CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS320467 Bijlage Verenigingsmonitor Den Haag 2024

Commissie Samenleving 5 december 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken13.447 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Niels Meulenbroeks | Janine van Kalmthout

Mulier Instituut | 2024

In opdracht van gemeente Den Haag Mulier Instituut Niels Meulenbroeks Janine van Kalmthout

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met het Mulier Instituut. © Mulier Instituut Utrecht, 30 augustus 2024 www.mulierinstituut.nl info@mulierinstituut.nl Disclaimer U mag delen uit deze publicatie overnemen op voorwaarde van bronvermelding: auteur(s), de titel van de publicatie en het jaar van uitgave. Er gelden gebruiksvoorwaarden voor de foto's in deze publicatie. Neem foto's daarom niet over zonder toestemming van het Mulier Instituut.

Het Mulier Instituut doet sportonderzoek voor

Ons doel is bijdragen aan goed onderbouwd beleid,

beleid en samenleving. Voor overheden,

gericht op de bevordering van sport, sportief

maatschappelijke organisaties,

bewegen en versterking van de sportsector. Dit doen

onderwijsinstellingen, sportorganisaties en

we op verschillende manieren:

bedrijven onderzoeken we allerlei thema’s op het gebied van sport en sportief bewegen: van de

We verzamelen data en monitoren de Nederlandse

sportdeelname van (groepen) Nederlanders tot de

sportsector en beleidsprogramma’s.

motorische vaardigheden van kinderen, en van diversiteit en inclusie in de sport tot de economische impact van sportevenementen.

We ontwikkelen kennis en onderzoeksmethoden via verkennende en verdiepende studies. We duiden onderzoeksuitkomsten en vertalen deze

Het Mulier Instituut is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk.

naar de beleidspraktijk. We onderbouwen beleidsbeslissingen met expertise en advies. We bieden gevraagd en ongevraagd duiding en reflectie in de rol van ‘kritische vriend’ van de sportsector. We zetten ons in voor de bevordering van de sportwetenschap.

Hoofdstuk 1

Met deze verenigingsmonitor brengen we de vitaliteit van sportverenigingen in de gemeente Den Haag in kaart. Zo kan de gemeente op de lange termijn een duurzaam beleid voor sportverenigingen voeren. De verenigingsmonitor geeft inzicht in het functioneren van sportverenigingen, de maatschappelijke rol die zij (willen) vervullen en eventuele bedreigingen in de toekomst. De resultaten van dit onderzoek vergelijken we met landelijke cijfers, zodat we de situatie van de sportverenigingen in Den Haag kunnen afzetten tegen landelijke ontwikkelingen. De resultaten kunnen de gemeente helpen bij het optimaliseren van de dienstverlening en dienen als een middel om het gesprek met de verenigingen aan te gaan.

Voor deze verenigingsmonitor hebben we aansluiting gezocht bij de vitaliteitsindex van de landelijke verenigingsmonitor van het Mulier Instituut. Hierbij is aandacht voor de kernthema’s: ledenbestand, problemen, samenwerkingspartners, beleid, financiën, het (vrijwilligers)kader en de accommodatie. Deze thema’s bepalen mede de vitaliteit van sportverenigingen. Daarbij is het basismodel vitale sportclubs het uitgangspunt.1 De vitaliteit bepalen we op basis van de organisatiekracht en de maatschappelijke oriëntatie van verenigingen. In bijlage 1 leest u hier meer over.

De verenigingsmonitor hebben we afgenomen in de vorm van een webenquête. Gemeente Den Haag heeft in samenwerking met het Mulier Instituut 303 sportverenigingen voor dit onderzoek uitgenodigd. De dataverzameling vond plaats van 16 april t/m 30 mei 2024. We hebben de resultaten van 156 sportverenigingen geanalyseerd. Dit is een nettorespons van 51 procent. Op basis van het type sport van de vereniging (binnen/buiten) en het stadsdeel waarin de vereniging gelegen is, vormt de responsgroep een goede afspiegeling van sportverenigingen in de gemeente Den Haag. Op stadsdeelniveau zijn de sportverenigingen uit Centrum en Scheveningen wat ondervertegenwoordigd. Uit deze stadsdelen hebben naar verhouding minder verenigingen gereageerd dan in de andere stadsdelen. De volledige responsanalyse staat in bijlage 2. 1

Lucassen, J., & Van Kalmthout, J. (2015). Vitale clubs voor sport en samenleving. Mulier Instituut.

In 2022 heeft het Mulier Instituut een eerste verenigingsmonitor afgenomen onder sportverenigingen in Den Haag. Toen bestond de responsgroep uit 138 verenigingen. 101 verenigingen hebben zowel in 2022 als in 2024 de verenigingsmonitor volledig ingevuld (65% van de responsgroep van 2024). Wat betreft type sport zijn de steekproeven uit 2022 en 2024 vergelijkbaar. In 2024 is het aandeel kleine verenigingen in de steekproef wat kleiner dan in 2022. Hierdoor zijn de resultaten uit beide jaren niet direct vergelijkbaar. Daarnaast worden de verschillen tussen beide verenigingsmonitoren deels bepaald door de aanwezigheid van een aantal ‘nieuwe’ verenigingen in dit onderzoek. We zijn daarom wat terughoudend met het vergelijken van beide monitoren. Je kunt niet zomaar spreken van ‘een ontwikkeling’. De cijfers in de figuren en tabellen ronden we af op hele getallen. Het kan daardoor in enkele gevallen voorkomen dat de uitkomsten niet exact optellen tot 100 procent.

Leeswijzer Op de volgende pagina’s presenteren we de resultaten op het gebied van organisatiekracht (hoofdstuk 2), maatschappelijke oriëntatie (hoofdstuk 3), vitaliteit (hoofdstuk 4) en positieve sportcultuur (hoofdstuk 5). In hoofdstuk 6 sluiten we af met conclusies en aanbevelingen.

Hoofdstuk 2

De organisatiekracht van de sportvereniging definiëren we als de mate waarin de vereniging in staat is haar sportaanbod voor de (potentiële) leden te organiseren. In dit hoofdstuk bespreken we de organisatiekracht van de sportverenigingen in Den Haag. We lichten ook de scores per criterium van organisatiekracht toe. Deze index bestaat uit vijf criteria: leden, kader, accommodatie, financiën en beleid. De score per criterium delen we in onvoldoende, matig, voldoende of goed in. De scores op alle criteria bepalen samen de organisatiekracht van de vereniging. Zie bijlage 1 voor meer uitleg over de methode.

Twee op de drie verenigingen organisatiekrachtig Twee derde van de sportverenigingen in Den Haag (67%) scoort ‘voldoende’ tot ‘goed’ op de index organisatiekracht (figuur 2.1). Deze verenigingen zijn in staat het sportaanbod voor de (potentiële) leden te organiseren. De sportverenigingen uit Den Haag scoren hiermee beter dan het landelijk gemiddelde. Zes op de tien sportverenigingen in Nederland scoort ‘voldoende’ of ‘goed’ op organisatiekracht. Figuur 2.1 Organisatiekracht sportverenigingen gemeente Den Haag (in procenten, n=156) 100

15

23

28

28

80

19

21

34

34

38

35 60

40

37 39

41

36

38

42

40

43

33 20

0

29

29

24

10

8

Nederland

Den Haag

Totaal

28 17 3

17

6

4

≤ 100 leden 101 t/m 250 > 250 leden leden Aantal leden

Onvoldoende

Matig

Ja

11 Nee

Eigen sportaccommodatie

Voldoende

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

28

21

Goed

9

22 8

Binnensport Buitensport Binnen-/buitensport

Eén op de vier verenigingen scoort ‘matig’ en één op de twaalf scoort ‘onvoldoende’ op organisatiekracht (figuur 2.1). De verenigingen die ‘onvoldoende’ scoren zijn vooral kleine verenigingen (≤100 leden). De kleine sportverenigingen in Den Haag scoren lager dan de middelgrote (101 t/m 250 leden) en grote sportverenigingen (>250 leden). Dit komt overeen met het landelijke beeld. Sportverenigingen zonder een eigen sportaccommodatie scoren iets slechter dan verenigingen met een eigen accommodatie (72% vs. 60% voldoende tot goed). Het verschil tussen binnen- en buitensportverenigingen is kleiner. Accommodatie het grootste aandachtspunt De sportverenigingen in gemeente Den Haag scoren op de index organisatiekracht het hoogst op het criterium leden (figuur 2.2). Twee derde van de verenigingen scoort goed en één op de vijf voldoende. Dit is iets hoger dan landelijk (81% ‘voldoende’ of ‘goed’). Zes verenigingen (4%) scoren onvoldoende op het criterium. Dit zijn allemaal kleine verenigingen (niet in figuur). Figuur 2.2 Verdeling scores sportverenigingen op criteria van organisatiekracht (in procenten, n=156) 100 21 80

