CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS319848 Bijlage 1 Nota van beantwoording zienswijzen verordening

Gemeenteraad 18 december 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake participatieverordening en handboek participatie (RIS319848)14.903 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

#

1

datum organisatie ingekom en 20-5Bewoner 2024

zienswijze

reactie op zienswijze

wijziging

Naar aanleiding van uw e-mail van 16 mei jl. heb ik ten aanzien Dank voor uw reactie. Hierbij een antwoord op uw van de concept participatieverordening één vraag. vraag en suggestie: (1.) Op pagina 2, hoofdstuk 3, artikel 3.1. staat bij a.2. dat het bestuursorgaan bij een aantal belanghebbenden het plan toetst en deze indien nodig aanpast. Mijn vraag is hoe bepaald wordt welke belanghebbenden dat dan zijn en hoe wordt gewogen of deze bij het specifieke plan voldoende representatief zijn t.o.v. de betrokken bewoners van de stad. M.a.w. hoe en door wie wordt bepaald bij welke belanghebbenden een plan getoetst wordt?

(1) Zoals de verordening is geschreven, hoeft deze eerste toetsing van het participatieplan niet representatief te zijn. Het plan wordt ambtelijk uitgewerkt en de werkwijze worden hulpmiddelen geboden om het nodige maatwerk te kunnen leveren. Het bestuursorgaan (de burgemeester of het college) toetst of het participatieplan zorgvuldig is opgesteld en of een aantal belanghebbenden mee hebben gedacht bij het opstellen van het participatieplan. De gedachte hierachter is dat eventuele blinde vlekken vroegtijdig worden gesignaleerd en met een aantal bewoners over de impact wordt gesproken. Dat is wat anders als de participatie zelf, waarbij de gemeente streeft naar representativiteit en inclusie.

2

5-6-2024 Gezamenlijke Scheveningse Bewonersorganisaties (GSBO)

(2.) Dan nog één opmerking: het document van paginanummers voorzien.

(2) Dank voor deze suggestie. De paginanummers worden toegevoegd.

Tijdens vergadering mondelinge inspraak genoteerd. GSBO heeft deze inspraak per mail bevestigd.

Nogmaals dank voor de mogelijkheid om met u in gesprek te gaan over de verordening. Hierbij de reactie op uw zienswijze:

Participatieverordening: (1) Artikel 2.3, 2 lid B. ‘ondergeschikte herzieningen’, graag een (1) Het college begrijpt dat een toelichting op dit begrip definitie toevoegen hoe de gemeente ‘ondergeschikt’ definieert; nodig is. Wat voor de een immers een kleine wijziging is, kan voor de ander grote impact hebben. Het college wil vooral dat deze impact met bewoners wordt besproken. Het begrip zal worden uitgelegd in de toelichting bij de verordening. (2) In de participatieverordening wordt niet ingegaan op de relatie met de representatieve democratie, voorstel om dit toe (2) Het college vindt het met u van belang om deze te voegen; relatie goed te beschrijven. De representatieve en participatieve democratie gaan namelijk hand in hand

(2) Paginanummers zijn toegevoegd aan de verordening.

(1) Uitleg bij ‘ondergeschikte herzieningen’ toegevoegd aan de toelichting op artikel 2.3

1

en versterken elkaar. Er is voor gekozen om deze relatie in het handboek te beschrijven onder 1.4. Het handboek geeft meer ruimte om stil te staan bij deze dynamiek, zonder dat het een ‘spelregel’ hoeft te zijn. In het handboek is deze relatie als volgt beschreven: "De afstemming over participatie tussen college en raad luistert nauw. De representatieve en participatieve democratie gaan hand in hand en versterken elkaar. De raad vertegenwoordigt de zienswijzen en belangen van inwoners. Als volksvertegenwoordigers staan raadsleden midden in de samenleving en in contact met inwoners. In aanvulling daarop worden inwoners en andere belanghebbenden uitgenodigd, gestimuleerd en gefaciliteerd om hun stem te laten horen door actief te participeren. Met name over prioriteiten en activiteiten in hun wijk. Hierdoor kan de gemeenteraad de uiteenlopende belangen van betrokkenen meenemen in haar besluitvorming en laten zien hoe de inbreng is afgewogen. Voor de stad als geheel maakt de raad de belangenafweging. ► De kaderstellende rol van de raad uit zich in het vaststellen van de participatieverordening. ► De leidende rol van het college uit zich door participatieprocessen te organiseren met de ambtelijke organisatie. ► De controlerende rol van de raad uit zich doordat de raad in de gelegenheid wordt gesteld om participatieprocessen te volgen.

Behulpzaam daarbij is dat participatieplannen en participatieverslagen worden gepubliceerd. Ook wordt ‘participatie en communicatie’ als vaste paragraaf opgenomen in raadsvoorstellen."

(3) Gemeente heeft veel grond weggedaan. Daardoor heeft de gemeente geen plicht om participatie nog zorgvuldig te organiseren, dat ligt nu bij derden. De participatie op dit grondbeleid heeft 10-15 jaar geleden niet plaatsgevonden. Nu

Het college stelt voor om het niet toe te voegen in de verordening, maar om het handboek hiervoor te gebruiken.

2

is het dus aan ontwikkelaars om participatie goed te (3) Participatie onder de Omgevingswet is wettelijk organiseren. Graag in de participatieverordening ook spelregels gezien vormvrij. Dat betekent dat het juridisch niet voor ontwikkelaars opnemen; mogelijk is om spelregels voor ontwikkelaars in de participatieverordening op te nemen. De Omgevingswet geeft aan dat participatie moet plaatsvinden, maar laat initiatiefnemers dus ruimte om te bepalen hoe ze dat doen. De verordening biedt hiervoor helaas geen oplossing. Ook het college heeft de wens om hierover meer duidelijkheid te creëren en goede participatie voor initiatiefnemers te stimuleren. Daarom is de Beleidsregel Verplichte participatie in de maak gemaakt. De beleidsregel helpt de gemeente bij het beoordelen van participatie van een externe initiatiefnemer. De participatiegids is hiervoor ook een hulpmiddel. Het gebruik van de participatiegids door externe initiatiefnemers kan worden gestimuleerd, maar niet verankerd in de verordening en wordt daarom in (4) Graag explicieter in verordening opnemen wat, wanneer en het kader van de verordening niet een instrument hoe bewoners worden betrokken bij participatie; genoemd.

(5) Probeer de ‘geitenpaatjes’, om participatie niet te doen, of niet zorgvuldig te doen, zoveel mogelijk te verkleinen;

(4) Participatie blijft maatwerk. Niet elk traject heeft dezelfde grootte of impact en dus wordt het participatieproces hierop aangepast. De betrokkenheid van bewoners, de mate van invloed en de momenten waarop zij kunnen participeren worden vastgelegd in het participatieplan. Deze wordt openbaar. Hiermee probeert de gemeente recht te doen aan het creëren van duidelijkheid over de rol van bewoners en steeds ook maatwerk mogelijk te maken. (5) Het college steunt deze wens. Vandaar dat het uitgangspunt bij de verordening 'participatie, tenzij' is. Concreet betekent dit dat er in principe altijd participatie plaatsvindt, tenzij er wordt onderbouwd waarom dat niet nodig is of kan. Als er van deze regel wordt afgeweken, en dus geen participatie plaatsvindt, moet dit volgens de verordening worden onderbouwd. Nieuw in de

(5) artikel 2.3.3 is aangepast. Toegevoegd dat belanghebbenden en de gemeenteraad worden geïnformeerd als van de verordening wordt afgeweken.

