CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS319815 Bijlage 1 - Puntensysteem groen en natuurinclusief bouwen

Commissie Ruimte 18 september 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken16.498 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Nestplek

Maatwerk nestmogelijkheden

Maatwerk in dakrand of dakgoot, zoals het creëren van nestopeningen in de dakgootbekisting Opening tussen dakrand en dakpan behouden als invliegopening en een ruimte direct achter invliegopening behouden.

Nestplek

34

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

HUISMUS Kenmerken

De huismus is een 14 tot 16 cm grote vogel. Het mannetje en vrouwtje verschillen van elkaar in uiterlijk waarbij het mannetje van het vrouwtje te onderscheiden is door de zwarte oogstreep en met name de zwarte bef tot op de bovenborst. Ze zijn erg honkvast, sociaal en broeden in groepen. De broedtijd ligt meestal tussen begin april t/m augustus met soms drie nesten in één jaar waarbij de nestbouw al vroeg in maart kan beginnen (Bij12, 2017).

Bron: Sovon

Verspreiding

Omgevingseisen

Belang en geschiktheid stedelijke omgeving

Do’s

De huismus komt wijdt verspreid in Nederland voor, vooral in bebouwde kernen voor maar ook op boerderijen in het buitengebied. Het was lange tijd de meest talrijke broedvogel in Nederland, maar heeft een sterke afname gehad in Nederland sinds 1975. De verspreiding overlapt met die van concentraties mensen. De huismus is het talrijkst bij oudere huizen in deels groene, wat rommelige omgeving aan stadsranden of op het platteland. In strakke nieuwbouwwijken en het versteende hart van grote steden zijn ze schaars of ontbreken ze bij gebrek aan nestgelegenheid en/of voedsel (Sovon). Voor hun foerageergebied hebben huismussen veel baat bij een grote onbebouwde oppervlakte, zoals een park, grote tuin of akkerland. Ook aanwezigheid van zand(vlaktes) hebben een grote invloed op de potentiële aanwezigheid van huismussen, omdat zij stofbaden nemen om hun verenkleed schoon te houden (Bij12, 2017). Huismussen hebben veel behoefte aan dekking in hun leefgebied, waardoor hagen, heggen, wanden met klimop, dichte bomen en struiken een vereiste zijn voor de huismus om te vestigen. De huismus is sterk geassocieerd met bebouwing (al dan niet in een landelijke of groene omgeving). Deze omgeving gebruiken ze voor verblijf- of broedplaats waarbij ze vaak dichte heggen maar met name dakranden gebruiken (onder de eerste paar rijen dakpannen).

Huismussen stellen geen hele strenge eisen aan hun verblijfplaatsen, maar wel aan de omgevingsfactoren binnen hun habitat. Dakpannen dienen gegolfd te zijn zodat er voldoende ruimte is voor een nest, met een aanvliegopening van redelijke grootte. Daken met overstek hebben ook een verhoogde kans op aanwezigheid van de huismus. Daarnaast hebben huismussen een sterke behoefte aan beschutting in de vorm van hagen en andere vegetatie. In enkele gevallen worden huismussen bij gebrek aan betere verblijfplaatsen aangetroffen in platte daken die ze via openingen bereiken, of in nestkasten. Huismussen zijn extreem honkvast, en kiezen over het algemeen éénmalig een verblijfplaats waar ze het hele jaar door blijven. Om deze reden is voorzichtig omgaan met verblijfplaatsen van huismus op of rondom woningen een absoluut vereiste.

Verblijfplaatsen: • Werk buiten de gevoelige perioden en behoud nestlocaties • Aanbrengen voorzieningen voor huismus, tenminste drie meter boven de grond en niet in de volle zon • Behoud van ruimte onder dakpannen • Gebruik van gegolfde dakpannen Foerageer- en leefgebied: • Behoud vegetatie • Behoud open grasvelden, parken, groenstroken en bermen • Aanleg grasvelden, parken, groenstroken en bermen met voldoende houtopstand • Aanleg van hagen, wanden en klimplanten, klimop en vuurdoorn zijn heel geschikt • Aanplant van struiken of bomen die jaarrond groen zijn, zoals coniferen, hulst of andere dichte bomen • Aanleg zandgronden met dekking • Aanleg natuurvriendelijke oevers 35

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

HUISMUS • Don’ts

Aanleg van drinkbak of vijver

Verblijfplaatsen: • Onderhoud aan woningen/ sloop/ nieuwbouw zonder aanbieden van alternatieve nestlocaties • Gebruik van platte dakpannen Foerageer- en leefgebied: • Verwijderen van vegetatie zonder maatregelen • Verstedelijking zonder maatregelen • Asfalteren van zandgronden • Kaalkappen van oevers of aanleggen oevers zonder dekking

Onderstaande maatregelen komen uit het rapport Soortmanagementplan (SMP) Den Haag (Arcadis, in prep.) in het kader van gebiedsontheffing Wet natuurbescherming voor gebouwbewonende soorten. Aangezien de effectiviteit van deze maatregelen niet altijd is bewezen, wordt tevens gebruik gemaakt van een landelijke Mitigatiecatalogus (levend document) onder beheer van Arcadis waarin deze maatregelen nader worden omschreven. Onderstaande tabel geeft een beproefde maatregel ten gunste van de huismus. Beschermingsmaatregel van toepassing op de huismus.

Maatregel

Omschrijving

Functie Illustratie

Plaatsen inbouw huismuskasten

Het plaatsen van permanente huismuskasten in nestplek de gevels van woningen als alternatief verblijf

Er zijn in het SMP ook mussenwijken aangewezen om het leefgebied te behouden en versterken. Per mussenwijk zal door de gemeente Den Haag een screening uitgevoerd worden van de aan- of afwezigheid van essentiële elementen voor een geschikt mussenleefgebied rekening houdend met een actieradius van 200 meter rondom het nest (actueel en/of potentieel). Op basis hiervan wordt door de gemeente Den Haag een Mussenplan opgesteld voor specifieke maatregelen in onder meer openbaar groen en ontwikkelgebieden met concrete eisen en wensen (planning 2019). Het gaat daarbij om de volgende type matregelen: • • •

‘Kwetterplekken’ van dichte struiken als veilige vluchtplek tegen roofdieren (sperwer, huiskat) ‘Zandplekken’ voor een stofbad tegen ongedierte; Voldoende foerageergebied; bij voorkeur ruigte en/of bloemrijk grasland.

36

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

MEREL Kenmerken

Het mannetje is geheel zwart en het vrouwtje donkerbruin van kleur met een iets lichtere borst, welke bruin gestreept is. De snavel van de merel is geel of oranjeachtig van kleur. Jonge merels lijken veel op het vrouwtje maar zijn vaak donziger en lijken daardoor groter dan volwassen vrouwtjes, ook is het verenkleed iets lichter. In de herfst kleuren de jongen naar een kleed dat veel lijkt op dat van de volwassen vogels (Vogelbescherming).

Bron: Sovon

Verspreiding

Sinds merels de menselijke omgeving verkenden als broedgebied, hebben ze zich hier met zeer groot succes op aangepast. Toch neemt de merel sinds 2007 licht af (Vogelbescherming).