75 68

44 67

42

49 68

65

60

16 28

40

20

0

19

24

16

12

10 4

12

15

Leden

Kader

Beleid

Onvoldoende

Matig

Voldoende

24 54

19

13

28

Financiën Goed

36

Accommodatie

Gemiddelde score

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

Het laagst scoren de sportverenigingen in de gemeente Den Haag op het criterium accommodatie. Meer dan de helft scoort matig of onvoldoende (55%). Eén op de vijf verenigingen (21%) scoort ‘goed’. Verenigingen zonder eigen accommodatie scoren gemiddeld lager dan verenigingen met een eigen sportaccommodatie (niet in figuur). Een ander aandachtspunt zijn de financiën. Drie op de tien (28%) verenigingen scoort onvoldoende op dit criterium, 13 procent matig. Kleine verenigingen scoren

vaker onvoldoende (40%) dan de middelgrote (19%) en grote verenigingen (24%). De score van verenigingen zonder een eigen sportaccommodatie is lager dan die van verenigingen met een eigen accommodatie (niet in figuur). Op de criteria kader en beleid scoort drie kwart voldoende of goed (respectievelijk 72% en 73%). Grote verenigingen scoren gemiddeld hoger op het criterium beleid dan middelgrote en kleine verenigingen (niet in figuur). Op het criterium kader scoren alle typen verenigingen ongeveer even hoog. In de volgende paragrafen zullen we per criterium de resultaten van de sportverenigingen in Den Haag behandelen. Organisatiekracht gelijk gebleven ten opzichte van 2022 In vergelijking met de verenigingsmonitor van 2022 is de organisatiekracht van de sportverenigingen nauwelijks veranderd. In 2022 scoorde 64 procent van de verenigingen voldoende of goed, in 2024 is dit 67 procent. Deze lichte toename komt door de ‘goede’ scores van de ‘nieuwe’ verenigingen, die alleen in 2024 deelnamen. De gemiddelde scores van de verenigingen die aan beide monitoren meededen, is nauwelijks veranderd (-1%, niet in figuur). In de criteria van organisatiekracht hebben wel verschuivingen plaatsgevonden. Ten opzichte van twee jaar geleden scoren de verenigingen beter op leden en kader, maar slechter op accommodatie. De scores op de criteria financiën en beleid zijn nauwelijks veranderd.

De verbetering van de scores op de criteria leden en kader is voornamelijk toe te schrijven aan de ‘nieuwe’ verenigingen in de steekproef. De afname op het criterium accommodatie komt met name door de lagere score van de verenigingen die alleen in 2024 deelnamen.

Een derde van het ledenbestand bestaat uit jeugdleden De sportverenigingen in Den Haag hebben gemiddeld circa 425 leden. Het aantal leden varieert van minder dan tien tot ongeveer tienduizend.2 Gemiddeld bestaat het ledenbestand van de sportverenigingen in Den Haag voor een derde uit jeugdleden (jonger dan 18 jaar, zie figuur 2.3). Bij de grote verenigingen is het aandeel jeugdleden groter dan bij de middelgrote en kleine verenigingen. Een kwart van de sportverenigingen heeft geen jeugdleden (24%, niet in figuur). Dit zijn met name kleine verenigingen.

2

Op basis van de responsanalyse is niet te zeggen of er een onder- of oververtegenwoordiging is van grote of kleine verenigingen in dit onderzoek.

Figuur 2.3 Opbouw ledenbestand naar leeftijd en verenigingsgrootte (in procenten, n = 156) 0

20

Totaal

3

Klein (≤100 leden)

2

15

9

Middel (101 - 250 leden)

2

13

9

Groot (>250 leden

3

18

40 13

23

60

15

10

80

19

20

100

17

15

22

19

19

19

16

23 21

19

Baby's, peuters en kleuters (0 tot 5 jaar)

Basisschooljeugd (6 tot 12 jaar)

Middelbare schooljeugd (12 tot 18 jaar)

Jongvolwassenen (18 tot 30 jaar)

Volwassenen (30 tot 50 jaar)

Oudere volwassenen (50 tot 67 jaar)

Pensioengerechtigden (67 jaar en ouder)

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

Een derde van het ledenbestand van de verenigingen bestaat uit oudere volwassenen en pensioengerechtigden in Den Haag. Het aandeel van deze groepen is gemiddeld het grootst bij de kleine sportverenigingen. Twee derde heeft pensioengerechtigde leden binnen de vereniging (65%, niet in figuur). Grote verenigingen hebben het vaakst pensioengerechtigde leden. Maar het aandeel van deze groep in het totaal aantal leden is kleiner dan bij middelgrote en kleine verenigingen. Een kwart verwacht een ledenstijging De afgelopen twee jaar heeft twee op de vijf verenigingen (39%) het ledenbestand (sterk) zien groeien (figuur 2.4). Een op de vijf verenigingen (20%) heeft te maken gehad met een (sterke) daling. Bij kleine verenigingen heeft het vaakst een ledendaling plaatsgevonden (niet in figuur). Het totaal aantal aanmeldingen bij de sportverenigingen in Den Haag lag het afgelopen jaar hoger dan het aantal afmeldingen (niet in figuur). Een op de vijf verenigingen heeft het aantal leden met meer dan 10 procent zien toenemen. Een aantal kleine en middelgrote verenigingen (7%) zag het aantal leden met meer dan 10 procent afnemen. De sportverenigingen in Den Haag zijn overwegend positief over de ledenontwikkeling het komende jaar (2025). Een kwart (28%) verwacht dat het aantal leden (sterk) stijgt. Enkele verenigingen (7%) verwachten een (sterke) daling.

16

12

8

Figuur 2.4 Ledenontwikkeling in de afgelopen twee jaar en de verwachting voor het komende jaar (in procenten, n=156) 0 Afgelopen twee jaar

20 5

40

15

80

40

Verwachting komend jaar 1 6

Sterk dalen

60 29

64

Dalen

Gelijk blijven

100 10 25

Stijgen

3

Sterk stijgen

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

Een meerderheid van de sportverenigingen heeft een ledengroeiambitie (82%, niet in figuur). Deze verenigingen zetten vooral in op het werven van nieuwe leden (34%). Een kwart van de verenigingen (25%) heeft een ledengroeiambitie, maar heeft geen plannen om ervoor te zorgen dat de ambitie gehaald wordt. Met name grote verenigingen geven aan dat ze niet willen groeien in aantal leden. Bij een kwart van de verenigingen (23%) zijn er zorgen over de ledenontwikkeling. Deze verenigingen verwachten dat de ledenontwikkeling op korte of lange termijn een bedreiging kan vormen voor het voortbestaan van de vereniging (figuur 2.5). Deze vrees leeft vooral bij kleine verenigingen (niet in figuur). Ook verenigingen die voor het aankomende jaar nog een ledentoename verwachten zien de ledenontwikkeling als bedreiging (niet in figuur). Figuur 2.5 Ontwikkeling ledenaantal als bedreiging voor de toekomst (in procenten, n=156) 3 24

20

Ja, op korte termijn (binnen 1 jaar) Ja, op langere termijn (over 2 jaar of later) Nee, voorlopig niet Nee

