RIS319815 Bijlage 1 - Puntensysteem groen en natuurinclusief bouwen
Tekst van het document
PUNTENSYSTEEM VOOR GROEN- EN NATUURINCLUSIEF BOUWEN Gemeente Den Haag
26 SEPT 2018
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
Contactpersonen MAX KLASBERG Sr. adviseur ecologie en natuurwetgeving
T +31(0)884261715 M +31(0)627060669 E max.klasberg@arcadis.com
Arcadis Nederland B.V. Postbus 1632 6201 BP Maastricht Nederland
IRENE MULDER Landschapsarchitect/ beleidsmedewerker
T +31(0)703534950 M +31(0)651695125 E Irene.mulder@denhaag.nl
Gemeente Den Haag Dienst Stedelijke Ontwikkeling Afdeling Stedenbouw en Planologie
2
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
INHOUDSOPGAVE
1
2
3
4
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding en doel
5
1.2
Definitie en reikwijdte
5
1.3
Totstandkoming puntensysteem
6
PUNTENSYSTEEM
8
2.1
Stappenplan
8
2.1.1
Stap 1 – bepalen stadszone
8
2.1.2
Stap 2 – bepalen omvang project
8
2.1.3
Stap 3 – bepalen te behalen puntenscore (ambitie)
8
2.1.4
Stap 4 – bepalen maatregelen en score
9
2.2
Planproces per project
9
2.3
Verankering in instrumentarium
11
STREEFBEELD EN MAATREGELEN PER STADSZONE
12
3.1
Inleiding
12
3.2
Historisch centrum en oude stadswijken
13
3.3
Woonwijken
16
3.4
Hoogbouw en grootschalige bebouwing
20
3.5
Bedrijventerreinen
23
BRONNEN EN PROJECTGROEP
26
3
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
BIJLAGEN
BIJLAGE A - EISEN GIDSSOORTEN
27
BIJLAGE B - MAATREGELEN PER STADSZONE
49
Historisch centrum / oude stadswijken
49
Woonwijken
50
Grootschalige bebouwing (hoogbouw)
51
Bedrijventerreinen
52
BIJLAGE C - OMSCHRIJVING MAATREGELEN
53
BIJLAGE D - VOORKOMEN VAN HUISMUS, GIERZWALUW, VLEERMUIS
59
BIJLAGE E - BEELDMATERIAAL TER INSPIRATIE
59
COLOFON
64
4
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel
De gemeenteraad van Den Haag heeft in 2016 het besluit genomen om natuurinclusief bouwen in Den Haag te bevorderen. Den Haag groeit de komende 20 jaar met naar verwachting bijna 100.000 inwoners. De ambitie is daarbij om de stad te verdichten èn te vergroenen. Met de verdichtingsopgave van de stad is ook het groen in, op en aan gebouwen van groot belang voor de leefbaarheid en voor het ecologisch functioneren van de stad. Hiervoor is een reeks acties uitgezet waaronder het ontwerp van een puntensysteem. In de Nota Natuurinclusief Bouwen die de gemeente heeft opgesteld wordt het begrip Natuurinclusief Bouwen gedefinieerd als ‘bouwen zodanig dat (ook) de natuur er baat bij heeft’. Het gaat er dus niet alleen om, om sec aan de Flora- en faunawet te voldoen, maar om proactief te handelen ten bate van de natuur. Bij het natuurinclusief bouwen gaat het enerzijds om het verbeteren van de leefomstandigheden van ‘gebouwgebonden’ soorten als huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Dit zijn volgens de Wet Natuurbescherming beschermde soorten die onder druk staan doordat gebouwen tegenwoordig zo gebouwd worden dat deze soorten geen verblijfmogelijkheden meer hebben. Dit wordt in de hand gewerkt door landelijke en gemeentelijke doelstellingen om energie te sparen door betere isolatie van gebouwen.
Anderzijds gaat het om een veel bredere opgave om meer (natuurlijk) groen in de directe woonomgeving toe te passen. Door de verdere stedelijke verdichting die door de verwachte bevolkingsgroei gaat plaatsvinden is deze opgave extra actueel. Het behoud en ontwikkelen van groen is van belang voor bescherming en ontwikkeling van soorten en voor een biodiverse stad, voor een prettige leefomgeving, voor mogelijkheden voor natuurbeleving in de stad, voor welzijn en gezondheid en voor klimaatverbetering. Daarom wil de stad het toevoegen van groen op en aan gebouwen, op binnenterreinen en in de openbare ruimte stimuleren. De centrale vraag is hóe we zorgen dat er (meer) groen- en natuurinclusief gebouwd gaat worden. Het gaat om de vraag welke instrumenten de gemeente wil inzetten om bouwers te verplichten of te stimuleren om natuurinclusief te bouwen. De gemeente wil groen- en natuurinclusief bouwen bevorderen door het ontwikkelen van een puntensysteem voor bouwprojecten, door met de gezamenlijke woningcorporaties in overleg te gaan om afspraken te maken over het opstellen van een soortmanagementplan, door natuur- en groeninclusief bouwen op te nemen in de omgevingsvisie en ook door het realiseren van voorbeeldprojecten, het organiseren van cursussen en expertmeetings en door het bevorderen van bewonersinitiatieven.
Eén van de voorstellen is dus het ontwikkelen van een puntensysteem voor natuurinclusief bouwen. Dit systeem wordt in onderhavig rapport gepresenteerd.
1.2
Definitie en reikwijdte
Natuurinclusief bouwen omschrijft de gemeente Den Haag als ‘het zodanig oprichten van bouwwerken en de directe omgeving van gebouwen dat natuurwaarden hier baat bij hebben. De maatregelen kunnen hard zijn (bijv. nestkasten) of zacht (bijv. tuinen)’. Ze kunnen betrekking hebben op plant- en diersoorten – al of niet beschermde – en op groene functies (bijv. klimaatadaptatie en beleving).’ Om zicht te houden op de bredere context wordt in dit rapport gesproken over ‘groen- en natuurinclusief bouwen’. Het beleid dient doorwerking te krijgen op diverse schaalniveaus en elementen. Denk hierbij aan: • • • •
Specifieke elementen inbouwen voor specifieke (dier)soorten zoals neststenen voor de huismus Gebouwgebonden ingrepen (groene daken en gevels) Gebouwgebonden buitenruimte (tuinen) Publieke ruimtes (pocketparks, natuurspeelplaatsen).
