RIS321541 Bijlage 1 Motivering BOPA
Tekst van het document
A90-HS-ADV-24007579 / Vrijgegeven
2/6
Movares adviseurs & ingenieurs
ADVIESNOTA
Meijendel Berkheide
DeWilck
Westda mpa 4
/
Figuur 2. Het plangebied ten opzichte van Natura-2000 gebieden
UITGANGSPUNTEN EN INVOERGEGEVENS De stikstof- en ammoniakemissie die optreedt tijdens de realisatiefase is gebaseerd op een opgaaf zoals vastgesteld door een bouwkundige en afgestemd met de opdrachtgever. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen emissie die vrijkomt als gevolg van materieel op de bouwplaats enerzijds en emissie die vrijkomt als gevolg van bouwverkeer (zwaar vrachtverkeer, middelzwaar vrachtverkeer en licht verkeer/personenvervoer) van en naarde bouwplaats anderzijds. Materieel op de bouwlocatie Het materieel dat nodig is voorde realisatie van het project is onderverdeeld naarde verschillende activiteiten waarvoor het materieel wordt gebruikt. De relevante specificaties van het materieel, zoals het vermogen en brandstofverbruik zijn vastgesteld door een deskundige en afgestemd met de opdrachtgever. Op basis van deze inputgegevens is het materieel vervolgens in AERIUS ingevoerd als ‘mobiele werktuigen’ in de categorie ‘bouw, industrie en delfstoffenwinning ’. De invoergegevens met betrekking tot materieelinzet zijn weergegeven in Tabel 1.
A90-HS-ADV-24007579 / Vrijgegeven
3/6
Movares adviseurs & ingenieurs
ADVIESNOTA
Tabel 1. Specificaties materieel realisatiefase
Amoveren en bouwen onderstation Materieel
Type werkzaamheden
Stage
Vermogen
Draai-
Brandstof-
AdBlue-
klasse
(kW)
uren
verbruik
verbruik
350
2.485
149 24
(l/j) Graafmachine
Sloop en verwijderen fundering
IV
200
Bulldozer
Uitvlakken terrein na sloop
IV
60
40
400
Mobiele kraan
Bouw nieuwe units
IV
350
200
2.400
144
Lichte heistelling
Aanbrengen schroefpalen
IV
200
16
114
6
Verreiker
Bouwwerkzaamheden
IV
115
20
142
8
Dumper /
Bouwwerkzaamheden aanvoer
IV
215
56
588
35
vrachtwagen
materialen en afvoer slooppuin
Bemaling, pomp
Bemaling tijdens
IV
60
550
2.750
165
bouwwerkzaamheden
Bouwverkeer Het verkeer dat ten behoeve van het project zal gaan rijden, rijdt vanaf de projectlocatie aan de zuidwestzijde de Rijstkamp op. Vanaf de Rijstkamp rijdt het verkeerde Boekweitkamp op in zuidwestelijke richting. De Boekweitkamp gaat over in de Ijsclubweg en vervolgens in de Schenkkade. Vanaf de Schenkkade gaat het verkeerde Laan van Nieuw-Oost-Indië op.
Omdat de Laan van Nieuw-Oost-Indië een drukke doorgaande weg binnen Den Haag is waar per etmaal op basis van de CIMLK-monitoringstool circa 114 bewegingen zwaar verkeer, circa 400 bewegingen middelzwaar verkeer en circa 7.500 bewegingen licht verkeer plaatsvinden is als uitgangspunt gehanteerd dat het verkeer ten behoeve van de realisatiefase (172 bewegingen zwaar verkeer, 6 bewegingen middelzwaar verkeer en 1.186 bewegingen licht verkeer per jaar) vanaf de Laan van Nieuw-Oost-Indië opgaat in het heersende verkeer. In Figuur 1 en in de AERIUS-uitvoer (zie Bijlage 1) is de gemodelleerde route afgebeeld. Verkeersbewegingen zijn hierbij ingevoerd als verkeer binnen de bebouwde kom met een percentage van 0 in file. In Tabel 2 zijn de gegevens van het verkeer ook opgenomen. Tabel 2. Bouwverkeer ten behoeve van de werkzaamheden
Ontsluitingsroute, werkzaamheden onderstation - Laan van Nieuw-Oost-Indië Type
Zwaar vrachtverkeer
Middelzwaar vrachtverkeer Licht verkeer
Aantal verkeersbewegingen (j)
172 6 1.186
Voor het werkverkeer dat vertrekt is een koude start gemodelleerd op de locatie van het werkterrein. Voor het verkeer dat aankomt is dit niet van toepassing. Dit betekent dat de koude start voor de helft van het verkeer is gemodelleerd.
A90-HS-ADV-24007579 / Vrijgegeven
4/6
Movares adviseurs & ingenieurs
ADVIESNOTA
WIJZE VAN ONDERZOEK De berekening is uitgevoerd met het rekenmodel AERIUS, versie 2024. Hierin zijn gegevens verwerkt met betrekking tot emissiemodellen, achtergrondwaarden en habitattypen.
Voorde invoer in AERIUS zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Het rekenjaar (jaar van uitvoering) is vastgesteld op 2025; De activiteiten tijdens de realisatiefase (materieel) zijn gemodelleerd op het gehele plangebied; Verkeer ten behoeve van de realisatiefase is ingevoerd als verkeer binnen de bebouwde kom; Brandstofverbruik is naar boven afgerond; AdBlue verbruik is naar beneden afgerond; Omdat er momenteel reeds een onderstation op de locatie aanwezig is waar verkeersbewegingen ten behoeve van regulier onderhoud plaatsvinden, en er in de gebruiksfase in beperkte mate vervoersbewegingen voor onderhoud nodig zullen zijn, is het uitgangspunt dat er geen extra stikstofemissie in de gebruiksfase optreedt. In de bijlage met AERIUS-uitvoer is de precieze wijze van invoer verder opgenomen. RESULTAAT Uit de berekening met het AERIUS model versie 2024 blijkt dat de werkzaamheden ten behoeve van het realiseren van het onderstation te Den Haag Noord voor het rekenjaar 2025 niet zal leiden tot een toename in stikstofdepositie in Natura 2000gebieden. De volledige AERIUS-uitvoer is terug te vinden in bijlage 1. CONCLUSIES Uit de berekening met het AERIUS model versie 2024 blijkt dat er, als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden, geen toename in stikstofdepositie optreedt op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen en/of soorten die (bijna) overbelast zijn.
Negatieve effecten door stikstofdepositie als gevolg van de realisatiefase kunnen op basis van de AERIUS berekening worden uitgesloten. Een vervolgonderzoek is niet nodig.
