrarische ontginning van het veen en het grillige karakter van de rand tussen veen en de geulafzettingen dwongen tot ingrijpende stappen in het watermanagement. In dezelfde periode waren overstromingen in 1134 en 1167 van het kleidek-gebied aanleiding om defensieve kades aan te leggen langs de getijdegeulen en dijken parallel aan de rivier.
Voor het begrip van specifieke situatie van de Vlietzoom is het landschap en de bodemopbouw cruciaal. Het duingebied scheidt het zoute water van de Noordzee van het overvloedig toestromende zoete regenwater, dat afgevoerd wordt door de rivieren Rijn en Maas. In het bassin achter de duinen had zich na vele eeuwen een waterrijk veenkussen gevormd, dat door biologische processen tot enkele meters boven het open water was gegroeid. Dat veengebied was onaangeroerd tot graaf Dirk II door de Duitse koning Otto III in 985 het land tussen de Liora (de Lier) en de Hollandse IJssel als erfelijk eigendom kreeg toegewezen.21
19
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
STICHTING IN ARCADIË
Rotterdam
30 JANUARI 2025
De Nieuwe Maas
Delfshaven
Overschie
‘Kaart van de Drie Schieën’, 1512.Kaart van het gebied ten noorden en westen van Rotterdam, gezien uit noordelijke richting. Bij het Maas-Merwede systeem leidde het belang van het transport over water in de middeleeuwen tot de Drie Schieën: rechts naar Schiedam, rechtdoor naar Delfshaven, naar links naar Rotterdam. Coll. Nationaal Archief 20
STICHTING IN ARCADIË
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
De loop van de huidige Vliet dateert uit de middeleeuwen en stroomde tussen de strandwal waarop Voorburg was ontstaan en het ten zuidwesten ervan gelegen veenkussen. Tot in de 13e eeuw loopt de Vliet als hoofdwaterweg door tot Naaldwijk/De Lier. Met name de afslag naar de Delfvliet is een grote ingreep geweest voor de Vliet tussen de Hoornbrug en Leidschendam. De toename van welvaart maakte het in de 13e eeuw mogelijk om keuzes te maken voor bewoning gebaseerd op verschillen in ondergrond. Waar men eerst vanuit de duinen en het kleidek het veen in trok, bewoog de grafelijke familie voor bewoning terug de duinen in en ging zich vestigen in het duingebied van ’s-Gravenzande, van Honselersdijk en Den Haag. Vermoedelijk kreeg de Vliet zijn huidige vorm aan het begin van de 13e eeuw toen de grafelijke familie vertrok uit Delft en zich vestigde aan het Binnenhof. De diversificatie in bewoning en agrarisch gebruik vraagt om een adequate aansluiting op de middeleeuwse transportwegen voor goederen en personen over water. In die periode wordt de Delf verlengd als gegraven kanaal door Ackersdijck naar de Schie en vanaf Rijswijk wordt de Delfvliet aangelegd door het kleiige gebied ten noordoosten van Delft naar Den Haag. Deze Delfvliet, doorsnijdt de oriëntering van de eerder aangelegde drainage-sloten verbonden met het oude ‘Romeinse’ Vliet-traject van Voorburg naar de Lier/Naaldwijk.
Door de aanleg van de Delfvliet gaat de oude Vliet voorbij Rijswijk aan betekenis verliezen, terwijl het deel vanaf Voorburg naar Leiden als archeologisch artefact aan de oppervlakte ongeveer de Fossa Corbulonis blijft volgen. Daarmee wordt in de 13e eeuw de ruggengraat voor de waterhuishouding en transport over water van Delfland voltooid en kan de ontwikkeling van Den Haag op gang komen. In dezelfde operatie werd rond deze 1344-45 ook de Haagse Trekvliet aangelegd als verbinding van de Vliet naar Den Haag (met het grafelijk hof).22 De oudste vermelding van de Vliet dateert mogelijk al uit 1274, toen volgens de leenkamer Jan van de Werve werd beleend met bezit in Voorburg dat werd omschreven als ‘100 gaarden breed en 14 van de Vliet tot midsveen en 70 gaarden van de Vliet tot midsveen’.
Dit betrof het huis de Werve (het kasteel werd afgebroken begin 19e eeuw) en bijbehorende landerijen, waarvan de bezittingen liepen van de Schenk (voorheen gelegen op de grens van de ambachten Den Haag en Voorburg) tot aan de Vliet.23 In de boeken van de grafelijke leenkamer staat genoteerd dat in 1281 de gebroeders Gerard en Willem van der Molen werden beleend met ’16 morgen land strekkende van de Vliet tot de oude weg’ – in een latere toevoeging staat vermeld dat dit in de Tedingerbroek lag.24 De Vliet zal in eerste instantie met name hebben gefunctioneerd als een afwateringssysteem voor omliggende polderlandschappen en als infrastructuur. De in het begin van de 11e eeuw begonnen systematische ontginning van het veen vanuit Schipluiden richting Delft markeert het begin van de voor Holland zo typerende ‘cope’- ontginning.25 Voor de ontginning van het studiegebied liet de grafelijkheid de Vliet uitdiepen om het als afwateringskanaal te laten functioneren. De eerste drie tot vier eeuwen werd het water afgevoerd langs natuurlijke hellingen. In de Romeinse tijd en volgens de kaart van Kruikius uit 1712 lagen die in de richting loodrecht op de Vliet, zoals ondersteund door het archeologisch onderzoek uitgevoerd in het kader van de aanleg van de Rotterdamsebaan.