Onderhavig puntensysteem is van toepassing voor alle nieuwbouwprojecten binnen de gemeente Den Haag. Het kan daarbij gaan om grootschalige stedenbouwkundige herstructurering tot het realiseren van een woongebouw in de binnenstad. Het puntensysteem maakt duidelijk welke maatregelen gewenst zijn binnen de ruimtelijke context en de mogelijkheden van de nieuwbouw.
5
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
Groen- en natuurinclusief bouwen is niet als eenduidig voorschrift in een wet of contract te vatten. Bovendien willen we ook de creativiteit en keuzevrijheid van architecten en ontwikkelaars bevorderen. Daarom wordt een lijst van maatregelen opgesteld waaruit de ontwikkelaar zelf een keuze kan maken. Bij een grootschalige bouwontwikkeling mogen meer investeringen in groen- en natuurinclusief bouwen verwacht worden dan bij een kleinschalige (bouw)ingreep. In een laagbouwwijk neemt het andere vormen aan dan in een hoogbouwcluster. Hoe groter de mogelijkheden voor natuur- en groeninclusief bouwen, hoe hoger de lat wordt gelegd, dat wil zeggen: hoe meer onderdelen uit de lijst met maatregelen opgenomen moeten worden. Afhankelijk van de beschikbare ruimte kan worden ingestoken op kwantitatieve en/of kwalitatieve maatregelen. Parallel aan dit puntensysteem wordt voor (de beschermde soorten) huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen een soortenmanagementplan ontwikkeld om deze dieren te behouden voor de stad. Vanuit dit kader gelden (wel) verplichte maatregelen in wijken waar deze soorten voorkomen, zie bijlage D. Verder wordt een doorkijkje gegeven naar de mogelijkheden om dit puntensysteem te verankeren in instrumentarium.
Het is ook mogelijk om dit instrument te gebruiken voor alle werken die een impact hebben op de natuur in de stad, zoals renovatieprojecten en maatregelen in het openbaar groen.
1.3
Totstandkoming puntensysteem
Het puntensysteem is in nauw overleg met een brede ambtelijke werkgroep tot stand gekomen. Voor dit doel zijn meerdere werksessies georganiseerd. Het gaat daarbij om: • • •
Selectie van het type puntensysteem dat het beste past bij de gemeente Den Haag; Beoordeling van de globale uitwerking van het puntensysteem vanuit de verschillende gemeentelijke rollen. Presentatie van het uiteindelijke puntensysteem.
De keuze van het puntensysteem is gericht op de volgende doelen en uitgangspunten: • • • • •
Het puntensysteem dient eenvoudig, concreet, meetbaar en ambitieus te zijn. De meerwaarde voor mens en natuur staat voorop. Het gaat om een effectieve en duurzame bijdrage aan het stedelijke ecosysteem rekening houdend met de ruimtelijke context. Het kan gebruikt worden voor de toekomstige belangenafweging in het kader van de Omgevingswet (in werking vanaf 1 januari 2021); Het systeem is stimulerend en regulerend zodat draagvlak wordt gecreëerd voor natuur- en groeninclusief bouwen binnen de eigen gemeentelijke organisatie en daarbuiten. Het systeem is te gebruiken als meetinstrument voor bestuurders, beleid, inwoners en bedrijven voor het vaststellen van de huidige en de gewenste situatie in wijken.
Er is gekozen voor de uitwerking van een samenhangende en vlakdekkende visie (ruimtelijke kapstok) en plan (met maatregelen en punten) voor natuur- en groeninclusief bouwen in brede zin (gebouw en omgeving) met een focus op (her)ontwikkeling van stedelijk gebied, nieuwbouw en stedelijke verdichting. Het gaat daarbij om de combinatie van drie bestaande benaderingen: •
• •
Stadsecotopen: indeling gebieden of woonwijken op basis van stenige en groene ecotopen (typologie) met streefbeeld (condities, soorten, groenfuncties) en mogelijke maatregelen. Het betreft het ruimtelijk kader. Om aan te sluiten bij bestaand gebruik is voor dit doel gebruik gemaakt van vereenvoudigde indeling van de stedelijke karaktergebieden/stadszones (zie hoofdstuk 3). Haagse soorten: (gids)soorten met specifieke kwaliteitseisen ten aanzien van het stedelijk leefgebied. Dit geeft richting aan de eisen en wensen ten aanzien van samenhangende maatregelen binnen het ruimtelijk kader (zie bijlage A). Green Points: uitwerking van concrete maatregelen ter bevordering van natuur- en groeninclusief bouwen. Deze maatregelen vormen het feitelijke puntensysteem.
In onderstaande afbeelding is de samenhang tussen deze systemen modelmatig weergegeven.
6
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
7
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
2
PUNTENSYSTEEM
De essentie van het puntensysteem is dat de architect/ontwikkelaar een lijst met maatregelen ontvangt waarbij elke maatregel 1, 2 of 3 punten waard is. Afhankelijk van de omvang van het bouwproject en de ligging van het bouwproject in de stad wordt een te behalen puntenscore voorgeschreven. De architect/ontwikkelaar heeft daarbij de vrijheid om een eigen mix van maatregelen te kiezen. De gemeente neemt in het planuitwerkingskader, het projectdocument en/of de verkoopovereenkomst de betreffende puntenlijst en de te behalen puntenscore (het ambitieniveau) op. Om deze te bepalen worden vier eenvoudige stappen doorlopen. Het puntensysteem wordt na een jaar jaar geëvalueerd en zo nodig geoptimaliseerd.
2.1
Stappenplan
2.1.1
Stap 1 – bepalen stadszone
Als eerste stap is het van belang om te bepalen binnen welke ruimtelijke context de natuur-en groeninclusieve maatregelen genomen worden. Er is voor gekozen om te werken met vier stadszones, namelijk: • • • •
Historisch centrum en oude stadswijken (voor 1920) Woonwijken (gordel (jaren ’20 -’40), wederopbouw (jaren ’50 en ’60), bloemkoolwijken (jaren ’70 en ’80), Vinex (vanaf jaren ’90) en vrije verkaveling) Gebieden met hoogbouw en grootschalige bebouwing Bedrijventerreinen
Zie hoofdstuk 3 voor de omschrijving van de stadszones.
