CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS320060 Aanvulling op de toelichting Zichten 2 3 en 7

Gemeenteraad 18 december 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Vaststelling bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (RIS320060)15.240 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

1.1. Aanleiding voor het bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 ligt binnen de wijk Bouwlust-Vrederust, een gebied in Den Haag Zuidwest waar al jaren grote, meervoudige sociaaleconomische problematiek heerst. Om een positieve verandering te brengen aan deze problematiek heeft de Gemeente Den Haag de ambitie om via een integrale aanpak in Den Haag Zuidwest een 'kanteling' op gang te brengen: van de verslechtering van de afgelopen decennia naar een opwaartse spiraal van verbeteringen. Deze kanteling wordt op gang gebracht door de sociale en economische positie van de bewoners uit Zuidwest te versterken en de leefbaarheid en het draagvlak voor voorzieningen te vergroten. Dit wordt onder andere mogelijk gemaakt door het aantal beschikbare woningen in het gebied te vergroten, de openbare ruimte op een gezonde manier in te richten en een mobiliteitstransitie op gang te brengen. Met het opstellen van bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 wordt verdere uitvoering gegeven aan de wens tot verdere ontwikkeling in Den Haag Zuidwest. De toevoeging in het plangebied van zowel koop- als huurnieuwbouwwoningen in sociale-, middeldure- en dure segmenten, het bieden van commerciële en maatschappelijke voorzieningen, alsmede voldoende parkeergelegenheid, begunstigt de buurteconomie, de levendigheid op straat en de mobiliteitstransitie.

Mensen krijgen immers de kans in de eigen buurt werk te vinden zonder dat ze daar met de auto heen hoeven. Op deze wijze wordt met dit bestemmingsplan ingezet op een positieve bijdrage aan de identiteit en het imago van de wijk. Omdat het vigerende bestemmingsplan niet toereikend is om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, wordt met het voorliggende bestemmingsplan het kader voor de ontwikkeling vastgelegd. Het project is gelegen in het stadsdeel Escamp (Den Haag Zuidwest), in het geldende bestemmingsplan Bouwlust. Tot slot is bij het opstellen van dit plan rekening gehouden met het Ambitiedocument Dreven, Gaarden, Zichten en de Nota van Uitgangspunten Zichten.

1.4.1 Geldend bestemmingsplan

2.2 Ontstaansgeschiedenis Den Haag Zuidwest De structuur van Den Haag Zuidwest is geënt op de geomorfologische ondergrond van Den Haag met lange ontginningslijnen parallel aan de kust en dwars daarop gelegen verbindingen loodrecht op de kust. Tezamen vormen die de voor Zuidwest kenmerkende gridstructuur. Binnen deze herkenbare structuur werd het stedenbouwkundige gedachtengoed van de 'wijkgedachte' in de praktijk gebracht. Herkenbare woonwijken met een heldere hiërarchie in buurt-, wijk- en stadsdeelvoorzieningen. Na de Tweede Wereldoorlog is Den Haag Zuidwest opgezet als een stadswijk met 'licht, lucht en ruimte' voor de middenklasse. De nieuwe wijken moesten voldoen aan nieuwe inzichten op het gebied van stedenbouw en volkshuisvesting. De opzet van de woonwijken werd ruimer, opener en groener in vergelijking met vooroorlogse stadsuitbreidingen. Ook de kwaliteit van de woningen ging met grote sprongen vooruit. Bouwlust-Vrederust Stadsplanner Willem Dudok ging in zijn structuurplan voor Groot 's-Gravenhage uit 1949/1959 uit van vier woonwijken: Morgenstond, Bouwlust, Berestein en Vrederust. Deze wijken kwamen ten westen van Moerwijk te liggen. Om voldoende ruimte tussen het Westland en Den Haag te houden is de wijk Berestein gehalveerd en later toegevoegd aan Bouwlust. De Beresteinlaan werd niet volgens Dudoks plan doorgetrokken tot Loosduinen maar tot de Meppelweg.

Hiermee verviel Dudoks opzet van vier gelijkwaardige buurten met de HengelolaanBeresteinlaan als hart van dit deel van Den Haag Zuidwest. Het uitgewerkte ontwerp voor Bouwlust is van Frits van der Sluys uit 1952, dat is gebaseerd op een rechthoek waarbij verkeerswegen de wijk in negen buurten verdeelt. In 1953 startte de aanleg van de straten binnen Bouwlust-Vrederust. Vanwege de kritiek op het monotone Morgenstond besloot de gemeente de uitwerking van de buurten in handen te geven van een werkgroep van architecten. De wijk is door de verschillende individuele ontwerpen opgebouwd uit vele kleine ruimtelijke eenheden, die zich in opbouw en architectuur van elkaar onderscheiden. Bouwlust-Vrederust is daardoor

gevarieerder dan Morgenstond. De eerste woningen in de wijk zijn omstreeks 1956 opgeleverd. Ruim 10 jaar later was de wijk voltooid. Bouwlust heeft door de samenvoeging van Berestein en Bouwlust een onduidelijk en langgerekt centrum gekregen, dat zich uitstrekt van het winkelcentrum De Stede tot aan het winkelcentrum aan de Beresteinlaan. De buurtwinkels liggen op pleintjes midden in de buurten. Tussen Morgenstond en Bouwlust-Vrederust is een brede strook met sportvelden en moestuinen te herkennen. Deze strook was gereserveerd voor een toekomstige spoorweg en autosnelweg, die er nooit zijn gekomen. Plangebied - De Zichten 2,3 en 7 De buurt De Zichten is gebouwd tussen 1956 – 1959 en is als een stedenbouwkundige eenheid opgezet. De buurt bestaat uit hoofdzakelijk vierlaagse portiekwoningen langs de randen met daarbinnen laagbouw in korte strokenverkaveling. Centraal in de buurt ligt een cluster van wijkvoorzieningen, drie vierlaagse portiekflats met winkels, bedrijfsruimten en enkele garageboxen op de begane grond, een kerk en een verzorgingstehuis. Het verzorgingstehuis Vijverzicht heeft 10 jaar leeg gestaan voordat het in 2009 een tweede leven kreeg als hotel. Op dit moment wordt het voornamelijk bewoond door Oost-Europese arbeidsmigranten. Langs de Vrederustlaan staat de Shalomkerk: een gemeentelijk monument.

De kerk is iets achter de rooilijn geplaatst en opgetild boven het maaiveld waardoor de monumentaliteit van het gebouw wordt benadrukt en voor voetgangers een entree van de buurt vormt. Deze kerk markeert de hoek die de singel hier maakt. 2.3.3 Groen Groen en water bepalen in belangrijke mate het beeld van Zuidwest. Er zijn royaal gedimensioneerde straatprofielen met veel ruimte voor bomenrijen en singels met groene oevers. Het plangebied ligt aan één van de kenmerkende straatprofielen voor Zuidwest, namelijk de Hengelolaan. De openbare groenstructuur in Zichten 2, 3 en 7 ligt met name aan de randen, waar ook het meeste collectieve groen op uitkomt. Deze randen hebben, mede door aangrenzende achterkanten van de woningen niet voldoende verblijfskwaliteit. Aan één zijde ligt Zichten 2, 3 en 7 aan het eerdergenoemde groene assenkruis met de ecologische verbindingszone. Deze grote groenstructuur van Zuidwest is vanuit Zichten 2, 3 en 7 nu niet direct bereikbaar door het ontbreken van verbindingen en aanwezigheid van een hek. Het interne netwerk van bomenlanen binnen Zichten 2, 3 en 7 is duidelijk aanwezig. Veel bomen zijn nog in goede staat. 2.3.5. Bodem De bodemopbouw van het projectgebied bestaat uit een afwisseling van klei-, veen- en zandlagen. Het projectgebied bevindt zich in zone B2 (bebouwd gebied op veen) van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Den Haag.

