CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS321541 Bijlage 1 Motivering BOPA

Gemeenteraad 3 april 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake verzoek om bindend advies voor omgevingsvergunning onderstation Den Haag Noord (RIS321541)28.035 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De Ow heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: • Vogels (artikel 11.37 Bal);

• •

Europees beschermde soorten (artikel 11.46 Bal); Nationaal beschermde soorten (artikel 11.54 Bal).

Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Ow (Bijlage IX onder A en B Bal). Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 Verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen vergunning-plichtige activiteiten. De regels voor vogels en overige Europese soorten zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten gelden regels die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

31/54

opzichten minder streng zijn. In tabel 5.3 zijn de vergunningsplichtig activiteiten per regime weergegeven.

De Ow regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de activiteiten met schadelijke gevolgen. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 11.54 Bal) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Onder de Omgevingswet is een specifieke zorgplicht opgenomen voor alle ‘flora- en fauna-activiteiten ’ (11.27 Bal). Hierin wordt gesteld dat nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt. Dit geldt voor alle beschermde soorten, alsmede soorten van de rode lijsten, en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Is dit niet mogelijk, dan dienen preventieve maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten.

Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal een ontheffing / omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit met schadelijke handelingen aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing / vergunning kan dan onder voorwaarden worden verleend.

6.8.2 Onderzoek Voor het aspect ecologie is een quickscan ecologie uitgevoerd. Zie hiervoor Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.. Hieronder worden de conclusies uit de quickscan beschreven. 6.8.3 Gebieden Er is gekeken naar mogelijke effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Beschermde gebieden die zijn meegenomen in deze quickscan omvatten: Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en belangrijke weidevogelgebieden in provincie Zuid-Holland. Hierbij zijn brongegevens van de provincie Zuid-Holland gebruikt. In onderstaand figuur is de ligging van de projectlocatie ten opzichte van beschermde gebieden zichtbaar.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

32/54

Quickscan ecologie Onderstation Den Haag Noord O

Legenda

• Plangebied E Natura 2000-gebieden

$

I Belangrijke weidevogelgebieden

I

• Natuurnetwerk Nederland Leidschendam

The Hague

8

$100

0

A12

Project nr: MN002781 Auteur: Datum: 25-7-2022 Schaal: 1:75.000

4

4, Rijswijk

4

(eo)

Kadaster,. fer^HERE. Garmin,

FourngaveGeor-efnologie, Ine, Mer),

•

0 0.5 1

2

3 □ Kilometers

/--AASA,USGS

Movares Nederland B.V. Postbus 2855 3500 GW Utrecht

Movares

Figuur 6-2: De ligging van beschermde natuurgebieden in de omgeving van het plangebied. Grijze gebieden weergeven beschermde

weidevogelgebieden.

Natura 2000-gebieden In de Wet stikstofreductie en natuurverbetering worden resultaatverplichtingen opgelegd voor stikstofreductie. Hiermee wordt beoogd de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000gebieden naar een gezond stikstofniveau te brengen. Om niet bij te dragen aan het stikstofdepositie op omliggende Natura 2000 is hier onderzoek naar gedaan. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Meijendel & Berkheide’. Dit Natura 2000-gebied ligt op circa 3,2 kilometer van het plangebied. Gezien de afstand en de tussenliggende bebouwing en infrastructuur zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van deze en andere Natura 2000-gebieden, met uitzondering van stikstofdepositie, niet te verwachten. Aangezien het onderstation geen stikstof uitstoot tijdens de gebruiksfase worden ook hier geen problemen verwacht.

De bouwvrijstelling voor stikstofdepositie ten tijde van de bouwfase is komen te vervallen. Een Aeriusberekening is uitgevoerd om te bepalen hoeveel stikstofdepositie plaatsvindt op Natura 2000-gebieden tijdens de realisatiefase. De berekening en de gebruikte uitgangspunten zijn toegevoegd als bijlage bij deze onderbouwing. Uit de berekening blijkt dat er geen resultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr berekend worden en hierdoor het project dus niet leidt tot een (tijdelijke) toename van stikstofdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Op ruim 1 kilometer afstand ligt bestaande en nieuwe natuur binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Omdat het projectgebied niet in het NNN ligt zijn directe negatieve effecten, zoals oppervlakteverlies of versnippering, uitgesloten. Gezien de aard van de werkzaamheden en afstand van tenminste 1 kilometer worden indirecte negatieve effecten (zoals verstoring) op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN uitgesloten. Er is geen nadere NNN-toetsing benodigd. Belangrijke weidevogelgebieden Er is geen ruimtebeslag op belangrijke weidevogelgebieden. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden kunnen gezien de afstand van 1,7

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0 /11-12-2024

Movares

33/54

kilometer en de bufferende werking van de omliggende bebouwing worden uitgesloten. Er zijn geen vervolgstappen benodigd. Conclusie Dit aspect vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

6.8.4 Soorten Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter-)nationaal beschermde soorten én bij overige soorten. Er is een inventarisatie gedaan naar bestaande verspreidingsgegevens van beschermde soorten flora en fauna, zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is een oriënterend veldonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Uit dit onderzoek zijn een aantal conclusies getrokken. Vooreen uitvoerige beschrijving van het onderzoek wordt verwezen naar de quickscan ecologie. In onderstaande tabel is per soortgroep aangegeven of er nader onderzoek nodig is en mogelijk een ontheffing nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 6-1: Conclusies en aanbevelingen over beschermde soorten (Wet natuurbescherming).

Soortgroep

Beschermde Soorten/functie?

Vaatplanten Algemene Broedvogels

Nee Ja

Nader onderzoek nodig? Nee Nee

Vogels met jaarrond beschermde nesten Grondgebonden zoogdieren

Nee

Nee

Ja, het plangebied vormt leefgebied voor algemeen vrijgestelde grondgebonden zoogdiersoorten zoals de aardmuis Nee

Nee

Nee, er dient wel rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11). Het betreft door de provincie ZuidHolland algemeen vrijgestelde dieren.

Nee

Nee

Vleermuizen vliegroutes

Nee

Nee

Vleermuizen verblijfplaatsen Reptielen Amfibieën

Nee

Nee

Nee, wel dient tijdelijke verstoring wordt voorkomen door uitsluitend overdag te werken of door gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij het omliggend groen onverlicht blijft.________________ Nee

Nee Nee

Nee Nee

Vleermuizen foerageergebied

Ontheffing Wet natuurbescherming nodig?

Nee_____________________________ Nee, mits maatregelen worden genomen om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels op het dak te voorkomen_______________________ Nee

Nee_____________________________ Nee, het betreft door de provincie ZuidHolland algemeen vrijgestelde dieren. Er

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

34/54

Soortgroep

Vissen Ongewervelden

Beschermde Soorten/functie?

Nee Nee

Nader onderzoek nodig?

Nee Nee

Ontheffing Wet natuurbescherming nodig?

dient wel rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11)._____ Nee_______________________________ Nee

Uit de scan blijkt dus dat voor algemene broedvogels, vleermuizen en amfibieën en zoogdieren nadere maatregelen en/of onderzoek vereist zijn. Algemene broedvogels Voor algemene broedvogels dient de sloop waarbij het dak van het huidige onderstation wordt aangetast buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd (ongeveer tussen 15 maart en 15 juli). Indien dit niet mogelijk is, kan ook het dak ongeschikt gemaakt worden voor broedvogels. Hiervoor moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een deskundige worden gecontroleerd of broedende vogels aanwezig zijn. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden. Vleermuizen In de quickscan ecologie is vastgesteld dat het onderstation in potentie geschikt is als vleermuisverblijfplaats (Bijlage 6). Hieruit is gebleken dat het onderstation potentie heeft als zomer-, kraam- of paarverblijfplaats voor gebouw bewonende vleermuizen. Een massawinterverblijfplaats wordt gezien de omvang van het gebouw niet verwacht. In het najaar van 2022 (2 bezoeken) en het voorjaar van 2023 (3 bezoeken) is vleermuisonderzoek uitgevoerd. Er zijn geen verblijfplaatsen of andere beschermde functies van vleermuizen aanwezig binnen het plangebied. Er is geen sprake van een overtreding van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming bij de sloop van het onderstation.