2.1.2
Stap 2 – bepalen omvang project
De volgende stap is het bepalen van de omvang van het project. Hoe groter de omvang, hoe meer maatregelen worden gevraagd. Nieuwbouwprojecten worden als volgt ingedeeld:
Footprint
Hoogte
Kleinschalig project
<500 m2
en <15 m
Middelgroot project
<2000 m2
en/of 15-30 m
Grootschalig project
>2000 m2
en/of >30m
2.1.3
Stap 3 – bepalen te behalen puntenscore (ambitie)
Op basis van de omvang van het bouwproject (zie stap 2) wordt het ambitieniveau bepaald per aspect. Voor alle stadszones geldt dezelfde ambitie om het puntensysteem voldoende eenvoudig te houden. Zie onderstaande tabel voor de minimale score (het aantal punten) die behaald dient te worden. Daarbij is rekening gehouden met het aantal punten dat verdiend kan worden door de realisatie van diverse natuur- en groeninclusieve maatregelen (zie stap 4).
8
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
Onderdeel
Kleinschalig project
Middelgroot project
Grootschalig project
Gevel / dak gebouw
2 punten
4 punten
6 punten
Verblijven in gebouw
1 punt
3 punten
4 punten
Omgeving gebouw
2 punten
4 punten
6 punten
Noot: Indien het project gelegen is binnen een met kleur aangeduide wijk op de kaarten in bijlage D geldt dat toepassing van maatregelen 'verblijf' verplicht is voor vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen. (Dit betekent dat de gevraagde score voor verblijfplaatsen bij een kleinschalig project hoger ligt dan 1 punt).
2.1.4
Stap 4 – bepalen maatregelen en score
Per maatregel kunnen 1, 2 of 3 groene punten worden verdiend. Zie hoofdstuk 3 voor de maatregelen die van toepassing zijn per stadszone, rekening houdend met Haagse soorten en de ruimtelijke context. Indien een maatregel meerdere natuur- en groenfuncties dient is de score 3 groene punten. Bij meer eenzijdige of beperkte maatregelen is de score 1 of 2. Het is aan de initiatiefnemer om te bepalen of gekozen wordt voor enkele waardevolle maatregelen (score 3 of 2) of realisatie van meerdere kleine maatregelen (score 1). Uit oogpunt voor natuur en groen is de realisatie via beide strategieën van grote betekenis. Het laten opstellen van een ecologisch advies door een gemeentelijk of een extern ecoloog is van meerwaarde voor het uiteindelijk resultaat. Het wordt echter niet verplicht gesteld. In bijlage C is beeldmateriaal opgenomen ter inspiratie. In bijlage B staat aan welke ontwerpeisen de maatregelen in ieder geval dienen te voldoen.
2.2
Planproces per project
Het is van groot belang om de natuur- en groeninclusieve maatregelen vroegtijdig in het project mee te nemen, namelijk bij het formuleren van uitgangspunten (planuitwerkingskader/ programma van eisen). Zie onderstaand schema voor de vrijheidsgraden en beïnvloedbaarheid van grootschalige projecten. Hoe vroeger in het planproces, hoe meer mogelijkheden om natuurinclusieve maatregelen in te passen zonder kostenverhogende werking. Andersom geldt dat late inbreng van groene uitgangspunten tot knelpunten kan leiden en soms tot afstel. Dat kan dus voorkomen worden door inbreng van voorstellen en ideeën tijdens de haalbaarheids- en uitgangspuntenfase van een nieuwbouwproject. In het schema staan de verschillende planfasen en het iteratieve planproces. De stippellijn geeft de kennisopbouw die noodzakelijk is om de plannen bijtijds bij te sturen. Bij kleine en middelgrote projecten wordt de fase van ‘masterplan’ veelal overgeslagen, maar gaat het ook om tijdige inpassing van natuurinclusieve maatregelen in het ontwerp.
9
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
10
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
2.3
Verankering in instrumentarium
Het is belangrijk dat het treffen van natuur- en groeninclusieve maatregelen voldoende verankerd worden in instrumentarium. In onderstaand overzicht worden de verschillende mogelijkheden kort uiteengezet. Daarbij geldt als uitgangspunt dat groen- en natuurinclusief bouwen tijdig wordt meegenomen in de planvorming. Vervolgens dient bewaakt te worden dat deze maatregelen niet sneuvelen bij de nadere uitwerking van de plannen. Verder zal de toetsing, goedkeuring en puntenregistratie geregeld moeten worden.
Type handeling/ soort project
Wijze van toepassing
Werking
Voorwaarde
Verkoop van grond door de gemeente 1 : 1 aan ontwikkelaar/particulier
De toepassing van het puntensysteem wordt vastgelegd in het Planuitwerkingskader (PUK) en de verkoopovereenkomst.
Volgens stappenplan.
Voorwaarde is dat het puntensysteem vastgesteld wordt in College/Raad.
Vastgoedontwikkeling door de gemeente
De toepassing van het puntensysteem wordt vastgelegd in het Planuitwerkingskader (PUK) en het projectdocument dat DSO opstelt en het College vaststelt.
idem
idem
Inrichtingsproject openbaar gebied door gemeente
De toepassing van het puntensysteem wordt vastgelegd in het Planuitwerkingskader (PUK) en projectdocument dat DSO opstelt en het College vaststelt.
idem
idem
Gemeente schrijft tender uit voor ontwikkeling
De toepassing van het puntensysteem wordt opgenomen in het tenderdocument.
Idem
idem
Bouwen op eigen grond of Haags Initiatieven Team (HIT) en/of het renovatie/ Haags Duurzaamheidsteam bespreekt met de initiatiefnemer de toepassing van Niet passend in het puntensysteem. De toepassing van bestemmingsplan het puntensysteem wordt vastgelegd in het Planuitwerkingskader (PUK) en projectdocument dat DSO opstelt en het College vaststelt.
KO-projecten
Te behalen aantal punten wordt bepaald door type project. Partijen hebben keuzevrijheid.
Beoordeling van de tender (mede) op basis van de toepassing van het puntensysteem. De inschrijvende partijen scoren beter als hun puntenaantal hoger is. Ontheffing van bestemmingsplan / omgevingsplan mits toepassing puntensysteem
Behandeling in HIT/HDT
De toepassing van het puntensysteem wordt vastgelegd in het PUK.