53

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

De sportverenigingen in Den Haag zien de ontwikkeling van het ledenaantal minder vaak als bedreiging voor de toekomst dan gemiddeld in Nederland (36% op korte of lange termijn, niet in figuur). Ruim de helft heeft vast sportaanbod voor specifieke groepen 58 procent van de sportverenigingen heeft vast sportaanbod (denk aan vaste trainingsgroep of trainingsuur) voor één of meer (doel)groepen (figuur 2.6). Kleine verenigingen hebben dit het minst vaak. Drie op de vijf kleine verenigingen heeft geen vast sportaanbod voor een specifieke (doel)groep (60%, niet in figuur). Vast sportaanbod is er het vaakst voor ouderen. Een kwart van de verenigingen heeft speciaal aanbod voor deze groep (28%). Het gaat dan vooral om buitensportverenigingen (niet in figuur). Een op de vijf verenigingen heeft vast aanbod voor jeugd tussen de 5 en 7 jaar en/of 8 en 12 jaar (beide 21%). Er zijn minder verenigingen die speciaal sportaanbod hebben voor jongere jeugd (8%). Figuur 2.6 Vast sportaanbod voor (doel)groepen (in procenten, meerdere antwoorden mogelijk, n=156) 0

20

40

Ouderen (55+) 21

Jeugd (8 tot 12 jaar)

21

Studenten

15

Mensen met een beperking

13

Ouders/begeleiders tijdens het sporten van hun kind

8

Jongste jeugd (2 tot 4 jaar)

8

Niet-westerse Hagenaars

7

Kinderen met overgewicht

6

Volwassenen met overgewicht

5

Statushouders

4

Andere (doel)groepen Geen vast aanbod voor (doel)groepen

80

100

28

Jeugd (5 tot 7 jaar)

Werkzoekenden

60

1

9 42

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

Er zijn twee verenigingen (één grote en één kleine vereniging) die vast sportaanbod hebben dat afgestemd is op werkzoekenden (1%). Enkele verenigingen hebben vast

sportaanbod voor statushouders (4%), mensen met overgewicht (5% voor volwassenen, 6% voor kinderen) of niet-westerse Hagenaars (7%). Andere doelgroepen waar de sportverenigingen vast sportaanbod voor hebben zijn onder andere Ooievaarspashouders, kinderen met ADHD of autisme, expats en cliënten van het Leger des Heils.

Een kwart heeft te weinig vrijwilligers Gemiddeld hebben de sportverenigingen in Den Haag ongeveer zestig vrijwilligers. De vereniging met het minste aantal vrijwilligers heeft er 2, de vereniging met de meeste 550. Iets meer dan de helft van de verenigingen (55%) heeft vrijwilligers die een vrijwilligersvergoeding ontvangen voor hun werkzaamheden. Dit is vooral het geval bij grote verenigingen. Een derde van de sportverenigingen heeft één of meerdere betaalde medewerkers in dienst (35%). Grotere sportverenigingen hebben vaker betaalde krachten in dienst en hebben er gemiddeld meer dan middelgrote en kleine verenigingen. De meeste verenigingen met betaalde medewerkers hebben er maar enkele. De vereniging met de meest betaalde medewerkers telt er dertig. Drie kwart van de sportverenigingen in Den Haag geeft aan voldoende vrijwilligers te hebben (74%, zie figuur 2.7). Dit is vergelijkbaar met het landelijk gemiddelde. Toch is twee derde van deze groep nog op zoek naar extra vrijwilligers. Buitensportverenigingen en verenigingen met een eigen sportaccommodatie hebben vaker een tekort aan vrijwilligers dan binnensportverenigingen en verenigingen zonder eigen accommodatie (niet in figuur). Figuur 2.7 Sportverenigingen met voldoende vrijwilligers in de vereniging (in procenten, n=156)

24

26

Ja, we zijn niet op zoek naar vrijwilligers Ja, maar we zijn ook nog op zoek naar vrijwilligers

Nee

50

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

Verenigingen op zoek naar trainers/coaches Sportverenigingen die onvoldoende vrijwilligers hebben of nog op zoek zijn naar vrijwilligers, hebben het vaakst een tekort aan trainers/coaches (figuur 2.8). Andere functies waarvoor verenigingen (soms) een vrijwilligerstekort hebben is de werving van sponsoren het organiseren van evenementen. Figuur 2.8 Functies en activiteiten waarvoor verenigingen (soms) een vrijwilligerstekort hebben (in procenten, meerdere antwoorden mogelijk, n=119) 0

20

40

60

Trainer/coach

100

56

Sponsoring

49

Organisatie evenementen

46

Andere bestuursfunctie

43

Organisatie wedstrijden/toernooien

38

Scheidsrechter

37

Bardienst

36

Ledenwerving

33

Beheer/onderhoud website

30

Beheer/onderhoud materiaal

27

Beheer/onderhoud accommodatie

25

Voorzitter

19

Jeugdbestuur

19

Schoonmaak accommodatie

19

Secretaris

19

Penningmeester

13

Centrale vertrouwenscontactpersoon

13

Sportmedische zorg

9

Leider

8

Andere functie(s)

80

3

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

Verenigingen komen het minst vaak vrijwilligers tekort voor sportmedische zorg of als leider van een team (respectievelijk 8% en 9%). Van de bestuursfuncties is er het vaakst een tekort aan vrijwilligers die andere bestuursfuncties uit willen voeren (43%) dan een van de kerntaken (voorzitter, penningmeester, secretaris). Een op de vijf verenigingen kan (soms) meer vrijwilligers gebruiken om het jeugdbestuur vorm te geven (19%).

Twee derde heeft voldoende trainers Bij twee derde van de verenigingen (67%) zijn voldoende trainers om trainingen, lessen of cursussen te verzorgen voor de leden (figuur 2.9). Een op de vijf verenigingen heeft een tekort aan trainers. Dit speelt vooral bij grote en middelgrote verenigingen. 12 procent van de verenigingen heeft geen trainers nodig. Deze verenigingen bieden geen trainingen, lessen of cursussen aan. Figuur 2.9 Sportverenigingen met voldoende trainers (links) en/of gekwalificeerde, opgeleide trainers (rechts) (in procenten, n=156 (links) en n=138 (rechts) Ja, meer dan genoeg

12

Ja

Nee

17

9 Ja, voldoende

22 39

N.v.t. want bij ons in de vereniging wordt geen training, les of cursus gegeven

67

35

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

Bij de helft van de verenigingen die trainingen, lessen of cursussen aanbieden zijn voldoende gekwalificeerde, opgeleide trainers aanwezig (48%, figuur 2.9). Bij een op de zes verenigingen (17%) is er een tekort aan gekwalificeerde, opgeleide trainers, een op de drie (35%) heeft er maar net genoeg. De krapte is het grootst bij de grote verenigingen en buitensportverenigingen (niet in figuur). Twee op de vijf verenigingen heeft vacatures Zes op de tien verenigingen heeft geen vacatures openstaan voor betaalde medewerkers of vrijwilligers (61%, zie figuur 2.10). Een kwart heeft enkele vacatures, maar niet voor cruciale functies binnen de vereniging (23%). Bij een op de zes verenigingen zorgen de vacatures wel voor moeilijkheden. Deze verenigingen hebben vacatures op cruciale posities (13%) of hebben te veel vacatures (3%). Vooral grote verenigingen komen in het gedrang door niet-ingevulde vacatures (niet in figuur).

Maar net genoeg

Nee, er zijn te weinig gekwalificeerde, opgeleide medewerkers

Figuur 2.10 Vacatures voor betaalde medewerkers en vrijwilligers (in procenten, n=156)

13

3

We hebben geen enkele vacature Enkele vacatures maar niet op cruciale posities

23 61

Enkele vacatures en op cruciale posities Te veel vacatures

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

Een op de drie heeft een plan voor het behoud/werving van vrijwilligers 22 procent van de verenigingen heeft een actueel plan op papier staan over de omgang met vrijwilligers (niet in figuur). Bij 7 procent van de verenigingen ligt een dergelijk plan er, maar wordt dit in de praktijk niet altijd uitgevoerd. Zeven op de tien verenigingen geven aan geen plan te hebben. Een deel van deze verenigingen is momenteel bezig met de ontwikkeling van een vrijwilligersplan (36% van verenigingen zonder plan). Grote verenigingen, buitensportverenigingen en verenigingen met een eigen sportaccommodatie zijn het vaakst in bezit van een actueel plan. Bij kleine verenigingen ontbreekt een plan over de omgang met vrijwilligers vaak en is men ook niet bezig met de ontwikkeling ervan. Vier op de vijf verenigingen hebben volwaardig bestuur Niet alle sportverenigingen in de gemeente Den Haag hebben een volwaardig bestuur (17%). Een op de acht verenigingen (13%) heeft een onvolwaardig bestuur. Een of twee van de kernfuncties (voorzitter, penningmeester, secretaris) worden bij deze verenigingen niet vervuld. Deze verenigingen missen het vaakst een secretaris. Zes verenigingen (4%) hebben helemaal geen bestuur. Geen van de kernfuncties is ingevuld.

