CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS319905 Bijlage 1 Nota van Uitgangspunten Hofzichtlaan Het Kleine Loo

Gemeenteraad 23 januari 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Nota van Uitgangspunten Hofzichtlaan-Het Kleine Loo (RIS319905)16.268 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Deze soorten zijn voor hun verblijfplaatsen afhankelijk van onze gebouwde omgeving. De dieren en hun verblijfplaatsen zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. In het SMP wordt de te volgen werkwijze beschreven voor verduurzaming/renovatie/ onderhoud/sloop van het vastgoed van de corporaties en de gemeente. Er zijn mitigerende maatregelen opgenomen en een compensatieopgave voor verblijfplaatsen. Naar alle waarschijnlijkheid zal begin 2024 een ontheffing worden aangevraagd bij de Omgevingsdienst Haaglanden. Groenplan: De corporatie dient een groenplan te maken,

passend bij, en aanvullend op, de groene structuren en natuurwaarden in de omgeving: • Het uitgangspunt is om gezonde bomen zoveel mogelijk te handhaven of te verplanten of, als het echt niet anders kan, te herplanten. In dat geval is een boomwaardetaxatie verplicht, ook voor een eventuele kapvergunningsprocedure. • Eventueel groenverlies en de voor de ontwikkeling eventueel noodzakelijk te kappen bomen worden daarin gecompenseerd. • Compensatie van groen op de locatie is mogelijk door dubbelgrondgebruik (groene daken, balkons, pergola’s of gevelgroen), door extra waterberging te maken en door punten te scoren op Natuurinclusief bouwen. • Voor compensatie van bomen die deels buiten de locatie plaatsvinden dient een voorstel uitgewerkt te worden. De inrichting van de groenstroken direct grenzend aan de locatie en de omliggende buitenruimte dienen in het groenplan meegenomen te worden. • Voor de soortkeuze van nieuwe bomen is de Haagse sortimentslijst van toepassing. Bij de vergroening van het terrein dient speciale aandacht te zijn voor het niet aanlichten van het groen in verband met het vleermuisnetwerk. Natuurinclusief bouwen • De gemeente wil groen- en natuurinclusief bouwen in de stad stimuleren.

Dit levert een bijdrage aan de biodiversiteit, aan de klimaatopgave door vermindering van hittestress en wateroverlast, aan de mogelijkheden voor natuurbeleving in de stad en daarmee samenhangend aan het welzijn en de gezondheid van mensen. De ontwikkeling aan de Ametisthorst wordt, op basis van zijn omvang en/of bouwhoogte, beschouwd als middelgrote ontwikkeling. • De ontwikkeling dient conform het besluit over het Puntensysteem Groen- en natuurinclusief bouwen (RIS301953) te worden uitgevoerd. Er moeten maatregelen toegepast worden uit drie categorieën: groene daken/ groene gevels, verblijfplaatsen en omgevingsmatregelen. Het volgende puntenaantal dient te worden behaald: • 4 punten voor groene gevels en daken/ groene gevels • 3 punten voor verblijfsplaatsen • 4 punten voor omgevingsmaatregelen.

•

•

Verder is het verplicht om een ecoloog (eventueel aangevuld met een landschapsarchitect en/of gespecialiseerde hovenier) te betrekken bij de planontwikkeling en om een beheer-en onderhoudsplan te maken. De ecoloog bepaalt op welke wijze de maatregelen uit het puntensysteem worden toegepast. Speciale aandacht voor het realiseren van vleermuisverblijfplaatsen met een massawinter- en kraamverblijfsfunctie in verband met de wettelijke instandhoudingsplicht voor het behoud van vleermuizen voor Den Haag (zie ook paragraaf 6.6.5). De randvoorwaarden voor verblijfplaatsen zijn opgenomen in de randvoorwaardentabel behorende bij het puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen (RIS301953). Overleg met de stadsecoloog is vereist.

• EIS: Bij nieuwbouw stellen we de eis dat er 50mm van een korte hevige bui van 70mm in 1 uur op privaat terrein tijdelijk kan worden opgevangen en dat na minimaal 24 en maximaal 48 uur de bergingscapaciteit weer beschikbaar is. • EIS: Bij nieuwe ontwikkelingen is de ambitie dat we waterrobuust bouwen: Een waterrobuust ontwerp op het niveau van het gebouw voorkomt/ beperkt waterschade bij extreme neerslag (bijvoorbeeld geen vitale of kwetsbare functies in kelders). We wijzen ontwikkelende partijen in de stad op de uitgevoerde stresstesten, zodat ze zelf aanvullende maatregelen kunnen nemen (om bijvoorbeeld schade bij een nog extreem heviger bui van 100mm/2 uur te voorkomen). • Houd regenwater vast op de locatie waar het valt (dak, maaiveld). Het bergen van dit water kan bijvoorbeeld in bufferingssystemen, groene daken, vijvers en/ of onverharde oppervlaktes. Probeer vervolgens het geborgen water, waar mogelijk, te infiltreren in de ondergrond. Indien dit niet mogelijk of wenselijk is zorgt dat het water hergebruikt wordt. • Voor hergebruik van regenwater kun je denken aan toepassingen binnen een gebouw zoals het gebruik van grijswater stromen voor functies in het pand maar ook aan toepassingen op de kavel zoals beregenen van beplanting. Hiermee verminder je de vraag naar drinkwater.

Als bovenstaande maatregelen niet (voldoende) mogelijk zijn, kan het overschot aan regenwater vertraagd worden afgevoerd. • De voorkeursvolgorde voor afvoer is eerst naar de bodem, dan via een regenwatersysteem naar het oppervlaktewater (polder- en boezemwater) en als het niet anders kan naar de vuilwaterriolering.

Klimaatadaptatie De afgelopen jaren is klimaatverandering voor iedereen tastbaar geworden: droge en hete zomers, maar ook extreme buien komen steeds vaker voor. Om de toekomstige bewoners en gebruikers van deze locatie een groene, toekomstbestendige en leefbare leefomgeving te bieden, dienen de ontwerpprincipes uit de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig (RIS 3087454) te worden gehanteerd. Daarnaast hanteren we op de thema’s neerslag, hitte en droogte specifieke prestatie-eisen. Deze prestatie-eisen dragen bij aan het vergroten van de klimaat robuustheid en de sponswerking van de stad. De Ametisthorst ligt in een opgehoogde voormalige veenpolder. De grondwaterstanden zijn hier relatief hoog. In de openbare ruimte zijn momenteel geen problemen met water bij hevige neerslag, maar uit oogpunt van milieukwaliteit heeft het de voorkeur om zo min mogelijk water te lozen op het riool om het bestaande gemengde rioolstelsel te ontlasten en riooloverstortingen te minimaliseren. •

EIS: Groen, tenzij-principe. Vergroening is één van de meest effectieve klimaatadaptieve oplossingen, omdat vergroening meerdere doelen dient: het vermindert wateroverlast, hitte én droogte. Vooral ontharden (‘stenen eruit’) en vergroenen (‘groen erin)’ zijn hierbij belangrijk. Groene, beplante oppervlaktes warmen minder op dan verharde oppervlakten. Hierdoor wordt minder warmte vastgehouden en uitgestraald.

•

Er dient rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van wateroverlast:

•

Er dient rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van hittestress: • EIS: Bij nieuwbouw is de ambitie dat we hitte-robuust

NVU HOFZICHTLAAN - HET KLEINE LOO

25

•

bouwen: Maak zon georiënteerde gevels warmtewerend en/of groen en voorkom dat koelsystemen de (verblijfs) ruimte in directe omgeving opwarmen. Zorg daarbij voor hittebestendige hoofdinfrastructuur en andere nutsvoorzieningen, zoals waterleidingen, elektriciteit etc. • EIS: De ambitie is om 40% van de buitenruimte in te richten middels groen, warmtewerende materialen en/ of water; bij verblijfsplekken hanteren we een zon/ schaduwverhouding van 50% - 50% op de hoogste stand van de zon op 21 juni om 12 uur. • Stedelijk groen, zoals bomen, struiken en lage beplanting, die goed voorzien zijn van water in de bodem, genereert koelte in de directe omgeving. Bovendien wordt door het waarnemen/zien van groen op ooghoogte hitte als minder belastend ervaren. Zorg daarom voor groen op verschillende hoogtes; bijvoorbeeld ook door gevelgroen en klimplanten. • De gevoelstemperatuur wordt in grote maten beïnvloed door straling. Zorg daarom voor groene, schaduwrijke plekken in de omliggende ruimte (parkeerplaats, (binnen) groene tuin), die op hete dagen voor verschillende doelgroepen goed bereikbaar zijn. • Schaduw door grote bomenkronen en gevelbeplanting voorkomt opwarming van verharde oppervlakten en biedt koelte.

Om ook in het voor- en najaar en voor verschillende doelgroepen in de zomer bij de hoogste zonnestand prettige plekken in de openbare ruimte te bieden, wordt als richtlijn meegegeven een mix aan schaduw (40%), zon (40%) en halfschaduw/zon (20%), aan te leggen. • Daarnaast kan de keuze van materialen warmteaccumulatie voorkomen. Gebruik indien mogelijk materialen met een hoge albedo-factor (reflectiefactor van een materiaal) en een lage absorbtie-waarde (minder warmtevasthoudende materialen, bijvoorbeeld hout).

26

NVU HOFZICHTLAAN - HET KLEINE LOO

Massa, kleur en textuur is daarbij van invloed op de opname en afgifte/ uitstraling van warmte. Er dient rekening te worden gehouden met maatregelen ten

5.6 Beeldkwaliteit / Welstandsbeleid Dit NvU bevat naast stedenbouwkundige randvoorwaarden ook uitgangspunten voor het borgen van de ruimtelijke beeldkwaliteit. Deze randvoorwaarden en uitgangspunten zijn opgenomen in de bouwregels en vormen de basis voor het opstellen van het bouwplan. De nieuwbouw dient te voldoen aan de Welstandsnota Den Haag 2017. Van de criteria in deze nota is het algemene criterium A de meest relevante.

aanzien van droogte: • EIS: Droogte wordt beperkt door bij te dragen aan de sponswerking van de stad via oplossingen in groen en bodembuffers. • EIS: In het plangebied is de ambitie om 50% (450 mm) van de jaarlijkse neerslag te infiltreren en/of te hergebruiken. • Kies waar mogelijk voor groene oppervlakten of waterdoorlatende verharding om regenwater vast te houden en tijdelijk te bergen. Op die manier wordt door middel van infiltratie het grondwater aangevuld en zal regenwater op een natuurlijke manier in de bodem wegzakken. • Regen- en oppervlaktewater kan ook actief op locatie vastgehouden worden, bijvoorbeeld door ondergrondse waterbuffering. Wensbeeld is om (regen)water dat lokaal is geborgen weer lokaal wordt hergebruikt voor beregening en irrigatie. • Richt het gebied droogtebestendig in; pas bomen en beplanting toe die goed tegen langdurige droogte kunnen. Essentieel voor het goed functioneren van de bomen zijn de soortenkeuze (toekomstbestendige soorten), goede groeiomstandigheden en de beschikbaarheid van water in de grond. • Houd ook rekening met de verwachte grondwaterstanden tijdens droogteperiodes en de zoetwaterbeschikbaarheid vanuit het oppervlaktewatersysteem van het gebied.

A. Een bouwwerk vertoont samenhang op alle schaalniveaus: in materialen, kleuren en detaillering, in geleding en verhoudingen, in volumeopbouw en schaal, en in de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan. De locatie heeft vier zijden met elk eigen kenmerken. De nieuwbouw gaat deel uitmaken van het staatwand van Het Kleine Loo, de straatwand van Ametisthorst en Kornalijnhorst en heeft een kop aan de Hofzichtlaan. De nieuwbouw moet in zichzelf samenhangend zijn, maar ook in reactie op en in samenhang met de kenmerken van elk van de zijden ontworpen worden. In het bijzonder is de nieuwbouw een toevoeging aan het ensemble van vijf blokken tussen Kornalijnhorst en de Hofzichtlaan. De nieuwbouw moet in samenhang met dat ensemble ontworpen worden.

Vogelvluchtperspectief van de i.r.t. de ritme van de achterliggende gebouwen NVU HOFZICHTLAAN - HET KLEINE LOO

27

6. SECTORALE BELEIDSKADERS 6.1 Vigerend juridisch kader Het bestemmingsplan Mariahoeve heeft Ametisthorst 425 consoliderend flexibel bestemd. Dat betekent dat met de vigerende bestemming Maatschappelijk nu de volgende functies mogelijk gemaakt worden: jeugd-/kinder-/buitenschoolse opvang, peuterspeelzalen, onderwijs, openbare dienstverlening, levensbeschouwelijke voorzieningen, speelvoorzieningen, welzijnsinstellingen en gezondheidszorg. De bebouwing op de betreffende gronden is flexibel bestemd, middels een bebouwingspercentage. Er is een groot bouwvlak dat voor 40% bebouwd mag worden, met een bouwhoogte tot 4 m hoog. Dit is vergelijkbaar met de huidige bestaande bebouwing.

Dat vraagt om ruimte voor innovatieve milieus, met ontmoetingen experimenteerruimte, en aantrekkelijke vestigingsmilieus voor starters, studenten, creatievelingen, kenniswerkers en (stedelijke) gezinnen en ondernemende mensen.

Het belang van veel lopende projecten wordt met deze agenda benadrukt. Goede uitvoering met ook oog voor de tijdelijke situatie vraagt een enorme inzet. Daarnaast zullen op basis van deze agenda nieuwe locaties in ontwikkeling worden gebracht. Het betreft zowel het in ontwikkeling brengen van de zachte planvoorraad als nieuwe locaties op basis van deze agenda. Het tot ontwikkeling brengen van deze locaties zal meer dan voorheen in coproductie gebeuren met de stad.

In de Toelichting van het bestemmingsplan wordt aangegeven dat er voor de betreffende locatie wel ruimere beleidskaders beschikbaar zijn, maar dat dit niet vertaald is in een ruimere bestemming of bouwenvelop vanwege het ontbreken van een haalbaar plan ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan in 2013-2014. Relevante teksten over de ruimtelijke opgaven voor de locatie in de Toelichting hebben betrekking op de Nota van Uitgangspunten Het Kleine Loo uit 2011. De uitgangspunten genoemd in deze NVU zijn reeds behandeld in hoofdstuk 4 (Ruimtelijke Visie).

6.2

Stedenbouw en planologie

Agenda Ruimte voor de stad: De Agenda Ruimte voor de stad (RIS295016, door de raad vastgesteld op 15 december 2016) is het richtinggevend document voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad en als zodanig de ruimtelijke onderlegger voor de nog op te stellen Omgevingsvisie. Voor de Agenda Ruimte voor de Stad zijn vier transitieopgaven van belang: 1. De ontwikkeling naar een nieuwe economie; 2. De vraag om een inclusieve en veerkrachtige samenleving; 3. De roep om slimme stadsontwikkeling; 4. De opgave voor de overheid om in dit proces organiserend vermogen te tonen en ruimte te bieden voor maatschappelijk initiatief.

28

NVU HOFZICHTLAAN - HET KLEINE LOO

2. Ruimtelijke kwaliteit, zoals groen, cultuurhistorisch erfgoed en de buitenruimte omdat die in belangrijke mate bijdraagt aan een aantrekkelijke leefomgeving en het economisch vestigingsklimaat. 3. Kwaliteit door integrale samenhang met sociaalmaatschappelijke opgaven, zoals de opgave om sociaaleconomische differentiatie, functiemenging en ruimte voor wijkeconomie te bevorderen in wijken waar dat nodig is gelet op bijvoorbeeld werkeloosheid.

Stedelijke ontwikkeling is geen zaak van de gemeente alleen; allerlei partijen spelen daarin een rol. Bij de uitwerking van de agenda zal inhoud worden gegeven aan het “samen stad maken” langs vier "sporen": ruimte bieden aan initiatieven, co-creatie van ruimtelijke plannen, stadsdebat over de toekomst van de stad en de samenwerking met stakeholders. Er is daarmee ook geen “blauwdrukplanning” aan de orde. Met behulp van principes voor stedelijke ontwikkeling wordt in de Agenda Ruimte voor de Stad aangegeven hoe de ontwikkelingen gestuurd worden: 1. Kwaliteit van het proces door samen stad te maken en waar mogelijk ruimte bieden aan initiatiefnemers. Daarbij hoort ook experimenteerruimte die belangrijk is voor innovatie en dynamiek in de stad en ruimtelijke keuzen om antwoorden te bieden op de stedelijke en regionale opgaven.

Met de agenda kiest Den Haag voor ‘slim groeien’. Dit is nodig in een stad die volgens de prognoses tot 2040 groeit met zo’n 80.000 nieuwe inwoners, maar geen ruimte heeft voor uitbreiding buiten de bebouwde kom. Door slim te groeien wordt Den Haag aantrekkelijker, leefbaarder en duurzamer. Slim groeien betekent onder andere compacter bouwen in het centrum op goed bereikbare plekken, gecombineerd met meer groen in de buitenruimte functiewijzigingen van leegstaande gebouwen naar andere functies waaronder woningen. De vijf hoofdopgaven die in de agenda benoemd worden zijn hieronder vertaald in opgaven die in Mariahoeve en/of in het specifiek op de Ametishorst en omgeving van toepassing zijn: Ruimte voor de buitenruimte: • Prioriteit geven aan fietsers en voetgangers. • Goede verbindingen naar het OV. • Openbare ruimte als ontmoetingsruimte maken. • Vergroenen van de openbare ruimte: meer verblijfsgroen en hoogwaardig groen Ruimte voor stedelijk wonen: • Het toevoegen van nieuw bouwvolume passend in de ruimtelijke structuur van het gebied.

•

Het toevoegen van nieuwe woningen die ruimte geeft voor verschillende doelgroepen en inkomensklassen.

Ruimte voor (nieuwe) economie en toerisme: • Het investeren in ruimtelijke randvoorwaarden voor economische vernieuwing en nieuwe werkgelegenheid. • Het beter benutten van leegstaande (vrijkomende) ruimten door het realiseren van nieuwe functies zoals wonen. Ruimte voor duurzame mobiliteit: • Het stimuleren van vormen van vervoer die weinig ruimte vragen en duurzaam en gezond zijn: met name lopen, fietsen en OV. Ruimte voor energietransitie en klimaatadaptatie: • Het benutten van platte daken en gevels voor zonneenergie installaties. • Vergroenen van de buitenruimte. • Betere waterafvoer en groene daken om daarmee de kans op wateroverlast en hittestress door klimaatverandering te verminderen. Cultuurhistorisch beleid De Rijksdienst voor Erfgoed en Cultuur heeft Mariahoeve benoemd als een van de 14 wijken die toonbeeld van de Wederopbouw zijn, waarbij Mariahoeve uniek is in zijn (Scandinavische) verkaveling in Nederland. Het gaat zodoende vooral om de stedenbouwkundige kwaliteiten en niet in het bijzonder om de architectonische waarden. De gemeente Den Haag heeft deze verkaveling beschermd middels het bestemmingsplan. De afdeling Monumentenzorg heeft een aantal Wederopbouw-gebouwen in de wijk in 2017 benoemd als gemeentelijk monument.

Wijkprogramma Mariahoeve & Marlot (RIS298830) In het Wijkprogramma Mariahoeve en Marlot zijn een aantal prioriteiten opgenomen die van belang zijn: • verbeteren van verhuismogelijkheden binnen Mariahoeve, met extra aandacht voor jonge gezinnen • een buitenruimte met ontmoetingsplekken die uitnodigt voor recreatief gebruik • het stimuleren van betrokkenheid van de bedrijven in de wijk Bestemmingsplan: Mariahoeve, 2014 NVU HOFZICHTLAAN - HET KLEINE LOO

29

en sociaal ondernemerschap

6.3 Wonen Op 2 november 2022 heeft de raad de technische actualisering van de Woonvisie 2007-2030 en Woonagenda 2020-2024 (RIS313365) vastgesteld. Uitgangspunt is dat iedere inwoner fatsoenlijk en betaalbaar kan wonen. Betaalbaar wonen moet haalbaar zijn voor starters, ouderen, studenten én gezinnen. “Haags samen wonen", daar geloven we in. De Woonvisie vormt het actueel woonbeleid van Den Haag en is hiermee een concrete uitwerking van de Woonvisie. Deze NvU valt onder de woonvisie 2007-2030. Belangrijke elementen zijn: • Maatregelen om de sociale huurwoningen in Den Haag beter te verdelen; • Maatregelen om de leefbaarheid in wijken te beschermen door een rem op de bouw van kleine woningen (kleiner dan 50 m²) en het beperken van de mogelijkheid tot bouwkundig splitsen; • Maatregelen voor specifieke doelgroepen waaronder onmisbare beroepsgroepen, woonwagenbewoners, zorgdoelgroepen en studenten. In het coalitieakkoord (RIS316672) zijn extra maatregelen beschreven. Den Haag kampt momenteel namelijk met een enorme woningnood. Den Haag heeft de ambitie om jaarlijks 4.000 nieuwbouwwoningen aan de voorraad toe te voegen. Hierbij gelden een aantal uitgangspunten: • Van de nieuwbouwwoningen is 30% sociale huur, 25% middelhuur en 25% betaalbare koop. Deze normen gelden stadsbreed, per stadsdeel, per wijk, per buurt, per project.

• Niet meer dan 20% van de woningen bestaat uit kleine woningen (<50 m2), met uitzondering van studentenwoningen en zorgwoningen. • Er is in Den Haag een groot tekort aan bepaalde beroepsgroepen zoals leraren, agenten en zorgpersoneel. Daarom experimenteert de gemeente met manieren om deze beroepsgroepen te helpen bij het vinden van huisvesting. Zo maken we het aantrekkelijker om deze beroepen uit te oefenen in Den Haag. • Er komen extra maatregelen voor het huisvesten van specifieke groepen zoals studenten, zorgdoelgroepen, ouderen en arbeidsmigranten.

30

NVU HOFZICHTLAAN - HET KLEINE LOO

10% van de nieuw te bouwen betaalbare koopwoningen wordt gebruikt voor verschillende woonvormen zoals wooncoöperaties, groepswonen, ouderenhuisvesting, zelfbouw en/of collectief particulier opdrachtgeverschap (CPO) (woonvisie 2022) en In de programmering voor middeldure huur en betaalbare koop streven we naar 100 woningen per jaar voor innovatieve woonvormen, zoals particulier opdrachtgeverschap, wooncoöperaties en

groepswonen (zoals cultuursensitieve groepswoonvormen, meergeneratiewoningen). We zetten in op collectieve woonvormen ter bestrijding van eenzaamheid, in het bijzonder voor ouderen en houden rekening met mantelzorg. Dit kan bijdragen aan de doorstroming en biedt daarmee weer ruimte voor starters en gezinnen (coalitieakkoord 2023, RIS316672).

6.4 Mobiliteit Den Haag groeit, er komen meer inwoners, meer banen en ook meer bezoekers. Dit zorgt voor een toename van het verkeer van, naar en in de stad. Bovendien reizen mensen steeds meer en over langere afstanden. Den Haag zet in op een verandering van het mobiliteitssysteem (de mobiliteitstransitie), zoals vastgelegd in de Strategie Mobiliteitstransitie 2022-2040 (RIS310664). De strategie

is opgebouwd uit vier thema's. Het thema 'stadsvriendelijke vervoerswijzen' richt zich op duurzame mobliteitsoplossingen die zo min mogelijk schade brengen aan mens en milieu, en die ten dienste staan voor het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte. Dat betekent o.a. dat we uitgaan van het STOMP-principe: Stappen-Trappen-OV-MaaS-Privéauto. Bij het ontwerp van de openbare ruimte én de gebouwen kiezen we in de eerste plaats voor de voetganger en fietser, gevolgd door het OV, deelmobiliteit en privéauto. Zo vormt de mens het startpunt. Lopen is de basis, voor wat langere afstanden bieden fiets, OV en auto de uitkomst. MaaS kan dit nog makkelijker maken. MaaS staat voor Mobility as a Service, hiermee bedoelen we mobiliteit als dienstverlening in de brede zin. Een goed voorbeeld is deelmobiliteit. Bij deelmobiliteit maken meerdere mensen gebruik van dezelfde vervoersmiddelen. Dit kan zowel een auto, (bak)fiets als scooter zijn. De privéauto geldt als sluitstuk, deze neemt namelijk de meeste ruimte in beslag. Fietsverkeer: Het fietsverkeer krijgt vanwege het milieuvriendelijke karakter en de fysiek zwakkere positie ten opzichte van het gemotoriseerde verkeer, bijzondere aandacht. Door het aanbieden van een aantrekkelijk hoogwaardig netwerk van veilige fietsroutes wordt het gebruik van deze vervoerswijze gestimuleerd.

In 2019 is de Fietsstrategie 2040 – Ruime baan voor de fiets is vastgesteld (RIS 302960). Ambitie van die strategie is dat Den Haag een echte fietsstad wordt, voor álle Hagenaars. In 2040 is de fiets het belangrijkste vervoermiddel voor verplaatsingen in de stad. Dat betekent wel dat de infrastructuur moet meegroeien met het fietsgebruik. Dat betekent letterlijk meer ruimte maken voor de groei van het fietsgebruik. Met investeringen in voldoende capaciteit voor de rijdende en de parkerende fiets die ook bijdragen aan een aantrekkelijke inrichting van de openbare ruimte. Mede dankzij nieuwe typen fietsen, zoals de E-fiets, de bakfiets en deelfietsen is de fiets voor meer mensen en voor meer verplaatsingen een aantrekkelijke keuze. In 2040 is de (elektrische) fiets het dominante vervoermiddel voor verplaatsingen in de stad. De afgelopen jaren is fors geïnvesteerd in het stedelijke fietsroutenetwerk. Autoverkeer: Het gemotoriseerde verkeer wil de gemeente zoveel mogelijk ordenen en concentreren op een stelsel van goed ingepaste

stedelijke en regionale hoofdwegen (zie kaart “Hoofdstructuur wegverkeer” uit de Haagse Nota Mobiliteit) met voldoende capaciteit om een optimale doorstroming te waarborgen. Een vlotte doorstroming op de hoofdwegen zorgt ervoor dat het verkeer als vanzelf deze hoofdwegen kiest, waardoor de verkeersdruk op de woonwijken minder kan zijn. De hoofdwegen zorgen voor een goede bereikbaarheid van de grote concentraties van werkgelegenheid en voorzieningen in de stad vanuit de regio en verder. Tevens verbinden de hoofdwegen de stadsdelen en wijken onderling met elkaar. In de woonwijken is doorgaand autoverkeer niet welkom. De wijkontsluitingswegen krijgen daarom op den duur een inrichting als “stadslaan”: wegen met een minder dominante positie voor autoverkeer en prioriteit voor langzaam verkeer en openbaar vervoer. De erftoegangswegen krijgen een inrichting als 30 km/u zone, voor zover dat nog niet gebeurd is. De “Nota Straten, Wegen en Lanen” (rv10-2017, RIS 280303_150224) bevat een uitwerking van het beleid uit de Haagse Nota Mobiliteit voor de wegen in de gemeente. De Nota SWL bevat de functionele eisen die gesteld worden aan de wegenstructuur, zoals een duidelijke hiërarchie in het wegennet en een voldoende afwikkeling van de verschillende verkeerssoorten. De Nota SWL beschrijft ook de wegbeelden voor de inrichting van de verschillende wegcategorieën.

Die wegbeelden betreffen niet alleen het verkeer, maar hebben ook te maken met de ruimtelijke inpassing van wegen. Daarbij gaat het ook om groen, water, openbare ruimte en stedenbouwkundige structuur van de stad. Autoparkeren: Het algemene parkeerbeleid is vastgelegd in de Parkeerstrategie 2021 -2030 (RIS308711). Dit beleid gaat vooral over het faciliteren van de parkeerbehoefte en het benutten van schaarse ruimte maar moet ook automobilisten prikkelen om meer met het openbaar vervoer te reizen of de fiets te pakken. Hoge stedelijke bebouwingsdichtheden zonder adequate parkeervoorzieningen leiden vaak tot een te zware belasting van de openbare ruimte. Dat geldt zowel voor woon- als werkfuncties maar ook voor locaties die veel bezoekers trekken. Behalve de noodzaak tot de verdeling van schaarse (openbare) parkeergelegenheid in een aantal gebieden in de stad, zijn mobiliteitsoverwegingen gericht op het streven naar een bereikbare en leefbare (woon)omgeving voor de gemeente aanleiding tot het stellen van parkeereisen bij nieuwe

ontwikkelingen.

thema).

Fietsparkeren: De aantrekkelijkheid van een reis per fiets wordt mede bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de fietsparkeervoorziening bij herkomst en bestemming. Bovendien wil de gemeente voorkomen dat de kwaliteit van de buitenruimte onder druk komt te staan doordat fietsen teveel geparkeerd worden op plaatsen met een intensief gebruik van de openbare ruimte. Om die reden gaat de gemeente uit van het faciliteren en sturen op het stallen van fietsen bij belangrijke bestemmingen of bestemmingsgebieden, zoals NS-stations en de binnenstad. Daarnaast hanteert de gemeente fietsparkeernormen bij nieuwbouw en verbouw van kantoren, bedrijven en voorzieningen.

Energie: Om een klimaatneutrale stad te worden moet de Haagse energievoorziening aangepast worden. Voor nieuwbouwwoningen is aardgasloos bouwen inmiddels wettelijk geregeld. Het Bouwbesluit stelt met de BENG eisen een minimale energieprestatie van het gebouw. De keuze voor gewenste warmteoplossingen worden omschreven in het Stedelijk EnergiePlan (RIS306869) en de Transitievisie Warmte (RIS310442). Uitgangspunt is dat nieuwbouw vanwege de goede isolatie met lage temperaturen verwarmd wordt. Die warmte kan gewonnen worden uit lokale duurzame bronnen zoals bodemwarmte en aquathermie.

6.5 Duurzame leefomgeving De Nota Duurzaamheid “Schone energie in een groene stad” (RIS301829) beschrijft op hoofdlijnen hoe Den Haag de energievoorziening, leefomgeving, mobiliteit en het grondstoffengebruik toekomstbestendig wil maken. De herontwikkeling van Hofzichtlaan/Het Kleine Loo kan bijdragen aan de onderstaande doelstellingen uit deze nota (ingedeeld per

Om het thermisch gebruik van de ondergrond te optimaliseren stelt de gemeente waar nodig bodemenergieplannen op. In een bodemenergieplan wordt vastgelegd op welke plekken koude en op welke plekken warmte in de bodem opgeslagen mag worden. Zo wordt voorkomen dat koude en warme bronnen met elkaar interfereren en kan de thermische capaciteit van de bodem optimaal worden benut. In een gebied dat aangewezen is als interferentiegebied worden bouwaanvragen getoetst aan het bodemenergieplan. Mobiliteit: Het doel is om zo min mogelijk schade aan mens en milieu te veroorzaken en de kwaliteit van de openbare ruimte te verbeteren. Daarvoor zetten we in op het terugdringen van het aantal en de lengte van verplaatsingen, schoner vervoer en door meer verplaatsingen lopend, fietsend en met het openbaar vervoer te laten plaatsvinden. Daarnaast streven we naar schone en emissievrije stadslogistiek, taxi- en doelgroepenvervoer. Luchtvervuiling heeft ernstige gevolgen voor de gezondheid van onze inwoners en bezoekers. In Den Haag streven we daarom de normen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor luchtkwaliteit na. In de Aanpak schoon vervoer (RIS303606) wordt daarom versneld ingezet op schonere voertuigen voor een gezondere lucht.

De inrichting van (de omgeving van) gebouwen kan hier actief aan bijdragen door ruimte te reserveren en voorzieningen te treffen voor bijvoorbeeld (deel)fietsen en laadpunten voor elektrische voertuigen. Om de luchtkwaliteit te

NVU HOFZICHTLAAN - HET KLEINE LOO

31

verbeteren heeft Den Haag diverse milieuzones. Deze gelden o.a. voor vrachtverkeer, bussen, dieselauto's en oude brommers en worden stapsgewijs aangescherpt. Vanaf 2025 moet alle logistiek in de binnenstad emissieloos plaatsvinden (Milieu Zones Den Haag RIS305702). De fiets is een kansrijk alternatief voor autovervoer in Den Haag. We willen dat de fiets in 2040 het belangrijkste vervoermiddel is voor verplaatsingen in de stad. Daarvoor moeten de infrastructuur en mobiliteitsdiensten meegroeien met het toenemende aantal fietsers (Ruim baan voor de fiets, fietsstrategie Den Haag 2040, RIS302960). De beschikbaarheid van gevarieerde stallingsruimte (bakfiets, e-bike, kratfietsen) bij de woning en plaats van bestemming blijkt bepalend of mensen kiezen voor de fiets. Grondstoffen/duurzaam bouwen: Gemeente Den Haag heeft de ambitie om in 2030 voor de helft en in 2050 volledig circulair te zijn. De bouw en bouwprocessen hebben een belangrijk aandeel in het materiaalgebruik in de stad. Het Bouwbesluit neemt het materiaalgebruik voor woningen en kantoren mee in de MPG-norm (MilieuPrestatieGebouw). Hierin worden alle milieukosten opgeteld (dus ook materiaalgebruik), gedeeld door de levensduur en de vloeroppervlakte. De landelijke MPG-norm is 0.8. Den Haag wil een zo laag mogelijke MPGwaarde bij nieuwbouw om materialen nu en in de toekomst zo efficiënt mogelijk in te zetten.

Dit kan door zo min mogelijk

32

NVU HOFZICHTLAAN - HET KLEINE LOO

materiaal toe te passen (slim ontwerp) en materialen die toch nodig zijn te hergebruiken of te kiezen voor verantwoorde biobased materialen (hout, wol, vlas etc). Voor sloop hanteren we de minimale eis dat er gesloopt wordt conform de BRL SVMS-007. In het Actieplan maatschappelijk verantwoord inkopen (RIS299397) hebben we als gemeentelijke organisatie vastgelegd dat we verspilling van grondstoffen tegengaan en zorgen voor maximaal hergebruik van materialen in en door de stad. Groen: In Den Haag zien we de natuur als belangrijke randvoorwaarde voor een gezonde en leefbare stad. In de Nota Stadsnatuur (RIS305824) staat hoe we werken aan een groenere stad met een gezond stadsecosysteem en meer biodiversiteit. Een groene stad heeft veel te bieden aan haar inwoners. Bomen en planten zorgen immers voor verkoeling tijdens warme zomers en bieden een aangename plek voor bewoners om te verblijven. Een groene stad is ook beter toegerust om mee te bewegen op veranderingen in het klimaat, zoals uitschieters in temperaturen en neerslag. Een stad waar veel verschillende planten- en diersoorten zoals vlinders en vogels voorkomen, is positief voor het welzijn van mensen. Een hoge biodiversiteit zorgt ervoor dat lastige soorten minder kans krijgen en er genoeg natuurlijke vijanden zijn om plaagsoorten in toom te houden. Essentieel hiervoor is een uitgebreid netwerk van

groengebieden die onderling met elkaar verbonden zijn. Alle stadsbomen vormen daarnaast een stadsbomennetwerk. Dat verbindt parken, bossen, tuinen, lanen en groengebieden tot in de haarvaten met elkaar. In de Nota Stadsbomen (RIS 307827) zijn concrete doelen geformuleerd om de leefkwaliteit van deze bomen te verbeteren: we werken aan de toekomstbestendigheid van ons stadsbomennetwerk en we willen meer kroonoppervlak in onze stad. Wanneer we een ontwerp voor (her)inrichting maken met bomen dan doen we dat met aandacht voor diversiteit, ecologie en het maken van diverse microklimaten in onze stad. Om meer kroonoppervlak te maken zijn goede groeiplaatsen voor bomen essentieel. Het toevoegen van stadsbomen biedt hiermee een oplossing voor grootstedelijke uitdagingen zoals klimaatadaptatie en verdichting. Met de verdichtings- en verduurzamingsopgave van de stad is ook het groen in, op en aan gebouwen van groot belang voor de leefbaarheid en voor het ecologisch functioneren van de stad. Bij natuurinclusief bouwen gaat het enerzijds om het verbeteren van de leefomstandigheden van beschermde ‘gebouwgebonden’ soorten als huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Anderzijds gaat het om een bredere opgave om meer (natuurlijk) groen in de directe woonomgeving toe te passen. Den Haag stimuleert daarom groen- en natuurinclusief bouwen met het besluit Natuurinclusief

bouwen (RIS 301953). Alle grootschalige nieuwbouwprojecten in Den Haag moeten voldoen aan het Puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen. Klimaatadaptatie: Volgens de laatste scenario’s van het KNMI zal klimaatverandering ertoe leiden dat we in Nederland vaker te maken krijgen met hevige regenbuien, meer dagen met tropische temperaturen, langere droge perioden en een verdere stijging van de zeespiegel. Dergelijke weersextremen kunnen veel schade en overlast veroorzaken, ook op het gebied van gezondheid. De Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig (RIS308744) biedt ontwerpprincipes om gebouwen en de (directe) omgeving klimaatbestendig te ontwerpen en in te richten. De klimaatatlas geeft een eerste indicatie voor de mate van wateroverlast en mogelijke schade. Om die overlast te beperken moet de sponswerking van de stad vergroot worden. Dat doen we door hemelwater vast te houden – te bergen – te infiltreren en/of hergebruiken en eventueel vertraagd af te voeren. De te kiezen oplossingsrichting is sterk afhankelijk van lokale omstandigheden zoals grondwaterstanden en type ondergrond (zand of veen). Een robuuste oplossing vraagt dus altijd om maatwerk.

6.6 Milieuaspecten 6.6.1 Waterparagraaf Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het plangebied valt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Delfland (hierna HHD). In het Waterbeheerprogramma heeft het HHD de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Daarin staat de missie ‘droge voeten, voldoende water, schoon water en gezuiverd afvalwater’ centraal. De hoofdtaken van HHD zijn daarbij waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering. Daarbij wordt samen met gemeenten ingezet op stedelijk waterbeheer en klimaatadaptatie. Watertoets (weging van het waterbelang) Belangrijk uitgangspunt voor HHD is dat de waterhuishouding door ruimtelijke veranderingen niet mag verslechteren (‘standstil beginsel’). Bij de verdere planuitwerking wordt middels vroeg vooroverleg in het kader van de watertoets maatregelen bepaald om te voldoen aan de waterhuishoudkundige

doelstellingen, zoals opgenomen in de waterschapverordening, waterbeheerprogramma en het vigerend beleid van HHD. Hierbij toetst HHD bouwinitiatieven en herinrichtingsplannen aan deze verordeningen, programma’s en beleidsregels. HHD bekijkt het watersysteem in samenhang met het stedelijk waterbeheer (riolering, sponswerking, grondwater etc.) en werkt samen met gemeenten aan klimaatadaptatie om de zorgplicht voor ‘voldoende water’, ‘stevige dijken’, ‘schoon water’ en ‘gezuiverd afvalwater’ te kunnen blijven waarmaken nu en in de toekomst. In de Handreiking watertoets voor gemeenten Watertoets ruimtelijke plannen - Delfland (hhdelfland.nl) is aan de hand van de verschillende waterthema’s van de waterhuishouding alle relevant beleid opgenomen. De verschillende waterthema’s zijn: Veiligheid en Waterkeringen, Voorkomen van wateroverlast, Grondwater en voorkomen (zoet) watertekort, Onderhoud en bagger, Watersysteemkwaliteit en ecologie, Afvalwaterketen en Klimaatadaptatie. De Handreiking watertoets voor gemeenten geeft aan, wat voor een watertoets noodzakelijk en wenselijk is. In de uitwerking dient onderbouwd te worden hoe het beoogde ruimtelijk plan zich verhoudt tot de verschillende waterthema’s zoals bedoeld in de Handreiking watertoets voor gemeenten. Uitgangspunt is dat iedere ruimtelijke ontwikkeling zelf een bijdrage levert aan de (klimaat)opgave op watergebied.

Dat betekent dat de waterhuishouding door ruimtelijke veranderingen niet mag verslechteren (“standstill beginsel”) en daarbovenop een extra buffer moet voorzien om heviger buien op te kunnen vangen (klimaateffecten). Naast advisering in het kader van de watertoets kan het zo zijn dat voor werken en werkzaamheden in, op, onder, boven en naast waterstaatswerken van HHD, zoals aangegeven op de legger Legger - Delfland (hhdelfland.nl) , apart van de watertoets een watervergunning en/of melding nodig is van HHD. Voor meer informatie over deze watervergunning en/of melding wordt verwezen naar Ik wil een vergunning aanvragen - Delfland (hhdelfland.nl). 6.6.2 Bezonning en windklimaat Bezonning De Haagse bezonnings- en windhindernormen (RIS170509) vormen het toetsingskader voor stedenbouwkundige plannen, bestemmingsplannen en projectbesluiten, al of niet gecombineerd

met bouwplannen. Indien het project niet voldoet aan de normen dan kan het project worden geweigerd dan wel worden besloten dat onder voorwaarden met de planontwikkeling wordt ingestemd. Bezonningsnorm: Voor het initiatief is een bezonningsonderzoek nodig conform het voldoen aan het eerste criterium van dit beleid. Er moet of kan een rapportage worden gevraagd als: 1. Er sprake is van een bouwhoogte van meer dan 25 meter of als de nieuwbouw ten minste 1.5 keer de hoogte heeft van de gemiddelde hoogte van de omgeving (de initiatiefnemer dient de rapportage aan te leveren). 2. Er sprake is van kleinere hoogten, bijvoorbeeld bij dakopbouwen of extra bouwlagen, per situatie door Dienst Stedelijke Ontwikkeling (DSO) te bepalen of er sprake is van te verwachten schaduwhinder; 3. In het bestemmingsplan een nadere eisenregeling ten aanzien van bezonning is opgenomen. De norm is voorts van toepassing op: • De omgeving van het te realiseren project en niet op de nieuwbouw zelf (omdat voor de nieuwbouw geldt dat alleen de technische regels uit het Bouwbesluit mogen worden gesteld); • Openbare en semi-openbare ruimten met een recreatieve functie. Buitenruimten bij scholen en kinderdagcentra worden hiermee gelijkgesteld. Er is in de berekening sprake van bezonning, indien meer dan 50% van de oppervlakte in de zon ligt.

Windklimaat Windhindernorm: Voor het initiatief dient nog bepaald te worden of een windhinderonderzoek nodig is conform de criteria van dit beleid (RIS170509), namelijk het inzichtelijk maken van de stedenbouwfysische aspecten wind en bezonning in relatie tot de gestelde normen in NEN 8100 bij een besluit over een stedenbouwkundige ontwikkeling. De NEN8100 De NEN8100 geeft zelf een beslisboom wanneer een onderzoek verplicht kan zijn: • Gebouwen hoger dan 30 meter; windonderzoek is nodig; • Beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 meter; specialist

NVU HOFZICHTLAAN - HET KLEINE LOO

33

•

beoordeelt of windonderzoek nodig is; Onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter; specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is;

ter plaatse van het perceel Ametisthorst 425 Den Haag ten behoeve van de voorgenomen bouwactiviteiten. Er zijn enkele lichte verontreinigingen aangetoond in de bovengrond.

NEN8100 normen: • Voor windhinder een windklimaat na te streven zoals genoemd is in de NEN8100 voor de betreffende activiteiten en minimaal na te streven de kwalificatie ‘matig’. • De kwalificatie ‘slecht’ slechts bij hoge uitzondering en onder nadere voorwaarden toe te staan. • Voor windgevaar moet de kwalificatie ‘gevaarlijk’ in beginsel worden voorkomen.

Inpandig zijn, op verzoek van de opdrachtgever, geen boringen verricht. Dit in verband met de aanwezigheid van kinderen op de locatie en het heersende Covid-19 virus. Het bevoegd gezag heeft bepaald dat er aanvullend verkennend bodemonderzoek ter plaatse van het huidige pand moet worden uitgevoerd om alsnog voldoende inzicht in de bodemkwaliteit te verschaffen. Het huidige bodemonderzoek dient aangevuld te worden met de gegevens van aanvullend bodemonderzoek ter plaatse van het huidige pand.

Ten aanzien van windhinder worden drie verschillende activiteitenklassen I, II en III onderscheiden, die kortweg worden gekenmerkt met ‘doorlopen’, ‘slenteren’, en ‘langdurig zitten’. De waardering van het lokale windklimaat wordt per categorie gekwalificeerd met ‘goed’, ‘matig’ of ‘slecht’. Gezien de locatie en het plan worden de naastliggende openbare ruimte gekenmerkt door de activiteiten als fietsen en doorlopen. Slenteren en zitten vindt meer plaats bij de buitenruimte aan de voorzijde van het gebouw. Indien een rapportage moet worden opgesteld dient dat conform de NEN 8100 norm en moet het laten zien wat de huidige en nieuwe situatie is en dat voldaan wordt aan de minimale norm; 'matig' bij de categorie 'doorlopen'.

Op basis van de tot nu toe aangetoonde milieuhygiënische

6.6.3 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen met betrekking tot de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten. Binnen de projectgrenzen zijn er geluidsgevoelige objecten in het kader van de Wgh. Middels akoestisch onderzoek dient te worden aangetoond dat kan worden voldaan aan de eisen die de Wgh stelt, indien er sprake is van relevante geluidsbronnen. 6.6.4 Bodem Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem.

Kavelgrens Bouwvolume Ametisthorst

Door Waders Milieu BV is in 2022 een bodemonderzoek verricht Geluidbelastingkaart

34

NVU HOFZICHTLAAN - HET KLEINE LOO

bodemkwaliteit en de hypothese van het bodemonderzoek wordt verwacht dat de bovengrond als niet tot maximaal licht verontreinigd beoordeeld zal worden en de ondergrond als niet verontreinigd. Dit vormt geen obstakel voor het voorgenomen gebruik. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem ten behoeve van de planologische procedure geen belemmering vormt. 6.6.5 Flora en Fauna Bij sloop/renovatie van panden is onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten verplicht. Voor de sloop van de opstallen aan de Ametisthorst 425 te Den Haag is in opdracht van de Gemeente Den Haag een Eco-effectscan

uitgevoerd, een onderzoek naar de consequenties van natuurwetgeving op de geplande werkzaamheden. De conclusies die uit het onderzoek kunnen worden getrokken zijn dat de aanwezigheid van beschermde plantensoorten en diersoorten is uitgesloten op het perceel en in het gebouw. Voor vogels en vleermuizen geldt dat werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd mits maatregelen genomen worden of conform de

vleermuizen geschikte spouwmuren) worden gerealiseerd om te voldoen aan de wettelijke instandhoudingsplicht om voldoende verblijfplaatsen te behouden en te realiseren. De randvoorwaarden voor verblijfplaatsen (zie ook paragraaf 5.5) zijn opgenomen in het puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen (RIS301953). Verder dient het gebouw zodanig te worden ontworpen dat het naastgelegen groen en watergang niet direct wordt aangelicht. Dit geldt ook voor eventuele buiten- c.q. straatverlichting in verband met het in stand te houden van donkerte ten behoeve van de functionaliteit van het foerageergebied. Voor verlichtingsvraagstukken gelden de uitgangspunten uit de Richtlijn Licht op Natuur (RIS298658). 6.7

zijn er geen archeologische verwachtingen voor het plangebied.

Welstand en Monumenten

Massawinterverblijfplaatsen vleermuizen (www.kaartendenhaag.nl) randvoorwaarden opgenomen in de Eco-effectscan. Dat betekent voor vogels het voorkomen van het verstoren van broedende vogels. Voor vleermuizen moet in verband met vliegroutes en/ of foerageergebied het verstoren van overvliegende en/of foeragerende vleermuizen worden voorkomen. Verder geldt de algemene zorgplicht. Er moeten in het nieuwe gebouw vleermuisverblijfplaatsen (voor

Kraamverblijfplaatsen vleermuizen (www.kaartendenhaag.nl)

Foerageergebied voor vleermuizen Voor deze ontwikkeling is een welstandstoets verplicht. De Welstands- en Monumentencommissie heeft in de welstandsnota vastgesteld dat van de architect een analyse van het omliggende gebied wordt verwacht. In deze NvU worden de stedenbouwkundige uitgangspunten voor de ontwikkeling aangegeven waaraan het uitgewerkte plan getoetst zal worden. Aandachtspunt is de aansluiting van de nieuwe ontwikkeling van de achtergelegen ensemble van vijf flatgebouwen. De nieuwbouw moet in ritme en hoogte, maar ook in volumeopbouw en architectuur aansluiten op deze bebouwing. Als een toevoeging aan het ensemble. 6.8 Archeologie Op basis van de informatie van het vigerende bestemmingsplan

NVU HOFZICHTLAAN - HET KLEINE LOO

35

7. FINANCIERING EN UITVOERINGSASPECTEN 7.1 Financiering

7.2 Juridische planologische procedure

Dit initiatief betreft sloop nieuwbouw van een kinderopvang naar een multifunctioneel gebouw bevattende een maatschappelijke voorziening en (betaalbare) woningen.

De ‘Nota van Uitgangspunten Hofzichtlaan - Het Kleine Loo’ wordt vastgesteld door de gemeenteraad van Den Haag. Rekening houdend met deze nota kan de initiatiefnemer over gaan tot de uitwerking van een concreet bouwplan en de aanvraag voor een omgevingsvergunning.

In het kader van de Nota van uitgangspunten (NvU) is de financiële haalbaarheidsanalyse uitgevoerd. Het uitgangspunt hierbij is dat de gemeente actief grondbeleid voert: de gemeente verwerft de locatie of heeft deze reeds in eigendom, maakt deze geschikt voor bebouwing en verkoopt, in dit geval, een bouwkavel ten behoeve van een maatschappelijke voorziening en (betaalbare) woningen plus bijbehorende parkeervoorziening. De haalbaarheidsanalyse maakt dat een negatief financieel projectresultaat verwacht wordt. Het advies vanuit de haalbaarheidsanalyse is: 1. Het project uit te werken richting een grondexploitatie conform de uitgangspunten van de NvU en haalbaarheidsanalyse; 2. De kosten die hiervoor gemaakt worden (voorbereidingskosten) te activeren, zodat deze bij vaststelling van de grondexploitatie ten laste van de grondexploitatie gebracht kunnen worden. Na vaststelling van de van Nota van Uitgangspunten zal de gemeente met een wooncorporatie in overleg treden om te komen tot een grondreserveringsovereenkomst en gemeentelijke gronduitgifte, waarin in ieder geval afspraken zullen moeten worden vastgelegd over: • • • • • • • •

Het te ontwikkelen programma; De fasering van het project; Uitgifte van de gemeentelijk gronden; Eigendoms-/ erfpachtsituatie na afronding project; Onderhoud en beheer van het nieuw te realiseren pocketpark; De vergoeding van planschade en eventuele zekerheidsstellingen hieromtrent; Gemeentelijke grondprijs wordt berekend op basis van de Grondprijzenbrief; Borging van duurzaamheidsmaatregelen.

Bovenstaande lijst is indicatief en niet uitputtend.

36

NVU HOFZICHTLAAN - HET KLEINE LOO

Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een nieuw bouwvolume met een uitgebreide woonfunctie dient rekening te worden gehouden met het gegeven, dat het voornemen in strijd is met de bestemming, planregels en verbeelding van het bestemmingsplan ‘Mariahoeve’ van 4 april 2013. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is dit bestemmingsplan van rechtswege onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het nieuwe ‘Omgevingsplan Den Haag’. Daarbij is het juridisch-planologische kader ongewijzigd gebleven. Als gevolg hiervan is het voornemen dus ook in strijd zijn met het ‘Omgevingsplan Den Haag’. Medewerking aan een strijdig voornemen is ook onder de nieuwe ‘Omgevingswet’ alleen mogelijk door middel van een afwijkingsprocedure. Omdat voor onderhavig project al vóór 1 januari 2024 een afwijkingsprocedure is gestart zal hierbij aan de vereisten uit de oude ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (afgekort: WABO)’ voldaan moeten worden. Voor strijdige activiteit dient een omgevingsvergunning aangevraagd te worden, die met een gedegen functioneel-ruimtelijke onderbouwing gemotiveerd moet worden. Onderdeel hiervan zijn relevante onderzoeken en analyses op het gebied van o.a. milieu, veiligheid en mobiliteit.

Voor de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning in het kader van een WABO zal een termijn van toepassing zijn van in principe 8 weken met de mogelijkheid tot verlenging van nog eens 6 weken. De termijn van afhandeling kan (in overleg) worden opgeschort als: • de aanvraag matig of onvolledig onderbouwd is, waardoor een professionele en rechtszekere toetsing niet mogelijk is of • tijdens de toetsing leemtes naar voren komen, die om aanvullende onderzoeken of onderbouwingen vragen (zoals een vormvrije MER-beoordeling of een formele MERrapportage).

Het spreekt voor zich dat de uitwerking van de functioneelruimtelijke onderbouwing tot de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer behoort. Hij zal derhalve zelf erop moeten toezien, dat het voornemen aan de kaders voldoet, die in de ‘Nota van Uitgangspunten’ worden vastgelegd. Daarnaast zal aanvrager ook zelf zorg moeten dragen voor eventueel noodzakelijke aanvullende onderzoeken. Verantwoordelijkheid van de gemeente is de ordentelijke organisatie van de WABO-procedure bestaande uit: • registratie en toetsing van de ingediende aanvraag; • afgifte of weigering van een omgevingsvergunning (incl. publicatie); • indien van toepassing een hierop betrekking hebbende bezwarenprocedure, waarbij de afgifte of weigering van de vergunning voor een termijn van 6 weken voor zienswijzen ter inzage wordt gelegd; en • een besluit m.b.t. de eventueel naar voren gebrachte bezwaren of zienswijzen. Voorbehoud gemeente Tegen vaststelling van omgevingsvergunningen en andere besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht kan beroep worden ingesteld. Eventuele gerechtelijke procedures, (gewijzigd) bestuurlijk besluitvormingsproces, besluiten van de gemeenteraad zoals bijvoorbeeld een Verklaring van Geen Bedenkingen en externe omstandigheden kunnen, ondanks de inspanningen van de gemeente voor de plannen van de initiatiefnemer, het nieuwe juridisch-planologische regime beïnvloeden.

Hiervoor is de gemeente niet aansprakelijk

7.3 Planning en fasering Samen met de ontwikkelende partij wordt een integrale projectplanning uitgewerkt. Op basis van deze planning zal, na besluitvorming over deze NvU, het project verder worden uitgewerkt. De gemeente hecht vanuit het Urgentieprogramma betaalbare woningbouw waarde aan een snelle ontwikkeling, zodat er meer betaalbare woningen in Den Haag komen (gerealiseerd).

7.4 Bereikbaarheid- en bouwveiligheidsplan Er dient 6 tot 9 maanden voor start uitvoering een BVC-Plan ingediend te worden, waarbij rekening is gehouden met de eerder ontvangen terugkoppeling op het BVC-Hoofdlijnenplan en ook het afstemmingsproces met eerdergenoemde partijen is meegenomen. Alle informatie is te vinden via de website van gemeente Den Haag.

NVU HOFZICHTLAAN - HET KLEINE LOO

37

Colofon Gemeente Den Haag Dienst Stedelijke Ontwikkeling Afdeling Stedenbouw & Planologie 10-09-2024

38

NVU HOFZICHTLAAN - HET KLEINE LOO

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14632653/1