RIS320242 Bijlage Segregatiemonitor Den Haag 10 oktober 2024
Tekst van het document
Inhoudsopgave 1. Inleiding Segregatiemonitor
2
2. Leeftijd, achtergrond en sociaal-economische status
3
3. Wonen en leefomgeving
7
4. Onderwijs
17
5. Werk en inkomen
28
6. Gezondheid, zorg en welbevinden
34
Toelichting begrip en discussie
43
1. Inleiding Segregatiemonitor Naar aanleiding van een motie van raadslid Arp op 21 april 2021 (RIS308532) heeft het college een segregatiemonitor ontwikkeld. Deze monitor biedt een overzicht van indicatoren die iets zeggen over sociaal-maatschappelijke segregatie. De segregatiemonitor kan een bijdrage leveren aan effectief beleid en uitvoering in wijken en buurten, gericht op versterking van kansengelijkheid, verbinding en sociale cohesie. De segregatiemonitor wordt geactualiseerd wanneer er nieuwe data beschikbaar zijn en jaarlijks wordt de toelichtende tekst waar nodig herzien. Het begrip ‘segregatie’ meet de mate waarin twee of meer groepen mensen fysiek van elkaar gescheiden wonen binnen een stad of regio (zie Massey & Denton, 1988). Meestal gaat het hierbij om de relatieve concentratie van mensen die tot een bepaalde sociaal-economische categorie (denk aan inkomen, werkloosheid of opleidingsniveau) of herkomstgroep behoren binnen een bepaalde stadsbuurt. In een gesegregeerde buurt is een bepaalde groep oververtegenwoordigd ten opzichte van de rest van de stad. In een stad zonder segregatie zouden alle groepen exact gelijk zijn verspreid over de verschillende buurten.
De segregatiemonitor is geordend langs de volgende thema's: Leeftijd, migratieachtergrond en sociaal-economische status Wonen en leefomgeving Onderwijs Werk en Inkomen Gezondheid, welbevinden en zorggebruik Voor elk van deze thema's worden de meest inzichtgevende kaarten en grafieken getoond, voorzien van een korte toelichting. Elk thema begint met een samenvatting van de belangrijkste inzichten en verbanden. Het betreft nadrukkelijk een selectie van indicatoren. Op vrijwel elke indicator is immers verschil te rapporteren. De gekozen indicatoren laten aspecten van de segregatie in Den Haag zien. In de reguliere rapportages over wonen, onderwijs en andere beleidsterreinen zal aandacht worden besteed aan segregatie op basis van de monitor. De monitor biedt de data en voorziet deze van beperkte context en interpretatie. Beleidsmonitoring en beleidsevaluatie heeft dus geen plek in de monitor.
2
2. Leeftijd, achtergrond en sociaal-economische status 2.1 Inleiding Het begrip ‘segregatie’ meet de mate waarin twee of meer groepen mensen fysiek van elkaar gescheiden wonen binnen een stad of regio (zie Massey & Denton, 1988). Meestal gaat het hierbij om de relatieve concentratie van mensen die tot een bepaalde sociaal-economische categorie (denk aan inkomen, werkloosheid of opleidingsniveau) of herkomstgroep behoren binnen een bepaalde stadsbuurt. In een gesegregeerde buurt is een bepaalde groep oververtegenwoordigd ten opzichte van de rest van de stad. In een stad zonder segregatie zouden alle groepen exact gelijk zijn verspreid over de verschillende buurten. Naast ruimtelijke segregatie kan er ook sprake zijn van sociale segregatie. Het gaat dan over de mate waarin mensen uit verschillende groepen elkaar tegenkomen. Een voorbeeld hiervan kan zijn, hoe inwoners met een migratieachtergrond alleen omgaan met andere inwoners met een migratieachtergrond. Of ouderen enkel met ouderen omgaan. Leeftijd en etniciteit zijn twee demografische aspecten waarop in Den Haag segregatie zichtbaar is. Daarnaast is ook segregatie zichtbaar naar sociaal-economische status.
2.2 Wat valt op? Jongeren en ouderen wonen niet evenredig verdeeld over Den Haag. In de stadsdelen Leidschenveen-Ypenburg en Escamp wonen relatief veel jongeren, terwijl in de stadsdelen Loosduinen, Scheveningen en Haagse Hout relatief meer ouderen wonen. Inwoners met een migratieachtergrond zijn oververtegenwoordigd in de stadsdelen Escamp, Laak en Centrum en delen van Haagse Hout. Voor Den Haag als geheel geldt dat de segregatie naar niet-westerse migratieachtergrond is afgenomen, maar nog steeds het hoogst is van de vier grote steden. In Zuidwest en in de stadsdelen Laak en Centrum is sprake van een lagere score SES-WOA dan in de rest van de stad. (Sociaal Economische Status (SES), gebaseerd op welvaart, opleidingsniveau en arbeidsmarktdeelname (WOA)).
2.3 Leeftijd Jongeren en ouderen wonen niet evenredig verdeeld over Den Haag. In de wijken Bouwlust/Vrederust, Wateringse Veld, Kraayenstein en Vroondaal, Transvaalkwartier, Schildersbuurt, Ypenburg, Leidschenveen en Vogelwijk wonen relatief veel jongeren; elk van deze wijken heeft 25% of meer jongeren onder de wijkbewoners. In Kijkduin en Ockenburg, Waldeck, Bohemen, Loosduinen, Zorgvliet, Van Stolkpark en Scheveningse bosjes, Westbroekpark-Duttendel en Benoordenhout bestaat juist meer dan een kwart van de inwoners uit personen van 65 jaar en ouder. Vergeleken met 2007 zien we geen opvallende verschuivingen in de leeftijdsopbouw. In Leidschenveen-Ypenburg is zichtbaar dat in 2007 meer jongeren in het stadsdeel woonden dan nu. Vanaf 2002 zijn veel relatief jonge gezinnen daar komen wonen. Inmiddels zijn de jongeren van toen veelal ouder dan 19 jaar. In een herstructureringsgebied als Morgenstond valt op dat daar meer jongeren wonen dan in 2007. Dat komt vermoedelijk door de nieuwbouw in dat gebied waardoor meer jonge gezinnen daar naartoe verhuisden of werden gesticht. Tot slot valt op dat in Groente- en Fruitmarkt het aantal inwoners sinds 2007 steeg met bijna 50 procent, maar dat in die periode het aandeel jongeren afnam van één derde naar één vijfde.
3
% Haagse inwoners naar leeftijdscategorie
% 0 t/m 19 jarigen in Den Haag Wijken
2008 23,1%
63,6%
13,4%
63,3%
15,2%
2024 21,5% 0%
40% % 0 t/m 19 jaar
80%
% 20 t/m 64 jaar
% 65 jaar en ouder
© OpenStreetMap contributors
Geen waarde bekend < 10,0 20,0 < 25,0
10,0 < 15,0 >= 25,0
DHIC/GDH/DPZ | 2008, 2024
% 20 t/m 64 jarigen in Den Haag Wijken
DHIC/GDH/DPZ | 2024
% 65 jaar en ouder in Den Haag Wijken
© OpenStreetMap contributors
Geen waarde bekend < 49,5 58,5 < 63,0
15,0 < 20,0
49,5 < 54,0 >= 63,0
54,0 < 58,5
DHIC/GDH/DPZ | 2024
© OpenStreetMap contributors
Geen waarde bekend < 10,0 20,0 < 25,0
10,0 < 15,0 >= 25,0
15,0 < 20,0
DHIC/GDH/DPZ | 2024
2.4 Migratieachtergrond Migratieachtergrond speelt een rol bij het begrijpen van verschillen tussen bevolkingsgroepen in de stad. Inwoners met een migratieachtergrond zijn niet evenredig verdeeld woonachtig in Den Haag. De wijken waar meer dan 50% van de inwoners een migratieachtergrond heeft liggen voornamelijk in de stadsdelen Escamp, Laak en Centrum. Ook in een aantal wijken van Haagse Hout heeft meer dan 50% inwoners een migratieachtergrond. Zo had in 2007 nog 45,5% van de inwoners van Den Haag een migratieachtergrond en was dit 57,3% voor Bouwlust/Vrederust. Inmiddels heeft 76,5% van de inwoners van Bouwlust/Vrederust een migratieachtergrond, terwijl dit voor heel Den Haag 59,2% is. Het aandeel inwoners met een migratieachtergrond in Bouwlust/Vrederust is daarmee harder gestegen dan het percentage inwoners met een migratieachtergrond in heel Den Haag. Iets verder uitgezoomd is dat ook het geval in de stadsdelen Escamp, Laak en Centrum. Daar ligt het percentage inwoners met een migratieachtergrond boven de 65%. In de overige stadsdelen, met name Loosduinen, Segbroek en Scheveningen, is juist sprake van een relatieve ondervertegenwoordiging van inwoners met een migratieachtergrond (lager dan 45%).