Er zijn geen verblijfplaatsen in het plangebied vastgesteld. Er is geen sprake van overtreding van artikel 3.5 Wnb bij het slopen van het onderstation. Ten aanzien van passerende vleermuizen wordt in het kader van de zorgplicht (artikel 3.11 Wnb) geadviseerd om vleermuisvriendelijke verlichting toe te passen tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie. Vleermuisvriendelijke verlichting is weggericht van de omgeving, heeft een lage en afgeschermde armatuur en een kleine straal. Dee bomenrij ten zuiden van de planlocatie een mogelijke vliegroute voor vleermuizen. Om mogelijke indirecte effecten als verstoring door licht op naast gelegen vliegroute te voorkomen dient gewerkt te worden tussen zonsopgang en zonsondergang in de bouwfase. Indien toch gebruik moet worden gemaakt van kunstlicht, dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting. Hierbij dient lichtval op bomen en spoorportalen in de omgeving te worden vermeden om verstoring te voorkomen.

In acht nemend van bovenstaande hoeft er geen omgevingsvergunning vooreen flora en fauna-activiteit te worden aangevraagd.

Amfibieën en zoogdieren Om effecten op algemeen beschermde amfibieën en zoogdieren zoveel mogelijk te beperken dient het uitvoeren van graafwerkzaamheden in zachte bodem en het verwijderen van de stenenstapel van één richting uit naarde andere richting plaats te vinden, zodat de dieren tijdig weg kunnen komen. Om het doden van overwinterende dieren te voorkomen dient het verwijderen van de stenenstapel niet tijdens de winterperiode uitgevoerd te worden.

Aanhaakplicht beschermde soorten

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

35/54

Op grond van artikel 5.1 lid 2 Ow is het verboden een flora-en-fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een geval dat is aangewezen in het Bal. Uit bijlage 1 Ow volgt dat een flora-en-faunaactiviteit een activiteit is met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Die definitie is breed, waardoor de reikwijdte van het verbod vooral bepaald wordt in het Bal. De verbodsbepalingen uit hoofdstuk 3 Wnb komen terug in de artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 Bal. Ook de vrijstellingen komen terug in deze afdelingen van het Bal. De regels over wanneer het bevoegd gezag een omgevingsvergunning of een vrijstelling mag verlenen, staan in afdeling 8.6.2 van het Bkl. Zo blijkt bijvoorbeeld uit artikel 8.74i Bkl dat een omgevingsvergunning voor een flora-en-fauna-activiteit ten aanzien van in het wild levende vogels, slechts kan worden verleend wanneer (i) geen andere bevredigende oplossing bestaat, (ii) de activiteit nodig is in het kader van een van de wettelijk omschreven belangen en (iii) de activiteit niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van deze soort. Dit zijn de bekende criteria die ook golden op grond van de Wnb.

Conclusie Dit aspect vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Uit het vleermuisonderzoek blijkt dat het onderstation geen verblijfplaats is voor vleermuizen, er hoeft geen omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Indien aan de maatregelen betreffende algemene broedvogels en amfibieën en zoogdieren wordt voldaan zullen deze soortengroepen niet tot belemmeringen leiden. 6.8.5 Houtopstanden Er staan geen houtopstanden binnen het plangebied. Er zijn daarom geen verdere acties in het kader van beschermde houtopstanden noodzakelijk.

Conclusie Dit aspect vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

6.8.6 Conclusie Met inachtneming van de adviezen en aanbevelingen uit de quickscan ecologie, is er voor wat betreft het aspect natuur en landschap sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verder blijkt uit de stikstofdepositie berekening dat er geen sprake is van toename van stikstof op Natura 2000gebieden. Het plan is daardoor geen vergunning plichtige ‘Natura 2000-activiteit’.

6.9

Luchtkwaliteit

6.9.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PMiostaan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Niet in betekende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

36/54

rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

2.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK).

6.9.2 Onderzoek Het te realiseren onderstation functioneert als voedingspunt voor het spoor, dat geëlektrificeerd is. Enkel voor onderhoud vinden in zeer geringe mate vervoersbewegingen plaats richting het te bouwen onderstation. Deze ontwikkelingen zijn dusdanig klein dat deze geen effect hebben op de ‘luchtkwaliteit’ in de omgeving. Het project draagt dus ‘niet in betekende mate’ bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit.

6.9.3 Conclusie Dit aspect vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

6.10

Geur

6.10.1 Toetsingskader Er dient rekening te worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij dient de geur op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.6 Bkl). Voor enkele, met name agrarische activiteiten zijn standaardwaarden bepaald voor de geurbelasting of afstand waarbij er in ieder geval sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Geurgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geur op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.10.2 Onderzoek Onderhavig planvoornemen voorziet niet in de realisatie van geurgevoelige gebouwen. Nader onderzoek kan derhalve redelijkerwijs achterwege blijven.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

37/54

6.10.3

Conclusie Voor wat betreft het aspect geur agrarisch is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.11

Cultuurhistorie

6.11.1

Toetsingskader De omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. De wet beoogt een samenhangende benadering van diverse belangen. Een van die belangen is cultureel erfgoed.

De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Provincies en gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed. Dit gebeurt door inventariseren en analyseren van het erfgoed dat binnen de provinciale- of gemeentegrenzen aanwezig is. Op basis daarvan wordt een toereikend beschermingsregime in het omgevingsplan opgenomen. Cultureel erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Middels een omgevingsplan dienen provincies en gemeenten cultureel erfgoed te beschermen. De primaire vraag daarbij is welke elementen van cultureel erfgoed (of werelderfgoed) bevinden zich binnen de provinciale- of gemeentegrenzen of direct daarbuiten, en wat wil men (of moet men) daarvan beschermen? Daarbij wordt rekening gehouden met de instructieregels in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (rijksmonumenten en werelderfgoed).

Provincies en gemeenten worden daarbij ondersteund door specialisten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Deze ministeries werken mee met de totstandkoming van de wet en de bijbehorende regels, zijn betrokken bij het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en ontwikkelen kennis en informatie voor medeoverheden. Het Bkl, het Bal en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen samen bevatten wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht de vijf elementen van cultureel erfgoed mee te nemen in de belangenafweging.

6.11.2

Onderzoek Ten aanzien van cultuurhistorie is de Zuid Hollandse cultuurhistorische kaart geraadpleegd. Hier is gekeken naar werelderfgoed, kroonjuwelen en beeldbepalend erfgoed. Ten noorden van het plangebied ligt Landgoederenzone Wassenaar / Voorschoten / Leidschendam (III), echter is het plangebied niet gelegen in de Langoederenzone.

6.11.3

Conclusie Het planvoornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden.

6.12

Archeologie

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

38/54

6.12.1

Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die reeds in werking is getreden. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen.

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken.

6.12.2

Onderzoek Voor het gehele grondgebied van Den Haag heeft de gemeente een Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart (AWVK) opgesteld. In de Beleidsnota Archeologie geeft de gemeente aan hoe de gemeente zorg wil dragen voor de archeologische sporen en resten in de Haagse ondergrond. De locatie ligt in de eenheid ‘Gebieden waar geen archeologische sporen/resten (meer) worden verwacht’. Hier verbindt de gemeente op het gebied van de archeologie geen voorwaarden aan bodemverstorende activiteiten.