A90-HS-ADV-24007579 / Vrijgegeven
5/6
Movares adviseurs & ingenieurs
ADVIESNOTA
Bijlage 1 Uitvoer AERIUS berekening
A90-HS-ADV-24007579 / Vrijgegeven
6/6
l
WWWN\,
I
Bijlage 5 Kabels en leidingen
Movares
2
1
5
4
3
6
7
8
11
10
9
13
12
15
14
16
A
A /
B
B
1
V
<
Ö
L
Q 4
c
C 0
+
-
—
— T
T
2
7
T
===
L_l_U-
I । I i I i L_l
1
L
L
1
D
1111
LLLLL1
111111
Fh I i I i I i I i I i I i I l
■
D
L
(?) (ZC Q JU/ J
E
£
T
=9
4
4-
QJ
O
058/1
05E/1/
©
E
1
II
TT
F
0006E-MS
Stedin
GS
Laagspanning
F
1
4
1
L
0007E-MS
Stedin
Laagspanning
EI
71
0005E-LS
G
29
11
Stedin
Laagspanning
G
18. 0
004E-LS
HTM
Laagsp
C
T
1 0
©
<
m
H
0001T-IL
BT
0002T-IL
0
0008R-VV Gemeente
Datatransport
0003T-IL
O
0/3
Riool Vrijverval
402
KPN
Datatransport i
H
I 1 I 1 I । I 'TT
Relined
i
Datatransport
i
i
© । l । l । l । I । l । ©F
mm
41
(Sj <
__LI
i
20330 404
i:i LEGENDA KABELS & LEIDINGEN DERDEN J
J
BESTAAND Datatransport/Telecom
Gas lage druk
Tractietrafo nieuw
Gas hoge druk BuisLeiding gevaarlijke inhoud
Klicnr: 210057330 d.d.: 05-06-2021
Hoogspanningsnet landelijk
K
Projectnummer
MN002781
Hoogspanning
Identificatiecode
Middenspanning
Versie
D83-MBE-AU-2101615 1.0
Documentstatus
13-07-2021 Vrijgegeven
(Petro)chemie
Formaat
A1 x 1
Riool vrijverval
Schaal
1:500
Versiedatum
Laagspanning
Besteknummer
Warmte
Projectleider
Waterleiding
Vrijgegeven
Den Haag Laan van N0I - Den Haag Binckhorst
MN002781
Wees
L
Kennislijn Omgeving en Processen Afdeling OP-OC-OC Postbus 2855 3500 GW Utrecht
Overig
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
K
Situatie kabels en leidingen Alle media (KLIC Quickscan) TEV Deelopdracht 1 - Den Haag
Tekenaar
Riool onder druk
ProRail
14
L
561
L
58.1
L
5200
L
001 L
Movares 15
A1
l
WWWN\,
I
Bijlage 6 Quickscan ecologie
Movares
■
Movares samen werkt het
RAPPORT
Quickscan ecologie onderstation Den Haag Noord
N
■
2
32 2-
="
ir/
8-
- 00 8,22
-bge • -.-2
K 3-
I'
. w8 ’. A 8e
Versie: 1.0
9$
6nK 1 ,83 éd
" gpë, V.
Status: Vrijgegeven
Datum: 26-07-2022
Kenmerk: B85-K J-HS-RAP-
r:
n«
•
,54
1
28’
d
g >
,7 19032
&
Asds
i2>
R6
dsf
2
2
X3 A (4 vh f
er 89]
i ,2
F
a
*"mc 2
e• G3
»892
$:
5
E}
3
20èAN t
22005793
3) ■ 2333
e 3
~22 }
? 9Sx -98
N
Iy
3
Autorisatieblad Quickscan ecologie onderstation Den Haag Noord
Naam Opgesteld door Gecontroleerd door Vrijgegeven door
Versiehistorie Versie Naam
Datum
0.1 1.0
20-7-2022 27-7-2022
Concept Definitief
Akkoord
Datum
Ja Ja Ja
27-7-2022 27-7-2022 27-7-2022
Korte toelichting
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares
Inhoudsopgave 1
Inleiding
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 2
3
Aanleiding Locatie Activiteiten Wette lijk kader Doel
1 1 2 3 4
Methode
5
2.1 Beschermde gebieden 2.2 Beschermde soorten 2.3 Beschermde houtopstanden
5 5 6
Resultaten
7
3.1
Beschermde gebieden
7
3.1.1. Natura 2000-gebieden 3.1.2. Natuurnetwerk Nederland (NNN) 3.1.3. Weidevogelgebieden
7 8 8
3.2 Beschermde soorten
8
3.2.1. Vaatplanten 3.2.2. Vogels 3.2.3. Grondgebonden zoogdieren 3.2.4. Vleermuizen 3.2.5. Reptielen 3.2.6. Amfibieën 3.2.7. Vissen 3.2.8. Ongewervelden
4
5
8 9 10 11 13 13 14 14
3.3 Invasieve exoten 3.4 Houtopstanden
14 15
Conclusie
16
4.1 Beschermde gebieden 4.2 Beschermde soorten
16 16
4.2.1. Nader onderzoek 4.2.2. Maatregelen
17 17
4.1 Invasieve exoten 4.2 Houtopstanden 4.3 Kansen voor natuur
18 18 18
Bronnen
20
21
Bijlage I Wet- en regelgeving Wet natuurbescherming (Wnb) Natuurnetwerk Nederland (NNN)
21 26
27
Colofon
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares
Inleiding 1.1
Aanleiding
ProRail is verantwoordelijk voor het spoorwegennet van Nederland. Het tractie energievoorzieningsnet, oftewel TEV, bereikt zijn grenzen. Hierom is het noodzakelijk onderstations toe te voegen ofte vervangen langs het spoor. De voorgenomen ingreep betreft het plaatsen van een onderstation op locatie Den Haag Noord. Het nieuw te bouwen onderstation is ter vervanging van het bestaande onderstation Den Haag Noord. Zowel het bestaande gebouw als bestaande installaties zijn einde technische levensduur en dienen vervangen te worden. Het doel van het project is de energievoorziening van het spoorwegennet toekomstbestendig te maken, waarvoor vervanging van onderstation Den Haag Noord noodzakelijk is. De quickscan ecologie is benodigd als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning.
1.2
Locatie
Het plangebied betreft een onderstation en is gelegen te Den Haag in de provincie Zuid-Holland. Het onderstation, Den Haag Noord, is tegenover Rijstkamp 22 en 24 (Figuur 2.2). Het onderstation is gelegen tussen spoorwegkilometrering 57.800 en 58.800, geocode 561. Op het terrein staat tevens een elektriciteitshuisje met beplating (Figuur 2.3). Het terrein van het onderstation wordt aan de noord, oost- en westzijde omgeven door een omheining van circa 3 meter hoog. De omheining bestaat uit kunststof en is aan de onderzijde volledig gesloten. Aan de zuidkant grenst het terrein aan de spoorwegberm van de vrije baan. De omgeving gelegen naast het onderstation is bebouwd gebied, er is recent nieuwbouw ontwikkeld aan de Maiskamp en de Rijstkamp tussen het water de Schenk en het spoor. Aan drie zijden grenst het onderstation aan de straten van deze woningbouw met openbaar groen en één watergang, aan de zuidzijde grenst het onderstation aan de spoorzone. Het plangebied is gelegen binnen een verstedelijkte omgeving waarin beperkt ruderale soorten aanwezig zijn. Zie Figuur 2.1 voor de ligging van het plangebied.
aleQuickscan ecologie
30
■MOnderstation Den Haag Noord
N44
Ma Leidschendam
The Hague
rage
K , Rijswijk'
Kadaster. ESri,HERECarminF oursduare ME l'/NASA. USGS
-
Legenda i I Plangebied
Project nr: MN002781 Auteur: Datum: 18-7-2022 Schaal: 1:1.000
Movares Nederland B.V. Postbus 2855 3500 GW Utrecht
Movares
Figuur 2.1: Globale ligging plangebied (rood).