11
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
3
STREEFBEELD EN MAATREGELEN PER STADSZONE
3.1
Inleiding
De volgende stadszones vormen de ruimtelijke context waarbinnen natuur- en groeninclusieve maatregelen worden voorgesteld. Om aan te sluiten bij bestaand gebruik is voor dit doel gebruik gemaakt van een vereenvoudigde indeling van de stedelijke karaktergebieden/stadszones. • • • •
Historisch centrum / oude stadswijken (voor 1920) Woonwijken (gordel (jaren ’20 -’40), wederopbouw (jaren ’50 en ’60), bloemkoolwijken (jaren ’70 en ’80) en Vinex (vanaf jaren ’90) en vrije verkaveling) Grootschalige bebouwing en hoogbouw Bedrijventerreinen
Per stadszone wordt hieronder (paragraaf 3.2 t/m 3.4) een beknopte beschrijving gegeven: • • • •
Ecologische samenhang / functie gebouwen en omgeving (relevante elementen) Groenfunctie Doelsoorten (gids- en volgsoorten) Maatregelen ter versterking natuur- en groenfunctie
Om richting te geven aan de eisen en wensen ten aanzien van natuurinclusieve maatregelen zijn Haagse soorten geselecteerd. Dit zijn (gids)soorten met specifieke kwaliteitseisen ten aanzien van het stedelijk leefgebied. Zie verder bijlage A voor de eisen per gidssoort, de relevante volgsoorten en de stadszones waar de soorten relevant zijn.
12
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
3.2
Historisch centrum en oude stadswijken
Karakterisering Het historisch centrum van een stad wordt vaak gekenmerkt door relatief lage en dichte bebouwing met smalle straten, veel verharding en winkels. Dit deel is goed ontsloten voor fietsverkeer en in mindere mate voor auto’s. Voetgangers maken veel gebruik van dit deel van de stad. Omdat dit deel van de stad tegenwoordig intensiever, maar vooral op een andere manier wordt gebruikt ten opzichte van de tijd waarin het is gebouwd, wordt aandacht voor het openbaar groen belangrijker. Als gevolg van modernisering verliezen structuurrijke gebouwen het van de moderne bebouwing. Dit vereist dan ook een slag in het vergroten van het openbaar groen, maar ook in het medegebruik van de stad door flora en fauna. De beleving voor bewoners, maar ook voor bezoekers van de stad, is hierbij een belangrijke factor. Daarnaast speelt de klimaatopgave in relatie tot waterhuishouding en hittestress een belangrijke rol, aangezien het historisch centrum wordt gekenmerkt door veel verharding en bebouwing.
13
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
Natuurfunctie Ecologische samenhang Het historisch centrum bestaat vooral uit een stenig milieu en kent een hoge menselijke dynamiek. Het groen is – in de huidige situatie - veelal beperkt tot kleine plantsoenen en sierperken of plantenbakken. Omdat het huidige aanbod beperkt en verspreid is, zijn slechts mobiele soorten zoals stadsvogels en sommige insectensoorten in staat om dit soort groene eilandjes te bereiken. De gebouwen bieden veelal mogelijkheden voor gebouwbewonende dieren vanwege openingen, kieren en spleten. Dieren van rotsachtige milieus (huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen) zijn vaste bewoners van dit type bebouwing. Voor de huismussen en vleermuizen geldt daarnaast dat de directe omgeving groen moet zijn om voldoende voedsel te kunnen vinden. Oude muren – van bijvoorbeeld de grachten – vormen geschikte groeiplekken voor muurvarens. Geschikt leefgebied voor watergebonden soorten ontbreekt echter grotendeels.
Haagse gidssoorten De volgende gidssoorten zijn relevant voor het historisch centrum en oude stadswijken: • • • • • • • • • •
gewone dwergvleermuis laatvlieger gierzwaluw huismus merel zwarte roodstaart slechtvalk kleine watersalamander tongvaren steenbreekvaren
Groenfunctie Realisatie van gevelgroen, aanplant van groen en het plaatsen van nestkasten/ verblijfplaatsen aan gebouwen draagt bij aan diverse doelstellingen: • • • •
de belevingswaarde van de historische bebouwing de wateropgave: bijdrage aan waterhuishouding in een veelal verhard deel van de stad de bestrijding van hittestress medegebruik van gebouwen door typische fauna van oude bebouwing
14
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
Maatregelentabel voor de stadszone ‘historisch centrum en oude stadswijken’
Stadszone Historisch centrum en oude stadswijken Punten Aspect
Maatregel
1
gevel/dak
Geveltuin
1
gevel/dak
Geen lichtuitstraling vanuit gebouw
1
gevel/dak
Groen dak met sedum (> 5 – 7 cm) /30%
2
gevel/dak
Groen dak met sedum, grassen en kruiden (7 - 15 cm) /30%
3
gevel/dak
Groen dak met (sedum), grassen, kruiden en dwergheesters (15 - 30 cm) /30%
4
gevel/dak
Groen dak met (grassen), kruiden, dwergheesters en struiken (30 - 50 cm) /30%
4
gevel/dak
Groen dak met kruiden, dwergheesters, struiken en bomen (> 50 cm) /30%
2
gevel/dak
Gevelgroen
4
gevel/dak
1
verblijf
Alleen bij hoogbouw (>50m): minimaal 100% van de footprint van de stedelijke laag komt terug als horizontale buitenruimtes zoals daktuinen. Daarvan moet minimaal 40% ingericht worden met groen dat een bijdrage levert aan biodiversiteit. Insectenstenen
1
verblijf
Nestplaatsen voor gierzwaluwen
1
verblijf
Nestplaatsen voor zwarte roodstaart
1
verblijf
Nestplaatsen huismus bij groene tuinen/pleinen
1
verblijf
Nestkast slechtvalk
1
verblijf
Zomerverblijfplaats voor vleermuizen
1
verblijf
Winterverblijfplaats voor vleermuizen
1
omgeving
Geen buitenverlichting bij groen
1
omgeving
Cluster van 3 inheemse bomen
1
omgeving
Cluster van inheemse struiken 50m2
1
omgeving
Groene tuin met aansluiting op ecologische structuur
2
omgeving
Natuurlijke haag > 25 meter
2
omgeving
Natuurlijke verharding 25% areaal
2
omgeving
Boomgaard met > 10 fruitbomen
2
omgeving
Grasland met inheems bloemenmengsel > 500 m2
2
omgeving
Groen >25% onbebouwde areaal
3
omgeving
Natuurlijke poel
3
omgeving
Pocketpark (minipark)
1
omgeving
Muurplanten in oude (kade)muur
1
omgeving
Doorstroming van open water
2
omgeving
Rij van >10 inheemse bomen (zo mogelijk gemixt)
2
omgeving
Natuurvriendelijke of drijvende oever > 10 m
-In bijlage C worden de maatregelen nader toegelicht. -In bijlage D staan de gebieden aangegeven waar toepassing van maatregelen 'verblijf' verplicht is voor vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen. -Aanbevelingen: samenwerking met een ecoloog en/of landschapsarchitect gedurende het hele bouw(plan)proces / Zorg voor robuust groen / Raadpleeg Natuurkaart Den Haag / Koppel meerdere doelen mee / Maak een plan voor meerjarig beheer en onderhoud / Zorg voor borging behoud van het groen bij verkoop pand.