In deze zone kunnen verontreinigingen met zware metalen, PAK en PCB tot boven de achtergrondwaarde (AW 2000) voorkomen. De voorgenomen herinrichting van de openbare ruimte omvat ook het aanbrengen van riolering en andere kabels en leidingen, waarvoor grondverzet nodig is. Binnen het plangebied zijn er geen bekende bodemverontreinigingen. Bij grondverzet moet echter een milieuonderzoek worden uitgevoerd. Dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 4.7 van de toelichting op het bestemmingsplan. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de kwaliteit van de grond, inclusief asbest en PFAS, en het grondwater op de onderzoek locatie. 2.3.6. Kabels en leidingen In het plangebied liggen diverse kabels en leidingen in de grond voor huisaansluitingen. Dit betreft de gebruikelijke infrastructuur: gas, midden- en laagspanningskabels (elektriciteit), verschillende datakabels (coax, telefonie, glasvezel) en waterleidingen. Daarnaast zijn er leidingen voor warmte- en koudeopslag (WKO), die bedoeld zijn voor de aansluiting van deelplannen 2 en 3, evenals de riolering.

Binnen en direct rondom het plangebied bevinden zich geen kabels of leidingen van gemeentelijke of bovengemeentelijke betekenis. 2.4.1 Gemengd In Zichten 7 bestaan er in de huidige situatie 21 woningen en is 750 m2 BOG/MOG aan voorzieningen. 3.2.4.1 Structuurvisie Den Haag Zuidwest De structuurvisie Den Haag Zuidwest is op 14 december 2023 (RIS 315261) vastgesteld door de gemeenteraad. Deze structuurvisie vormt het inhoudelijk kader voor het bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7. Het biedt een integrale langetermijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van Zuidwest en omvat een groen ruimtelijk raamwerk, een mobiliteitsstrategie, de programmering van economische functies en woningbouw, een voorzieningenprogramma en duurzaamheid. Daarnaast bepaalt de structuurvisie de contouren van de programmatische opgave van de deelgebieden en waarborgt de visie de verbinding en onderlinge samenhang van ingrepen en projecten. Het document anticipeert op de Omgevingswet door aandacht te besteden aan thema’s die de gehele fysieke leefomgeving betreffen, zoals klimaat, energie, veiligheid en gezondheid. Het basisdocument voor de structuurvisie is de gebiedsverkenning Bestemming Zuidwest (RIS 302569). De structuurvisie schetst een beeld van hoe Den Haag Zuidwest er in 2040 uitziet: vitale, gezonde wijken met diverse woonmilieus, goede voorzieningen en een bloeiende wijkeconomie.

De wijken zijn levendig, veilig, duurzaam, groen, goed bereikbaar en verbonden met de stad en directe omgeving. Dit vraagt om een aanpak die verder gaat dan ruimtelijke herinrichting. Thema’s zoals werkgelegenheid, huisvesting, veiligheid, gezondheid, burgerparticipatie en sociale cohesie zijn onderdeel van deze nieuwe wijkaanpak: een brede programmatische benadering die leidt tot een krachtige aanpak voor Den Haag. De gemeente wil hieraan werken in allianties en samen met de bewoners. Met dit bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan de eerdergenoemde ambities. 3.6.2 Gemeentelijk beleid Toets aan parkeernormen

De bouwblokken gelegen tussen het Ruimzicht en Sportzicht worden voor alle modaliteiten ontsloten via het Ruimzicht. Voor voetgangers is het mogelijk om via de groene wiggen naar de entree van de woning te lopen. Deze groene wiggen zijn niet toegankelijk voor (brom)fietsers, scooters, autoverkeer en bezorgdiensten. Zij moeten het stuk tussen het Ruimzicht en entrees van de woongebouwen lopend afleggen. Tussen de wijk De Zichten en het Sportpark Escamp worden langzaam verkeerroutes aangelegd om de bereikbaarheid van het Sportpark te verbeteren en gezond bewegen te stimuleren. Om de bereikbaarheid van de tramhalte aan de Melis Stokelaan te verbeteren wordt een fietspad richting de halte gerealiseerd. De tramhalte Melis Stokelaan en bushalte Hengelolaan zijn bereikbaar via het Ruimzicht. Het voetpad langs de ecologische zone komt te vervallen. De fietsenstallingen voor bewoners komen op de begane grond en zijn goed toegankelijk. De entrees van deze fietsenbergingen worden zoveel mogelijk direct aan het Ruimzicht of aan een fietspad gerealiseerd. Door adviesbureau Goudappel is een rapport opgesteld waarmee voor in het bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 een onderbouwing van het aantal benodigde parkeerplaatsen is gegeven en de haalbaarheid daarvan wordt aangetoond.

Op grond van de daarin uitgevoerde berekeningen wordt geconcludeerd dat er binnen het plangebied voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden. Dit rapport is opgenomen als bijlage 16 bij de

toelichting. In het rapport is te lezen dat het parkeren voor bewoners en bezoekers van de nieuwbouw plaatsvindt in gebouwde parkeervoorzieningen. Een klein deel van de bewoners parkeert in een gebouwde parkeervoorziening op het middenterrein. De overige bewoners en hun bezoekers parkeren op afstand in een centraal parkeergebouw aan Het Zicht. Ook de bezoekers van het nieuwbouwwoningen aan het Steenzicht gaan parkeren in dit centrale parkeergebouw. Daarnaast wordt deelmobiliteit ingezet wat conform de gemeentelijke rekenregels leidt tot een reductie van de parkeerbehoefte. Binnen Zichten 2 en 3 wordt ingezet op totaal 4 deelauto’s. Dit betekent een reductie van 5,4% op de parkeerbehoefte van bewoners. Conform het bestemmingsplan mag in het geval van gereguleerd parkeren worden ingezet op een reductie van maximaal 30% als gevolg van de inzet van deelmobiliteit en zonder gereguleerd parkeren is de reductie maximaal 15%. Binnen deze grenzen wordt met de inzet van 4 deelauto’s gebleven. Deze deelmobiliteit komt in de gebouwde parkeervoorziening op het middenterrein om de loopafstanden zo kort mogelijk te houden. Er is sprake van een sluitende parkeerbalans. In onderstaande tabel is de parkeerbehoefte van bewoners berekend en afgezet tegen het aantal beschikbare parkeerplaatsen op eigen terrein. Binnen de parkeervoorziening geldt geen dubbelgebruik van parkeerplaatsen.

De aantallen woningen en parkeerplaatsen kunnen gedurende de planvorming nog wijzigen, het uitgangspunt is wel dat de parkeerbehoefte altijd volledig op eigen terrein moet worden opgelost. Uit bovenstaande tabel blijkt dat voor bewoners binnen het plan op basis van de gemeentelijke parkeernormen afgerond 298 parkeerplaatsen benodigd zijn. Als gevolg van de inzet van deelmobiliteit (deelauto’s) wordt conform de rekenregels uit het bestemmingsplan de parkeerbehoefte gereduceerd. Op basis van een inzet van 4 deelauto’s wordt de parkeerbehoefte in totaal met 5,4% gereduceerd. Voor bewoners zijn daarmee 285,53 parkeerplaatsen benodigd, terwijl 65 parkeerplaatsen binnenplans in de parkeervoorzieningen zijn gepland. Dit betekent dat de resterende parkeerbehoefte van bewoners van 220,53 parkeerplaatsen in de openbare parkeergarage moet worden opgelost. In onderstaande tabel is de parkeerbehoefte voor bezoekers berekend. Voor bezoekers zijn 107 parkeerplaatsen benodigd.

De bezoekers maken gebruik van openbare parkeerplaatsen. Dit zijn dezelfde parkeerplaatsen als de bewoners en bezoekers in de oorspronkelijke situatie. Wel komen ten behoeve van de inrichting van de openbare ruimte 70 openbare parkeerplaatsen te vervallen. Hier dient rekening mee gehouden te worden. Dit meegenomen blijkt uit onderzoek dat de bezoekers van de beoogde ontwikkeling meer nodig hebben dan de functies en de compensatie van de vervallen parkeerplaatsen. Op het maatgevende moment (zaterdagmiddag) zijn 102 parkeerplaatsen meer benodigd. Dat zijn 5 parkeerplaatsen minder dan de gemeentelijke parkeernormen. Er wordt dus voldaan aan de parkeernorm voor bezoekers. Binnen het plangebied is een openbare parkeergarage met 300 tot 400 parkeerplaatsen voorzien. In deze parkeergarage wordt zowel de resterende bewonersparkeerbehoefte als bezoekersparkeerbehoefte opgelost. Hierbij geldt dat binnen de parkeergarage dubbelgebruik van parkeerplaatsen mogelijk is. Om de parkeerbehoefte sluitend te krijgen zijn er in de openbare parkeergarage minimaal 281 parkeerplaatsen benodigd. Met de mogelijkheid om een parkeervoorziening van 300 tot 400 parkeerplaatsen te realiseren kan in voldoende parkeerplaatsen worden voorzien. Conclusie Op basis van voorgaande berekening is het binnen het plangebied mogelijk om voldoende parkeerplaatsen te realiseren.

