RIS321358 Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing Plein 1813 4 en 5
Tekst van het document
kantoor niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening.
4.8
Externe veiligheid
4.8.1
Wettelijk kader
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid
en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m2). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van
kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000
personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het
Plein 1813 nr. 5 Ruimtelijke onderbouwing
29
groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als
groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door
buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in
werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving
daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
Plein 1813 nr. 5 Ruimtelijke onderbouwing
30
Indien een bestemmingsplan betrekking heeftop een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan
wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten
zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
Beoordeling
4.8.2
Een kantoor betreft een beperkt kwetsbaar object, zodat de herbouw getoetst dient te worden aan de
wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
T‘*
"4Na 02 K’öE
,68 Xqb”
-*
'si op
’
9
\ »a X.et
"9
AKW NV
i
\\
D5
i
AN
_éa,ë zeehel d eh k w,%
1 %
-
h
De
%8, %
125
6 6
6
-Ag“200g•3 34 mj e % -è
3"
d •353.th
d d
C.. » **
02
4
•,X 5
V
AV XN
AN
e“dh
.
Aü nAstwsdg
\*
seëF
o
v
9)
1 9
*
■
2
363
9
989 1*
J k‘9*a * A% 1
Wek e \ 12 pf.
> -
2
VE
ft ) Wg
vg%ce..
g0M -
*0.. X'. -83
nV CA I P
-
9
o
3
0
g7 3, L , 0AK - ' ' MNV JE.M
60%
ej9
575
I
È
WN
e6 i 3 X- >2 \ \ 4? @
C6Pee'
$
.
3
i
6, L
V
■ iP.
VTo V*
46 )
%—Dwe G
"ee AC0 CVe c € c o
88* 3
N
* V, -
R6:
V
AVA
(
2
h-
— .o
K
,58. 'N
K“cn
_ Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: EV Siqnalerinqskaarthttp://www.risicokaart.nl) Chica
■■
9
Transport gevaarlijke stoffen
Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen hoofdvaarweg, spoorbaan of
rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour. Inrichtingen In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat er geen
sprake is van een belemmering. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI, waardoor de ontwikkeling geen gevaar vormt voorde omgeving.
4.8.3
Conclusie
Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor onderhavig initiatief aan het Plein 1813 nr. 5 in Den Haag.
Plein 1813 nr. 5 Ruimtelijke onderbouwing
31
4.9
Kabels en leidingen
Uit de toelichting en verbeelding van beheersverordening ‘Willemspark e.o.’ is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Bij eventuele graafwerkzaamheden zal een klic-melding uitgevoerd worden. 4.10 Water
4.10.1
Inleiding
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de
sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor
de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis
van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder. 4.10.2
Beleidskader
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's.
Europa Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de
oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Rijk De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater,
en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 28 maart 2022 is het Nationaal Water Programma 2022-2027 vastgesteld. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Belangrijke onderdelen
Plein 1813 nr. 5 Ruimtelijke onderbouwing
32
van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen
richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: Een veilige en klimaatbestendige delta. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.
In Nederland komen veel opgaven voorde leefomgeving bij elkaar op een klein oppervlak. Niet alles kan, soms moeten keuzes worden gemaakt. Daarvoor zijn in het NWP een aantal afwegingsprincipes voor het waterbeleid en beheer opgenomen.