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares 1/26
*
E #E
HEE NEMEE
ae
03
sgudumed -g
mgraa
1
N
Figuur 2.2: Overzichtsfoto van het huidige onderstation.
I A
1
lüi
I
Huf «
K82
2/ 2,
6
aaba aë -12-aeS, < —
‘ 44403 •32" 2" ka 2. - ■ 14
■ -58
2 *4 22 • ,sc aë
1, > edene
2
Figuur 2.3: Overzichtsfoto van het verharde terrein en eiektriciteitshuisje.
1.3
Activiteiten
De activiteit betreft het amoveren van het huidige onderstation en het realiseren van een nieuw onderstation. In de toekomstige situatie is het onderstation op dezelfde locatie gelegen. Het nieuw te bouwen onderstation is kleiner dan het bestaande onderstation. De situering wijzigt gering, waardoor het nieuwe onderstation voor een klein deel buiten het bestaande bouwvlak valt. De uiterlijke verschijningsvorm van het onderstation zal veranderen. Het nieuwe onderstation en omliggend terrein blijft -net als in de huidige situatie- voor verkeer bereikbaar via de wijk Boekweitkamp. Het perceel van ProRail waar het onderstation op staat gepositioneerd is aan de zijde van de Rijstkamp afgeschermd door middel van een geluidscherm. De toegang van het perceel vindt plaats door middel van een inrij poort in het bovenbeschreven scherm aan de Rijstkamp. Bij de ontwikkeling worden geen bomen, struweel of struiken gekapt of watergangen gedempt. Zie Figuren 2.4 en 2.5 voor het ontwerp van het nieuwe onderstation.
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares
2/26
ras 9 m:
E 5620
18000
[Baksteen sierbestratïrü 581 m2
7%
Zand 171 m2
/>
/i
Grasklinkers] 772 m2
i % Figuur 2.4: Ontwerp van nieuwe situatie.
I
L =
8 Figuur 2.5: Vooraanzicht van het nieuwe onderstation.
1.4
Wettelijk kader
Bij een dergelijke ruimtelijke ontwikkeling is het vanuit natuurwetgeving van belang om na te gaan of de werkzaamheden effect hebben op beschermde natuurwaarden. Het volgende wettelijk kader is gehanteerd: • Wet natuurbescherming (Wnb), onderdelen beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden; Provinciaal beleid (provinciale Verordening): beschermde gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en belangrijke weidevogelgebieden in de provincie Zuid-Holland. Zie voor uitleg over het wettelijk kader bijlage 1. De provincies zijn in de meeste gevallen het bevoegde gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de minister van LNV bevoegd gezag. Dit is uitgewerkt in artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming en betreffen handelingen en projecten voor aanleg, uitbreiding en,
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares 3/26
voor zover van toepassing, inrichting, alsmede wijziging, gebruik, beheer en onderhoud van onder andere hoofdwegen, hoofdvaarwegen, hoofdspoorwegen, primaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen met een spanning van tenminste 220 kV, winning van delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij, activiteiten Koninklijk Huis, etc. Voor dit project is de minister van LNV bevoegd gezag. Dit wettelijk kader is van toepassing bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ter aanvulling is tijdens het oriënterend veldbezoek voor de quickscan ook gelet op aanwezigheid van invasieve uitheemse soorten (exoten). De provincies, het Rijk en de waterschappen zijn verantwoordelijk voor de aanpak van de invasieve exoten die op de Unielijst zijn geplaatst. Dit is een Europese lijst met een aantal schadelijke exotische planten en dieren. Voor deze soorten geldt de plicht om in de natuur aanwezige populaties op te sporen en te verwijderen of zodanig te beheren dat verspreiding en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen.
1.5
Doel
Het doel van de quickscan is toetsing van de voorgenomen ingrepen aan het wettelijk kader ten aanzien van natuur zoals hierboven aangegeven. Voorliggende rapportage betreft een quickscan ecologie waarmee middels een bureaustudie en biotoopverkenning een goede eerste indruk over de natuurwaarden in het plangebied wordt verkregen. Er wordt duidelijkheid gegeven over eventuele vervolgstappen: is er aanvullend veldonderzoek nodig? Indien mogelijk wordt aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen ofte verzachten (mitigerende maatregelen).
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares
4/26
2 Methode Hieronder wordt de gehanteerde methode voor het onderzoek naar beschermde gebieden en beschermde soorten besproken.
2.1
Beschermde gebieden
Er is gekeken naar mogelijke effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Beschermde gebieden die zijn meegenomen in deze quickscan omvatten: Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en belangrijke weidevogelgebieden in provincie Zuid-Holland. Hierbij zijn brongegevens van de provincie ZuidHolland gebruikt. Voorde effectbepaling is gekeken naar ruimtebeslag op beschermde gebieden en, indien relevant, naar mogelijke indirecte effecten. Indirecte effecten zijn bijvoorbeeld verstoring door geluid, licht, trillingen en optische verstoring. Voor Natura 2000-gebied is ook aangegeven of er vervolgstappen nodig zijn vanwege stikstofdepositie. Vooralle natuurgebieden is onderzocht of ze ook externe werking kennen. Dat wil zeggen dat de bescherming van het gebied ook bij activiteiten rondom het natuurgebied geldt. Dit is aan de orde voorde Natura 2000-gebieden. De provincie Zuid-Holland past met betrekking tot het NNN geen externe werking toe. Met betrekking tot belangrijke weidevogelgebieden zijn activiteiten die de wezenlijke kenmerken en waarden aantasten verboden. Dit kunnen zowel interne als externe effecten zijn.
Op basis van de effectbepaling is aangegeven welke vervolgstappen nodig zijn. Hierbij kan gedacht worden aan nader onderzoek of het nemen van mitigerende maatregelen om negatieve effecten te voorkomen.
2.2
Beschermde soorten
Bureaustudie Er is een inventarisatie gedaan naar bestaande verspreidingsgegevens van beschermde soorten flora en fauna, zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. Voorde bureaustudie zijn de verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Hierbij zijn gegevens van de afgelopen 5 jaar in (de omgeving van) het plangebied geraadpleegd. Als zoekgebied is een afstand van tenminste 2 kilometer tot het plangebied gehanteerd. Ten aanzien van vogels zijn in de bureaustudie alleen soorten met een jaarrond beschermd nest meegenomen uit categorie 1 tot en met 4. De overige vogelsoorten (categorie 5 en algemene broedvogels) zijn tijdens het veldbezoek en beoordeling wel meegenomen en worden beschreven indien het project een (mogelijk) effect heeft op dergelijke soorten. Voor alle broedvogels geldt de algemene verbodsbepaling dat nesten niet mogen worden verstoord of vernietigd als het nest in gebruik is.