Het invoeren van parkeerregulering heeft geen effect op het resultaat van deze berekening. Er moeten minimaal 281 parkeerplaatsen worden gerealiseerd in de parkeergarage. De parkeergarage die binnen het bestemmingsplan past voorzie daar ruim is. Bij een parkeergarage met 300 tot 400 parkeerplekken zal er dus een overcapaciteit ontstaan. Deze overcapaciteit kan in de planvorming van Zichten 4, 5 en 6 worden benut. De parkeerplaatsen dienen tijdig te worden gerealiseerd voor de oplevering van de woningen en andere functies zodat parkeren in het parkeergebouw ook verzekerd is.

3.8.1.1 Kleinschalige bedrijvigheid Het ondersteunen en faciliteren van beginnende en kleinschalige bedrijvigheid vormt de kern van het economische beleid in de wijken. Vergroting van het aanbod aan kleinschalige bedrijfsruimte vormt daarbij een prioriteit. Daarvoor is het Actieprogramma Kleinschalige Bedrijfsruimte opgesteld (RIS181978). Met dit actieprogramma wordt ingezet op de realisatie van kleinschalige bedrijfshuisvesting. Om de ondernemers die actief zijn in de ambachtelijke bedrijfsactiviteiten zo goed als mogelijk te faciliteren, ligt de focus op de categorieën verzamelgebouw, bedrijvenhof en solitaire panden. Gestreefd wordt naar het toevoegen van bedrijfsruimte in de stadsdelen Escamp, Scheveningen, Segbroek, Loosduinen en Centrum. Uit onderzoek van de Stec Groep naar de behoefte aan kleinschalige bedrijfsruimte in Den Haag (2016) blijkt dat zij op basis van een aanbodanalyse en vraagraming een uitbreidingsvraag verwachten van ca. 30.000 tot 50.000 m² in de periode tot en met 2026. Kleinschalige bedrijfsruimte in dit soort panden is van belang omdat nabijheid van de eigen woning en het verzorgingsgebied belangrijke locatie-eisen zijn van gebruikers van dit type bedrijfsruimte. Onder kleinschalige bedrijfsruimte wordt verstaan een verblijfsruimte, waarin werkzaamheden overwegend zijn gericht op vervaardiging, verwerking en/of opslag en distributie van goederen.

Te denken valt aan ruimten

voor aannemers, loodgieters, ambachten, drukkerijen, bouw, groothandel, kleine industrie, reparatie etc. Kantoren en panden waar kantoorachtige activiteiten plaats vinden, behoren niet tot de definitie van bedrijfsruimte. Ook winkels en horecapanden, showrooms met verkoop aan particulieren en andere bebouwing met een commerciële functie ten behoeve van de finale consument vallen buiten deze categorie. Bedrijfsverzamelgebouwen zijn belangrijk voor startende ondernemers als betaalbaar onderkomen. De gemeente brengt mogelijke locaties voor nieuwe kantoren en bedrijven in kaart en stimuleert de ontwikkeling er van. Voor bedrijven in de maakindustrie denkt de gemeente mee in de huisvestingsmogelijkheden. Mogelijkheid van bedrijfsruimten in de wijken gaat conform de locatietypologie in de functiemengingstrategie (RIS 127027). De typologie komt erop neer dat bedrijfsruimte groter dan +/-500 m² zich alleen op een bedrijventerreinen kan vestigen. De bedrijvigheid tussen 100 en 500 m² moet zich kunnen vestigen langs de doorgaande wegen in Den Haag. Kleinschalige bedrijvigheid met minder dan +/-100 m² moet zich kunnen vestigen in de woonstraten in de buurt. Conclusie Het doel van bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 is het vastleggen van de bestaande ruimtelijke structuur en bieden van een actueel juridisch-planologisch kader.

Als bijlage bij de regels is de Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging opgenomen waarin toegestane bedrijven in de categorieën A en B genoemd zijn. 3.11 Duurzaamheidsbeleid Kadernota duurzaamheid - schone energie in een groene stad (5 maart 2019, RIS 301829) Samen met alle inwoners van Den Haag werkt de gemeente aan een stad die schoner, groener en duurzamer wordt. Zo wordt duurzaam denken én doen een nog belangrijker onderdeel van de Haagse mores: duurzaam is de nieuwe norm. Om duurzame ontwikkeling hanteerbaar te maken richt de gemeente zich op vier thema's: • de overgang naar schone energie, • een aantrekkelijke leefomgeving, • schone mobiliteit en • het hergebruik van grondstoffen. Doel is om op de gestelde doelen concrete resultaten te boeken en deze resultaten via monitoring zichtbaar te maken. Dit doet de gemeente in de vorm van een jaarlijkse Programmabrief Duurzaamheid en een jaarlijkse Voortgangsbrief Duurzaamheid. Per thema is een plan van aanpak en een werkagenda voor de periode 20192022 opgesteld. Energie Den Haag zet betekenisvolle en concrete stappen naar het doel van een klimaatneutrale stad in 2030. Hiermee sluit de gemeente aan op de besluiten van de rijksoverheid die op energieterrein zijn genomen. Dit betekent onder andere dat elk nieuw gebouw klimaatneutraal en zonder aardgas wordt opgeleverd.

Verder is de ambitie dat ieder geschikt dak in Den Haag zonnepanelen en zonneboilers heeft, groen is of anders wit. De gekozen energievoorziening moet passen bij de oplossingsrichting die in het • Stedelijk EnergiePlan (RIS306869) en • het ontwerp van de Transitievisie warmte (RIS310442) is vastgesteld voor dit deel van de stad. Omdat nieuwbouw vanwege de goede isolatie met lage temperaturen verwarmd kan worden is het gebruik van hoge temperatuur stadsverwarming onwenselijk. Die warmte is nodig voor de verwarming van bestaande woningen en gebouwen. Den Haag voert duurzaambouwenbeleid met de integrale prestatie-instrumenten GPR of BREEAM. De ambitie voor GPR is minimaal een 8 voor de thema's milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde en 9 voor energie. Wordt gekozen voor BREEAM dan is de norm minimaal vier sterren. Veel nieuwbouw in Den Haag en Nederland laat ziet dat dit gangbaar is. Deze instrumenten helpen om duurzaam te bouwen met een

maximale vrijheid voor ontwikkelende partijen. Bij een hogere prestatie kan korting gegeven worden op legeskosten. Leefomgeving en klimaatadaptatie De omgang met de groei van de stad en met de klimaatverandering dient volgens de Kadernota gepaard te gaan met de ambitie om een gezonde, aangename leefomgeving te creëren. Dit vraagt een maximale inzet op • Klimaatbestendigheid (omgaan met wateroverlast, hitte en droogte) en • Een sterke vooruitgang in milieukwaliteit. In het navolgende wordt op elk ingegaan. Klimaatbestendigheidsmaatregelen moeten zo mogelijk samenvallen met andere fysieke werkzaamheden in de stad, zoals gebiedsontwikkelingen, herinrichtingen en grootschalig onderhoud. • De aan te leggen groenvoorzieningen in de stad zullen aan kwaliteitseisen moeten voldoen, zodat zij toekomstbestendig worden. • In intensiveringsgebieden zullen zij in, op, en aan gebouwen een belangrijk middel zijn om bij te dragen aan de verschillende functies van groenvoorzieningen in de stad (natuurontwikkeling, bijdragen aan klimaatbestendigheid, aanbieden plekken voor rust en ontspanning). • Voorts wordt ingezet op schone lucht en bodem, een aangenaam omgevingsgeluidsniveau en externe veiligheid. Uitgangspunt is dat ontwikkelingen in de stad op een verantwoorde wijze worden mogelijk gemaakt. Daar hoort ook een afgewogen gebruik en beheer van ondergrond bij.

De Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig (RIS308744) biedt ontwerpprincipes om gebouwen en de buitenruimte klimaatbestendig te ontwerpen en in te richten. Wateroverlast en de schade die daardoor veroorzaakt wordt zijn per locatie te analyseren middels de stresstesten in de klimaatatlas. De sponswerking van de stad moet vergroot worden om de gevolgen van klimaatverandering te beperken. Dat wordt bereikt middels het vasthouden - bergen - infiltreren en/of hergebruiken of - eventueel vertraagd afvoeren van hemelwater. Oplossingsrichtingen zijn sterk afhankelijk van lokale omstandigheden zoals grondwaterstanden en typen ondergrond (zand of veen). Een oplossing vraagt daarmee altijd om maatwerk. Het rapport Haagse Hitte (RIS299474) toont het hitte eiland en de overlast in Den Haag aan. • Naast maatregelen op en aan gebouwen die gericht zijn op het buitenhouden van de zomerse zon of verkoeling (zonwering, overstekken, groene daken, verticaal groen, geveltuintjes) bieden; • Bomen schaduw en verkoeling in de zomer; • Bij het bomenbeheer zal klimaatbestendigheid een randvoorwaarde gaan vormen. Voor Den Haag zijn de effecten van droogte onderzocht in een Droogtestudie (RIS306855). De studie geeft aan dat verschillende delen van de stad kwetsbaar kunnen zijn voor diverse effecten van droogte.

Droogte wordt beperkt door de maximale sponswerking in de stad te benutten door oplossingen in: • Groenvoorzieningen; • Bodembuffers; • Wateraanvoer via het (stedelijke/regionale) oppervlaktewatersysteem. Mobiliteit Den Haag zet in de Kadernota op een schoon en efficiënt mobiliteitssysteem. Hiervoor is een verandering van dit mobiliteitssysteem noodzakelijk: de mobiliteitstransitie, welke is vastgelegd middels de Strategie Mobiliteitstransitie 2022-2040 (RIS310664). De strategie is opgebouwd uit de volgende vier thema's. • De compacte stad; • De menselijke maat; • Stadsvriendelijke vervoerswijzen;

•

De regionale context.

Binnen het thema 'stadsvriendelijke vervoerswijzen' wordt ingegaan op duurzame mobiliteit. Hierin staan duurzame mobiliteitsoplossingen centraal die zo min mogelijk schade brengen aan mens en milieu, en die ten dienste staan van het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte. Dat betekent onder andere dat wordt uitgegaan van het STOMP-principe: Stappen-Trappen-OV-MaaS-Privéauto. Bij het ontwerp van de openbare ruimte én de gebouwen wordt in de eerste plaats gekozen voor de voetganger en fietser, gevolgd door het openbaar vervoer, deelmobiliteit en privéauto. Zo vormt de mens het startpunt. Lopen is de basis, voor wat langere afstanden bieden fiets, openbaar vervoer en auto de uitkomst. De privéauto geldt als sluitstuk, deze neemt namelijk de meeste ruimte in beslag. Om de noodzakelijke doorontwikkeling van het mobiliteitssysteem te bewaken, zijn zes doelstellingen voor mobiliteit geformuleerd, waaronder schone mobiliteit; er wordt ingezet op een klimaat neutrale stad in 2030 en op emissievrije mobiliteit. Dat wordt gedaan door • de realisatie van schoner vervoer; • het terugdringen van het aantal en de lengte van verplaatsingen ; • door meer verplaatsingen lopend, fietsend en met het openbaar vervoer te laten plaatsvinden; • daarnaast wordt gestreefd naar schone en emissievrije stadslogistiek, taxi- en • doelgroepenvervoer.

Luchtvervuiling heeft ernstige gevolgen voor de gezondheid van onze inwoners en bezoekers. In Den Haag wordt daarom gestreefd de norm van de Wereldgezondheidsorganisatie voor luchtkwaliteit na. In de Aanpak schoon vervoer (RIS303606) wordt daarom versneld ingezet op schonere voertuigen voor een gezondere lucht. De inrichting van (de omgeving van) gebouwen kan hier actief aan bijdragen door ruimte te reserveren en voorzieningen te treffen voor bijvoorbeeld (deel)fietsen en laadpunten voor elektrische voertuigen. Om de luchtkwaliteit in het centrum te verbeteren kent Den Haag diverse milieuzones. Deze gelden onder andere voor vrachtverkeer, bussen, dieselauto's en oude brommers en worden stapsgewijs aangescherpt. Vanaf 2025 moet alle logistiek in de binnenstad emissie loos plaatsvinden (Milieu Zones Den Haag RIS305702). Afval en grondstoffen Den Haag draagt met de vaststelling van het Grondstoffenplan (RIS310284) bij aan het Rijksdoel 100% gebruik van hernieuwbare grondstoffen in 2050 (met als tussenstap 50% secundair materiaalgebruik in 2030). De visie van de gemeente is dat afval als grondstof waarde heeft en zoveel mogelijk hergebruikt of gerecycled moet worden. Dit vraagt om een andere aanpak op het gebied van inzameling, verwerking, inkoop, ontwerp en bouwen en slopen. In het plan zijn drie uitgangspunten vastgesteld om de waarde van afval zo maximaal mogelijk te benutten.

• Het eerste uitgangspunt is dat aan de slag wordt gegaan met vraaggericht inzamelen. Dit houdt in dat specifiek afval wordt ingezameld waar lokale ondernemers vraag naar hebben zodat ze dit weer kunnen verwerken in nieuwe producten. • Het tweede uitgangspunt is dat er wordt ingezet op zoveel mogelijk waardebehoud van afval en waar mogelijk waarde toevoegen, het zogenaamde upcyclen. • Tot slot moet afval zoveel mogelijk lokaal worden ingezameld en verwerkt. Als het binnen de gemeentelijke grenzen niet lukt, dan in samenwerking met de regio. Circulariteit van projecten worden getoetst middels de R-ladder. Dit is een meetinstrument met negen vormen van circulariteit. Voorbeelden zijn re-use (producten hergebruiken) en recycle (materialen verwerken tot nieuwe kwaliteit).

In totaal zijn er acht prioritaire stromen gedefinieerd: bioafval, plastic, textiel, elektrische apparaten, papier en karton, grofvuil, bedrijfsafval en bouw- en sloopafval. Voor ieder van deze stromen wordt gekeken hoe deze het beste ingezameld en uiteindelijk hoogwaardig verwerkt kan worden. Wat betreft het bedrijfsafval geldt op dit moment dat ondernemers zelf verantwoordelijk zijn voor de inzameling van hun eigen afval. De gemeente Den Haag stimuleert waar mogelijk collectieve inzameling door ondernemers en lobbyt nationaal en Europees voor stedelijke afvalinzameling. Dit houdt in dat op termijn de inzameling van huishoudelijk- en bedrijfsafval wellicht gecombineerd kan worden. Het aanbieden en ophalen van afval brengt een ruimtevraag met zich mee. De opstelplekken en aanrijroutes moeten voldoen aan de daarvoor geldende randvoorwaarden, zoals geformuleerd in onder andere het handboek openbare ruimte (www.hor.denhaag.nl). Afvalscheiding van de acht prioritaire stromen wordt zoveel mogelijk in de stad gestimuleerd. In de laagbouw doen we dit veelal via huis-aan-huisinzameling. Dit vullen we zowel bij laagbouw als gestapelde bouw aan met afvalsorteerstraatjes in de openbare ruimte. In de gestapelde bouw en hoogbouw kan gescheiden inzamelen uitdagend zijn, omdat er inpandig vaak beperkt ruimte is. Waar mogelijk worden nieuwe pilots opgezet met alternatieve inzamelmiddelen.

Daarnaast zal de gemeente bij gebiedsontwikkeling met gronduitgifte het circulair gebruik van materialen en grondstoffen stimuleren middels gunningscriteria in ontwikkelcompetities. Grote winst is te behalen met slimme, modulaire ontwerpoplossingen in bouwprojecten. Er wordt daarbij onder andere ingezet op biobased bouwen (gebruik maken van materiaal dat CO2 opslaat en hernieuwbaar is) en geïndustrialiseerd conceptueel bouwen (bouwproductie versnellen en milieu-impact verlagen). Het bestemmingsplan "Zichten 2, 3 en 7" is in overeenstemming met het duurzaamheidsbeleid. Bij de uitwerking naar bouwplannen kan nog een verdiepingsslag plaatsvinden.