De sloten werden haaks op de Vliet gegraven voor een natuurlijke afwatering via deze stroom naar de lager gelegen Maas en Oude Rijn. Door de ontwatering na deze ontginning en later door het vele turfdelven zakte de grond en ontstonden buiten het plangebied plassen, zoals zichtbaar op de Kruikiuskaart uit 1712. Kaden en dijken, zoals de Postenkade, werden opgeworpen om wateroverlast door o.a. bodemdaling te vermijden.26 De Postenkade is als oude veendijk opgeworpen in de late middeleeuwen en is al aangeduid op een kaart uit 1550. Uit historische bronnen is bekend dat daar in de 13e eeuw al de ambachtsgrens (bestuurlijke grens) tussen de Tedingerbroekpolder en Hoge Broekpolder lag.
30 JANUARI 2025
Om de waterhuishouding binnen het polderlandschap en de nog vele moerasgebieden van ZuidHolland te beheren werd aan het eind van de 13e eeuw ‘Hoogheemraden’ ingesteld. Voorburg viel onder het hoogheemraadschap Delfland. Het hoogheemraadschap Delfland werd in 1289 opgericht en afgescheiden van Schieland, waarbij het stroomgebied van de Schie de grens wordt. Schieland wordt aan de andere kant begrensd door de Hollandse IJssel. De scheiding tussen Delfland en het hoogheemraadschap Rijnland ligt bij de landscheiding waar de sluis bij Leidschendam kwam. Het hoogheemraadschap Delfland was wederom onderverdeeld in verschillende (lid)ambachten. Het studiegebied, Tedingerbroek, viel als lidambacht onder Voorburg. Een ambacht was in de middeleeuwen een rechtsgebied binnen bepaalde grenzen met een eigen bestuur. In elk ambacht werd een ambachtsbewaarder (een soort waterschapsambtenaar) gekozen door schout, schepen en ingelanden tot het uitvoeren van en toezicht houden op allerlei waterschapswerken.27 Voor de rechtspraak viel het studiegebied echter onder Rijnland (ambacht Zoeterwoude-Stompwijk).28 Tedingerbroek betreft de polder waar het studiegebied onderdeel van uitmaakt, begrensd door de Vliet, Postenkade, de Veenweg en de aloude Landscheiding.
De naam verwijst hoogstwaarschijnlijk naar Diederik van Teijlingen, die op 20 maart 1281 van graaf Floris V grond in dit gebied kocht; broek verwijst naar ‘moerassig gebied’.29 Teijlingen is in de loop van de eeuwen verbasterd tot Tedinger, al is in een oorkonde van 1284 al sprake van een ‘Tedigerbroic’.30 De naam duikt in de 15e eeuw meerdere malen op in het archief van het hoogheemraadschap Delfland; daarin beschreven als ‘Teigelrebrouck’ en later als ‘Teijlingerbrouck’. Uit het Memorieboek van Voorburg van 1435 tot 1566 blijkt dat diverse Voorburgers bezittingen hadden in Tedingerbroek en ongetwijfeld waren betrokken bij de ontginning en het afturven.31 Naarmate het veenkussen verder inklonk en de bodem sterk daalde, faalde de oorspronkelijk natuurlijke afwatering van het gebied en werd het noodzakelijk om naast kades een bemaling met molens te realiseren. In de 15e eeuw verschenen de eerste windwatermolens in deze regio. De Tedingerbroekpolder werd tot ver in de 19e eeuw bemalen door de zogenaamde Oostmolen en Westmolen (ook wel Dorps- of Kerelsmolen genoemd). Beide waren gelegen aan twee dwarssloten die een verbinding vormden tussen de ten oosten gelegen Bovenwetering en de ten westen gelegen Vliet, op welke laatste de molens hun water uitsloegen.
Een oorkonde uit 1334/35 beschrijft de verbreding van een ‘watergang’ en ‘hoele [heul/brugje] ligghende in den wech an den Vliete in Tedingher broec […]’ en spreekt verder over een ‘sluse’ (sluis). Dit betreft vrijwel zeker een voorloper van de molensloot en sluis naast de latere Kerkmolen die na 1408 werd opgericht.32 Een tweede lange rechte ‘molensloot’ verbond de Oostmolen met de Vliet als boezem, waarin het overtollige water werd gemalen en verder afgevoerd. In 1465 kwam Tedingerbroek met het hoogheemraadschap van Delfland overeen dat het overtollige water uit deze polder mocht worden geloosd op de Vliet tegen een jaarlijkse vergoeding van 6 pond.
21
STICHTING IN ARCADIË
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
30 JANUARI 2025
Analysetekeningen van het middeleeuwse boerenerf na opgraving bij de Rotterdamsebaan met foto’s van de vondsten. Overgenomen uit presentatie ‘Late Middeleeuwen onder de Rotterdamsebaan’ van Peter Stokkel
22
STICHTING IN ARCADIË
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
30 JANUARI 2025
Uit archeologisch onderzoek rond de huidige Rotterdamsebaan blijkt dat dit terreindeel in de 14e eeuw verder werd ontgonnen. Hierbij werden soms oudere Romeinse greppels opnieuw opengemaakt. Als gevolg hiervan is de oriëntatie van de huidige verkaveling nog nagenoeg gelijk aan die uit de Romeinse tijd. Bij het onderzoek is aangetoond dat sloten die nu nog in gebruik zijn een Romeinse en een laatmiddeleeuwse voorganger gehad hebben.33 Op de hogere kwelderwal, waar ook de Romeinse bewoning op lag, werden boerderijen gebouwd. Tijdens het archeologisch onderzoek in het studiegebied is een erf uit de 15e eeuw gevonden. De sporen bestaan uit kuilen, greppels en paalgaten.34 Bijzonder is dat deze middeleeuwse boerderij was omringd door een 8m brede gracht en een relatief groot terrein omsloot. Vermoedelijk had deze gracht ook een verdedigende functie en werd wellicht ook gebruikt om goederen te transporteren. De vondsten die van dit erf afkomstig zijn, duiden op een grote welvaart.35 In de loop van de 14e eeuw kwamen de trekschuitverbindingen in Nederland op gang en kreeg de Vliet ook een functie als trekvaart. Een trekschuit is een door een paard voortgetrokken schip. Zo zijn er al octrooien uit deze periode bekend voor tolheffing bij het gebruik van jaagpaden. Tussen Delft en Leidschendam lag het eerste jaagpad.
