CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS321810 Den Haag Strijdbaar voor de transgemeenschap bijlage 3

Commissie Samenleving 5 juni 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken32.253 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Voor meer specifieke en gerichte vragen kunnen transjongeren terecht bij een ervaringsdeskundige van Jong&Out. Verder hebben transjongeren uiteraard veerkracht en zijn (grotendeels) zelfredzaam en kunnen de meesten zelf online informatie en hulp te vinden. “Kijk de meesten zijn natuurlijk online prima in staat om zelf zich ook te informeren waar hulp is. Dat moet je niet onderschatten. Zeker de jeugd, die weet het tien keer beter dan ik. Die hebben het zelf best wel gevonden, maar dan scheelt het wel dat je zegt van… ik ken ze of ga daar eens kijken. Sommigen willen offline daten. Nou dan moet je weer een hele andere richting op adviseren en je kan niet direct een heel leven gaan structureren. Je kan ze hooguit een klein stukje op weg helpen en hopen dat we weer terugkomen als ze iets anders nodig hebben” [sociaal verpleegkundige 2, Den Haag]. De geïnterviewde zorgverlener zag ook dat transzorg “wel steeds meer wordt meegenomen in een traject” [coördinator/casemanager, Den Haag], wat volgens haar een goede ontwikkeling is. Hierdoor komt de impact van genderproblematiek beter in beeld en wordt het meer meegenomen bij behandelingen.

Ze geeft aan dat als mensen met genderproblematiek kampen er ook vaak een autismespectrum kan zijn, dus dat er ook aan gedacht wordt om dat verder uit te zoeken, dan zich blindstaren op een specifieke diagnose en dat die specifieke diagnose steeds minder op de voorgrond staat. Ze vindt dat een hele goede verandering, dat er breed gekeken wordt, wat echt de hulpvraag is van de cliënt in plaats van wat is een diagnose van iemand, dat die diagnose niet altijd gelijkloopt met de hulpvraag. Na uitgebreid gepraat te hebben over transfobie en de negatieve impact daarvan op zijn cliënten, wilde de geïnterviewde psycholoog toch ook hoopvolle geluiden meegeven. In zijn beleving is de maatschappij ook wat aan het veranderen. “Als ik al op feestjes en verjaardagen van mensen hoor van nou mijn kind is naar de middelbare school gegaan en in de klas zijn er drie non-binair en vier panseksueel en dan geeft mij dat wel hoop en ik juich dat wel toe. Ik denk dat dat een goede ontwikkeling is wat uiteindelijk ook gaat bijdragen aan destigmatisering en hopelijk ook kunnen zijn wie je bent. Dat zal ook zo gaan. Ja, in golven.” [Psycholoog, Den Haag] Hoewel er behoefte is aan meer onderlinge afstemming tussen organisaties, weten zorgverleners en cliënten ‘via het informele circuit’ of de transgender wegwijzer de relevante zorgverleners en ervaringsdeskundigen steeds beter te vinden.

“Dan doet het netwerk z’n werk en dan weet je ons toch te vinden” [GGD, Den Haag] Daarnaast is er een groep zorgprofessionals, die zich bezighoudt met genderdiversiteit en de zorg voor transpersonen. Zij voelden zich soms een “ambassadeur” ook binnen de eigen organisatie om bij te dragen aan het normaliseren van en het kunnen registreren van genderdiversiteit in de systemen en mee te nemen in de bejegening van hun 52

cliënten. Een aantal van deze zorgprofessionals plaatste een kritische kanttekening bij zichzelf en benadrukte dat zij “een specifieke oververtegenwoordiging zien van een specifieke doelgroep, natuurlijk in verband met andere risico's… [en dat het] ook belangrijk is dat jij zegt van er zijn ook heel veel queer transpersonen, die wel happy zijn en lekker gaan en gewoon tevreden zijn of geholpen zijn. Gendereuforie, dat is het zeker.” [Sociaal verpleegkundige 2, Den Haag]

