RIS320044 Bijlage Evaluatie LISE-pilot
Tekst van het document
3.5.
Toezicht en verantwoording (governance)
Toezicht Een Investeringscomité (bij veel revolverende fondsen 'management board' geheten) vervult een belangrijke rol bij het toezicht houden op een revolverend fonds. Na de start van de pilot van LISE is door de fondsmanager een Investeringscomité ingesteld. Deze kende de volgende samenstelling: •
Ludo Steenmetser - gemeente Den Haag;
•
Steven Broers - gemeente Den Haag.
Daarnaast was het een optie om een derde, onafhankelijke vakexpert aan te stellen. Dit naar analogie van bijvoorbeeld het Energiefonds Den Haag en het VvE duurzaamheidsfonds, waar deze vakexpert een belangrijke inbreng heeft. Zover is het in de pilot niet gekomen. Het Investeringscomité heeft tot doel om toezicht te houden op de algemene gang van zaken van het fonds, het functioneren van de fondsmanager en meer in het bijzonder erop toe te zien dat investeringsbeslissingen in lijn worden genomen met de investeringsstrategie van LISE. Daarnaast wordt het Investeringscomité in adviserende zin betrokken bij investeringsproposities met een omvang van minimaal € 20.000. Het Investeringscomité is tweemaal bijeen geweest. Uit de interviews blijkt dat deze bijeenkomsten niet optimaal zijn verlopen. Zo hadden verschillende leden van de Investeringscomité naar verluid geen helder beeld van hun taken en formele verantwoordelijkheden. Voorts was er door de fondsmanager geen Reglement van Orde van het Investeringscomité voorbereid - en dus ook niet geagendeerd ter vaststelling. Hetzelfde speelde ten aanzien van de investeringsstrategie van LISE10. Eerst in de tweede vergadering (27 oktober 2022) zijn het concept van het Reglement van Orde en de investeringsstrategie besproken - maar niet vastgesteld.
Alleen van de eerste bijeenkomst van het Investeringscomité - voor zover kon worden achterhaald - is verslag opgemaakt. Naar aanleiding van het verloop van beide bijeenkomsten heeft HEID geïntervenieerd en zijn er diverse (werk)afspraken gemaakt tussen de fondsmanager, DSO-Wonen en HEID. 10
In belangrijke mate een kopie van het investeringskader. Deze is vastgesteld door het college van BenW en ter informatie aan de gemeenteraad aangeboden.
Evaluatie pilot LISE-fonds | 23
Rapportage en verantwoording
In relatie tot de benodigde informatievergaring ten behoeve van de verantwoording van LISE staan drie elementen centraal: 1. Voortgangsoverleg Door HEID zijn enkele voortgangsoverleggen belegd (23 november 2022 en 18 januari 2023). Tevens is er overleg gevoerd voorafgaand aan beide bijeenkomsten van het Investeringscomité. Bij deze overleggen waren DSO-wonen, fondsmanager EnergieSamen en HEID betrokken. 2. Tussentijdse voortgangsrapportages Bij de gemeentelijke subsidiebeschikking (d.d. 11 januari 2022) aan HEID zijn specifieke subsidievoorwaarden noch een uitvoeringsovereenkomst gevoegd. Dezelfde situatie doet zich voor met betrekking tot de subsidiebeschikking aan (penvoeder) Nationaal Groenfonds (d.d. 11 januari 2022). Er wordt in beide beschikkingen gerefereerd aan de 'Algemene Subsidieverordening Den Haag 2020' en de 'Overige DSO (Wonen)'11. In de 'Algemene Subsidieverordening Den Haag 2020' staat in artikel 13 lid 2 het volgende vermeld: 'Het college kan de subsidieontvanger verplichten om tussentijds rekening en verantwoording af te leggen over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden inkomsten en uitgaven'. Daar is door het college blijkens de inhoud van beide subsidiebeschikkingen geen invulling aan gegeven. In de leningovereenkomst tussen HEID en (penvoeder) Nationaal Groenfonds (d.d.
23 December 2021) staat in artikel 6 - Administratie en Rapportage - meer in het bijzonder onder lid 3 - 5 aangegeven de verplichting jaarlijks te rapporteren over het fonds respectievelijk de verplichting om na het verstrijken van de looptijd een 'eindverslag uit te brengen over de uitvoering en resultaten van het Fonds en de LISE-Leningen, alsook over de eigen werkzaamheden in dat kader'. Deze laatste binnen drie maanden na het einde van het kalenderjaar. Een voortgangsrapportage is niet door Nationaal Groenfonds aangeleverd, een eindverslag is (nog) niet aangeboden. Ten aanzien van het niet toezenden van de jaarlijkse rapportage werd door Nationaal Groenfonds in het interview aangegeven dat daar in feite ook geen noodzaak toe was, Dit vanwege het gebrek aan financiële voortgang van LISE in combinatie met het feit dat HEID middels de bovenvermelde voortgangsoverleggen goed was geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot LISE. 3. Evaluatie In artikelen 12 en 13 van de LISE fondsdocumentatie staat aangegeven dat de fondsmanager een half jaar na start van het fonds een evaluatie dient te organiseren om de werking van het fonds te bespreken. 'Verbeterpunten en signalen zouden in overleg met het loket bij de gemeente Den Haag kunnen leiden tot aanpassingen in de fondsdocumentatie, procedures of instrumenten'. Deze evaluatie heeft in strikte zin niet plaatsgevonden.