Bij Leidschendam was toen nog geen sluis, waardoor er geen goede mogelijkheid was voor passage van schepen. Delft en Leiden hebben decennialang de mogelijkheid overwogen van een trekvaartverbinding, maar die kwam pas in de 17e eeuw op gang.36 Niet alleen de Vliet werd gebruikt als vervoersader. Ook de sloten tussen de percelen in de polder waren een belangrijk onderdeel van de infrastructuur. Bij gebrek aan verdere wegen door het studiegebied, bereikten de boeren hun land aan de oostzijde van de Vliet onder andere per praam. Deze kleinere platte schuiten werden aangeduwd met een vaarboom.37 Een polder waar de weidepercelen per praam werden ontsloten heet een ‘Vaarpolder’.
→ Archeologische vondsten gevonden bij het boerenerf. Overgenomen uit presentatie ‘Late Middeleeuwen onder de Rotterdamsebaan’ van Peter Stokkel 23
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
STICHTING IN ARCADIË
30 JANUARI 2025
←← Kaartbeeld van de Vliet en Rijn (detail), 1522. Ter hoogte van Leidschendam is een overtoom zichtbaar met windassen, waarmee schepen over de dam konden worden getrokken. Coll. Stadsarchief Delft
Katwijk Leiden Delft Rijn
← Kaart van de Vliet vanaf Delft naar Voorburg en Den Haag met de Hoornbrug, 1550. Coll. Stadsarchief Delft
Vliet ‘de hoornenbrugge’
Leidschendam Voorburg Voorburg Trekvliet richting Den Haag
24
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
STICHTING IN ARCADIË
→ Carte descriptie locael van t meerdeel van Holland (detail), vervaardigd door Johan Liefrinck, 1578. Coll. Streekarchief Gouda
2.4
30 JANUARI 2025
16e eeuw Voorburg op de kaart
Op een kaart uit 1522 is te zien dat vanaf Delft een weg langs oostoever van de Vliet liep tot Voorburg, met ter hoogte daarvan twee bruggen. Over de Vliet lagen in het Voorburgse gedeelte meerdere bruggen. In een rekening van de ambachtsbewaarders uit 1522 is reeds sprake van herstellingen aan ‘vier breggen’, waaronder de Wijkerbrug, Kerkbrug, de Oude Tolbrug en de Geestbrug over de Trekvliet.38 De oudste vermelding van de Geestbrug is al terug te vinden in rekeningen uit 1437. In dat jaar was de stenen brug zo vervallen dat zij voor gebruik werd afgekeurd en afgebroken. Het werd omstreeks 1447 vervangen door een nieuwe brug.39 Een schetsmatige kaart uit 1550 toont dat de weg inmiddels is doorgetrokken tot Leidschendam. Vanaf de hoek bij de ‘hoornenbrugge’ liggen er vijf bruggen over de Vliet richting Leidschendam. Er zijn drie molens met daarbij molensloten weergegeven: de Oostmolen, Westmolen en de zogenaamde ‘zustermolen’. De laatste molen verzorgde de bemaling voordat de Nieuwe Broekmolen, die op de Kruikiuskaart van 1712 staat en verder naar het zuidoosten langs de Molenvliet lag, in gebruik werd genomen. Op de kaart staat daarnaast met een lijn de Postenkade weergegeven. Een eerst gedetailleerd beeld van de Vliet ter hoogte van Voorburg is een proceskaart uit ca. 1556, toegeschreven aan de landmeter-kaarttekenaar Coenraet Oelensz.
Het hoogheemraadschap Delfland had de zorg voor een goede waterlozing van Delft tot Leidschendam en hoogheemraadschap Rijnland van Leidschendam tot Leiden. De stadsbesturen beklaagden zich in toenemende mate over de ondiepten in de Vliet die de handelsscheepvaart belemmerde. Die in de 15e en 16e eeuw intensiever was geworden met grotere schepen. Delfland nam maatregelen om de bestaande ondiepten in de Vliet tussen de Hoornbrug en Leidschendam sterk te verlagen – de ambachten van Voorburg en Tedingerbroek werden met het onderhoud belast.40 Dit was niet de eerste keer; de Vliet was herhaaldelijk een bron van conflicten over de dieptes. Dat leverde ook spanningen op met de in de buurt wonende boeren, die hun eeuwenoude recht op de 'wedden', doorwaadbare plaatsen voor vee en paarden, bleven opeisen. In 1462 was al ‘gekeurd’ dat de Vliet bij Voorburg tot op de bodem moest worden uitgegraven. Ook in 1492 tijdens een periode van grote droogte en lage waterstand, werden de ambachtsbewaarders van Voorburg en Tedingerbroek opnieuw op de vingers getikt.41 Protest tegen het onderhoud van de Leidsche Vliet hield niet op. In 1517 daagden de burgemeesterse van Delft de burggraaf van Leiden en de ambachtsbewaarders van Voorburg en Tedingerbroek voor de vierschaar. Hierin werd beslist dat Voorburg en Tedingerbroek verplicht waren de Vliet te schieten en de breedte op 18 voet (5,65m) te houden.