Oriënterend veldbezoek Het oriënterend veldbezoek van een quickscan ecologie kan het hele jaar door worden uitgevoerd omdat het in eerste instantie gaat om een verkenning van geschikte biotopen voor beschermde soorten in het plangebied. Een veldecoloog van Movares heeft op 14 juli 2022 het plangebied bezocht. Tijdens het veldbezoek is middels visuele inspectie gekeken naarde mogelijke aanwezigheid van beschermde planten en (sporen van) beschermde dieren in (de omgeving van) het plangebied. Tijdens de inspectie is ook een biotoopbeoordeling uitgevoerd. Daarbij is gekeken naarde aanwezigheid van geschikte biotopen en essentiële landschappelijke functies voor beschermde soorten.
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares 5/26
Effectbepaling beschermde soorten Op basis van de gegevens uit de bureaustudie en het oriënterende veldbezoek heeft een beoordeling plaatsgevonden van de effecten van de voorgenomen ingreep op de beschermde natuurwaarden in (de omgeving van) het plangebied. Vervolgstappen Op basis van de effectbepaling zijn de vervolgstappen vastgesteld. Hierbij is per soortgroep aangegeven of nader onderzoek nodig is. Indien een soort aanwezig is binnen het plangebied en er sprake is van negatieve effecten, is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Indien mogelijk wordt aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen ofte verzachten (mitigerende maatregelen).
2.3
Beschermde houtopstanden
Er is gekeken naar mogelijke raakvlakken van de voorgenomen werkzaamheden met houtopstanden. Hierbij is in eerste instantie getoetst of omwille van de ruimtelijke ontwikkeling houtopstanden gerooid of geveld dienen te worden. Indien er sprake is van verwijderen van houtopstanden, is bepaald of de betreffende houtopstanden vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming onderdeel houtopstanden. Er is aangegeven of en welke vervolgstappen er nodig zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden in relatie tot dit beschermingsregime.
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares
6/26
3 Resultaten Beschermde gebieden
3.1
In figuur 3.1 is de ligging van beschermde gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.
( Quickscan ecologie Onderstation Den Haag Noord o
Legenda
• Plangebied E Natura 2000-gebieden I I Belangrijke weidevogelgebieden I ] Natuurnetwerk Nederland Leidschendam The Hague
8
at
$100
2ë
■ Rijswijk
.9 >é y
(e
Project nr: MN002781 Auteur: Datum: 25-7-2022 Schaal: 1:75.000
-
/ , fe^HERE, Garmin, Foursquare, GeoTechnologies, Ine, METI/\
Kadaster,
ed),
0 0.5 1
2
3 5 Kilometers
---NASAUSGS ’
Movares Nederland B.V. Postbus 2855 3500 GW Utrecht
Movares
Figuur 3.1: De ligging van beschennde natuurgebieden in de omgeving van het plangebied. Grijze gebieden weergeven beschennde
weide vogelgebieden.
3.1.1. Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide op een afstand van 3,5 kilometer ten opzichte van het gebied. Ruimtebeslag De nieuwbouw leidt niet tot ruimtebeslag op Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied Meijendel & Berkheide ligt op een afstand van tenminste 3,2 kilometer. Directe negatieve effecten als gevolg van oppervlakteverlies zijn daarmee uitgesloten. Verstoring Gezien de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied, en de aanwezigheid van tussenliggende gebouwen en objecten worden indirecte negatieve effecten als gevolg van verstoring door trillingen, licht en optische verstoring uitgesloten.
Stikstofdepositie In de Ruimtelijke onderbouwing onderstation Den Haag Noord is reeds een AERIUS-berekening uitgevoerd (rapport A30—HS-RAP-2003814, AERIUS versie 2020). Per 1 juli 2021 is artikel 1 van de Wet tot wijziging van de Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en artikel 1 van het bijbehorende Besluit (AmvB) in werking getreden. Hiermee is
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares
7/26
er een partiele vrijstelling gekomen voor de vergunningsplicht als het gaat om stikstofdepositie. Partieel omdat de vrijstelling enkel geldt voortijdelijke deposities in de realisatiefase van werken. Voor dergelijke activiteiten hoeft dan ook geen AERIUS berekening naar stikstofdepositie uitgevoerd te worden. Voorbeelden van werkzaamheden die onder de partiële vrijstelling vallen zijn bouw en sloop van woningen, utiliteitsgebouwen, bruggen en viaducten, en bouw- en aanlegactiviteiten voor duurzame energieopwekking, grond-, weg- en waterbouw, waaronder straten, pleinen, wegen, het verplaatsen van grond in het kader van bouwrijp maken van een terrein, spoorwegen, waterstaatswerken, waterwegen, waterkeringen, energie-infrastructuur, telecommunicatieinfrastructuur, drinkwaterinfrastructuur zoals waterleidingen, pompstations en winputten, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Op een afstand van 1 kilometer ten noordwesten van het plangebied bevinden zich terreinen die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het betreft bestaande natuur in het Haagse Bos (Figuur 3.1). 3.1.2.
De aanleg van het nieuwe onderstation leidt niet tot ruimtebeslag op het NNN. Gezien de aard van de werkzaamheden en afstand van 1 kilometer kunnen negatieve effecten als gevolg van verstoring en verontreiniging worden uitgesloten. De voorgenomen werkzaamheden leiden niet tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Er is geen nadere NNN-toetsing benodigd.
Weidevogelgebieden De werkzaamheden leiden niet tot ruimtebeslag op belangrijke weidevogelgebieden. De dichtstbijzijnde weidevogelgebieden zijn 1,7 kilometer ten noordoosten van het plangebied gelegen, in het buitengebied van Den Haag (Figuur 3.1). 3.1.3.
De aanleg van het nieuwe onderstation leidt niet tot ruimtebeslag op belangrijke weidevogelgebieden. Gezien de aard van de werkzaamheden en minimale afstand van 1,7 kilometer kan een effect van de werkzaamheden op de belangrijke weidevogelgebieden worden uitgesloten. De wezenlijke kenmerken en waarden zullen niet veranderen door de voorgenomen ingreep.
3.2
Beschermde soorten
In deze paragraaf wordt per soortgroep aangegeven welke beschermde soorten er op basis van de bureaustudie en het oriënterend veldbezoek in (de omgeving van) het plangebied worden verwacht. Vervolgens wordt per soortgroep ingegaan op mogelijke effecten die door de werkzaamheden op kunnen treden. Tot slot wordt per soortgroep aangegeven welke vervolgstappen er nodig zijn (zoals maatregelen, nader onderzoek).
3.2.1. Vaatplanten Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde vaatplanten weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.1: Beschermde vaatplanten die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, geraadpleegd juli 2022. Soort Categorie Wnb Akkerboterbloem N___________ Schubvaren N Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), A V = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares
8/26
Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten planten aangetroffen. Het veldbezoek in de zomerperiode uitgevoerd, een periode die voor veruit de meeste planten optimaal is voor soortenherkenning. De waargenomen vaatplanten binnen het plangebied wijzen op een matig voedselrijke en stikstofrijke bodem. Binnen het plangebied zijn beperkt ruderale plantensoorten waargenomen zoals bijvoet, teunisbloem, duizendblad, heermoes en braam spec.