3

(6) In de verordening ontbreekt het hogere doel waarvoor de verordening bedoeld is, namelijk het beter zien en horen van bewoners, en daardoor meer vertrouwen in de overheid creëren;

(7) Artikel 2.3, 2 lid C: ‘Hogere regelgeving’: wat is dat en betekent dat dat bij deze regelgeving geen participatie hoeft plaats te vinden? Dat wordt niet goed uitgelegd;

verordening is dat altijd wordt gecommuniceerd, ook als er van de verordening wordt afgeweken. Dit creëert duidelijkheid en maakt een discussie hierover mogelijk. (6) Het college begrijpt de wens om ook aan te geven dat goede participatie tot meer vertrouwen in de overheid kan leiden. Dit is geen doel van participatie an sich. Het doel van participatie is om de wensen van bewoners (in de brede zin) zichtbaar te maken en meenemen in de belangenafweging. Dit kan ook leiden tot meer vertrouwen in de overheid. In de toelichting bij de verordening zal hier een toevoeging op worden gedaan. Voor verdere nadere uitleg over de visie op participatie, kan het handboek worden geraadpleegd. (7) In de verordening zal een toelichting worden gegeven op de betekenis van ‘hogere regelgeving’. Het is inderdaad een complexe term met veel invullingen. Denk daarbij aan wetten van de provincie of Rijk. Of internationale verdragen. In de toelichting bij de verordening zal dit worden uitgelegd.

(8) Als er geen participatie zal plaatsvinden, moet er wel een communicatie/informatieplicht van de gemeente zijn om bewoners hierover te informeren. Hoe wordt dat geborgd in de verordening?

(6) In het algemene deel van de toelichting zijn de doelstellingen aangevuld.

(7) De toelichting op hogere regelgeving bij artikel 2.3 van de verordening is aangevuld.

(8) Het college onderschrijft het belang van goede communicatie. De actieve informatieplicht is daarom als een van de uitgangspunten in de verordening beschreven (artikel 2.4). Zie ook de reactie bij (5).

In algemene zin: (9) Wees duidelijk waar een participatietraject over gaat en waar niet.

(9) Duidelijk over het participatietraject is inderdaad van groot belang. Vandaar dat ervoor is gekozen om het participatieplan altijd te publiceren. Het te overleggen participatieplan geeft het te doorlopen participatietraject weer, zie ook artikel 3.2.2. In het plan wordt verduidelijk waarover kan worden geparticipeerd. Het plan wordt verstrekt en gepubliceerd voordat het participatietraject begint.

(10) Creëer een duidelijk patroon bij participatietrajecten, en wees duidelijk welke verwachtingen bewoners mogen hebben.

(10) Het college begrijpt de behoefte om eenduidigheid te creëren. Dan weten bewoners beter waar ze aan toe

4

Vaak zien we nu dat bij verschillende participatiebijeenkomsten er verschillende verwachtingen worden gecreëerd. Soms besteedt de gemeente de participatie ook uit, en dan zien we ook weer andere participatie. Dat leidt tot onduidelijkheid.

zijn en wat ze kunnen verwachten. Participatie blijft echter maatwerk. Dat kan betekenen dat in sommige wijken verschillende participatietrajecten plaatsvinden op hetzelfde moment, elk met een andere werkwijze. Wel probeert de gemeente eenduidigheid te stimuleren, met behulp van de verschillende participatieinstrumenten, zoals de Haagse werkwijze, het kompas, en de trap van eigenaarschap. Zo kunnen ambtenaren een vergelijkbaar stappenplan volgen, wat participatieplannen ook navolgbaar kan maken.

(11) Burgerberaden mist in het handboek. Moeten we meer mee doen.

(11) Het houden van een burgerberaad is een van de hulpmiddelen die de gemeente ter beschikking heeft om participatie te organiseren. Om goed in te kunnen schatten of een burgerberaad passend is, is de Leidraad Burgerberaden ontwikkeld. De leidraad is een hulpmiddel voor de ambtelijke organisatie als die voornemens is een burgerberaad te organiseren. De vraag of een burgerberaad het passende participatiemiddel is wordt ermee beantwoord en de succescriteria worden vermeld. Deze leidraad zal worden toegevoegd aan de gemeentelijke participatietoolbox, zie voor een uitleg van de toolbox hoofdstuk 5.3 van het handboek. Hiermee wordt geprobeerd het gebruik van het burgerberaad te stimuleren en te ondersteunen.

(12) Gemeente zou ook een adviesraad van bewoners moeten hebben.

(12) Er is ervoor gekozen om geen adviesraad van bewoners voor participatie in te stellen. Voor verschillende beleidsterreinen en belangengroepen bestaan er al adviesraden, zoals bijvoorbeeld de adviescommissie Haagse kunst- en cultuurprojecten en de jongerenraad. Voor participatie is ervoor gekozen om per project en op maat de controlerende rol van de raad te ondersteunen door transparantie en condities zoals genoemd in artikel 2.4 en hoofdstuk 3. Deze

5

informatie is voor iedereen toegankelijk en zo wordt advies van buitenaf ook gefaciliteerd. (13) Tip: verander naam van Haags Samenspel. Het woord ‘spel’ suggereert dat de gemeente participatie niet serieus neemt.

3

(13) Participatie is inderdaad absoluut geen spel. Het woord "samenspel" is gekozen, omdat het begrip laat zien dat de gemeente participatie samen wil doen. De nadruk ligt dus op het hele woord ‘samenspel’ en niet op het enkele deel ‘spel’. 6-6-2024 Bewonersor De concept Inspraak- en Participatieverordening is het resultaat Dank voor uw zienswijze en de tijd en moeite die u ganisatie van een gedegen voorbereiding. De verordening en vooral het hiervoor heeft genomen. Per punt volgt een reactie: Rivierenhandboek en de bijlagen bieden veel informatie. De toevoeging buurt van het uitdaagrecht biedt wijkorganisaties belangrijke Spuikwartier mogelijkheden initiatieven te nemen en het voortouw te hebben. Voor de Rivierenbuurt is het bijvoorbeeld denkbaar dat georganiseerde wijkbewoners de Wijktuin definitief in eigen beheer nemen. De artikelen 3.1.1 en 4.1.1 geven duidelijk aan dat de verordening participatie en inspraak relateert aan beleidsvoornemens van het gemeentebestuur. Participatie en inspraak zijn daarmee in de eerste plaats instrumenten uit de systeemwereld. (1) In het handboek wordt bij de Trap van Eigenaarschap onderscheid gemaakt tussen leefwereld en systeemwereld. Het is een belangrijke aanvulling. Helaas wordt het verschil tussen de beide werelden niet echt uitgewerkt. Dat is bijzonder jammer en een gemiste kans.

Een uitwerking zou ook zicht kunnen geven over de enorme diversiteit in onze samenleving. De leefwereld van de Rivierenbuurt is totaal anders dan de leefwereld van de Vogelwijk. Iets anders is dat initiatieven vanuit de leefwereld in de beginfase vaak kwetsbaar zijn. Liefde en aandacht vanuit de overheid is dan vaak zeer gewenst en niet een geavanceerde participatieverordening. Wij stellen voor dat in een preambule van de verordening ingegaan wordt op de veelvormigheid van de leefwereld.

(1) Het college onderschrijft deze analyse. Participatie is een belangrijk instrument om de 'systeemwereld' en de 'leefwereld' dichterbij elkaar te brengen en om belangrijke inzichten uit de 'leefwereld' te gebruiken om beleid en projecten beter vorm te geven en uit te voeren. In essentie draait participatie daarom om een goed gesprek tussen de verschillende belanghebbenden, waaronder de gemeente, met een verrijkt voorstel als doel. De Trap van Eigenaarschap helpt bij het verduidelijken van de mate van invloed, een stakeholderanalyse helpt bij het in kaart brengen van de belangen. Beide analyses zijn nodig bij het maken van een goed participatieproces met oog op diversiteit. Door deze hulpmiddelen wil het college dus het besef over het verschil tussen de systeemwereld en leefwereld stimuleren. In andere woorden: participatie draagt bij het dichter bij elkaar brengen van de leefwereld en

6

systeemwereld. Een toevoeging is daarom volgens het college niet noodzakelijk. (2) Representativiteit is voor de Rivierenbuurt bijvoorbeeld veel ingewikkelder dan voor het Spuikwartier of de Vogelwijk. Beleidsmakers moeten daarmee kunnen dealen. Dit aspect zien we niet terug in de verordening.