15
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
3.3
Woonwijken
Karakterisering Woonwijken binnen een stad hebben ‘wonen’ als hoofdfunctie en bestaan grotendeels uit een combinatie van woningen in de vorm van appartementen, rijtjeswoningen en twee-onder-een-kapwoningen. De kenmerken van een woonwijk hangen sterk af van de periode waarin de woningen zijn gebouwd. Over het algemeen worden deze delen van de stad in mindere mate intensief gebruikt. Een goede dooradering van wegen, fiets- en wandelpaden is over het algemeen aanwezig. Er is vaak in min of meerdere mate groen en open water aanwezig en er zijn parkeergelegenheden voor bewoners. Binnen een woonwijk betstaat het groen behalve uit openbaar groen, ook uit tuinen van de bewoners.
16
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
17
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
Natuurfunctie Ecologische samenhang Woonwijken bieden over het algemeen een gemengd biotoop en kennen hierbinnen een verschil in menselijke dynamiek. Openbaar groen, waaronder groenstroken, maar ook solitaire bomen en bomenrijen, vormen geschikt leefgebied voor verschillende soorten fauna en insecten. Open water vormt geschikt leefgebied voor watergebonden soorten. Daarnaast hebben de woningen een functie voor gebouw bewonende soorten, mits voldoende mogelijkheden/ openingen aanwezig zijn. Door de aanwezigheid van verspreid groen binnen een woonwijk, is soms sprake van stapstenen die niet met elkaar verbonden zijn. Vaak is echter wel een groenblauwe dooradering aanwezig die deze stapstenen met elkaar verbindt. Stadsparken hebben hierbij vaak een belangrijke functie als leefgebied binnen de wijk. Tuinen vormen daarnaast geschikt leefgebied en hebben vaak een functie voor de gebouwbewonende soorten die in de directe omgeving foerageren. Het ‘verstenen’ van tuinen draagt echter bij aan een verslechtering van de biotoop voor de aanwezige soorten als geheel.
Haagse gidssoorten De volgende gidssoorten zijn relevant voor de woonwijken: • • • • • • • • • • • • • •
gewone dwergvleermuis laatvlieger gierzwaluw huismus merel fuut egel kleine watersalamander boomblauwtje kleine vos tongvaren steenbreekvaren bijenorchis grote kattenstaart
Groenfunctie Realisatie van gevelgroen, aanplant van groen, verbeteren van de kwaliteit van open water en het plaatsen van nestkasten/ verblijfplaatsen aan gebouwen draagt bij aan diverse doelstellingen: • • • • •
de belevingswaarde van de woonwijk geluiddemping en ruimtelijke scheiding van wonen en verkeer de wateropgave: bijdrage aan waterhuishouding in plaats van verharding medegebruik van groen en water binnen de woonwijk door kleine fauna en insecten medegebruik van woonwijk door typische fauna van woonwijken, uitbreiding van leefgebied
18
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
Maatregelentabel voor stadszone ‘Woonwijk’
Stadszone Woonwijk Punten Aspect
Maatregel
1
gevel/dak
Geveltuin
1
gevel/dak
Geen lichtuitstraling vanuit gebouw
1
gevel/dak
Groen dak met sedum (> 5 – 7 cm) /30%
2
gevel/dak
Groen dak met sedum, grassen, kruiden (7 - 15 cm) /30%
3
gevel/dak
Groen dak met (sedum), grassen, kruiden, dwergheesters (15 - 30 cm) /30%
4
gevel/dak
Groen dak met (grassen), kruiden, dwergheesters en struiken (30 - 50 cm) /30%
4
gevel/dak
Groen dak met kruiden, dwergheesters, struiken en bomen (> 50 cm) /30%
2
gevel/dak
Gevelgroen
4
gevel/dak
1
verblijf
Alleen bij hoogbouw (>50m): minimaal 100% van de footprint van de stedelijke laag komt terug als horizontale buitenruimtes zoals daktuinen. Daarvan moet minimaal 40% ingericht worden met groen dat een bijdrage levert aan biodiversiteit. Insectenstenen
1
verblijf
Nestplaatsen voor gierzwaluwen
1
verblijf
Nestplaatsen huismus bij groene tuinen/pleinen
1
verblijf
Zomerverblijfplaats voor vleermuizen
1
verblijf
Winterverblijfplaats voor vleermuizen
1
omgeving
Geen buitenverlichting bij groen
1
omgeving
Cluster van 3 inheemse bomen
1
omgeving
Cluster van inheemse struiken 50m2
1
omgeving
Groene tuin met aansluiting op ecologische structuur
1
omgeving
Insectenhotel
1
omgeving
Voor vlinders geschikte struiken
1
omgeving
Droog bloemrijk grasland > 10m2
1
omgeving
Faunapassage onder hekwerk
2
omgeving
Natuurlijke haag > 25 meter
2
omgeving
Natuurlijke verharding 25% areaal
2
omgeving
Boomgaard met > 10 fruitbomen
2
omgeving
Grasland met inheems bloemenmengsel > 500 m2
2
omgeving
Groen >25% onbebouwde areaal
2
omgeving
Zoomvegetatie langs perceelsranden
3
omgeving
Natuurlijke poel
3
omgeving
Pocketpark (minipark)
1
omgeving
Muurplanten in oude (kade)muur
1
omgeving
Doorstroming van open water
1
omgeving
Rustzone fauna langs wateroever
2
omgeving
Rij van >10 inheemse bomen (zo mogelijk gemixt)
2
omgeving
Natuurvriendelijke of drijvende oever > 10 m
2
omgeving
Ecologische wadi
-In bijlage C worden de maatregelen nader toegelicht. -In bijlage D staan de gebieden aangegeven waar toepassing van maatregelen 'verblijf' verplicht is voor vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen. -Aanbevelingen: samenwerking met een ecoloog en/of landschapsarchitect gedurende het hele bouw(plan)proces / Zorg voor robuust groen / Raadpleeg Natuurkaart Den Haag / Koppel meerdere doelen mee / Maak een plan voor meerjarig beheer en onderhoud / Zorg voor borging behoud van het groen bij verkoop pand. 19
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
3.4
Grootschalige bebouwing en hoogbouw
Karakterisering Stedelijke zones met grootschalige bebouwing worden gekenmerkt door middel- en hoogbouw, goed ontsloten voor autoverkeer, fietsverkeer en openbaar vervoer. Er wordt gesproken over hoogbouw bij 50 meter of hoger. In de volgende gebieden gaat Den Haag de groei van het inwoneraantal mogelijk maken door compacter en hoger te bouwen: • • • •
het Central Innovation District (CID) de Binckhorst, Laakhavens OV-/voorzieningenknooppunten: waaronder knoop Moerwijk, stadshart Leyweg, Driehoek Rosenburg de internationale kust (Scheveningen Bad)
Met de verdichting van de stad, wordt de inrichting van de buitenruimte en de aanwezigheid van openbaar groen nog belangrijker, omdat de stad intensiever wordt gebruikt. Dit vereist een buitenruimte van hoge kwaliteit, die groen en mogelijkheden voor recreatie, bewegen en verblijven verbindt, en daarmee bijdraagt aan de gezondheid van de bewoners en gebruikers. In de nota Eyeline & Skyline Den Haag worden de ontwerpkaders uitgewerkt voor de hoogbouw- en verdichtingsopgave. Minimaal 100% van de footprint van de bebouwing dient te worden terug gebracht als horizontale buitenruimtes zoals daktuinen. Daarvan moet minimaal 40% ingericht worden met groen dat een bijdrage levert aan biodiversiteit.