Omgevingseisen

Het liefst maken ze hun nest in dichte struiken of lage bomen, in klimop en andere lage beplantingen. Waar grasvelden zijn (hoe klein ook) en bomen en struiken, daar zijn merels. En in bijna geheel Nederland is zo'n biotoop voorhanden. Van weilanden tot wegbermen, merels weten er hun voedsel te vinden. Talrijkst in groene buitenwijken en in vochtige bossen met veel ondergroei. Het voedsel bestaat uit wormen, insecten, bodemdiertjes, bessen en fruit. De nesten zijn vaak makkelijk te vinden waardoor veel eieren en jongen aan katten en kraaien ten prooi vallen (Vogelbescherming). Merels stellen weinig eisen aan hun omgeving, zolang er maar begroeiing aanwezig is. Daar waar groen aanwezig is in de vorm van grasvelden, bomen en struiken, is geschikt leefgebied voor de merel aanwezig. Aanwezigheid van dichte struiken of lage bomen, klimop en andere lage beplating, vormen geschikte nestgelegenheid. Verblijfplaatsen: • Werk buiten de gevoelige perioden en behoud nestlocaties • Aanleg van hagen, wanden en klimplanten • Aanplant van bomen en struiken Foerageer- en leefgebied: • Behoud vegetatie • Behoud open grasvelden, parken, groenstroken en bermen • Aanleg grasvelden, parken, groenstroken en bermen

Belang en geschiktheid stedelijke omgeving Do’s

Don’ts

Verblijfplaatsen: • Verwijderen bomen en struiken • Verwijderen hagen, wanden en klimplanten • Verstedelijking zonder aanleg van groen • Gebruik van schutting in plaats van hagen Foerageer- en leefgebied: • Verwijderen van vegetatie

37

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

ZWARTE ROODSTAART Kenmerken De zwarte roodstaart is 13-14,5 cm groot en heeft een roestrode staart. Mannetjes hebben een zwart en grijs verenkleed met een witte vleugelvlek. Vrouwtjes zijn minder zwart en hebben een roetkleuring bruingrijs verenkleed. De vogel zit vaak rechtop en trilt met de staart (Vogelbescherming).

Bron: Sovon

Verspreiding

De afgelopen decennia heeft de zwarte roodstaart een sterke opmars gemaakt. Vooral in de westelijke helft van Nederland heeft de soort sterk aan terrein gewonnen. De groei vlakt nu af en is in oostelijk Nederland zelfs matig negatief geworden (Vogelbescherming).

Omgevingseisen

De zwarte roodstaart komt oorspronkelijk als broedvogel voor in middel- en hooggebergtes, maar broedt in Nederland in het stedelijk gebied en bij moderne boerderijen. De zwarte roodstaart heeft een sterke voorkeur voor warme en droge plaatsen. In stedelijke gebieden vormen alle gebouwen, schuttingen en tuinen een prima alternatief voor de natuurlijke habitat. In met name industrieterreinen en grootschalige nieuwbouw vinden zij holten in muren en tal van andere plekken om te broeden. De soort verdwijnt weer als de omgeving te groen wordt. Er is een grote voorkeur voor droge, warme en lichte biotopen. De zwarte roodstaart heeft een voorkeur voor hoge zangposten van twintig meter of hoger zoals een dakrand, een hijskraan of een antenne. Tijdens de trekperiode kan de zwarte roodstaart in het hele land worden aangetroffen. Een breed scala van insecten staat op het menu, van rupsen en langpootmuggen tot spinnen. In stedelijk gebied jagen ze bij kunstlicht ook ’s nachts op insecten. In de herfst eten zij ook zaden, bessen en ander fruit (Vogelbescherming). In de ogen van een zwarte roodstaart is een huis precies een rots en een ventilatiekanaal is een uitstekende kloof om in te broeden.

Belang en geschiktheid stedelijke omgeving Do’s

Don’ts

Verblijfplaatsen: • Plaatsen/ inmetselen van nestkasten/ neststenen voor halfholenbroeders • Behoud van openingen in gebouwen Foerageer- en leefgebied: • Aanplant van bomen en struweel • Behoud van open landschap met droog biotoop en weinig beschutting Verblijfplaatsen: • Dichtmaken van openingen in gebouwen Foerageer- en leefgebied: • Aanplant van aaneengesloten groene oppervlakten

38

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

SLECHTVALK Kenmerken

De slechtvalk is een grote valk, het vrouwtje is forser dan het mannetje. De valk heeft een zwarte borst, spitse vleugels met vrij brede basis en een tamelijk korte staart. Volwassen vogels zijn licht van onderen, met contrasterende zwarte kopkap en baardstreep. De bovenzijde is blauwgrijs. Jonge vogels zijn bruin van boven en bruin gestreept van onderen (Vogelbescherming).

Bron: eigen materiaal

Verspreiding

Sterk toegenomen nadat de soort bijna was verdwenen door vervolging en gebruik van pesticiden. Heeft sterk geprofiteerd van bescherming en broedt vooral op gebouwen, tot midden in de stad (Vogelbescherming).

Omgevingseisen

De slechtvalk broedt op kliffen en op bergwanden, in nissen en op richels; ook in oude nesten van roofvogels en kraaien. Steeds vaker in nestkasten. In Nederland in steden (kantoorgebouwen, torens) en in open boerenland in hoogspanningsmasten. Soms op de grond (Waddeneilanden). Jaagt vaak ver van het nest, in open landschappen met veel vogels. Buiten de broedtijd meestal in open landschappen, in boerenland, uiterwaarden op kwelders e.d. Zit vaak op de grond of op een paaltje, maar ook op een hoog uitkijkpunt (masten). Groot aanbod aan prooien cruciaal (Vogelbescherming). Binnen de stedelijke omgeving maakt de slechtvalk gebruik van hoge torens zoals kerktorens, hoogspanningsmasten en hoogbouw. Deze zijn als alternatief voor de oorspronkelijke kliffen en bergwanden geschikt als nestlocatie voor de vogel.

Belang en geschiktheid stedelijke omgeving Do’s

Don’ts

Verblijfplaatsen: • Plaatsen nestkasten op hoge bebouwing Foerageer- en leefgebied: n.v.t. in stedelijk gebied Verblijfplaatsen: • Plaatsen van vlaggen of doeken nabij geschikte nestlocatie Foerageer- en leefgebied: n.v.t. in stedelijk gebied

39

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

FUUT Kenmerken

De fuut is de meest algemeen voorkomende futensoort in ons land. In zomerkleed is de vogel goed herkenbaar aan wit gemaskeerde kop met bruinrode krans, overlopend in zwart, en verlengde, zwarte kopveren, felrode ogen, bovenzijde bruin, onderzijde wit. Het mannetje en vrouwtje zijn identiek. Jongen zijn zwart-wit gestreept (Vogelbescherming).

Bron: Sovon

Verspreiding

Het aantal futen is in de loop van de vorige eeuw gegroeid door onder meer einde bejaging en meer voedselrijke wateren (meststoffen). Daarnaast heeft de fuut zich in stedelijk gebied genesteld (Vogelbescherming).

Omgevingseisen

Jaarrond te vinden op visrijke wateren. In het broedseizoen worden kleinere wateren en oeverzones opgezocht. De fuut komt als broedvogel voor in allerlei soorten wateren, van stadsparken en grachten tot duinmeren, moerasgebieden, randen van grote wateren en riviernatuur. Broedgebied bestaat uit allerlei typen natuurlijke en aangelegde zoete tot brakke wateren van 0,5 tot ongeveer 5 meter diepte met voldoende vis. De fuut is een zichtjager met een voorkeur voor aflopende oevers met vegetatie en niet al te dichte onderwatervegetatie, waar hij vis vangt. Behalve in moerassen, op plassen en andere wateren in het buitengebied komt de vogel ook voor in stedelijk gebied. De locatie van het nest betreft veelal een platform in het water, gefixeerd aan oevervegetatie of in het water liggende takken, bij voorkeur goed verborgen in riet. Jongen verlaten al snel nest en worden op de rug oudervogels warm gehouden. Ze worden nog zo'n 10-11 weken gevoerd door de ouders (Vogelbescherming). De fuut komt steeds meer voor in stedelijke omgeving waar deze geschikte nestlocaties vindt langs de oevers van water in stadsparken en grachten dat tevens geschikt foerageergebied vormt, mits voldoende vis aanwezig is. De aanwezigheid van beschutte oevervegetatie van riet is van belang. Daarnaast open water voor visvangst.