4.2 Milieutoets Besluit m.e.r. Het instrument van de milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieu effect rapportage (verder m.e.r.). De Wm is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. In het m.e.r. staat wanneer een m.e.r. moet worden toegepast. Het besluit bevat bijlagen waaronder de C- en D-lijst. Door middel van deze lijsten kan bij het opstellen van een ruimtelijk plan worden beoordeeld of het plan een ontwikkeling omvat die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kent. Dit in verband met het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 15 oktober 2009 (C-225/08). Op 1 april 2011 is het gewijzigde m.e.r. in werking getreden. Essentie van de wijziging is dat voor de beoordeling of een activiteit m.e.r.-plichtig is - de activiteit komt voor in de D-lijst - niet kan worden volstaan met toetsing aan de drempelwaarde maar dat ook rekening moet worden gehouden met de criteria in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als gevolg hiervan zijn in de D-lijst nu richtwaarden in plaats van drempelwaarden opgenomen en is in het nieuwe besluit bepaald dat voor gevallen die onder deze richtwaarden blijven, een eenvoudige m.e.r.-beoordeling kan worden uitgevoerd die volledig op gaat in de moederprocedure van het bestemmingsplan.

Het nieuwe besluit is daarmee in overeenstemming gebracht met de Europese m.e.r.-richtlijn. Bij een m.e.r.-plicht dient een milieueffectrapportage gemaakt te worden en bij een m.e.r.-beoordelingsplicht dient een afweging te worden gemaakt door het bevoegd gezag of een m.e.r. opgestart moet worden. Het MER is enerzijds een planMER bij de Structuurvisie Zuidwest, anderzijds een projectMER bij de ontwikkeling in Dreven 1 en Zichten 2,3 en 7, (hoofdstuk 7 van het MER) en als m.e.r.-beoordeling te gebruiken voor andere vervolgbesluiten binnen het plangebied. De commissie m.e.r. heeft reeds eerder advies uitgebracht over het MER Zuidwest. Hierbij hebben ze aangegeven enkel te kunnen beoordelen of het planMER-gedeelte van voldoende kwaliteit was voor een besluit over de

structuurvisie. Over het projectMER-gedeelte (deel C) kon de Commissie destijds nog geen definitief advies uitbrengen, omdat er toen nog geen planologisch besluit van dit detailniveau voorlag. Dat is nu met de bestemmingsplanvoor de eerste ontwikkelingen in Dreven 1wel van toepassing. Nu de ontwerp bestemmingsplannen er liggen en de toetsen aan het MER zijn uitgevoerd, is de Commissie m.e.r. gevraagd om een toetsingsadvies uit te brengen over de juistheid en volledigheid van de milieuinformatie van het projectMER voor de stedelijke ontwikkeling van Dreven, Gaarden en Zichten binnen Zuidwest (hoofdstuk 7 van het MER). Bij deze toetsing van het projectMER heeft de Commissie de twee toetsen aan het MER bij bestemmingsplan Zichten 2 en 3 (en 7) en Dreven 1 betrokken. Uitkomsten van het toetsingsadvies De Commissie m.e.r. waardeert het dat de gemeente het instrument m.e.r. intensief inzet en per ontwikkeling toetst aan de kaders van de structuurvisie. De Commissie ziet dat de gemeente de samenwerking zoekt met andere partijen om de grote opgaven in Den Haag Zuidwest aan te gaan.

In het advies heeft de Commissie de conclusies van het project-MER-gedeelte en de toetsen aan het MER samengevat: • De effecten voor Dreven, Gaarden en Zichten zijn over het algemeen gelijk of iets beter dan voor de gehele structuurvisie; • Uit het MER en de toetsen blijkt dat de effecten van de bestemmingsplannen Dreven 1 en Zichten 2, 3 en 7 grotendeels binnen de kaders van de vastgestelde structuurvisie vallen. De Commissie constateert echter dat belangrijke milieu-informatie ontbreekt en adviseert het project-MER op een aantal punten aan te vullen: • De Commissie adviseert om meer inzicht te geven in hoeverre de ambities worden gehaald in Dreven, Gaarden en Zichten. Nu geeft het MER alleen aan of het een positieve of negatieve bijdrage aan de ambities levert. • De Commissie adviseert om meer inzicht te geven hoe de deelontwikkelingen in Dreven, Gaarden en Zichten zich verhouden tot de totale structuurvisie, hoe de gemeente hierover de regie gaat voeren en welke mitigerende maatregelen mogelijk zijn en wat het effect daarvan is; • De Commissie adviseert het monitoringsprogramma uit te werken; • De Commissie adviseert tot slot om een toegankelijke samenvatting van het project-MER Dreven, Gaarden en Zichten op te stellen. De gemeente neemt het toetsingsadvies ter harte.

In de aanvulling MER, in de vorm van een oplegrapport op het MER Zuidwest wordt invulling gegeven aan dit advies.

4.5 Luchtkwaliteit Inleiding Op 15 november 2007 is de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). De luchtkwaliteit in een bepaald gebied wordt bepaald door de achtergrondconcentratie van fijn stof (PM10, deeltjes <10 µm) en stikstofdioxide (NO2) plus de bijdragen van lokale bronnen die bij de achtergrondconcentratie opgeteld worden. Bij de besluitvorming over bouw- en bestemmingsplannen dient te worden onderzocht of een project 'in betekenende' mate van invloed is op de luchtkwaliteit: in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is aangeven dat een bestuursorgaan bevoegdheden kan uitoefenen of wettelijke voorschriften kan toepassen indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de uitoefening of toepassing niet 'in betekenende mate' bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht.

De definitie van 'in betekenende mate' is vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur. Projecten die de concentratie NO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In concentraties uitgedrukt betekent dit een verslechtering van 1,2 µg/m3 voor beide stoffen. De 3%-grens geldt sinds 1 augustus 2009, de datum waarop het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht werd. De 3%-grens is voor een aantal categorieën van projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen. Zo gaat het bij woningbouw om de toevoeging van 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg, of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Door het adviesbureau Antea is op 12-07-2024 een onderzoek naar luchtkwaliteit voor de beoogde ontwikkelingen binnen Den Haag Zuid West uitgevoerd. Het beoogde programma ten behoeve van de ontwikkeling van ca. 523 woningen in bestemmingsplan Zichten 2 ,3 en 7 is hierbij meegenomen. Naast het behoud van 104 bestaande woningen in het plangebied, zal dit bestaan uit ca. 216 nieuwbouwwoningen voor Zichten 2, 277 nieuwbouwwoningen voor Zichten 3, en 0 woningen voor Zichten 7. In Zichten 7 zal tevens een parkeervoorziening en kleinschalige bedrijfsruimte worden mogelijk gemaakt. In totaal 1.250 m² bvo.

De ontwikkeling valt binnen de regeling NIMB waardoor geen toetsing aan de grenswaarden van luchtkwaliteit nodig is, omdat er geen significante veranderingen in de achtergrondconcentraties wordt verwacht. Wel is voor Den Haag Zuid West een worst-case berekening gemaakt waaruit blijkt dat er niet of nauwelijks effecten optreden als gevolg van de beoogde ontwikkelingen. Het bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 zal niet leiden tot effecten op de luchtkwaliteit. Zo blijkt met betrekking tot fijnstof PM10 uit het onderzoek dat de ontwikkeling ten gevolge van het bestemmingsplan ten opzicht van de autonome ontwikkeling op alle plaatsten in het gebied een niet in betekenende mate invloed op de luchtkwaliteit heeft. De planbijdrage is kleiner of gelijk aan [1,2] µg/m3. Een toetsing aan de grenswaarde kan daarom achterwege blijven. Met betrekking tot stikstofdioxide NO2 blijkt dat de ontwikkeling die het bestemmingsplan voorstaat een niet in betekenende mate invloed heeft op de concentratie. De bijdrage is overal kleiner [1,2] µg/m3. De ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, dragen niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer (zie ook Bijlage 8) vormen geen beletsel voor de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen. De Wereldgezondheidsorganisatie (of WHO) adviseert strengere normen dan de Europese Unie.

De maximale normen voor fijnstof volgens de Wereldgezondheidsorganisatie bedragen 20 ìg/m³ voor PM10 en 10 ìg/m³ voor PM2,5. Aan deze normen wordt ter plaatse van het plangebied in 2040 voldaan. De verwachte oplevering van het bouwplan zal medio 2024 plaatsvinden waarbij de fijnstofconcentraties al richting de adviesnormen van de Wereldgezondheidsorganisatie verschuiven.