4
% Haagse inwoners met een migratieachtergrond
% Haagse inwoners met een migratieachtergrond
© OpenStreetMap contributors
Onbekende waarde < 30,0 70,0 < 90,0
30,0 < 50,0 >= 90,0
50,0 < 70,0
© OpenStreetMap contributors
Geen waarde bekend < 30,0 70,0 < 90,0
30,0 < 50,0 >= 90,0
DHIC/GDH/DPZ | 2008
50,0 < 70,0
DHIC/GDH/DPZ | 2024
De toename van het aantal mensen met een migratieachtergrond komt voor een deel door de relatief sterke groei van het aantal OostEuropeanen. In absolute zin vormen Oost-Europeanen met ruim 43.000 personen een middelgrote migrantengroep. Het aandeel mensen met een migratieachtergrond is tussen 2007 en 2024 echter in alle wijken van Den Haag toegenomen. Wel is het zo dat verschillende groepen zich in verschillende delen van de stad vestigen. Daarbij speelt wel de diversiteit binnen de groep migranten. De groep Oost-Europese migranten is het sterkst gegroeid en vestigt zich deels in delen van de stad waar het aandeel mensen met een migratieachtergrond al hoog is, deels in andere delen van de stad.
Aantal Haagse inwoners naar bevolkingsgroep
Nederlands Turks
14.960
32.885
Antilliaans
16.092
43.363
43.599
Surinaams
44.156
77.520
Marokkaans
62.925
80.000
231.231
240.000
160.000
% Groei Haagse inwoners naar bevolkingsgroep, 2024-2013
Overig niet-westers Oost-Europees Indonesisch Overig Westers
0
-30 Nederlands Surinaams
-10
10
30
50
70
90
110 130
Overig niet-westers Overig Westers Turks Oost-Europees Marokkaans Indonesisch DHIC/GDH/DPZ | 2024
DHIC/GDH/DPZ | 2024
Door het Kenniscentrum Inclusief Samenleven (KIS) wordt jaarlijks een segregatieindex naar niet-westerse migratieachtergrond opgesteld. De index kan geïnterpreteerd worden als het percentage personen met een niet-westerse migratieachtergrond dat zou moeten verhuizen om een gelijkmatige spreiding over de gemeente te krijgen. De index kan dus variëren van 0 (bij volledig gelijkmatige spreiding) tot 100 (bij volledige segregatie). Migratieachtergrond is een bevolkingskenmerk dat minder zinvol lijkt te worden om verschillen te duiden. Immers, de verschillen tussen groepen mensen met een migratieachtergrond zijn wellicht groter dan tussen mensen met een migratieachtergrond en mensen zonder migratieachtergrond (zie WRR 'Samenleven in verscheidenheid'). In de volgende figuur is te zien dat de segregatieindex voor Den Haag is afgenomen van 39% in 2009 naar 34% in 2022. Desalniettemin is de index nog steeds het hoogst voor Den Haag in vergelijking met Amsterdam, Rotterdam en Utrecht.
5
Ontwikkeling segregatie-index (herkomst buiten Europa) Den Haag 48
Segregatie-index (herkomst buiten Europa) G4
40
40
32
32
24
24 16
16
8
8
0
0 2009
2012
2014
2016
2018
2020
2022
2010
2012
Den Haag DHiC/KIS Wijkmonitor | 2009 - 2022
2014
2016
Rotterdam
2018
2020
Amsterdam
2022 Utrecht
DHiC/KIS Wijkmonitor | 2010 - 2022
2.5 Sociaal-economische status Welvaart, Opleiding en Arbeid (SES-WOA) Jaarlijks wordt door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) cijfers over welvaart, opleidingsniveau en arbeidsmarktdeelname in onderlinge samenhang op laagregionaal niveau in kaart gebracht. Voor iedere wijk en buurt is een gecombineerde score berekend op basis van gegevens over elk huishouden. Deze score geeft in één oogopslag weer hoe deze gebieden ten opzichte van elkaar scoren op drie belangrijke elementen van de sociaal economische status (SES). Omdat de score gebaseerd is op gegevens over welvaart, opleidingsniveau en arbeidsmarktdeelname, heeft hij de naam SES-WOA score gekregen. Bij een hogere score zijn de inwoners welvarender en/of hoger opgeleid en/of langduriger aan het werk. In 2021 is er in Zuidwest en in de stadsdelen Laak en Centrum sprake van een lagere score SES-WOA dan in de rest van de stad. Ten opzichte van 2016 is er geen sprake van substantiële veranderingen.
Gem. score Sociaal Economische Status Buurten
Gem. score Sociaal Economische Status Buurten
© OpenStreetMap contributors
Niet van toepassing < -0,400 -0,400 < -0,200 -0,200 < 0,000 0,000 < 0,200 >= 0,200 DHIC/CBS | 2016
© OpenStreetMap contributors
Niet van toepassing < -0,400 -0,400 < -0,200 -0,200 < 0,000 0,000 < 0,200 >= 0,200 DHIC/CBS | 2021
6
3. Wonen en leefomgeving 3.1 Inleiding Het begrip ‘segregatie’ meet de mate waarin twee of meer groepen mensen fysiek van elkaar gescheiden wonen binnen een stad of regio (zie Massey & Denton, 1988). Meestal gaat het hierbij om de relatieve concentratie van mensen die tot een bepaalde sociaal-economische categorie (denk aan inkomen, werkloosheid of opleidingsniveau) of herkomstgroep behoren binnen een bepaalde stadsbuurt. In een gesegregeerde buurt is een bepaalde groep oververtegenwoordigd ten opzichte van de rest van de stad. In een stad zonder segregatie zouden alle groepen exact gelijk zijn verspreid over de verschillende buurten. Naast ruimtelijke segregatie kan er ook sprake zijn van sociale segregatie. Het gaat dan over de mate waarin mensen uit verschillende groepen elkaar tegenkomen. Een voorbeeld hiervan kan zijn, hoe inwoners met een bepaalde sociaaleconomische status vooral omgaan met andere inwoners met dezelfde sociaaleconomische status. Voor de leefomgeving gebruiken we kaarten uit onderzoek naar de veerkracht van wijken. Deze kaarten zijn een compilatie van een aantal cijfers over de leefbaarheid, de veiligheid, prettig wonen, kwetsbare bewoners met een bijstandsuitkering en zorgindicaties. In dit hoofdstuk zijn daarop aansluitend indicatoren opgenomen die iets zeggen over de spreiding van het type woning over Den Haag (WOZ, eigendom, corporatiewoningen).
Ook wordt aangegeven hoe de energielabels van woningen (EFG-labels) verspreid zijn over de stad. Daarnaast wordt uitgelegd hoe deze spreiding is ontstaan.
3.2 Wat valt op? Geografisch is er sprake van ruimtelijke segregatie wat betreft de woningwaarden (WOZ). Dat hangt onder meer samen met de ligging van woningen in buurten en wijken ten opzichte van de zee en de Haagse bodem. Deze bodem van zand, veen en klei is van invloed geweest op de groei van de stad, de ontwikkeling van verschillende woonmilieus en daarmee op de woningwaarde. De duurdere woningen zijn vaker gebouwd op het zand en de klei (VINEX uitbreidingen Wateringse Veld en LeidschenveenYpenburg). Het grootste aandeel sociale huurwoningen is gebouwd op het veen. In deze wijken met deze betaalbare woningen wonen meer inwoners met een lagere sociaaleconomische status (SES – een samengestelde indicator gebaseerd op opleiding, inkomen en arbeidssituatie). Kwetsbare groepen vestigen zich veelal noodgedwongen in woningen met lage huren. Dit zijn veelal corporatiewoningen en goedkope particuliere huurwoningen. Uit landelijk onderzoek blijkt dat in de wijken met de goedkoopste woningen en de hoogste mutatiegraad de leefbaarheid het meest onder druk staat en voelen in de wijken met verminderde leefbaarheid bewoners zich vaker onveilig. Dat heeft negatieve impact vooral ook op kwetsbare groepen (RIS 309055). Een groot aandeel van deze huurders heeft een beperkte zelfredzaamheid en daar waar zij in grotere groepen samenwonen, staat ook de samenredzaamheid onder druk.