Verblijfplaatsen: • Aanleg rietzones • Behoud rustzones langs bestaand water Foerageer- en leefgebied: • Aanleg natuurvriendelijke oevers

Belang en geschiktheid stedelijke omgeving Do’s

Don’ts

Verblijfplaatsen: • Gebruik van oeverbeschoeiing zonder natuurlijke rand

40

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

EGEL Kenmerken

De egel is onmiskenbaar door de stekels op de rug en de bovenzijde van de kop van 2 tot 3 cm lang. Waar stekels ontbreken, is de huid bedekt met vrij stugge haren die op de buikzijde geelwit tot bruin zijn. Een stekel gaat ongeveer een jaar mee, waarna hij uitvalt en wordt vervangen. Typisch voor de egel is de kringspier waarmee hij zich bij gevaar kan oprollen tot een bal en de stekels overeind kan zetten (Zoogdiervereniging). Bron: Zoogdiervereniging

Verspreiding

In Nederland komt de egel in bijna alle landschappen voor. De soort komt dan ook verspreid door het hele land voor, waar ze in sommige gebieden algemener zijn dan in andere.

Omgevingseisen

Tuinen, bosranden, struweel en loofbos, liefst met ondergroei, zijn goede leefgebieden. Egels komen ook in steden voor, zolang er maar groen en schuilplaatsen aanwezig zijn. Egels zijn nachtactief. Overdag slapen ze in een moeilijk te vinden nest van bladeren, mos of ander materiaal dat zich vaak onder (braam)struiken of takkenbossen bevindt. Een groot deel van het jaar (november/december tot april/mei) zijn ze in winterslaap, waaruit ze af en toe wakker kunnen worden. Egels zijn verassend snel en lenig. Ze kruipen door nauwe spleten en kunnen prima zwemmen. In de zomer slapen egels vaak op de kale grond onder dicht struikgewas, in holtes onder boomwortels, in composthopen of konijnenholen. Soms worden slaapnesten gebouwd van losse bladeren. Een nest voor de jongen ligt op een goed verborgen plek zoals in een compost-, takken- of puinhoop. Winternesten worden meestal in de grond gemaakt, tegen een schutting aan, in een schuur of bijgebouw of in een takken- of composthoop. De afmetingen van het winternest varieert sterk, soms tot een halve meter doorsnee (Zoogdiervereniging). Tuinen vormen geschikte leefgebieden voor de egel. In principe is elke tuin geschikt, zolang de egel er in en uit kan. De aanwezigheid van schuilplaatsen is daarbij van belang. Verblijfplaatsen: • Plaatsen van egelhuis uit de buurt van honden en spelende kinderen

Belang en geschiktheid stedelijke omgeving Do’s

Foerageer- en leefgebied: • Laten liggen van maaisel of ander geschikt nestmateriaal • Realiseren egelpoortjes (opening onderaan schutting) • Rekening houden met egel bij maaiwerkzaamheden • Afdekken putten Don’ts

Foerageer- en leefgebied: • Vegetatie/ snoeiafval branden • Gebruik van oeverbeschoeiing zonder fauna-uittreedplaats • Gebruik van pesticiden

41

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

KLEINE WATERSALAMANDER Kenmerken De kleine watersalamander heeft een grijs-, leem- tot olijfkleurige rug en flanken. Zijn buik is geel tot oranje met donkere zwarte vlekken. Tussen de flanken en de buik loopt nog een lichte, wit tot zilverige band. De kleine watersalamander kan tot 11 cm groot worden en is niet de kleinste salamander in Nederland. Mannetjes ontwikkelen in de voortplantingstijd een kam op de rug. In de landfase zijn zowel de mannetjes als de vrouwtjes eenvormig bruin (Ravon). Verspreiding De kleine watersalamander is de meest algemene salamander in Nederland en komt verspreid door het land voor.

Omgevingseisen

Belang en geschiktheid stedelijke omgeving Do’s

Don’ts

Bron: Ravon

De kleine watersalamander komt veel voor in sloten en poelen (als deze niet te veel vis bevatten) en stelt weinig eisen aan zijn biotoop. Hij komt zowel voor in stadstuinen als in kleinschalige cultuurlandschappen en bos- en heidegebieden. Het voortplantingsbiotoop bestaat uit allerlei soorten ondiep stilstaand en zwak stromend water. Het moet niet al te groot of beschaduwd zijn en wat onderwatervegetatie bevatten (Ravon). Omdat de kleine watersalamander weinig eisen aan zijn biotoop stelt, is bijna al het open water binnen de stedelijke omgeving geschikt als habitat omdat dit niet te groot is in omvang: vijvers in tuinen, sloten en ander open water in wijken of stadsparken. Zolang het water niet te veel beschaduwd is en er onderwatervegetatie aanwezig is om eieren op af te zetten, kan het water dienen als leefgebied. Verblijfplaatsen: n.v.t. Foerageer- en leefgebied: • Schonen open water buiten voortplantingsperiode • Creëren van deels zonbeschenen open water Verblijfplaatsen: n.v.t. Foerageer- en leefgebied: n.v.t.

42

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

BOOMBLAUWTJE Kenmerken

Verspreiding

Omgevingseisen

Belang en geschiktheid stedelijke omgeving

Do’s

Don’ts

Voorvleugellengte: circa 14 mm. De bovenkant van de vleugels is bij het mannetje waterig lichtblauw met smalle zwarte randen en bij het vrouwtje lichtblauw met brede tot zeer brede zwarte randen. De onderkant van de vleugels is zilvergrijs met kleine zwarte stippen. De achtervleugel heeft geen oogvlekken en geen staartje. De rups is tot 13 mm groot en vrij dik, naar de uiteinden versmald. Het lichaam is groen of geelachtig groen. De kop is zwart en in het lichaam teruggetrokken (Vlinderstichting). In Nederland kwam het boomblauwtje aan het begin van de twintigste eeuw voor op de zand- en veengronden, vooral in bossen maar ook in het stedelijk gebied. De verspreiding is de afgelopen eeuw waarschijnlijk constant gebleven. Nu is het een algemene standvlinder die vooral in de bosachtige gebieden op de zandgronden wordt gevonden, maar ook midden in de stad (Vlinderstichting).

Bron: Vlinderstichting

Jonge rupsen eten van de bloemknoppen of de vruchten van de waardplant, grotere rupsen eten soms ook van de bladeren. De verpopping vindt plaats in de strooisellaag of in een schorsspleet; de soort overwintert als pop. De eieren worden één voor één afgezet op de bovenste takken van de waardplant. Al in april vliegen de eerste vlinders. Het aantal individuen op de vliegplaatsen is doorgaans vrij hoog, circa 6 tot 28 individuen per hectare. Volwassen vlinders voeden zich met honingdauw, sap van bloedende bomen en nectar. Soms worden ze drinkend bij plassen of uitwerpselen gezien. De vlinders vliegen meestal vrij hoog in de toppen van bomen en struiken. Het boomblauwtje leeft bij allerlei struwelen in bossen, tuinen, parken en het agrarisch gebied. De hoogste dichtheid aan vlinders wordt gevonden bij struwelen in vochtige heidevelden. Waardplanten zijn: sporkehout, wegedoorn, klimop, grote kattenstaart, struikhei, hulst en vlinderstruik (Vlinderstichting). Tuinen en parken vormen geschikt habitat voor het boomblauwtje. Aanwezigheid van waardplanten is van belang voor het voorkomen van de soort. Aan gebouwen vormen klimop en ander gevelgroen geschikt leefgebied. In de omgeving van bebouwing vormt grote kattenstaart geschikt habitat in de omgeving van water. Tuinen en parken met struiken als hulst, wegedoorn en vlinderstruik vormen hier geschikt habitat. Verblijfplaatsen: n.v.t.