Opnieuw weigerden de ambachtsbewaarders in 1525 de keur te gehoorzamen en in 1534 klaagde de stad Delft opnieuw dat de Vliet niet alleen ‘onbequaem was voir den reysende man ende negociatie’ en bovendien onvoldoende voor de afwatering van Den Haag, Delft en de ambachten Rijswijk en Voorburgh zorgde. Na meerdere onderhandelingen werd besloten dat het baggerwerk op 1 augustus 1550 gereed moest zijn. Bovendien werd opgedragen de wal langs het water te ‘beplaten’ en verboden de weg daarlangs voortaan als jaagpad te gebruiken.42 Meerdere keuren vanaf 1539 tot na 1561 verboden het jagen langs de oostzijde van de Delftse Vliet en de Leidse Vliet. Schepen mochten alleen met zeilen en niet met paarden of ‘miten hals, roeyen oft steken meten boom’ worden gesleept. Vermoedelijk belastten de paarden de over te veel zodat die ging verzakken. Overtredingen werden beboet. Wie zijn schuit tussen ‘De Vriesen’ en Leidsche Dam’ toch door een paard lieten trekken, liep de kans dat paard en schip in beslag werd genomen en op de eerstvolgende marktdag te Delft publiek verkocht werden.43 Om te voorkomen dat er toch met paarden zou worden gejaagd, werd opgedragen om palen te slaan die boven de grond uitstaken.44
Toen de scheepvaart ook in de Delftse Vliet toenam, was het op peil houden, ten behoeve van de bevaarbaarheid ook een doelstelling geworden. Op de proceskaart uit ca. 1556 geeft Oelensz nauwgezet de diepten en breedten van de Vliet aan op verschillende plekken, waaronder ook de doorvaarthoogten bij de bruggen. De diepte varieerde, maar was nergens dieper dan 1,25 meter. Het hoogheemraadschap Delfland droeg vervolgens Voorburg en Tedingerbroek op hun deel van de Vliet over een breedte van 18 voet (5,65m) uit te diepten tot op de ‘oude bodem’.45
Zichtbaar op de kaart is de Vliet, waarvan onderdelen omschreven zijn als ‘de haechse vaert’ [Haagse Trekvliet] en ‘Het corte rack’ [het gedeelte tussen Hoornbrug en de Haagste Trekvliet], terwijl ter hoogte van de ‘Nijewe brugghe’ de naam ‘De Vriesen’ voorkomt, een verwijzing naar de plek waar paarden de Vliet moesten doorwaden of per praam werden overgezet vóór de bouw van een brug. Over de Vliet liggen tussen de ‘Horenbrugge’ en Leidschendam vijf bruggen die het jaagpad met Voorburg en andere doorgaande wegen in de richting van Den Haag, Delft en Leiden ontsluiten: zoals de ‘Nijewe brugghe’, de ‘Tolle brugghe’, de ‘Voerburchse brugghe’ (Kerkbrug), de ‘Wijcke brugghe’ en de ‘Scutlynchen brugghe’. De ‘Nijewe brugghe’, later bekend als de Nieuwe (Tol)brug, is net in 1556 door Joost van Ouwelant aangelegd—op 16 april werd aan hem een octrooi verleend voor het aanleggen van de brug en het heffen van tol.46 Voorburg, gelegen in het verlengde van de Voerbruchse brugge of Kerkbrug, bestaat op deze kaart uit de Kerkstraat en Herenstraat. De doorgaande verbinding loopt via Westeinde, Herenstraat en Oosteinde. Het schuine pad duidt de weg naar de graanmolen, latere ‘molen van Baas’ aan.
Op de kaart zijn net als op de kaart uit 1550 drie molens aangegeven, elk verbonden met een molensloot: de Zustermolen nabij de Hoornbrugge, de westmolen nabij de Voorburgh brugghe, en de Oostmolen ter hoogte van de Scutlynchen brugghe. Ook is er een korenmolen aanwezig aan de overzijde van de Hoornbrug. Langs de Vliet strekte zich een lint van hofsteden uit, vooral aan de zijde van Voorburg, terwijl bebouwing aan het jaagpad geconcentreerd was rond de bruggen, met een klein cluster van hofsteden bij de Nijewe brugghe en de Tolle brugghe. Verder markeert de kaart enkele historische locaties zoals de Heilig-Kruiskapel bij de Hoornbrug en het ‘Suster huis’ nabij de Haagse Trekvliet, een 15e-eeuws nonnenklooster dat na de Beeldenstorm werd afgebroken en in de 17e eeuw plaatsmaakte voor de buitenplaats Leeuwendaal. Aan het eind van de 16e eeuw kon weer ‘gejaagd’ worden langs het Voorburgse gedeelte van de Vliet. De steden Leiden en Delft kwamen in 1584 bijeen om afspraken te maken over een scheepvaartverbinding over de Vliet.