De verschillen in Den Haag nemen toe: in buurten met weinig corporatiewoningen en weinig betaalbare particuliere huur, neemt het aandeel kwetsbare bewoners af, terwijl het aandeel kwetsbare bewoners in buurten met veel corporatiewoningen en een hoog aandeel goedkope particuliere huur toeneemt. Ook gebrekkige kwaliteit van woningen kan hierbij van invloed zijn. De kwaliteit van de bestaande woningvoorraad is nog niet op orde wat betreft verduurzaming en isolatie, deels ook als gevolg van de gebrekkige kwaliteit van naoorlogse bouw, nu aan het eind van de levensduur. Begin 2024 waren er in Den Haag nog bijna 98.000 woningen met een energielabel E, F of G. Verdiepingscijfers vanuit het BZKWoononderzoek laten echter zien dat eigenaar-bewoners hun woningen isoleren en verduurzamen op ongeveer hetzelfde tempo als de woningcorporaties. Voor de particuliere huursector is dat echter niet het geval. De grootste uitdagingen doen zich voor in de wijken met relatief goedkoop particulier woningbezit. Daar zijn de kwaliteit van het verhuurderschap (hoge huren, misstanden) en de actieve VVE’s van andere orde dan in andere delen van de stad en blijft de ontwikkeling van de energielabels de afgelopen jaren achter. Ook achterstallig onderhoud, veiligheidsrisico's en gezondheidsrisico's ten aanzien van het binnenklimaat spelen juist in deze sector een rol.
Het spreidingsbeeld van woningaanbod naar duurzaamheid sluit niet aan op het spreidingsbeeld naar inkomens. Dit komt onder meer doordat de leeftijd van woningen een belangrijke factor is; juist in sommige welvarende delen van de stad staan relatief oudere woningen. Afgelopen 10 jaar zijn de verhuizingen in de corporatiesector grofweg gelijk gebleven. Met name de verhuizingen in de particuliere sector zijn toegenomen. Veel kwetsbare bewoners komen te wonen in wijken met een hoog percentage corporatiebezit en goedkope particuliere voorraad. Dit komt onder andere doordat zowel urgent woningzoekenden als woningzoekenden met de laagste inkomens via woningtoewijzing (landelijke regels van passend toewijzen) terecht komen in het goedkoopste corporatiebezit en doordat mensen zonder recht hun heil zoeken in de goedkoopste particuliere woningvoorraad. Het is daarom van belang goed te blijven inzetten op evenwichtige spreiding van betaalbare woningvoorraad
7
en evenwichtige toewijzing van kwetsbare bewoners in de hele stad. Met de Wet regie volkshuisvesting zal – zonder aanvullende maatregelen (denk aan het toevoegen van extra sociale huur c.q. het toewijzen van woningzoekenden aan woningen in wijken met een betere leefbaarheid) – een nog groter aandeel mensen met een lager inkomen c.q. urgenten in de wijken terecht komen waar de leefbaarheid het meest onder druk staat. Dat is het gevolg van het groot aantal verplicht urgent te huisvesten doelgroepen, die de wet voorschrijft. In de huisvestingsverordening zal hierop moeten worden geanticipeerd. Het college bereidt maatregelen voor om de spreiding van kwetsbare doelgroepen zo evenwichtig mogelijk te organiseren.
3.3 Ruimtelijke groei van Den Haag Tot circa 1980 was er in Den Haag een sterke ruimtelijke tweedeling tussen de woningen en de bewoners op het zand en het veen. De Laan van Meerdervoort was de scheidslijn tussen deze gebieden. Op de zandgronden werden luxe villawijken gebouwd en op de veengronden werden volkswijken gebouwd. Op het veen in de naoorlogse wijken Bouwlust-Vrederust, Morgenstond en Moerwijk - nu Zuidwest- wonen totaal circa 70.000 inwoners in circa 33.000 woningen. Deze woningen zijn voornamelijk tussen 1945 en 1981 gebouwd met een hoog aandeel corporatiebezit en gesitueerd in een groene leefomgeving met een open verkavelingsstructuur. Den Haag is tussen 1980 en 2012 landinwaarts op kleigronden gegroeid met de drie Haagse VINEX uitbreidingswijken. In Wateringse veld (1996-2012) en Leidschenveen-Ypenburg (nieuw stadsdeel vanaf 2002) zijn nieuwe woningen ontwikkeld met een hogere woningwaarde.
Gemiddelde waarde (euro) woningen Buurten Geen waarde bekend < 200.000 200.000 < 300.000 300.000 < 400.000 400.000 < 500.000 >= 500.000
© OpenStreetMap contributors
DHIC/GDH/GBD | 2023
Hoewel er in het verleden een tweedeling was is door de uitbreiding van Den Haag met de VINEX wijken een driedeling ontstaan. Waarbij het veen een tussenlaag is tussen het zand en de klei. De onderlaag van de bodem is medebepalend voor de gerealiseerde woonmilieus en woningtypen; dat uit zich in de woningwaarde. Op het zand en de klei zijn duurdere woningen gebouwd dan op het veen. En relatief veel corporatiebezit (sociale huurwoningen) is op het veen gerealiseerd.
8
% Woningvoorraad naar eigendom Den Haag
% Corporatiewoningen Buurten
100%
27,2%
80% 60%
31,0%
40% 20%
41,9%
0% 2023
© OpenStreetMap contributors
% koopwoningen % corporatiewoningen % particuliere huurwoningen
Geen waarde bekend < 15,0 45,0 < 60,0
DHIC/GDH/GBD (OZB-bestand) | 2023
15,0 < 30,0 >= 60,0
30,0 < 45,0
DHIC/GDH/GBD (OZB-bestand) | 2023
De ligging van de woningtypen - de grondgebonden eengezinswoningen en de appartementen - hangt ook samen met de groei van de stad en de woningwaarden. De historische ongelijkmatige spreiding van woningaanbod werkt tot op de dag van vandaag door in Den Haag.
% Eengezinswoningen Buurten
% Appartementen Buurten
© OpenStreetMap contributors
Geen waarde bekend < 15,0 45,0 < 60,0
15,0 < 30,0 >= 60,0
30,0 < 45,0
DHIC/GDH/GBD (OZB-bestand) | 2023
© OpenStreetMap contributors
Geen waarde bekend < 50,0 80,0 < 90,0
50,0 < 70,0 >= 90,0
70,0 < 80,0
DHIC/GDH/GBD (OZB-bestand) | 2023
3.4 Leefbaarheid - Leefbaarometer De Leefbaarometer is een instrument van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om tot op laag schaalniveau (100x100 meter) en voor geheel Nederland een inschatting te geven van de leefbaarheid. Dat is gedaan aan de hand van een groot aantal kenmerken van de woonomgeving, zoals type voorzieningen, lokale geluidsbelasting en onveiligheid. De Leefbaarometer geeft een indruk van waar het naar verwachting goed of slecht is gesteld met de leefbaarheid (signalering) en hoe die leefbaarheid zich ontwikkelt (monitoring). In de onderstaande kaart is de leefbarometer voor (een deel van) Den Haag weergegeven. De Leefbaarheid verschilt in Den Haag sterk per wijk. In buurten en wijken met een hoog aandeel goedkope (huur)woningen lijkt sprake van een toename van kwetsbare groepen, waarbij een risico bestaat van een zichzelf versterkende ontwikkeling: afnemende leefbaarheid en toename van (ongewenste) vormen van segregatie. In de onderstaande kaart is de Leefbaarometer weergegeven.
9
3.5 Kwaliteit bestaande woningvoorraad; energielabels Energielabels woningen Een belangrijk kwaliteitsaspect van woningen vormt de energie-efficiëntie. Een energielabel laat de energieprestatie van de woning zien en maakt duidelijk welke energiebesparende (en kostenbesparende) maatregelen nog mogelijk zijn. De labelklassen voor woningen lopen van A++++ tot en met G, oftewel van weinig naar veel besparingsmogelijkheden. De kwaliteit van de bestaande woningvoorraad is nog niet op orde wat betreft verduurzaming en isolatie. Begin 2024 waren er in Den Haag nog bijna 98.000 woningen met een energielabel E, F of G. Het spreidingsbeeld van woningaanbod naar duurzaamheid sluit niet aan op het spreidingsbeeld naar aanbod (betaalbare) huurwoningen. Dit komt onder meer doordat de leeftijd van woningen een belangrijke factor is; juist in sommige welvarende delen van de stad staan relatief veel oudere woningen. Daarnaast speelt de verduurzaming van het corporatiebezit een gunstige rol. In de stadsdelen Segbroek, Scheveningen, Centrum, Haagse Hout en Laak zijn de meeste woningen met een E-, F- of G-label gesitueerd. In de stadsdelen Leidschenveen- Ypenburg, Loosduinen een Escamp is het aandeel woningen met EFG-labels kleiner. Verdiepingscijfers vanuit het BZK-Woononderzoek laten zien dat eigenaar-bewoners hun woningen isoleren en verduurzamen op ongeveer hetzelfde tempo als de corporaties.
De grootste uitdagingen doen zich dan ook voor in de wijken met relatief goedkoop particulier woningbezit. Daar zijn de kwaliteit van het verhuurderschap (hoge huren, misstanden) en de actieve VvE’s van andere orde dan in andere delen van de stad. We zien dat ook nadrukkelijk terug bij de ontwikkeling van de energielabels de afgelopen jaren, deze blijven in deze wijken sterk achter.