6.12.3

Conclusie Voor wat betreft het aspect archeologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.13

Trillingen

6.13.1

Toetsingskader Trilling kan nadelige gevolgen hebben voorde kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet beschermt (delen van) trillingsgevoelige gebouwen en de mensen die daarin verblijven tegen trillingen van activiteiten (art. 5.80 Bkl). Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en de bijbehorende nevengebruiksfuncties. Bij het mogelijk maken van trillinggevoelige gebouwen (zoals woningen) in de buurt van spoorwegen moet het aspect trilling worden beoordeeld in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zo moet in beginsel binnen een afstand van 100 meter van een spoorweg het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. Hier kan bijvoorbeeld sprake van zijn als er reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere afstand dan 100 meter bestaan.

Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kunnen de SBR-richtlijn, de Beleidsregel Trillingsh inder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

39/54

6.13.2

Onderzoek Het onderstation wordt niet beschouwd als een trilling gevoelig gebouw conform Bkl, omdat het gebouw is ontworpen om bestand te zijn tegen trillingen en schokken die voorkomen in de omgeving van spoorwegen. Onderzoek naar trillingshinder kan derhalve redelijkerwijs achterwegen blijven.

6.13.3

Conclusie Voor wat betreft het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.14

Ontplofbare oorlogsresten

6.14.1

Toetsingskader Niet-gesprongen explosieven zijn ontplofbare oorlogsresten, bijvoorbeeld uit de Eerste of Tweede Wereldoorlog. Ze leveren een gevaar op als ze verplaatst of aangeraakt worden bij graaf- of baggerwerkzaamheden. Een groot risico is het onverwachts aantreffen van niet-gesprongen explosieven tijdens graaf- of andere grondwerkzaamheden. Dit kan namelijk zorgen voor gevaarlijke situaties voor werknemers en omwonenden. Verder kan het zorgen voor vertraging bij het uitvoeren van de werkzaamheden. De Omgevingswet verplicht niet tot het opstellen van regels voor ontplofbare oorlogsresten. Elke gemeente maakt daarin een eigen afweging.

6.14.2

Onderzoek

I1B

A

V

M IM S

$

%

P

o

2 X ? Ll

. , J- 2

N

k

3 7

1 H EV

•J

2HaeIk 11

%k, 4

/

I

Kl

I 11 !|

■

+4 1

H • DE

I

b

r g

Figuur 6-4: Verwachtingskaart ontplofbare oorlogsresten

Voorde aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten is de ‘verwachtingenkaart voor ontplofbare oorlogsresten’ geraadpleegd. Hieruit volgt dat de projectlocatie zich niet in verdacht gebied bevindt.

6.14.3

Conclusie De projectlocatie bevindt zich in onverdacht gebied, de kans op aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten word klein geacht. Indien er ontplofbare oorlogsresten gevonden worden bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling, worden deze verwijderd door de aannemer.

6.15

Kabels en leidingen

Er is Klic-melding gedaan tijdens de ontwerpfase om kabels en leidingen in kaart te brengen. Deze inventarisatie van kabels en leidingen is opgenomen als bijlage bij deze motivering.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

40/54

Hieruit blijkt dat de bestaande kabels en leidingen geen risico of beperking vormen het voorgenomen initiatief. Voor wat betreft het aspect kabels en leidingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

41/54

7

Financiële en maatschappelijke verantwoording

7.1

Financieel-economische haalbaarheid

Voor de bouw van het onderstation is door ProRail een budget gealloceerd om deze te realiseren. Het project wordt gefinancierd vanuit het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Er is dus voldoende budget beschikbaar om de financiële uitvoerbaarheid van het project als positief te beoordelen.

7.2

Maatschappelijke verantwoording

7.2.1

Advies en instemming De voorgenomen activiteit, het bouwen van een onderstation, is in strijd met het tijdelijke omgevingsplan en er kan worden afgeweken middels het verlenen van een BOPA. Op basis van artikel 16.64, lid 1 en 2, Omgevingswet, en 4:14 Awb is de beslistermijn is normaliter 8 weken. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn 1 maal met maximaal 6 weken verlengen. Het bevoegd gezag maakt het besluit tot verlenging bekend aan de aanvrager binnen de beslistermijn. Een omgevingsvergunning die is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure, treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop het bevoegd gezag het besluit bekend heeft gemaakt. 7.2.2 Resultaten proces met derden Ter voorbereiding op het opstellen van de motivering en het uitwerken van het ontwerp heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de gemeente Den Haag en ProRail, waarbij ook gesproken is met een projectinspecteur van de gemeente Den Haag. Met ontwerp van het onderstation is er rekening gehouden met de inpassing van het gebouw in de omgeving. Dit is beschreven in paragraaf 3.1. Er is achter het geluidsscherm bebouwing aanwezig nabij de projectlocatie. Aan de overkant van het spoor liggen een aantal volkstuinen en industrie. Verdere participatie in het proces wordt niet nodig geacht.

Vanwege de geringe impact op zowel landschappelijke als maatschappelijke waarden, de voorbesprekingen met de gemeente en de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar, wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid als positief beoordeeld.

7.3

Participatie

Bewoners inde omgeving van het plangebied zijn door de gemeente tijdig per brief op de hoogte gesteld van de werkzaamheden die plaats gaan vinden. ProRail heeft hierin het initiatief genomen en de participatie georganiseerd.

De adressen rondom het onderstation vormen de VvE 'De Tuinen van Wils'. De VvE is eigenaar van het geluidscherm dat het spoor scheidt van de woonwijk. Op 26 juni 2023 is de bouwmanager door de VvE benaderd met de vraag wat de planning start werkzaamheden is, welke maatregelen er genomen gaan worden om het scherm en de poorten tijdens de uitvoering van de werkzaamheden te beschermen en het verzoek tot het doen van een opname (o-meting) voorafgaand aan de start van de werkzaamheden. Hierop is door ProRail gereageerd dat realisatie gepland staat voor medio Q2, Q3 2024. Vervolgens is op 15 december 2023, na enige maanden van stilte, door ProRail contact opgenomen met de VvE met de vraag of er wellicht, naast het geluidsscherm, nog andere vragen of zorgen zijn. Als voorbeeld is inzet van zwaar materieel benoemd. Hierop is onderstaande reactie gekomen (14-01-2024): Logistiek bewegingen (transport): Het heeft de voorkeur om niet met zwaar en/of groot materiaal door de woonwijk te rijden maar het werkterrein aan de Rijstkamp via de zuidkant te benaderen. Dit is ook de kortste route waardoor wordt voorkomen dat men door de hele wijk heen moet rijden. Dit betekent wel dat men een kleine 100 meter vanaf de kruising Maiskamp - Rijstkamp tegen de rijrichting in moet rijden. Voor deze tijdelijke situatie zal dan een ontheffing moeten worden aangevraagd bij de gemeente.

Desnoods moeten er op die momenten dat er groot transport plaatsvindt verkeersregelaars worden ingezet. De Rijstkamp

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

42/54

maakt deel uit van een fietsroute waardoor er met name 's ochtends en einde middag heel veel fietsverkeer is. Dit kan verkeer kan aan het begin van de Rijstkamp ter hoogte van de kruising met de Reigersbergenweg - Schipholboog eenvoudig worden opgeleid.

Bouwplaats inrichting: Mijn veronderstelling is dat de bouwplaats met ketenpark (directie en personeel) binnen het terrein van ProRail wordt opgelost.