Een deel van de verenigingen zonder bestuur of met een onvolwaardig bestuur geeft aan dat er geen behoefte is aan een volwaardig bestuur dat officieel wordt vastgelegd. De taken die de voorzitter, secretaris of penningmeester zou uitvoeren, worden door de leden of leiders gedaan. Bij andere verenigingen is er sprake van een gebrek aan interesse van leden om bestuursfuncties op zich te nemen, of zijn er geen geschikte kandidaten te vinden. Een drietal verenigingen is actief onder een andere rechtsvorm zonder bestuur. Eén van deze clubs wil dit jaar als vereniging of stichting verder gaan.

Ruim de helft werkt planmatig Zes op de tien sportverenigingen in Den Haag (62%) heeft de afgelopen vier jaar plannen of voornemens op papier gezet met betrekking tot het functioneren van de vereniging. Dit is vergelijkbaar met het landelijk gemiddelde (63%). Met name grote verenigingen en buitensportverenigingen werken planmatig. Twee derde had beleid over werving en behoud van vrijwilligers Bij de verenigingen die planmatig werkten de afgelopen vier jaar was het meest voorkomende onderwerp in de plannen de werving en het behoud van vrijwilligers en verenigingskader (figuur 2.11). 69 procent van de verenigingen had dit opgenomen. Dit thema kwam vooral veel voor in de plannen van middelgrote en grote verenigingen (niet in figuur). Het behoud en de werving van leden en sportiviteit, respect en een veilig sportklimaat was ook terug te vinden bij meer dan de helft van de verenigingen. Kleine en middelgrote verenigingen hadden vaker plannen over ledenbehoud en werving, grote verenigingen over sportiviteit, respect en een veilig sportklimaat. Figuur 2.11 Onderwerpen van beleidsplannen in de afgelopen vier jaar (in procenten, meerdere antwoorden mogelijk, n=97) 0

20

40

60

Werving en behoud vrijwilligers/verenigingskader

80 69

Ledenbehoud en/of -werving

58

Sportiviteit en respect/veilig sportklimaat

53

Financiën

37

Beheer en onderhoud accommodatie

37

Publiciteit, PR, communicatie

29

Realiseren van (top)sportambities

29

Deskundigheidsbevordering/opleiding verenigingskader Samenwerking met andere sportvereniging(en) Samenwerking met andere nietsportorganisaties

26 14 9

Samenwerking met onderwijs

8

Andere onderwerpen

6

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

Het onderwerp dat het minst aan bod kwam in de plannen van de verenigingen is samenwerking. Beleid omtrent samenwerkingen met andere sportverenigingen

100

(14%), niet-sportorganisaties (9%) en onderwijs (8%) was bij minder dan één op de zes verenigingen terug te vinden in de plannen. Andere onderwerpen die verenigingen in hun beleidsplannen hadden staan, zijn het verbeteren van de veiligheid rondom de sportaccommodatie, verbouw of nieuwbouw van de sportaccommodatie en het uitbreiden van het sportaanbod. Werving en behoud van leden voornaamste speerpunt Ruim de helft van de sportverenigingen in Den Haag heeft ledenbehoud en/of werving als speerpunt voor het aankomende jaar (58%, zie figuur 2.12). Vooral voor kleine en middelgrote verenigingen is dit een belangrijk speerpunt (niet in figuur). Figuur 2.12 Speerpunten voor komend jaar (in procenten, maximaal drie antwoorden mogelijk, n=156) 0

20

40

60

Ledenbehoud en/of -werving

58

Werving en behoud vrijwilligers en/of kader

43

Sfeer en cultuur op en van de vereniging

31

Positieve sportcultuur

19

Sponsoring

13

Verduurzaming accommodatie

12

Professioneel kader (werven, behouden)

11

Financiën

11

Realisatie nieuwe/eigen accommodatie

10

Deskundigheidsbevordering verenigingskader

9

Kwaliteit (verbeteren) aanbod

8

Beheer en onderhoud accommodatie

7

Jeugd

7

Ontwikkelen van (nieuw) sportaanbod

6

Samenwerking met onderwijs

6

Realiseren van (top)sportambities

6

Publiciteit, PR, communicatie

4

Samenwerking met sportvereniging(en)

4

Specifieke doelgroepen

4

Sporttechnische zaken

3

Opzetten van aanvullende diensten

3

Activiteitenaanbod

3

Samenwerking met niet-sportorganisaties

3

Andere speerpunten

4

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

80

100

Werving en behoud van vrijwilligers en/of het verenigingskader is voor twee op de vijf verenigingen een speerpunt. Dit is vooral het geval bij middelgrote en grote verenigingen. Een derde van de verenigingen wil zich het komende jaar inzetten voor de sfeer en cultuur op en van de vereniging. Ook dit thema speelt vooral bij middelgrote en grote verenigingen. Naast deze vaker genoemde thema’s hebben de verenigingen in de gemeente Den Haag breed uiteenlopende speerpunten voor het komende jaar. Veel van deze speerpunten worden maar door enkele verenigingen genoemd. Opvallend is dat een aantal thema’s, zoals financiën, beheer en onderhoud van de accommodatie en publiciteit, PR en communicatie door maar enkele verenigingen genoemd worden. In de plannen van de afgelopen jaren kwamen deze thema’s nog veelvuldig voor (figuur 2.11). Ontwikkeling aantal vrijwilligers grootste probleem De meeste sportverenigingen in de gemeente ervaren ten minste op één thema een probleem. 6 procent geeft aan helemaal geen problemen te ervaren. Dit zijn vooral kleine verenigingen. De helft van de verenigingen ervaart ten minste één (zeer) groot probleem. Drie op de tien verenigingen ervaren een (zeer) groot probleem met betrekking tot de ontwikkeling van het aantal vrijwilligers (28%, zie figuur 2.13). Bij de helft van de verenigingen zorgt dit voor matige of kleine problemen (47%).

Vijf van de zes verenigingen waarvoor de ontwikkeling van het aantal vrijwilligers een zeer groot probleem vormt, geven aan dat dit het voortbestaan van de vereniging bedreigt (niet in figuur). Het voornaamste knelpunt dat verenigingen daarbij noemen, is het werven van nieuwe vrijwilligers en bestuursleden. De verenigingen merken op dat de bereidheid vrijwilligerswerk te doen, terugloopt. Men wil wel sporten, maar heeft geen tijd of zin daarnaast nog een bijdrage te leveren aan de club. Gaten die ontstaan doordat vrijwilligers of bestuursleden stoppen, zijn steeds moeilijker op te vullen. Zeker als gaat om structureler vrijwilligerswerk. Ontwikkelingen in het aantal trainers/instructeurs/lesgevers en ledenbestand leveren problemen op bij drie op de vijf verenigingen (respectievelijk 62% en 63%). Drie verenigingen ervaren zeer grote problemen door ontwikkelingen in het aantal trainers/instructeurs/lesgevers, 12 procent een groot probleem. Ontwikkelingen in het ledenbestand leveren bij 5 procent een zeer groot probleem en bij 10 procent een groot probleem op. Voor beide thema’s geldt dat alle verenigingen met een zeer groot probleem het voortbestaan van de verenigingen erdoor bedreigd zien worden (niet in figuur).