20
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
Natuurfunctie Ecologische samenhang De zone van grootschalige bebouwing bestaat vooral uit een stenig milieu en kent een hoge menselijke dynamiek. Het groen is – in de huidige situatie - veelal beperkt tot straatbomen, kleine plantsoenen en sierperken. Slechts mobiele soorten (stadsvogels en sommige insectensoorten) zijn in staat om dit soort groene eilandjes te bereiken. De gebouwen – die in hoogte variëren – hebben meestal platte daken. Dieren van rotsachtige milieus (gierzwaluwen, vleermuizen en slechtvalk) zijn vaste bewoners van dit stenige landschap mits de gebouwen faunavriendelijk zijn ingericht. Een groene omgeving rondom is voor deze soorten een pre maar geen vereiste. Interessante biotopen en groeiplekken vormen ook braakliggende terreinen (pioniervegetatie en ruderale ruigte) en ongebruikte gebouwen (oude muren) met tijdelijke kansen voor planten en dieren. Dit is aan de orde als bouwprojecten enkele jaren op zich laat wachten. Indien waterpartijen aanwezig zijn neemt de soortenrijkdom direct toe. Water, moerassige en beboste oevers en oude kaden vormen broed- en voedselgebied voor vogels en vleermuizen. Kruidenrijke rietvegetaties kunnen bijzonere planten herbergen en vormen leefgebied voor talrijke insecten.
Haagse gidssoorten De volgende gidssoorten zijn relevant voor de stedelijke zones met grootschalige bebouwing (hoogbouw). • • • • • • •
gewone dwergvleermuis gierzwaluw zwarte roodstaart slechtvalk boomblauwtje kleine vos huismus
Groenfunctie Realisatie van daktuinen, gevelgroen en groene terrassen op de gebouwen draagt bij aan diverse doelstellingen: • • •
de belevings- en gebruikswaarden van hoogbouw (en middenbouw) de realisatie van klimaatdoelstellingen op het gebied van wateropvang en isolatie de bestrijding van hittestress
21
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
Maatregelentabel voor stadszone ‘grootschalige bebouwing en hoogbouw’
Stadszone Grootschalige bebouwing en hoogbouw Punten 1 gevel/dak
Maatregel Geveltuin
1
gevel/dak
Geen lichtuitstraling vanuit gebouw
1
gevel/dak
Groen dak met sedum (> 5 - 7 cm) /30%
2
gevel/dak
Groen dak met sedum, grassen, kruiden (7 - 15 cm)/30%
3
gevel/dak
Groen dak met (sedum), grassen, kruiden, dwergheesters (15 - 30 cm) /30%
4
gevel/dak
Groen dak met (grassen), kruiden, dwergheesters en struiken (30 - 50 cm) /30%
4
gevel/dak
Groen dak met kruiden, dwergheesters, struiken en bomen (> 50 cm) /30%
2
gevel/dak
Gevelgroen
4
Gevel/dak
1
verblijf
Alleen bij hoogbouw (>50m): minimaal 100% van de footprint van de stedelijke laag komt terug als horizontale buitenruimtes zoals daktuinen. Daarvan moet minimaal 40% ingericht worden met groen dat een bijdrage levert aan biodiversiteit. Insectenstenen
1 1
verblijf verblijf
nestkasten voor huismus bij groene tuinen/pleinen
1
verblijf
Nestplaatsen voor zwarte roodstaart
1
verblijf
Nestkast slechtvalk
1 1
verblijf omgeving
Winterverblijfplaats voor vleermuizen
1
omgeving
Cluster van 3 inheemse bomen
1
omgeving
Cluster van inheemse struiken 50m2
1 1
omgeving omgeving
Groene tuin met aansluiting op ecolog. structuur
1
omgeving
Voor vlinders geschikte struiken
1
omgeving
Droog bloemrijk grasland > 10m2
2
omgeving
Natuurlijke haag > 25 meter
2
omgeving
Natuurlijke verharding 25% areaal
2
omgeving
Boomgaard met > 10 fruitbomen
2
omgeving
Grasland met inheems bloemenmengsel > 500 m2
2 2
omgeving omgeving
Groen >25% onbebouwde areaal
3
omgeving
Pocketpark (minipark)
2
omgeving
Rij van >10 inheemse bomen (zo mogelijk gemixt)
2
omgeving
Natuurvriendelijke of drijvende oever > 10 m
Nestplaatsen voor gierzwaluwen
Geen buitenverlichting bij groen
Insectenhotel
Zoomvegetatie langs perceelsranden
-In bijlage C worden de maatregelen nader toegelicht. -In bijlage D staan de gebieden aangegeven waar toepassing van maatregelen 'verblijf' verplicht is voor vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen. -Aanbevelingen: samenwerking met een ecoloog en/of landschapsarchitect gedurende het hele bouw(plan)proces / Zorg voor robuust groen / Raadpleeg Natuurkaart Den Haag / Koppel meerdere doelen mee / Maak een plan voor meerjarig beheer en onderhoud / Zorg voor borging behoud van het groen bij verkoop pand.