Hoogheemraadschap Delfland
Water, in de juiste hoeveelheid en van goede kwaliteit, is een belangrijke toegevoegde waarde voor een gebied. Dat geldt voor stedelijk en landelijk gebied, voor particulieren en bedrijven. Te veel ofte weinig water leidt tot problemen als wateroverlast, natte kelders en tuinen, paalrot en verzilting. Klimaatverandering en bodemdaling zijn belangrijke oorzaken, maar ook de verstedelijking speelt een rol. Er komt steeds meer verhard oppervlak, waardoor er minder water in de bodem kan infiltreren en er
te weinig ruimte voor water overblijft. Behalve de hoeveelheid water is ook de kwaliteit van het water van belang. Die hangt nauw samen met gebiedsinrichting, hemelwaterafvoer en rioleringssysteem. Van schoon, gezond en voldoende water profiteren bewoners, bedrijven, natuur en recreanten. Reden genoeg om als gemeente en waterschap samen te zoeken naar de beste manier om water in de fysieke leefomgeving op te nemen 4.10.3
Beoordeling
Wateropqave Om de huidige afvoersituatie niet te verslechteren dient watercompensatie over het toekomstige oppervlak gerealiseerd te worden. Ten behoeve van de bepaling van de wateropgave is de watersleutel van Delfland ingevuld. Uit de watersleutel volgt dat de wateropgave binnen het plangebied 65,3 m3
waterberging bedraagt. Watercompensatie
Binnen het plangebied wordt waterberging gerealiseerd in de vorm van infiltratiekratten onder de parkeerplaatsen. De kenmerken van het infiltratiekratten zijn opgenomen in de onderstaande tabel. De globale ligging van de infiltratiekratten zijn weergeven in de volgende figuur. | Hoeveelheid | Eenheid Omschrijving Oppervlak 175 m2 Dikte m 0,4 Porositeit 0,95 Omtrek 80 m m2 Infiltratie oppervlak' 21 Statische berging 66,5 m3 Infiltratie** 2,2 m3/uur 68,7 Dynamische berging m3 in het eerste uur Leeglooptijd 15 uur 1) van de wandomtrek 2) Uitgaand van een k-waarde van 2,5 m/dag (veiligheidsfactor van 2 met een ingeschatte k-waarde van 5). Geadviseerd wordt in het vervolgtraject de infiltratiecapaciteit met een gedegen infiltratie-onderzoek te verifiëren.
Kenmerken infiltratiekratten
Plein 1813 nr. 5 Ruimtelijke onderbouwing
33
Het pakket van infiltratiekratten heeft een statisch waterbergend vermogen van 66,5 m3. De infiltratiecapaciteit van de infiltratiekratten is 2,2 m3/uur. Met een statische berging van 66,5 m3 en een
dynamische berging van 2,2 m3/uur is de dynamische berging 68,8 m3 in het eerste uur. Hiermee wordt voldaan uit de waterbergingseis van het Hoogheemraadschap van Delfland. Het is aanbevolen om de kratten een dekking van 0,5 m te geven. De bovenkant van de kratten komt gelegen op NAP +0,5 m en de onderkant van de kratten op NAP +0,1 m. De kratten komen dus 0,1
boven de GHG gelegen. a.
&
eK
\ \ .\ \
V. ) J
Legenda • Pangebied
/
Tcekomstig= situatie I
i E=boung
Half verharding
Ontmerd
EX Farkaron (Hzlf verhard) Verharding
o I nfi irel 5 ekrett en 0
15
30
45 m
Ligging infiltratiekratten
Wijze van afwatering De nieuwbouw wordt ondergronds aangesloten op het pakket van infiltratiekratten. Hemelwater dat op
de halfverharding valt zal deels infiltreren, deels naar het naast gelegen groen afwateren en deel via kolken opgevangen worden richting het pakket van infiltratiekratten stomen. Indien het waterpeil in het infiltratiepakket stijgt tot het maaiveld zal het via de laagste kolk het maaiveld opstromen. Hier zal het ter plaatse van de parkeerplaats op het maaiveld blijven staan. Overige randvoorwaarden Om vervuiling van het hemelwater te beperken, wordt geadviseerd het gebruik van uitlogende
bouwmaterialen te voorkomen conform het beleid van de gemeente en het hoogheemraadschap.