Figuur 2.13 Ervaren problemen door sportverenigingen (in procenten, n=156) 0 Ontwikkeling aantal vrijwilligers

20 4

Ontwikkeling aantal trainers/instructeurs/lesgevers 2

24 12

5

10

Ontwikkeling energielasten

4

7

17

De beschikbaarheid van sportaccommodatie(s)

7

4

17

3 5

60

24

Ontwikkeling ledenbestand

Financiële situatie van de vereniging

40

80 23

21

38

25

21

39 51

14

15

58

19

58

Wet- en regelgeving (bijv. AVG, drank- en horecawet) 1 4

13

16

66

Lokale concurrentie van andere sportaanbieders 1 3

13

17

66

Veranderingen in de bevolkingssamenstelling in de regio 1 4

10

Een zeer groot probleem

Een groot probleem

24

27

21

12

Een matig probleem

100

73

Een klein probleem

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

Problemen door de ontwikkeling van het aantal trainers/instructeurs/lesgevers zijn vooral te herleiden tot een tekort aan (gediplomeerde) trainers, onvoldoende middelen om gediplomeerde trainers in te huren en opleidingen/cursussen voor geïnteresseerden die duur zijn en veel tijd kosten. Een terugloop in het aantal leden sinds de Covid pandemie, vergrijzing en moeilijkheden in het behouden van leden zorgen voor problemen met het ledenbestand. Ontwikkeling van de energielasten leveren bij 11 procent van de vereniging (zeer) grote problemen op. Dit is vooral het geval bij grote verenigingen en verenigingen met een eigen accommodatie. De energiekosten zijn hard gestegen de laatste jaren en nemen een steeds grotere hap uit de begroting. Verenigingen kunnen de gestegen kosten maar beperkt doorberekenen aan de leden. Hierdoor blijven er minder middelen over om leuke activiteiten te organiseren of te investeren in verduurzaming. Ruim de helft van de verenigingen ervaart geen enkel probleem door de beschikbaarheid van de sportaccommodatie. Dit is opvallend gezien de lage score op het criterium accommodatie. Bij 7 procent van de verenigingen levert het wel een zeer groot probleem op. Acht van de elf verenigingen met een zeer groot probleem geeft aan dat het probleem dusdanig is dat het voortbestaan van de vereniging erdoor in het geding komt.

Het gaat zowel om binnen- als buitensportverenigingen en om verenigingen met en zonder eigen accommodatie. De verenigingen ervaren vooral problemen door een tekort aan velden of banen, onvoldoende sport specifieke faciliteiten, accommodaties die niet voldoen aan bondseisen en gebrek

Geen probleem

aan een eigen clubhuis of kantine. Bij een aantal verenigingen hebben de problemen geleid tot het invoeren van een ledenstop of wachtlijst. Twee op de vijf verenigingen ervaren een probleem door de financiële situatie van de vereniging. Bij 8 procent van de vereniging gaat het om een (zeer) groot probleem. Een aantal verenigingen heeft schulden of betalingsachterstanden door kostenstijgingen, de Covid pandemie of financiële tegenvallers bij uitbreiding of renovatie. Dit weegt zwaar op deze verenigingen, omdat het de relatie met crediteuren (soms ook leden) onder druk zet en reguliere activiteiten steeds moeilijker te organiseren zijn. De sportverenigingen in Den Haag ervaren de minste problemen door wet- en regelgeving, lokale concurrentie van andere sportaanbieders en veranderingen in de bevolkingssamenstelling. (Ruim) twee derde ervaart op deze thema’s geen enkel probleem (respectievelijk 66%, 66% en 73%). Op het gebied van wet- en regelgeving wordt vooral de complexiteit en de afschrikkende werking op vrijwilligers als probleem gezien. Problemen door veranderingen in de bevolkingssamenstelling zijn er vooral door vergrijzing en verschillen tussen de verenigingscultuur en de cultuur van de inwoners. Grote sportverenigingen, gratis sport- en beweegprogramma’s in aandachtswijken en hoge concentratie aan sportverenigingen zorgen voor problematische concurrentie.

De helft van de verenigingen geeft aan dat het concurrentie ervaart (54%, niet in figuur). De verenigingen ervaren voornamelijk concurrentie van sportverenigingen in de buurt die dezelfde (29%) of een andere sport aanbieden (16%) en van commerciële sportaanbieders (15%). Twee derde heeft een visie voor de lange termijn De meeste verenigingen geven aan dat er sprake is van een goede samenwerking tussen bestuur, commissies, vrijwilligers en andere betrokkenen (86%, zie figuur 2.14). Dit geldt in gelijke mate voor kleine, middelgrote en grote verenigingen (niet in figuur). Twee derde van de sportverenigingen beschikt over een duidelijke missie en visie voor de lange termijn. Bij 11 procent van de verenigingen is hier (helemaal) geen sprake van. Dit zijn voornamelijk kleine sportverenigingen en verenigingen zonder eigen sportaccommodatie (niet in figuur).

Figuur 2.14 Stellingen over visie en interne samenwerking (in procenten, n=156) 0

20

Er bestaat een goede samenwerking tussen bestuur, 3 commissies, vrijwilligers en andere betrokkenen De vereniging beschikt over een duidelijke missie en visie voor de lange termijn Het bestuur peilt ieder jaar wat er leeft onder de leden

(Helemaal) niet

40

60

12

86

11

21

7

31

Enigszins

69 62

(Helemaal) wel

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

Bij zes op de tien verenigingen (62%) peilt het bestuur ieder jaar wat er leeft onder de leden. Een op de drie verenigingen (31%) doet dit enigszins. Vooral bij kleine en middelgrote verenigingen valt hier nog winst te behalen. Deze verenigingen geven vaker aan niet ieder jaar te onderzoeken wat er leeft onder de leden (niet in figuur). Verbeterpunten sluiten aan bij speerpunten We hebben de verenigingen gevraagd naar onderwerpen binnen de verenigingen die zij zelf als verbeterpunten zien. De meeste verenigingen vinden dat er ten minste één onderwerp is waarop verbetering mogelijk is (figuur 2.15). Met name kleine en middelgrote verenigingen geven aan geen verbeterpunten te hebben (niet in figuur). Figuur 2.15 Inhoudelijke onderwerpen waarop verbetering mogelijk is, volgens verenigingen zelf (in procenten, meerdere antwoorden mogelijk, n=156) 0

20

40

60

Werving en begeleiding vrijwilligers

59

Ledenwerving en -behoud

54

Beheer en onderhoud accommodatie

23

Maatschappelijke functie

21

Ontwikkeling van beleid

19

Bestuur

19

Interne communicatie

19

Financiën

15

Wet- en regelgeving

12

Positieve sportcultuur

12

Andere onderwerpen Geen verbeterpunten

80

4 11

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

80

100

100

De twee verbeterpunten die de sportverenigingen het vaakst noemen, zijn de werving en begeleiding van vrijwilligers en de werving en het behoud van leden (respectievelijk 59% en 54%). Dit komt overeen met de speerpunten die de verenigingen hebben (zie figuur 2.12). De verenigingen willen inzetten op deze onderwerpen en zien ruimte voor verbetering.

Ruim twee derde is financieel gezond 72 procent van de sportverenigingen in de gemeente Den Haag omschrijft de eigen financiële positie als (zeer) gezond (figuur 2.16). Dit is vergelijkbaar met landelijke cijfers. Een op de zes verenigingen vindt de eigen financiën redelijk (17%). Een op de tien verenigingen heeft volgens eigen zeggen een minder gezonde financiële situatie. Bij drie verenigingen is de situatie zorgwekkend. Deze verenigingen gaven eerder al aan een (zeer) groot probleem met de financiën te hebben. Het zijn zowel grote als kleine verenigingen die aangeven financieel niet gezond te zijn (niet in figuur). Figuur 2.16 Eigen inschatting financiële positie (in procenten, n=156)

2 21

10

Zorgwekkend 17

Minder gezond Redelijk Gezond Zeer gezond

51

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

Een op de tien verenigingen heeft schulden of betalingsachterstanden (10%, niet in figuur). Dit zijn met name grote verenigingen. De meerderheid van de sportverenigingen heeft geen schulden of betalingsachterstanden (90%, niet in figuur). Over het algemeen zijn de verenigingen positief over de verwachte ontwikkeling van de financiële positie. 8 procent verwacht over twee jaar zorgwekkende of minder gezonde financiën te hebben. Dit zijn vooral verenigingen die de huidige

situatie ook al als zorgwekkend of minder gezond beschrijven. Twee derde gaat ervan uit dat de financiële positie dan (zeer) gezond is. Een op de zes heeft geen ruimte voor onverwachte uitgaven De helft van de verenigingen heeft, zonder reserveringen aan te spreken, altijd ruimte binnen de begroting voor onverwachte uitgaven (figuur 2.17). Bij een op de zes verenigingen (17%) is hier (helemaal) geen sprake van. Dit zijn met name kleine verenigingen (niet in figuur). Figuur 2.17 Stellingen over financiën (in procenten, n=156) 0

20

De vereniging denkt bij het financieel beleid een aantal jaren vooruit

6

De vereniging heeft jaarlijks een positief financieel resultaat

11

De vereniging heeft (zonder reserveringen aan te spreken) altijd ruimte binnen haar begroting voor onverwachte uitgaven (Helemaal) niet

40

21

26

63

30

(Helemaal) wel

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

Drie kwart van de sportverenigingen (73%) denkt bij het vormgeven van financieel beleid een aantal jaren vooruit. Bij 6 procent van de verenigingen is dit (helemaal) niet het geval. Dit zijn met name kleine verenigingen (niet in figuur). Twee derde van de verenigingen (63%) behaalt jaarlijks een positief resultaat. Een kwart (26%) doet dit enigszins en een op de tien (helemaal) niet (11%). Zowel grote als kleine verenigingen geven aan niet ieder jaar een positief resultaat te halen (niet in figuur).