10
Energielabels woningen naar type label Wijken
© OpenStreetMap contributors A en hoger
B
C
D
E
F
G DHIC/RVO | 1 juli 2024
Het aandeel label E, F en G woningen in de stad neemt echter wel af, met name in de corporatiesector. In de particuliere voorraad is het aandeel slechte labels een stuk groter en gaat de afname minder hard. Van de 100.000 EFG-label woningen (eind 2022) in Den Haag is 56% een koopwoning, 31% particuliere huur en 13% sociale huur (Bron DHIC/CBS). Woningkwaliteit wordt verder mede bepaald door de staat van onderhoud en de gezondheid en veiligheid van het binnenklimaat van de woning. Uit onderzoek naar de kwaliteit van de Haagse woningvoorraad (RIS314780) blijkt dat ook hier sterke verschillen bestaan die verband houden met eigendomssituatie, bouwperiode en woningwaarde. Goedkope woningen in de particuliere huursector onderscheiden op veel aspecten ongunstig. Dat resulteert opnieuw in ruimtelijke verschillen binnen Den Haag.
3.6 Energiearmoede Energiearmoede is een samenspel van inkomen, energierekening, gebruik en de mate van woningisolatie. Het type woning speelt ook een rol. In Den Haag speelt de energiearmoede het meest in Schilderswijk, Laak, Transvaal, Rustenburg-Oostbroek en in in Zuidwest.
11
De gevolgen van de inval in Oekraïne hebben geleid tot ongebruikelijke schokken in de energieprijzen. Bestaande kwetsbaarheden in deze wijken zijn daardoor nog sterker aan de oppervlakte gekomen.
% Energiearme huishoudens naar wijk Niet van toepassing < 3,0 3,0 < 6,0 6,0 < 9,0 9,0 < 12,0 >= 12,0
© OpenStreetMap contributors
DHIC/TNO | 2022
3.7 Verhuizingen Wanneer er binnen een wijk veel verhuizingen plaatsvinden kan dat een signaal zijn dat de woningen of de woonomgeving niet tegemoet komen aan de wensen van veel mensen. Op basis van OZB-bestanden zijn in onderstaande kaarten de verhuizingen in kaart gebracht. Hier past wel een kanttekening: de motivatie voor de verhuizingen is niet bekend. Een hoog aantal verhuizingen kan ook het gevolg zijn van een nieuwbouwprogramma waardoor nieuwe woningen aan de wijk zijn toegevoegd. Maar het zou ook kunnen zijn dat bewoners er blijven wonen, omdat ze geen keuze of alternatief hebben om naar toe te verhuizen. Een grote verhuisdynamiek heeft meestal een minder gunstige invloed op de sociale cohesie binnen een gebied. In de afgelopen elf jaar (2011-2022) zien we in het totaalbeeld van het groeibeeld verhuizingen in de wijken een daling van het percentage verhuizingen in Bouwlust/Vrederust, Morgenstond, Moerwijk, Groente_ en fruitmarkt, Transvaalkwarier, Schildersbuurt, Van Stolkpark en Scheveningse Bosjes, Duindorp, Leidschenveen en Ypenburg. Een grote stijging meer dan 300% verhuizingen is te zien in Binckhorst. Deze stijging is te wijten aan de toevoeging van woningen aan de woningvoorraad in dit gebied.
12
Aantal verhuizingen Wijken
Aantal verhuizingen Wijken
© OpenStreetMap contributors
Niet van toepassing < 250 750 < 1.000
250 < 500 >= 1.000
500 < 750
DHIC/BRP/OZB (bew. GDH/DSO/SEPO) | 2012
© OpenStreetMap contributors
Onder drempelwaarde < 250 250 < 500 750 < 1.000 >= 1.000
500 < 750
DHIC/BRP/OZB (bew. GDH/DSO/SEPO) | 2022
Ontwikkeling aantal verhuizingen 32.000 28.000 24.000 20.000 16.000
2008
2010
2012
2014
2016
2018
2020
2022
DHIC/BRP/OZB (bew. GDH/DSO/SEPO) | 2008 - 2022
13
Groeipercentage verhuizingen t.o.v. 2011
© OpenStreetMap contributors daling
0 tot 50% stijging
50 tot 100% stijging
100 tot 300% stijging
meer dan 300% stijging DHIC/BRP/OZB (bew. GDH/DSO/SEPO) | 2022
Wanneer de totale woningvoorraad wordt opgesplitst in verhuizingen naar koopsector, particuliere huursector en corporatiesector, valt op dat in de afgelopen 10 jaar het aantal verhuizingen in de corporatiesector grofweg gelijk is gebleven. Met name de verhuizingen in de particuliere sector zijn in aantal bijna verdubbeld. De verhuizingen in de particuliere voorraad heeft zich naast het Laakkwartier en Spoorwijk en het Centrum uitgebreid naar verhuizingen in de omliggende wijken: Stationsbuurt, Stationsbuurt, Bezuidenhout, Rustenburg en Oostbroek, Valkenboskwartier en Regentessekwartier. De toename van het aantal verhuizingen hangt mogelijk samen met het aantal woningen die gekocht zijn om te verhuren (buy-to-let) en dure verhuringen. De toename van het aantal verhuizingen in meer wijken draagt mogelijk bij aan een afname van de sociale cohesie in deze wijken. We zien dit zowel in de ‘oude’ wijken met veel vooroorlogse bouw als in de nieuwbouw met een groot aandeel vrije sectorhuur terug. Dit is gerelateerd aan de hoge vrije sector huren (door buy-to-let en het ontbreken van de huurprijsregulering) waar mensen op zijn aangewezen bij een acute woonvraag, maar waarin mensen niet langer dan nodig willen blijven wonen. De volgende kaarten laten het aantal verhuizingen in 2012 en in 2022 zien in de koopsector, particuliere sector en corporatie sector.
Aantal verhuizingen koopsector Wijken
Aantal verhuizingen koopsector Wijken
© OpenStreetMap contributors
Niet van toepassing < 100 300 < 400
100 < 200 >= 400
200 < 300
DHIC/BRP/OZB (bew. GDH/DSO/SEPO) | 2012
© OpenStreetMap contributors
Onder drempelwaarde < 100 100 < 200 300 < 400 >= 400
200 < 300
DHIC/BRP/OZB (bew. GDH/DSO/SEPO) | 2022
14
Aantal verhuizingen particuliere huursector Wijken
© OpenStreetMap contributors
Niet van toepassing < 100 300 < 400
100 < 200 >= 400
200 < 300
DHIC/BRP/OZB (bew. GDH/DSO/SEPO) | 2012
Aantal verhuizingen corporatiesector Wijken
© OpenStreetMap contributors
Onder drempelwaarde < 100 100 < 200 300 < 400 >= 400
200 < 300
DHIC/BRP/OZB (bew. GDH/DSO/SEPO) | 2022
Aantal verhuizingen corporatiesector Wijken
© OpenStreetMap contributors
Onder drempelwaarde < 100 100 < 200 300 < 400 >= 400
Aantal verhuizingen particuliere huursector Wijken
200 < 300
DHIC/BRP/OZB (bew. GDH/DSO/SEPO) | 2012
© OpenStreetMap contributors
Onder drempelwaarde < 100 100 < 200 300 < 400 >= 400
200 < 300
DHIC/BRP/OZB (bew. GDH/DSO/SEPO) | 2022
3.8 Woonruimtetoewijzing Via de SVH (Sociale Verhuurders Haaglanden) worden kandidaten aan woningen toegewezen. In bijzondere gevallen kunnen woningzoekenden van gemeente Den Haag een urgentieverklaring krijgen. Deze ‘urgente woningzoekenden’ hebben voorrang bij woningtoewijzing door zelf te zoeken of via directe bemiddeling. Veel kwetsbare bewoners komen te wonen in wijken met een hoog percentage corporatiebezit. Dit komt onder andere doordat urgente woningzoekenden via woningtoewijzing terecht komen in het goedkoopste corporatiebezit. Het totale aantal geslaagde urgente woningzoekenden met een urgentieverklaring is tussen 2011 en 2021 per saldo afgenomen van 650 naar 288. In het eerste deel van deze periode is er voornamelijk sprake van een stijging van geslaagde urgente woningzoekenden en vanaf 2016 daalt dit aantal. Deze voortdurende afname van de laatste jaren komt mede door de aanscherping van de urgentieregeling per 1 juli 2019 en vanwege het feit dat er geen urgenties meer worden verleend aan statushouders. De wet is toen aangepast en de verplichte urgentie is afgeschaft. Sindsdien krijgen statushouders zonder urgentie direct een woning aangeboden van een woningcorporatie. Bijgaande kaarten tonen waar geslaagde woningzoekenden met urgentie een sociale huurwoning vonden.
Behalve een afname is ook een verschuiving te zien van de verdeling van urgenten in een aantal wijken. In de wijken Scheveningen, Bouwlust-Vrederust, Laakkwartier en Spoorwijk, Stationsbuurt en Mariahoeve-Marlot is een afname van de toewijzing van urgenten. In de wijk Loosduinen zien we een lichte toename.