Plein 1813 nr. 5 Ruimtelijke onderbouwing
34
Grondwater
Uit het geohydrologische onderzoek (bijlage 5) blijkt dat de GHG is ingeschat op NAP +0,0 m (1 m-mv). Het toekomstige maaiveld kan gelijk blijven, hiermee wordt voldaan aan de ontwateringsrichtlijnen van de kennisbank Stedelijk Water. Aanvullend op de ontwateringsrichtlijnen is het aanbevolen dat het vloerpeil 0,3 m boven het wegpeil aangelegd wordt. Door het toepassen van een infiltratieveld zal het hemelwater afkomstig van het nieuwbouwgebouw en de terreinverharding infiltreren en hiermee de grondwaterstand aanvullen. Geohydrologisch onderzoek
Buro BOOT heeft, zoals hierboven reeds benoemd, een geohydrologisch onderzoek gedaan (bijlage 5). Onderdeel van het voorziene kantoor is een kelder. De aanlegdiepte van de kelder is NAP -2,0 m. De kelder heeft een oppervlakte van circa 25 m2 (7,8x3,2 m). De ondergrond is zandig en lijkt relatief goed doorlatend (inschatting k-waarde: 5 m/dag). Op basis van de omliggende peilbuizen speelt grondwateroverlast voor het plangebied een beperkt risico (ontwateringsdiepte bij GHG is 1 m). Daarnaast is de grondwatergradient beperkt (0,03-0,07 cm/m)
Op basis van de geohydrologische situatie wordt verwacht dat de realisatie van de kelder geen
negatieve gevolgen heeft voorde grondwatersituatie (grondwaterstanden en -stroming). Voorde geplande ontwikkeling worden dus geen negatieve effecten verwacht in de permanente situatie. Het is ook noodzakelijk de tijdelijke situatie tijdens uitvoering te beschouwing. Aangezien onder de grondwaterspiegel gewerkt gaat worden is het noodzakelijk een bemalingsadvies op te stellen.
Vuilwater
In de huidige situatie is er ruimte voor 18 werknemers, in de toekomstige situatie is ruimte voor 25 werknemers. Uitgaande van een vuilwaterafvoer van 6 l/uur is de toename van vuilwater:
Toename afvoer VWA: 7x6 l/uur = 42 l/uur = 0,042 m3/uur = 0,012 l/s. Door de gemeente Den Haag dient bepaald te worden of het bestaande gemengde rioolstelsel voldoende capaciteit heeft voorde toename van de aanvoer van vuilwater. Oppervlaktewater
Binnen het plangebied wordt het toenemend oppervlak gecompenseerd. Daardoor stroomt niet meer water richting het oppervlaktewater. Waterveilig heid Het plangebied ligt niet binnen een kern- of beschermingszone van een primaire waterkering. 4.10.4
Conclusie
Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen worden er geen bezwaren verwacht tegen onderhavig
initiatief.
Plein 1813 nr. 5 Ruimtelijke onderbouwing
35
4.11
4.11.1
Duurzaamheid Duurzame leefomgeving
Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening
worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie. 4.11.2
Klimaatbestendigheid
Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en als er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling. 4.11.3
Energietransitie
Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk
gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekornstbestendig ontwikkeld.
Dit kan bijvoorbeeld op de volgende wijzen: de woningen zullen voldoen aan het Bouwbesluit ten aanzien van de energieprestatie; de woningen worden 'aardgasvrij' gebouwd. Onderhavig initiatief betreft de sloop en nieuwbouw van een kantoorpand in Den Haag. Het pand zal een
energieneutraal pand worden. Hiermee wordt er aandacht besteed aan het duurzaamheidsvraagstuk. 4.12
M.e.r.-beoordeling
4.12.1
Wettelijk kader
In de Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat op basis van selectiecriteria vastgesteld dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben of niet. Onderdeel D van de bijlage bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Voor elke activiteit die genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D van het besluit m.e.r. moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Voor activiteiten die onder
de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D vallen, volstaat een vormvrije m.e.r.beoordeling. Deze motivering dient qua inhoud aan te sluiten bij de m.e.r.-beoordeling, maar heeft geen vormvereisten. Voorliggend initiatief kan gezien worden als 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D 11.2).
Plein 1813 nr. 5 Ruimtelijke onderbouwing
36
4.12.2
Vormvrij m.e.r.-beoordeling
Kenmerken: In de gewenste situatie wordt het huidige kantoorpand aan het Plein 1813 nr. 5 te Den Haag gesloopt en een groter kantoorpand gerealiseerd. Locatie: Het plangebied is gelegen aan het Plein 1813 nr. 5 te Den Haag. Het is gelegen in het centrum van Den Haag. Het plangebied ligt niet in of in de nabijheid van Natura 2000-gebied of NNN gebied.
Effecten: Met het initiatief treden geen overtredingen op in het kader van de flora en faunawetgeving. Het voornemen leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer en omliggende woningen, leidt niet tot luchtvervuiling, geluidsoverlast en bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd.