Effectbespreking en vervolgstappen Er zijn geen beschermde soorten vaatplanten aanwezig. Negatieve effecten op deze soortgroep worden niet verwacht. Voor deze soortgroep zijn geen vervolgstappen benodigd.
3.2.2. Vogels Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.2: Vogels met een jaarrond beschermd nest die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, juli 2022. Soort Categorie Wnb Boomvalk_________ V___________ Buizerd___________ V___________ Gierzwaluw_______ V___________ Grote gele kwikstaart V___________ Havik____________ V___________ Huismus__________ V___________ Kerkuil___________ V___________ Ooievaar_________ V___________ Ransuil___________ V___________ Roek____________ V___________ Slechtvalk________ V___________ Sperwer__________ V___________ Wespendief V Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), A V = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.
Resultaten veldbezoek Algemene broedvogels Er is binnen het plangebied geschikt broedbiotoop aangetroffen voor algemene broedvogels. Het gaat om het platte dak van de bebouwing. Algemene vogelsoorten zoals de zilvermeeuw of de scholekster kunnen op platte daken tot broeden komen. Er zijn tijdens het veldbezoek geen vogelsoorten waargenomen.
Vogels met jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen vogels met jaarrond beschermde nesten waargenomen. Het plangebied is ongeschikt als verblijfplaats voor vogels met jaarrond beschermde nesten. Ten eerste zijn er in het plangebied geen bomen aanwezig. Ten tweede beschikt de aanwezige bebouwing in het plangebied niet over geschikte invliegopeningen en nestplaatsen voor gebouwbewonende soorten met jaarrond beschermde nesten als de huismus of gierzwaluw. De aanwezige openingen aan het dak bij de regenpijpen zijn te klein om een gierzwaluw of huismus toegang tot de dakbekisting te verschaffen (zie Figuur 3.2). De gaten voor de regenpijpen zijn groot genoeg, maar zijn aan de binnenzijde versmald tot een opening van circa 1 centimeter. Er is geen struweel aanwezig wat een functie voorde huismus zou kunnen vervullen. B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares
9/26
N $
s.
a '
•
2
X
*
4
9
J 4
• 4
h
r
-»
>
PR. 7
Figuur 3.2: Detailfoto van dakrand met zichtbaar het gat bij de regenpijp (rode cirkel).
Effectbespreking en vervolgstappen Algemene broedvogels Er is binnen het plangebied broedbiotoop aanwezig voor algemene soorten broedvogels. Het vernietigen van bewoonde nesten is verboden conform Wnb artikel 3.1. Dit geldt ook voor het zodanig verstoren van bewoonde nesten dat vogels hun nest verlaten.
Om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen dient de sloop van het dak buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige ecoloog worden gecontroleerd of er op het dak broedende vogels aanwezig zijn. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden. Een andere optie is om het dak in de periode buiten het broedseizoen ongeschikt te maken voor broedende vogels. Vogels met jaarrond beschermde nesten In het plangebied worden geen nesten van jaarrond beschermde vogels verwacht. Negatieve effecten op jaarrond beschermde vogels kunnen worden uitgesloten.
3.2.3. Grondgebonden zoogdieren Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde grondgebonden zoogdieren weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.3: Beschermde grondgebonden zoogdieren die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, juli 2022. Soort Categorie Wnb Boommarter N___________ Eekhoorn N Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), A V = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares 10/26
Resultaten veldbezoek Er is kruidachtige vegetatie, een stenenstapel en zandige bodem aanwezig binnen het plangebied waar zich algemene soorten als aardmuis kunnen bevinden (Figuur 3.3). Dit zijn door de het ministerie van LNValgemeen vrijgestelde soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Er worden binnen het plangebied geen soorten grondgebonden zoogdieren verwacht die niet algemeen zijn vrijgesteld door het ministerie van LNV. Er zijn geen bomen, struwelen of houtopstanden aanwezig binnen het plangebied of in de omgeving waardoor geen geschikt habitat voor soorten zoals de boommarter en eekhoorn aanwezig is.
/I 1
—IE
)
A
di .
■
-hit
45
K=
-
r
Figuur 3.3: Stenenstapel gelegen aan de oostzijde van het onderstation. De steenstapel
bestaat met name uit zand waarover een laag klinkers is uitgestort.
Effectbespreking en vervolgstappen Het plangebied is geschikt voor algemene soorten grondgebonden zoogdieren, zoals de aardmuis. Deze dieren kunnen door de werkzaamheden worden verstoord. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig omdat de soorten algemeen zijn vrijgesteld door het ministerie van LNV bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden waarbij de kruidachtige vegetatie en de stenenstapel wordt verwijderd van één kant uit te voeren zodat aanwezige dieren de kans krijgen zich te verplaatsen.
3.2.4. Vleermuizen Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de soorten vleermuizen weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.4: Beschermde vleermuizen die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, juli 2022. Soort_________________ Categorie Wnb Baard vleermuis_________ H___________ Brandts vleermuis_______ H___________ Gewone dwergvleermuis H H Gewone grootoorvleermuis Kleine dwergvleermuis H Ruige dwergvleermuis H Laatvlieger____________ H___________ Meervleermuis_________ H___________ Rosse vleermuis H
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares 11/26
Soort Categorie Wnb Watervleermuis H Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.
Resultaten veldbezoek Het oriënterende veldbezoek heeft overdag plaatsgevonden waardoor geen actieve vleermuizen konden worden waargenomen. Wel is zo goed als mogelijk biotoopinformatie verzameld om de aanof afwezigheid van mogelijke foerageergebieden, vliegroutes en verblijfplaatsen te bepalen. Vleermuizen foerageergebied Het plangebied is ongeschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Het plangebied bestaat namelijk uit een open omgeving zonder opgaande groenstructuren, lijnvormige objecten of open water. Vleermuizen vliegroutes De bomenrijen ten zuiden van het spoor vormen een lijnvormig element in het landschap welke door vleermuizen gebruikt kan worden als vliegroute. Door de voorgenomen ingreep zullen deze elementen niet aangetast worden. Wel kan verstoring door licht optreden. Vleermuizen verblijfplaatsen Er zijn in het plangebied geen bomen aanwezig. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kunnen daarmee worden uitgesloten. Het te amoveren onderstation bevat openingen aan de onderzijde van de dakbekisting die mogelijk toegang verlenen tot ruimtes binnen de dakbekisting (Figuur 3.2). De dakbekisting kan gebruikt worden als verblijfplaats door vleermuizen. Verder zijn gevelplaten aanwezig op het kleinere elektriciteitshuisje, welke ten zuiden van het onderstation op het terrein staat, die geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen.
De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de bebouwing in het plangebied kan daardoor niet worden uitgesloten.