(2) Participatie blijft maatwerk. Met die geest is de participatieverordening ook geschreven. De manier waarop het participatietraject wordt vormgegeven, hangt af van veel verschillende aspecten: de grootte van het project, de impact op de wijk/buurt/de stad, maar inderdaad ook de samenstelling van de groep belanghebbenden. Het participatieplan geeft inzicht hoe het college omgaat met deze telkens verschillende factoren. Het college onderschrijft dat dit complex is en dat dit veel vraagt van ambtenaren. Om die reden wordt er ook gestart met een leer- en ontwikkeltraject voor ambtenaren ter implementatie van de nieuwe verordening, instrumenten en hulpmiddelen.

(3) Een aspect is de vraag waar en wanneer een ontwikkeling van beleid plaats vindt. In de huidige praktijk worden wijkorganisaties bij beleidsontwikkeling betrokken als er al een heel voortraject is geweest. Dan zit je al gauw in de verdediging. Een ander aspect is dat de beleidsontwikkeling soms over een gigantische problematiek gaat en in vele stappen onderverdeeld is. Het CID is daar helaas een voorbeeld van. Een voorbeeld: bij het beeldkwaliteitsplan geven wijkbewoners aan dat zijn het niet eens zijn met de bouwhoogte aan de Schedeldoekshaven. De reactie van de gemeente is dan, jammer maar de bouwhoogte is vastgesteld in het structuurplan bouwhoogte CS-gebied. Dan gaat het fout in de relatie tussen systeemwereld en leefwereld. Herhaaldelijk schuurt het tussen wijkorganisaties en het ambtelijk apparaat. Dat levert soms glans maar vaak irritatie en onbegrip op.

(3) Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Daarin wordt de rol en betrokkenheid van bewoners, ook in een vroegere fase dan nu, steviger verankerd. We zijn nu binnen de gemeente hard bezig om met de wettelijk voorgeschreven instrumenten, de werkwijze en het ontwikkelproces van de stad uit te werken en vast te leggen. De stad wordt eerder betrokken bij het maken van beleid en de kaders waarbinnen ontwikkeling mogelijk is. Zo zullen al voordat een ontwikkeltraject begint, bewoners en initiatiefnemers meer duidelijkheid hebben over welke activiteit waar wel of niet wenselijk is of is toegestaan. En bij het vaststellen van die kaders wordt de stad betrokken. Hiervoor wordt onder andere de omgevingsvisie opgesteld. De stad, de wijkbewoners doen daaraan mee. De visie beschrijft waar we heen willen als stad, de ambities en strategische doelen. De Omgevingswet heeft tot doel om middels een transparanter en voorspelbaarder proces, de bewoners

7

van de stad meer betrokkenheid te geven bij de keuzes die in de ontwikkeling van de start worden gemaakt. De gemeente streeft ernaar om belanghebbenden vroegtijdig te betrekken bij de plannen en projecten van de gemeente. Zo moet al in een vroeg stadium- in de ontwikkeling van het participatieplan- met een aantal belanghebbenden worden gesproken. Ook moet in het participatieplan duidelijk worden beschreven waar de participatie wel en niet over gaat. Dit om verkeerde verwachtingen te voorkomen.

(4) Het handboek en de verordening zijn vooral instrumenteel, begrijpelijk, maar het zou goed zijn ook nog eens te kijken naar de organisatie van het ambtelijk apparaat. In het verleden had Den Haag de projectorganisatie stadsvernieuwing waarbij ambtenaren in of dicht bij de wijken gepositioneerd waren, dat bracht leef- en systeem wereld dicht bij elkaar. Dat maakte dat wijkbewoners en ambtenaren vanaf het begin samenwerkten, waardoor wederzijds begrip ontstond. Een voorbeeld waarbij het tegenwoordig fout gaat, is bij het opstellen van een wijkagenda. Een vooruitgeschoven goedwillende ambtenaar mag samen met de wijk een agenda opstellen, maar op de achtergrond regisseren de ambtelijke diensten. En tot overmaat van ramp worden er voor de uitvoering geen financiële middelen en menskracht beschikbaar gesteld. Tel uit je winst.

(4) Sinds eind 2021 is er een ontwikkelagenda om gezamenlijk te werken aan de ontwikkeling van de organisatie als geheel. De Staat van de Organisatie geeft hier inzicht in (zie: RIS311840). Als organisatie is afgesproken dat er op vier gebieden kansen zijn om als organisatie verder te ontwikkelen: 1) de gemeentelijke organisatie is één organisatie die opgave- en gebiedsgericht werkt, 2) in nauwe samenwerking met inwoners en andere partners, 3) als aantrekkelijke werkgever, ondersteund door 4) steeds betere bedrijfsvoering. Opgave- en gebiedsgericht werken is hiermee één van de kerndoelstellingen van de gemeentelijke organisatie voor de komende jaren. Gebiedsgericht werken verloopt nu via de gemeentelijke stadsdeelorganisatie. De komende jaren wordt de ambtelijke organisatie verder toegerust om (nog) beter gebiedsgericht te gaan werken. Middels de jaarlijkse Staat van de Organisaties wordt hierop een update gegeven.

(5) Tot slot, de conceptverordening levert duidelijke regels op en geeft ambtenaar en belanghebbende houvast en duidelijkheid. Maar er is nog veel werk aan de winkel om een goede samenwerking tussen gemeente en wijken werkelijk te laten ontstaan.

(5) Dank, het college onderschrijft deze reflectie.

8

4

17-62024

bewoners

Bij deze willen wij u graag onze zienswijze aanbieden t.a.v. de nieuwe regels voor participatie in gemeente Den Haag zoals beschreven in uw nieuwsbericht https://www.denhaag.nl/nl/nieuws/nieuwe-regels-participatie/ van 22 mei jl. Allereerst willen wij de gemeente feliciteren met het tot stand brengen van deze nieuwe regels en de daarbij behorende documentatie zoals het handboek en de bijlagen. Wij hopen dat dit werk gaat bijdragen aan de broodnodige verbetering van het participatieve karakter van besluitvormingsprocessen en de implementatie hiervan in gemeente Den Haag. Aangezien wij hieraan graag bijdragen, hebben wij de stukken gelezen en zijn wij tot een aantal opmerkingen gekomen die wij hierbij graag met u willen delen.

Dank voor uw zienswijze en de moeite die u heeft genomen. Per punt volgt hieronder een reactie:

(1) De relatie van de hier onderhavige participatie tot andere vormen van menings- en besluitvorming zoals burgerberaad, raadsbesluiten, opiniepeilingen door politieke partijen en dergelijke. Het zou de documentatie verbeteren als op deze relatie zou worden ingegaan. Participatieprocessen staan nooit op zichzelf en bevinden zich altijd in een politiek krachtenveld waar ook andere wijzen van beïnvloeding aanwezig zijn. Wij zouden als burgers van Den Haag die positie graag zien weergegeven.

(1) Zie de reactie op inspraaknummer 2, waar wordt ingegaan op de wens om een toevoeging te doen op burgerberaden en de link tussen participatieve democratie en representatieve democratie. Samengevat: Hoe de participatie zich verhoudt tot het samenspel tussen raad, college, bewoners, ondernemers en andere deelnemers wordt in het handboek toegelicht in hoofdstuk 1.4: Het college kiest ervoor om dat als plek te houden voor deze toelichting. Voor burgerberaden wordt een Leidraad ontwikkeld voor ambtenaren. Deze wordt aan de toolbox participatie toegevoegd. Hier wordt in handboek hoofdstuk 5.3 op ingegaan.

(2) Het al dan niet obligatoire karakter van de genoemde participatie. Hoe vrijblijvend is het toepassen van participatieve processen bij de besluitvorming in gemeente Den Haag? Wanneer is participatie verplicht, onder welke omstandigheden? Kunnen er krenten delen uit het participatieproces genomen worden en separaat toegepast of is er altijd sprake van een volledig proces? Kunnen burgers zelf ook een participatieproces afdwingen? Deze vragen zouden wij graag in het handboek zelf beantwoord zien.