22
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
3.5
Bedrijventerreinen
Karakterisering Bedrijvengebieden bezitten in principe een informeel, sober en functioneel architectonisch beeld. Onderling zijn er verschillen. Er zijn bedrijvengebieden, waarin vooral producerende of verwerkende bedrijven het beeld bepalen, maar er zijn ook gebieden, waar het accent meer op dienstverlening ligt. Kortom, de aanwezige functies hebben invloed op het beeld van een gebied. Gebieden hebben vaak een hiërarchische opbouw, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het kantoorgedeelte en de bedrijfshal. De meer formele bebouwing van kantoren, of bedrijven met een kantoordeel, staan langs hoofdroutes. Aan achtergebieden en langs zijstraten staan vaak de meer informele onderdelen van het complex. De architectuur is over het algemeen eenvoudig, niet alleen in massacompositie, maar ook in uitwerking en materialisering.
Natuurfunctie Ecologische samenhang Hoewel bedrijventerreinen voornamelijk bestaan uit een stenig milieu met dichte bebouwing, zijn deze over het algemeen ruim opgezet met een afwisseling aan brede groenstroken, hagen en braakliggende terreinen. De dynamiek is vrij laag, maar de infrastructuur is ruim opgezet omdat groot verkeer zich hierover moet kunnen verplaatsen. Behalve mobiele soorten, zijn ook minder mobiele soorten in staat zich hier te handhaven, mits het aanwezige groen en de dooradering van voldoende kwaliteit is. Het gaat daarbij om hagen, bomenlanen, ecologisch beheerde groenstroken en parken die met elkaar verbonden zijn. Voor gebouw bewonende soorten zijn mogelijkheden beperkt, vanwege de kenmerken – het ontbreken van geschikte openingen – van bedrijfsgebouwen en opslagloodsen. Open water met structuurrijke oevers vormen geschikt leefgebied voor soorten die gebonden zijn aan water of een nat milieu en geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Haagse gidssoorten De volgende gidssoorten zijn relevant voor de bedrijventerreinen: • •
gewone dwergvleermuis laatvlieger 23
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
• • • • • • • • • • • •
gierzwaluw zwarte roodstaart fuut egel kleine watersalamander boomblauwtje kleine vos bijenorchis grote kattenstaart tongvaren steenbreekvaren huismus
Groenfunctie Realisatie van groene daken, gevelgroen en aanplant van groen draagt bij aan diverse doelstellingen: • • •
de belevings- en gebruikswaarden van bedrijventerrein de realisatie van klimaatdoelstellingen op het gebied van wateropvang medegebruik van groen en water door kleine fauna en insecten
24
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
Maatregelentabel voor stadszone ‘bedrijventerrein’
Stadszone Bedrijventerrein Punten Aspect
Maatregel
1
gevel/dak
Geen lichtuitstraling gebouw
1
gevel/dak
Groen dak met sedum (> 5 - 7 cm) /30%
2
gevel/dak
Groen dak met sedum, grassen, kruiden (7 - 15 cm)/30%
3
gevel/dak
Groen dak met (sedum), grassen, kruiden, dwergheesters (15 - 30 cm)/30%
4
gevel/dak
Groen dak met (grassen), kruiden, dwergheesters en struiken (30 - 50 cm)/30%
4
gevel/dak
Groen dak met kruiden, dwergheesters, struiken en bomen (> 50 cm)/30%
2
gevel/dak
Gevelgroen
4
gevel/dak
1
verblijf
Alleen bij hoogbouw (>50m): minimaal 100% van de footprint van de stedelijke laag komt terug als horizontale buitenruimtes zoals daktuinen. Daarvan moet minimaal 40% ingericht worden met groen dat een bijdrage levert aan biodiversiteit. Insectenstenen
1
verblijf
Nestplaatsen voor huismus bij groene tuinen/pleinen
1
verblijf
Nestplaatsen voor gierzwaluwen
1
verblijf
Nestplaatsen voor zwarte roodstaart
1
verblijf
Zomerverblijfplaats voor vleermuizen
1
verblijf
Winterverblijfplaats voor vleermuizen
1
omgeving
Geen buitenverlichting bij groen
1
omgeving
Cluster van 3 inheemse bomen
1
omgeving
Cluster van inheemse struiken 50m2
1
omgeving
aansluiting groene tuin en ecologische structuur
1
omgeving
Insectenhotel
1
omgeving
Voor vlinders geschikte struiken
1
omgeving
Droog bloemrijk grasland > 10m2
1
omgeving
Faunapassage onder hekwerk
2
omgeving
Natuurlijke haag > 25 meter
2
omgeving
Natuurlijke verharding 25% areaal
2
omgeving
Boomgaard met > 10 fruitbomen
2
omgeving
Grasland met inheems bloemenmengsel > 500 m2
2
omgeving
Groen >25% onbebouwde areaal
2
omgeving
Zoomvegetatie langs perceelsranden
3
omgeving
Natuurlijke poel
1
omgeving
Muurplanten in oude (kade)muur
1
omgeving
Doorstroming van open water
1
omgeving
Rustzone fauna langs wateroever
2
omgeving
Rij van >10 inheemse bomen
2
omgeving
Natuurvriendelijke of drijvende oever > 10 m
2
omgeving
Ecologische wadi
-In bijlage C worden de maatregelen nader toegelicht. In bijlage D staan de gebieden aangegeven waar toepassing van maatregelen 'verblijf' verplicht is voor vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen. -Aanbevelingen: samenwerking met een ecoloog en/of landschapsarchitect gedurende het hele bouw(plan)proces / Zorg voor robuust groen / Raadpleeg Natuurkaart Den Haag / Koppel meerdere doelen mee / Maak een plan voor meerjarig beheer en onderhoud / Zorg voor borging behoud van het groen bij verkoop pand. 25
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
4
BRONNEN EN PROJECTGROEP
Bij het opstellen van onderhavig rapport zijn onder meer de volgende inhoudelijke bronnen geraadpleegd: • • • • • • • • • • •