Effectbespreking en vervolgstappen Vleermuizen foerageergebied Door de werkzaamheden wordt geen ruimtebeslag gelegd op foerageergebied van vleermuizen. Het plangebied is marginaal geschikt als foerageergebied door het ontbreken van opgaand groen. Er blijft ook voldoende foerageergebied in de directe omgeving van de plangebieden bewaard. Denk hierbij aan bomenrijen en tuinen in de directe omgeving van het plangebied. Vervolgstappen zijn niet aan de orde. Vleermuizen vliegroutes Nabij het plangebied zijn lijnvormige structuren aanwezig in de vorm van bomenrijen aan de overzijde van de vrije baan Door de werkzaamheden kan lichtverstoring plaatsvinden. Door het treffen van maatregelen kan lichtverstoring voorkomen worden. Tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie dient een gerichte straal gebruikt te worden, waarbij de spoorbaan en bomenrijen onverlicht blijven. Vleermuizen verblijfplaatsen Er zijn geen bomen aanwezig binnen het plangebied. Wel is bebouwing aangetroffen die geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. Zowel het onderstation als het elektriciteitshuisje, welke binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden ligt, vormen een geschikte verblijfplaats voor vleermuizen. Indien er werkzaamheden plaatsvinden aan deze gebouwen dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden naar het gebruik van deze potentiële verblijfplaatsen.
Dit onderzoek houdt in dat er 3 bezoeken plaatsvinden in de periode 15 mei tot 15 juli (waarvan 2 keer ‘s avonds en 1 keer ’s ochtends) om zomer- en kraamverblijven te onderzoeken. Aanvullend vinden 2 bezoeken in de periode 15 augustus tot 1 oktober plaats in verband met paar- en winterverblijven. Dit zijn twee
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares 12/26
nachtbezoeken (Vleermuisprotocol NGB, 2021). Gelet op de beperkte massa van het gebouw wordt de aanwezigheid van een massawinterverblijfplaats niet aannemelijk geacht. Indien verblijfplaatsen van vleermuizen worden aangetroffen tijdens het nader onderzoek is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd om de werkzaamheden uit te voeren.
Reptielen Resultaten bureaustudie Er zijn geen waarnemingen van beschermde reptielen in de omgeving van het plangebied bekend. 3.2.5.
Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen waargenomen. Op basis van het hoog stedelijke en verharde biotoop en verspreiding worden er geen beschermde reptielen verwacht.
Effectbespreking en vervolgstappen Er worden geen beschermde soorten reptielen in het plangebied verwacht. Negatieve effecten op beschermde reptielen worden hiermee niet verwacht.
Amfibieën Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten amfibieën weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. 3.2.6.
Tabel 3.5: Beschermde amfibieën die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, juli 2022. Soort Categorie Wnb Alpenwatersalamander N___________ Rugstreeppad H Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), A V = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.
Resultaten veldbezoek Er zijn geen (tijdelijke) watergangen aanwezig binnen het plangebied of in de directe omgeving die geschikt zijn als leefgebied voor amfibieën. Leefgebied van de alpenwatersalamander en rugstreeppad is daarmee niet aanwezig. Ook bij graafwerkzaamheden, waarbij mogelijk zandverzet plaatsvindt, wordt de rugstreeppad niet verwacht. De dichtstbijzijnde waarnemingen van de rugstreeppad zijn uit de duinen ten noorden van Den Haag en incidenteel het Haagse Bos. Het plangebied wordt omgeven door een hoog hekwerk aan drie zijdes, welke gesloten is aan de grond. De bebouwde kom van Den Haag vormt daarbij een dusdanige barrière dat de rugstreeppad niet bij het onderstation terecht zal komen.
De stenenstapel vormt mogelijk een overwinterlocatie voor algemene amfibiesoorten. Het is niet uit te sluiten dat er incidenteel algemeen vrijgestelde soorten amfibieën, zoals gewone pad, in het plangebied aanwezig zijn of in de stenenstapel overwinteren. Effectbespreking en vervolgstappen Het plangebied is geschikt voor algemene soorten amfibieën, zoals de gewone pad. Deze dieren kunnen door de werkzaamheden worden verstoord. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig omdat de soorten algemeen zijn vrijgesteld door het ministerie van LNV bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Dit kan bijvoorbeeld door het verwijderen van de stenenstapel tijdens het actieve seizoen van
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares
13/26
amfibieën uit te voeren en de werkzaamheden (buiten de winterperiode) van één kant uit te voeren zodat aanwezige dieren de kans krijgen zich te verplaatsen.
Vissen Resultaten bureaustudie Er zijn geen waarnemingen van beschermde vissoorten in de omgeving van het plangebied bekend zijn. 3.2.7.
Resultaten veldbezoek Er zijn geen waterlichamen aanwezig binnen het plangebied. Ten westen van het plangebied is een watergang aanwezig van circa 1,5 meter breedte, begroeid met uitbundige watervegetatie. Binnen deze watergang kunnen algemene vissoorten aanwezig zijn.
Effectbespreking en vervolgstappen Door de voorgenomen ingreep worden geen watergangen aangetast. Daarbij worden geen beschermde vissoorten in de watergangen rondom het plangebied verwacht. Vervolgstappen ten aanzien van vissen zijn niet benodigd.
3.2.8. Ongewervelden Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten ongewervelden weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.7; Beschermde ongewervelden die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, juli 2022. Soort Categorie Wnb Grote vos N Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), A V = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.
Resultaten veldbezoek Er zijn teunisbloemen waargenomen binnen het plangebied. Het plangebied is echter niet gelegen binnen het verspreidingsgebied van de teunisbloempijlstaart, een beschermde nachtvlindersoort. Er zijn verder geen waardplanten of geschikt biotoop voor waardplanten van streng beschermde vlinders aangetroffen. Bomen ontbraken binnen het plangebied, waardoor geschikte waardplanten van de grote vos ook niet aanwezig zijn. Ook is geen biotoop aanwezig voor beschermde libellen. Er zijn ook geen watergangen aanwezig die geschikt zijn als leefgebied voor bijvoorbeeld de platte schijfhoren.
Effectbespreking en vervolgstappen Negatieve effecten op deze soortgroep worden niet verwacht. Voor deze soortgroep zijn geen vervolgstappen benodigd.
3.3
Invasieve exoten
Uit de bureaustudie (NDFF) blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende exoten van de Unielijst zijn waargenomen: Aziatische hoornaar, geelbuikschildpad, hemelboom, lettersierschildpad, moeraslantaarn, muskusrat, nijlgans, reuzenbalsemien, reuzenberenklauw, roodwangschildpad, rosse stekelstaart en smalle waterpest. Tijdens het veldbezoek is reuzenberenklauw waargenomen in de spoorwegbermen grenzend aan het plangebied (Figuur 3.4). De reuzenberenklauw staat op de Unielijst en verspreiding van deze soort
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares 14/26
dient voorkomen te worden. Door de voorgenomen ingreep worden deze bermen niet aangetast en is verspreiding niet aan de orde.
AS
Quickscan ecologie Onderstation Den Haag Noord
Legenda
i
1
। Plangebied
• Reuzenberenklauw
Y
|
Project nr: MN002781 Auteur: Datum: 20-7-2022 Schaal: 1:500
o
5
10
20
30 5 Meters
Movares Nederland B.V. Postbus 2855 3500 GW Utrecht
Movares
Figuur 3.4: Plangebied met aangeduid de locatie waar reuzenberenklauw is waargenomen.
3.4
Houtopstanden
Er staan geen houtopstanden binnen het plangebied. Er zijn daarom geen verdere acties in het kader van beschermde houtopstanden noodzakelijk.