In juni dat jaar startte een beurtveer; een vorm van scheepvaart, waarbij passagiers, vracht en vee volgens een dienstregeling langs een vast traject werden vervoerd.47 In de ordonnantie op beurtveer werd in 1590 vastgelegd dat ‘indien de varende luyden aen den Dam gecomen zijnde, tot heur meerdere vordernisse, den dienst van een paert tot voorttreckinge vande schuyt begeeren’.48 25
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
STICHTING IN ARCADIË
30 JANUARI 2025
‘Het suster huis’ Het 15 -eeuwse nonnenklooster Onze Lieve Vrouwe in Nazareth e
‘De haechse vaert’ de Haagse Trekvliet
‘De haechse wech’
‘De tolle brugghe’ De Oude Tolbrug ‘Het corte rack’ Gedeelte van de Vliet tussen de Hoornbrug en Haagse Trekvliet
‘De horenbrugghe’
Heilig-Kruiskapel
‘Voerburch De Ke Westmolen
Zustermolen ‘De nijewe brugghe’ De Nieuwe of Hoge Brug
‘De Vriesen’ Toponiem voor de plaats waar de paarden de Vliet moesten doorwaden of waar ze per praam werden overgezet
26
STICHTING IN ARCADIË
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
‘Scutlynchen brugghe’ Tegenwoordig de Sijtwendebrug ‘De wijcke brugghe’ Wijkerbrug
30 JANUARI 2025
‘De Leijtsen dam’ Naast de oude overtoom was inmiddels een tweede overhaalinstallatie met raderen gebouwd, waarmee de capaciteit was verdubbeld.
hse brugghe’ erkbrug Oostmolen
Kaart van de Vliet ter hoogte van Voorburg, vervaardigd door Coenraet Oelensz, ca. 1556. Coll. Stadsarchief Delft
27
STICHTING IN ARCADIË
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
30 JANUARI 2025
← De kaart van Delfland, vervaardigd door de landmeter Floris Balthasars en Frans Floriszn. van Berckenrode, 1611. Coll. Nationaal Archief
28
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
STICHTING IN ARCADIË
2.5
30 JANUARI 2025
17e en 18e eeuw Een buitenplaatsenlandschap langs de Vliet
Een vroege kaart die informatie geeft over de inrichting van het studiegebied in de 17e eeuw is de Kaart van Delfland uit een Kaartboek van de hoogheemraadschappen van Rijn-land, Delfland, Schieland, vervaardigd door Floris Balthasar uit 1611. De polder wordt aangeduid als ‘Teilyngher Broeck. Op de kaart zijn net als op de kaart uit ca. 1556 de drie molens en de verschillende bruggen aangeduid. De ‘Scutlynchen brugghe’ wordt op deze kaart de Alckemade bregge genoemd. In de buurt van de bruggen zijn sjabloonmatig bebouwing en erven aangeduid. Nabij de ‘Tol bregge’ en de Postenkade is Drievliet ingetekend – een hofstede die uitgroeide tot buitenplaats – hier al met een forse tuinaanleg aangegeven. Als kaart van Delfland zijn op deze kaart goed de verschillende polders te zien met de belangrijkste wegen, kades en watergangen. Zo is te zien dat de molensloten van de Westmolen en Oostmolen aantakken op zowel de Vliet als de buiten het studiegebied gelegen ‘Goo-waterijng’. De latere ‘Bovenwetering’ is op deze kaart nog niet aangeduid. Door de Tedingerbroekpolder lopen enkel watergangen; langs de grenzen zijn paden, kades en wegen die het gebied ontsluiten naar de daaromheenliggende polders en dorpen; waaronder de Westvlietweg, de Postenkade en ten oosten van de ‘Goo Waterijng’ de ‘Nieuwe Veense Wech’.
Aan het begin van de 17e eeuw wordt de discussie over de bevaarbaarheid van de Vliet en het creëren van een doorgaande route tussen Delft en Leiden via de trekvliet bij Voorburg weer opgepakt. Om beter de diepte van de Vliet te kunnen bewaren, waarvoor de stad Delft ‘jaarlijks merkelijke sommen verstrekt heeft’, wordt de ambachtsheerlijkheid Voorburg in 1615 door de stad aangekocht. De Vliet is er blijkbaar zo slecht aan toe dat volgens de berekeningen van de Vroedschap de kosten van een nieuwe vaart minder zullen zijn dan het herstel van de oude. Uiteindelijk gaat men in 1618 over tot het verbeteren van de bestaande vaart, met name het gedeelte tussen de Tolbrug en Leidschendam. Dit komt met hulp van de stad Den Haag tot stand. De diepte ‘zal zijn een voet beneden den drempel van den duiker in den Leidschen dam, de wijdte 40 roede-voeten, en de Vlietdijk zal zoo gemaakt worden, dat het bereiden met paarden geen ondiepten meer veroorzaakt’. Aan deze verbetering dragen zowel Voorburg als Tedingerbroek 1000 gulden bij.49 Op 5 februari 1620 is een akte opgesteld ter ontlasting en bevrijding van de polder Tedingerbroek, waarin bepaald is dat Delft het plank-, paal- en zodenwerk van de ‘treckweg' tussen de tolbrug en de Leydschen dam voor altijd zal moeten onderhouden.
De oever van een jaagpad had extra versterking nodig, hier in de vorm van een beschoeiing.50 Vanaf 1632 werd de Vliet geschikt gemaakt voor een trekvaartdienst tussen Delft en Leiden, met een aftakking naar Den Haag. Dat betekende vooral het aanleggen van jaagpaden en bruggen tussen Leidschendam en Leiden en de Vliet op tal van punten verdiepen.51 Zo kwam in de loop van de 17e eeuw een uiterst betrouwbaar trekschuitennetwerk voor het vervoer van personen tot stand die de verschillende steden met elkaar verbond. De trekschuiten waren een aanvulling op de beurtveren die behalve personen ook handelswaar of grote pakketten vervoerden.52 In het rampjaar 1672 werden de bruggen over de Vliet bij Voorburg vernield in opdracht van de Staten van Holland om de oprukkende vijanden in dit rampjaar zoveel mogelijk dwars te zitten. Deze bruggen werden in 1675 weer hersteld waarbij tegelijk de doorvaart voor schepen werd verbreed. De steden Delft, Leiden en Den Haag betaalden de kosten, ze hadden immers belang bij een goede scheepvaart en handel.53
De kaart Hoogheymraedschap van Rhijnland , vervaardigd in 1687, komt overeen met de kaart uit 1611. Opvallend is dat er aan de westzijde van de Vliet, bij het dorp Voorburg, ten opzichte van de kaart uit 1611 sjabloonmatig meer bebouwing is weergegeven. Aan de oostzijde is er enkel tussen de nieuwe en oude Tolbrug enkele erven met gebouwen ingetekend. De ‘Zustermolen’ is op deze kaart inmiddels verdwenen.