Foerageer- en leefgebied: • Aanleg van daktuinen en groene gevels • Aanplanten van bomen en struiken (waardplanten) Verblijfplaatsen: n.v.t. Foerageer- en leefgebied: • Kappen van bomen en verwijderen vegetatie

43

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

KLEINE VOS Kenmerken

Verspreiding

Omgevingseisen

Belang en geschiktheid stedelijke omgeving Do’s

Don’ts

De kleine vos heeft een voorvleugellengte van 22-25 mm. De bovenkant van de voorvleugel is roodbruin met een rij blauwe maanvlekken langs de achterrand. Langs de voorrand van de voorvleugel bevinden zich afwisselend enkele zwarte en lichte vlekken en in het middenveld liggen drie zwarte vlekken. De rups is tot 22 mm groot. Het lichaam is zwart met zeer fijne, witte stipjes en aan weerszijden twee gebroken lengtestrepen, waaronder het lichaam een purperachtig bruine kleur heeft. De doorns langs de rug en op de flanken zijn zwart of geelachtig en de kop is zwart (Vlinderstichting). In Nederland kan deze zeer algemene standvlinder overal worden gezien. Het verspreidingsgebied lijkt sterk te zijn uitgebreid, maar dit komt doordat tegenwoordig relatief meer waarnemingen van algemene vlinders worden geregistreerd. Vermoedelijk kwam het verspreidingsgebied in het begin van de twintigste eeuw min of meer overeen met de huidige verspreiding (Vlinderstichting).

Bron: Vlinderstichting

Jonge rupsen leven in spinselnesten op de waardplant. Volwassen rupsen leven solitair en foerageren onbeschut. De eieren worden in groepen afgezet op onderkant van de bladeren van de waardplant. De soort overwintert als vlinder op vochtige en koele plaatsen in bomen en gebouwen. Op de eerste zonnige dag in het jaar, soms al in februari, komen de eerste vlinders te voorschijn. Ze voeden zich met nectar van diverse planten. De dichtheid is doorgaans gemiddeld, zo´n 12 tot 36 individuen per hectare. De kleine vos komt voor op allerlei plaatsen waar voldoende nectar te vinden is, zoals tuinen, parken, bosranden, ruigten, dijken en bermen. De vlinder maakt gebruik van grote brandnetel als waardplant. De rupsen leven op jonge brandnetels die op droge plaatsen in de volle zon groeien. Dit in tegenstelling tot alle andere ´brandnetelvlinders´ die grotere planten gebruiken die op meer vochtige plaatsen groeien. De hoogste aantallen vlinders worden gevonden bij droge graslanden (Vlinderstichting). Tuinen en parken met droge en zonnige graslanden met een begroeiing van brandnetels vormen geschikt habitat voor de kleine vos. Verblijfplaatsen: n.v.t. Foerageer- en leefgebied: • Aanleg van daktuinen • Aanleg van droge graslanden met ruige randen (met brandnetel) • Extensief maaibeheer • Maaien buiten gevoelige periode (ei-, rups- en popstadium) Verblijfplaatsen: n.v.t.

Foerageer- en leefgebied: • Intensief maaibeheer • Maaien in gevoelige periode (ei-, rups- en popstadium)

44

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

TONGVAREN Kenmerken

De wintergroene bladeren groeien dicht bij elkaar en staan rechtop in een kring. Ze zijn niet gedeeld, tongvormig, leerachtig, glanzend lichtgroen en worden tot 40 cm lang en tot 6 cm breed. Ze hebben een gave rand (of soms licht gegolfd) en zijn naar de top geleidelijk in een punt versmald. Naar de (hartvormige) voet worden ze meestal eerst smaller en vervolgens weer iets breder (wildeplanten). Bron: Verspreidingsatlas

Verspreiding

De tongvaren is vrij zeldzaam in stedelijke gebieden en zeer zeldzaam in de Hollandse en Zeeuwse duinen, in de Biesbosch en in Zuid-Limburg (wildeplanten).

Omgevingseisen

De tongvaren groeit op halfbeschaduwde tot beschaduwde plaatsen op vochtige, vrij voedselarme, humeuze of stenige, kalkhoudende grond. Geschikte groeiplaatsen bestaan uit vochtige oude muren (bijvoorbeeld van waterputten), waterkanten (beschaduwde greppelkanten, grachtkanten, sluismuren en grubben), zeeduinen (duinbossen, noordhellingen in duinstruweel en duindoornstruwelen), bossen (loofbossen, ravijnbossen op kalkrijke grond en op dood hout), kalkrijke rotsen, basaltdijken en rioolputten (wilde-planten). Binnen de stedelijke omgeving bieden wanden van grachten en andere beschaduwde waterkanten geschikte groeiplaatsen voor de tongvaren.

Belang en geschiktheid stedelijke omgeving Do’s

Don’ts

• •

Behoud van oude grachtwanden, kademuren en andere waterkanten Bij renovatie/ restauratie aan oude muren met geschikte groeiplaatsen: realiseer muren met terugliggend voegwerk met kalkhoudende specie en vochtig metselwerk met afstromend regenwater

•

Weghalen groeiplaatsen door regulier onderhoud aan wanden en muren

45

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

STEENBREEKVAREN Kenmerken De wintergroene bladeren zijn langgerekt en kort gesteeld, met twee rijen met veel deelblaadjes. Deze zijn klein, eirond, vaak wat hoekig, hebben een vrijwel gave rand (naar de top vaak fijn gekarteld) en zijn lichtgroen. De meeste zijn onderling even lang. In het tweede jaar verliezen de bladeren vaak geleidelijk hun deelblaadjes, de kale bladspillen blijven nog lang zitten. IJle steenbreekvaren heeft ijl geveerde, ronde (tot 7,5 mm lange) deelblaadjes en een iets slappe, meestal roodbruine bladsteel. Gewone steenbreekvaren heeft dichter op elkaar staande, meer langwerpige (tot 12 mm lange) deelblaadjes en een meer stevige, meestal bruinzwarte bladsteel (wildeplanten). Verspreiding Steenbreekvaren is zeldzaam in ZuidLimburg en in stedelijke gebieden. Elders is de plant zeer zeldzaam. Gewone steenbreekvaren komt waarschijnlijk veel meer voor dan IJle steenbreekvaren (wilde-planten).

Omgevingseisen

Belang en geschiktheid stedelijke omgeving Do’s

Don’ts

Bron: Verspreidingsatlas

De gewone steenbreekvaren groeit op soms vrij zonnige, maar meestal beschaduwde plaatsen op vochtige muren en rotsen, zowel kalkrijke als vrij zure gesteenten. IJle steenbreekvaren groeit meestal op zuur gesteente. Geschikte groeiplaatsen zijn rotsen, oude muren, tuinmuren, langs spoorwegen (perronkantjes), waterkanten (langs afwateringsgoten), steenachtige hellingen en bossen (langs bosgreppels, op aarden wallen en soms op boomstronken of boomwortels) (wilde-planten). Binnen de stedelijke omgeving bieden oude muren, tuinmuren en waterkanten geschikte groeiplaatsen voor de steenbreekvaren. • •

Behoud van oude muren Bij renovatie/ restauratie aan oude muren met geschikte groeiplaatsen: realiseer muren met terugliggend voegwerk met kalkhoudende specie en vochtig metselwerk met afstromend regenwater

•

Weghalen groeiplaatsen door regulier onderhoud aan wanden en muren

46

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

BIJENORCHIS Kenmerken

De bijenorchis heeft een rechtopstaande stengel met eironde tot lancetvormige bladeren. De bloemen zijn 1-1,3 cm en groeien met twee tot elf bijeen in slanke, losse aren. De buitenste bloemdekbladen zijn wit, roze of roodachtig. De lip is drielobbig, donkerpurper met gele tekeningen, aan de voet van de middenlob met twee kleine glanzende uitsteeksels, aan de top met een naar achteren gericht aanhangseltje en met teruggebogen, van onderen samenneigende, behaarde zijlobben. De binnenste schildvormige bloemdekbladen zijn groen of roodachtig en behaard (wilde-planten).