Hoewel eventueel gesteld zou kunnen worden dat door voornoemde voortgangsoverleggen de noodzaak tot een dergelijke evaluatie wellicht niet langer aanwezig was, moet worden geconstateerd dat hierover geen expliciete communicatie heeft plaatsgevonden. 11
Ten aanzien van 'Overige DSO (Wonen)' ontbreekt een specifieke doorverwijzing in de tekst van de subsidiebeschikking.
Evaluatie pilot LISE-fonds | 24
Concluderend kan ten aanzien van de rapportage en verantwoording richting college van BenW (en gemeenteraad) worden gesteld dat in relatie tot zowel de subsidiebeschikking aan HEID als de subsidiebeschikking aan Nationaal Groenfonds geen voorwaarden zijn gesteld over de frequentie en inhoud van de rapportage. HEID noch Nationaal Groenfonds hebben in de pilot van LISE een tussentijdse voortgangsrapportage ingediend. Voorts kan worden geconstateerd dat Nationaal Groenfonds een evaluatie heeft georganiseerd noch een voortgangsrapportage bij stichting HEID heeft ingediend. Door voornoemde voortgangsoverleggen waren HEID en DSO-Wonen wel op de hoogte van de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering en inhoudelijke en financiële resultaten van LISE.
3.6.
Conclusies
Inhoudelijke en financiële voortgang, fondsmanagement en -beheer •
Er zijn in de pilotfase 6 vooraanmeldingen geweest, er is geen enkele aanvraag ingediend. Het is zeer wel voorstelbaar dat de Corona pandemie - en de restricties ten aanzien van het elkaar kunnen ontmoeten - daarin een factor is geweest.
•
Na afloop van de pilot was er sprake van drie extra vooraanmeldingen.
•
Omwille van het feit dat EnergieSamen/ Nationaal Groenfonds als enige partij in de markt was om LISE te managen/ beheren en het feit dat voor deze pilot door deze partij geen (prestatiegerelateerde) prijsstelling kon worden afgegeven is besloten het fondsmanagement en beheer niet openbaar aan te besteden.
•
Het fondsmanagement en het - beheer van LISE is daarom op basis van een subsidierelatie belegd bij EnergieSamen/ Nationaal Groenfonds. Er zijn in de subsidiebeschikking geen specifieke prestatieafspraken (KPI's) vastgelegd.
Investeringsstrategie en - voorwaarden •
Een leenfaciliteit met een kwijtscheldingsoptie lijkt in een behoefte bij de doelgroep te voorzien. LISE draagt bij aan het financierbaar maken van investeringsproposities;
•
Het instrument is in belangrijke mate additioneel aan ander stimuleringsinstrumentarium (lokaal, provinciaal, nationaal). Vanuit een andere (instrumentele) insteek, streeft de Energie in de wijk Challenge ook naar een verdere professionalisering van de Haagse projectproposities;
•
De leningcondities worden - ook door de doelgroep - over het algemeen positief beoordeeld. De 10% succesfee stuit evenwel op onbegrip en weerstand. De meerwaarde van de extra te verwachten inkomsten staat niet in verhouding tot de gewenste laagdrempeligheid voor initiatiefnemers;
Investeringsproces •
Projectsourcing en acquistitie waren eng en daarmee kwetsbaar bij eén persoon binnen de gemeentelijke organisatie belegd;
•
De opstelling van de fondsmanager - zeker na interne personele wijzigingen - wordt ervaren als formeel en daarmee reactief ten aanzien van projectsourcing en acquisitie;
•
Het proces van business development - in termen van communicatie, scouten, begeleiding en preselectie van proposities door betrokken gemeentelijke afdelingen en diensten voorafgaand aan doorgeleiding naar de fondsmanager - was niet optimaal ingeregeld;
Evaluatie pilot LISE-fonds | 25
•
Het niet maken van sluitende afspraken ('service level agreement') over projectsourcing en acquisitie - het meest cruciale onderdeel van het proces - is de gemeente, maar zeker ook de fondsmanager verwijtbaar. Er is geen regie getoond in het proces, er zijn geen afspraken vastgelegd, en geen - dan wel in een laat stadium - knelpunten op tafel gelegd;
•
De subsidiebeschikking van de gemeente aan Nationaal Groenfonds (als penvoerder) bevat te weinig kaders en verplichtingen om bijvoorbeeld in relatie tot projectsourcing en acquisitie goed te kunnen sturen.