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares 15/26
4 Conclusie In onderstaande paragrafen worden de conclusies en aanbevelingen uit de quickscan besproken.
4.1
Beschermde gebieden
Natura 2000 Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide bevindt zich op een afstand van ongeveer 3,5 kilometer afstand. Voor de stikstofdepositie gerelateerd aan de realisatiefase geldt op het huidige moment een vrijstelling van de vergunningsplicht. Vervolgstappen voor Natura 2000-gebieden zijn niet benodigd.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Er is geen ruimtebeslag op het NNN. Gezien de aard van de werkzaamheden en afstand van tenminste 1 kilometer worden indirecte negatieve effecten (zoals verstoring) op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN uitgesloten. Er is geen nadere NNN-toetsing benodigd. Belangrijke weidevogelgebieden Er is geen ruimtebeslag op belangrijke weidevogelgebieden. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden kunnen gezien de afstand van 1,7 kilometer en de bufferende werking van de omliggende bebouwing worden uitgesloten. Er zijn geen vervolgstappen benodigd.
4.2
Beschermde soorten
Binnen het plangebied is biotoop aangetroffen die geschikt is voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: algemene broedvogels en vleermuizen. In onderstaande tabel is per soortgroep aangegeven of er nader onderzoek nodig is en mogelijk een ontheffing nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 4.1: Conclusies en aanbevelingen over beschermde soorten (Wet natuurbescherming).
Soortgroep
Vaatplanten Algemene Broedvogels
Vogels met jaarrond beschermde nesten Grondgebonden zoogdieren
Ja
Nader onderzoek nodig? Nee Nee
Nee
Nee
Ja, het plangebied vormt leefgebied voor algemeen vrijgestelde
Nee
Beschermde Soorten/functie?
Nee
Ontheffing Wet natuurbescherming nodig?
Nee______________________ Nee, mits maatregelen worden genomen om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels op het dak te voorkomen________________ Nee
Nee, er dient wel rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11). Het betreft door de
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares 16/26
Soortgroep
Beschermde Soorten/functie?
Nader onderzoek nodig?
Ontheffing Wet natuurbescherming nodig?
grondgebonden zoogdiersoorten zoals de aardmuis Nee
Nee
Nee
Vleermuizen vliegroutes
Nee
Nee
Vleermuizen verblijfplaatsen
Ja
Ja
Reptielen Amfibieën
Nee Nee
Nee Nee
Vissen Ongewervelden
Nee Nee
Nee Nee
Nee, wel dient tijdelijke verstoring wordt voorkomen door uitsluitend overdag te werken of door gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij het omliggend groen onverlicht blijft._____________ Mogelijk, indien tijdens het nader onderzoek verblijfplaatsen van vleermuizen worden vastgesteld in de bebouwing. Nee______________________ Nee, het betreft door de provincie Zuid-Holland algemeen vrijgestelde dieren. Er dient wel rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11).______ Nee______________________ Nee
Vleermuizen foerageergebied
provincie Zuid-Holland algemeen vrijgestelde dieren.
4.2.1. Nader onderzoek In bovenstaande tabel is aangegeven dat er nader onderzoek nodig is naarde soortgroep vleermuis. Dit onderzoek is hieronder beschreven: Soort______________ Vleermuis verblijfplaats gebouwen
Onderzoek________________________________________ Dit onderzoek houdt in dat er 3 bezoeken plaatsvinden in de periode 15 mei tot 15 juli (waarvan 2 keer ‘s avonds en 1 keer ’s ochtends) om zomer- en kraamverblijven te onderzoeken. Aanvullend vinden 2 bezoeken in de periode 15 augustus tot 1 oktober plaats in verband met paar- en winterverblijven. Dit zijn twee nachtbezoeken (Vleermuisprotocol NGB, 2022).
4.2.2. Maatregelen Uit de quickscan volgt een aantal maatregelen. In onderstaande tabel staan de maatregelen weergegeven. Dit betreft ook maatregelen vanuit de algemene zorgplicht. Soortgroep Algemene broed vogels
Maatregel_________________________________________________ Om effecten op broedende vogels te voorkomen dient de sloop waarbij het dak wordt aangetast buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, kan ook het dak
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares 17/26
Vleermuizen vliegroutes
Amfibieën & Zoogdieren
4.1
ongeschikt gemaakt worden voor broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden moet door een terzake kundige op het gebied van broedvogels worden gecontroleerd of broedende vogels aanwezig zijn. Dit geldt ook voor de periode vlak voor of na het broedseizoen, het gaat om een broedgeval ongeacht de datum. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden._____ Om mogelijke indirecte effecten als verstoring door licht op naast gelegen vliegroute te voorkomen dient gewerkt te worden tussen zonsopgang en zonsondergang. Indien toch gebruik moet worden gemaakt van kunstlicht, dient gebruikte worden gemaakt van gerichte verlichting. Hierbij dient lichtval op bomen en spoorportalen in de omgeving te worden vermeden om verstoring te voorkomen.____________________________________ Om effecten op algemeen beschermde amfibieën en zoogdieren zoveel mogelijk te beperken dient het uitvoeren van graafwerkzaamheden in zachte bodem en het verwijderen van de stenenstapel van één richting uit naarde andere richting plaats te vinden, zodat de dieren tijdig weg kunnen komen. Om het doden van overwinterende dieren te voorkomen dient het verwijderen van de stenenstapel niet tijdens de winterperiode uitgevoerd te worden. Deze maatregel valt onder de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb).
Invasieve exoten
Tijdens het veldbezoek is reuzenberenklauw waargenomen in de spoorwegbermen grenzend aan het plangebied. De reuzenberenklauw staat op de Unielijst en verspreiding van deze soort dient voorkomen te worden. Door de voorgenomen ingreep worden deze bermen niet aangetast.
4.2
Houtopstanden
Er staan geen houtopstanden binnen het plangebied. Er zijn daarom geen verdere acties in het kader van beschermde houtopstanden noodzakelijk.
4.3
Kansen voor natuur
Om biodiversiteit in en rondom het plangebied te verhogen, kunnen de volgende maatregelen worden toegepast: • In het huidige ontwerp is sierbestrating aanwezig. De sierbestrating kan vervangen worden door halfverharding, zodat de grond beter water doorlaat. Door te kiezen voor halfopen stenen kan daarbij ook groen groeien. Aanbevolen wordt om alleen noodzakelijk vlakken te verharden en de overige delen onverhard te laten; • In het onderstation kunnen vleermuisvoorzieningen ingebouwd worden. Door de gunstige ligging naast een vliegroute kunnen daardoor gunstig gelegen voorzieningen voorde vleermuis gecreëerd worden; • De vlakken met zand in het ontwerp kunnen ook als heuvel uitgevoerd worden. In heuvels kunnen in zand nestelende bijen beter graven en daarin leven. Dit is ten gunste van solitaire, inheemse bijensoorten. In combinatie met een kruidachtige rand met inheemse plantensoorten wordt zo leefgebied voorde bij gecreëerd; • Reuzenberenklauw is een invasieve exoot die zich snel verspreid. Ook al hebben de werkzaamheden geen effect op deze berm kan toch meerwaarde gecreëerd worden door tijdens regulier beheer ook de bloeiende delen van de reuzenberenklauw te verwijderen. Als dit een aantal jaren na elkaar wordt uitgevoerd zal de plant zijn groeikracht verliezen en uit de berm verdwijnen;
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares 18/26
Toepassen van vleermuisvriendelijke verlichting tijdens de werkzaamheden / in de nieuwe situatie wordt aanbevolen, zodat ook met (vaak noodzakelijke) de verlichting meer leefgebied voor de vleermuis beschikbaar is. Vleermuisvriendelijke verlichting heeft amberkleurig licht en een lage, afgeschermde armatuur die strooilicht zoveel mogelijk beperkt.