Bron: eigen materiaal

Verspreiding

De bijenorchis is vrij zeldzaam in Zeeland, Zuid-Limburg, de Rijnmond, de Hollandse duinen en Noord-Holland. Elders zeer zeldzaam (wilde-planten).

Omgevingseisen

De bijenorchis groeit op zonnige, soms licht beschaduwde plaatsen op matig droge tot matig vochtige, voedselarme tot matig voedselrijke, kalkrijke, relatief humusarme grond (klei, leem en zand, zeer zelden op veen). De plant komt ook voor in iets brak milieu. Geschikte groeiplaatsen bestaan uit struwelen, bosranden, kapvlakten, opgespoten grond met struweel van grauwe wilg, begraafplaatsen, bermen, langs spoorwegen, afgravingen, grasland (kalkgrasland en hooiland langs kreken), waterkanten (slootkanten), op kalk bij kalkovens, industrieterreinen in de mijnstreek (aan de rand van berken- en wilgenopslag), mijnsteenbergen en zeeduinen (wildeplanten). Binnen de stedelijke omgeving bieden slootkanten, bloemrijke graslanden en braakliggende terreinen geschikte groeiplaatsen voor de bijenorchis.

Belang en geschiktheid stedelijke omgeving Do’s Don’ts

•

Maaien van de vegetatie – voor zover van toepassing – na de bloeiperiode

•

N.v.t.

47

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

GROTE KATTENSTAART Kenmerken De rechtopstaande stengels van grote kattenstaart zijn meestal vertakt met schuin omhoog staande zijstengels. Aan de voet zijn ze verhout. Ze zijn vier- of zeskantig met op de ribben smalle vleugellijsten. De plant groeit in pollen. De tegenoverstaande of in kransen van drie groeiende bladeren zijn grijs behaard, langwerpig en worden tot 10 cm lang. De bloemen vormen schijnkransen in aarvormige bloeiwijzen. Ze zijn paarsrood, 1-1,5 cm en meestal zijn er zes of soms vijf kroonbladen en twaalf meeldraden. De driehoekige kelkbladen zijn veel korter dan de priemvormige bijkelkbladen (wildeplanten). Bron: eigen materiaal

Verspreiding

Grote kattenstaart komt algemeen voor, maar is vrij zeldzaam in het noordelijk zeekleigebied en op de Veluwe (wildeplanten).

Omgevingseisen

Grote kattenstaart groeit op zonnige tot half beschaduwde plaatsen op natte, matig voedselrijke tot voedselrijke, zwak zure tot kalkrijke grond (alle grondsoorten, behalve hoogveen en zeer voedselarm zand). Geschikte groeiplaatsen bestaan uit waterkanten (langs sloten, greppels, kanalen, meren, poelen, beken, rivieren, op oeverwallen en kribben), grasland, bermen, bossen (lichte loofbossen en moerasbossen), natte struwelen, drassige kapvlakten, moerassen (rietland en laagveenmoeras), natte ruigten, langs spoorwegen (spoorwegterreinen), afgravingen, zeeduinen (duinvalleien en langs duinplassen) en heide (langs heidevennen) (wilde-planten). Binnen de stedelijke omgeving bieden slootkanten met een kruidenrijke rietvegetatie en natte ruigte geschikte groeiplaatsen voor grote kattenstaart.

Belang en geschiktheid stedelijke omgeving Do’s Don’ts

N.v.t. N.v.t.

48

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

BIJLAGE B – MAATREGELEN PER STADSZONE Historisch centrum / oude stadswijken

Voorkomen hittestress

Wateropgave

Zwarte roodstaart

Tongvaren

Steenbreekvaren

Slechtvalk

Merel

Groenfunctie

Belevingsfunctie

X

Laatvlieger

Kleine watersalamander

Huismus

Maatregel Geveltuin Geen lichtuitstraling vanuit gebouw Groen dak met sedum (> 5 - 7 cm) Groen dak met sedum, grassen en kruiden (7 - 15 cm) Groen dak met (sedum), grassen, kruiden en dwergheesters (15 - 30 cm) Groen dak met (grassen), kruiden, dwergheesters en struiken (30 - 50 cm) Groen dak met kruiden, dwergheesters, struiken en bomen (> 50 cm) Gevelgroen Insectenstenen Nestplaatsen voor gierzwaluw Nestplaatsen voor zwarte roodstaart Nestplaatsen huismus bij groene tuinen/pleinen Nestkast slechtvalk Zomerverblijfplaats voor vleermuizen Winterverblijfplaats voor vleermuizen Geen buitenverlichting bij groen Cluster van 3 inheemse bomen Cluster van inheemse struiken 50m2 Groene tuin met aansluiting op ecologische structuur Natuurlijke haag > 25 meter Natuurlijke verharding 25% areaal Boomgaard met > 10 fruitbomen Grasland met inheems bloemenmengsel > 500 m2 Groen >25% onbebouwde areaal Natuurlijke poel Pocketpark (minipark) Muurplanten in oude (kade)muur Doorstroming van open water Rij van >10 inheemse bomen (zo mogelijk gemixt) Natuurvriendelijke of drijvende oever > 10 m

Gierzwaluw

Punten Aspect 1 gevel/dak 1 gevel/dak 1 gevel/dak 2 gevel/dak 3 gevel/dak 4 gevel/dak 4 gevel/dak 2 gevel/dak 1 verblijf 1 verblijf 1 verblijf 1 verblijf 1 verblijf 1 verblijf 1 verblijf 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 3 omgeving 3 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 2 omgeving 2 omgeving

Gewone dwergvleermuis

Haagse gidssoorten

X

X

X

X

X X X X X X

X X X X X X X

X

X X X X X X X

X X X X X X X X X X X X

X

X X X X

X X X X X X

X X

X X

X X

X

X X

X X X X X

X X X X

X X

X

X X

X X

X

X X X X

X X

X X X

X

X

X

X X X X

X X

X X

X

X X

X X

X X

X

X X

49

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

Woonwijken

Wateropgave

Zwarte roodstaart

Tongvaren

Steenbreekvaren

Merel

X X X X X

X

X

X

X

X

X X X X X X

X

X X X X X X

Voorkomen hittestress

X X X X X X X

X

Belevingsfunctie

X

Laatvlieger

Kleine watersalamander

Kleine vos

Huismus

Grote kattenstaart

Groenfunctie

Gierzwaluw

Gewone dwergvleermuis

Fuut

Egel

Maatregel Geveltuin Geen lichtuitstraling vanuit gebouw Groen dak met sedum (> 5 - 7 cm) Groen dak met sedum, grassen en kruiden (7 - 15 cm) Groen dak met (sedum), grassen, kruiden en dwergheesters (15 - 30 cm) Groen dak met (grassen), kruiden, dwergheesters en struiken (30 - 50 cm) Groen dak met kruiden, dwergheesters, struiken en bomen (> 50 cm) Gevelgroen Insectenstenen Nestplaatsen voor gierzwaluw Nestplaatsen huismus bij groene tuinen/pleinen Zomerverblijfplaats voor vleermuizen Winterverblijfplaats voor vleermuizen Geen buitenverlichting bij groen Cluster van 3 inheemse bomen Cluster van inheemse struiken 50m2 Groene tuin met aansluiting op ecologische structuur Insectenhotel Voor vlinders geschikte struiken Droog bloemrijk grasland > 10m2 Faunapassage onder hekwerk Natuurlijke haag > 25 meter Natuurlijke verharding 25% areaal Boomgaard met > 10 fruitbomen Grasland met inheems bloemenmengsel > 500 m2 Groen >25% onbebouwde areaal Zoomvegetatie langs perceelsranden Natuurlijke poel Pocketpark (minipark) Muurplanten in oude (kade)muur Doorstroming van open water Rustzone fauna langs wateroever Rij van >10 inheemse bomen (zo mogelijk gemixt) Natuurvriendelijke of drijvende oever > 10 m Ecologische wadi