Communicatie en afstemming •
Het instrument was niet breed bij de doelgroep bekend. De communicatie over het instrument was beperkt. De vraag werpt zich op of LISE wel voldoende, voldoende breed onder de doelgroepen en als instrument ook voldoende onderscheidend in de markt is gezet;
•
LISE was niet goed bekend binnen betrokken gemeentelijke afdelingen en diensten, kennis over en potentiële meerwaarde van het fonds was onvoldoende in beeld, van brede onderlinge afstemming lijkt nauwelijks sprake te zijn geweest. De vraag werpt zich op of er wel voldoende enthousiasme en draagvlak voor LISE bestond;
•
Er zijn - en worden - diverse initiatieven ontplooid om in relatie tot energietransitie tot een betere onderlinge informatie-uitwisseling tussen en afstemming met betrokken gemeentelijke afdelingen en diensten te realiseren;
•
Er was geen sprake van brede, structurele informatie-uitwisseling met/ afstemming tussen betrokken afdelingen en diensten van de gemeente - HEID - EnergieSamen/ Nationaal Groenfonds.
Toezicht en verantwoording (governance) •
Het toezichthoudende Investeringscomité was zich in onvoldoende mate bewust van haar formele verantwoordelijkheden. Dit lijkt in belangrijke mate veroorzaakt te zijn door een (initieel) gebrek aan kennis, voorbereiding en sturing van de zijde van de fondsmanager;
•
Het toezicht door DSO-Wonen/ HEID op de dagelijkse operatie van het fonds was reactief;
•
In de gemeentelijke subsidiebeschikking aan HEID in relatie tot de beschikbaarstelling van het fondskapitaal van LISE zijn geen voorwaarden gesteld met betrekking tot tussentijdse inhoudelijke en financiële voortgangsrapportages. HEID heeft geen tussentijdse voortgangsrapportage aan het college van BenW aangeboden;
•
Hetzelfde doet opgeld ten aanzien van de gemeentelijke subsidiebeschikking aan Nationaal Groenfonds (als penvoeder) in relatie tot het fondsmanagement en -beheer van LISE;
•
In de leningovereenkomst tussen HEID en penvoeder Nationaal Groenfonds zijn verplichtingen opgenomen ten aanzien van (onder meer) tussentijdse voortgangsrapportages en het organiseren van een evaluatie. Daar is in formele zin niet door het Nationaal Groenfonds aan voldaan. Wel was HEID - en ook DSO-Wonen - op basis van de voortgangsoverleggen op de hoogte van de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering en inhoudelijke en financiële resultaten van LISE.
Evaluatie pilot LISE-fonds | 26
4.
Rekenkamer Den Haag
In dit hoofdstuk wordt specifiek ingegaan op kernvraagstukken en keuzes die in de 'Handreiking revolverende fondsen' door de Rekenkamer Den Haag worden genoemd. Paragraaf 4.1 focust zich in de analyse daarbij op vier kernvraagstukken - en bijbehorende keuzes - die in het kader van deze evaluatie aan de orde zijn gesteld. De belangrijkste conclusies daaruit komen in paragraaf 4.2 aan bod.
4.1.
Kernvraagstukken en keuzes
Zoals reeds in paragraaf 2.3 aangegeven is de onderzoeksaanpak van deze evaluatie van de pilot van het fonds LISE mede opgesteld in het licht van een handreiking respectievelijk een onderzoekrapport van de Rekenkamer Den Haag. In de 'Handreiking revolverende fondsen' (15 september 2020) worden zes kernvraagstukken genoemd die van belang zijn bij het opzetten van een revolverend fonds. Het eerste kernvraagstuk - 'Wat is de gemeentelijke taak?' - is naar oordeel van de Rekenkamer Den Haag voldoende beantwoord12. Het derde door de Rekenkamer benoemde kernvraagstuk - 'Wie gaat het fonds beheren?'- valt tegen de achtergrond van de reactie van het college van BenW op het rekenkameronderzoek buiten de scope van het evaluatieonderzoek (zie ook paragraaf 2.3). Onderstaand een overzicht van de bevindingen uit dit evaluatieonderzoek in relatie tot de vier resterende kernvraagstukken.
Kernvraagstuk: Een revolverend fonds of niet? Keuze: Is een revolverend fonds het beste beleidsinstrument? Het fonds LISE is geïnspireerd door het Ontwikkelfonds voor energiecoöperaties dat vrijwel gelijktijdig is ontwikkeld (maar een duidelijk andere inhoudelijke focus en geografische scope kent). Aan het fonds heeft geen doelgroepenonderzoek ten grondslag gelegen.
12
Rekenkamer Den Haag (2022, p. 8). Uitkomsten kort onderzoek LISE revolverend fonds (RK/2022.25 - RIS313422). Rekenkamer Den Haag. Geraadpleegd op 14 juni 2023, van https://denhaag.raadsinformatie.nl/modules/13/overige_bestuurlijke_stukken/786775?parent_event=900977.