4.6 Waterparagraaf 4.6.1 Wateropgave 4.6.1.1 Inleiding De ontwikkeling van Zichten is onderdeel van een groter herontwikkelingsplan van de gemeente Den Haag. Voor het plangebied Zichten 2, 3 en 7(figuur2-1) is door Antea Group een watertoets uitgevoerd. Het plangebied wordt aan de noordoostzijde begrensd door het sportpark en aan de noordwestzijde door de Hengelolaan. De Melis Stokelaan vormt de grens aan de zuid(oost)zijde van het plangebied.

Figuur 2-1 Plangebied (groene contour) Zichten 2, 3 en 7 te den Haag waarvoor het nieuwe bestemmingsplan wordt vormgegeven.

4.6.1.2 Waterkwaliteit Watersysteem Het plangebied ligt aan de oostkant binnen de beschermingszone van een secundaire watergang van het Hoogheemraadschap van Delfland. Tevens toont de legger een verruiming van het watervoerende deel van de watergang binnen het plangebied. De situatie is weergegeven in Figuur 2.9 van de watertoets.

Figuur 2.9 van de Watertoets.

Waterpeil Het plangebied is gelegen in peilgebied GPG2007EHP1, wat gelegen is binnen de Eschhofpolder en heeft een vast peil van -1,75 m NAP. Dit peil mag niet aangepast worden. In de toekomstige situatie zal dit peil dus gehandhaafd blijven. Aandachtspunt is de mogelijkheid dat er onderbemaling aanwezig is ten zuiden van de sportvelden. Het wel/niet aanwezig zijn van onderbemaling dient in het waterstructuurplan geborgd te worden. Veiligheid en waterkeringen Uit de legger van het hoogheemraadschap blijkt dat het plangebied zich niet in de kern- of beschermingszones van waterkeringen bevindt. De ontwikkeling heeft geen effecten op de waterveiligheid door keringen. Voor het thema veiligheid en waterkeringen zijn verder geen relevante aspecten te benoemen. kwaliteit en ecologie In het plangebied bevinden zich geen KRW-waterlichamen. Het plangebied ligt in een ecologische verbindingszone van de gemeente. Bij de inrichting van het gebied dient rekening gehouden te worden met ecologische factoren. Afvalwater en riolering Door de initiatiefnemer is reeds een rioolplan opgesteld met een gescheiden stelsel. Het regenwater afkomstig van publieke verharding (openbare wegen/paden) zal in de nieuwe situatie via het hemelwaterriolering worden afgevoerd naar het oppervlaktewater.

Het regenwater wat binnen de kavels ‘valt’ verblijft daar langer en zal daarom vertraagd worden afgevoerd via het hemelwaterriool. Bij buien met meer neerslag in kortere tijd zal het watersysteem kortstondig meer afvoer uit het regenwaterriool moeten verwerken, maar gezien de vergroting van het wateroppervlakte binnen de ontwikkeling en de kortstondigheid van dergelijke buien, biedt de nieuwe inrichting voldoende ruimte om deze belasting te kunnen opvangen. In dit gebied is de verwachting

dat het afstromend regenwater geen afvalstoffen opneemt, waardoor geen verslechtering van de waterkwaliteit wordt verwacht. Dit is nodig om te voldoen aan de beleidsregels van het hoogheemraadschap te voldoen in het kader van de afvalwaterketen en afvalwater.

4.6.1.3 Uitgangspunten Water in PlanMER Zuidwest en toets aan het PlanMER In het PlanMER Zuidwest en de toets van Zichten 2,3 en 7 zijn de volgende effecten van de ontwikkeling op het thema water vastgesteld. PlanMER Den Haag Zuidwest In het PlanMER van Den Haag Zuidwest is het thema water neutraal beoordeeld. Ten aanzien van het thema water wordt aanbevolen dat • • • •

Bij de herontwikkeling van Zuidwest dienen waterstructuren te worden behouden en waar mogelijk verbeterd; In de Structuurvisie Zuidwest is het verbeteren van de waterkwaliteit als aandachtspunt genoemd, maar hieraan zijn nog geen maatregelen aan verbonden; Bij de ontwikkeling van Zuidwest wordt het huidige gemengde rioolsysteem vervangen door een gescheiden riool. De hoofdstructuur hiervoor wordt vóór de start van de nieuwbouw aangelegd; Het realiseren van natuurvriendelijke oevers, zonder beschoeiing, is het uitgangspunt.

Toets Zichten 2, 3 en 7 aan het PlanMER Het bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 is aan het PlanMER Den Haag Zuidwest getoetst. Ten aanzien van het thema water zijn daarvoor de volgende uitgangspunten opgenomen: • •

• •

•

Binnen het plangebied wordt extra wateroppervlak in het plangebied mogelijk gemaakt, langs de bestaande flats aan de Hengelolaan; Tevens wordt er oppervlakkige waterberging in het openbare groen, binnentuinen en daken voorgeschreven. Deze moeten ervoor zorgen dat een piekbui van 70mm opgevangen kan worden en niet tot overlast zal leiden; Het sportpark ten oosten van het plangebied wordt klimaatbestendig ingericht, waarbij de oevers van de watergangen binnen de ecozone natuurvriendelijk worden ingericht; Het gescheiden rioleringssysteem wordt na de bouw aangelegd vanwege technische overwegingen. Indien dit voor de nieuwbouw al zou worden aangelegd, dan zou het twee keer moeten worden aangepast; In het kader van het bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 is een watertoets nodig om de waterhuishouding in beeld te brengen.

Conclusie Afgezien van het gescheiden rioleringssysteem dat niet vóór, maar na de bouw wordt aangelegd vanwege technische overwegingen, volgt uit de toets aan het PlanMER dat de effecten van het bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 overwegend in lijn zijn met hetgeen wat voor Zuidwest voorspeld is.

4.6.1.4 Klimaatadaptatie

Deze subparagraaf gaat in op de effecten van het plangebied ten aanzien van klimaat. Uit het PlanMER Zuidwest en de toets aan het PlanMER blijkt dat het thema klimaatbestendigheid licht positief is beoordeeld met betrekking tot de in paragraaf 3.4.1 aangestipte effecten ten aanzien van de onderwerpen hittestress, droogte en extreme neerslag. Zo blijkt dat: • In de structuurvisie het uitgangspunt is opgenomen dat de binnentuinen een klimaatadaptieve inrichting krijgen met o.a. een grondlaag van minimaal 1 meter dik. Hierdoor bieden de binnentuinen mogelijkheden voor beplanting en daarmee het tegengaan van hittestress; • Bij de inrichting van de openbare ruimte wordt rekening gehouden met het opvangen en vasthouden van water en is het uitgangspunt dat bij nieuwbouw water zo lang mogelijk op eigen terrein wordt vastgehouden. Er worden nieuwe groen- en waterstructuren gerealiseerd, met name langs de grote wegstructuren. Tot slot biedt de grootschalige ontwikkeling van Zuidwest de mogelijkheid om de leefomgeving klimaatadaptiever in te richten, conform de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig. Al deze maatregelen dragen bij aan het beperken van droogteproblemen; • De groen- en waterstructuren (conform de visiekaart klimaatadaptatie) dragen bij aan het opvangen van hemelwater; • Er komt een gescheiden rioleringssysteem waarbij hemelwater en afvalwater gescheiden worden opgevangen.

De hoofdstructuur hiervoor wordt voor de start van de nieuwbouw aangelegd. • In Zichten 2, 3 en 7 worden groene binnenterreinen, groene wiggen, en een ecologische zone aangelegd waarmee wordt bijgedragen aan het verminderen van de kans op hittestress, het beperken van droogteproblemen en wateroverlast.