In voorliggende ruimtelijke onderbouwing worden de diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Het plan is niet gelegen in kwetsbaar of waardevol gebied en het heeft geen nadelige milieugevolgen voorde omgeving. Voor voorliggende ruimtelijke onderbouwing is het dan ook niet noodzakelijk een formele m.e.r.-procedure te doorlopen. 4.12.3
Conclusie
Op grond van het voorgaande wordt het uitvoeren van een milieueffectrapportage niet noodzakelijk geacht.
5 5.1
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid
De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voorde ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft
planschade zal de gemeente indien nodig met initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht. 5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Op onderhavig besluit is de reguliere procedure als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning wordt op de voorgeschreven wijze
bekendgemaakt. Tegen dit besluit staat bezwaar en (hoger) beroep open.
Plein 1813 nr. 5 Ruimtelijke onderbouwing
37
6
Eindconclusie
Voorliggend initiatief met sloop en nieuwbouw van een kantoor aan de Plein 1813 nr. 5 in Den Haag voldoet aan de eisen van goede ruimtelijke ordening.
Er is geen sprake van strijdigheid met de belangen van het Rijk, de provincie Zuid-Holland of de gemeente Den Haag. Daarnaast levert de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige overlast op
voor haar omgeving. Met het initiatief treden geen overtredingen op in het kader van de flora en faunawetgeving. Het voornemen leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer. Ook worden omliggende woningen en bedrijven in milieutechnische zin niet extra belemmerd. Het voornemen is niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
Plein 1813 nr. 5 Ruimtelijke onderbouwing
38
^KUBIEK •
Ruimtelijke Plannen
Kerkewijk 156 3904 JJ Veenendaal T. 0318-50 56 37
I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu
Quickscan natuurwaardenonderzoek Sanering van bodemverontreiniging Plein 1813 4-5 Den Haag
Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000
IS
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Sanering van bodemverontreiniging Plein 1813 4-5 Den Haag
Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RRAalten
70
ATUURBANK
OVERIJSSEL
BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 /
I
Opdrachtgever:
Delfgou
Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna
Projectnummer en versie: 3795 versie 1.0 Ligging plangebied: Plein 1813 4-5 te Den Haag Auteur:
Status: definitief Rapportdatum:
15-10-2021_____________ Veldwerk uitgevoerd door:
1
Inhoudsopgave Samenvatting
3
Hoofdstuk 1
Inleiding
4
Hoofdstuk 2
Het plangebied
5
2.1 Situering
5
2.2 Beschrijving van het plangebied
5
Hoofdstuk 3
Voorgenomen activiteiten
6
3.1 Algemeen
6
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of -gebieden
6
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer
6
3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied
6
4.1 Algemeen
7
4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000
7
4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming
7
4.4
8
Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland
Hoofdstuk 5
Gebiedsbescherming
9
5.1 Algemeen
9
5.2 Natuurnetwerk Nederland
9
5.3 Natura 2000
10
5.5 Slotconclusie
11
Hoofdstuk 6
Soortenbescherming
12
6.1 Verwachting en bureauonderzoek
12
6.2 Methode
12
6.3 Resultaten
14
6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep
17
6.5 Historische gegevens en overige bronnen
19
6.6 Volledigheid van het onderzoek
19
Conclusies
20
Hoofdstuk 7
2
Samenvatting Er zijn concrete plannen voor de sanering van een bodemverontreiniging. Hiervoor dient het gele plangebied tot 0,5 m-mv te worden afgegraven. Aangenomen wordt dat alle beplanting verwijderd wordt. Omdat overtreding van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden op voorhand niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming, Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven.
Het plangebied is op 24 september 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland.
Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Zuid-Holland. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000gebied, is het niet aannemelijk dat uitvoeren van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening wordt niet noodzakelijk geacht. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier en amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen'. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied alsfoerageergebied voor sommige foeragerende diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.