Evaluatie pilot LISE-fonds | 27
Uit de interviews komt evenwel het beeld naar voren dat er bij de doelgroep wel duidelijk behoefte is aan een instrument dat op basis van een financiële ondersteuning in de vorm van een lening met optie tot omzetting in een subsidie (kwijtschelding), ondersteuning biedt bij het financierbaar maken van businesscases op het gebied van energietransitie. Een kwantitatieve onderbouwing ontbreekt. De private kapitaalmarkt voorziet niet in een dergelijke vorm van ondersteuning zo blijkt uit de diverse gesprekken, er vindt geen verdringing plaats. Op basis van de staatsteunanalyse van adviesbureau Lysias13 blijkt dat er sprake is van geoorloofde staatssteun.
Kernvraagstuk: Welke mate van revolverendheid willen we en welk fondsvermogen is nodig? Keuze: Wat is de balans tussen economisch resultaat en maatschappelijk rendement? LISE kent een bescheiden revolverend karakter. Het financieel rendement is naar verwachting beperkt zo is onder meer ook aangegeven in de subsidieaanvraag van HEID. Ervaringsgegevens ontbreken echter. Ten tijde van de oprichting van het fonds werd rekening gehouden met een revolverendheidspercentage van gemiddeld 25-40%. Dat lijkt niet onredelijk. Er is immers sprake van een markt waarin financiers ontbreken, niet professionele partijen business cases opstellen en veel tijd verloren gaat in het proces om tot financiering te komen. ,De respondenten geven aan dat het maatschappelijk rendement potentieel groot is. En dat daarmee het bescheiden financiële rendement te rechtvaardigen is. Keuze: Wat is het benodigd fondskapitaal? Het fondsvermogen van de pilot - na aftrek van de kosten voor het fondsmanagement en - beheer bedraagt circa €400.000,-. Bij een eventueel besluit om LISE te continueren zou een opschaling van LISE naar €2 - €3 miljoen aan de orde kunnen zijn, zo geeft de subsidieaanvraag van HEID aan.
De fondsomvang van de pilot is gebaseerd op verwachtingen en aannames ten aanzien van het tijdstip van de "opening van het loket", het aantal te verwachten uitzettingen en het daarmee gemoeide gemiddelde investeringsbedrag. De aangegeven benodigde fondsomvang na het eventuele besluit tot continuering en opschaling van LISE is indicatief en kent daarom ook een grote bandbreedte. Het is zeer aan te bevelen om de optimale fondsomvang, in het kader van de voorbereiding van de (principe) besluitvorming over een eventuele continuering van LISE, op basis van kwantitatief onderzoek te bepalen. Hetzij in de vorm van een kapitaalmarktonderzoek, of in geval het wenselijk is een eventuele optie voor een fondsstorting mede op basis Europese structuurfonds en investeringsmiddelen open te houden - een ex ante beoordeling. Een prognose - mede op basis van de ingeschatte revolverendheid - maakt daar integraal onderdeel van uit.
Kernvraagstuk: Wat is de looptijd van het fonds? Keuze: Wat is de looptijd van het fonds? De looptijd van de pilot van het LISE-fonds bedroeg ruim 1 jaar. Het fonds is in maart 2022 gestart en is per april 2023 gesloten. Uit interviews ontstaat geen eenduidig beeld ten aanzien van wenselijkheid van een looptijd van 1 jaar voor de pilotperiode. Enerzijds de opinie dat een looptijd van 1 jaar wellicht aan de korte kant was gezien eerdere ervaringen met de benodigde opstartperiode van andere revolverende fondsinstrumenten. Anderzijds de mening dat een langere periode in weinig effect zou hebben geresulteerd omdat het zeer lastig is de energietransitie-businesscases op te stellen (zie paragraaf 3.2).
13
'Analyse staatssteun en aanbesteden Ontwikkelfonds Wijkinitiatieven Den Haag', December 2020.
Evaluatie pilot LISE-fonds | 28
In de investeringsstrategie van LISE staat vermeld dat de looptijd van het fonds - na uiteraard aanvullende besluitvorming over de eventuele continuering van het fonds - tot maximaal tot 2039 aan de orde kan zijn14. Keuze: Wat is de exit strategie? Ten aanzien van deze keuze staan in deze specifieke LISE context twee vraagstukken centraal. Wanneer beëindigen we (de deelname aan) het fonds en wat wordt gedaan met de resterende fondsmiddelen? Aangezien het een 1 jarige pilot betrof was daarmee de winding up strategie bepaald. De restantmiddelen uit de pilotfase van het fonds zullen conform afspraak op korte termijn terug worden gestort aan stichting HEID. De optimale winding up strategie van LISE dient na een eventueel besluit tot continuering van LISE te worden bepaald. Dit zou eventueel in het kader van een ex ante beoordeling kunnen plaatsvinden.