(2) Het college onderschrijft de wens om duidelijkheid te verschaffen over verplichte participatie en de mate van participatie. Participatie is in de nieuwe verordening daarom in principe altijd verplicht wanneer de gemeente initiatiefnemer is, tenzij er een uitzondering geldt. Het participatieplan geeft inzicht in het participatieproces, dit blijft maatwerk. Hierdoor kan per traject de impact en daarmee de grootte worden bepaald. Wel wordt met de publicatie hiervan aan eenieder duidelijk hoe de gemeente voornemens is het participatieproces in te richten en welke afwegingen daarbij zijn gemaakt.

9

(3) Sterkere nadruk op de keuze voor een participatief proces en wat de burger daaraan heeft Op pagina 16 van het handboek wordt vermeld: ‘’De voorbereiding van ieder participatieproces is cruciaal. In de eerste stap richting participatieplan doet iedereen de participatiecheck: is participatie zinvol? Zo ja, hoeveel is passend en mogelijk? Zo wordt inzichtelijk hoe de participatie in verhouding staat tot de aard en omvang van het project en de invloed die het project op de omgeving heeft.’’ Dit juichen wij van harte toe, maar het blijft wat vaag wat de exacte criteria zijn om tot een beslissing voor participatie te komen en wat de uitkomsten voor de burger zullen zijn. Dit staat er nog niet duidelijk genoeg.

(4) Dat “betrokkenen altijd geïnformeerd moeten worden, ook als de gemeente geen traject van beleids- of projectparticipatie start’’ is natuurlijk essentieel. Wel zouden we graag zien dat de condities waaronder voor participatie gekozen moet worden, de waarde voor de burger en de beslissingen van de gemeente hieromtrent vastgelegd worden als verplichting in het handboek.

(5) Niveaus van participatie of eigenaarschap In het handboek wordt gezegd: ‘’Ook bepaalt iedereen de trede op de trap van eigenaarschap: hoeveel invloed hebben deelnemers op (onderdelen) van het beleidsplan, of project? De trap van eigenaarschap is als bijlage toegevoegd. Informeren is geen participatie. Iedere trede vanaf “raadplegen” van de trap bevat een deugdelijk niveau van invloed, die gehanteerd kan worden in een participatie traject. In de trap

(3) Met u zou het college het liefst een lijst hebben van alle participatietrajecten en de grootte van dit traject. Dat is echter niet mogelijk. In Den Haag vinden jaarlijks meer dan honderd participatietrajecten plaats. Dat betekent dat dus per keer beoordeeld moet worden welke participatie het meest passend is. Bijvoorbeeld: een participatietraject voor een nieuw beleid Jeugd moet anders worden ingestoken als een participatietraject voor de ontwikkeling van een nieuwe woontoren. Hiermee blijft participatie maatwerk. Wel is participatie standaard het uitgangspunt, zoals ook vastgelegd in de verordening. In het participatieplan wordt uitgelegd hoe bewoners worden betrokken en wat de invloed van hen is. Dit moet ook duidelijk worden gecommuniceerd. (4) De verordening voorziet in bindende spelregels voor participatie en de verplichte stappen hierin. Het handboek is een hulpmiddel bij deze spelregels. De verordening is daarom de logische plek voor een dergelijk toevoeging. In de verordening staat dat het bestuursorgaan gemotiveerd moet besluiten wanneer er van de verordening wordt afgeweken en er bijvoorbeeld geen sprake is van participatie. Want met u is het college van oordeel dat geen participatie niet betekent dat er geen informatieplicht is van de gemeente. Dit staat in artikel 2.3. Het college stelt voor om dit nogmaals in de toelichting te benadrukken.

(4) In de toelichting op artikel 2.3 van de verordening wordt geëxpliciteerd dat afwijking van de verordening wordt gemotiveerd en dat belanghebbenden en de gemeenteraad hierover worden geïnformeerd.

(5) De Trap van eigenaarschap geeft de door de gemeente gehanteerde niveaus van participatie weer. Dat zijn raadplegen, advies vragen, co-produceren en meebeslissen. Deze niveaus zijn geprojecteerd op de Trap van eigenaarschap om te verduidelijken wat het mogelijke effect op de deelnemer is van het gekozen niveau. Ook laat het zien wat eigenlijk van de deelnemer wordt gevraagd. Zo worden verschillende afwegingsprincipes aangeboden om de mate van

10

staat informeren erbij om te onderstrepen dat succesvolle participatie staat of valt met informatieverstrekking, kennis deling en communicatie.’’ Dit is juist, maar de gebruikte ‘Trap van eigenaarschap’ van www.datishelder.com lijkt bepaalde procesniveaus waarvan wel degelijk sprake kan zijn in gemeentelijke participatieprocessen niet duidelijk weer te geven. Dit is wel heel belangrijk voor de burgers die bij het proces betrokken zijn, waren of zullen zijn. Wij geven dan toch de voorkeur aan ‘Sherry Arnstein's Ladder of Citizen Participation’. Hierin is duidelijk dat ‘participatie’ ook een negatieve kant kan hebben als deze op een bepaalde wijze wordt aangepakt. Burgers dienen te weten dat manipulatie ook onderdeel van het proces kan zijn.

(6) De rol van bewonersorganisaties Als het gaat om het contacteren van representanten van grote groepen van de bevolking, fungeren bewonersorganisaties al sinds de jaren '70-'80 als een ‘deus ex machina’; een ‘easy way out’ bij het participatieproces. Toch valt er op de betekenis van deze organisaties nogal wat af te dingen. Op pagina 17 en andere worden ‘bewonersorganisaties’ genoemd als belanghebbenden bij het participatieproces. Alhoewel deze organisaties natuurlijk uit individuen bestaan die ieder het recht hebben deel te nemen aan het proces, zouden wij ze geen speciale status willen geven. Het is onze ervaring dat in Den Haag ‘bewonersorganisaties’ aan de ene kant vaak naar voren worden gebracht als organen die een grote groep bewoners vertegenwoordigt. Dat is niet altijd het geval. Er zijn zeker meerdere gevallen waar deze

invloed te bepalen. Het uitgangspunt hierbij is dat de gemeente initiatiefnemer is en de kaders stelt en het instrument een hulpmiddel is in de vormgeving van een participatietraject. Om die reden zijn de bovenste trede en de onderste treden van de ladder van Arnstein niet meegenomen in de trap. De bovenste ("citizen control") omdat dit het initiatief van de bewoner omvat. Maatschappelijk initiatief is buiten de reikwijdte van de Participatieverordening en het handboek, zie handboek 2.1. Voor de onderste treden ("therapy" en "manipulation"): hier mag ervan worden uitgegaan dat dit niet behoort tot het repertoire van de lokale overheid. Het gaat immers over participatie, dus wél meedoen. De trede "informatie" gaat vergezeld van het mogelijke effect van afhankelijkheid om inzichtelijk te maken wat alleen zenden doet met de ontvanger. Zo staan informeren en communiceren ten dienste van participatie, zijn ondersteunend gedurende het hele proces. Waarbij: Informeren is geen participeren, zie handboek 2.1 en de Trap van eigenaarschap. (6) Het college kiest ervoor om in dit kader vooral te focussen op de belanghebbenden bij een participatietraject en wie deze belangen kunnen vertegenwoordigen. Soms zijn bewonersorganisaties hierin een belangrijk stukje van de puzzel. Bewonersorganisaties zullen echter inderdaad nooit alle belangen kunnen vertegenwoordigen.

Per traject vindt dan ook een beoordeling plaats wie deze belanghebbenden kunnen zijn. Om wel stil te staan bij de mogelijke rol van bewonersorganisaties geeft het handboek duidelijkheid zonder sturende richting te geven. Dat is hiermee dus een bewuste keuze, om recht te doen aan deze complexiteit.