Parkeren Waar gaat het bouwpersoneel parkeren? Er zijn in de wijk niet heel veel parkeerplaatsen voor bezoekers van de woningen. Het heeft dus de voorkeur om het parkeren zoveel als mogelijk is op eigen werkterrein te doen. Overlast (geluid, stof) Is al duidelijk hoe het bestaande onderstation gesloopt gaat worden? Dit i.v.m. het beperken van geluid en stof naarde omgeving. Is er overigens een asbestinventarisatie uitgevoerd. Deze zat niet bij de documenten van aanvraag omgevingsvergunning die ik van de gemeente heb ontvangen.

Informatiebrief omwonenden Wat is op dit moment de planning van de uitvoering van de werkzaamheden? Dit i.v.m. het tijdig informeren van de omwonenden van de wijk. Hier is vervolgens door ProRail op gereageerd. De punten die genoemd worden door de VvE worden meegenomen in de verdere projectuitwerking. Een inhoudelijke reactie wordt verstuurd als de risicosessie binnen ProRail verder is uitgewerkt. Wel wordt het volgende al medegedeeld: Uw voorstel t.a.v. zwaar transport door ons nader bekeken en uitgewerkt gaat worden Er is al een vooronderzoek op aanwezigheid van asbest heeft plaats gevonden. Daarbij is de indicatie afgegeven dat er geen asbest te verwachten valt. Een aanvullend onderzoek dient nog plaats te vinden om dit ook daadwerkelijk te bevestigen.

Daarna volgt een inhoudelijke reactie vanuit ProRail op de vragen die eerder werden gesteld door de VvE. Hierbij worden de verzoeken die zijn gedaan wat betreft de bouwwerkzaamheden door de VvE onderzocht. Verder geeft ProRail aan dat het onderstation wordt gepositioneerd op een nieuwe positie en geeft aan dat er een nieuwe omgevingsvergunning wordt aangevraagd. ProRail vraagt hierbij de akkoord wat betreft de nieuwe locatie van het onderstation. De VvE is hiermee akkoord en verwacht dat de overige leden van de VvE hier ook mee instemmen.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

43/54

Colofon OPDRACHTGEVER

UITGAVE

Prorail

Movares Nederland B.V.

Daalseplein 100 Postbus 2855

3500 GW Utrecht TELEFOON

+31 (0)30-265 5555

ONDERTEKENAAR

@movares.nl PROJECTNUMMER

KENMERK

M0005335

A30-HS-RAP-24007088

© 2024, Movares Nederland B. V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Movares Nederland B. V.

A30-HS-RAP-24007088 / Proj.nr. M0005335 / Vrijgegeven / Versie 2.0/11 -12-2024

Movares

53/54

Movares samen werkt het

l

WWWN\,

I

Bijlage 1 Ontwerptekeningen

Movares

N

0 S04

*

S03

A0 HB01

\7

(9

822 R

Bestaande onderstation

NO

S01

AN

O

<3

ël8ss en o

S02

e

(oe0ig80dpan Rah-r

7o0®

Spoo _yo0® spooLgg

$

Dzo0® Spoote

begane grondvloer = +0mm peil = +900mm NAP onderwerp:

Situatie tekening (bestaande situatie) wijziging:

datum:

24-5-2024 opdrachtgever:

formaat:

schaal:

getekend:

gecontroleerd:

A0

1 : 100

Jtv

FB

PzoRail

project:

projectnr:

bladnr:

MOS Den Haag Noord

10905

103

Positie sonderingen o.b.v. Geotechnisch bodemonderzoek Rijstkamp te Den Haag dd 28 februari 2022

bouw & infra Oudevaart 91, 1749 CH, Warmenhuizen, T 0226 39 16 29, E info@kdbv.nl Zekeringstraat 50, 1014 BT, Amsterdam, T 020 333 11 98, E info@kdbv.nl

N

0 S04

w S03

A0 HBO'1

V,22 Q NO S01

7

AN

6 ■

360•

Y 455736082 X84351542

360

4) O

S02'

3 V

3600

2

*

V

0

o CMe

<5-\

I

3600

o

\

360•

Y 455729300 X 84331035

deeworchÜ8

A

UNN

\,°8

Z@

gaQ-r

—5 Q 6 6

K

2

dee ovove 2)

cewsUOGM

5 \

Y 455729246 X 84353803

A

N) {race (R,

\C\

c

\

Q% % ©

2 2)

"a6"

X EE

~oeöw9

vQ

o Q

% ©

-zo® spoo’

A

A

Y 455722464 X 84333295

S'

00(2005

O

o® Spoote

begane grondvloer = +0mm peil = +900mm NAP onderwerp:

Situatie tekening (inpassing nieuw) wijziging:

datum:

11-3-2024 opdrachtgever:

formaat:

schaal:

getekend:

gecontroleerd:

A0

1 : 100

JtV

FB

PzoRail

project:

projector:

bladnr:

MOS Den Haag Noord

10905

102

Positie sonderingen o.b.v. Geotechnisch bodemonderzoek Rijstkamp te Den Haag dd 28 februari 2022

bouw & infra Oudevaart 91, 1749 CH, Warmenhuizen, T 0226 39 16 29, E info@kdbv.nl Zekeringstraat 50, 1014 BT, Amsterdam, T 020 333 11 98, E info@kdbv.nl

c

A

B

2

1

ICT-module

RIV-module

RIV-module

3600

3600

3600

1200

1200

C

1200

/

$

n

0

do.

w( K4

W

N

1 w

1

&W

J \\ I

N

Ol

(o)

N

K===e

0

1

-

0

0

0

ö'

_______

co

g

o-

)

)

8}

lm

- ........

~

D

LO

•MKME

J

Uk

8

ö'

3600 1200

1200

Q

Q

K

Y

)‘

8

CM

Wj

$5

w( )‘

K4

K

0

O O 04

0,

3- WI

29

) ‘ MM •LA OM 9

$

D

K

OO)

==

$

Vla»

8

8,

O O 04

yg

LO

co

IN1

8

90 O

begane grond

0 +P

$

4

1200

3600

1200

1200

1200

1

ICT-module

3600 1200

1200

1200

3600 1200

1200

-

2

3

HVI-module

3600 1200

$

472%0

o co LO

=6

90 O

TR-module 1

1200

/6

/F

5

3600

1200

§

P

ö'

TR-module 2

T

1200

§

a

8

yg 0

1200

1200

W

$

0

$

1200

n

1 w \v

\\ f

J

6 s

1

w

1200

1200

ë o-

$=.=e

6

TR-module 2 3600

yg8 0

0

22157/2

7

C

W

3600

LO co

—15702

schaal 1 :20

1200

È

K4

§

$

1200

)//)

$

90 O

schaal 1 :20

1200

8

o-

lm

o co LO

Zuidgevel

1200

§

______________

(Bo

$

0

9

m

B

0

ö'

Westgevel

A

$===e

0

LO CO

3

9

3600

1200

nooduitloop

w

8/9

9

,<-2

1200

JJ ^1

O

0

K 3

Vla»

O O 04

$

/n Wj

.7

Vla»

1200

1200

7/ AA I

N

TR-module 2

3600

k

$

$64 /

1200

1200

ë NW

J W IV $

3600

1200

nooduitloop

6

o o

W

N

1200

1200

1200

7

6

GVI-module 2

3600

nooduitloop

1 \\ I

=ege=

K

§

a*

GVI-module 1

Z

B

==e

1200

2400

1200

1200

5

4

3

1200

3600

1200

1200

1200

1200

1200

ladderborgingspunt nooduitloop

—f

ë

(oLEa

nooduitloop

=eteMe=

3

AA /I I

J \\ VV

MI

MAV f

J \\ VI

J AA VV

K

K N

M( m

J ëuJ

O O 04

_______________________

3/82 K4

Y98)

K=e

o-

e‘ $

(oMe W1 0

N

O

MG

OM

-/e

"Tri

g

w ww 44

_a

MA r

M N,

Ji

0

m

()

9

5

Ma..