Boomblauwtje

Punten Aspect 1 gevel/dak 1 gevel/dak 1 gevel/dak 2 gevel/dak 3 gevel/dak 4 gevel/dak 4 gevel/dak 2 gevel/dak 1 gevel/dak 1 verblijf 1 verblijf 1 verblijf 1 verblijf 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 3 omgeving 3 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 2 omgeving

Bijenorchis

Haagse gidssoorten

X X

X X X X X X X

X X

X X

X X X X X X

X X X

X

X X X

X X X X

X X

X X X

X

X X X X X X

X X

X X X

X X

X X

X

X

X

X X X X

X

X X

X X

X X

X X

X X

X X

X

X X X

X X

X

X X

X

X

X

X

X X X

X X

X

X

X X X X X

X X X

X X X

X X

X X

X

X X

X X X X X

X

X X

X X

X X

X

X X X

50

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

Grootschalige bebouwing (hoogbouw)

Belevingsfunctie

Voorkomen hittestress

Wateropgave

Zwarte roodstaart

Slechtvalk

Groenfunctie

Huismus

Kleine vos

Gierzwaluw

Maatregel Geveltuin Geen lichtuitstraling vanuit gebouw Groen dak met sedum (> 5 - 7 cm) Groen dak met sedum, grassen, kruiden (7 - 15 cm) Groen dak met (sedum), grassen, kruiden, dwergheesters (15 - 30 cm) Groen dak met (grassen), kruiden, dwergheesters en struiken (30 - 50 cm) Groen dak met kruiden, dwergheesters, struiken en bomen (> 50 cm) Gevelgroen Insectenstenen nestplaatsen voor huismus bij groene tuinen/pleinen Nestplaatsen voor gierzwaluw Nestplaatsen voor zwarte roodstaart Nestkast slechtvalk Winterverblijfplaats voor vleermuizen Geen buitenverlichting bij groen Cluster van 3 inheemse bomen Cluster van inheemse struiken 50m2 Groene tuin met aansluiting op ecologische structuur Insectenhotel Voor vlinders geschikte struiken Droog bloemrijk grasland > 10m2 Natuurlijke haag > 25 meter Natuurlijke verharding 25% areaal Boomgaard met > 10 fruitbomen Grasland met inheems bloemenmengsel > 500 m2 Groen >25% onbebouwde areaal Zoomvegetatie langs perceelsranden Pocketpark (minipark) Rij van >10 inheemse bomen (zo mogelijk gemixt) Natuurvriendelijke of drijvende oever > 10 m

Gewone dwergvleermuis

Punten Aspect 1 gevel/dak 1 gevel/dak 1 gevel/dak 2 gevel/dak 3 gevel/dak 4 gevel/dak 4 gevel/dak 2 gevel/dak 1 verblijf 1 verblijf 1 verblijf 1 verblijf 1 verblijf 1 verblijf 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 3 omgeving 2 omgeving 2 omgeving

Boomblauwtje

Haagse gidssoorten

X

X

X

X

X X X X X X

X X X X X X X X

X X X X X

X X X X X

X

X X X X X X X

X X X X X X X X X X X

X X X

X

X X X X X X

X X

X X

X X X X X X X X X X X X X X

X X

X X X

X X

X X

X

X

X X X X X

X X X X X X

51

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

Bedrijventerreinen

Wateropgave

Belevingsfunctie

Zwarte roodstaart

Tongvaren

Steenbreekvaren

Voorkomen hittestress

X X X X X X X X

Laatvlieger

Kleine watersalamander

Kleine vos

Huismus

Grote kattenstaart

Groene functie

Gierzwaluw

Gewone dwergvleermuis

Fuut

Egel

Maatregel Geen lichtuitstraling gebouw Groen dak met sedum (> 5 - 7 cm) Groen dak met sedum, grassen, kruiden (7 - 15 cm) Groen dak met (sedum), grassen, kruiden, dwergheesters (15 - 30 cm) Groen dak met (grassen), kruiden, dwergheesters en struiken (30 - 50 cm) Groen dak met kruiden, dwergheesters, struiken en bomen (> 50 cm) Gevelgroen Insectenstenen Nestplaatsen voor huismus bij groene tuinen/pleinen Nestplaatsen voor gierzwaluw Nestplaatsen voor zwarte roodstaart Zomerverblijfplaats voor vleermuizen Winterverblijfplaats voor vleermuizen Geen buitenverlichting bij groen Cluster van 3 inheemse bomen Cluster van inheemse struiken 50m2 aansluiting groene tuin en ecologische structuur Insectenhotel Voor vlinders geschikte struiken Droog bloemrijk grasland > 10m2 Faunapassage onder hekwerk Natuurlijke haag > 25 meter Natuurlijke verharding 25% areaal Boomgaard met > 10 fruitbomen Grasland met inheems bloemenmengsel > 500 m2 Groen >25% onbebouwde areaal Zoomvegetatie langs perceelsranden Natuurlijke poel Muurplanten in oude (kade)muur Doorstroming van open water Rustzone fauna langs wateroever Rij van >10 inheemse bomen Natuurvriendelijke of drijvende oever > 10 m Ecologische wadi

Boomblauwtje

Punten Aspect 1 gevel/dak 1 gevel/dak 2 gevel/dak 3 gevel/dak 4 gevel/dak 4 gevel/dak 2 gevel/dak 1 verblijf 1 verblijf 1 verblijf 1 verblijf 1 verblijf 1 verblijf 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 3 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 1 omgeving 2 omgeving 2 omgeving 2 omgeving

Bijenorchis

Haagse gidssoorten

X

X X X X X X

X X X X X X

X

X X X X X

X

X X X X X X X

X X X

X X

X X X X X X

X X X

X

X

X X X X

X X X

X

X X X X X X

X X

X X X

X X

X X

X

X

X

X

X X X X

X X

X X

X X

X X

X X

X X X X

X X

X X X X

X X X

X X X

X X X

X

X X X

X X X

X X

X

X X X

X

X X

52

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

BIJLAGE C - OMSCHRIJVING MAATREGELEN Punten

Aspect

Maatregel

Nadere omschrijving maatregel

alle aspecten

Opstellen / laten opstellen van ecologisch advies

Voor adequate inpassing van natuurinclusieve maatregelen in nieuwbouw en directe omgeving is een ecologisch advies wenselijk. Het gaat namelijk altijd om maatwerk en de juiste afweging van belangen. Volgens eisen gemeente; folder geveltuinen

1

gevel/dak Geveltuin

1

gevel/dak Geen lichtuitstraling gebouw

1

gevel/dak Groen dak met sedum (> 5 – 7 cm)