Kernvraagstuk: Hoe willen we investeren? Keuze: Wat zijn onze investeringsplannen en -criteria? LISE kent een investeringsstrategie (d.d. 20 oktober 2020) welke door de fondsmanager in sterke mate is gebaseerd op het door het college van BenW vastgestelde investeringskader van LISE15. Deze investeringsstrategie is evenwel niet door het Investeringscomité vastgesteld. Zoals aangegeven is de pilot inmiddels beëindigd. Mocht besloten worden tot een eventuele doorstart van LISE dan is er aanleiding om het gemeentelijke investeringskader - en dus ook de daarop gebaseerde investeringsstrategie - aan te passen, zo is van verschillende zijden vernomen. In paragraaf 3.2 is reeds aangegeven welke zaken daarbij bijvoorbeeld van belang kunnen zijn. Thematische verbreding - eventueel gebaseerd op het Bauhaus model, en/ of bijvoorbeeld een koppeling met het eventueel op te richten Stadmakersfonds,- zou daarbij aan de orde kunnen zijn. Een doelgroepenonderzoek heeft daarbij belangrijke meerwaarde. In het algemeen geldt overigens dat een investeringskader - en de daarvan afgeleide investeringsstrategie van een revolverend fonds - niet in beton is gegoten. (Tussentijdse) wijzigingen zijn uiteraard mogelijk, bijvoorbeeld indien er bijvoorbeeld sprake is van gewijzigde bestuurlijke prioriteitstelling, (beleids)inzichten of marktomstandigheden.
Keuze: Blijft de investeringskracht hetzelfde gedurende de looptijd? Vanuit verschillende respondenten is aangegeven dat het niet wenselijk is om bij een eventueel vervolg van LISE de investeringskracht gedurende de looptijd van het fonds gelijk te laten zijn. Deze mag afnemen. Eventueel zou op basis van separate besluitvorming, bijvoorbeeld naar aanleiding van tussentijdse voortgangsrapportages en/of - evaluaties, besloten kunnen worden tot aanvullende kapitaalstortingen. Ook hier kan een ex ante beoordeling inzicht bieden.
14
Niet kon worden achterhaald waarom juist voor dit moment is gekozen.
15
Deze is tevens ter informatie aan de gemeenteraad voorgelegd.
Evaluatie pilot LISE-fonds | 29
4.2.
Conclusies
Kernvraagstuk: Een revolverend fonds of niet? •
Uit de interviews komt het beeld naar voren dat er bij de doelgroep behoefte bestaat aan een instrument, dat op basis van financiële ondersteuning in de vorm van een lening (met optie tot omzetting in een subsidie (kwijtschelding)) ondersteuning biedt bij het financierbaar maken van businesscases op het gebied van energietransitie. Een kwantitatieve onderbouwing van deze behoefte ontbreekt evenwel;
•
De private kapitaalmarkt voorziet niet in een dergelijke vorm van ondersteuning, er vindt geen verdringing plaats;
•
Voor LISE is een staatsteunanalyse opgesteld. LISE is zodanig ingericht dat "geoorloofde staatssteun" kan worden versterkt.
Kernvraagstuk: Welke mate van revolverendheid willen we en welk fondsvermogen is nodig? •
Een revolverendheidspercentage van LISE van gemiddeld 25-40% lijkt gezien het type initiatieven dat wordt ondersteund acceptabel;
•
Respondenten geven aan dat het maatschappelijk rendement potentieel groot is. En dat daarmee de beperkte revolverendheid van het fonds te rechtvaardigen is;
•
Het verdient duidelijk aanbeveling om de optimale omvang van het fondsvermogen van LISE op basis van een kapitaalmarktonderzoek dan wel een zogenaamde ex ante beoordeling te bepalen. Een prognose - mede op basis van de ingeschatte revolverendheid - maakt daar integraal onderdeel van uit.
Kernvraagstuk: Wat is de looptijd van het fonds? •
De optimale winding up strategie van LISE worden idealiter bepaald eerst na een eventueel (principe)besluit tot continuering van LISE. Eventueel op basis van een ex ante beoordeling.
Kernvraagstuk: Hoe willen we investeren? •
Mocht besloten worden tot een eventuele doorstart van LISE dan lijkt het wenselijk het investeringskader - en de daarop in sterke mate gebaseerde (concept-)investeringsstrategie - aan te passen, Thematische verbreding - eventueel gebaseerd op het Bauhaus model en/of bijvoorbeeld een koppeling met het eventueel op te richten Stadmakersfonds - zou daarbij aan de orde kunnen zijn. Een doelgroepenonderzoek is daarbij van belangrijke meerwaarde;
•
Het wordt niet noodzakelijk geacht dat de investeringskracht van het fonds op een gelijk niveau blijft.
Evaluatie pilot LISE-fonds | 30
5.
Aanbevelingen
Dit evaluatierapport sluit af met diverse concrete aanbevelingen. In paragraaf 5.1 komen de aanbevelingen in relatie tot hoofdstuk 3 - Onderzoeksresultaten - aan de orde. De aanbevelingen in relatie tot hoofdstuk 4 - Rekenkamer Den Haag - staan in paragraaf 5.2 vermeld.
5.1.