12. CONCLUSIES DEEL 2 In deel 2 stonden de perspectieven en ervaringen van zorgverleners centraal en werd onderzocht welke uitdagingen en mogelijkheden zorgverleners ervaren bij het aanbieden van zorg aan transjongeren. Allereerst bleek dat de lange wachtlijsten en het gebrek aan specialistische zorg voor jongeren onder de 18 in Den Haag veel impact heeft op transjongeren in Den Haag. Dit kan leiden tot psychische klachten, depressie en soms zelfs zelfmoord. Het drijft transjongeren soms ook naar risicovolle alternatieven, zoals zelfmedicatie, wat hun gezondheid verder in gevaar kan brengen, zeker zonder medische begeleiding. Het huidige systeem, waarin een GGZ-behandeling de voorwaarde is voor de toegang tot specialistische transzorg, werkt stigmatisering in de hand, omdat het naast een Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders – 5 (DSM-5) diagnose negatieve gevolgen kan hebben voor iemands toekomstperspectieven. Voor transjongeren onder de 18 is de Jeugdwet een extra complicerende factor voor de toegang tot transzorg en zullen ambtenaren moeten meebeslissen over de essentie van een transjongere, diens mogelijkheden en toegang tot specialistische zorg, zonder dat zij alle besluitvormers zelf gesproken te hebben.

Daarnaast kunnen ouders/wettelijke vertegenwoordigers van transjongeren onder de 16 de toegang tot een groepstraining, individuele of groepsgesprekken en de start van een voortraject blokkeren. Transjongeren zijn hierdoor grotendeels afhankelijk van de goodwill van hun ouders, ambtenaren, doorverwijzers en wachtlijsten in de toegang tot specialistische transzorg. Dit brengt (onnodige) spanning, verdriet en frustratie met zich mee. Tot slot benadrukten diverse zorgprofessionals dat de bijzondere innerlijke kracht van transjongeren niet onderschat moet worden, ze tonen een introspectieve houding en zijn minder geneigd om zich te conformeren aan de heteronormatieve cisgender patriarchale verwachtingen van de samenleving en wat anderen van ze vinden. Dit onderstreept de noodzaak voor uitbreiding van en een meer empathische en flexibele benadering van transzorg. Verder kwam naar voren dat zowel de lange wachtlijsten en de fysieke afstand tot de specialistische transzorg grievend en problematisch waren. Zeker voor transjongeren bleek het lange wachten extra zwaar door hun levensfase, wat regelmatig tot psychische problemen en soms zelfs zelfmoordpogingen leidden. De toegang tot de specialistische GGZ werd als meest zorgelijk gezien, omdat de wachttijden daar het langste waren, er een gebrek aan capaciteit was en deze specialistische GGZ niet in Den Haag aanwezig is.

Transjongeren in Den Haag worden door de extra reistijd benadeeld en op kosten gejaagd, terwijl de indicatiestelling van de specialistische GGZ een verplicht voorwaarde is om toegang te kunnen krijgen tot specialistische transzorg. Daarnaast bleek de specialistische GGZ voor psychische begeleiding en zorg tevens lastig te zijn. Daarnaast is de kwaliteit en toegang van transzorg afhankelijk van de handelingsbekwaamheid van de zorgprofessionals. Echter werd de handelingsverlegenheid van sommige zorgprofessionals als één van de grootste belemmeringen genoemd. Dit kwam meestal door een gebrek aan kennis en affiniteit met transjongeren en het ontbreken van modules over transzorg in de generieke opleidingen. Hierdoor zal de handelingsbekwaamheid van zorgprofessionals grotendeels afhangen van de eigen affiniteit en bereidbaarheid om met transjongeren te werken. Daarnaast bleek het ‘tuchtrecht paradox’ een complicerende factor te zijn, omdat dit recht patiënten enerzijds beoogt te beschermen, maar deze wettelijke aansprakelijkheid anderzijds belemmerend kan werken uit angst om fouten te maken. Artsen zouden zich (on)bewust achter deze aansprakelijkheid kunnen verschuilen om uiteindelijk niet de zorg aan transpersonen te leveren, die verwacht 53