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares 19/26
5 Bronnen Nationale Databank voor Flora en Fauna (juli 2022).
Vleermuisprotocol NGB. Versie 2021.
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares
20/26
Bijlage I Wet- en regelgeving In deze bijlage staat een beschrijving van de relevante wet- en regelgeving en het beleidskader.
Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Wnb richt zicht op bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Met de inwerkingtreding van de Wnb zijn de oude Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en de Boswet vervallen. Bevoegd gezag De provincies zijn in de meeste gevallen het bevoegde gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de minister van LNV bevoegd gezag. Dit is uitgewerkt in artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming en betreffen handelingen en projecten voor aanleg, uitbreiding en, voor zover van toepassing, inrichting, alsmede wijziging, gebruik, beheer en onderhoud van onder andere hoofdwegen, hoofdvaarwegen, hoofdspoorwegen, primaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen met een spanning van tenminste 220 kV, winning van delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij, activiteiten Koninklijk Huis, etc.
Gemeenten hebben een loketfunctie. Het is mogelijk om een natuurvergunning ‘aan te haken’ bij de omgevingsvergunning, maar dit hoeft niet.
Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is vastgelegd in artikel 2.1 tot en met 2.11 van de Wet natuurbescherming. Hierin wordt de aanwijzing en bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Hiermee zijn de verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, voor zover die betrekking hebben op gebiedsbescherming, geïmplementeerd in het Nederlands recht. De begrenzing van de Natura 2000gebieden en de instandhoudingdoelstellingen voor die gebieden zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voorde betreffende gebieden. De instandhoudingdoelstellingen beschrijven voor de voor het gebied aangewezen habitattypen en soorten of een bepaalde ontwikkeling ervan gewenst is of dat het behoud ervan op het aanwezige niveau moet worden nagestreefd. Voor activiteiten of projecten die schadelijk kunnen zijn voorde beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van LNV. Voortoets en Passende beoordeling Bij plannen in, of in de nabijheid (externe werking) van, een Natura 2000-gebied dienen de initiatiefnemers in een oriënterende fase (voortoets) te onderzoeken of het plan een significant negatief effect op de instandhoudingdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied kan hebben. Met externe werking wordt bedoeld dat ook activiteiten buiten het gebied de natuurwaarden in het gebied kunnen beïnvloeden.
Indien na dit onderzoek niet kan worden uitgesloten dat de activiteit een significant negatief effect heeft, dient de initiatiefnemer meer gedetailleerd dan in de oriënterende fase in kaart te brengen wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. Daarbij dienen ook, indien noodzakelijk, de mitigerende maatregelen te worden betrokken. Deze analyse heet een 'passende beoordeling'. Het bevoegd gezag toetst de passende beoordeling. Wanneer uit de passende beoordeling alsnog de zekerheid wordt verkregen dat de activiteit niet leidt tot significant negatieve effecten, kan de activiteit doorgang vinden. Wanneer uit de voortoets blijkt dat er wel kans is op een negatief effect, maar dit als niet significant kan worden gezien, kan eveneens, op basis van een verslechteringstoets toestemming voor het uitvoeren van de activiteit worden verleend. Wanneer uit de passende beoordeling blijkt dat significante negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, kan het project alleen doorgang vinden op grond van de "ADC-criteria". Dit betekent dat: • A - alternatieve oplossingen voor het plan ontbreken;
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares 21/26
• D - er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn, en • C - de initiatiefnemer compenserende maatregelen vooraf en tijdig treft. Zorgplicht Binnen de kaders van de Wet natuurbescherming is de Zorgplichtbepaling (artikel 1.11) van toepassing. Deze zorgplicht houdt o.a. in dat als een activiteit wordt ondernomen waarvan kan worden vermoed dat deze nadelig kan zijn voor de natuurwaarden van het gebied, deze activiteit niet plaats mag vinden. Ook moeten alle maatregelen worden genomen om nadelige gevolgen te voorkomen of te beperken.
Stikstofdepositie Stikstofdepositie vormt veelal een knelpunt bij de besluitvorming over plannen en projecten, omdat in veel Natura 2000-gebieden overbelasting van stikstof een probleem is voorde realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voorde voor het gebied aangewezen soorten en habitattypen. Per 1 juli 2021 is artikel 1 van de Wet tot wijziging van de Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en artikel 1 van het bijbehorende Besluit (AmvB) in werking getreden. Hiermee is er een partiele vrijstelling gekomen voor de vergunningsplicht als het gaat om stikstofdepositie. Partieel omdat de vrijstelling enkel geldt voortijdelijke deposities in de realisatiefase van werken. Voor dergelijke activiteiten hoeft dan ook geen AERIUS berekening naar stikstofdepositie uitgevoerd te worden.
Voorbeelden van werkzaamheden die onder de partiele vrijstelling vallen zijn bouw en sloop van woningen, utiliteitsgebouwen, bruggen en viaducten, en bouw- en aanlegactiviteiten voor duurzame energieopwekking, grond-, weg- en waterbouw, waaronder straten, pleinen, wegen, het verplaatsen van grond in het kader van bouwrijp maken van een terrein, spoorwegen, waterstaatswerken, waterwegen, waterkeringen, energie-infrastructuur, telecommunicatie-infrastructuur, drinkwaterinfrastructuur zoals waterleidingen, pompstations en winputten, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen. De vrijstelling is partieel omdat een structurele toename van stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase (na realisatie project) niet vrijgesteld is. Middels een projectspecifieke AERIUS berekening dient voor de gebruiksfase getoetst te worden of er sprake zal zijn van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Wanneer depositie niet uitgesloten kan worden is aanvullende toetsing (voortoets, passende beoordeling, ADC-toets) benodigd en of dient gekeken te worden of de depositie middels mitigerende maatregelen of internelexterne saldering weggenomen kan worden.
Bij een ADC-toets dient aangetoond te worden dat er geen Alternatief is met minder schadelijke effecten voor Natura 2000gebieden, er een Dwingende reden van groot openbaar belang is en dat er Compenserende maatregelen worden getroffen voor Natura 2000-gebieden.
Soortbescherming De Wet natuurbescherming maakt onderscheid tussen: 1) soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb); 2) soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb); 3) ‘andere soorten’ (artikel 3.10 e.v. Wnb).
Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb) Het beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn is vastgelegd in artikel 3.1. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden ofte vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen ofte beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
B85-K J-HS-RAP-22005793 / Proj.nr. MN002781 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 26-07-2022
Movares 22/26