2

gevel/dak Groen dak met sedum, grassen en kruiden (7 - 15 cm)

Aanleg van groen dak (van 7 - 15 cm dik) met sedum, grassen en kruiden; 30% ten opzichte van bebouwde oppervlak

3

gevel/dak Groen dak met (sedum), grassen, kruiden, dwergheesters (15 - 30 cm) gevel/dak Groen dak met (grassen), kruiden, dwergheesters en struiken (30 - 50 cm)

Aanleg van groen dak (van 15 - 30 cm dik) met (sedum), grassen, kruiden en dwergheesters; 30% ten opzichte van bebouwde oppervlak

2

gevel/dak Groen dak met kruiden, dwergheesters, struiken en bomen (> 50 cm) gevel/dak Gevelgroen

1

verblijf

Aanleg van groen dak (van meer dan 50 cm dik) met kruiden, dwergheesters, struiken en bomen; 30% ten opzichte van bebouwde oppervlak Aanplant van gevelgroen (klimop, bruidsluier, wingerd, vuurdoorn, clematis of kamperfoelie) op muur met weinig of geen ramen over breedte van minimaal 5 meter en bij voorkeur grondgebonden (plantgat minimaal 30 cm x 50 cm grondoppervlak) Incorporeren van insectenstenen: Plaatsen van vijf insectenstenen (= 1 cluster) per gebouw op enkele meters afstand van elkaar waarbij er minimaal twee op een zon beschenen plek worden gestitueerd en twee op een meer beschaduwde plaats. De neststenen moeten op maximaal drie meter afstand van nectarleverende planten en maximaal twee meter boven het maaiveld (of dakoppervlak in het geval van een groendak) worden geplaatst. Kleinschalig project: het inmetselen van 1 cluster van vijf insectenstenen per gebouw*. Middelgroot project: het inmetselen van 2 clusters van vijf insectenstenen per gebouw*. Grootschalig project: het inmetselen van 3 clusters van vijf insectenstenen per gebouw* *met inachtneming van afstand tot nectarleverende planten, maaiveld (c.q. dakoppervlak)

4

4

Insectenstenen

Tegengaan van uitstralen binnenverlichting op plaatsen waar het gebouw grenst aan groene omgeving (openbaar groen): uitschakelen verlichting tussen zonsondergang en zonsopgang of gebruik van afscherming Aanleg van groen dak (van 5 - 7 cm dik) met sedum; 30% ten opzichte van bebouwde oppervlak

Aanleg van groen dak (van 30 - 50 cm dik) met (grassen), kruiden, dwergheesters en struiken; 30% ten opzichte van bebouwde oppervlak

53

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

1

verblijf

Nestplaatsen voor gierzwaluw; conform Soortenmanagementplan Den Haag

1

verblijf

Nestplaatsen voor zwarte roodstaart

1

verblijf

Nestplaatsen huismus bij groene tuinen/pleinen; conform Soortenmanagementplan Den Haag

1

verblijf

Nestkast slechtvalk

1

verblijf

Zomerverblijfplaats voor vleermuizen; conform Soortenmanagementplan Den Haag

Realiseren van nestplaatsen voor gierzwaluwen: Kleinschalig project: het inmetselen van 2 neststenen voor gierzwaluwen per gebouw*. Middelgroot project: het inmetselen van 6 neststenen voor gierzwaluwen per gebouw*. Grootschalig project: het inmetselen van 12 neststenen voor gierzwaluwen per gebouw*. *indien geen geschikte openingen aanwezig in gebouw, De neststenen dienen in een cluster te worden geplaatst. Voor neststenen geldt: - neststeen met invliegopening horizontaal 30x65 mm en verticaal 32x65 mm (40 mm boven de bodem van binnen gemeten) - ophanghoogte tussen de 15 en 21 meter vanaf maaiveld, bij ontwikkelingen < 15 m kunnen nestplaatsen lager worden gerealiseerd. Minimale hoogte voor realisatie ter hoogte van de dakgoot is circa 6 m. - onderlinge afstand nestkastopeningen is minimaal 0,8 meter - ingangen op het noorden, oosten en/of noordoosten - aanvliegroute van ca. 3 meter vrijhouden van obstakels (zoals groen, openslaand raam of balkon) Plaatsen van 5 neststenen voor half-holenbroeders en/of behouden van geschikte openingen in middelhoge en hoge gebouwen (voorkeur 20 meter en hoger) Realiseren van nestplaatsen voor huismussen (neststenen en speciaal ontworpen spleten en kieren met voldoende ruimte; geen vogelvides) ter plaatse van dakranden: Kleinschalig project: 2 nestplaatsen voor huismussen per gebouw*.

Middelgroot project: 6 nestplaatsen voor huismussen per gebouw*. Grootschalig project: 6 nestplaatsen voor huismussen per gebouw*. *Deze maatregel is alleen functioneel als in de omgeving voldoende leefgebied (tuinen, hagen, dichte struiken) aanwezig is en/of wordt gerealiseerd. De neststenen dienen in een cluster te worden geplaatst. Voor neststenen geldt: - neststeen met invliegopening minimaal 35 mm in diameter - ophanghoogte tussen de 5,5 en 12 meter vanaf maaiveld (binnen eerste drie woonlagen). Minimale ophanghoogte is 3 meter. - onderlinge afstand nestkastopeningen is minimaal 0,5 meter - ingangen op het noorden, oosten en/of noordoosten - binnen straal van 50 van nestplaats enkele dichte (het liefst inheemse) heesters zoals wilde liguster, hulst, vuurdoorn of klimop, rommel- en onkruidhoekjes, zand (zandbak of plantborder) en water Plaatsen van een nestkast voor slechtvalk indien onvoldoende aanwezig binnen omgeving Realiseren van zomerverblijfplaatsen voor vleermuizen: Kleinschalig project: 2 zomerverblijfplaatsen voor vleermuizen per gebouw* Middelgroot project: 6 zomerverblijfplaatsen voor vleermuizen per gebouw* Grootschalig project: 12 zomerverblijfplaatsen voor vleermuizen per gebouw* *Deze maatregel is alleen functioneel als gebouw grenst aan het bestaande of nieuwe groen. Maak daarbij gebruik van loze ruimten in spouwmuur en/of dakrand.

Voorkom op deze plaatsen verlichting van de gevel (aanstralen).

54

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

1

verblijf

Winterverblijfplaats voor vleermuizen; conform Soortenmanagementplan Den Haag

1

omgeving

Geen buitenverlichting bij groen

1

omgeving

Cluster van 3 inheemse bomen

1

omgeving

Cluster van inheemse struiken 50m2

1

omgeving

1

omgeving

1

omgeving

1

omgeving

1

omgeving

2

omgeving

Natuurlijke haag > 25 meter

2

omgeving

Natuurlijke verharding > 25% areaal

2

omgeving

2

omgeving

Boomgaard met > 10 fruitbomen Grasland met inheems bloemenmengsel > 500 m2

2

omgeving

Realiseren van massawinterverblijfplaatsen voor vleermuizen: Kleinschalig project: n.v.t. (te weinig ruimte) Middelgroot project: 1 massa winterverblijfplaats voor vleermuizen per gebouw* Grootschalig project: 2 massa winterverblijfplaatsen voor vleermuizen per gebouw* *Realiseren van een massa winterverblijfplaats gewone dwergvleermuis indien onvoldoende aanwezig binnen omgeving. Grote stenen en betonnen gebouwen (flats, appartementen) met spouwmuren komen hiervoor in aanmerking. Dit kan uit oogpunt van veiligheid betekenen dat de functies groen en wandel- en fietspaden niet samen gaan In clusters aanplanten / behouden van minimaal 3 inheemse bomen, zoals zomereik, wintereik, linde, berk, zwarte els, beuk, haagbeuk, veldiep, zoete kers, gewone appel en/of lijsterbes.