mag worden. Zolang er geen duidelijke kaders zijn zoals een Richtlijn-Transzorg voor huisartsen of er geen bereidbaarheid is om als beroepsgroep transzorg te includeren, zal de toegang en kwaliteit van de generieke transzorg grotendeels afhangen van de affiniteit en commitment, kennis en invulling van (huis)artsen afhangen. Dit zou in ieder geval voor het opstartfase en de chronische transzorg niet het geval moeten zijn. Verder bleek dat transfobie zowel online als in de fysieke wereld de afgelopen tijd is toegenomen en dat dit zowel een negatieve impact heeft op het welzijn van de transjongeren als het werk van zorgprofessionals op de langere termijn en de mogelijke maatschappelijke steun ook vanuit de (nationale) overheid. Tot slot hadden de geïnterviewde zorgprofessionals binnen hun eigen werkzaamheden en context behoeften aan meer budget voor de werkzaamheden en de bevoegdheid van de organisatie en meer afstemming en afbakening van de zorg, bij de maatschappelijke organisaties ging het meer om takenverdeling, uren en invulling van de werkzaamheden, en bij de zorgverleners, die onder de BIG wet vielen, was er ook behoefte aan wettelijke kaders en richtlijnen.

Tot slot benoemden de zorgprofessionals een scala aan verbeterpunten en riepen zij op om de lange wachtlijsten te verkorten of op te heffen, met name de toegang tot de specialistische GGZ zou sneller, beter en idealiter in Den Haag moeten zijn. Verder gaven de zorgprofessionals aan dat het belangrijk is om naar transjongeren te luisteren, omdat zij vaak zelf het beste weten waar ze behoefte aan hebben en de handelingsbekwaamheid van de andere zorgverleners te verbeteren door bijvoorbeeld scholing, een open houding, contact met ervaringsdeskundigen en transjongeren zelf. Verder zouden ontmoetingen tussen transjongeren gestimuleerd moeten worden en zouden de zorgverleners meer met elkaar kunnen afstemmen en samenwerken in een nog op te richten regionaal netwerk. Andere verbeterpunten, die niet direct in de eigen beïnvloedingsruimte lagen, waren het normaliseren van transzijn en de acceptatie van ouders. De rol van scholen bij de preventie, informatievoorziening en voorlichting werd hierbij meermaals genoemd. Tevens zijn voorlichting en dialogen met ouders nodig om de acceptatie van transkinderen te bevorderen.

54

13. SAMENGEVAT: WAT ZEGGEN TRANSJONGEREN EN ZORG- EN HULPVERLENERS Wat zeggen: TRANSJONGEREN 1. Creëer mogelijkheden voor transpersonen om te zwemmen en te sporten Uit het onderzoek blijkt een sterke behoefte onder jongeren aan een veilige plek om te zwemmen. Meerdere respondenten brachten dit naar voren en de onderzoekers kregen hier breed draagvlak voor in gesprekken met anderen. Een speciale zwemtijd voor transpersonen, bijvoorbeeld één keer per week, zou hen de mogelijkheid bieden om zonder zorgen te sporten, zonder angst voor oordelen over hun lichaam. Op dit moment zijn er te veel barrières, waaronder gevoelens van onveiligheid, die deze stap bemoeilijken. Een respondent verwoordde het als volgt: "Ik doe baantjes trekken, maar ik vind het doodeng elke keer tot ik in het water lig." Een uur transzwemmen zou al een belangrijke stap zijn. In Amsterdam wordt dit al aangeboden, en het blijkt succesvol. Naast zwemmen is er ook behoefte aan meer sportmogelijkheden voor transjongeren in het algemeen, om hun fysieke en mentale welzijn te bevorderen. In steden zoals Rotterdam en Amsterdam bestaan inclusieve sportscholen, zoals We are Queer. Deze organisatie draaide vorig jaar een succesvolle pilot genaamd 'Transport', waar transjongeren gratis konden deelnemen.

Er is nu de wens om dit project landelijk uit te rollen, en zij zouden ook graag in gesprek gaan met Gemeente Den Haag om dit te kunnen realiseren.