15
Aantal geslaagde kandidaten met voorrang (via urgentie)
Aantal geslaagde kandidaten met voorrang (via urgentie)
© OpenStreetMap contributors
Onbekende waarde
< 10 40 < 50
10 < 20 >= 50
20 < 30
30 < 40
DHIC/Aanbodbestanden Den Haag | 2011
© OpenStreetMap contributors
Geen waarde bekend
< 10 40 < 50
10 < 20 >= 50
20 < 30
30 < 40
DHIC/Aanbodbestanden Den Haag | 2021
De geslaagde kandidaten in de primaire doelgroep slagen voornamelijk in de wijken met een groot aandeel corporatiebezit. In tien jaar zijn er geen significante verschillen zichtbaar. Naast deze cijfers in de overzichten is het aantal toewijzingen van convenantwoningen redelijk stabiel in 2020 en 2021. Deze toewijzingen en ook lokaal maatwerk zijn niet opgenomen in de tabellen van Den Haag in cijfers.
Aantal geslaagde kandidaten primaire doelgroep
© OpenStreetMap contributors
Onbekende waarde < 50 150 < 200
50 < 100 >= 200
100 < 150
DHIC/Aanbodbestanden Den Haag | 2011
Aantal geslaagde kandidaten primaire doelgroep
© OpenStreetMap contributors
Geen waarde bekend < 50 50 < 100 150 < 200 >= 200
100 < 150
DHIC/Aanbodbestanden Den Haag | 2021
16
4. Onderwijs 4.1 Inleiding Het begrip ‘segregatie’ meet de mate waarin twee of meer groepen mensen fysiek van elkaar gescheiden wonen binnen een stad of regio (zie Massey & Denton, 1988). Meestal gaat het hierbij om de relatieve concentratie van mensen die tot een bepaalde sociaal-economische categorie (denk aan inkomen, werkloosheid of opleidingsniveau) of herkomstgroep behoren binnen een bepaalde stadsbuurt. In een gesegregeerde buurt is een bepaalde groep oververtegenwoordigd ten opzichte van de rest van de stad. In een stad zonder segregatie zouden alle groepen exact gelijk zijn verspreid over de verschillende buurten. Naast ruimtelijke segregatie kan er ook sprake zijn van sociale segregatie. Het gaat dan over de mate waarin mensen uit verschillende groepen elkaar tegenkomen. Een voorbeeld hiervan kan zijn, hoe leerlingen van ouders met een hoog inkomen over scholen verdeeld zijn ten opzichte van leerlingen van ouders met een laag inkomen. De beschikbare indicatoren in Den Haag in Cijfers voor onderwijs brengen met name ruimtelijke segregatie in beeld. Daarnaast biedt landelijk onderzoek, zoals de Staat van het Onderwijs en bijbehorend technisch rapport over segregatie, aanknopingspunten voor rapportage over de mate van sociale segregatie in Den Haag en de ontwikkeling hiervan in de tijd.
Er is bewust voor gekozen niet alleen over kinderen en jongeren te rapporteren, maar ook over volwassenen. Aanleiding hiervoor is dat een deel van de indicatoren voor kinderen en jongeren gerelateerd zijn aan kenmerken van hun volwassen ouders. Voor volwassenen kunnen data over het opleidingsniveau en laaggeletterdheid iets zeggen over de ontwikkeling van het kind en de jongere. NB: Hierna wordt gesproken over lager, middelbaar en hoger opleidingsniveau. Dit sluit aan bij de indeling die het CBS hanteert. Het is een middel om groepen met elkaar te vergelijken omdat het een belangrijk onderscheidend kenmerk is. Er mag echter geen waardeoordeel aan ontleend worden alsof inwoners met een lager onderwijsniveau een minder waardevolle bijdrage leveren aan de samenleving dan inwoners met een hoger onderwijsniveau.
4.2 Wat valt op? Het percentage inwoners in Den Haag met een afgeronde hbo- of wo-opleiding ligt boven het landelijke gemiddelde. Wel is sprake van een ongelijke verdeling van opleidingsniveaus over de stad. Zo wonen mensen met een opleidingsachtergrond van max. basisonderwijs, vmbo b/k, vmbo g/t en mbo niveau 1 vaker in de stadsdelen Laak, Centrum en Den Haag Zuidwest. Dit zijn ook de stadsdelen waar de meeste kinderen wonen met een verhoogd risico op onderwijsachterstanden en het percentage inwoners dat laaggeletterd is, hoger is dan in de rest van de stad. Het onderwijs in Den Haag kampt al lange tijd met een groot tekort aan leraren. Scholen hebben in toenemende mate moeite om openstaande vacatures in te vullen en om vervanging te vinden wanneer leraren afwezig zijn. In oktober 2023 was het tekort aan leraren in het regulier basisonderwijs 21,8%. De tekorten in het speciaal basisonderwijs zijn gedaald, van 25,9% in 2022 naar 15% in 2023. Ook in het (voortgezet) speciaal onderwijs is sprake van een procentuele daling van 18,5% in 2022 naar 14,6% in 2023 (RIS317350). Het lerarentekort is ongelijk verdeeld over de stad. Met 32,2% is het lerarentekort het hoogst in het stadsdeel Laak, voor het vierde opeenvolgende jaar. De sterkste stijging van de tekorten is zichtbaar in stadsdeel Centrum. Daar is het tekort opgelopen tot 25,4%.
De stadsdelen Scheveningen en Loosduinen hadden op 1 oktober 2023 de laagste tekorten. Ook in het stadsdeel Centrum zijn de tekorten flink toegenomen. In oktober 2023 bereikte het lerarentekort daar een niveau van 25,4%. Alleen in het stadsdeel Scheveningen werd in 2023 een beperkte afname van het lerarentekort waargenomen in vergelijking met 2020. Daar waar de onderwijsachterstanden het grootst zijn, zijn de lerarentekorten het grootst. Gecombineerd met het voornemen van het kabinet om te bezuinigen op onderwijsachterstandsmiddelen, stelt ons dit voor een grote opgave. Voor het voortgezet onderwijs geldt voor alle grote steden dat er een trend zichtbaar is waarbij kinderen zonder migratieachtergrond en kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond in toenemende mate samen naar school gaan. Opvallend is dat in Amsterdam, Den Haag en Utrecht leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond vaak gescheiden naar school gaan van leerlingen met een westerse migratieachtergrond (0,35-0,46). In 2020 zou 70% van de leerlingen in het voortgezet onderwijs van school moeten wisselen om in de hele gemeente een gelijke verdeling van leerlingen te krijgen op basis van het opleidingsniveau van de ouders.
Kinderen uit de laagste inkomensgroep en de hoogste inkomensgroep gaan in Den Haag vaker dan in Rotterdam samen naar de middelbare school; ongeveer 60% zou van school moeten wisselen voor een evenredige verdeling. Kinderen uit midden- en lage inkomensgroepen gaan vaker met elkaar naar school, vooral in vergelijking met de gegevens over de basisscholen.
17
4.3 Volwassenen De mate waarin ouders geletterdheid zijn, kan invloed hebben op de taalontwikkeling van kinderen. Zo presteren kinderen van laaggeletterde ouders relatief vaker minder goed op school dan kinderen van ouders die wel geletterd zijn. Dat kan onder andere te maken hebben met de taalstimulering thuis. Ook andere factoren kunnen rol spelen in de ontwikkeling van een kind. Te denken valt aan het opgroeien met voldoende middelen of in armoede, met of zonder overgewicht, en in een veilige of onveilige thuissituatie. Deze en andere factoren worden genoemd in de Preventiematrix, ontwikkeld door het Nederlands Jeugdinstituut.
Opleidingsniveau Voor de inwoners van Den Haag geldt dat, in vergelijking met de rest van Nederland, een lager percentage volwassenen een opleidingsniveau heeft van mbo-niveaus 2, 3 of 4, havo of vwo-bovenbouw, of een propedeuse hbo of wo (middelbaar opgeleid), namelijk 34% ten opzichte van 42% landelijk. Den Haag kent naar verhouding wel meer inwoners met een hbo- of wo-opleiding (hoog opgeleid) of die niet in bezit zijn van een startkwalificatie. Een startkwalificatie vraagt ten minste om een havo of vwo-diploma of een mbo-diploma vanaf niveau 2. Over de gehele stad wonen volwassenen zonder startkwalificatie. Wel wonen deze mensen naar verhouding vaker in specifieke wijken of buurten zoals Den Haag Zuidwest en centrum.