11

organisaties gedomineerd worden door een kleine, al dan niet sektarische, groep en zeker niet namens een grotere groep bewoners spreken of deze bewoners monddood hebben gemaakt voor wat betreft hun echte mening. De bewonersorganisatie kan dan eigenlijk zelf het participatieproces niet aan. Aan de andere kant komen deze organisaties vaak naar voren bij projecten die een hele wijk of buurt betreffen, terwijl zij eigenlijk meer in ‘case management’ (individueel hulp verlenen) en niet ‘community work’ (collectief samenspel met informele partijen, zoals netwerken in de wijk bouwen en collectieve activiteiten ondersteunen) gespecialiseerd zijn. In een aantal gevallen maakt dit ‘bewonersorganisaties’ tot rudimenten uit de jaren '70-'80 waarbij enige voorzichtigheid betracht dient te worden om deze als vertegenwoordigers in een participatieproces op te nemen.

5

23-62024

Ten slotte willen wij u nogmaals complimenteren met het resultaat en hopen dat het bovenstaande nog op een of andere manier in het eindproduct kan worden opgenomen. Bewonersor Dank voor de onlangs toegezonden documentatie met Dank voor uw zienswijze en de moeite die u hiervoor ganisatie betrekking tot de wijze, waarop de gemeente burgers, bedrijven heeft genomen. Per punt volgt een reactie: Havenkwarti en andere betrokkenen mee wil nemen in het denken over, er ontwikkelen en uitvoeren van allerlei verschillende soorten van activiteiten en projecten binnen de gemeentegrenzen. Veel onderdelen met betrekking tot het participeren zijn daarin mooi meegenomen. Het Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’, het Handboek participatie en de participatieverordening beogen het participatieproces en de rol van de betrokkenen te omschrijven. De gemeente omschrijft daarin potentiële valkuilen en beoogt door de stadsgesprekken, straatgesprekken met bewoners en speciale sessies eventuele problemen inzichtelijk te maken. (1) Wat niet wordt genoemd is het belang van de tijdigheid van informatie en de vraag blijft wie je moet benaderen voor welke projecten met participatie mogelijkheid aan de voorkant.

(1) Het college ondersteunt deze oproep om deelnemers tijdig te informeren over het participatieproces, zodat zij voldoende voorbereidingstijd hebben. Dit staat wel in het handboek, namelijk op pagina 17, maar nog niet expliciet in de verordening. Het college stelt voor dit toe

(1) Artikel 2.4.1 e en 2.4.2c van de verordening worden met aangevuld.

12

te voegen bij de uitgangspunten in artikel 2.4. Tijdigheid is geëxpliciteerd. In het participatieplan wordt het nodige maatwerk geleverd, zo ook welke belangen in het traject aanwezig zijn en wie deze belangen kunnen vertegenwoordigen. Zie ook punt 4. (2) Bij wat voor soort project moet je welke betrokkenen wanneer betrekken? (3) Bij vertegenwoordigen blijft daarbij de vraag: spreek je met de juiste afvaardiging, en heeft die een mandaat? Is hun mening echt de mening van het betreffende orgaan/vereniging/ stichting? En geef je als gemeente dat soort organisaties de tijd om tot consensus te komen.

(2 en 3) Bij participatie gaat het erom dat een representatie van alle belangen die door het project of plan worden geraakt, deelnemen aan het participatietraject. Vertegenwoordigende organisaties kunnen ook onderdeel hiervan zijn. Zij kunnen op verschillende manieren meedoen en meehelpen. Bij ieder participatietraject wordt gekeken welke manier(en) passend is/zijn. Zie ook het handboek 3.2, 4.1 en 4.2. Dit soort praktische uitwerking van het voorgestelde participatie Er wordt geen standaard gehanteerd maar zijn er wel proces ontbreekt in de huidige documentatie, maar is voor de hulpmiddelen ontwikkeld om dit zorgvuldig te kunnen gewone burger het belangrijkste om zijn of haar rol te beoordelen. Zie bijvoorbeeld de Haagse werkwijze en onderkennen. de Trap van eigenaarschap. Het wordt in het participatieplan verplicht deze te gebruiken. Op deze manier doet het college recht aan deze behoefte.

(4) Nadruk in de reactie wat ons betreft is te wijzen op het belang van informatie, beter te veel en te vroeg dan te weinig, en verifieer welke partijen je erbij betrekt: wie heeft belang bij participatie en bij wat?

(5) Bij projecten van ontwikkelaars, die grond of gebouwen van de gemeente hebben overgenomen dien je ook het participatie recht van omwonenden en potentiële bewoners als eis te stellen. Benoem verantwoordelijkheden aan beide kanten, zodat ieder weet wie met wie te maken heeft.

(4) Het college onderschrijft uw analyse. In het door het bestuursorgaan te publiceren participatieplan wordt bekend gegeven welk belangen waarvoor en hoeveel worden betrokken. Dit wordt voor de start van participatie gepubliceerd. Ook is het uitgangspunt van proactieve communicatie aan de verordening toegevoegd. Zie ook de reactie bij (1).

(5) Zie ook de reactie op de tweede zienswijze. Participatie onder de Omgevingswet is wettelijk gezien vormvrij. Dat betekent dat het juridisch niet mogelijk is om spelregels voor ontwikkelaars in de

13

participatieverordening op te nemen. De Omgevingswet geeft aan dat participatie moet plaatsvinden, maar laat initiatiefnemers dus ruimte om te bepalen hoe ze dat doen. De verordening biedt hiervoor helaas geen oplossing.

6

23-62024

Bewonersor ganisatie Leidschenveen (BOL)

Ook het college heeft de wens om hier meer duidelijkheid over te creëren en goede participatie voor initiatiefnemers te stimuleren. Daarom is de Beleidsregel Verplichte participatie in de maak. De beleidsregel helpt de gemeente bij het beoordelen van participatie van een externe initiatiefnemer. De participatiegids is hiervoor ook een hulpmiddel. Hiermee probeert het college goede participatie zo veel mogelijk te stimuleren. Graag wil ik namens de Bewonersorganisatie Leidschenveen Dank voor uw zienswijze. Het college onderschrijft uw (BOL) uw aandacht vragen voor onze zienswijze op de concept uitgangspunt volledig. Ook het college heeft de Participatieverordening (Gemeenteblad nr: 222146). overtuiging dat met goede participatie er betere Voor ons is het uitgangspunt van participatie dat de stad besluiten kunnen worden genomen. Hierna volgt een mooier wordt of blijft doordat de inbreng van participanten reactie per punt. verschillende inzichten kunnen geven over een visie of een plan. Hieronder geven we onze zienswijze over de concept Participatieverordening, waarbij we op de verschillende elementen ingaan: (1) De kwaliteit van participatie zou in de ‘Uitgangspunten’ (art. 2.4) gedefinieerd en met meetbare criteria moeten worden beschreven.

Het is vooral belangrijk dat de inbreng van deelnemers inhoudelijk en met argumenten wordt beoordeeld, met name wanneer hun inbreng niet bindend is. Een deskundige reactie van het bestuursorgaan is daarbij een voorwaarde voor een goede kwaliteit van participatie. Er moet voorkomen worden dat met de inbreng van deelnemers (ogenschijnlijk) niets wordt gedaan of waarover alleen opgemerkt wordt dat dit ter kennisgeving is of dat de respons is dat “men zich niet herkent” in de gegeven inbreng. Ergo, wanneer er om serieuze input door middel van participatie gevraagd wordt, dient hier eveneens serieus en met zorg een

(1) Het college onderschrijft dat het van belang is om zichtbaar te maken hoe er met de inbreng van deelnemers wordt omgegaan. Door het overleggen van een plan en een verslag, zie artikel 3.2.2 en 3.2.3, worden de uitgangspunten uit 2.4 navolgbaar gemaakt en praktisch uitgewerkt. Immers in artikel 3.1 wordt verplicht dat het plan en verslag wordt gepubliceerd. In het verslag wordt gemotiveerd toegelicht hoe er met de inbreng wordt omgegaan. Zie 3.2.3c. Hiermee blijft het niet alleen bij een uitgangspunt, maar wordt het ook praktisch toepasbaar.