2. Oprichten van een genderkliniek in Den Haag of vergroten van kennis over trans-zijn binnen relevante specialisaties Er is een dringende behoefte aan meer aandacht voor structurele transzorg en ondersteuning in Den Haag. Jongeren geven aan ernstig te lijden onder de huidige staat van transzorg in Nederland. De lange wachttijden worden door velen beschreven als “de hel.” Als alternatief zoeken sommigen hulp in het buitenland of kiezen voor DIY-oplossingen. Jongeren ervaren niet alleen problemen met de lange wachttijden bij het VUMC en de gemedicaliseerde en binaire benadering, maar voelen ook dat hun recht op zelfbeschikking en autonomie wordt beperkt. Ze hebben behoefte aan zorg die dichterbij en breder beschikbaar is. Deze zorg omvat onder andere: • • • •

• • • •

Jongeren geven aan betere ervaringen te hebben met huisartsen wanneer deze geen onnodige of persoonlijke vragen stellen, hen serieus nemen en goed naar hen luisteren. Er is behoefte aan toegankelijke doorverwijzingen naar bijvoorbeeld (trans-inclusieve) psychologen. Zorgverleners die al over basiskennis over trans-zijn beschikken, worden sterk gewaardeerd, zodat jongeren niet telkens opnieuw hun situatie hoeven uit te leggen. Jongeren hebben een sterke voorkeur voor een zorgsysteem dat werkt volgens het ‘ongoing informed consent-model’. Dit model gaat uit van serieus genomen worden vanaf het begin, zonder dat transpersonen zichzelf voortdurend hoeven te bewijzen. Meer toegang tot ervaringsdeskundigen en zorgverleners van kleur wordt als essentieel gezien, om meer diversiteit en herkenning te waarborgen tijdens het behandeltraject. Er is ook behoefte aan betere informatievoorziening, met name in het Engels, om tegemoet te komen aan de behoeften van internationale studenten. Toegang tot alternatieve vormen van ondersteuning, zoals creatieve therapie, wordt eveneens als waardevol beschouwd. Tot slot wordt financiële ondersteuning gewenst voor zaken als sportactiviteiten, opvangplekken en hulpmiddelen zoals binders, om zorg en welzijn voor transjongeren toegankelijker te maken. 55

De jongeren geven aan dat het prettig zou zijn als er bij de huisarts een specifiek aanspreekpunt is voor LGBTQIA+-gerelateerde zaken. Deze persoon zou bijvoorbeeld goed op de hoogte moeten zijn van doorverwijzingen, hormonale behandelingen, de beste plekken om je in te schrijven afhankelijk van je woonplaats, en de actuele wachttijden. Het idee is dat dit aanspreekpunt een centrale bron van kennis en ondersteuning biedt, zodat jongeren met hun vragen terecht kunnen zonder alles zelf te hoeven uitzoeken. Het zou fijn zijn als deze persoon niet alleen kan doorverwijzen, maar ook advies kan geven over opties en wat het beste past bij de behoeften van de jongere. Daarnaast benadrukken de jongeren dat dit aanspreekpunt vooral van waarde kan zijn voor minderjarigen, zoals 14-, 15- of 16-jarigen, die op de wachtlijst willen komen maar mogelijk geen ondersteuning krijgen van ouders of moeite hebben met zelfstandig informatie zoeken. "Ik moet er niet aan denken dat zij dat allemaal zelf moeten uitzoeken," zegt een van de jongeren. Tot slot is het idee ontstaan om een informatiebestand te ontwikkelen dat naar huisartsen gestuurd kan worden. Dit bestand zou praktische en belangrijke informatie bevatten om zorgverleners beter voor te bereiden op transspecifieke zorgvragen.