% Opleidingsniveau
30%
36%
34%
26%
32%
42%
Den Haag Opleiding Laag
% Opleidingsniveau Laag Wijken
Nederland Opleiding Middelbaar
Opleiding Hoog DHIC/CBS | 2022
© OpenStreetMap contributors
Onder drempelwaarde
<7 7 < 14 >= 28
14 < 21
21 < 28
DHIC/CBS | 2022
Opleidingssegregatie De segregatie tussen mensen met verschillende opleidingsniveaus in Nederland is tussen 2009 en 2020 afgenomen. Dit geldt met name voor mensen tussen de 25 en 55 jaar die onderwijs voltooiden op het niveau van basisonderwijs, het vmbo, de eerste drie leerjaren van havo/vwo of de assistentenopleiding (mbo-1). Hun netwerken bestonden relatief steeds minder uit mensen met hetzelfde opleidingsniveau en meer uit mensen met een ander opleidingsniveau. In de G4 is de segregatie hoger dan gemiddeld in Nederland. Daarnaast zijn er verschillen tussen de G4-steden. In Den Haag is de segregatie gemiddeld het hoogst, gevolgd door Amsterdam. Inwoners van deze steden hebben relatief veel mensen in hun netwerk die hetzelfde opleidingsniveau hebben als zijzelf. Door de jaren heen is de opleidingssegregatie in Utrecht en Amsterdam vrijwel gelijk gebleven. In Den Haag en Rotterdam is de opleidingssegregatie daarentegen afgenomen.
18
Ontwikkeling opleidingssegregatiescore G4
0,27 0,25 0,23 0,21 0,19 0,17 0,15
2009
2010
2011
2012
2013
2014
Den Haag
Rotterdam
2015
2016
Amsterdam
Utrecht
2017
2018
2019
2020
DHIC/CBS | 2009 - 2020
Laaggeletterdheid In Den Haag is volgens de meest actuele cijfers (2016) naar schatting 24% van de bewoners tussen 16 en 65 jaar laaggeletterd. Dit is aanzienlijk hoger dan het landelijk gemiddelde (12%) en in de regio Haaglanden (19%). Ook is het percentage laaggeletterdheid in Den Haag hoger dan in andere G4-gemeenten; in Amsterdam is 18% van de inwoners laaggeletterd en in Rotterdam 21%. De verschillen tussen de Haagse stadsdelen zijn groot; zo is het percentage dat laaggeletterd is in stadsdeel Segbroek 4%, terwijl in stadsdeel Laak 50% van de inwoners laaggeletterd is. Momenteel vindt er nieuw internationaal en landelijk onderzoek (PIAAC) plaats, zoals ook in 2016 is gedaan. Uitkomsten worden verwacht in 2024. Hieruit kan desgewenst weer onderzoek volgen in Den Haag.
% Volwassenen dat laaggeletterd is Stadsdelen
% Laaggeletterdheid volwassenen
24%
Den Haag DHiC/CINOP | 2016
© OpenStreetMap contributors
Geen waarde bekend
<9
9 < 18 >= 36
18 < 27
27 < 36
DHiC/CINOP | 2016
4.4 Peuters en basisonderwijs In deze paragraaf besteden we aandacht aan kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 12 jaar. We behandelen indicatoren voor ruimtelijke segregatie, zoals achterstanden in spraak-taalontwikkeling, het risico op onderwijsachterstanden, het bereik van voorschoolse educatie en lerarentekort in het basisonderwijs. Voor sociale segregatie kijken we naar de Dissimilarity Index uit het technisch rapport van de Inspectie voor het Onderwijs.
19
Aantal peuters en basisschoolleerlingen in Den Haag Wijken Geen waarde bekend < 550 550 < 1.100 1.100 < 1.650 1.650 < 2.200 >= 2.200
© OpenStreetMap contributors
DHIC/CBS | 2023
Spraak-taal ontwikkeling Onderzoek van de Jeugdgezondheidszorg en GGD Haaglanden laat zien dat het percentage peuters met spraak-taalachterstanden lijkt toe te nemen. In Escamp, Centrum en Laak wonen bovengemiddeld veel kinderen met een vertraagde spraak-taalontwikkeling. Spraak-taalproblemen kunnen leiden tot minder schoolsucces en maatschappelijk functioneren belemmeren. De volgende grafiek geeft het percentage peuters weer met een vertraagde spraaktaalontwikkeling (STO) in het Nederlands en het percentage peuters dat geen tweewoordzinnen produceert tijdens het Wiechenonderzoek. Het formaat van de stip geeft het aantal peuters met achterstand weer. De stippellijnen geven het gemiddeld percentage kinderen aan in heel Den Haag met een vertraagde spraaktaalontwikkeling.
Lerarentekort Om goed onderwijs te kunnen bieden, zijn voldoende en vakbekwame leraren van groot belang. Het lerarentekort in het basisonderwijs wordt gemeten als percentage tekort aan leraren in fte ten opzichte van de totale formatie; in Den Haag is dit percentage in 2023 21,8% ofwel 689 fte. Het tekort bestaat voor het grootste deel uit verborgen vacatures; dit zijn vacatures die worden ingevuld door bijvoorbeeld onbevoegde leraren voor de klas te zetten.
20
% Tekort leraren en schoolleiding basisonderwijs
1 Loosduinen 2 Escamp 3 Segbroek 4 Scheveningen 5 Centrum 6 Laak 7 Haagse Hout 8 Leidschenveen-Ypenburg 0
2
4
6
8
10
12
14
% tekorten FTE leraren basisonderwijs
16
18
20
22
24
26
28
30
32
34
36
38
40
% tekort FTE schoolleiding basisonderwijs DHIC/CentERdata | 2023
De personeelstekorten zijn niet evenredig verspreid over de stadsdelen. Net als vorig jaar is het lerarentekort het hoogst in stadsdeel Laak met 32,2%. De laagste tekorten vinden we dit jaar in stadsdeel Scheveningen met 12,8%. In Leidschenveen-Ypenburg, Haagse Hout en Scheveningen is het tekort iets gedaald ten opzichte van vorig jaar. In de overige wijken zijn de tekorten toegenomen. De sterkste stijging van de tekorten is zichtbaar in de stadsdelen Centrum en Laak. De tekorten aan leraren en tekorten aan schoolleiders zijn niet op dezelfde manier verspreid over de stadsdelen. Zo heeft stadsdeel Laak het hoogste tekort aan leraren (32,2%) maar een relatief laag tekort aan schoolleiders (3,5%), eenzelfde verdeling is zichtbaar in stadsdeel Loosduinen. In Leidschenveen-Ypenburg is het schoolleiderstekort met 29,9% hoger dan het lerarentekort (17,6%). De vacaturemeting wijst uit dat de lerarentekorten toenemen naarmate de schoolweging hoger is. Voor de schoolleiderstekorten is dit in grote lijnen ook het geval. De hoogste schoolleiderstekorten zijn te vinden onder scholen met een hoge schoolweging. Schoolweging is een maat voor de complexiteit van een school, zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) op basis van de achtergrondkenmerken van leerlingen.
Hoe complexer de leerlingenpopulatie en hoe lager de verwachte leerresultaten van de school, hoe hoger de schoolweging.
Sociale segregatie in het basisonderwijs Een methode om aan te geven in hoeverre groepen met verschillende kenmerken elkaar tegenkomen op school is de Dissimilarity Index. Deze Dissimilarity Index kan een waarde tussen de nul en één aannemen, waarbij nul een volledig gelijke verdeling voorstelt; de verhoudingen op elke school zijn precies hetzelfde als in de gehele gemeente. Eén betekent dat elke school in het gebied alleen leerlingen heeft behorende tot één van de twee groepen, oftewel iedereen gaat alleen naar een school waar kinderen van de eigen groep naar toe gaan (volledige segregatie). Er is gerapporteerd over drie factoren: migratieachtergrond, ouderlijk opleidingsniveau en inkomen van ouders. Dissimilarity Index migratieachtergrond De Dissimilarity Index vergelijkt steeds twee groepen op basis van drie typen migratieachtergrond, te weten geen, niet-westers (een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië -exclusief Indonesië en Japan- of Turkije) en westers (een van de landen in Europa exclusief Turkije-, Noord-Amerika en Oceanië, en Indonesië en Japan). De segregatie van leerlingen zonder migratieachtergrond versus leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond is niet alleen iets van de grote vier steden, ook de kleinere steden laten over het algemeen gemiddelde segregatie waarden zien. De index in Den Haag is afgenomen, van 0,59 in 2015 naar 0,52.
Dat betekent dat 52 procent van de basisschoolleerlingen van school zou moeten wisselen om een gelijke spreiding op basis van migratieachtergrond te zien. Het indexcijfer ligt in Den Haag wel hoger dan in de andere grote steden (in 2020 Amsterdam 0,39, Rotterdam 0,4 en Utrecht 0,42). Kinderen met een westerse migratieachtergrond gaan iets vaker met kinderen zonder migratieachtergrond naar school in Den Haag (0,45 in 2020).
21
De indeling in drie typen migratieachtergrond brengt beperkingen met zich mee, aangezien er binnen deze groepen grote verschillen kunnen bestaan in migratiedoel, migratieduur en opleidingsniveau. Daarnaast wonen in Den Haag, anders dan in andere steden, een hoog aantal geprivilegieerden, die vaak niet meegenomen kunnen worden in data. Den Haag is verder thuisbasis van internationale scholen waar kinderen met een migratieachtergrond, zowel westers als niet-westers, gescheiden van kinderen zonder migratieachtergrond naar school gaan.