Aanbevelingen - Onderzoeksresultaten (hoofdstuk 3)
Inhoudelijke en financiële voortgang, fondsmanagement en -beheer Indien wordt besloten LISE te continueren (op basis van een revolverend fondsconstruct) wordt aanbevolen het fondsmanagement en het - beheer openbaar aan te besteden. Bij een formele aanbesteding zijn meer prikkels aanwezig voor een fondsmanager om risico's beter te doorgronden en afspraken (onder meer met betrekking tot 'service level') vast te leggen. Het is in de contractuele vastlegging daarbij van groot belang prestatieafspraken (KPI's) op te nemen.
Investeringsstrategie en - voorwaarden Geadviseerd wordt een eventueel besluit tot continuering van LISE mede op basis van een kapitaalmarktonderzoek (of een ex ante beoordeling16) en een doelgroepenonderzoek te nemen Daarmee wordt immers inzicht gecreëerd ten aanzien van (onder meer) inhoudelijke scope, gewenste aard en omvang van de ondersteuning aan de doelgroep, gewenste omvang van het instrument en de toepasselijke
instrumentering
en
optimale
uitvoering
van
het
(financierings)instrument.
Een
staatssteunanalyse maakt integraal deel uit van een ex ante beoordeling. Ten aanzien van de inhoudelijke scope bijvoorbeeld kan worden onderzocht of er behoefte is bij de doelgroep aan een thematische verbreding van het instrument. In de interviews werd naast energietransitie bijvoorbeeld ook het thema duurzaamheid genoemd. Een eventuele thematische verbreding in het vervolg van LISE kan tevens gevonden worden in de thema’s die in het Europese Bauhaus initiatief centraal staan en bijvoorbeeld ook een koppeling met het potentieel op te richten Stadmakersfonds behoort tot de mogelijkheden. Belangrijk is dat de inhoudelijke verbreding voorziet in de behoefte vanuit de vraagkant. Thematische verbreding is daarom alleen aan te raden wanneer een doelgroepenonderzoek hier aanleiding toe geeft.
16
Een ex ante beoordeling is verplicht indien het voornemen bestaat om bij de kapitalisering van een financieringsinstrument een beroep te doen op Europese Structuur en Investeringsfondsmiddelen. Een ex ante beoordeling is duidelijk meeromvattend dan een "regulier" kapitaalmarktonderzoek.
Evaluatie pilot LISE-fonds | 31
Instrumentering Ten aanzien van de toepasselijke instrumentering verdient het naar aanleiding van de ervaringen van de pilot aanbeveling in het kader van een ex ante beoordeling ook te onderzoeken of een revolverend fondsconstruct in deze situatie wel het meest optimale uitvoeringsinstrument is. Een revolverend fonds is immers qua governance en beheer een relatief "zwaar" instrument en leent zich wellicht minder voor relatief kleinschalige leningen in deze specifieke context. Een subsidie in de vorm van een terug te betalen, achtergestelde lening zou mogelijk een goed alternatief kunnen zijn. Evenzeer verdient het aanbeveling LISE in de context van bestaand stimuleringsinstrumentarium nader te bezien. Wat voegt LISE toe aan het bestaande instrumentarium? financieringsopties
en
qua
instrumentering
bijvoorbeeld.
Qua
Haagse,
thematische scope, qua
nationale
en
provinciale
stimuleringsinstrumenten "concurreren" op onderdelen LISE. Uit de interviews komt evenwel het beeld naar voren dat - hoewel er op onderdelen inderdaad sprake is van een zekere overlap - de verschillende financiële ondersteuningsmogelijkheden voor initiatiefnemers in de gemeente Den Haag elkaar eerder lijken aan te vullen dan te beconcurreren. Desalniettemin verdient het aanbeveling de instrumentering ten aanzien van het stimuleren van energietransitie op onderlinge complementariteit te onderzoeken en eventueel aanpassingen door te voeren
Investeringsvoorwaarden Het is de vraag op of de functionaliteit van de 10% succesfee (bedoeld om de revolverendheid van LISE enigszins op peil te houden in combinatie met een zekere mate van 'skin in the game' effect) opweegt tegen de drempel die deze 10% om meerdere redenen voor initiatiefnemers opwerpt. Aanbevolen wordt dit element bij een eventuele continuering van LISE nadrukkelijk te heroverwegen.
Investeringsproces Het investeringsproces in de pilot van LISE beperkte zich tot projectsourcing en acquisitie. Het verdient sterk aanbeveling om sluitende (service level) afspraken te maken tussen fondsmanager en gemeente om dit cruciale onderdeel van het investeringsproces goed te beleggen. Binnen de gemeentelijke organisatie was de "linking pin positie" tussen de verschillende gemeentelijke diensten en afdelingen enerzijds en de fondsmanager anderzijds kwetsbaar bij een persoon belegd. Het verdient daarom aanbeveling bij een mogelijk vervolg van LISE deze centrale positie steviger in de organisatie te verankeren en tot een duidelijke taakafbakening te komen.