3. Oprichten van een sociale plek met crisisopvang voor transjongeren Veel transjongeren ervaren dat ze alles zelf moeten uitzoeken. Er is daarom een sterke behoefte aan een sociale plek waar transjongeren regelmatig en gemakkelijk samen kunnen komen (zoals al ontwikkeld wordt door Stichting Queermind). Deze plek zou specifiek voor en door transpersonen moeten zijn, waar zij elkaar kunnen ontmoeten en ondersteunen. Het creëren van veilige en fijne ontmoetingsplekken is essentieel, met bijvoorbeeld meer activiteiten of speciale dagen gericht op transgemeenschappen. Belangrijke functies van deze plek: • Ondersteuning bij het vinden van je pad: Jongeren hebben behoefte aan een laagdrempelige plek waar ze praktische vragen kunnen stellen, zoals "Waar kan ik heen?" en "Wat zijn mijn opties?" Een dergelijke plek zou vergelijkbaar kunnen zijn met T-RREx, maar met meer nadruk op praktische begeleiding en het bieden van overzichtelijke informatie over mogelijkheden en trajecten. • Mentale ondersteuning: Een ruimte waar jongeren hun ervaringen kunnen delen, gesprekken kunnen voeren of deelnemen aan informele activiteiten met lotgenoten wordt als waardevol gezien. Deze plek zou hen een gevoel van gemeenschap en emotionele steun kunnen bieden.

• Zelfzorg en praktische vaardigheden: Jongeren hechten waarde aan cursussen en praktische ondersteuning die bijdragen aan hun zelfzorg en autonomie. Denk hierbij aan cursussen mindfulness, leren haren knippen (met gratis knipbeurten voor transpersonen, gezien de vaak binaire werkwijze van kappers), en kleding maken. Deze initiatieven helpen jongeren niet alleen om praktische vaardigheden te ontwikkelen, maar ook om meer controle over hun eigen welzijn te krijgen. • Tijdelijke/nachtopvang: Veel transjongeren voelen zich onveilig in reguliere opvanglocaties, waardoor er een dringende behoefte is aan veilige, tijdelijke crisisopvang. Een sociale plek waar deze opvang geboden wordt, kan een cruciale rol spelen in het creëren van veiligheid en rust in crisissituaties. • Stimuleren van Transjoy: Jongeren benadrukken het belang van het vieren van transidentiteit en het creëren van ruimtes waarin het positieve en vierende aspect van trans-zijn centraal staat. Ze zien behoefte aan laagdrempelige activiteiten die georganiseerd worden voor en door transpersonen, zoals gezellige etentjes, spelletjesavonden of andere informele bijeenkomsten. Dit soort initiatieven bieden niet alleen ruimte voor verbinding en plezier, maar verschuiven de focus van de uitdagingen van transzijn naar de vreugde en trots die het ook kan brengen.

Transjoy is een onderbelicht, maar essentieel aspect dat helpt bij het versterken van een positief zelfbeeld en een gevoel van gemeenschap.

56

4. Buddy-systeem Uit het onderzoek blijkt dat er onder transjongeren een sterke behoefte is aan sociale contacten met anderen binnen de transgemeenschap. Het delen van ervaringen wordt als heel waardevol ervaren door zowel de respondenten als de onderzoekers. Om deze behoefte te vervullen, wordt het idee voorgesteld om een buddysysteem op te zetten. Dit systeem zou transjongeren de mogelijkheid bieden om regelmatig contact te hebben met een buddy voor zowel sociaal contact als praktische ondersteuning. Een buddy kan bijvoorbeeld helpen met dagelijkse zaken, het delen van relevante kennis en informatie, en het bieden van een luisterend oor. Dit systeem zou een belangrijke bron van steun kunnen zijn voor transjongeren die anders vaak op zichzelf aangewezen zijn.

5. Meldpunt voor transfobie en transfoob geweld In de huidige context van toenemende demonisering van transpersonen is het essentieel om de veiligheid van transpersonen te waarborgen. Het opzetten van of beter bereikbaar maken van een bestaand meldpunt voor transfobie en transfoob geweld kan hierin een belangrijke rol spelen. Dit meldpunt zou jongeren een veilige plek moeten bieden om incidenten van discriminatie en intimidatie te melden. Het meldpunt zou daarnaast waardevolle data verzamelen over de aard en frequentie van transfobe incidenten, wat kan bijdragen aan meer gerichte maatregelen en beleidsvorming. Het gevoel dat hun ervaringen serieus worden genomen, is van groot belang voor transjongeren, en een meldpunt kan daarin voorzien. Het is volgens de jongeren belangrijk dat dit meldpunt geen onderdeel is van de politie.