Dissimilarity Index basisonderwijs migratieachtergrond G4
0,60 0,50 0,40 0,30 0,20 0,10 0,00 Den Haag
Rotterdam nederlands - niet-westers
Amsterdam nederlands - westers
Utrecht
westers - niet-westers Onderwijsinspectie | 2020
Dissimilarity Index ouderlijk opleidingsniveau De Dissimilarity Index in het basisonderwijs voor leerlingen met hoger opgeleide ouders vergeleken met leerlingen met lager opgeleide ouders bedroeg voor Den Haag in 2015 0,72, in 2020 0,74. Dat betekent dat in 2020 74 procent van de leerlingen van basisschool zou moeten wisselen om in de hele gemeente een gelijke verdeling van leerlingen te krijgen op basis van het opleidingsniveau van de ouders. In de andere grote steden ligt deze index ook hoog, maar lager dan in Den Haag (Amsterdam 0,64, Rotterdam 0,65 en Utrecht 0,59).
22
Dissimilarity Index bao hoog-laag opgeleid G4
Den Haag
Rotterdam
Amsterdam
Utrecht
0,52 0,56 0,60 0,64 0,68 0,72 0,76 0,80
Onderwijsinspectie | 2020
Dissimilarity Index inkomen ouders De Dissimilarity Index in het basisonderwijs voor leerlingen met ouders met een hoog inkomen (hoogste 20%) vergeleken met leerlingen met ouders met een laag inkomen (laagste 20%) is in alle grote steden hoog (0,59-0,70), met 0,7 in 2020 is deze in Den Haag het hoogste (Amsterdam 0,59, Utrecht 0,6, Rotterdam 0,66). Dat geldt ook voor de segregatie op basis van inkomen tussen de groep middeninkomens en lage inkomens, 0,59 in 2015 en 0,52 in 2020.
Dissimilarity Index basisonderwijs inkomen G4 0,9 0,8 0,7 0,6 0,5 0,4 0,3 0,2 0,1 0,0 Den Haag
Rotterdam hoog - laag inkomen
Amsterdam hoog - midden inkomen
Utrecht
midden - laag inkomen Onderwijsinspectie | 2020
4.5 Voortgezet onderwijs In deze paragraaf aandacht voor kinderen in het voortgezet onderwijs. We behandelen indicatoren voor ruimtelijke segregatie, zoals scores op de eindtoets in het basisonderwijs, invloed van het opleidingsniveau van ouders op doorlopen van de middelbare school.
23
Voor sociale segregatie kijken we naar de Dissimilarity Index uit het technisch rapport schoolsegregatie 2022 van de Inspectie voor het Onderwijs.
Eindtoets basisonderwijs De Cito Eindtoetsscore geeft een indicatie van het best passende onderwijstype. De scores variëren tussen de 501 en 550. De gemiddelde eindtoetsscore was in 2021 in de Schilderswijk, Bouwlust/Vrederust en Moerwijk lager dan 532. Een eindtoetsscore van 532 past meestal bij het vervolgen van het onderwijs via een basisberoepsgerichte leerweg, kaderberoepsgerichte leerweg, of de gemengde kader/theoretische leerweg. In vier wijken, waaronder Benoordenhout, de Archipelbuurt en de Vogelwijk, lag de gemiddelde score in 2021 op de eindtoets hoger dan 538. Met deze gemiddelde score gaan de meeste kinderen naar de havo of het vwo.
Gemiddelde score eindtoets basisonderwijs CITO Wijken Niet van toepassing < 530,0 530,0 < 532,0 532,0 < 534,0 534,0 < 536,0 >= 536,0
© OpenStreetMap contributors
DHiC/KIS Wijkmonitor | 2021
Risico op onderwijsachterstanden Het CBS stelt jaarlijks op verzoek van het ministerie van OCW de zogenaamde armoede-probleem-cumulatie gebieden (APCG) vast. Deze gebieden worden aan de hand van vier cijfers van de postcode ingedeeld. Een postcodegebied is een armoede-probleemcumulatie gebied wanneer het postcodegebied een relatief hoog aandeel huishoudens met een laag inkomen heeft, een relatief hoog aandeel huishoudens heeft met een uitkering als voornaamste inkomen en een relatief hoog aandeel huishoudens heeft met een hoofdkostwinner met een niet-westerse migratieachtergrond. In 2022 waren 13.074 leerlingen in het Haagse voortgezet onderwijs APCG-leerling; dit is een aandeel van 43,8% van het totaal aantal leerlingen in het VO. Na 2022 zijn er geen APC-gebieden meer vastgesteld door het CBS.
% APCG leerlingen Voortgezet onderwijs
43,8%
Den Haag DHIC/Min. v. OCW/DUO | 2022
24
8.000
16.696
12.239
12.000
16.520
16.000
16.773
12.095
20.000
13.074
(APCG) leerlingen voortgezet onderwijs Den Haag
4.000 0 2020
2021
geen APC leerling
2022 APC leerling
DHIC/Min. v. OCW/DUO | 2020 - 2022
Sociale segregatie in het voortgezet onderwijs Een methode om aan te geven in hoeverre groepen met verschillende kenmerken elkaar tegenkomen op school is de Dissimilarity Index. Deze Dissimilarity Index kan een waarde tussen de nul en één aannemen, waarbij nul een volledig gelijke verdeling voorstelt; de verhoudingen op elke school zijn precies hetzelfde als in de gehele gemeente. Eén betekent dat elke school in het gebied alleen leerlingen heeft behorende tot één van de twee groepen, oftewel iedereen gaat alleen naar een school waar kinderen van de eigen groep naar toe gaan (volledige segregatie). Er is gerapporteerd over drie factoren: migratieachtergrond, ouderlijk opleidingsniveau en inkomen van ouders.
Dissimilarity Index migratieachtergrond De Dissimilarity Index vergelijkt steeds twee groepen op basis van drie typen migratieachtergrond, te weten geen, niet-westers (een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië -exclusief Indonesië en Japan- of Turkije) en westers (een van de landen in Europa exclusief Turkije-, Noord-Amerika en Oceanië, en Indonesië en Japan). Nederlands - niet-Westers; De segregatie van leerlingen zonder migratieachtergrond versus leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond is het hoogst in de vier grote steden (0,46-0,54). Voor de grote steden lijkt in de afgelopen 5 jaar een (licht) dalende trend of stabilisatie zichtbaar. In Den Haag was de index in 2015 0,52, in 2020 0,54. Dat betekent dat 54 procent van de leerlingen van school zou moeten wisselen om een gelijke spreiding te krijgen. Westers - niet-westers In Amsterdam, Den Haag en Utrecht gaan leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond niet alleen gescheiden naar school ten opzichte van leerlingen zonder migratieachtergrond, maar er is ook sprake van gemiddelde segregatie met leerlingen met een westerse migratieachtergrond (0,35-0,46). Dat zou onder andere te maken kunnen hebben met het aanbod van internationaal onderwijs in deze steden, maar daarvoor is meer onderzoek nodig.
In Amsterdam is voor deze vergelijking sprake van grotere segregatie (0,46 in 2020) dan in Den Haag (0,36 in 2020)
25
Dissimilarity Index vo migratieachtergrond
Den Haag
Rotterdam
Amsterdam
Utrecht
0,00
0,10
0,20
0,30
nederlands - niet-westers
0,40
0,50
0,60
westers - niet-westers Onderwijsinspectie | 2020
Dissimilarity Index ouderlijk opleidingsniveau De Dissimilarity Index in het voortgezet onderwijs voor leerlingen met hoger opgeleide ouders vergeleken met leerlingen met lager opgeleide ouders bedroeg voor Den Haag in 2015 0,69, in 2020 0,70. Dat betekent dat in 2020 70 procent van de leerlingen in het voortgezet onderwijs zou moeten wisselen om in de hele gemeente een gelijke verdeling van leerlingen te krijgen op basis van het opleidingsniveau van de ouders. Dat is een iets lager aandeel dan in het basisonderwijs. In de andere grote steden ligt de index ook hoog, maar (iets) lager dan in Den Haag (in 2020 Amsterdam 0,68, Rotterdam 0,67 en Utrecht 0,63).
Dissimilarity Index vo hoog-laag opgeleid G4
Den Haag
Rotterdam
Amsterdam
Utrecht
0,55 0,58 0,61 0,64 0,67 0,70 0,73 0,760,79
Onderwijsinspectie | 2020
Dissimilarity Index inkomen ouders De Dissimilarity Index in het voortgezet onderwijs voor leerlingen met ouders met een hoog inkomen (hoogste 20%) vergeleken met leerlingen met ouders met een laag inkomen (laagste 20%) is in alle grote steden gemiddeld tot hoog (0,54-0,61), met 0,6 in 2020 is deze in Den Haag net iets lager dan in Rotterdam (Amsterdam 0,57, Utrecht 0,54, Rotterdam 0,61). De segregatie is laag als de groep
26
middeninkomens en lage inkomens bekeken worden, 0,32 in 2015 en 0,29 in 2020. Dit is beduidend lager dan de segregatie in het basisonderwijs voor deze groepen.