Oostgevel

Noordgevel

schaal 1 :20

schaal 1 :20

1

44

ë

\\

)

8/

—

MP

M

Q o-

)

8 8

IA 7

z

0

0

90 O

_-4/n

VM

38

1SM

0

9

MM

" Je

/

Wj

$=e

Q

0

$

K

P

SM AA n

MI

\\ f

W

§

(

N,

nooduitloop

K4

W

O

f

"\

K

0

Wj

$===e

.66 . sa t

o co LO

i %n

N

N

1

co

MI

3,=2 K

(

Wj LO

MO

% VV

J

/

0

LO

co

MI

F )

SM

S

O O 04

1 0

$6

J \\ VV

m \\\\

ë

nooduitloop

$64

jm: 299

8§

8

O O 04

4

0 0

O O 04

/

y w—A / W A

Q

LO

K<

co

-

9

begane grond

0 +P

$ /

Ml

LO co

o co LO

eziKn.

$ ====

)

onderwerp:

Gevelaanzichten wijziging:

datum:

19

13-02-2024

schaal:

getekend:

gecontroleerd:

A0.1680 As indicated

J+V

FB

formaat:

A$ opdrachtgever:

Gevelpanelen SMV Description

Comments

A0

Count

(9

A

0° 90 0 180 0 270 O

halve panelen halve panelen halve panelen halve panelen

19 13 7 9

hele panelen hele panelen hele panelen hele panelen

30 34 35 45

--

uit één heel paneel kan 0° en 180° gehaald worden

hele panelen: 144

projector:

bladnr:

MOS Den Haag Noord

10906

002

(c GN\ W WJ

totaal aantal panelen = 144+ 19 + 13 = 176

rest: 12 stuks 180° halve panelen 4 stuks 270° halve panelen

project:

gan9S—--

uit één heel paneel kan 90° en 270° gehaald worden

halve panelen: 48

0° 90 O 180 O 270 O

evo’UW

ProRail

N

bouw & infra situatie schaal 1 : 500

Oudevaart 91, 1749 CH, Warmenhuizen, T 0226 39 16 29, E info@kdbv.nl Zekeringstraat 50, 1014 BT, Amsterdam, T 020 333 11 98, E info@kdbv.nl

GO CD

GO CD

GO CD afschot 25 mm/m

1

GO CD

GO CD

GO CD

O

LT)

N

c

1

1

1

1

_1

}

1

_—1

1

1

1

_1

1

1

_—1

1

1

1

L_1

}

1

_—1

1

1

£

1

L_L

1

_—1

1

1

£

1

_1

1

_E.

1

1

1

1

1

1

1

1

1

1

3

afschot 25 mm/m1

§CO

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

HWA

HWA

I

0

(o)

0

0

I

I

0

o

I I I I I I

HWA

(o)

0

I

I

(o)

o

o

o

toegang kabelcompartiment

I

i

i

schuiftrap in ingeschoven toestand i

i

i

schuiftrap in ingeschoven toestand

schuiftrap in ingeschoven toestand

i

i

T

i

schuiftrap in ingeschoven toestand

i

8

I I

I

I

I

I o

2

0

0

0

0

0

O

0

0

o

0

o

——

B

T I

I

I

I

I

Schroefpaal 0114 + kopplaat 0400

0

2

0

0

0

o

i

I

I

schuiftrap in ingeschoven toestand

F

0

0

0

o

I

I

o

schuiftrap in ingeschoven toestand

I

schuiftrap in ingeschoven toestand

TT

schuiftrap in ingeschoven toestand

I

I

I

I

I I II I II I

I

in

ii ii ii ii

i i i i

LJE

L

I I I I I I

n

I I

in

in in in

I I I

C co

0

I I I I I I I I I I I I I I I

Schroefpaal 0114 -- kopplaat 0400

o

toegang kabelcompartiment

I

I I I

m m

schuiftrap in ingeschoven toestand

i

T

2

toegang kabelcompartiment

0

0

0

I

HWA

0

I

toegang kabelcompartiment

0

o

0

I

HWA

0

I

I

0

o

afschot 25 mm/m1

o

O

I

HWA

HWA

J

—=

—=

A

afschot 25 mm/m

1

I I

I I

I I

I I

I I

I I

905

kabelcompartiment plattegrond

Doorsnede hijsbanden

schaal 1 :20

3

—

I straatwerk op afschot

I

I

I

I

N/

begane grond 900 +NAP

anti-vegetatie matten op zandpakket

keerwand prefab beton

k

NAP

I

I 5

I

N/0+NAPbelcompa rti ment

I

-132 +NAP

F

[

]

kabelcompartiment doorsnede schaal 1 :20

) onderwerp:

Kabelcompartiment 19 A$

A0

4,° 0

datum:

formaat:

schaal:

getekend:

gecontroleerd:

12-04-2024

A0.1390

As indicated

JtV

FB

opdrachtgever:

9

AD

g 0’20020N

gW- \N‘ g, k ,2W

w

UW

ProRai1

project:

projector:

bladnr:

MOS Den Haag Noord

10905

003

ga--55-

Q

N

S9so0o5ddd °^

bouw & infra

situatie

Oudevaart 91, 1749 CH, Warmenhuizen, T 0226 39 16 29, E info@kdbv.nl

schaal 1 : 500

Zekeringsf raaf 50, 1014 BT, Amsterdam, T 020 333 11 98, E info@kdbv.nl

2

1

4

3

3600

3600

6

5

3600

3600

7

3600

3600

i

i

i

i

\

i

\

\

\

\

I/o

E I—+ t I

I

i (

i

i

i

\

i (

]

E I— t

E

i

\

\

i Gk

c

i

I

I

i(

]

]

E

E

E

I

I— I

L I

I

I

I

I

ICT

C

I

Gelijkstroomverdeelinrichting 2 (GVI_2)

co I

I

Gelijkstroomverdeelinrichting 1 (GVI_1)

I

I

I

I

I

I

I

I

I

Hoogspanningsverdeelinrichting

J

B

(HVI)

I

I

I

I

I

i

I

i

I

€

E

I

Railinfravoeding (RIV)

C

co

Tractie 2 (TR_2)

I

Tractie 1 (TR_1)

I

।

I

I

-

I

I

I

I

I

I

A

1

I

I

+ I

m

11

I

I

I

[

2/1

\

\

\

\

I

I

6

I

A

A

7T7

1e=mme—=dms=—=n

8/1

I

I

I

I

begane grondvloer schaal 1 :20

HSB-modules door Kromhout Prefab

Installatie TEV en GGI door BAM $

) onderwerp:

Begane grondvloer 99

A$

A0

9 4,° 05

datum:

formaat:

schaal:

getekend:

gecontroleerd:

12-04-2024

A0.1390

As indicated

Jtv

FB

opdrachtgever:

AD project:

projector:

bladnr:

MOS Den Haag Noord

10905

004

UW

g- \AN’

g2 k w C

ProRai1

ga--55-

Q

6 ,2

N -so02530

situatie schaal 1 : 500

bouw & infra Oudevaart 91, 1749 CH, Warmenhuizen, T 0226 39 16 29, E info@kdbv.nl Zekeringstraat 50, 1014 BT, Amsterdam, T 020 333 11 98, E info@kdbv.nl

3600

3600

5

3600

3600

7

6

3600

150 mm grindstrook

ladderborgingspunt

i

i

noodoverstort

I

i

noodoverstort

i

noodoverstort

CD

4

3

GO

2

maatvoering tbv hoeklijn

1

I

450

c —

—

— — — — — -------- 111111

— —

-------- 111111

— -------- 111111

— — — — o o co

sedumdak systeemopbouw- Beplanting,,, - Extensief substraat 60 mm; - Zinco Fixodrain XD 20 o o O

valbeveiligingsrails; _______________

hoeklijn 30.30.3 tbv oplegging looprooster

I

C

I o o co

I

I

r

CO

L

— — — —

— — —

------- 111111

—

11111111 r

—

—

1111

006

___

afschot 12,5 mm/m

- persrooster l=3400mm || draagstaven 30x2 vulstaven 12x2

300

afschot 12,5 mm/m

afschot 12,5 mm/mi

ii

F

hoeklnijn n30.30.3 tbv oplegging looprooster n ii

—

—

I

OSv

___

I

450

B

I

T

I

(

300

900

300

.