6. Meer ervaringsdeskundigen in de zorg Ervaringsdeskundigheid is van cruciaal belang in de zorgverlening aan transjongeren. Jongeren geven aan dat zij graag meer ervaringsdeskundigen zouden zien in de zorg en ondersteuning die specifiek gericht is op hun behoeften. Dit zou niet alleen bijdragen aan een beter begrip van hun situatie, maar ook het gevoel wegnemen dat zij zich voortdurend moeten verdedigen en basisinformatie moeten uitleggen aan hulpverleners. De aanwezigheid van zorgverleners met persoonlijke ervaring als transpersoon kan helpen om een veilige en begripvolle omgeving te creëren waarin jongeren zich gehoord en gesteund voelen. Daarnaast zou het inzetten van ervaringsdeskundigen in zorgtrajecten ook kunnen bijdragen aan het verminderen van onnodige vertragingen en miscommunicatie. De uitkomsten van interviews met ervaringsdeskundigen in dit onderzoek laten ook zien dat ervaringsdeskundigen flexibeler zijn en meer buiten de lijntjes durven te kleuren, iets waar veel transjongeren behoefte aan hebben. Ervaringsdeskundigen kunnen daarmee een brug slaan tussen jongeren en traditionele zorgverleners, door relevante informatie en context te bieden en een beter begrip te creëren van wat transjongeren echt nodig hebben.

Wat zeggen: ZORGVERLENERS 1. Wachttijden moeten korter of verdwijnen Zorgverleners geven aan dat de wachttijden in de zorg onacceptabel lang zijn. Zij erkennen dat het moeilijk voor transjongeren is om de stap te zetten om hulp te vragen, en tegen de tijd dat ze dit doen, is de nood vaak hoog. Hulp wordt direct verlangd en niet pas na maanden of zelfs jaren wachten.

2. Een specialistisch centrum in Den Haag Veel zorgverleners zien de noodzaak voor een specialistisch centrum of in ieder geval specialistische GGZ voor een indicatiestelling in Den Haag, mogelijk in samenwerking met Rotterdam. Naast het besparen van reistijd en kosten, is het vooral voor psychologische hulp belangrijk om niet wekelijks lange afstanden te moeten reizen. 57

Eén van de geïnterviewden gaf aan: “Het is vreemd dat we in Den Haag en Rotterdam geen specialistisch centrum hebben zoals in Zaandam.”

3. Meer samenwerking en afstemming tussen zorgaanbieders Er is een sterke behoefte onder zorgverleners aan betere samenwerking en afstemming binnen de zorgketen voor transjongeren, van preventieve zorg tot gespecialiseerde GGZ. Zorgverleners geven aan dat transjongeren, en ook vaak hun ouders, het zorgaanbod als versnipperd ervaren, waardoor het lastig is om de juiste hulp te vinden. Een overzichtelijke lijn van verschillende zorgvragen, -aanbod en -mogelijkheden gericht op transjongeren kan deze jongeren helpen om sneller de juiste zorg te vinden, zonder zelf door het “oerwoud aan zorgopties” te hoeven navigeren. Daarbij zouden landelijke kaders of richtlijnen een uitkomst kunnen bieden om de onderlinge gelijkheid tussen regio’s te bevorderen, zodat hetzelfde aanbod, continuïteit van het aanbod en de spreiding van de kennis bewerkstelligd kan worden. Een officiële landelijke opdracht voor seksuele gezondheid zou duidelijkheid bieden voor het mandaat, (rolverduidelijking) van met name (semi)overheidsinstanties. Onder transzorg valt ook een deel chronische zorg, die gewaarborgd moet worden en daarom is de continuïteit belangrijk.