De helft van de sportverenigingen in dit onderzoek (51%) heeft een eigen sportaccommodatie of -complex en een eigen kantine. Vooral grote sportverenigingen en buitensportverenigingen hebben vaak de beschikking over eigen voorzieningen. Een op de tien verenigingen (10%) heeft een eigen sportaccommodatie of -complex, maar geen eigen kantine. Enkele verenigingen (3%) hebben een eigen kantine, maar geen eigen sportaccommodatie of -complex. Twee op de vijf verenigingen (37%) heeft geen eigen sportaccommodatie of complex en geen eigen kantine tot haar beschikking. Dit is met name het geval bij kleine verenigingen en binnensportverenigingen.

80

73

17

Enigszins

60

53

100

Een derde kan niet conform behoefte gebruik maken van sportaccommodatie De helft van de sportverenigingen in Den Haag geeft aan op ieder moment en conform behoefte over de sportaccommodatie of -voorziening te kunnen beschikken (53%, zie figuur 2.18). Bij een derde van de verenigingen (31%) is dit niet het geval. Zij geven aan niet conform behoefte en op het gewenste tijdstip gebruik te kunnen maken van een sportaccommodatie. Vooral bij verenigingen zonder eigen accommodatie en binnensportverenigingen is dit een probleem (niet in figuur). Dit zijn vaak kleine verenigingen. Figuur 2.18 Stellingen over de sportaccommodatie (in procenten, n=156) 0

20

De vereniging kan op elke gewenst moment over de accommodatie, sportvoorziening, sportruimte beschikken conform de behoefte

40

31

16

60

80 53

De accommodatie (veld/ zaal/ zwembad/ clubhuis/ kleedkamers enz.)/sportvoorziening is in goede staat

23

25

52

Met (het aantal beschikbare uren in) de huidige accommodatie/sportvoorziening op de huidige locatie kunnen we nog jaren vooruit

22

26

53

Zaken als financiering, huur, onderhoud, beheer, exploitatie en privatisering van de accommodatie/sportvoorziening en/of het clubhuis verlopen naar wens en zijn helder

19

(Helemaal) niet

Enigszins

24

(Helemaal) wel

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

De helft van de verenigingen is tevreden over de staat van de sportaccommodatie die ze gebruiken (52%). Een kwart van de verenigingen is dit enigszins. Volgens 23 procent van de verenigingen verkeren de accommodaties (helemaal) niet in een goede staat. Opvallend is dat verenigingen met een eigen accommodatie vaker ontevreden zijn over de staat van de sportaccommodatie dan verenigingen zonder eigen accommodatie (niet in figuur). 53 procent van de verenigingen denkt nog jaren vooruit te kunnen op de huidige locatie en met de huidige sportaccommodatie. Een kwart van de verenigingen geeft aan dat dit enigszins het geval is (26%). Een op de vijf verenigingen geeft aan dat de huidige accommodatie en het aantal beschikbare uren niet aansluit bij de toekomstige behoefte (22%). Met name de grote sportverenigingen en buitensportverenigingen zien knelpunten ontstaan richting de toekomst (niet in figuur). Ruim de helft van de sportverenigingen geeft aan dat zaken als financiering, onderhoud en beheer van de sportaccommodatie die ze gebruiken naar wens

57

100

verloopt en helder zijn (57%). Een op de vijf verenigingen is hierover (helemaal) niet tevreden (19%). Afspraken zijn voor deze verenigingen niet naar wens of niet helder. Met name bij buitensportverenigingen is dit het geval (niet in figuur). Ten opzichte van de verenigingsmonitor van 2022 zijn de antwoorden op de vier stellingen maar minimaal veranderd. Slechts enkele procentpunten vormen het verschil. De grootste verandering heeft plaatsgevonden in de waardering van de staat van de accommodaties. In 2022 vond 15 procent de accommodatie (helemaal) niet in goede staat, in 2024 is dit 22 procent. Drie kwart verantwoordelijk voor meerjarenonderhoud Drie kwart van de verenigingen (73%) met een eigen sportaccommodatie is verantwoordelijk voor het meerjarenonderhoud van ten minste een deel van de eigen accommodatie (figuur 2.19). Grote en middelgrote verenigingen met een eigen sportaccommodatie zijn vaker verantwoordelijk voor groot onderhoud dan kleine verenigingen met een eigen accommodatie. Figuur 2.19 Verantwoordelijkheid voor meerjarenonderhoud aan sportaccommodaties door verenigingen (in procenten, meerdere antwoorden mogelijk, n=94) 0

20

40

60

Clubgebouw (incl horeca)

100

65

Kleedkamers

50

Materiaalgebouw

40

Buitensportaccommodatie (bv sportveld)

27

Binnensportaccommodatie (bv sporthal)

11

Anders

11

Niet verantwoordelijk voor meerjarenonderhoud

80

27

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

Met meerjarenonderhoud wordt het groot onderhoud bedoeld, zoals bijvoorbeeld het vervangen van een Cv-ketel of kozijnen. Klein, dagelijks onderhoud, zoals het vervangen van lampen, hang- en sluitwerk of het schilderen van kozijnen, hoort hier niet bij. Twee derde van de verenigingen met een eigen accommodatie is zelf verantwoordelijk voor groot onderhoud aan het clubgebouw (65%). De helft van de verenigingen moet zelf het meerjarenonderhoud aan de kleedkamers regelen.

Verenigingen met een eigen accommodatie dragen het minst vaak de verantwoordelijkheid voor het onderhoud aan binnensportaccommodaties (11%). Dit komt mede doordat veel binnensportverenigingen geen eigen sportaccommodatie hebben (niet in figuur). Twee derde van de verenigingen (70%) die de verantwoordelijkheid draagt voor het meerjarenonderhoud aan (een deel van) de sportaccommodatie heeft hiervoor een planning opgesteld (niet in figuur). Grote verenigingen die grootonderhoud verzorgen hebben vaker een planning dan kleine en middelgrote verenigingen. Medegebruik van accommodatie bij drie kwart van de verenigingen Bij drie kwart van de verenigingen met een eigen sportaccommodatie (72%) en/of een eigen kantine vindt medegebruik plaats door andere organisaties (figuur 2.20). Dit gebeurt vaker bij verenigingen met een eigen accommodatie en eigen kantine dan bij verenigingen met alleen een eigen accommodatie of een eigen kantine (niet in figuur). Medegebruik komt vaker voor bij buitensportaccommodaties dan bij binnensportaccommodaties (niet in figuur). De meest voorkomende vorm van medegebruik van accommodaties van sportverenigingen uit Den Haag is gebruik door andere sportverenigingen of scholen (beide 38%). Het medegebruik van de sport-, club- of kleedaccommodatie met andere sportverenigingen komt vooral voor bij kleine sportverenigingen (niet in figuur).