4.6.1.5 Benodigde watercompensatie Ten behoeve van de waterbergingsopgave zijn er eisen vanuit het hoogheemraadschap en vanuit de gemeente. Het hoogheemraadschap werkt conform de ‘Watersleutel’ en de gemeente heeft aspecten vanuit het ‘Convenant Klimaatadaptief Bouwen’ vastgelegd in haar klimaatbeleid. De benodigde watercompensatie vanuit beide waterbeheerders wordt hieronder toegelicht. Daarna wordt geconcludeerd welke wateropgave(s) van toepassing zijn op de ontwikkeling. Bepaling wateropgave volgens watersleutel HH Delfland Op basis van de Watersleutel blijkt dat door de toename van verharding in de voorgenomen ontwikkeling 965 m2 aan nieuw oppervlaktewater of 579,3 m3 waterberging gerealiseerd dient te worden. Daarnaast is er een klimaatopgave opgenomen waarin 737 m2 aan oppervlaktewater of 442,2 m3 aan waterberging moet worden gerealiseerd. De Watersleutel biedt niet de mogelijkheid om toekomstig oppervlaktewater in te vullen. Daarom is het oppervlak water in de nieuwe situatie als ‘onverhard oppervlak’ stedelijk opgevoerd. Als het realiseren van nieuw oppervlaktewater aantoonbaar niet mogelijk is binnen het plangebied kan dit ook voor de ontwikkeling worden ingevuld met het realiseren van waterberging. De waterberging dient ingericht te worden conform de vasthoudmaatregelen van het hoogheemraadschap.

Deze Water compensatie is benodigd op basis van de gegevens van verhard en onverhard oppervlak. De Watersleutel met de berekende opgave, is onderverdeeld in 2 componenten: Het huidige klimaat en een aanvullende opgave om te voldoen aan het klimaat in 2050. Bepaling wateropgave volgens Gemeente den Haag De wateropgave moet voor de gemeente Den Haag worden berekend over het geheel kavel oppervlak en niet enkel de bebouwing of verharding. Daarnaast moet dit per kavel los worden berekend. Er geldt een compensatie van 50 mm/m2 binnen de kaveloppervlaktes van de ontwikkeling. Deze regeling geldt alleen voor nieuwbouw, waardoor de kavels Zichten 2, 3 en 7 hiervoor in aanmerking komen. Daarnaast geldt de regeling niet voor het oppervlak aan toekomstig openbaar terrein

De gemeentelijke bergingsopgave voor de ontwikkeling Zichten 2, 3 en 7 betreft 162 m3 (2), 262 m3 (3) en 105 m3 (7). Dit is in totaal 529 m3 . Neerslag gebeurtenis 70 mm/uur In het kader van klimaatadaptatie is het ‘Convenant Klimaatadaptief Bouwen’ opgesteld en heeft de gemeente Den Haag dit als beleid vastgesteld in de ‘Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig’. Derhalve zijn de gestelde eisen in het convenant geen ambitie van de gemeente, maar hun beleid waaraan dient te worden voldaan. In het beleid van de gemeente is opgenomen dat 50 mm/m² bij een korte hevige bui (70 mm/uur) opgevangen dient te worden op privaat terrein. Hierbij wordt als randvoorwaarde gesteld dat het opgevangen water niet eerder dan na 24 uur wordt afgevoerd en dat de berging binnen 48 uur weer beschikbaar dient te zijn. Neerslag gebeurtenis 90 mm/uur Bij een neerslag gebeurtenis van 90 mm/uur is in het convenant en de wegwijzer opgenomen dat in het plangebied geen schade optreedt aan infrastructuur, gebouw, eigendommen of groen in de bebouwde omgeving. Enige hinder is hierbij wel toegestaan. Langdurige droogte Langdurige droogte mag niet leiden tot verdroging of schade aan de bebouwde omgeving. Hierbij dient ernaar gestreefd te worden dat 50% van het jaarlijks gemiddelde neerslag in het plangebied geïnfiltreerd wordt.

Daarnaast dient de inrichting van het plangebied afgestemd te worden met de verwachte grondwaterstanden en de beschikbaarheid van zoetwater tijdens droogte.

4.6.1.6 Conclusie Uit de vergelijking van de Watersleutel en het Convenant Klimaatadaptief Bouwen/De Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig blijkt dat beide waterbergingsopgaven maatgevend zijn. De opgave van het hoogheemraadschap behandelt de toename aan verhard oppervlak voor de gehele ontwikkeling. De uitkomsten daarvan bestaan uit twee verschillende onderdelen. Het onderdeel van de toename verhard oppervlak en het onderdeel van de klimaateffecten. Het onderdeel voor toename verhard oppervlak heeft een benodigde hoeveelheid van 965 m2 oppervlaktewater (of waterberging van 579,3 m3) en het onderdeel klimaateffecten heeft een hoeveelheid van 737 m2 oppervlaktewater (of 442,2 m3 waterberging). Indien mogelijk dient de compensatie te worden gedaan in oppervlaktewater. De gemeentelijke waterbergingseis is geldig over de kaveloppervlakten. De benodigde berging voor Zichten 2 is 162 m3, voor Zichten 3 is 262 m3 en voor Zichten 7 is 105 m3 (totaal: 529 m3). De bergingsopgave voor de ontwikkeling Zichten 2,3 en 7 betreft 965 m2 oppervlaktewater of 579,3 m3 aan vasthoudmaatregelen vanuit het hoogheemraadschap. De klimaatopgave voor de ontwikkeling van het hoogheemraadschap betreft 737 m2 of 442,2 m3. Daarnaast is er een eis van 529 m3 aan vasthoudmaatregelen op de respectievelijke kavels vanuit de gemeente.

De waterberging van Zichten 2,3 en 7 is juridisch geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Dit onderzoek zal als bijlage 13 aan deze toelichting toegevoegd worden.

4.8.1. Wind Naar aanleiding van het ruimtelijk plan zijn er twee situaties onderzocht: een waarin alleen blokken 2, 3 en 7 zijn gerealiseerd, en een waarin alle blokken zijn voltooid. Het doel was om het windklimaat in de directe omgeving van de geplande bebouwing vast te stellen en te beoordelen, volgens de Nederlandse norm NEN 8100:2006 voor windhinder en windgevaar. De torens van Zichten 2, 3 en 4 zijn allen een kwartslag gedraaid in het plan ten opzichte van de opzet zoals vastgelegd in Randvoorwaardenkaart alsmede Nota van Uitgangspunten. Dit is gedaan om het windklimaat wat gaat ontstaan te verbeteren. Dit onderzoek toont aan dat in de basis wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid. Echter, er zijn nog enkele aandachtspunten waaraan moet worden voldaan. Om het aspect windhinder te verbeteren, zal in het

definitieve ontwerp rekening worden gehouden met de inrichting van de openbare ruimte en de gevel, zodat windhinder wordt opgelost. Belangrijkste conclusies uit het onderzoek: • •

• • • • • •

Op veel plekken rond de blokken is het windklimaat goed tot matig voor de activiteit "doorlopen". Een matig windklimaat voor "doorlopen" werd met name gevonden tussen blokken 2 en 3 en ten zuidoosten van blok 3. De hoogbouw van blok 2 leidt op twee punten tot een beperkt risico op windgevaar. Binnen de blokken is het windklimaat lokaal matig voor "doorlopen" en daarmee slecht voor "slenteren". Verbetering van het windklimaat door goede terreininrichting wordt aanbevolen. Rond blok 7 is overal een goed windklimaat voor "slenteren" te verwachten. Er is nergens in het gebied sprake van overschrijding van het criterium voor windgevaar. De realisatie van blokken 4, 5 en 6 heeft slechts geringe invloed op het windklimaat rond blokken 2, 3 en 7. Bij blok 2 is er een zekere afschermende werking. Geplande en aanwezige begroeiing zijn niet in de berekening meegenomen, waardoor het windklimaat in werkelijkheid gunstiger kan zijn dan de resultaten aangeven. De resultaten komen goed overeen met de eerdere berekeningen voor de Nota van Uitgangspunten Zichten, waarbij verschillen voornamelijk te verklaren zijn door het meenemen van bomen in de eerdere berekeningen.

Dit onderzoek zal als bijlage 15 aan deze toelichting toegevoegd worden.