Wettelijke consequenties samengevat: • Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; • Geen beschermde dieren doden;
3
Hoofdstuk 1
Inleiding
Er zijn concrete plannen voor de sanering van een bodemverontreiniging. Hiervoor dient het gele plangebied tot 0,5 m-mv te worden afgegraven. Aangenomen wordt dat alle beplanting verwijderd wordt. Omdat overtreding van de wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden op voorhand niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming, Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Zuid-Holland (Natuurnetwerk Nederland).
Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.
4
Hoofdstuk 2
Het plangebied
2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd aan Plein 1813 4-5 te Den Haag. Het ligt in het centrale deel van de woonkern Den Haag en wordt omgeven door stedelijk gebied. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
V
ë
t±tt 3Ate
%
•\N1NE dhaV
m-)9 Willemspark
•K espaleis
19
S-ar 24h‘*3"
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit bebouwing, beplanting, gazon, erfverharding en een fietsenstalling. De bebouwing bestaat uit een monumentaal pand (nr. 4) en een voormalig koetshuis (nr. 5). Beide gebouwen beschikken over baktenen buitengevels die (deels) gepleisterd zijn. Het monumentale pand beschikt over een zinken dakbedekking maar niet over luchtspouw. Het voormalige koetshuis beschikt over luchtspouw en een plat dak. De fietsenstalling is van hout en voor een deel open. De beplanting vormt een bosschage en bestaat uit enkele loof- en naaldbomen (o.a. Amerikaanse eik, bruine beuk, tamme kastanje en grove den), heesters, hagen (o.a. beukhaag) en Hedera. In het noordelijke deel van het plangebied ligt een verhard parkeerterrein. Op onderstaande luchtfoto is de begrenzing van het plangebied aangegeven. Voor een impressie van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage.
Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijnen aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).
5
Hoofdstuk 3
Voorgenomen activiteiten
3.1 Algemeen De voorgenomen werkzaamheden betreft de geplande sanering van een bodemverontreiniging. Hiervoor dient het gele terrein tot 0,5 m-mv te worden afgegraven. Aangenomen wordt dat alle beplanting verwijderd wordt. Er vinden geen sloop- en bouwwerkzaamheden plaats in het plangebied. Tijdens het schrijven van deze rapportage is er geen afbeelding van het wenselijk eindbeeld beschikbaar. De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Afgraven terrein; • Verwijderen beplanting;
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of-gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden zoals het afgraven van het terrein en het verwijderen van de aanwezige beplanting.
Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan bebouwing, loof- en naaldbomen, heesters en erfverharding. Het is niet aannemelijk dat beschermde waarden buiten het plangebied negatief beïnvloed worden door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. De invloedsfeer is lokaal.
3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.
6
Hoofdstuk 4
Toetsingskaders
4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt.
4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel - zonder vergunning - niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv, ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv, door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming.
4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.):
•
lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen;
•
lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen;
•
lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben;
•
lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen;
•
lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.);
•
lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen;
•
lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren;
•
lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen;
•
lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen ofte vernielen;
•
lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: • onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; • onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of
7
onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.
4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven.
Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Zuid-Holland zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Zuid-Holland
8
Hoofdstuk 5
Gebiedsbescherming
5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Natuurnetwerk Nederland.
5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een 'goede ruimtelijke ordening' als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.
Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op 'behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN' waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn.
De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het 'nee, tenzij'-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Zuid-Holland. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 780 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
♦
780 meter afstand tussen het plangebied en de gronden die tot NNN behoren
Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de groene arcering op de kaart aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen. nl). 9
Beschermingsregime De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.
5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming).
In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.
Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 2,39 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is Westduinpark & Wapendal. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
10
2,39 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren
Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de okergele kleur aangeduid (bron: pdok.nl).
Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie.
Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het meest nabij gelegen Natura 2000gebied is een negatief effect uitgesloten. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Dat houdt in dat stikstofemissie welke ontstaat tijdens de ontwikkelfase, niet beoordeeld hoeft te worden op mogelijk negatieve effecten op Natura 2000-gebied. Wel dient de gebruiksfase beoordeeld te worden. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) De gebruiksfase is gelijk aan de huidige. Er vindt daarom geen extra uitstoot van stikstof plaats. Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening is niet nodig.
5.5 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Zuid-Holland. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000gebied, is het niet aannemelijk dat uitvoeren van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening wordt niet noodzakelijk geacht.