14

weging en een gemotiveerde reactie op geformuleerd te worden. (2) Deelnemers hebben een informatieachterstand t.o.v. een betreffend bestuursorgaan. Deze achterstand kan worden verminderd door in de ‘actieve informatieplicht’ van het bestuursorgaan richting de deelnemers op te nemen dat de relevante openbare stukken ook alle eisen en aanbevelingen bevatten waaraan een initiatief wordt getoetst door de overheid (integraal: gemeente, provincie, rijk).

(3) Voldoende tijd voor een zorgvuldig proces. Het is belangrijk dat deelnemers voorafgaand aan een participatie (tijdig) worden geïnformeerd. Als dit niet wordt gedaan dan wordt de inbreng ad-hoc gegeven tijdens de besprekingen, waardoor er met name voor partijen uit het maatschappelijke middenveld geen goede afstemmingsmogelijkheden zijn met de achterban.

(4) “Verwerking participatie” (art. 3.1 c.) De transparantie van het participatieproces kan verzekerd worden door de reactie van de deelnemers op het concept participatieverslag openbaar te maken, samen met de reactie daarop van het bestuursorgaan.

(2) Zie ook zienswijze 5 voor de toevoegingen op actieve informatieplicht. In artikel 2.4.2 a, c en d staat in de uitgangspunten dat deelnemers morgen rekenen op deze proactieve informatieplicht, onder andere door alle relevante openbare stukken die behulpzaam zijn in het participatieproces te delen met de deelnemers, waaronder het plan en verslag. In het plan, zoals bedoeld in artikel 3.2 wordt ook verplicht dat wordt aangegeven wat de verschillende belangen zijn, inclusief het belang van de gemeente. Zo kan worden bijgedragen aan duidelijkheid hoe de gemeente een weging doet en waar deze toetsing op wordt gebaseerd. Hiermee probeert het college onder andere recht te doen aan deze actieve informatieplicht.

(3) Het college ondersteunt deze oproep om deelnemers tijdig te informeren over het participatieproces, zodat zij voldoende voorbereidingstijd hebben. Dit staat wel in het handboek, namelijk op pagina 17, maar nog niet expliciet in de verordening. Het college stelt voor dit toe te voegen bij de uitgangspunten in artikel 2.4. Tijdigheid is geëxpliciteerd. In het participatieplan wordt het nodige maatwerk geleverd, zo ook welke belangen in het traject aanwezig zijn en wie deze belangen kunnen vertegenwoordigen. (4) Aan artikel 3.1 is toegevoegd dat deelnemers na elk participatiemoment een terugkoppeling ontvangen en daarop kunnen reageren. Alle terugkoppelingen en relevante reacties erop worden verzameld in het participatieverslag. Met relevant wordt bedoeld: als deelnemers het niet eens zijn met de terugkoppelingen. Dit wordt aan de toelichting bij de verordening ook toegevoegd.

(2) en (3) Artikel 2.4.1.e en 2.4.2.c van de verordening worden met aangevuld.

(4) De artikelen 3.1 en 3.2 zijn aangepast. Toegevoegd is dat deelnemers na elk participatiemoment een terugkoppeling ontvangen.

15

(5) “Bestuursorgaan toetst het verslag en keurt goed” (art. 3.1 d.2) Met de goedkeuring van het verslag wordt impliciet ook de participatie goedgekeurd. De mate waarin de kwaliteit van de participatie is behaald, zou de basis moeten zijn voor deze goedkeuring (zie ons eerste punt in deze zienswijze).

(5) Het college is het hiermee eens. Dat is ook het voornemen, zoals in artikel 3.2.3 als voorwaarden bij het verslag. Een toevoeging is daarom niet nodig.

(6)“in raadsvoorstellen neemt het bestuursorgaan een participatieparagraaf op waarin het bestuursorgaan kort verslag doet van de participatie” (art. 3.1 e.2) Voor het goed en volledig informeren van de raad, moet het “korte verslag” reeds opgenomen worden als samenvatting in het participatieverslag. Op deze manier wordt gewaarborgd dat raadsbesluiten worden genomen met de juiste interpretatie van het participatieverslag.

(6) In het raadsvoorstel wordt verwezen naar het gepubliceerde participatieverslag. Hiermee wordt de mogelijkheid geboden om te controleren of de beknopte samenvatting (de participatieparagraaf) voldoet aan de uitkomsten van de participatie.

(7)“Uitdaagrecht” (Hfdst. 5) Het is onduidelijk of en hoe (7) Het college begrijpt deze wens. Het recht tot deelnemers aan de participatie kenbaar kunnen maken dat een inspraak is daarom door uw zienswijze verankerd in het voorstel om gebruik te maken van het uitdaagrecht ongewenst uitdaagrecht. Dit wordt toegevoegd in de verordening. of strijdig is met belangen van ingezetenen of maatschappelijke partijen.

7

2-072024

Bewoner

(8) In het algemeen zouden wij graag minder besprekingen zien tijdens een participatieproces, maar wel met meer kwaliteit. Graag hopen wij dat u onze inbreng meeneemt in de vaststelling van de Participatieverordening. Uiteraard vernemen wij ook graag uw argument of beweegreden wanneer u niet aan dit verzoek kunt voldoen.

(8) Dat kunnen wij ons goed voorstellen. Het college staat voor kwalitatief goede participatie. Per traject moet worden bepaald hoe dat het beste kan worden bereikt om recht te doen aan alle belangen. Dit blijft maatwerk.

Indien mogelijk zullen we onze zienswijze graag verkort toelichten tijdens een mogelijkheid tot inspreken in een commissie of raadsvergadering. De nieuwe Haagse participatieverordening ziet er vanuit bureaucratisch gezichtspunt prachtig uit, daarvoor complimenten. De hamvraag is natuurlijk waarvoor en wanneer deze verordening gehanteerd gaat worden door de gemeente.

Inspraak bij een commissie- of raadsvergadering is mogelijk. Wij informeren u wanneer de beraadslaging plaatsvindt. Dank voor uw zienswijze. Het college is het met u eens dat het opschrijven van de verordening slechts de eerste stap is. Om met de verordening te werken is natuurlijk veel belangrijker.

(6) Artikel 3.2.3. is aangepast: relevante reacties op de terugkoppelingen zijn toegevoegd.

(7) Aan artikel 5.2 is inspraak op uitdaagrecht toegevoegd.

16

(1) Er zijn een paar voor de hand liggende uitzonderingen, maar de toelichting op het artikel 2.3 over de ‘reikwijdte’ geeft te denken. Daar wordt de opvang van nieuwkomers genoemd als voorbeeld van een wettelijke taak waarbij de gemeente geen of weinig inspraak heeft. Zo ruim geformuleerd is dat uiteraard onzin. Het mag zijn dat het aantal op te vangen nieuwkomers goeddeels vaststaat, er is volop beleidsvrijheid als het gaat om het waar en hoe van de opvang binnen de gemeente. Het verdient dan ook dringend aanbeveling de formulering van het voorbeeld aan te passen om misverstanden te vermijden.

(1) Het college begrijpt deze zorgen en de onduidelijkheid die deze tekst op kan leveren. Het voorbeeld is daarom verwijderd.

(2) Opvallend is dat in het hele stuk de ‘Leidraad controversiële voorzieningen’ niet ter sprake komt. Deze staat immers lijnrecht tegenover het uitgangspunt van de nieuwe participatieverordening zoals verwoord in de algemene toelichting: “participatie, tenzij”. Tenzij de gemeente bedoelt dat inspraak en participatie alleen plaats kunnen vinden als alle belanghebbenden het op voorhand al eens zijn met de maatregel of voorziening die voorligt? Fraaie vorm van maximaal uitgeholde democratie! Al in 2021 nam de Raad een motie aan waarin is verwoord dat bedoelde Leidraad niet meer van deze tijd is en geactualiseerd moet worden. In de reactie van het college (RIS309119) is te lezen: “De werkwijze ten aanzien van controversiële voorzieningen zal hierin worden verankerd” – waarbij ‘hierin’ verwijst naar de herziene participatieverordening. Aangezien in het document geen verwijzing naar de Leidraad is te vinden, is het van twee-en één. Of de Leidraad is stilzwijgend ingetrokken, hetgeen uit een oogpunt van democratie toe te juichen is. Of de Leidraad bepaalt nog altijd buiten het zicht van de burgers van de stad de onderwerpen waarover ze niks mogen zeggen.