De zogenaamde ‘Kruikiuskaart’ uit 1712, waar Jacob en Nicolaas Kruikius de hoogheemraadschap van Delfland in kaart brachten, biedt een eerst zeer gedetailleerd beeld van de inrichting van het landschap van de Tedingerbroekpolder en de omgeving rond de Vliet. Het is de eerste kaart waarop de inrichting met sloten en verkavelingsstructuur met het haaks op de Vliet georiënteerde slagenlandschap duidelijk zichtbaar zijn. Op deze kaart staat voor het eerst de ‘Boven-Watering’ ingetekend; deze watergang lag parallel aan de daar ten oosten van gelegen ‘Goo-wetering’. De Bovenwetering vormde samen met de Vliet en de drie molensloten de belangrijkste wateraders van het studiegebied. De hoofdontsluiting van het gebied wordt verzorgd door de Westvlietweg, hier omschreven als ‘Rij Wegh, Kade en Trek Wegh’ en de verschillende reeds bestaande bruggen over de Vliet. De Postenkade is slechts gedeeltelijk ingetekend, maar als doorgaande structuur en pad duidelijk aanwezig. Ten zuiden van de Postenkade loopt langs de Molen Sloot ook een pad naar de buiten het studiegebied gelegen Nieuwe Broeks Molen. Op de kaart is te zien dat de kavels grond in de Tedingerbroekpolder met elkaar verbonden zijn door smalle verbindingen (vermoedelijk in de vorm van (loop)bruggen) over de sloten. Een opvallend verschil met eerdere kaarten is de grote hoeveelheid buitenplaatsen die langs de Vliet zijn aangelegd.
Vergelijkbaar met andere gebieden in Nederland ontwikkelt zich de Vliet bij Voorburg zich in de 17e en 18e eeuw tot een markant ‘buitenplaatsenlandschap’. De Vliet was een belangrijke transportweg. Vanuit Leiden, Den Haag en Delft waren de op de strandwallen liggende dorpen dus gemakkelijk te bereiken en het is dan ook niet vreemd dat langs de genoemde transportroutes in de loop van de 17e en 18e eeuw talrijke buitenplaatsen werden gesticht.54 Tegelijkertijd bevorderde de nabijheid van Den Haag en Rijswijk de concentratie van buitenplaatsen in zuidelijke richting, waardoor deze regio een belangrijk gebied voor ‘het buiten’ werd. Net als in de rest van Zuid-Holland is de spreiding van buitenplaatsen langs de Vliet in Voorburg in hoge mate bepaald door de geografische eigenschappen van het gebied.55 Aan de westzijde van de Vliet, op de zandrug, strekt zich een bijna aaneengesloten lint van buitenplaatsen uit, terwijl aan de oostzijde, op het minder geschikte veen, slechts een beperkte ontwikkeling plaatsvond, met alleen clusters nabij bruggen/ontsluitingen van hofsteden en buitenplaats.
29
ouwelants brug voorburg STICHTING IN ARCADIË
30
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
30 JANUARI 2025
STICHTING IN ARCADIË
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
30 JANUARI 2025
Kaart van het Delfland, ‘negende stuk […] begrypende ’s Gravenhage met de dorpen Ryswyk en Voorburch’ (detail), vervaardigd door Nicolaas en Joacobus Kruikius, 1712. Coll. Nationaal Archief, bewerking Stichting In Arcadië 2024 31
STICHTING IN ARCADIË
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
→ De Vliet gezien vanaf de Westvlietweg met de Oude Tolbrug. Links de pijler van het toegangshek naar Huis Leeuwenbergh/ Dorrepaal, vervaardigd door K. la Fargue, ca. 1760. Coll. Haags Gemeentearchief
→ Ongedateerde aquarel met zicht op de Westvlietweg en de Vliet vanaf Leidschendam. Op de achtergrond is de hofstede Nabij zichtbaar met links daarvan de Westmolen. Coll. Erfgoed Leiden en Omstreken
32
→ Gezicht naar de Kerkbrug met de Vliet en rechts de Westvlietweg, vervaardigd door P.C. la Fargue, ca. 1760. Coll. Haags Gemeentearchief
30 JANUARI 2025
STICHTING IN ARCADIË
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
→ De korenmolen gezien vanaf de Hoornbrug met in het verschiet de Tolbrug en Voorburg, vervaardigd door J.E. la Fargue, ca. 1760. Coll. Haags Gemeentemuseum
30 JANUARI 2025
Ooggetuigen In contemporaine literatuur wordt met name de buitenplaatsen aan de Vliet bezongen, denk bijvoorbeeld aan het beroemde hofdicht Hofwijck uit 1653 waarin Constantijn Huygens zijn buitenplaats aan de Vliet en het leven op de buitenplaats verdedigt en roemt. In 1746 beschrijft Isaak Tirion in zijn Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden op hoofdlijnen de Tedingerbroek onder Stompwijk. Hierover schrijft hij: ‘De Gesteltenis der Landen onder Stompwyk, Wilsveen en Tedingerbroek is veenachtig, doch zo dat men ‘er zeer goed Wei- en Hooiland heeft. De drooggemaakte Landen bestaan uit Kleigrond, en konnen mede tot zeer goed Wei- en Hooiland, alsmede tot Teelland, dienen. De Opgezetenen bestaan hier derhalven meest uit den Landbouw, de Veenery en Visschery.’59 Van Tedingerbroek, alwaar geen eigenlyk Dorp nog Kerk gevonden wordt’ staan volgens de auteur op de Lijst der Verpondingen van het jaar 1732 voor Tedingerbroek 111 huizen.60 Tirion besluit zijn beschrijving van Stompwijk met de mededeling: ‘In deeze Geregten leggen geene Adelyke Huizen, doch in Tedingerbroek zyn: langs de Vaart naar Delft en den Haage, over het Ambagt van Voorburg, verscheiden’ aanzienlyke Lustplaatsen’.61 Ook in esthetisch-landschappelijk opzicht moeten oude strandwallen hebben aangesproken. Ze zorgden voor enig reliëf in het verder uiterst vlakke landschap.