—

900

300

7

450

450

300

afschot 12,5 mm/m

900

300

------------- JT900---------------- —300——FT450-----

— 4507

900

300

300

900

300

7

450

450

300

900

afschot 12,5 mm/m

300

------ 900]

4300

— 4507

1450

300

900

300

300

900

450 300

450

maatvoering tbv hoeklijn

1

afschot 12,5 mm/m

006 —

I

r

I

C co

L

__O co l

valbeveiligingsrails

o o O

afschot 12,5 mm/m

o o co

noodoverstort

—

—

T

T

L0

A noodoverstort

I

noodoverstort

I

noodoverstort

I

I

I

I

I

dakaanzicht schaal 1 :20

dakkap op klang h.o.h. 600 mm

persrooster

TTTTTT

In u n TtT o

sz.

3950 +NAP

$

)

onderwerp:

Dakaanzicht roosterklem

99

L30.30.3

154

A$

154 A0

9 4,° 0

datum:

formaat:

schaal:

getekend:

gecontroleerd:

20-03-2024

A0.1390

As indicated

JtV

FB

opdrachtgever:

AD

ProRai1

project:

projector:

bladnr:

MOS Den Haag Noord

10905

005

UW

GW.

g32 C

I

6

0’20020

,2W

& A 1R

w

(N‘

ga-Q

N

so025dd

oplegging persrooster schaal 1 : 5

situatie

bouw & infra Oudevaart 91, 1749 CH, Warmenhuizen, T 0226 39 16 29, E info@kdbv.nl

schaal 1 : 500

Zekeringstraat 50, 1014 BT, Amsterdam, T 020 333 11 98, E info@kdbv.nl

l

WWWN\,

I

Bijlage 2 Watertoets

Movares

M ova res adviseurs & ingenieurs

MEMO

KENMERK PROJECTNUMMER ONDERWERP DATUM AUTEUR

98-HS-MEMO-22003520 MN002781 Watertoets OS Den Haag Noord 14 april 2022 - Jr. Omgevingsmanager

Inleiding Aanleiding voor het opstellen van deze watertoets betreft het plaatsen van een onderstation (OS) op locatie Den Haag Noord. Zowel het bestaande gebouw als de bestaande installaties zijn aan het einde van de technische levensduur en dienen daarom vervangen te worden. Het plangebied van het nieuwe onderstation is gelegen tussen de stations Den Haag Laan van NOI en Den Haag Mariahoeve, ter hoogte van de boog van de splitsing van de lijn Schiphol-Den Haag en Rotterdam-Den Haag, zie figuur 1.

3<ax. -

I Ne

-e

Figuur 1: Locatie onderstation Den Haag Noord

1/9

Movares adviseurs & ingenieurs

MEMO KENMERK

98-HS-MEMO-22003520

Beleid en regelgeving Bij watervraagstukken zijn meerdere waterbeheerders betrokken. Elk van deze waterbeheerders heeft haar eigen beleid en regelgeving die nageleefd dient te worden. Voor het plangebied van het nieuwe onderstation (OS) Den Haag Noord zijn de volgende waterbeheerders betrokken: Rijksoverheid, provincie Zuid-Holland, Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente Den Haag. Rijksoverheid

Waterwet Door klimaatverandering en een toenemende druk op de schaarse beschikbare ruimte is er een toenemend bewustzijn ontwikkeld van de noodzaak om anders om te gaan met water. Om de waterwetgeving aan te laten sluiten op deze ontwikkeling is op 22 december 2009 de Waterwet in werking getreden. De Waterwet is een integrale wet en geeft regels met betrekking tot het beheer en gebruik van het watersysteem. Daarbij verbetert de wet ook de samenhang tussen het waterbeleid en de ruimtelijke ordening.

Wet ruimtelijke ordening en de watertoets In het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening is het sinds 2003 wettelijk verplicht een watertoets te verrichten voor ruimtelijke ontwikkelingen. De watertoets is een instrument waarmee wordt ingeschat wat de impact van de te nemen ontwikkeling is op het watersysteem. Het resultaat van de watertoets wordt als paragraaf opgenomen in de ruimtelijke onderbouwing. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid. Provincie Zuid-Holland Het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 is de strategische basis voor het Zuid-Hollandse waterbeleid en -beheer, rekening houdend met de verschillende Europese richtlijnen zoals de KRW en de GWR. Het is breed gedragen door de nauwe samenwerking met talloze belanghebbende partijen in de provincie.

Hoogheemraadschap van Delfland

Waterbeheerprogramma Het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft als titel “Waterwerk-Watermerk”. In dit programma staat waar het hoogheemraadschap zich de komende jaren op wil gaan richten. Zo schenkt het aandacht aan het continu blijven uitvoeren van de reguliere werkzaamheden. Denk aan onderhouden en controleren van dijken, gemalen en waterpeilen. Ook wordt er gekeken naar onderwerpen waar nieuwe initiatieven of innovatieve werkwijzen voor nodig zijn. In dit plan heeft het hoogheemraadschap o.a. de volgende speerpunten opgesteld: Water is leidend > het water moet het ordenende principe zijn. Netwerkorganisatie > slimmer, digitaler en meer samen werken. Duurzaam circulair > Zo veel mogelijk circulair werken

2/9

Movares adviseurs & ingenieurs

MEMO KENMERK

98-HS-MEMO-22003520

Keur Hoogheemraadschap van Delfland Een van de instrumenten voor het waterschap om haar taken goed uit te voeren is de Keur van Hoogheemraadschap van Delfland. De keur kent verbods- en gebodsbepalingen die zich richten op het beschermen van de watergangen. Onderdeel van de Keur is de Legger. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in of nabij waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet bij het niet voldoen aan de Algemene Regels een vergunning aanvragen. De meeste werkzaamheden zijn minimaal meldingsplichtig.

Gemeente Den Haag Voor het water heeft de gemeente binnen de bebouwde omgeving de zorgplicht voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater. Daarnaast is zij verantwoordelijk voor het beheer van de overige, niet primaire watergangen welke tot haar eigendom behoren.

3/9

Movares adviseurs & ingenieurs

MEMO KENMERK

98-HS-MEMO-22003520

Huidige situatie Maaiveldhoogte Aan de hand van de Algemene Hoogtekaart Nederland (AHN 3) is een inschatting gemaakt van de hoogte van het maaiveld. Het maaiveld ter plaatse van het projectgebied ligt op circa NAP 0,0 meter (zie figuur 2).

Hoog d

Laag

Figuur 2. Maaiveldhoogte op basis van de Algemene Hoogtekaart Nederland (AHN)

Waterveiligheid Het plangebied ligt geheel binnendijks, binnen de waterkeringen van dijkring 14 (Zuid-Holland). Deze dijkring heeft een overschrijdingskans van 1/10.000 jaar.