In clusters aanplanten van inheemse struiken met minimaal 50 m² grondoppervlak met minimaal 3 soorten: hulst, taxus, meidoorn, sleedoorn, hazelaar, vlier, gelderse roos, egelantier, vuilboom en/of krentenboompje. aansluiting groene tuin Versterk stedelijke ecologische hoofdstructuur door groene tuin en ecologische structuur rondom het gebouw hierop aan te laten sluiten, zowel qua ligging (laten grenzen) als qua inrichting (beplantingstypen). Insectenhotel Aanleg van insectenhotel op 3 locaties in wijk- en buurtgroen in directe omgeving gebouw en/of plaatsen van insectenstenen in 3 gebouwen; plaatsing op zonnige plaats in nabijheid van bloemrijk grasland en/of ander groen Voor vlinders geschikte Aanplant van inheemse nectarrijke struiken met een rijke variatie struiken aan voedsel geselecteerd voor vlinders: minimaal 25m² grondoppervlak Droog bloemrijk grasland Realiseren van droog grasland ter plaatse van gemeenschappelijk of > 10m2 openbaar groen waar deze van lage ecologische kwaliteit is (wat nu gazon is): minimaal 10m² grondoppervlak. Het mag ook gaan om spontane ontwikkeling van braakliggende industrieterreinen. van Na inrichting over gaan op ecologisch beheer. Faunapassage onder Realiseren van openingen onderaan schutting/ hekwerk voor kleine hekwerk fauna (zoals egels): opening van minimaal 15x15cm

Groen >25% onbebouwde areaal

Aanplant van hagen - al of niet ter vervanging van hekwerk/ schutting - over een lengte van minimaal 25 meter en met breedte van tenminste 1 meter en hoogte van 1,5 meter met liguster, spaanse aak, zuurbes, hulst, beuk of haagbeuk. Tegengaan van betegeling: gebruik halfverharding of natuurlijke verharding (houtsnippers of grind) over minimaal 25% grondoppervlak van de onbebouwde kavel met als voorwaarde dat de verharding niet bedoeld is als voetpad / loopverbinding Aanplant van boomgaard met minimaal 10 fruitbomen: appel, kers, peer, pruim en/of walnoot Inzaaien van bloemrijk grasland met inheems bloemenmengsel ter plaatse van openbaar / gemeenschappelijk groen: grassen met éénjarige kruidachtige soorten en overblijvende bloeiende vegetatie, minimaal 500 m² grondoppervlak. Na inrichting overgaan op ecologisch beheer. Tegengaan van betegeling: gebruik geen verharding over 25% van het onbebouwde grondoppervlak en beplant dit met stedelijk groen; het gaat daarbij bosplantsoen met inheemse bomen en struiken 55

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

2

omgeving

Zoomvegetatie langs perceelsranden

3

omgeving

Natuurlijke poel

3

omgeving

Pocketpark (minipark)

1

Muurplanten in oude (kade)muur

Doorstroming van open water Rustzone fauna langs wateroever

Realiseren van ruige groene randen ter plaatse van groene dooradering waar deze van lage ecologische kwaliteit is (wat nu gazon is): ruigte van soorten als bijvoet (droog) en riet (nat), minimaal 10m² grondoppervlak Realiseren van poel / vijver met minimaal 1 meter waterdiepte, 3 meter diameter en flauw talud; beplant inheemse oeverplanten: gele lis, moerasandoorn, grote kattenstaart, moerassprirea, echte valeriaan, grote egelskop en inheemse waterplanten: witte waterlelie, gele plomp, watergentiaan, krabbescheer Realiseren van een minipark van minimaal 250 m2 als ‘groene oase’ of ‘stadstuin’ in een stedelijke en stenige omgeving van woningen, kantoren en wegen voor multifunctioneel gebruik voor laagdynamische functies (natuur, ontspanning, ontmoeting). Belangrijkste kenmerk is dat wandelpaden, zitbankjes en stadsbomen (zoals iep en linde), op creatieve en harmonieuze wijze worden afgewisseld met (lage) inheemse struiken en/of kruiden. Voor het verkrijgen van de punten geldt dus de voorwaarde dat gekozen wordt voor inheemse struiken- en plantensoorten. Om zoveel mogelijk functies tegelijkertijd te realiseren is meerlaags ruimtegebruik (bijvoorbeeld verhoogde borders en pergola’s) mogelijk. Het benutten van regenwater is een pre, maar vraagt wel meer ruimte.

In dat geval kunnen ook poelen, waterstroompjes en oevervegetaties ontwikkeld worden waarbij eventueel menselijk gebruik niet ten koste mag gaan van kwetsbare natuurwaarden. Bij renovatie / restauratie aan oude muren met geschikte groeiplaatsen: rekening houden met verplaatsen van muurplanten en realiseren van muren met terugliggend voegwerk met kalkhoudende specie en vochtig metselwerk met afstromend regenwater of het realiseren van kademuren met een muurplantvriendelijke constructie die is voorzien van een smalle spouwmuur met vochthoudend materiaal om planten van voldoende water te voorzien, kalkhoudende specie en een terugliggende voeg. Zorg ervoor dat water voldoende doorstroomt, vooral als het zonbeschenen water betreft realiseer rustzone over oeverlengte van >10 meter voor dieren langs open water delen van de oevers zonder verstoring door mensen en/of honden door gebruik van hoge vegetatie, padenstructuren en verplicht aanlijnen van honden Aanplant / behoud van minimaal 10 inheemse bomen in bomenrij of bomengroep: zoals zomereik, wintereik, linde, berk, zwarte els, beuk, haagbeuk, veldiep, zoete kers, gewone appel en lijsterbes

1

omgeving

1

omgeving

2

omgeving

Rij van >10 inheemse bomen

2

omgeving

Natuurvriendelijke of drijvende oever > 10 m

Open water voorzien van natuurvriendelijke oevers: minimaal 10m oeverlengte met talud van 1:5 of flauwer

2

omgeving

Ecologische wadi

Ecologische inrichting en beheer van wadi's, voor zover aanwezig; het gaat om een komvormige bufferings- en infiltratievoorziening, die tijdelijk gevuld is met hemelwater

56

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

BIJLAGE D- VOORKOMEN VAN HUISMUS, GIERZWALUW, VLEERMUIS

57

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

58

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

BIJLAGE E- BEELDMATERIAAL TER INSPIRATIE Het beeldmateriaal voor natuur- en groeninclusief bouwen is overgenomen uit het gemeentelijke achtergronddocument bij de motie natuurinclusief bouwen. Daarbij zijn de volgende categorieën gehanteerd: • • • • • •

Specifieke elementen inbouwen voor specifieke (dier)soorten Gebouwgebonden algemene ingrepen: groene daken, groene muren Gebouwgebonden buitenruimte Overgang gebouw naar publieke ruimte Buitenruimte (pocketparks, natuurspeelplaatsen etc.) Infrastructuur

59

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

Specifieke elementen inbouwen voor specifieke (dier)soorten

60

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

Gebouwgebonden algemene ingrepen: groene daken, groene muren

61

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

Overgang gebouw naar publieke ruimte

Buitenruimte

62

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

Infrastructuur

63

PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN

COLOFON PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN GEMEENTE DEN HAAG

AUTEUR Max Klasberg PROJECTNUMMER C05062.000082.0500 ONZE REFERENTIE 079802989 A DATUM 6 mei 2018

Arcadis Nederland B.V. Postbus 1632 6201 BP Maastricht Nederland +31 (0)88 4261 261 www.arcadis.com

64

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14508173/1