Communicatie en afstemming Uit de opgehaalde casuïstiek blijkt dat een deel van de inwoners de weg binnen de gemeente niet goed weet te vinden. Daarnaast zijn er vele wegen binnen de gemeente. Juist omdat laagdrempeligheid en verbinding erg belangrijk zijn om op grotere schaal wijkbewoners te bereiken en in actie te krijgen in relatie tot energietransitie - is dit een belangrijk aandachtpunt. In het verlengde van Duurzame stad Den Haag en initiatieven gericht op de optimalisering van de ambtelijke samenwerking verdient het aanbeveling om het concept 'one stop shop' loket op meerwaarde te onderzoeken.
Evaluatie pilot LISE-fonds | 32
De bekendheid van LISE onder de doelgroep van LISE was beperkt. Dit roep de vraag op of LISE wel voldoende, voldoende breed onder de doelgroepen en als instrument ook voldoende onderscheidend in de markt is gezet. Aanbevolen wordt dit aspect specifiek aandacht te geven bij een eventuele continuering van LISE. Ook de bekendheid van LISE in de gemeentelijke organisatie was niet optimaal. Het fonds leefde niet echt, inhoudelijk kennis over en inzicht in de potentiële meerwaarde van het fonds was maar bij een enkeling aan de orde. Voor zover bekend is de lancering van LISE in relatieve stilte verlopen. Het verdient daarom aanbeveling LISE bij een eventueel vervolg ook actief intern te communiceren om zodoende kennis over het instrument en draagvlak en enthousiasme voor het instrument bij de medewerkers te stimuleren. Het verdient aanbeveling om bij een eventuele doorstart van LISE structureel afstemmingsoverleg te beleggen tussen de meest bij de uitvoering van LISE betrokken partijen: DSO-Wonen, DPZ, fondsmanager en stichting HEID.
Toezicht en verantwoording (governance) Het verdient sterk de aanbeveling om in een eventuele gemeentelijke subsidiebeschikking die strekt tot het verstrekken van additioneel fondskapitaal ten behoeve van LISE expliciete voorwaarden op te nemen ten aanzien van de frequentie en inhoud van tussentijdse voortgangsrapportages. En in het verlengde daarvan verdient het aanbeveling ervoor zorg te dragen dat ook actief toezicht wordt gehouden op het daadwerkelijk nakomen van deze verplichtingen. Het verdient nadrukkelijk aanbeveling dat het toezichthoudende Investeringscomité onmiddellijk bij de eventuele (door)start van LISE zowel het Reglement van Orde van het Investeringscomité als de investeringsstrategie van LISE ter vaststelling wordt voorgelegd. Overweeg een onafhankelijk vakexpert in het Investeringscomité op te nemen.
5.2.
Aanbevelingen - Rekenkamer Den Haag (hoofdstuk 4)
Kernvraagstuk 'Een revolverend fonds of niet?' Aanbevolen wordt een doelgroepenonderzoek en een kapitaalmarktonderzoek (of een zogenaamde ex ante beoordeling) uit te voeren. Op basis daarvan kan een beter gefundeerde keuze worden gemaakt voor het type financieel ondersteuningsinstrument (bijvoorbeeld een revolverend fonds, een subsidieregeling met terugbetaalverplichting of anderszins) en kan deze optimaal worden gericht ten aanzien van (onder meer) doelgroep, breedte van thematiek, gewenste aard en omvang van financiële ondersteuning en optimale uitvoering.
Kernvraagstuk: 'Welke mate van revolverendheid willen we en welk fondsvermogen is nodig?' Een propositie opwerkfonds als LISE kent vrijwel per definitie een beperkte revolverendheid (een negatief financieel rendement) - maar een (potentieel) groot maatschappelijk rendement. Juist het grote maatschappelijke
rendement
is
een
belangrijke
legitimatie
van
een
publiek
gefinancierd
financieringsinstrument. Aanbevolen wordt te streven naar een beperkte revolverendheid - en dus een bescheiden financieel rendement - waarbij het percentage (binnen een zekere bandbreedte) te bepalen is op basis van een ex ante beoordeling. Aanbevolen wordt voorts op basis van een ex ante beoordeling een optimale fondsomvang te bepalen.
Evaluatie pilot LISE-fonds | 33
Kernvraagstuk: 'Wat is de looptijd van het fonds?' Een looptijd van LISE tot maximaal 2039 (zoals aangegeven in de investeringsstrategie) is nog ver weg. Aanbevolen wordt de looptijd mede af te stemmen op de gemeentelijke beleidshorizon ten aanzien van het inhoudelijke thema waarop LISE ondersteuning biedt (actueel energietransitie). En daarbij ook rekening te houden met de formele vereisten in relatie tot eventuele externe (bijvoorbeeld Europese) kapitalisering van het fonds. Ten aanzien van de winding up strategie wordt aanbevolen deze mede te koppelen aan de inzichten die een eventueel uit te voeren ex ante beoordeling zal opleveren. Een tussentijdse winding up zou ook op basis van een tussentijdse evaluatie van het fonds aan de orde kunnen zijn.