Dat laatste kan uiteraard echt niet gelet op de fraaie doelstelling zoals verwoord in de algemene toelichting: “Deze nieuwe participatieverordening heeft tot doel de participatie te verbeteren door beter aan te sluiten bij de wensen en behoeften van de stad.” Daarbij ga ik er gemakshalve maar vanuit dat met ‘stad’ niet gedoeld wordt op het stadhuis, maar op de Haagse burgers die er wonen en werken. Kortom, klip en

(2) De participatieverordening geldt voor beleidsvoornemen, dan wel uitvoering of evaluatie van beleid en projecten. In artikel 2.3 wordt aangegeven dat er ook gevallen zijn waarin de participatieverordening niet geldig is, bijvoorbeeld als er sprake is van hogere wet- en regelgeving. Participatie blijft maatwerk, dus per geval moet er gekeken worden of er ruimte is voor participatie en zo ja, hoeveel. Dit geldt voor al het beleid en projecten in Den Haag, ook voor de aanpak nieuwkomers. De Leidraad is in 2005 ontwikkeld als antwoord op een motie. In de praktijk wordt deze niet gebruikt. Met de komst van de participatieverordening is er ook geen noodzaak meer om hier separate spelregels voor te hanteren.

(1) Het voorbeeld in de toelichting van artikel 2.3 verwijderd.

17

klaar moet worden wat er met die Leidraad gaat gebeuren, de huidige situatie is echt niet meer van deze tijd. De beste oplossing is de Leidraad te schrappen. (3) artikel 2.3.3 worden aangepast.

(3) Vervolgens zou voor de uitzonderlijke gevallen waarin participatie in de ogen van het bestuur onmogelijk is, dit expliciet met redenen omkleed in een beleidsvoornemen ter sprake moetenkomen. Op die wijze kan de nieuwe participatieverordening aan geloofwaardigheid winnen.

8

9-7-2024 AVN

(3) Het college onderschrijft deze behoefte dat moet worden gemotiveerd als er van de verordening wordt afgeweken. Er is toegevoegd dat belanghebbenden en de gemeenteraad hierover worden geïnformeerd. Op https://doemee.denhaag.nl/wiemaghetzeggen/ lezen we dat Dank voor deze zorgvuldige en uitgebreide zienswijze. concept-Inspraak- en Participatieverordening 2024’ en De bijlage is door het college eerder ontvangen in de ‘concept-Handboek Participatie’ ter inzage liggen tot 3 juli. Wat context van het proces rondom de participatiegids. U betreft de concept-participatieverordening doen we mee met de ontvangt hierop een separate reactie. gezamenlijke zienswijze van de Vrienden van Den Haag en anderen. Hieronder onze zienswijze met enkele aanvullende opmerkingen, met name over de participatiegids, het handboek en andere instrumenten. Het is veel: we stellen een samenvatting met 12 belangrijke punten over participatie voor. (1) Concept-Participatieverordening De AVN is mede-ondertekenaar van de gezamenlijke zienswijze. We vinden het met name belangrijk dat: -de participatie start voordat initiatieven “in beton gegoten” lijken.

Het beste is ter plekke een bord te plaatsen met informatie over een initiatief en hoe daarover kan worden geparticipeerd verslagen door deelnemers zo nodig kunnen worden aangevuld/ opmerkingen erover worden opgenomen -finale versies van beleidstukken (zoals deze verordening) en

(1) Met u vindt het college het van belang dat participatie begint voordat belangrijke keuzes zijn gemaakt. Participatie draagt bij aan zorgvuldige besluitvorming en daarom aan een betere stad. Om die reden wordt het participatieplan gepubliceerd voordat de participatie is gestart. Ook wordt in de ontwikkeling van het participatieplan een aantal betrokkenen meegenomen. Het college begrijpt de wens om proactief informatie over de participatie te verspreiden.

18

buitenplanse omgevingsplanactiviteiten ter inzage worden gelegd. In de toelichting van de verordening wordt de participatiegids (hulpmiddel bij grote gebiedsontwikkelingen) genoemd.

Zie ook afdoening van de motie “Praktische participatie, een bord voor je kop (RIS318334).

(2) Concept-participatiegids (hulpmiddel bij grote gebiedsontwikkelingen), RIS 315612. Participatie bij grote gebiedsontwikkelingen, en dus ook deze gids, vinden we van groot belang. Op p14 staat echter een fout over omgevingsvisie en omgevingsplan, die we al eerder hebben gesignaleerd. Zie bijlage punten over participatie en onze brief uit 2023, https://avn.nl/document/26-oktober-2023de-avn-over-de-haagse-mixer-en-participatiegids-van-degemeente-den-haag/ In de participatiegids staat op p14 een lijst onderwerpen voor de Omgevingsvisie respectievelijk het Omgevingsplan. Het verschil tussen plan en visie is echter niet de onderwerpen. In de visie staat het beleid, de wensen over een bepaald onderwerp, in het plan wordt het uitgewerkt in regels om de beoogde wens te bereiken. Een voorbeeld zou kunnen zijn in de Omgevingsvisie: de door de Gemeenteraad aangenomen verplichting de Stedelijke Groene Hoofdstructuur in stand te houden en te versterken. En in het Omgevingsplan regels die daar uit voortvloeien, onder andere: beperk verharding tot maximaal 5%. Het verschil tussen omgevingsvisie en omgevingsplan staat wel goed uitgelegd in het handboek.

(2) Deze opmerking ziet op de participatiegids, niet de verordening of het handboek. Met de komst van de nieuwe versie van de Participatiegids worden de brieven van AVN afgedaan. Voor de beantwoording van deze opmerkingen die al eerder zijn ontvangen, verwijst het college naar de afdoening bij de participatiegids.

(3) Het concept-handboek Het handboek is een helder document. Alleen stellen we een verbetering voor op p 29 met betrekking tot de vertegenwoordigende organisaties. Voor een specifieke doelgroep staan er drie voorbeelden, bij een specifiek onderwerp slechts één. We stellen daar voor drie toe te voegen, die al vele jaren door de gemeente worden betrokken in overleg: voor natuur, de AVN; fietsen, de Fietsersbond; openbaar vervoer, Rover.

(3) Het college omarmt de suggestie om deze toe te voegen als voorbeelden van partijen die op deze thema’s ook belanghebbenden kunnen zijn. De aanpassing is op pagina 19 gedaan waar de desbetreffende zin staat.

(4) Een veelvoud van instrumenten, en daarom een samenvatting met 12 belangrijke punten voor participatie.

(3) Toevoeging handboek p 19.

(4) U heeft deze 12 punten eerder gestuurd, als reactie op de participatiegids en de Omgevingsvisie. Met de komst van de nieuwe versie van de Participatiegids

19

9

2-7-2024 Vrienden van Den Haag, SOS Den Haag, bewonersor ganisaties

In de toelichting van de verordening worden verschillende instrumenten genoemd: het kompas en de werkwijze, de trap van eigenaarschap en de participatiecheck. Bij het handboek horen bijlagen, behalve bovengenoemde ook het participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ Tegelijk met de participatiegids zijn de volgende teksten uitgebracht, het Participatiewerkboek, Samenspel per stap, en Wegwijzer. Omdat velen weinig tijd hebben dit alles tot zich te nemen, schreven we vorig jaar 12 belangrijke punten bij participatie op. Die hebben we opgenomen in de bijlage. Wellicht kunt u die gebruiken. In de hoop dat u bovengenoemde voorstellen voor de participatie zult overnemen. Wij zijn blij met uw inzet om te komen tot een participatieverordening en bijbehorend handboek dat aan alle betrokkenen – burgers, ondernemers, lokale organisaties, gemeenteambtenaren en initiatiefnemers – duidelijk maakt wat participatie binnen deze gemeente inhoudt met als doel een veel soepeler en constructief proces. Graag maken wij gebruik van de mogelijkheid tot amendering – in blauw in de bijlage - en lichten wij die in deze brief toe. Ook willen wij aandacht vragen om in de verordening op te nemen dat voor alle gemeentelijke projecten participatie begint bij de planvorming en eindigt bij de oplevering. Waarbij wordt aanbevolen dat dit ook particuliere initiatiefnemers aan te bevelen is.