4.8.2. Bezonning De realisatie van bouwwerken kunnen gevolgen hebben voor de schaduwwerking in de omgeving. Binnen Nederland worden er geen formele eisen gesteld aan de bezonning van woningen of andere bouwwerken. Gemeenten zijn dus vrij om hun eigen eisen te stellen aan de bezonning. Gemeente Den Haag sluit grotendeels aan op de 'lichte TNO-norm'. De Haagse bezonningsnorm gaat ervan uit dat de ondergrens op twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober, uitgaande van een zonhoogte van eer dan 10 graden, moet liggen. In afwijking van de lichte TNO-norm is in de Haagse norm de bezonning op gevels maatgevend, onafhankelijk van de plaats van de ramen. De Haagse bezonningsnorm is van toepassing op de omgeving van de te realiseren nieuwbouw en geldt voor bouwwerken vanaf een hoogte van 25 meter of indien de nieuwbouw ten minste 1,5 maal hoger is dan de gemiddelde hoogte van de omgeving. De realiseren nieuwbouw is weliswaar met maximaal 23 meter lager dan 25 meter, maar omwille van een goede ruimtelijke ordening is toch onderzoek uitgevoerd. Naar aanleiding van het ruimtelijk plan zijn er twee situaties onderzocht: een waarin alleen blokken 2, 3 en 7 zijn gerealiseerd, en een waarin alle blokken zijn voltooid. Dit onderzoek toont aan dat wel aan de Haagse bezonningsnormen wordt voldaan.

Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: - In de situatie met Zichten 2, 3, en 7 gerealiseerd is er op geen van de getoetste woningen een afname van de bezonningsduur tot onder de twee uur. - In de situatie met Zichten 2, 3, en 7 gerealiseerd zijn er geen punten waar in de huidige bebouwingssituatie al minder dan twee uur zon mogelijk is waar er sprake is van een verdere afname. - De geplande bebouwingssituatie met Zichten 2, 3, en 7 gerealiseerd voldoet aan het Haagse bezonningsbeleid.

- In de situatie met Zichten 2 t/m 7 gerealiseerd is er op geen van de getoetste woningen een afname van de bezonningsduur tot onder de twee uur. - In de situatie met Zichten 2 t/m 7 gerealiseerd zijn er zeven toetspunten waar in de huidige bebouwingssituatie al minder dan twee uur zon mogelijk is waar er sprake is van een verdere afname. Dit onderzoek zal als bijlage 14 aan deze toelichting toegevoegd worden.

4.9.3 Natuurbescherming De Wet Natuurbescherming heeft de bescherming van planten- en diersoorten uit de Flora- en faunawet overgenomen. De wet gaat ervan uit dat zonder uitdrukkelijke toestemming geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. Dit betekent dat het gaat om het effect van een handeling op beschermde soorten. De wet kent een drie aparte beschermingsregimes voor: 1. 2. 3.

soorten van de Vogelrichtlijn; soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn; andere soorten' die vanuit nationaal oogpunt zijn beschermd.

Hierbij hebben enkele wijzigingen plaatsgevonden in de soorten die beschermd zijn. De wet legt een zorgplicht op voor alle dieren en planten in Nederland, bijvoorbeeld door eisen te stellen aan de wijze en het tijdstip van uitvoering van bouwplannen waarbij men rekening houdt met het voortplantingsseizoen en met winterverblijfplaatsen en waardoor dieren niet onnodig worden verontrust. Ook legt de wet een beschermingsplicht op voor een groot aantal met name genoemde soorten. De wet bevat verbodsbepalingen voor het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde diersoorten en het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor de algemene beschermde soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een algemene vrijstelling, voor andere soorten die strenger zijn beschermd (vleermuizen, vogels, eekhoorns) kan onder voorwaarden een ontheffing worden aangevraagd. Beschreven effecten uit MER Den Haag Zuidwest Voor het plangebied van Den Haag Zuidwest volgt uit het PlanMER dat een quickscan is uitgevoerd, waaruit blijkt dat het aspect biodiversiteit neutraal is beoordeeld. Geconcludeerd is dat de kansen voor de biodiversiteit niet opwegen tegen de risico's.

Op grond van dit onderzoek zijn de volgende effecten in het PlanMER Den Haag Zuidwest geconstateerd: • • •

• •

In Zuidwest zijn beschermde soorten aanwezig zijn, zoals egels en verschillende soorten vleermuizen; Bij sloop en nieuwbouw wordt het leefgebied van deze soorten aangetast; Zonder het toepassen van mitigerende maatregelen (bijvoorbeeld tijdige realisatie van alternatieve verblijfplaatsen) bestaat het risico op het overtreden van de Wet natuurbescherming. Bij de verdere uitwerking van het plan moet nader onderzocht worden welke beschermde soorten aanwezig zijn en negatief beïnvloed kunnen worden; Ten aanzien van de groenstructuur wordt de hoofdgroenstructuur behouden, groenverbindingen versterkt en natuurinclusieve bouw toegepast, Meer dan de helft van de bomen in het gebied is slecht verplantbaar. Per straat of deelproject van Zuidwest dient een bomeneffectenanalyse te worden uitgevoerd, waarmee in een vroeg stadium inzichtelijk wordt gemaakt of en hoe de bomen kunnen worden ingepast in de nieuwe situatie en waar eventuele knelpunten liggen met ondergrondse infrastructuur;

•

•

De verdichting leidt tot extra recreatiedruk in parken waar veel beschermde soorten aanwezig zijn. Deze toename kan leiden tot verstoring van de aanwezige soorten. De parken ontvangen in de referentiesituatie ook al bezoekers waardoor reeds verstoring plaats vindt. De effecten als gevolg van de herontwikkeling van Zuidwest zijn daardoor beperkt; Het realiseren van natuurvriendelijke oevers, zonder beschoeiing, is het uitgangspunt.

Onderzoek en conclusie In aansluiting op het bovenstaande volgt uit de toets van het bestemmingsplan aan het PlanMER voor Den Haag Zuidwest dat er een ecozone tussen het sportpark en de Zichten 2,3 en 7 ligt, dat een natuurlijk ingericht gebied is met daarin een doorgaande waterverbinding. De ecozone wordt iets verplaatst om ruimte te maken voor de nieuwe, bredere, bouwblokken van Zichten 2,en 3, maar behoudt zijn huidige omvang in m2 . De ecozone is primair bedoeld voor natuur, verstoring (betreden, verlichten) en wordt dan ook zoveel mogelijk gemeden. Op drie plekken, ter hoogte van de wiggen, wordt de ecozone doorkruist door langzaam verkeer. De oevers van de ecozone, alsook de watergangen langs de Hengelolaan worden natuurvriendelijk ingericht. Geconstateerd is dat de ontwikkeling van Zichten 2, 3 en 7 bijdraagt aan de recreatiedruk in bestaande parken door het toenemen van het aantal bewoners. In de toets van Zichten 2, 3 en 7 aan het PlanMER Den Haag Zuidwest is geconcludeerd dat nader ecologisch onderzoek is vereist om de eventuele effecten van het bestemmingsplan op beschermde soorten in kaart te brengen. Dit wordt bevestigd door de natuurtoets welke aan de toelichting is toegevoegd. Nader onderzoek Ten aanzien van stikstof is door Antea een onderzoek gedaan, dit ziet zowel op stikstof uitstoot tijdens de bouw, als nadat de nieuwbouw gerealiseerd is.

Uit de berekeningen van de realisatiefase en gebruiksfase blijkt dat het voornemen niet leidt tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van enig Natura 2000-gebied. Daarmee zijn significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie staat verdere besluitvorming derhalve niet in de weg. Dit onderzoek wordt is bijlage 12 toegevoegd bij de toelichting. De uitkomst van dit onderzoek is dat aan de wettelijke eisen is voldaan, zodat uit hoofde van stikstof er geen beletselen zijn de voorgestelde nieuwbouw uit te voeren. 4.9.8. Bomen balans in het plangebied In de door de raad aangenomen motie RIS 298921 moet bij grote herinrichtingen worden toegelicht hoeveel bomen moeten worden gekapt dan wel er bijkomen, de zogenaamde bomenbalans. In het gehele gebied staan 539 bomen, 392 van gemeente Den Haag, 147 op het terrein van de woningbouwcorporaties. Op basis van de nu bekende gegevens zijn 206 bomen als gevolg van de bouwplannen en de bouwplaatsinrichting niet te handhaven. Hiervan staan er 77 in de openbare ruimte, de overige 129 niet te handhaven bomen staan op corporatieterrein. Daarnaast zijn 152 bomen in de openbare ruimte niet te handhaven vanwege de herinrichting van de openbare ruimte. In totaal zijn er dus 358 bomen niet te handhaven. 12 bomen in de openbare ruimte worden verplant.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14595593/1