Medegebruik door scholen vindt met name plaats bij accommodaties van grote sportverenigingen (niet in figuur). Figuur 2.20 Medegebruik van sport-, club- en kleedaccommodaties (in procenten, meerdere antwoorden mogelijk, n=99) 0

20

40

Andere sportverenigingen

38

School

38

Buurt-/wijk-/welzijnsorganisaties

24

Naschoolse/peuteropvang

19

Commerciële dienstverleners

9

(Sport)fysiotherapeuten/huisartsen/zorginstel lingen

8

Sportschool/fitnesscentrum

4

Jeugdorganisaties

2

Andere organisaties Geen medegebruik

60

14 28

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

80

100

Medegebruik bij sportverenigingen vindt het minst plaats met sportscholen/fitnesscentra en jeugdorganisaties. Dit gebeurt maar bij enkele verenigingen (respectievelijk 4% en 2%). Andere organisaties die gebruik maken van sportaccommodaties van de sportverenigingen zijn onder andere de veiligheidsregio, het beroepsonderwijs, de BOA en politieopleiding en sportbonden. Bij drie kwart van de organisaties van wie de accommodatie ook gebruikt wordt door andere organisaties is er sprake van onderhuur met ten minste één van de medegebruikers. Afspraken over het medegebruik door de organisaties zijn vastgelegd in een huurovereenkomst. Dit is het vaakst het geval bij medegebruik door andere sportverenigingen en naschoolse/peuteropvang (respectievelijk 35% en 24%, niet in figuur). Bij medegebruik door scholen is minder vaak sprake van onderhuur en een huurovereenkomst (15%).

Hoofdstuk 3

Om meer inzicht te krijgen in de bredere maatschappelijke oriëntatie van sportverenigingen buiten het aanbieden van regulier sportaanbod hebben we de index maatschappelijke oriëntatie ontwikkeld. In dit hoofdstuk bespreken we de resultaten van de verenigingen in Den Haag daarop. De index bestaat uit twee criteria: maatschappelijke activiteit en maatschappelijke intentie. Maatschappelijke activiteit staat voor de mate waarin verenigingen actief een maatschappelijke rol vervullen. Maatschappelijke intentie staat voor de houding van verenigingen ten opzichte van een actieve bredere maatschappelijke rol. De score per criterium delen we in onvoldoende, matig, voldoende of goed in. De scores van de twee criteria bepalen de mate van brede maatschappelijke oriëntatie van een vereniging. Zie bijlage 1 voor meer uitleg over de methode.

Bijna de helft van de verenigingen is maatschappelijk georiënteerd 44 procent van de sportverenigingen in Den Haag scoort voldoende of goed op maatschappelijke oriëntatie (figuur 3.1). Deze verenigingen zijn maatschappelijk betrokken en willen dit in de toekomst ook blijven. Een kwart van de verenigingen (26%) scoort onvoldoende, drie op de tien scoort matig. De verenigingen in Den Haag scoren hoger dan het landelijk gemiddelde. In Nederland is 34 procent van de verenigingen maatschappelijk georiënteerd. Figuur 3.1 Maatschappelijke oriëntatie sportverenigingen gemeente Den Haag (in procenten, n=156) 100

80

3

10

13

31

44

30

35

35

44

41

27 21

26

16

0 Den Haag Totaal

15

45

47 54

Nederland

19

47

33

34

4

19

33

60 40

2 38

34

20

16

22

100 leden

14

10

101 t/m 250 > 250 leden leden Aantal leden

Onvoldoende

Matig

Ja

14 Nee

Eigen sportaccommodatie

Voldoende

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

Goed

26

Binnensport Buitensport Binnen-/buitensport

De grote sportverenigingen scoren vaker voldoende of goed op maatschappelijke oriëntatie (69%) dan de middelgrote (38%) en kleine verenigingen (13%). Geen enkele kleine of middelgrote vereniging scoort goed op de index maatschappelijke oriëntatie. Ook landelijk zijn het vaker kleine verenigingen die onvoldoende of matig scoren. Verenigingen zonder eigen sportaccommodatie scoren vaker matig of onvoldoende (79%) dan verenigingen met een eigen accommodatie (40%). Een vergelijkbaar verschil in scores is te zien tussen binnensport- en buitensportverenigingen (respectievelijk 66% en 40% matig of onvoldoende). Dit komt ook overeen met het landelijke beeld. Helft van de verenigingen is maatschappelijk actief Volgens de criteria van maatschappelijke activiteit is 49 procent van de sportverenigingen in Den Haag voldoende of goed maatschappelijk actief (figuur 3.2). Landelijk is dit 37 procent. Dit zijn vaker grote sportverenigingen en verenigingen met een eigen sportaccommodatie (niet in figuur). Een op de drie verenigingen scoort onvoldoende op het criterium maatschappelijke activiteit. Figuur 3.2 Verdeling scores op criteria van maatschappelijke oriëntatie (in procenten, n=156) 100 14

23

10

80 35 60

26 60

52 21

40 20

31

31

34

Goed

55

Voldoende

30

Matig Onvoldoende

20

26

Maatschappelijke intentie

Maatschappelijke oriëntatie

Gemiddelde score

0 Maatschappelijk actief

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

Maatschappelijke activiteiten nemen naar verwachting toe De helft van de verenigingen heeft een positieve houding tegenover een bredere maatschappelijke oriëntatie van hun vereniging (figuur 3.2). Deze verenigingen scoren voldoende of goed op het criterium maatschappelijke intentie. Ten opzichte van het landelijk gemiddelde (26% voldoende of goed) scoren de verenigingen in Den Haag hoog. De andere helft van de verenigingen scoort matig (31%) of onvoldoende (20%) op maatschappelijke intentie. Kleine verenigingen, verenigingen zonder eigen

sportaccommodatie en binnensportverenigingen behoren vaker tot deze groep (niet in figuur). Verenigingen met voldoende of goede maatschappelijke intentie zijn vaak al maatschappelijk actief (76% goed of voldoende op maatschappelijke activiteit). Een op de negen verenigingen (12%) is nu nog niet actief, maar heeft wel de intentie om dit te worden. Maatschappelijke oriëntatie van verenigingen afgenomen Ten opzichte van twee jaar geleden is de maatschappelijke oriëntatie van de sportverenigingen in Den Haag licht gedaald. In 2022 scoorde 49 procent van de verenigingen voldoende of goed, in 2024 44 procent. Deze afname komt vooral doordat de verenigingen minder hebben gescoord op maatschappelijke intentie. Dit is terug te zien in een vergelijking van de scores van de verenigingen die aan beide monitoren deelnamen (-8%) en in het verschil tussen de scores van de verenigingen die maar één keer deelnamen (-1%). De verenigingen die alleen in 2024 meededen, scoren beter op maatschappelijke activiteit dan de verenigingen die alleen in 2022 meededen. Dit zorgt ervoor dat de Haagse sportverenigingen gezamenlijk een hogere score behalen op maatschappelijke activiteit dan in 2022. De maatschappelijke activiteit van de verenigingen die beide keren meededen is ongeveer gelijk gebleven.

Meeste verenigingen werkten afgelopen jaar samen met organisaties Het afgelopen jaar heeft 88 procent van de sportverenigingen in de gemeente Den Haag samengewerkt met één of meerdere organisaties, verenigingen of instanties (figuur 3.3). Kleine sportverenigingen werkten minder samen. Een kwart van de kleine sportverenigingen (25%) geeft aan dit niet te hebben gedaan het afgelopen jaar. De sportverenigingen werkten het meest samen met de gemeente. Ruim de helft van de verenigingen (58%) heeft het afgelopen jaar ten minste één maal met de gemeente Den Haag samengewerkt. Vooral grote en middelgrote verenigingen deden dit. Andere organisaties waar veel verenigingen mee samenwerkten het afgelopen jaar zijn andere sportverenigingen, sportbonden en scholen (respectievelijk 54%, 51% en 51%). De sportverenigingen uit Den Haag werkten het afgelopen jaar het minst samen met instellingen voor kunst en cultuur (2%), de GGD (3%), Sportservice ZuidHolland (5%), jeugdorganisaties (5%) en lokale jeugdsportfondsen (5%). Andere organisaties die sportverenigingen noemen, zijn onder meer de brandweer, Gehandicaptensport Nederland, Veiligheidsregio Haaglanden, een personeelsvereniging van een overheidsinstantie en de Laureus stichting.