Juist de overgang van de zandige banken naar de lager gelegen veen- en weidegebieden kenmerkte zich door grote landschappelijke schoonheid. Enkele buitenplaatseigenaren betaalden voor een vrij uitzicht over naburige gronden via een servituut, waar jaarlijks voor betaald moest worden. Hoekenburg, aan de westoever van de Vliet, had een servituut voor een vrij zicht over het polderlandschap richting Ypenburg.56 De buitenplaatsen Vredenoord en Zeerust aan de andere zijde van de Vliet lieten koepels bouwen op de grenzen van hun park- en tuinaanleg om van een vrij zicht op het polderlandschap ten oosten van hun landgoed te genieten.57 Van zuid naar noord worden op de Kruikiuskaart diverse buitenplaatsen en hofsteden aangeduid, zoals Uytenburch, Drievliet, Zuyderbruch, Overburch, en Leeuwenbergh. Tussen de Oude Tolbrug en Kerkbrug ontstonden zelfs twee geheel nieuwe buitenplaatsen: Leeuwenbergh en Den Hoorn Aert. Het betreft een mix van buitenplaatsen met een ‘moderne’ tuin- en parkaanleg in Hollands classicistische stijl, maar ook buitenplaatsen waar nog niet interne samenhang tussen de verschillende onderdelen is maar wel een tuinaanleg in geometrische stijl hebben. De tuinen in Hollands classicistische stijl zijn hierbij symmetrisch langs een middenas en dwarsassen in deeltuinen verdeeld.
De structuurelementen die deeltuinen bepalen zijn lange lanen, soms met bomen beplant, loofwerken met afwisselende beplanting, hoge hagen, kabinetten, koepels, colonnaden, doolhoven, boomgaarden met laaggeënte bomen, leimuren met sierlijk gesnoeid leifruit en moestuinen. Sierelementen in de tuinen zijn tuinbeelden, zonnewijzers, loofpoorten of priëlen en latwerken. In de loop van de 18e eeuw wordt de overdaad van sierelementen in barok- of rococostijl in de tuinen nog groter.58 Over de individuele verhalen en geschiedenissen van deze buitenplaatsen is in de afgelopen decennia veel gepubliceerd, informatie hierover is onder andere te vinden in de publicatie Buitenplaatsen langs de Vliet en omgeving (1988) van T. Buitenhuis en De Vliet langs Leidschendam en Voorburg (2018) van Kees van der Leer.
In de publicatie De Nederlandsche Stad- en Dorpsbeschrijver van Lieve van Ollefen gaat de aandacht enkel uit naar de Vliet bij Voorburg. Hierover schrijft hij: ‘Het Ambacht van Voorburg ligt aan den Delfschen Vliet, tusschen de steden Delft en Leiden, […] in zulk een bekorelijk oord, dat het oog zig in deszelfs schoonheid niet kan verzadigen; […] geen minder luister wordt het Dorp bijgezet door zijne ligging aan den Vliet, door welke dagelijks een menigte van vaartuigen op en van de steden Delft, Leiden en ’s Graavenhaagen, enz. gaan, en uit welke Vliet twee grachten op dit dorp uitkomen, ten grooten gemakke van de Dorpelingen.’62 De Tedingerbroek wordt enkel aangehaald als onderdeel en grens van de verschillende polders en ambachten. Enkele buitenplaatsen in het studiegebied worden nog net aangehaald: ‘Langs deeze scheiding komt men door de Haagsche Vliet, op den weg tusschen den nieuwen tolbrug, welke onder Voorbrug ligt en de Hoornbrug: op deezen weg ontmoet men onder Rijswijk, de buitenplaats Meijvliet, waarvan een gedeelte onder Rijswijk en een gedeelte onder Teedingerbroek ligt; is van weinig aanzien : daar achter ligt aan de Posten-Kade in de Nieuwenbroekpolder een vogelkooi.