De gevolgen van te late of loze participatie bij ingrijpende plannen voor grote bouwprojecten en de ruimtelijk inrichting zijn in onze stad maar al te bekend. Het leidde al veelvuldig tot bewonersverzet, tot aan rechtszaken toe, vertragingen en extra kosten. Gemeente, ontwikkelaars en burgers zijn daarom allen gebaat bij proactieve inbreng uit de stad door participatie.

worden deze bijlage afgedaan. Voor de beantwoording van deze opmerkingen die al eerder zijn ontvangen, verwijst het college naar de afdoening bij de participatiegids. Deze volgt in het najaar.

(1) Voor welke activiteiten geldt de verordening? In een participatieverordening dient volgens ons duidelijk omschreven te staan waar het om gaat: ontwikkelingen die grote invloed kunnen hebben op de leefomgeving, natuur en klimaat, mensen en bedrijven. Ook zou in de tekst moeten komen dat elk debat daarover in het teken staat van de leefbaarheid en de ontwikkeling in het algemeen, met zaken als voorzieningen, klimaat, stadsnatuur en groen, zoals dat ook bij

(1) de participatieverordening gaat over alle beleidsvoornemens, dan wel de uitvoering en evaluatie van beleid of projecten. Dit wanneer de gemeente het initiatief neemt en heeft. Denk aan een nieuw beleid voor jeugd, een project voor de herinrichting van een plein etc. Dat is dus meer dan alleen trajecten met grote invloed. Dat zou de reikwijdte van de verordening feitelijk verkleinen.

Dank voor deze zorgvuldige en uitgebreide zienswijze. Het college zal eerst op uw brief reageren. Daarna op uw amendementen op de participatieverordening. Het college deelt uw mening dat participatie vroeg begint, bij de start van een project of nieuw beleid. De verordening is generiek beschreven voor alle projecten en beleid in Den Haag. Vandaar dat de formulering in deze ook generiek van aard is.

20

het opstellen en aanpassen van het omgevingsplan gebeurt. Het participeren in de stadsontwikkeling krijgt dan een permanenter en minder projectafhankelijk karakter. Daarnaast hoort onder grote participatieplichtige ontwikkelingen de beeldkwaliteit expliciet te worden benoemd en verwerkt, als aanvulling op de generieke beleidsnota omgevingskwaliteit. Hierbij valt te denken aan samenhang, stilistiek, bescherming van monumentale gebouwen en dito groengebieden, en hoogwaardige architectuurensembles. Tenslotte moet nadrukkelijk gesteld worden dat elke in tijd en middelen begrensde activiteit van de gemeente niet hetzelfde is als een al grotendeels vormgegeven voornemen of plan. Immers, juist die kunnen participatie zo zeer inperken dat invloed onder de definitie in artikel 1.1 wordt uitgeschakeld. (2) Wat is het startmoment? In zijn brief van 16 juni 2023 over participatie bij ingrijpende ruimtelijke veranderingen (RIS315612) stelt het college dat “participatie begint bij het nadenken over de toekomst van een gebied of locatie en het ontwerpen van de eerste contouren”. Ook bij andersoortige projecten zorgt overleg met alle betrokkenen vanaf het eerste begin voor meer draagvlak en minder vertraging later in het proces omdat men het over de contouren eens is geworden. Dat startmoment dient daarom aan de uitgangspunten te worden toegevoegd.

(3) Welke ruimte biedt de Omgevingswet voor lokaal beleid? Bij ingrepen in de fysieke leefomgeving stelt de Omgevingswet participatie verplicht. Dit houdt in “het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit”. (Stb. 2018/290). Belanghebbenden dienen dus in een vroegtijdig stadium van de besluitvorming betrokken te worden, dat wil zeggen, in een stadium waarin nog geen formele besluitvorming heeft plaatsgevonden en alle opties nog openliggen. In geval van private initiatieven legt de wet het besluit tot en financiering van participatie en de vormgeving bij

De verordening bevordert de mogelijkheid om zorgvuldig te debatteren over de participatie, door alle plannen en verslagen te publiceren. Ten aanzien van de definitie van project: de verordening heeft een bredere reikwijdte dan alleen bij projecten. Ook voornemens voor een project of beleid vallen binnen de verordening.

(2) Het college begrijpt de wens om meer duidelijkheid te scheppen over wanneer participatie start. Vroegtijdige betrokkenheid van belanghebbenden wordt gestimuleerd in de verordening. Het participatieplan wordt getoetst bij een aantal belanghebbenden. Ook is in de reikwijdte van de verordening aangegeven dat bij beleidsvoornemens van de gemeente de verordening van toepassing is. Omdat participatie maatwerk is, is het startmoment per project anders en is het daarom niet wenselijk om de verordening hier verder op aan te passen. (3) Participatie onder de Omgevingswet is wettelijk gezien vormvrij. Dat betekent dat het juridisch niet mogelijk is om spelregels voor ontwikkelaars in de participatieverordening op te nemen. De Omgevingswet geeft aan dat participatie moet plaatsvinden, maar laat initiatiefnemers dus ruimte om te bepalen hoe ze dat doen. De verordening biedt hiervoor helaas geen oplossing. Ook het college heeft de wens om hier iets meer duidelijkheid over te creëren en goede participatie voor initiatiefnemers te stimuleren. Daarom is de

(3) Definitie voor ‘instrument’ is toegevoegd. En artikel 3.2 is aangepast.

21

de initiatiefnemers zelf. Het staat de gemeente echter vrij om naast de initiatiefnemers de participatie ook zelf op te pakken, zie https://vng.nl/artikelen/participatie-onder-de-omgevingswetwat-moet-mag-en-niet-kan-als-gemeente.Inmiddels bestaat er jurisprudentie: de participatievorm niet mag worden voorgeschreven, maar deze moet wel in verhouding staan tot de omvang van het project. Naar wij begrijpen gaat de gemeente die verhoudingen nu vastleggen in een aparte beleidsregel. De voorwaarde dat de participatieinspanning in verhouding dient te staan tot de omvang/impact van het project zou daarom moeten worden toegevoegd aan artikel 2.4, Uitgangspunten, onder verwijzing naar deze (toekomstige) beleidsregel. Dit geldt onzes inziens eveneens voor punt 1 van Artikel 3.2, “het bestuursorgaan gebruikt binnen elk proces rond participatie minstens twee werkvormen om alle belangen te bereiken en betrekken”. Voor de duidelijkheid zou hier een verwijzing naar de in Artikel 2.4 genoemde punten aan kunnen worden toegevoegd. In de verordening zelf ontbreekt de verwijzing naar de instrumenten die door de raad zijn aangenomen of in stemming komen: het participatie kompas, de participatiecheck, de participatiegids grote gebiedsontwikkelingen en de MKB toets. Ze staan nu alleen in de toelichting.

Hoewel deze instrumenten bij ingrepen in de fysieke leefomgeving niet aan private initiatiefnemers kunnen worden opgelegd, heeft het wel voordelen om hier ook in de verordening naar te verwijzen, met de aantekening dat het in het geval van private initiatiefnemers om hulpmiddelen gaat die zij niet verplicht zijn om te gebruiken, maar dat de gemeente die tezamen met ontwikkelaars, ondernemers en maatschappelijke en bewonersorganisaties ontwikkeld heeft en gebruikt om de lokale participatie te verduidelijking en te verbeteren.

Beleidsregel Verplichte participatie in de maak. De beleidsregel helpt de gemeente bij het beoordelen van participatie van een externe initiatiefnemer. De participatiegids is hiervoor ook een hulpmiddel. Hiermee probeert het college goede participatie zo veel mogelijk te stimuleren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14592613/1