Figuur 3.3 Organisaties waar sportverenigingen het afgelopen jaar mee hebben samengewerkt en waar ze interesse in hebben om mee samen te werken (in procenten, meerdere antwoorden mogelijk, n=156) 0

20

Gemeente

60

54

7

Sportbond

80

58

12

Andere sportvereniging(en)

51

6

School

51

12

WSDH

38

19 22 20

Buurt-/wijk-/welzijnsorganisatie Bedrijven

21

12

Na- en buitenschoolse opvang

19

11

(Sport)fysiotherapeut/huisartsen

16

7

Adviesraad voor sport Den Haag

15

Politie/Justitie

12

6

Stichiting Sportbelang (SGK) Commerciële dienstverlener

40

21

10

6 7

3

Sportschool/fitnesscentrum

6

Revalidatie- en/of zorginstelling

6 6

Lokale jeugdsportfondsen

5

Jeugdorganisaties

5

Sportservice Zuid-Holland

5

GGD

3 4

Instellingen voor kunst en cultuur

2 1

Andere organisatie/vereniging/instantie Geen enkele samenwerking Samengewerkt

12

17 12

13

8 12

28

Belangstelling

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

Drie kwart heeft interesse in nieuwe samenwerkingen De verenigingen zijn over het algemeen positief over de samenwerkingen. De meeste verenigingen geven aan dat ze bestaande samenwerkingen willen voortzetten (70%) of intensiveren (29%) (niet in figuur). Vier verenigingen geven aan dat ze één van de samenwerkingsverbanden willen stoppen. Dit zijn twee samenwerkingen met WSDH, één met een sportbond en één met een sportschool/fitnesscentrum.

100

Drie kwart van de verenigingen heeft belangstelling om met ten minste één nieuwe organisatie te gaan samenwerken (figuur 3.3). De adviesraad voor sport Den Haag, buurt-/wijk-/welzijnsorganisaties, en WSDH genieten de meeste belangstelling van de sportverenigingen. Voor deze organisaties geldt dat een op de vijf verenigingen een nieuwe samenwerking met ze wil aangaan. Ook een aantal organisaties waar nu nog nauwelijks mee samengewerkt wordt door sportverenigingen staan in de belangstelling. Er is vooral interesse om te gaan samenwerken met lokale jeugdsportfondsen (17%), Sportservice Zuid-Holland (13%), jeugdorganisaties (12%) en sportscholen/fitnesscentra (12%). Drie kwart betrokken bij projecten Het afgelopen jaar is 76 procent van de sportverenigingen betrokken geweest bij ten minste één sportproject, -functionaris, -activiteit of -regeling (figuur 3.4). Kleine verenigingen zijn minder vaak betrokken geweest dan grote verenigingen (48% vs 8%, niet in figuur). Dit geldt ook voor binnensportverenigingen en verenigingen zonder eigen sportaccommodatie (niet in figuur). Figuur 3.4 Betrokkenheid bij projecten/functionarissen/activiteiten/regelingen (in procenten, meerdere antwoorden mogelijk, n=156) 0

20

40

60

80 63

Ooievaarspas

44

Investeringssubsidie Accommdaties Sportverenigingen Den Haag (IAS)

33 30 18 22

Buurtsportcoach Haags Sportinitiatief

15

Sportstimuleringsprojecten

14

Stadsspelen

12

Gezonde sportkantine

11 13

27 33 20

Streetsport

4 4

Haags Sportkwartier (living lab)

3

Andere projecten/activiteiten

5 4

9

Geen van deze projecten/activiteiten Betrokken geweest

24 28

Belangstelling

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

De betrokkenheid was het grootst bij de Ooievaarspas. Bijna twee derde van de verenigingen was hierbij aangesloten (63%). Grote verenigingen deden vaker mee

100

dan kleine en middelgrote verenigingen (respectievelijk 78%, 53% en 48%, niet in figuur). Een op de drie sportverenigingen (33%) maakte afgelopen jaar gebruik van de Investeringssubsidie Accommodaties Sportverenigingen Den Haag. Ongeveer een op de zes verenigingen was betrokken bij de buurtsportcoach (18%), het Haags Sportinitiatief (15%) en sportstimuleringsprojecten (14%). Streetsport en living lab Haags Sportkwartier zijn de projecten waarbij de minste verenigingen betrokken waren (respectievelijk 4% en 3%). Andere projecten waar verenigingen aan deelnamen zijn onder andere schoolsporttoernooien of competities, living lab Scheveningen en Stichting Leergeld. Belangstelling voor sportstimuleringsprojecten De belangstelling om komend jaar betrokken te worden of te blijven bij een sportproject, -functionaris, -activiteit of -regeling is wat lager dan de betrokkenheid van afgelopen jaar. 28 procent van de sportverenigingen heeft geen belangstelling (figuur 3.4). Dit zijn zowel verenigingen die nu nog niet betrokken zijn als verenigingen die wel betrokken zijn (niet in figuur). De daling in belangstelling is terug te zien bij de Ooievaarspas. Minder dan de helft van de verenigingen (44%) heeft interesse om betrokken te worden of blijven bij dit project. Dit is een daling van 30 procent.

Toch is dit nog steeds het project dat het meest in de belangstelling van de verenigingen staat. Er zijn ook een aantal projecten, functionarissen, activiteiten en regelingen die meer belangstelling krijgen van de verenigingen dan dat er nu betrokken zijn. Vooral het Haags Sportinitiatief (27% t.o.v. 15%), sportstimuleringsprojecten (33% t.o.v. 14%) en de stadsspelen (20% t.o.v. 12%) kunnen op veel meer interesse rekenen. Dit komt vooral door de belangstelling van kleine verenigingen (niet in figuur).

Drie kwart heeft aanbod voor niet-leden 76 procent van de sportverenigingen in gemeente Den Haag organiseerde het afgelopen jaar/seizoen ten minste één keer een (sport)activiteit waaraan ook nietleden deel konden nemen (figuur 3.5). Bij twee op de vijf verenigingen (42%) bleef het aanbod beperkt tot één of twee keer. Een op de vijf verenigingen (22%) organiseerde veel vaker activiteiten voor niet-leden. Zij deden dit minimaal vijf keer het afgelopen jaar/seizoen. Een kwart van de verenigingen (24%) had het afgelopen jaar/seizoen geen (sport)aanbod voor niet-leden. Dit was vaker het geval bij kleine verenigingen, binnensportverenigingen en verenigingen zonder eigen sportaccommodatie (niet in figuur).

Figuur 3.5 Organiseren van (sport)activiteiten waarbij deelname openstond voor nietleden (in procenten, n=156)

Ja, 5 of meer keer per jaar/seizoen

22

24

Ja, ongeveer een keer per kwartaal 12

42

Ja, 1-2 keer per jaar/seizoen Nee

Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Den Haag, 2024.

De meeste verenigingen (80%) organiseerden het afgelopen jaar naast het reguliere sportaanbod ook andere activiteiten voor de eigen leden. Bijna alle grote verenigingen deden dit, tegenover de helft van de kleine verenigingen (respectievelijk 97% en 56%, niet in figuur). Enkele voorbeelden van activiteiten die de verenigingen organiseerden zijn nieuwjaarsborrels, (jeugd)kampen, pubquizen en barbecues. Ruim de helft heeft aandacht voor nieuwe sport- en spelactiviteiten 57 procent van de sportverenigingen in de gemeente Den Haag is actief met het introduceren van (nieuwe) sport- en spelactiviteiten voor nieuwe/potentiële leden (figuur 3.6). Iets meer dan de helft doet dit voor de eigen leden (55%). Verenigingen zijn veel minder bezig met het introduceren van (nieuwe) sport- en spelactiviteiten voor specifieke doelgroepen. De helft van de verenigingen is hier niet actief mee bezig (50%). Een op de acht doet dit zeer actief (13%). De helft van de verenigingen is actief met het flexibiliseren van lidmaatschappen/contributievormen (52%). Dit speelt vooral bij verenigingen met een eigen sportaccommodatie (niet in figuur). Iets minder dan de helft is actief met het verkrijgen van andere inkomstenbronnen (47%). Grote verenigingen zijn hier vaker mee bezig dan middelgrote en kleine verenigingen (niet in figuur). Dit geldt ook voor sportverenigingen met een eigen accommodatie en kantine.

Figuur 3.6 Aanbieden van activiteiten voor leden en niet-leden (in procenten, n=156) 0

20

Introduceren van (nieuwe) sport- en spelactiviteiten voor nieuwe/potentiële leden

17

Introduceren van nieuwe sport- en spelactiviteiten voor de eigen leden

15

Flexibiliseren van lidmaatschappen/contributievormen Het verkrijgen van andere inkomstenbronnen (naast contributie, sponsoring, kantine-omzet) Introduceren van (nieuwe) sport- en spelactiviteiten voor specifieke doelgroepen Zeer actief

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14844550/1