4. Meer budget en prioriteit voor transzorg Uit de interviews blijkt ook dat er meer financiële middelen en prioriteit nodig zijn voor transzorg. Naast medische en psychologische zorg, is er behoefte aan laagdrempelige ontmoetingsplekken, lotgenotengroepen en activiteiten speciaal voor transjongeren. Ook praktische hulp, zoals begeleiding bij het ontdekken van hun genderidentiteit of hulp bij sociale activiteiten, is gewenst. Eén zorgverlener gaf aan: “Ik gun deze jongeren plekken waar ze zichzelf kunnen zijn en elkaar kunnen ontmoeten, zonder het gevoel dat ze buiten de norm vallen.”

5. Basiskennis over genderidentiteit voor alle hulpverleners Alle geïnterviewde zorgverleners waren gemotiveerd om zich te verdiepen in genderidentiteit, maar gaven aan dat zij tijdens hun opleiding geen onderwijs over dit onderwerp hebben gekregen. Deze kennis is essentieel om transjongeren goed te kunnen begeleiden en hen niet onnodig door te verwijzen naar specialistische zorg. Het advies luidt dat alle hulpverleners minimaal basiskennis over genderidentiteit in de breedste zin zouden moeten hebben, zodat deze jongeren zich gehoord en erkend voelen. Een zorgprofessional benadrukte: “We moeten transidentiteiten normaliseren; dit zijn geen jongeren waar iets mis mee is.” [Programmaleider, Den Haag]

6. Ervaringsdeskundigheid in de zorgverlening Naast de behoefte aan en de meerwaarde van ervaringsdeskundigen in de zorgverlening die de transjongeren benoemden, laten het inzicht en de ervaringen van de geïnterviewde ervaringsdeskundige zorgverleners ook daadwerkelijk zien dat zij knowhow hebben, de hiaten in de informatiebehoeften, zorg en ondersteuning zien en “de gaten in de zorg” zoveel mogelijk zelf proberen op te vullen. Daarnaast weten ze vele transjongeren, via - via te bereiken, een (support)netwerk en vertrouwen op te bouwen en ze te begeleiden naar de reguliere zorg. Zorgprofessionals en ervaringsdeskundigen zouden meer met elkaar op kunnen trekken om kennis en informatie met elkaar te delen, elkaars netwerk en expertise aan te vullen en (gezamenlijk) inclusievere en empathische zorg te verlenen.

7. Verwijder genderdysforie uit het DSM-5 Een zorgverlener benoemde expliciet het belang van het verwijderen van genderdysforie uit de DSM-5, omdat de opname in deze lijst bijdraagt aan het stigmatiseren en pathologiseren van transpersonen. De zorgverlener stelde: “Het probleem is niet het trans zijn; dat is juist de oplossing voor veel jongeren. Het probleem ligt bij de maatschappij die hen niet accepteert zoals ze zijn. Net zoals seksualiteit ooit uit de DSM-5 is gehaald, zou genderdysforie dat ook moeten worden. Laat jongeren zichzelf ontdekken zonder hen te labelen.” 58

14. CONCLUSIE Samenwerking met informele netwerken en een mensgerichte benadering van transzorg Uit dit onderzoek blijkt dat transjongeren vaak obstakels ervaren in hun toegang tot zorg, zowel door negatieve ervaringen met zorgverleners als door een gebrek aan kennis en begrip over genderdiversiteit binnen het zorgsysteem. Tegelijkertijd vinden zij binnen hun sociale netwerken waardevolle kennis en ondersteuning, met name op het gebied van zorgtrajecten en hormoonbehandelingen. In plaats van te verwachten dat transjongeren zelfstandig hun weg vinden in een versnipperd en ontoegankelijk zorglandschap, zouden zorgverleners actief kunnen samenwerken met deze informele netwerken. Door deze kloof te overbruggen, kan de toegankelijkheid en effectiviteit van zorg aanzienlijk worden verbeterd. Daarnaast laat het onderzoek zien dat er een duidelijke mismatch is tussen de huidige benadering van transzorg en de ervaringen en behoeften van transjongeren. Zij voelen zich vaak vanuit een medisch en binair perspectief benaderd, wat hun trans-zijn reduceert tot een probleem dat opgelost moet worden. Deze visie staat in contrast met hun eigen beleving, waarin trans-zijn geen lineaire of statische ervaring is, maar een continu proces van zelfontdekking, persoonlijke groei en vreugde.