Drievliet, alzo genaamd, om dat de vlieten op Delft, Leijden, en den Haag aldaar in één loopen, waar nevens ligt de buitenplaats Vredenoort, zijnde wel aangelegen, en zeer vermaaklijk, worden beiden voor zomer- en winterverblijven gebruikt […] Naast de molenwatering van den Nieuwenbroek polder, werd voor eenige jaaren een bleekerij gemaakt, doch wordt nu tot een buitenplaasjen aangelegd, is daarom genaamd Buiten gedachten, wordt in huur gebruikt’.63
33
STICHTING IN ARCADIË
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
30 JANUARI 2025
← Kadastraal Minuutplan geprojecteerd op een luchtfoto. De kleuren geven het grondgebruik aan. Kaartbeeld via HISGIS.nl Legenda Weiland Huis Erf Tuin (moestuin) Bosch als lustplaats of Bosch als hakhout Grond van vermaak Boomgaard Bouwland Water of vijver
34
HET LANDSCHAP VAN DE VLIETZOOM - HISTORISCH ONDERZOEK EN IDEEËNBOEK
STICHTING IN ARCADIË
2.6
30 JANUARI 2025
Eerste helft 19e eeuw Landelijk leven langs de Vliet
Uit de eerste helft van de 19e eeuw zijn twee belangrijke kaartenseries overgeleverd die inzicht geven in het gebruik de inrichting van het landschap in het studiegebied, namelijk de kadastrale kaarten en de Nieuwe kaart van ‘s-Gravenhage met de omliggende dorpen en buitenplaatsen (1838), vervaardigd door S.W. van der Noordaa. Vermoedelijk heeft de laatste zijn kaart gebaseerd op de bladen van het Kadastraal Minuutplan. Van het studiegebied bestaan relatief vroeg ingemeten kadastrale kaarten uit 1812, die zijn herzien in 1819. De bijbehorende Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel (OAT) dateert uit 1832. Het geheel geeft inzicht in inrichting, eigendom en gebruik van de percelen in het studiegebied. De Kadastraal Minuutplans geven een gedetailleerder beeld van het gebruik en de inrichting. Op de Kadastrale Minuutplannen van Rijswijk (Sectie E ‘Nieuwe broekpolder’) en Stompwijk (Sectie G ‘Tedingerbroek’ en Sectie H ‘Leidschendam’) is te zien dat een groot deel van de percelen in gebruik is als weiland. De Tedingerbroekpolder had nog steeds een grotendeels open agrarisch karakter. Buiten het studiegebied zijn de veenplassen, hier genaamd ‘de Plas’ van de veenafgraving zichtbaar. Op structuurniveau komt de kaart overeen met de Kruikiuskaart uit 1712: met betrekking tot de infrastructuur, bruggen, opzet en het verkavelingspatroon zijn er weinig tot geen wijzigingen opgetreden.
Duidelijk zichtbaar is ook de sloot die parallel ligt aan de weg/jaagpad. Net als op de Kruikiuskaart is te zien dat de Molensloot bij de Westmolen een scheiding vormt tussen het noorden en zuiden. Ten noorden van deze Molensloot is er beperkt bebouwing aanwezig. Er liggen in dit gedeelte maar enkele hofstedes en een buitenplaats met wat meer grond eromheen. Dit betreft o.a. Brugwijk van Jan Baptist Mersie uit Den Haag, Vischvliet in bezit van Jacobus Hoogendijk uit Stompwijk en Nabij in bezit van Henricus Gijsbertus de Vogel van Aalst uit Voorburg. Mersie en De Vogel van Aalst bezitten ook percelen ten zuiden van de Molensloot. Een gedeelte van de percelen weiland is in bezit van inwoners uit Voorburg en Stompwijk – het betreffen in de meeste gevallen maar enkele percelen.
Een andere opvallende wijziging op het Kadastraal Minuutplan is de verandering in tuinstijl op de buitenplaatsen. De geometrische stijl maakte in de laatste kwart van de 18e eeuw plaats voor de (vroege) landschapsstijl. Hierbij werd een heel ander landschap nagestreefd dat het beeld van talloze oude en nieuwe buitenplaatsen zou gaan bepalen. Slingerende padenstelsels, beken en vijvers met grazige weiden en golvende bosranden vervingen de rechtlijnige paden, bosquetten, sloten en grachten uit de geometrische stijl. Toch is van de geometrische stijl wat betreft tuinaanleg meer overgebleven dan men op het eerste gezicht zou denken. Hoewel de landschapsstijl tal van buitenplaatsen later aanzienlijk wijzigde, zijn er soms nog rudimentaire, maar toch duidelijk herkenbare elementen uit de 17e en 18e eeuw; zoals laanstructuren, opzet van het landgoed en de locatie van de waterpartijen.64 Op de oostoever waren bij de buitenplaatsen veelal omvangrijke waterpartijen aanwezig, zoals bij de grote buitenplaatsen Vredenoord, Zuiderberg en Leeuwenberg, maar ook de kleinere buitenplaatsen Zeerust en Vischvliet. De grote aanwezigheid van water in de drassige veengronden zal ongetwijfeld hier ook van invloed zijn geweest.65 Aan deze parkwijzigingen werkten soms beroemde tuin- en landschapsarchitecten mee.
De buitenplaats Vredenoord is aan het begin van de 19e eeuw aangelegd in landschapsstijl door Jan David Zocher sr. Hij integreerde een aantal elementen uit de 18e eeuw in het nieuwe ontwerp; zo verving een slingerende vijver in landschapsstijl een 18e-eeuws grand canal. Zijn zoon Jan David jr. werkte later in de 19e eeuw nog eens aan de tuin- en parkaanleg. Hierbij verwerkte hij de Molenweide, die ten zuiden van het Achterpark ligt, in de parkaanleg van de buitenplaats.66 Ook de buitenplaats Vreugd en Rust aan de westoever was door de familie Zocher onder handen genomen. Bijzonder is dat de buitenplaats Den Honaert die in tegenstelling tot de andere buitenplaatsen langs de Vliet niet meebeweegt met de laatste mode en zijn aanleg in geometrische stijl behoudt.