In het plangebied bevinden zich geen waterkeringen en/of beschermingszones. Aan de zuidzijde van het projectgebied loopt een open duiker. Dit is een kokervormige constructie bedoeld om wateren met elkaar te verbinden. Het valt onder de groep ‘ondersteunend kunstwerk’, dat dienstbaar is aan de functie of werking van een waterstaatswerk of het functioneren van het watersysteem. De duiker verbindt twee watervoerende delen met elkaar die zich ten oosten en westen van het plangebied bevinden. Deze oppervlaktewaterlichamen hebben een breedte van 4.5 meter inclusief de beschermingszone (zie figuur 3). Beschermingszones zijn onderdeel van waterstaatswerken en daarover wordt in de Keur het volgende omschreven: Artikel 3.1 lid 2: Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te

4/9

Movares adviseurs & ingenieurs

MEMO KENMERK

98-HS-MEMO-22003520

verrichten, werken te behouden, vaste substanties of voorwerpen te laten staan, of te laten liggen, of de waterstand op een ander peil te brengen of houden dan het peil dat in het peilbesluit is vastgesteld.

2350 2358

2385

233

2359

2212

2335 23a3y4

• \ 2342

N

2351

V

2176

AA

4

2352

4

2329

2447

2376>K?

2382

1

4

m»

)

KtT 50

Figuur 3: Ligging watergangen rondom plangebied OS Den Haag Noord

Waterhuishouding (huidig) Het hemelwater wordt deels opgevangen door het dak van het huidige onderstation en deels valt het direct op het maaiveld. Via de dakgoten van het huidige onderstation stroomt het water naar het maaiveld waarna het in de bodem infiltreert. Waterketen De realisatie van het onderstation heeft geen betrekking op de waterketen. Er vindt geen afvoer van afvalwater plaats evenals toestroom van drinkwater, het onderstation is een onbemenste ruimte zonder toilet- en watervoorzieningen.

5/9

Movares adviseurs & ingenieurs

MEMO 98-HS-MEMO-22003520

KENMERK

Bodemopbouw Om inzicht te krijgen in de bodemopbouw is gebruik gemaakt van het ondergrondmodel GeoTOP v1.4 van Dinoloket. Hieruit volgt het volgende. Hieruit blijkt dat regionaal gezien een antropogene deklaag ligt van circa 2 meter. Dit bestaat uit alle denkbare materialen die door de mens zijn hergebruikt zoals natuurlijk sediment. Onder de deklaag bevindt zich de holocene laag met een afwisseling van zand van zeer fijn tot grof.

Geologische eenheid AAOP UR NASC NAZA NAWA NAWO EC • NIBA " BXWISIKO

8

Hoogte in meters t.o .v .

NAP

NAZA

—

UR

KRBXDE

■50

O

0.075

0.15

0.225

0.3

0.375

0.45

0.525

0.6

0.675

0.75

0.325

0.9

0.975

3.05

Figuur 4: dwarsdoorsnede regionale bodemopbouw

In tabel 1 is de globale regionale bodemopbouw schematisch weergegeven.

Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, wel in een drinkwateronttrekkingsgebied. Tabel 1: regionale bodemopbouw

Diepte t.o.v. mv 0.00- 1.70 m 1.70-6.05 m

6.05-11.05 m 11.05- 12.80 m 12.80- 12.95 m

12.95-14.15 m

Formatie Nieuwkoop Naaldwijk - laagpakket van Walcheren Naaldwijk - laagpakket van Zandvoort Naaldwijk - laagpakket van Wormer Nieuwkoop Naaldwijk - laagpakket van Wormer

Grondsoort

Veen Zand - zeer fijn Zand - matig fijn Zand - zeer fijn Veen

Zand - zeer fijn

6/9

Movares adviseurs & ingenieurs

MEMO KENMERK

98-HS-MEMO-22003520

Voorgenomen ontwikkeling Het nieuwe onderstation heeft een omvang van 158 m2. Als terreinverharding worden grastegels toegepast.

•bbo=129.6m2

uIHIuIIII

n

■r

Waterhuishouding (toekomstig) In de toekomstige situatie wordt de neerslag in het plangebied deels opgevangen door het dak van het te realiseren onderstation en het omliggende terrein. De neerslag die op het dak valt wordt via afvoerpijpen langs het onderstation naar beneden gebracht waarna het middels afstroming naar de omliggende gronden wordt geleid waar het in de bodem kan infiltreren. Bij de aanleg van dakgoten dient het gebruik van uitlogende materialen te worden vermeden, zodat de waterkwaliteit van het hemel- en grondwater in de toekomstige situatie niet verslechtert.

Het bouwplan toont aan dat het ontwerp buiten de beschermingszones van de oppervlaktewaterlichamen wordt geplaatst. Echter mag er binnen deze beschermingszone ook niet zonder vergunning gewerkt worden. Daarmee dient in de uitvoering rekening gehouden te worden. Watersleutel Hoogheemraadschap van Delfland maakt gebruik van de watersleutel. Deze rekentool bepaald hoe veel waterberging moet worden gerealiseerd om bij een ruimtelijke ontwikkeling de effecten op het watersysteem te compenseren. Hierbij wordt ook rekening gehouden met hevigere neerslag door klimaatverandering. In tabel 2 is de uitkomst van deze watersleutel weergegeven. Toelichting tabel 2: het nieuwe onderstation beslaat een oppervlakte van 158 m2. Voor de terreinafwerking worden grastegels toegepast. Grastegels vallen onder half-verharding welke berging van infiltratie en zuivering bieden. Het onderstation in de huidige situatie beslaat een oppervlak van circa 400 m2. Het uitgangspunt van de afname verhard oppervlak van het onderstation is 242 m2 (400 m2 - 158 m2).

7/9

Movares adviseurs & ingenieurs

MEMO KENMERK

98-HS-MEMO-22003520 Tabel 2; uitkomsten watersleutel Hoogheemraadschap van Delfland

Verhard

infrastructuur/bebouwing

Huidige situatie

Nieuwe situatie

m2

400

158

m2

1322

1564

Eenheid

Onderdeel

Verschil

242

Onverhard + halfverhard (grasklinkers, zand/grind, gras, etc.) Gebiedskenmerken Gem. maaiveld

NAP m

0.00

0.00

Maatgevend peil

NAP m

-1.36

-1.36

Gem. drooglegging

m

-1.36

-1.36

Totaal

Ontwikkeling

0

-172

Oppervlaktewater in m2 Extra te realiseren

1

N.v.t. Klimaat 2050

1 172

J

Toename verharding Voor een toename van verharding bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het Hoogheemraadschap van Delfland het Stand-still beginsel. Daarin staat het volgende: De kans op wateroverlast mag niet toenemen als gevolg van een ingreep in het watersysteem of een handeling die invloed heeft op het functioneren van het watersysteem. De structuur mag niet verslechteren. De beheerbaarheid mag niet achteruit gaan. Wanneer echter andere waterbelangen zwaarder wegen dan het voorkomen van wateroverlast kan hiervan worden afgeweken. Voorwaarde voor het afwijken van het stand-still beginsel voor wateroverlast is dat een integrale waterstaatkundige belangenafweging heeft plaatsgevonden. Deze belangenafweging wordt gemaakt door het hoogheemraadschap samen met de gemeenten, na overleg met andere direct belanghebbenden. Waarbij het College van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Delfland de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid heeft.

Grondwater Voor het realiseren van het onderstation is het (tijdelijk) onttrekken van grondwater niet noodzakelijk. Tevens heeft het project geen effecten op de grondwatersituatie.

8/9

Movares adviseurs & ingenieurs

MEMO KENMERK

98-HS-MEMO-22003520

Conclusies en advies Het rapport heeft tot doel om te bepalen of het ontwerp negatieve effecten heeft, of en in welke mate mitigerende of compenserende maatregelen kunnen worden getroffen voor wat betreft de waterhuishouding. De effecten op de waterhuishouding zijn verder samengevat in onderstaande tabel. Tabel 3: effecten op waterhuishouding

Thema

Opmerking

Waterveiligheid

of regionale waterkering) binnen het

Relevant

Er bevindt zich geen waterkering (primaire

Nee

plangebied

Wateroverlast

Oppervlaktewaterkwaliteit

Het verschil in oppervlakte tussen de huidige en nieuwe situatie komt uit op een afname van het verhard oppervlak van 242 m2. Vanuit het plangebied wordt geen water op het oppervlaktewater geloosd.