Voor veel jongeren is trans-zijn een bron van kracht, authenticiteit en gemeenschapsvorming, naast de uitdagingen die het met zich meebrengt. Helaas biedt het huidige zorgsysteem onvoldoende ruimte voor deze dynamische en positieve dimensies van trans-zijn. Er is daarom een dringende behoefte aan een zorgsysteem dat niet alleen focust op de medische aspecten van transitie, maar ook recht doet aan de volledige menselijke ervaring. Een mensgerichte zorgbenadering, waarin zowel de uitdagingen als de vreugde, autonomie en persoonlijke groei van transjongeren centraal staan, kan bijdragen aan een zorgomgeving waarin jongeren zich gehoord en gesteund voelen. De bevindingen uit dit onderzoek benadrukken dat een dergelijke benadering ook door veel zorgverleners wordt ondersteund. Zij erkennen dat er een kloof bestaat tussen de zorg die momenteel wordt geboden en de behoeften van transjongeren. Door actief samen te werken met de netwerken van transjongeren, kunnen zorgverleners gebruikmaken van de expertise en kennis binnen deze gemeenschappen en tegelijkertijd vertrouwen opbouwen bij jongeren die nu vaak sceptisch staan tegenover formele zorg. Tot slot benadrukt dit onderzoek dat een inclusieve en passende zorgomgeving niet alleen vraagt om samenwerking, maar ook om een fundamentele verandering in hoe trans-zijn wordt benaderd.

Door verder te kijken dan het medische en binaire perspectief en te focussen op de volledige gelaagdheid van trans-identiteiten, kunnen zorgverleners bijdragen aan een systeem waarin transjongeren worden erkend en ondersteund in al hun veelzijdigheid. Dit zal niet alleen de kwaliteit van de zorg verbeteren, maar ook bijdragen aan een inclusievere samenleving waarin transjongeren de ruimte krijgen om te groeien, zichzelf te ontdekken en te floreren.

59

BIJLAGE 1: AANBEVELINGEN VOOR HULPVERLENERS EN HUISARTSEN DIE WERKEN MET TRANSJONGEREN Algemene benadering • Zie transzijn als een ontdekking van de zelf, niet als een probleem. • Vraag altijd naar iemands voornaamwoorden en gebruik deze consequent. • Vraag niet onnodig naar persoonlijke zaken zoals geaardheid, seksualiteit of seksueel gedrag, tenzij dit medisch relevant is. • Respecteer grenzen en consent: als een jongere aangeeft ergens niet over te willen praten, respecteer dat en dring niet verder aan. Taalgebruik • Gebruik termen zoals 'genderincongruentie' in plaats van pathologiserende woorden zoals 'dysforie' of 'problematiek'. Overweeg of dergelijke termen überhaupt nodig zijn. • Wees bekend met diverse genderidentiteiten en terminologie, zoals a-gender, non-binair en genderqueer, om inclusiever te communiceren. Communicatie en relatie • Maak het gesprek persoonlijk: laat de jongere zich als mens gezien voelen en niet als dossier. Vraag bijvoorbeeld naar: o Hun verhaal en achtergrond. o Thuissituatie, vrienden, en sociale netwerk. o De support die ze al ervaren of nog nodig hebben. Informatie en kennis (deze aanbevelingen zijn meer specifiek voor huisartsen) • Zorg dat je goed geïnformeerd bent over de behoeften van transjongeren, zodat zij jou niet hoeven uitleggen wat transzorg inhoudt. Dit omvat: o Kennis van transzorgaanbod en de vaak lange wachttijden.

o Informatie over ondersteuning, zowel medisch als sociaal. o Praktische kennis over HRT (Hormoonvervangende Therapie): wat dit inhoudt en wat de effecten zijn. o Informatie over operaties: wat verschillende operaties inhouden en hoe je hierover advies kunt geven. Door deze aanbevelingen te volgen, kunnen hulpverleners en huisartsen een veilige en ondersteunende omgeving creëren waarin transjongeren zich gehoord en begrepen voelen.

60

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15356839/1