Kernvraagstuk: Hoe willen we investeren? Aanbevolen wordt het investeringskader - en de daarop te baseren investeringsstrategie - op te stellen mede op basis van de resultaten van het doelgroepenonderzoek en de ex ante beoordeling. Eén en ander uiteraard binnen de contouren van de gemeentelijke beleidsambities en - finaal - bestuurlijke besluitvorming. Overigens is het eveneens van belang rekening te houden met de inhoudelijk en formele vereisten in relatie tot eventueel gewenste externe (bijvoorbeeld Europese) kapitalisering van het financieringsinstrument. Ten aanzien van de investeringskracht van een propositie opwerkfonds als LISE wordt aanbevolen deze te laten afnemen. Eventueel zou op basis van separate besluitvorming, bijvoorbeeld naar aanleiding van tussentijdse voortgangsrapportages en/of - evaluaties, besloten kunnen worden tot een aanvullende kapitaalstorting.
Evaluatie pilot LISE-fonds | 34
Bijlagen 1. Kenschets LISE 2. Overzicht respondenten
Evaluatie pilot LISE-fonds | 35
Bijlage 1
Kenschets pilot fonds-LISE Het Lokaal Initiatievenfonds Schone Energie (LISE) heeft tot doel om een deel van de aanloopkosten in het voortraject van (kleinschalige) Haagse energiebesparingsinitiatieven voor te financieren. Ook kleinschalige duurzame opwekinitiatieven worden ondersteund. Dit met als oogmerk de businesscase gericht op de daadwerkelijk realisatie van het initiatief financierbaar te maken (waarbij bijvoorbeeld financiering kan wordt verstrekt door private marktpartijen of Energiefonds Den Haag). Tot de doelgroep van LISE behoren vereniging of samenwerkingsverband van wijkbewoners, lokaal MKB (micro of klein17), (sport)verenigingen en VvE’s. Onder aanloopkosten vallen onder meer de kosten voor personele ondersteuning (projectbegeleider), technische of economische haalbaarheidsstudeis en begeleiding bij het aanvragen van de benodigde vergunningen.. Het voorfinancieren doet LISE met behulp van een lening tegen gunstige voorwaarden, te weten: •
Leenbedrag tussen € 5.000 en € 25.000;
•
Eigen bijdrage van minimaal 30% door inbreng van eigen middelen of inzet van vrijwilligersuren tegen een fictief tarief van 65 euro per uur;
•
Wanneer aan het eind van het in het voortraject blijkt dat de businesscase financierbaar is (en dus ook de benodigde vergunningen e.d. zijn verkregen), dan moet het volledige leenbedrag worden terugbetaald met daarbovenop een eenmalige ‘succesfee’ van 10%. Wanneer aan het eind van de voortraject blijkt dat een project onverhoopt niet door kan gaan of onuitvoerbaar is, dan wordt de verstrekte lening omgezet in een subsidie (gift/kwijtschelding).
Op deze manier bevordert LISE de energietransitie in de gemeente Den Haag conform het Stedelijk Energieplan (2020). Het doel van de éénjarige pilot was kortweg de opzet van het revolverend fonds (de "constructie"), het ontwikkelen van een projectenpijplijn en het proefdraaien van het fonds. Op basis van de leerervaringen zou na evaluatie en aanvullende besluitvorming kunnen worden doorgepakt met een groter fonds voor een langere termijn. Bij het LISE fonds zijn verschillende actoren betrokken met elk hun eigen rol in relatie tot een initiatief dat een lening aanvraagt. Ten eerste is er de gemeente Den Haag. Zij is verantwoordelijk voor het aanjagen en de acquisitie van proposities om daarmee een goed gevulde projectenpijplijn te bewerkstelligen. Hiertoe zorgt primair de gemeente voor een passende communicatie naar de doelgroep over het bestaan van het LISE fonds. Ook zoekt zij actief naar kansrijke initiatieven. Wanneer een initiatief zich eenmaal bij het LISE fonds heeft aangemeld komt de fondsmanager, EnergieSamen, formeel in beeld. Zij staan naast de aanvrager en ondersteunen de initiatiefnemer bij het opstellen van de aanvraag voor LISE. Wanneer de fondsmanager van oordeel is dat de aanvraag compleet is en de aanvraag daadwerkelijk bijdraagt aan het financierbaar maken van de propositie, draagt zij deze ter controle aan bij de fondsbeheerder, het Nationaal Groenfonds.
Het Nationaal Groenfonds beoordeelt de aanvraag aan de hand van de formele vereisten van LISE..
17
Minder dan 50 werknemers (personen) EN hoogstens 10 miljoen euro jaaromzet EN/OF jaarbalans kleiner of gelijk aan 10 miljoen euro.
Evaluatie pilot LISE-fonds | 36
Bij leningen boven de 20.000 euro wordt tevens advies gevraagd aan de investeringscomité voordat de lening wordt versterkt. Deze extra check bevordert het onafhankelijk toezicht en risicobeheer bij majeure investeringen.
Evaluatie pilot LISE-fonds | 37
Bijlage 2
Overzicht respondenten
Evaluatie pilot LISE-fonds | 38