Nee, want er is sprake van een afname. Dus de infiltratievoorziening in het plangebied zal hierdoor bevorderen.

Nee

Veranderingen in de grondwaterstand zijn

niet te verwachten in het plangebied.

Grondwateroverlast

Tevens vinden er geen werkzaamheden

Nee

plaats waarvoor grondwateronttrekking nodig is.

Plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied, wel in G ro n dwate rkwa I ite it

(Herinrichting)

watersysteem

Riolering en afvalwaterketen

een drinkwateronttrekking. Echter zal er voor het plaatsen van het nieuwe onderstation geen grondwater onttrokken hoeven worden.

Nee

Geen watergangen aanwezig binnen het plangebied. Tevens worden geen nieuwe watergangen aangelegd. Wel lopen er ten zuiden van het plangebied twee watergangen, verbonden dooreen duiker. Bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met deze watergangen en de daarbij horende beschermingszones.

Ja, zie ‘waterhuishouding

Binnen de onderzoekslocatie bevindt zich geen onder-of overdruk rioolpersleiding.

Nee

(toekomstig)’

9/9

l

WWWN\,

I

Bijlage 3 Watersleutel

Movares

16-12-2024, 20:21

Watersleutel

Watersleutel

Versie 07-2020

Beweeg cursor over begrippen voor toelichting. Blauwe vakjes invullen. Druk vervolgens op update.

■ waterberging

Projectnaam & omschrijving

■ poldergemaal

■ berging onv oppvl

16-12-2024

M.O.S. Den Haag Noord

12 0 2 0 14

Nieuw te realiseren onderstation

T50

TIC

T10Ö

Sh®

■ berging in grond

•berging verh oppvl berging bassins

Watersysteem

gemaalcapaciteit

peilgebied

P.

Veen- en Binkhorstpolder

polder/boezem mm/etmaal

25.1

kaart

POL403IV

Oppervlakteverdeling plangebied

HUIDIG

]

•.ma49

*

idoagherm aauhup KMI

Delfland

I-

TOEKOMSTIG

Stedelijk

verhard infrastr./bebouwing

m2

400

158

onverhard stedelijk

m2

1322

1564

verhard glasgebied

m2

0

0

onverhard glasgebied

m2

0

0

verhard landelijk

m2

0

0

onverhard landelijk

m2

Huidig/ actueel klimaat, T100

Agrarisch glastuinbouw

150 120

Agrarisch gras, akkerbouw, natuur

o

0

90

E E

Water huidig aanwezig water

m2

0

oppervlakte plangebied

m2

1722

0

60 30

Totaal 1722 1

0

48 uur Gebiedskenmerken

negatief

HUIDIG

TOEKOMSTIG

gemiddeld maaiveld

NAP m

-1.36

-1.36

maatgevend peil

NAP m

-1.36

-1.36

O

0

gemiddelde drooglegging

m

Ontwikkeling, klimaat 2050, T100

150

Oppervlaktewater in m2

Klimaat 2050

Ontwikkeling

Totaal

-172

huidig aanwezig

O

0

totaal te realiseren

O

-172

172

0.0%

-10.0%

10.0%

kruimelgeval

aandeel plangebied

90

E E

60

30

Waterberging in m3

Totaal

https://watertoetsportaal.hhdelfland.nl/watersleutel/index.htm

120

172

O

extra te realiseren

Ontwikkeling

Klimaat 2050

0

1/2

16-12-2024, 20:21 extra te realiseren

Watersleutel kruimelgeval

I

0.0

I

-44.4

44.4|

48 uur

J

Grafieken dienen alleen ter verduidelijking van de principes

https://watertoetsportaal.hhdelfland.nl/watersleutel/index.htm

2/2

l

WWWN\,

I

Bijlage 4 Aenus-berekening

Movares

Movares adviseurs & ingenieurs

ADVIESNOTA

KENMERK PROJECTNUMMER STATUS ONDERWERP

DATUM

A90-HS-ADV-24007579 M0005335 Vrijgegeven Stikstofonderzoek - realisatie onderstation Den Haag Noord 30 september 2024

AANLEIDING ProRail is bezig met het uitvoeren van Programma Tractie-Energievoorzieningsnet. Te Den Haag Noord dient hiervoor een bestaand 1500V onderstation gefaseerd gesloopt en op dezelfde locatie nieuw opgebouwd te worden. In de bestaande situatie bevinden zich nu: tractietransformatoren, tractiegelijkrichters, kabels en leidingen en verdeelinrichtingen. Deze worden in fasen overgenomen in de (meer compacte) nieuwbouw. Voor de sloop en nieuwbouw van het onderstation heeft ProRail Movares gevraagd een AERIUS berekening naar stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden uit te voeren. DOEL Voor het project dient te worden onderzocht of het als gevolg van stikstofdepositie een vergunning plichtige “Natura 2000-activiteit” is zoals gedefinieerd binnen de kaders van de Omgevingswet. Dit is aan de orde als het project leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden welke kan leiden tot significante negatieve effecten. In deze adviesnota is het uitgevoerde onderzoek beschreven en is aangegeven of het project mogelijk een vergunning plichtige “Natura 2000-activiteit” is.

AANPAK Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS versie 2024 (www.aerius.nl). Hierin worden de verschillende bronnen ingevoerd waarna AERIUS de stikstofdepositie berekend op N2000-gebieden op basis van stikstof- en ammoniakemissie (NOx en NH3). In AERIUS zijn de meest recente gegevens opgenomen wat betreft uitstoot van emissie veroorzakende activiteiten, verspreiding van emissie en aanwezige natuurwaarden. In het onderzoek worden alle bronnen beschouwd die stikstofuitstoot met zich meebrengen. Dit zijn alle werkzaamheden en bewegingen waarbij gebruik wordt gemaakt van verbrandingsprocessen. Bij een stikstofonderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen de realisatiefase en de gebruiksfase. Omdat er op de huidige locatie reeds een onderstation aanwezig is waar, ten behoeve van regulier onderhoud, verkeersbewegingen plaatsvinden, en het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van onderhoud beperkt zullen zijn, zal er in de gebruiksfase geen aanvullende stikstofemissie optreden. Hierom is enkel de emissie in de realisatiefase beoordeeld.

A90-HS-ADV-24007579 / Vrijgegeven

1/6

Movares adviseurs & ingenieurs

ADVIESNOTA

LIGGING PLANGEBIED EN ONTSLUITINGSROUTE Het plangebied bevindt zich aan de Rijstveld te Den Haag in de provincie ZuidHolland langs het spoor. In Figuur 1 is de ligging van het plangebied en de ontsluitingsroute weergegeven.

Figuur 1. Visuele weergave van het plangebied (zwarte vlak) en de ontsluitingsroutes (paarse lijn)

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het gebied Meijendel & Berkenheide op ca. 3,2 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Het gebied dat daarna het dichtstbij gelegen is betreft het gebied Westduinpark & Wapendal ten westen op ca. 6,1 kilometer. Beide gebieden zijn aangewezen in het kader van de Habitatrichtlijn; in beide gebieden zijn stikstofgevoelige habitattypen en/of soorten aanwezig die overbelast zijn. Ten noordoosten van het plangebied op ca. 12,7 kilometer is gebied De Wilck gelegen. Dit gebied is aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn en kent geen overbelasting met betrekking tot stikstof. In Figuur 2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15241691/1