11
Hoofdstuk 6
Soortenbescherming
6.1 Verwachting en bureauonderzoek Uit de bureaustudie (bronnenonderzoek & NDFF) zijn geen veldbiologische gegevens naar voren gekomen die bruikbaar zijn voor deze studie. Het plangebied bestaat uit bebouwing, beplanting, gazon, erfverharding en een fietsenstalling. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: • vogels; • vleermuizen; • grondgebonden zoogdieren; • amfibieën;
Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten.
6.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 24 september 2021 tijdens de daglichtperiode (ochtend) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28).
Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • veldbezoek door ervaren ecoloog; • aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); • NDFF;
Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. • Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; • Atlas van de zoogdieren van Nederland; • Nieuwe atlas van de Nederlandse flora;
12
Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. Doorgaans hebben vogels geen bezet nest meer gedurende deze tijd van het jaar en de eerste zomergasten zijn al vanuit het broedgebied vertrokken naar de overwinteringsgebieden. In het plangebied is gekeken en geluisterd naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels.
Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Nog maar weinig grondgebonden diersoorten hebben zogende jongen in deze tijd van het jaar. Wel benutten veel grondgebonden zoogdieren de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Vleermuizen bezetten de zomerverblijfplaatsen in deze tijd van het jaar.
Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en onderzoek naar voortplantingswateren. Sommige volwassen amfibieën hebben de voortplanting voltooid en hebben de voortplantingswateren al weer verlaten (gewone pad, heikikker) en zitten overdag weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.
13
6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken.
Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied. Vogels kunnen nestelen in de beplanting. De bebouwing beschikt niet over invliegopeningen waardoor vogels hier geen nestplaats in kunnen bezetten. De fietsenstalling vormt geen geschikte nestlocatie voor vogels. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn merel, vink, heggemus, roodborst, groenling, houtduif, tjiftjaf, koolmees, pimpelmees, zanglijster en zwartkop. Er zijn geen huismussen en oude nesten van huismussen in het plangebied waargenomen. In het plangebied zijn geen geschikte nestlocaties voor gierzwaluwen waargenomen. Tevens zijn er geen aanwijzingen gevonden dat uilen roofvogels er een vaste rust- of nestplaats bezetten. Door het verwijderen van beplanting tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Als gevolg van het verwijderen van beplanting neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: Verwijderen beplanting tijdens de voortplantingsperiode; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als huisspitsmuis, bosmuis, egel, eekhoorn en steenmarter. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten bosmuizen en huisspitsmuizen er ook een vaste rust- en voortplantingsplaats. Deze soorten kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond. De bebouwing is voor grondgebonden zoogdieren niet toegankelijk en daardoor niet geschikt om een rust- en voortplantingsplaats in te bezetten. Egels kunnen een (winter)verblijfplaats bezetten in de dichte heesters met een strooisel laag. Een geschikte plek voor steenmarter om een vaste rust- of voortplantingsplaats te bezetten, ontbreekt in het plangebied. Er zijn geen takkenbossen in het plangebied aanwezig die het voor steenmarter geschikt maken om een vaste rust- en voortplantingsplaats in te bezetten. Ook zijn geen (blader)nesten van eekhoorns in het plangebied vastgesteld. Het plangebied wordt niet als potentieel leefgebied van kleine marterachtigen beschouwd.
Dichte vegetatie bieden egels een potentiële rust- en voortplantingsplaats
14
Door het uitvoeren van grondverzet en het verwijderen van beplanting wordt mogelijk een grondgebonden zoogdieren gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Als gevolg van het verwijderen van beplanting neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: Uitvoeren grondverzet; Verwijderen beplanting; Vleermuizen
• Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. Een deel van de bebouwing beschikt weliswaar over luchtspouw maar er zijn geen invliegopeningen zoals open stootvoegen of ventilatieopeningen aangetroffen die vleermuizen de kans bieden een verblijfplaats te bezetten. Verder zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen, zoals een holle ruimte achter een boeiboord, windveer, loodslab, vensterluik, zonnewering of gevelbetimmering aangetroffen. In het plangebied zijn geen holenbomen aanwezig. Er zijn in het plangebied geen bomen met loshangend schors. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield.