CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS319848 Bijlage 1 Nota van beantwoording zienswijzen verordening

Gemeenteraad 18 december 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake participatieverordening en handboek participatie (RIS319848)14.903 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

(4) Hoe kan informatie als voorwaarde voor participatie voor iedereen toegankelijk zijn? Het laatste uitgangspunt bij artikel 2.4 (“naast aandacht voor participatie wordt ook nagedacht over de actieve informatie- en communicatieplicht van de gemeente aan belanghebbenden, belangstellenden en deelnemers”) is vaag en vrijblijvend. Het

(4) Dank voor deze suggestie ten aanzien van het uitgangspunt over informatieplicht. Artikel 2.4.1.e is aangepast. Voor wat betreft het voorstel over de website: het college is het eens dat het belangrijk is dat er duidelijkheid wordt verschaft waar de

Het college onderschrijft de wens om de instrumenten zo goed mogelijk te verankeren in de participatieverordening. Aan artikel 1 wordt het begrip ‘instrument’ dan ook toegevoegd. Ook is in artikel 3.2 het gebruik van de drie instrumenten verplicht. In de context van de verordening blijft de gids een hulpmiddel en dus zal die in de toelichting blijven staan. Zie ook zienswijze 2 voor de toelichting hierop.

(4) Artikel 2.4.1.e is aangepast.

22

past daarom niet in een verordening. Wij stellen als alternatieve tekst voor “voorafgaand aan het proces zorgt de gemeente voor de voor iedereen toegankelijke informatie“ (zie geamendeerd punt g van artikel 2.4 in de bijlage).Ook is de bepaling in artikel 3.1 bij stap 1.a onder 4° (“het bestuursorgaan publiceert het goedgekeurde plan op de website van de gemeente”) naar onze mening te algemeen. Door alleen te verwijzen naar de algemene website wordt geen rekening gehouden met alle vaardigheden en tijd die nodig zijn om de informatie op te zoeken en toe te kunnen passen. Daarmee conflicteert deze bepaling met het streven in artikel 2.4 naar gelijkwaardiger toegang tot informatie voor iedereen. Wij stellen daarom voor dat er binnen de gemeentelijke website een speciale sub-folder of pagina’s komen, waarop alle voor de participatie relevante informatie gemakkelijk te vinden is op basis van de betreffende portefeuilles en stadsdelen/stadswijken. Zie eveneens punt d in artikel 3.1, Afrondend verslag van participatie. Het starten van een speciale website met alle omgevingsontwikkelingen per wijk (https://projecten.denhaag.nl/lijst/) juichen wij dan ook zeer toe. Wel verbaast het ons dat hierop alleen de deelname van de gemeente, woningcorporaties en ontwikkelaars wordt genoemd en participatie van de burgers/bewoners- en maatschappelijke organisaties onvermeld blijft.

Tenslotte stellen wij voor om in het handboek op te nemen dat de wijkbibliotheken en wijkteams betrokken worden bij het proactief toegankelijk maken van informatie voor hen die hiertoe zelf om welke reden dan ook geen toegang hebben. Dit biedt de mogelijkheid dat als het verzoek voor vrijwillige plaatsing van een informatiebord op locatie (RIS318334) geen gevolg krijgt er op een andere wijze vormgegeven kan worden aan de strekking van de motie.

participatieplannen en verslagen worden gepubliceerd. Op dit moment worden de technische mogelijkheden onderzocht om de plannen en verslagen als RIS stukken op één centrale plek te publiceren. Ook worden veel samenvattingen van de plannen en verslagen op gebruikersvriendelijke manier gedeeld via de lopende projecten-sites.

(5) Hoe te voorkomen dat besluitvorming en uitvoering vertraging oplopen door procesproblemen? Als een private initiatiefnemer het participatieproces uitvoert is het mogelijk dat problemen die vertraging en/of kostenverhoging veroorzaken pas aan het licht komen als het proces al is uitgevoerd en er een verslag ligt. Daarom stellen

(5) Het gaat hier om participatie waarbij niet de gemeente maar derden initiatiefnemer voor participatie zijn. Dit valt buiten de reikwijdte van de verordening.

23

wij voor dat onder artikel 3.1 onder punt d, uitvoering, wordt toegevoegd dat in dat geval de gemeenteraad de mogelijkheid krijgt voor een tussentijdse bemiddelende en probleemoplossende actie. (6) Hoe om te gaan met participatie in geval van buitenplanse activiteiten? Art. 16.55 lid 7 Omgevingswet luidt als volgt: “De gemeenteraad kan gevallen van activiteiten aanwijzen waarin participatie van en overleg met derden verplicht is voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waarvoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is, kan worden ingediend”. De bestaande praktijk heeft geleerd dat het gebruik maken van de zgn. ‘kruimelgevallenregeling’ tot zeer veel weerstand onder belanghebbende burgers kan leiden. Wij dringen om die reden aan dat in een beleidsregel in de zin van art 4:84 Awb de voorwaarden worden vastgelegd waaraan deze participatie moet voldoen, omdat het college de bevoegdheid heeft om een aanvraag omgevingsvergunning buiten behandeling te stellen als de participatie inspanning te gering is en ook bevoegd is hiervoor regels te stellen.

Ook stellen wij voor dat in Artikel 4.1, Inspraak, de mogelijkheid tot inspraak wordt opgenomen als punt 5, wanneer er sprake is van invloed van betekenis op de fysieke omgeving en het woon-, werk- en leefklimaat in de wijk, zoals verstening, aantasting van het groen en de natuur, en luchtvervuiling. (7) Welke rol speelt de verordening in de verantwoording over de uitvoering van het beleid? Veel burgers hebben hun vertrouwen in participatie verloren doordat er wel veel mee is geschermd, maar het ontbrak aan daadwerkelijke uitvoering en kwaliteit. Het afleggen van verantwoording is daarom van groot belang. Allereerst gebeurt dit in het participatieverslag waarin het proces en de uitkomsten van het overleg tussen de deelnemende partijen worden beschreven. Dit verslag dient door alle betrokkenen te worden goedgekeurd. Het gaat dan niet aan dat slechts een partij dit procesverslag indient en de andere partijen slechts mogen

(6) De Beleidsregel voor verplichte participatie Bopa’s (buitenplanse omgevingsplanactiviteiten) is in de maak. In het handboek in hoofdstuk 4.3 wordt hier expliciet naar verwezen. Zie ook (3).

(7) Met het publiceren van het plan en verslag verbetert de gemeente de transparantie rondom participatie. In het verslag moet ook worden uitgelegd als er van het vastgestelde plan is afgeweken. Aan artikel 3.1 is toegevoegd dat deelnemers na elk participatiemoment een terugkoppeling ontvangen en daarop kunnen reageren. Alle terugkoppelingen en relevante reacties erop worden verzameld in het participatieverslag. Relevant wordt bedoeld: als er deelnemers het niet

(6) Aan het handboek is een verwijzing naar de aanstaande beleidsregel toegevoegd.

(7) Aan artikel 3.1 is toegevoegd dat deelnemers na elk participatiemoment een terugkoppeling

24

reageren. Indien er geen overeenstemming is, zou dit minstens eens zijn met de terugkoppelingen. Dit wordt in de in het verslag zelf tot uitdrukking moeten komen. Ook dient toelichting bij de verordening ook toegevoegd. naar onze mening in het verslag te worden opgenomen wat de “extra aandacht voor belanghebbenden die niet natuurlijk de weg naar de gemeente weten te vinden” uit Artikel 2.4, Uitgangspunten, heeft opgeleverd. (8.) Evaluatie na twee jaar is een lange termijn. In de tussentijd kunnen allerlei projecten al zijn uitgevoerd en allerlei zaken al aan de orde zijn gekomen die bij directe actie zonder - vaak kostbare - negatieve gevolgen hadden kunnen worden verbeterd. Daarom stellen wij voor dat gedurende deze periode de gemeenteraad de mogelijkheid krijgt om de participatieverslagen te volgen en indien nodig actie te ondernemen ter voorkoming van voor de gemeente en haar burgers ongewenste gevolgen.

ontvangen en daarop kunnen reageren. Ook is de toelichting bij het participatieverslag aangepast.

(8) Het college begrijpt en ondersteunt deze wens. Door de publicatie van alle plannen en verslagen wordt de mogelijkheid geboden om steeds de participatieprocessen te volgen.

(9) Ten aanzien van de specifieke op- en aanmerkingen bij de verordening (zie bijlage bij deze Nota van beantwoording) volgt nu een artikelsgewijze toelichting: Artikel 1.1. - definitie van deelnemers is volledig gewijzigd, waardoor de toevoeging niet relevant is. -Een definitie voor ‘instrument’ is toegevoegd. -Aanvulling op de definitie op projecten wordt niet toegevoegd, zie hierboven de toelichting waarom dit niet mogelijk en wenselijk is.

Artikel 1.1: Definitie van ‘deelnemers’ is aangepast en er is Artikel 2.2. een definitie van Het college begrijpt deze wens om een toevoeging te ‘instrument’ doen op het lange-termijn doel van deze verordening. In opgenomen. de algemene toelichting is er een uitleg toegevoegd, zie ook reactie op zienswijze 2. Artikel 2.3 Reikwijdte verordening.

Artikel 2.2:

25

Hiervoor geldt dat deze toevoegingen op "Initiëren, faciliteren, regisseren" suggereert dat de verordening ook van toepassing is als niet de gemeente initiatiefnemer is, maar derden. Dat valt buiten de reikwijdte van de verordening. Zie ook zienswijze 2. Artikel 2.4. Artikel 2.4.1.a: zie reactie op (2) Artikel 2.4.1.e: het college stelt voor om de verwijzing naar de instrumenten niet toe te voegen bij artikel 2.4 maar als voorwaarde bij het plan, in artikel 3.2. Artikel 2.4.1.g: het college zal de tekst van deze informatieplicht concreter formuleren, zie de wijziging in artikel 2.4.2.c: het college begrijpt de wens om proactief informatie over de participatie te verspreiden. Zie ook afdoening van de motie “Praktische participatie, een bord voor je kop (RIS318334).

In de toelichting op de verordening zijn de hogere doelstellingen verduidelijkt.

Artikel 2.4.1 e en 2.4.2 aangepast. Artikel 3.2.2 verwijzing naar instrumenten toegevoegd.

Het delen van de relevante stukken zit al in de verordening, onder 2.4.1.e en 2.4.2.c. In de verordening wordt daarom geen aanvulling op dit punt gedaan. Voor de suggestie over de website, zie de toelichting hierboven. Dit is een praktische uitvoering van hetgeen in artikel 3.1 is geregeld. Zoals aangegeven, deelt het college deze wens om alle plannen en verslagen op één plek neer te zetten, zodat het direct toegankelijk is voor eenieder. Een praktische uitwerking in de verordening is daarom niet noodzakelijk. Artikel 2.4.2: de toevoeging op de beleidsregel is niet noodzakelijk. Deze is in de maak. Een verplichting in de verordening is daarom niet nodig is. In het handboek wordt hiernaar verwezen. Artikel 3.1.1.a: zie reactie bij punt (2). Artikel 3.1.1.3: De voorgestelde criteria zien alleen op projecten in de buitenruimte. De verordening ziet ook participatie op In het handboek wordt andere projecten en bij nieuw beleid. Het is daarom niet een verwijzing naar de aanstaande

26

mogelijk om een lijst met criteria op te stellen. Ook juist beleidsregel vanuit de gedachte dat participatie maatwerk blijft. toegevoegd. Aan het handboek wordt in hoofdstuk 4.3 een verwijzing toegevoegd naar de Beleidsregel voor verplichte participatie Bopa’s. Dit is het gemeentelijke beoordelingskader bij omgevingsvergunningaanvragen. Deze is in de maak. Artikel 3.1.1b: het participatieplan wordt goedgekeurd, waarmee deze moet worden gevolgd. Het kan voorkomen dat het proces in de praktijk anders verloopt dan het plan. Dit moet worden gemotiveerd en over gecommuniceerd. Ook moet dit in het verslag worden toegelicht. Zie hiervoor de aanvulling op artikel 3.1.2. Zie de algemene reactie op deze zienswijze voor de reflectie op de toevoegingen op de rol van de gemeenteraad, de toevoegingen op het woord ‘initiatiefnemers’ en de Bopa’s. Initiatiefnemers en Bopa’s vallen onder de Omgevingswet en het is daarom niet mogelijk deze toe te voegen aan deze Participatieverordening. Wel voegt het college aan het handboek, in hoofdstuk 4.3, een verwijzing toe naar de Beleidsregel verplichte participatie Bopa’s. Met deze beleidsregel mag de gemeente geen extra eisen stellen of criteria opleggen aan vorm van de participatie door de initiatiefnemer. De beleidsregel zal alleen gaan over de gemeentelijke beoordeling. 3.1.1.

b.2 en c: Met het publiceren van het plan en verslag verbetert de gemeente de transparantie rondom participatie. Aan artikel 3.1 is toegevoegd dat deelnemers na elk participatiemoment een terugkoppeling ontvangen en daarop kunnen reageren. Alle terugkoppelingen en relevante reacties erop worden verzameld in het participatieverslag. Relevant wordt bedoeld: als er deelnemers het niet eens zijn met de terugkoppelingen. Dit wordt in de toelichting bij de

27

verordening ook toegevoegd. Zie ook eerdere reacties op Omgevingswet en 3.1.1.d.3: Zie reactie op (2). 3.2.1: Verwijzing naar artikel 2.4 is overbodig. 3.2.3.b en c: Zie ook reactie bij 3.1.b.2. Artikel 4.1.5: Omdat zowel de Lijst Bindend advies als de Beleidsregel verplichte participatie (Bopa’s) hierin voorziet is het overbodig om dit artikel aan de verordening toe te voegen. Het handboek verwijst naar de Lijst Bindend Advies en de aankomende Beleidsregel. Artikel 6.1.2: De participatieplannen en verslagen worden gepubliceerd op de website van de gemeente Den Haag en dus voor eenieder, waaronder de gemeenteraad, toegankelijk, zodat er kan worden bekeken hoe de participatie zal verlopen en is verlopen. Het politiek bestuurlijke besluitvormingsproces biedt de gemeenteraad vervolgens de mogelijkheid hier vragen over te stellen of over in gesprek te gaan met het college.

10 1-7-2024 Bewonersor ganisatie Archipel en Willemspark

(1) De Participatieverordening, zijnde de juridische verankering van de spelregels betreffende participatie in Den Haag ziet uitsluitend op participatie wanneer een bestuursorgaan een beleidsvoornemen heeft, dan wel beleid of projecten gaat uitvoeren of evalueren. Dit betekent dat de Participatieverordening voor de inwoners van Den Haag een beperkte betekenis heeft. Het Handboek voor de samenwerking met de stad vormt de basis voor participatie in Den Haag met een verstrekkender betekenis voor de inwoners van Den Haag. Beide documenten (de Participatieverordening

Toelichting bij artikel 3.1. Zie eerdere reactie op de website. (1) Dank voor uw zienwijze. Het college is het met u (1) In de verordening eens dat er in de verordening een verwijzing naar het is een verwijzing naar handboek ontbreekt. Deze voegt het college alsnog toe. het handboek opgenomen.

28

en het Handboek voor de samenwerking met de stad) kunnen niet los van elkaar worden gezien en bezien. De participatieverordening zou in betekenis winnen, wanneer daarin, gelet op de samenhang, naar het Handboek voor de samenwerking met de stad (en de overige instrumenten) wordt verwezen. Veel ingrepen in de leefomgeving van de bewoners van Den Haag gebeuren op initiatief van anderen dan een bestuursorgaan, i.c. private initiatienemers. Hiervoor dient veel al een omgevingsvergunning te worden verkregen. Het College van B&W wijst die vergunning toe. De Omgevingswet, van kracht sinds 1 januari 2024, schrijft aan een initiatiefnemer, ook een private, voor de participatie te organiseren (‘kerninstrument Omgevingswet’).Uitwerking van deze verplichting is te vinden in het Handboek voor de samenwerking met de stad, in paragraaf 4.3 onder ’Aanvraagvereiste’: ‘De initiatiefnemer moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de participatie heeft vormgegeven en wat hij met het resultaat heeft gedaan. De gemeente betrekt deze informatie bij de integrale belangen afweging’. Het is echter niet mogelijk om private initiatieven af te wijzen op grond van het participatie-criterium. Wel mag de gemeente om een toelichting of nadere informatievragen en de inhoudelijke opbrengst van de participatie meewegen.

(2) Wat nu wanneer de private initiatiefnemer geen participatie toepast (alleen kennisgeving is geen participatie) en er geen inhoudelijke opbrengst van participatie bestaat? Komt de initiatiefnemer daar dan mee weg? Wordt de Aanvraagvereiste aldus een lege huls? Het zou de duidelijkheid van de intentie van de gemeente in dezen voor alle partijen zeer ten goede komen en daardoor de geloofwaardigheid van die intentie, indien deze vragen in het Handboek voor de samenwerking met de stad worden beantwoord. Dit zou kunnen door -om de gedachten te bepalen- in het handboek op te nemen dat het besluit van het College over een omgevingsvergunningsaanvraag zal worden opgeschort zolang de initiatiefnemer geen blijk heeft gegeven dat hij zich naar het oordeel van het College voldoende van zijn plicht de

(2) Participatie op grond van de Omgevingswet is wettelijk gezien vormvrij. Dat betekent dat het juridisch niet mogelijk is om spelregels voor ontwikkelaars in de participatieverordening op te nemen. De Omgevingswet geeft aan dat participatie moet plaatsvinden, maar laat initiatiefnemers ruimte om te bepalen hoe ze dat doen. De verordening biedt hiervoor helaas geen oplossing. Zie ook de reactie op zienswijze 2.

(2) Een verwijzing naar de aanstaande beleidsregel is toegevoegd aan het handboek.

Ook het college heeft de wens om hier meer duidelijkheid over te creëren en goede participatie voor initiatiefnemers te stimuleren. Daarom is de Beleidsregel Verplichte participatie in de maak. Deze volgt. De beleidsregel helpt de gemeente bij het beoordelen van participatie van een externe

29

participatie te organiseren heeft gekweten en/of zolang er van een inhoudelijke opbrengst van de participatie geen sprake is. Het bestuur van de Bewonersorganisatie Archipel en Willemspark verzoekt het College de Conceptparticipatieverordening en het Handboek voor de samenwerking met de stad in bovenstaande zin te doen aanpassen.

11 3-7-24

Bewonersoverleg Duinoord

Allereerst hebben we veel waardering voor het werk wat door de gemeente en vele anderen in deze documenten is gestoken. We zijn blij dat in het handboek niet alleen aandacht is voor acceptatie en draagvlak bij succesvolle participatie, maar ook voor hogere kwaliteit van het eindresultaat. Het kompas op blz. 15 heel van het handboek is heel prettig, overzichtelijk en doordacht en biedt een mooie houvast.

initiatiefnemer. Een verwijzing hiernaar is in het handboek toegevoegd. De participatiegids is hiervoor ook een hulpmiddel. Hiermee probeert het college goede participatie zo veel mogelijk te stimuleren.

Dank voor de zienswijze en de complimenten. Hierbij de reactie:

Wij hebben de volgende kritische reflecties en suggesties. (1) Het handboek gaat over de gemeente als initiatiefnemer en over de samenwerking daarbij tussen gemeente en de stad. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is de gemeente heel vaak geen initiatiefnemer, maar is dat een bedrijf, een maatschappelijke instelling (onderwijs, zorg), een andere overheid of bijvoorbeeld een particulier. Zeker bij initiatieven (vaak bouwplannen) met een grotere impact is het belangrijk dat ook dan van begin af aan goede betrokkenheid van belanghebbenden en dus 'samenwerking met de stad' wordt georganiseerd. Meestal is de gemeente bij zo'n initiatief ook betrokken als toetsende of goedkeurende partij (soms ook direct of indirect als financierende en dus mede sturende partij zoals bij scholenbouw) maar is het voor burgers en andere belanghebbenden niet duidelijk hoe de participatie dan wordt georganiseerd (anders dan het leveren van een zienswijze aan het eind van een planproces, nl. bij toekenning van een omgevingsvergunning). Het is mooi dat er al geoefend wordt met een concept-participatiegids voor deze situaties (blz. 22),

(1) Het college begrijpt de wens om de gids ook in het handboek stevig te verankeren. Daarom is er nadruk op het belang van de gids in het handboek in hoofdstuk 4.3 gelegd. Aanvullend worden referenties naar de instrumenten Beleidsregel verplichte participatie en Lijst Bindend Advies gedaan. Zie ook de reactie op zienswijze 2 op de relatie Omgevingswet-verordening.

(1) Toevoeging handboek: referenties naar de instrumenten Beleidsregel verplichte participatie en Lijst Bindend Advies gedaan. Met extra aandacht voor de Gids.

30

maar het zou krachtiger zijn als die gids/handreiking onderdeel zou zijn van dit handboek en als andere initiatiefnemers zich daaraan zouden verbinden. (2) Vaak gaan strategische beleidskeuzes op stads- en regioniveau vooraf aan meer concrete ruimtelijke initiatieven die de gemeente neemt om beleid uit te voeren. Bijvoorbeeld de keuze voor een nieuwe tram/metrosysteem met bredere trams waarbij ook andere gemeenten betrokken zijn. Of de keuze welke wijken in Den Haag in aanmerking gaan komen voor een warmtenet in de toekomst. Wij vinden het belangrijk dat de gemeente de participatie bij dat soort strategische keuzes goed organiseert, zodanig dat bewoners en wijken die (later) met de uitvoering van die strategische keuzes te maken krijgen gestimuleerd en uitgenodigd worden daarin ook echt te gaan participeren en meedenken. Vaak zijn strategische keuzes (het wat) nog abstract (ver van het bed) en is betrokkenheid daarbij vanuit de stad slechts beperkt. Later blijken die keuzes wel heel richtinggevend en kaderstellend bij de concrete uitwerking en is er dan geen ruimte voor participatie over 'het waarom' en 'het wat'. Ook blijkt dan de ruimte voor participatie over 'het hoe' beperkt.

(2) Het college herkent dit beeld. Dit is ook een van de vragen die in het participatieproces rondom de verordening is gesteld; willen bewoners liever concreet en nabij (in tijd) participeren of juist verder weg in de tijd maar abstracter? Het beeld daarbij is zeer wisselend (zie het participatieverslag dat hier uitgebreider op ingaat). Hieruit blijkt dat participatie steeds maatwerk blijft. Het handboek geeft daarom ook handvatten hoe een strategisch – meer abstract- onderwerp wat concreter en duidelijker kan worden gemaakt om zo de participatie te stimuleren. Dit wordt tevens doorvertaald naar de verschillende ambtelijke hulpmiddelen zodat de gemeente hier nog beter in kan worden. Wellicht ten overvloede: de gemiddelde doorlooptijd van participatie is soms best lang, wat betekent dat participatie nu al kan starten terwijl de uitvoering soms pas veel later is. Van ontwerp tot aan besluitvorming en uitvoering: er zijn vele fasen kan soms meerdere jaren in beslag nemen.

(3) In bepaalde gevallen is participatie niet of maar beperkt mogelijk, bijvoorbeeld bij de keuze van locaties voor vluchtelingenopvang of opvang voor dak- en thuislozen. Hooguit kan er dan alleen (tijdig en zorgvuldig) informatie worden gedeeld of over omvang en randvoorwaarden worden meegesproken. Dit staat wel in de het handboek, maar dergelijke situaties zouden in het kader van ‘verwachtingenmanagement’ over de grenzen van de samenwerking met de stad nadrukkelijker naar voren mogen komen.

(3) in artikel 2.3 wordt aangegeven dat er situaties zijn (3) toelichting bij waarbij de participatieverordening niet van toepassing artikel 2.3 is verder is. Bijvoorbeeld bij hogere wet- en regelgeving. Dit blijft uitgewerkt. maatwerk en moet per situatie bekeken worden. Zo kan het zo zijn dat op het besluit geen participatie kan plaatsvinden, maar op de uitvoering hiervan wel. In de toelichting van de verordening is hier nader op ingegaan.

(4) Op pagina 13 van het handboek staat "kort en goed is dit de meetlat voor goede beleids- en projectparticipatie:", gevolgd door 3 punten. Bij het laatste punt staat als laatste zin "Waarbij de gemeente zelf ook een belang heeft en altijd voor het

(4) Het onderliggende principe voor de gemeente is dat het altijd het algemeen belang vertegenwoordigt. In concrete participatietrajecten vertaalt zich dat naar concrete belangen die de gemeente met de

(4) Aanpassing tekst handboek pagina 13.

31

algemeen belang staat". Wij lezen deze zin ietwat als in tegenspraak met zichzelf en we weten niet precies wat er bedoeld wordt. Het algemeen belang valt niet altijd samen met het belang van de gemeente als organisatie. Graag meer uitleg.

verordening en het handboek wil verduidelijken. In het handboek is de tekst op pagina 13 aangepast.

(5) Heel goed dat de gemeente veel aandacht besteed aan inclusiviteit. Bij "tijdens het participatieproces" op pagina 17 is punt 12 daarvan een uitstekend voorbeeld. Vraag is hoe de gemeente dit verder wil vormgeven na het participatieproces. Daar zien we geen voorbeelden van, behalve dat uitkomsten gedeeld worden/gecommuniceerd. Wij gaan ervan uit dat de gemeente nadenkt over het informeren van direct belanghebbenden die b.v. niet goed zijn in taal, blind zijn, een verstandelijke beperking hebben etc., maar we zien dat niet terug in de tekst (maar dus wel bij het kopje "tijdens").

(5) Er mag inderdaad ervan uit worden gegaan dat de gemeente inclusief communiceert. Er is in het handboek een zin toegevoegd op punt 13 in de fase “Na het participatieproces”.

(6) Op pagina 25 van het handboek gaat het bovenaan over monitoring en evaluatie: "De Haagse werkwijze zorgt ervoor dat monitoring en evaluatie een vanzelfsprekend onderdeel zijn van een participatietraject". Voor ons is de vraag is hoe de gemeente de deelnemers tijdens het participatietraject bereiken voor een terugkoppeling (evaluatie) na het traject. Het leest nu alsof alleen de gemeente het proces intern gaat evalueren en daar verder bewoners of andere belanghebbenden niet bij betrekt. Maar dat zal niet de bedoeling zijn. Dit wordt ook niet duidelijk in de verordening bij artikel 6.1 Evaluatie (punt 2c): "ten behoeve van de evaluatie zendt het bestuursorgaan aan de gemeenteraad een verslag dat de volgende onderdelen bevat: het aantal processen..., de wijze waarop de processen... en c. de belangrijkste positieve en negatieve ervaringen en succesfactoren".

(6) Het is zeker niet de bedoeling dat de gemeente participatieprocessen alleen intern evalueert. Aan de verschillende niveaus van evaluatie en monitoring wordt gewerkt. In de projecten wordt steeds meer aandacht besteed aan het evalueren van de processen samen met de deelnemers. Door hiernaar te vragen in de verslaglegging (artikel 3.2.3) verwacht het college dat dit alleen maar zal toenemen.

(7) Bij participatietrajecten zijn we geneigd om te focussen op de bewoners die al in Den Haag wonen, maar minder op de mensen die niet in beeld zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan mensen die een woning zoeken in Den Haag en belang hebben bij bouw van extra woningen. Hoe kunnen dat soort groepen ook een rol krijgen in participatie?

(7) De omschreven uitdaging wordt herkend. Door voorafgaand aan een traject alle belangen in kaart te brengen, wordt er ruimte en aandacht geboden voor verschillende belangen. Zie voor vertegenwoordiging en inspanning voor bewoners die niet vanzelfsprekend

(5) Toevoeging Handboek rondom inclusieve participatie (p 17 punt 13)

32

betrokken zijn ook hoofdstuk 4.1 en 4.2. in het handboek. (8) De ‘trap van eigenaarschap’ van Datishelder is een aardig denkkader, maar de vraag is of 'eigenaarschap' de beste titel is voor dit kader. Eigenaarschap doet zich volgens dit schema alleen op de bovenste trede voor, daaronder komen termen voor als verantwoordelijkheid en afhankelijkheid. Eigenaarschap is hier alleen gekoppeld aan de trap van meebeslissen, maar een gevoel van mede-eigenaarschap kan ook ontstaan bij coproductie of bij advies geven waar iets mee gedaan wordt. Is 'trap van betrokkenheid' of 'trap van invloed' niet een betere naam? Enkele kleinere tekstuele punten: - handboek blz. 12: de verwijzing onder 'Maatschappelijk initiatief' naar paragraaf 4.2 lijkt niet te kloppen; moet dit niet 4.3 zijn? - handboek blz. 15 punt 6. van een prettig verlopend participatieproces worden deelnemers niet per se slimmer, maar hopelijk wel verrijkt met meer kennis en inzicht. - verordening artikel 1.1 begripsomschrijvingen: bij maatschappelijke partijen 'andere' schrappen - verordening artikel 2.3: toevoegen na indien: 'of bij' ; onder d: 'betreffende' schrappen. 12 3-7-24

Bewoner

De nieuwe concept-participatieverordening 2024 ziet er goed uit. Dank u wel voor de gelegenheid een zienswijze is te dienen. Mijn zienswijze gaat in op: •De reikwijdte van de concept-verordening •De samenhang tussen RIS318697 en RIS318698 •Verordening 2012 en de concept-verordening 2024 •Inspraak: artikel 4 lid 1, lid 2 en lid 3 in concept 2024: •De citeertitel (1) De reikwijdte van de concept-verordening Artikel 2.3.2 De verordening is in ieder geval niet van toepassing indien (lid b) sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; In de toelichting wordt het aanwijzen van

(8) De Trap van eigenaarschap is als bestaand concept overgenomen (ref. Datishelder) en geprojecteerd op de Haagse situatie. Wetende dat een concept altijd afwijkt van de praktijk, omarmt het college het overall concept en denkkader van de Trap. Daarom wordt de titel ‘Trap van Eigenaarschap’ aangehouden, ook i.v.m. met intellectueel eigendom van de maker.

T.a.v. de tekstuele suggesties: - In het handboek wordt op blz 11 onder 2.1 belangrijke begrippen ‘Maatschappelijk initiatief’ de referentie “4.2” veranderd naar “4.3”, bedankt voor de oplettendheid. - In het handboek blz. 15 punt 6. U heeft technisch gezien gelijk, het college houdt de oorspronkelijke woordkeuze aan vanuit leesbaarheid. - Het woord ‘andere’ zal bij 1.1. van de verordening worden geschrapt. - Ook de tekstsuggesties bij artikel 2.3 worden overgenomen, dank. Dank voor uw zienswijze. Het college waardeert het dat u de tijd heeft genomen om deze documenten te bestuderen. Hierbij een reactie:

Tekstsuggesties: De tekst in het handboek op p11 onder 2.1 is aangepast en de tekstsuggesties bij artikel 1.1. en 2.3 zijn overgenomen.

(1) De participatieverordening geldt voor (1) Toelichting op beleidsvoornemen, dan wel uitvoering of evaluatie van artikel 2.3 is gewijzigd. beleid en projecten. In artikel 2.3 wordt aangegeven dat er ook gevallen zijn waarin de participatieverordening niet geldig is, bijvoorbeeld als er sprake is van hogere

33

locaties voor de opvang van nieuwkomers genoemd. Dat is een veel te ruime formulering. Het aantal staat (wel of niet) vast, maar dat geldt zeker niet voor locaties. Of voor aantallen en doelgroepen (bijvoorbeeld uit het Doorbraakplan) die u op die locaties wilt huisvesten. Evenmin voor de tijdsduur. Daarin heeft het College wel degelijk beleidsvrijheid. Het is denkbaar dat u daarop geen participatie wilt toepassen, maar dan heeft u een betere reden nodig dan dit argument. De grote impact op de omgeving vraagt juist wel tijdige participatie, waarmee aan betere plannen en draagvlak gewonnen kan worden i.p.v. verloren.

wet- en regelgeving. Participatie blijft maatwerk, dus per geval moet er gekeken worden of er ruimte is voor participatie en zo ja, hoeveel. Dit geldt voor al het beleid en projecten in Den Haag, ook voor de aanpak nieuwkomers. Dat betekent soms dat er inderdaad helemaal geen participatie plaats kan vinden. Het college informeert dan belanghebbenden. Maar het kan ook betekenen dat over het besluit niet kan worden geparticipeerd, maar over de uitvoering of randvoorwaarden wel. Dat moet per geval bekeken worden. De zin die hier eerder over in de toelichting stond is verwijderd, om onduidelijkheid te voorkomen.

(2) De ‘Leidraad controversiële voorzieningen’ komt in de concept-verordening niet voor. In uw reactie RIS309119 uit 2021 staat: ‘De werkwijze ten aanzien van controversiële voorzieningen zal hierin (de te herziene participatieverordening) worden verankerd’. Het moet duidelijk zijn wat er met die Leidraad gebeurt. Het zou goed nieuws zijn voor de participatie met en in de stad als de Leidraad vervalt en als artikel 2.3.2. lid c vervalt. Als u de verordening niet wilt toepassen, kunt u per beleidsvoornemen gebruik maken van artikel 2.3.3. Waarin u voor iedereen toetsbaar vooraf motiveert waarom u geen participatie wilt toepassen.

(2) De Leidraad is in 2005 ontwikkeld als antwoord op een motie. In de praktijk wordt deze ook niet gebruikt. Met de komst van de participatieverordening is er ook geen noodzaak meer om hier separate spelregels voor te hanteren. De participatievoorziening voorziet hierin, vooral met het oog op artikel 2.3.

(3) De samenhang tussen RIS318697 en RIS318698 In hoofdstuk 3 van de Verordening 2012 zijn de deelnemers aan participatie en de stappen in het proces opgenomen in de verordening zelf. In concept 2024 is dat niet meer het geval. Er is ook RIS318698, met een handboek en bijlagen, zoals de concept participatiegids (zie). Graag een motivering van deze keuze en uitleg wat de status is van RIS318698 en de bijlagen.

(3) Het klopt dat de nieuwe concept verordening geen artikel heeft over de deelnemers van participatie. Er zijn meerdere redenen hiervoor. Ten eerste blijft participatie maatwerk. De belanghebbenden worden steeds bij elk traject apart in kaart gebracht en daarbij wordt de mate van invloed steeds beoordeeld. Dat hangt van veel elementen af. Het handboek geeft hier verdere inzicht in, zie hoofdstuk 3.2 Haagse werkwijze voor participatie. Ten tweede blijft de Trap van eigenaarschap hét instrument voor het afwegen van de mate van invloed, de verordening verwijst hier ook naar. De Trap verduidelijkt de mate van invloed die bewoners kunnen hebben en wat per trede verwacht mag worden van de

34

gemeente. De mogelijke invloed van deelnemers zoals in de verordening uit 2012 in hoofdstuk 3 is beschreven, is in de Trap terug te vinden. Het is alleen dus nu in de nieuwe verordening op maatwerk gebaseerd en niet in een vast stramien in de verordening opgenomen. De verordening zijn de juridisch bindende spelregels. Het Handboek geeft houvast bij deze spelregels en geeft overzicht over het beleid en de hulpmiddelen die de gemeente ter beschikking heeft.

(4) De Verordening 2012 en concept 2024 Een wettelijk recht op inspraak is een wettelijk recht en wordt niet bepaald door de keuze van een bestuursorgaan om wel of geen participatie toe te passen. In de Inspraak- en participatieverordening van 2012 staat dat er in beginsel geen dubbeling plaatsvindt van inspraak (al dan niet wettelijk) en participatie. Klopt mijn aanname dat u dit standpunt heeft verlaten, omdat het niet terugkomt in het concept 2024? (5) Inspraak: artikel 4 lid 1, lid 2 en lid 3 in concept 2024 artikel 4 lid 1 Het bestuursorgaan verleent belanghebbenden inspraak indien de wet daartoe verplicht. Artikel 4 lid 2 Op inspraak is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. artikel 4 lid 3 Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere procedure voor inspraak vaststellen. Artikel 4 lid 3 wordt niet toegelicht en geeft een risico op inperking van inspraak. Ik stel daarom voor dat u het woord ‘andere’ in lid 3 vervangt door ‘ruimere’. Graag uw reactie en uw bevestiging dat lid 3 wel kan leiden tot een verruiming van het wettelijk recht op inspraak en niet tot een inperking daarvan. Daarnaast zie ik graag een toelichting op deze artikelen in de toelichting bij de verordening.

(4 en 5) In sommige gevallen bestaat inderdaad een wettelijk recht op inspraak. Uitgangspunt in de verordening is ook dat in die gevallen inspraak wordt verleend. De voorkeur van het college gaat echter uit naar andere (meer proactieve) vormen van participatie.

(4 en 5) In artikel 4.1.3 is duidelijk gemaakt dat het een andere passende procedure dient te zijn. Verder is Daarom is kenbaar gemaakt dat inspraak alleen aan de inspraak nader in de orde is als een wettelijk voorschrift daartoe verplicht verordening toegelicht. (artikel 4.1.1) of als op voorhand niet duidelijk is of de belangen van betrokkenen voldoende in beeld gebracht kunnen worden of sprake is van een op voorhand onbepaalde doelgroep (artikel 4.1.4). Verder is ook gebruik gemaakt van de ruimte die artikel 150 van de Gemeentewet na 1 januari 2025 biedt om niet afdeling 3.4 uit de Algemene wet bestuursrecht toe te passen, maar hier andere keuzes in te maken. Daarbij is terecht gesteld dat niet meer in de verordening geregeld is dat geen dubbeling plaatsvindt. Dit betekent dat als een wettelijk voorschrift tot inspraak verplicht of er sprake is van een situatie zoals uitgewerkt in artikel 4.1.4, er in beginsel inspraak plaatsvind, ook als er al andere vormen van participatie zijn toegepast. Deze keuze is gemaakt omdat het college van oordeel is dat het afzien van andere vormen van participatie omdat inspraak al verplicht is of vanwege de doelgroep geen recht doet aan het streven

35

van het college om zoveel mogelijk maatwerk toe te passen en afhankelijk van de omstandigheden voor de meest passende vorm van participatie te kiezen. Omdat denkbaar is dat inspraak aan de orde is naast een andere vorm van participatie, meent het college dat bij de keuze voor een andere procedure voor de inspraak ook niet per definitie sprake dient te zijn van een ruimer procedure. Wel is in de verordening aangescherpt dat de andere procedure passend moet zijn. Verder is ook de toelichting aangevuld.

(6) Het college zal uw voorstel voor de citeertitel overnemen, dank. (6) De citeertitel (artikel 6.3) De concept-participatieverordening 2024 vervangt de Inspraaken participatieverordening van 2012. In concept 2024 is in artikel 6.3 de citeertitel ‘Participatieverordening Den Haag 2024’. Waarom is de titel ingeperkt tot participatie? Concept 2024 gaat wel in op inspraak. Graag een verduidelijking.

(6) Citeertitel in de verordening aangepast

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14592613/1