Dissimilarity Index voortgezet onderwijs inkomen G4 0,8 0,7 0,6 0,5 0,4 0,3 0,2 0,1 0,0 Den Haag
Rotterdam hoog - laag inkomen
Amsterdam hoog - midden inkomen
Utrecht
midden - laag inkomen Onderwijsinspectie | 2020
Voortijdig schoolverlaten Voortijdig schoolverlaters (VSV) zijn jongeren van 12 tot 23 jaar die het onderwijs hebben verlaten zonder startkwalificatie. Een startkwalificatie is een diploma op minimaal havo/vwo niveau of mbo-niveau 2. Een deel van de jongeren in Den Haag verlaat het voorgezet onderwijs of mbo zonder startkwalificatie. Dit komt in Den Haag (en de andere grote steden) vaker voor dan in heel Nederland. Vergelijking van de Haagse VSV-percentages naar wijk laat zien dat de percentages uiteenlopen, met bijvoorbeeld een percentage van minder dan 1% in de Vogelwijk en een percentage van 4% in de Stationsbuurt en Duindorp. Jongeren zonder startkwalificatie hebben een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt. Als zij werken is dat veelal in tijdelijk dienstverband of flexwerk.
% (nieuwe) voortijdig schoolverlaters
% (nieuwe) voortijdig schoolverlaters Wijken
4,0% 3,2% 2,4% 1,6% 0,8% 0,0% 2018
2019 Den Haag
2020
2021
2022
Nederland DHIC/Min. v. OCW/DUO | 2018 - 2022
© OpenStreetMap contributors
Onder drempelwaarde < 0,8 0,8 < 1,6 2,4 < 3,2 >= 3,2
1,6 < 2,4
DHIC/Min. v. OCW/DUO | 2022
27
5. Werk en inkomen 5.1 Inleiding Het begrip ‘segregatie’ meet de mate waarin twee of meer groepen mensen fysiek van elkaar gescheiden wonen binnen een stad of regio (zie Massey & Denton, 1988). Meestal gaat het hierbij om de relatieve concentratie van mensen die tot een bepaalde sociaaleconomische categorie (denk aan inkomen, werkloosheid of opleidingsniveau) of herkomstgroep behoren binnen een bepaalde stadsbuurt. In een gesegregeerde buurt is een bepaalde groep oververtegenwoordigd ten opzichte van de rest van de stad. In een stad zonder segregatie zouden alle groepen exact gelijk zijn verspreid over de verschillende buurten. Naast ruimtelijke segregatie kan er ook sprake zijn van sociale segregatie. Het gaat dan over de mate waarin mensen uit verschillende groepen elkaar tegenkomen. Een voorbeeld hiervan kan zijn, hoe inwoners met een bepaald inkomen vooral omgaan met andere inwoners met eenzelfde inkomen. Op het gebied van Werk en Inkomen kijken we voornamelijk naar gemiddelde inkomens per wijk en de arbeidsparticipatie.
5.2 Wat valt op? Den Haag is een gesegregeerde stad wanneer er gekeken wordt naar inkomensverschillen per wijk. Er zijn wijken waar de inkomens ver boven het landelijke gemiddelde uitstijgen maar met name in Den Haag Zuidwest is er een verhoogd aandeel inwoners die niet rond kunnen komen en afhankelijk zijn van de overheid om een bestaansminimum op te bouwen. De effecten van de energiecrisis en de oplopende inflatie hebben permanent effect op de inwoners van Den Haag. In alle wijken is een duidelijke toename te zien van het aantal mensen dat moeite heeft om rond te komen. Dit is gebaseerd op de cijfers van 2022 en de verwachting is dat in de komende periode dit beeld zich zal herstellen.
5.3 Segregatie index (zeer) laag inkomen De segregatie index laag en zeer laag inkomen meet het percentage inwoners met een laag inkomen dat zou moeten verhuizen om een gelijke spreiding van lage inkomens in de stad te realiseren en vergelijkt die met de overige G4 gemeenten. Uit dit onderzoek komt naar voren dat Den Haag op het gebied van de laag en zeer lage inkomens gesegregeerder is dan Amsterdam, Utrecht en Rotterdam. Wanneer we de trends bekijken blijkt in Den Haag in 2014 de segregatie index te pieken en sindsdien nemen de verschillen af.
Ontwikkeling segregatie-index (zeer) laag inkomen Den Haag
Segregatie-index (zeer) laag inkomen G4
30
Den Haag
28 26
Rotterdam
24 Amsterdam
22 20
Utrecht 2007
2009
2011
2013
2015
2017
2019
2021
Segregatie-index laag inkomen (0-40%) Segregatie-index zeer laag inkomen (0-20%) DHIC/CBS (IVV) | 2007 - 2021
0
2
4
6
8 10 12 14 16 18 20 22 24 26 2830
zeer laag inkomen (0-20%)
laag inkomen (0-40%) DHIC/CBS (IVV) | 2021
5.4 Besteedbaar inkomen huishoudens 28
5.4 Besteedbaar inkomen huishoudens De verschillen in het gemiddelde besteedbare inkomen zijn groot in Den Haag. In 2021 varieerde dit van 25.200 euro in de buurt Zuiderpark tot 108.900 euro in de buurt Bosweide. Het Haags gemiddelde ligt op 46.300 euro. Een laag inkomen hangt samen met een slechte gezondheid, met schulden en er is bovendien sprake van generationele armoede (armoede van generatie op generatie). In de wijken Moerwijk, Schildersbuurt en Morgenstond ligt het gemiddeld besteedbaar inkomen onder de 35.000 euro. Wanneer we het gemiddeld besteedbaar inkomen vergelijken met 2011 is zichtbaar dat over de hele linie de inkomens in Den Haag verhoogd zijn. Hierbij moet wel aangemerkt dat er in Nederland in 2011 een economische crisis was.
Gem. besteedbaar part. huishoudens inkomen (euro) naar buurt
Gem. besteedbaar part. huishoudens inkomen (euro) naar buurt
© OpenStreetMap contributors
Niet van toepassing < 20.000 30.000 < 40.000 40.000 < 50.000 >= 60 000
20.000 < 30.000 50.000 < 60.000 DHIC/CBS (IVV) | 2011
© OpenStreetMap contributors
Niet van toepassing < 20.000 30.000 < 40.000 40.000 < 50.000 >= 60 000
20.000 < 30.000 50.000 < 60.000 DHIC/CBS (IVV) | 2021
5.5 Minimahuishoudens In Den Haag heeft 18 procent van de huishoudens een inkomen tot 130 procent van het beleidsmatige minimum. De minima huishoudens concentreren zich in bepaalde wijken. Zo behoort 42 procent van de huishoudens in de Schilderwijk tot de minima en slechts 1 procent in de Vogelwijk.
Kinderen in minimahuishoudens In heel Nederland leeft 11 procent van de kinderen in een huishouden met een inkomen tot 130 procent van het minimum, in Den Haag is dat percentage 19 procent. Opnieuw zijn de verschillen binnen Den Haag groot van 41 procent in de Schilderswijk en 1 tot 2 procent in de Vogelwijk en Willemspark. Ook in Moerwijk (38%), Centrum en de Stationsbuurt (33%), Bouwlust en Vrederust (32%), Morgenstond (31%), wonen verhoudingsgewijs veel kinderen in minimahuishoudens.
Aantal huishoudens met inkomen <130%
% Huishoudens met inkomen <130% met kinderen
© OpenStreetMap contributors
Geen waarde bekend < 500 1.500 < 2.000
500 < 1.000 >= 2.000
1.000 < 1.500
DHIC/GDH/SZW + CBS (Armoedemonitor) | 2021
© OpenStreetMap contributors
Geen waarde bekend
< 14 14 < 16 >= 20
16 < 18
18 < 20
DHIC/GDH/SZW + CBS (Armoedemonitor) | 2021
29
Gebruik inkomensondersteunende voorzieningen Van de huishoudens die recht hebben op inkomensondersteunende voorzieningen maakt in Den Haag in (2021) 79 procent gebruik van ten minste een van deze voorzieningen. Het gebruik is uiteraard groter in de wijken met de meeste minima (89 procent van de minima in de Schilderwijk. Het is verhoudingsgewijs lager in de wijken met minder minima, maar ook daar krijgt ten minste 42 procent van de rechthebbende huishoudens ondersteuning). Het bereik van de minimavoorzieningen blijft sinds 2017 min of meer gelijk in Den Haag.