Natuurinclusief bouwen; achtergronddocument bij raadsmededeling over de motie ‘natuurinclusief bouwen’ (gemeente Den Haag, september 2016) Bij 12, 2017. Kennisdocument gierzwaluw, huismus, en gewone dwergvleermuis. Versie 1.0, juli 2017. Floron: www.floron.nl Ravon: www.ravon.nl/Infotheek/Soortinformatie/Amfibieën/tabid/1358/Default.aspx Sovon: www.sovon.nl/nl/soort/ Verspreidingsatlas: www.verspreidingsatlas.nl Vleermuisnet: www.vleermuis.net/vleermuis-soorten/laatvlieger Vlinderstichting: www.vlinderstichting.nl/vlinders Vogelbescherming: www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids Wilde-planten: www.wilde-planten.nl Zoogdiervereniging: www.zoogdiervereniging.nl/egel
De samenstelling van de projectgroep: Max Klasberg Dolf Logeman Irene Mulder Machiel Broeren Lucas Vroom Mieke Weterings Walter Dekker Mike Schalk Arno Lammers Henk Heijkers Henk Bakker Daniel Driessen Niek van Vliet Esther Vogelaar Martin van den Hoorn Eline van Staalduinen Diana van Dongen
Arcadis, opdrachtnemer Arcadis, opdrachtnemer Projectleider, Stedenbouw en Planologie, DSO Grondzaken/aanbestedingen, DSO Project Binckhorst, PmDH, DSO Duurzaam bouwen, DSO Haags Duurzaamheidsteam, DSO Grondzaken, accounthouder flora fauna, DSO Planologie, DSO Duurzaamheid, DSO Vergunning en Toezicht, DSO Opdrachtgever buitenruimteprojecten Binckhorst, PmDH, DSO Bouwecologie, DSO Ecologie, DSB Ecologie, DSB Openbare ruimte, DSB Milieu en gezondheid, GGD
26
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
BIJLAGE A - EISEN GIDSSOORTEN
Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Gierzwaluw Huismus Merel Zwarte roodstaart Slechtvalk Fuut Egel Kleine watersalamander Boomblauwtje Kleine vos Tongvaren Steenbreekvaren
Historisch centrum en oude stadswijken Gebouw + Omgeving Gebouw Gebouw Gebouw + Omgeving Gebouw + Omgeving Gebouw + Omgeving Gebouw
Omgeving
Gebouw + omgeving Gebouw + omgeving
Bijenorchis Grote kattenstaart
Woonwijk
Gebouw + Omgeving Gebouw Gebouw Gebouw + Omgeving Gebouw + Omgeving
Grootschalige bebouwing / hoogbouw Gebouw + Omgeving
Omgeving Omgeving
Gebouw Gebouw+ Omgeving
Gebouw + Omgeving Gebouw Omgeving Omgeving Omgeving Gebouw + Omgeving Omgeving Gebouw + omgeving Gebouw + omgeving Omgeving Omgeving
Bedrijventerrein
Gebouw+ Omgeving
Gebouw + Omgeving Omgeving Omgeving Omgeving
Omgeving Omgeving
Gidssoort
Volgsoorten
Gewone dwergvleermuis
Gewone grootoorvleermuis, laatvlieger
Laatvlieger
Gewone grootoorvleermuis, gewone dwergvleermuis
Gebouw + Omgeving Omgeving Gebouw + omgeving Gebouw + omgeving Omgeving Omgeving
Gierzwaluw Huismus
Merel, struweelvogels (roodborst, vink, winterkoning)
Merel
Huismus, struweelvogels (roodborst, vink, winterkoning), vlinders, hommels
Zwarte roodstaart Slechtvalk Fuut
Watervogels (meerkoet, waterhoen, wilde eend), libellen, oeverplanten (koninginnenkruid, lisdodde)
Egel
Amfibieën, kleine zoogdieren (muizen)
Kleine watersalamander
Amfibieën (bruine kikker, gewone pad)
Boomblauwtje
Dagvlinders en andere insecten (bijen), ruigtevogels
Kleine vos
Dagvlinders en andere insecten (bijen), zwarte roodstaart, ruigtevogels
Tongvaren
Muurbegroeiing (steenbreekvaren, muurvaren, muurbloem, klein glaskruid)
Steenbreekvaren
Muurbegroeiing (tongvaren, muurvaren, muurbloem, klein glaskruid)
Bijenorchis
Orchideeën (breedbladige wespenorchis)
Grote kattenstaart
Watervogels (fuut, meerkoet, waterhoen, wilde eend), libellen, oeverplanten (koninginnenkruid, lisdodde)
Voor de gebouwbewonende soorten die zwaarder beschermd zijn in het kader van Wet natuurbescherming (gewone dwergvleermuis, laatvlieger, gierzwaluw en huismus) worden ook de beschermingsmaatregelen gegeven uit het Soortmanagementplan (SMP) Den Haag (Arcadis, in voorbereiding). Er ligt een kans en wens om hier bij de ontwikkelgebieden op zoveel mogelijk op aan te sluiten zodat de populaties duurzaam kunnen worden beschermd. Voor het ontwerpvraagstuk kan contact moeten worden gezocht met de stadsecoloog van de gemeente Den Haag.
27
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
GEWONE DWERGVLEERMUIS Kenmerken De gewone dwergvleermuis is de meest algemeen voorkomende en meest zichtbare soort vleermuis in Nederland. Het is ook één van de kleinste vleermuissoorten in Nederland. De vleermuis weegt 3,5 tot 8 gram en heeft een spanwijdte van 18 tot 24 centimeter. De rugvacht is roestbruin tot donkerbruin, de buikvacht is geelbruin en de vleugels en oren zijn donkerbruin. De vleugels zijn in verhouding lang en smal (Bij12, 2017).
Bron: eigen materiaal
Verspreiding
De gewone dwergvleermuis is de meest wijdverspreide en talrijke vleermuissoort in Nederland, die in de meeste gebieden in Nederland algemeen voorkomt. De vleermuis is een echte opportunist, die in de meeste stedelijke en bebouwde gebieden uitstekend gedijt. Om deze reden is de gewone dwergvleermuis in grote aantallen door heel Nederland te vinden.
Omgevingseisen
Voor vleermuizen is de aanwezigheid van drinkwater van groot belang. De aanwezigheid van beken of vijvers binnen 200 meter van een woning verhogen de kans op aanwezigheid van vleermuizen aanzienlijk. Stadsranden met daarbuiten veel groen zijn erg aantrekkelijk voor stadssoorten. Deze verbinding tussen stad en bos geeft vleermuizen een aantrekkelijk leefgebied met een hoge voedselrijkdom. Aanwezigheid van bos of park binnen 200 meter van een woning, of een woning op 500 meter afstand van de stadsrand geeft een verhoogde kans op gewone dwergvleermuis. In het stedelijk gebied is de gewone dwergvleermuis een bekende soort. Dit is een soort die voornamelijk voorkomt rond gebouwen. Oorspronkelijk komt de soort voor in rotsachtige gebieden en verblijft in nauwe spleten tussen de rotsen. De huidige bebouwing biedt vergelijkbaar habitat in de vorm van spouwmuren, dakbedekking en stootvoegen. Voor de gewone dwergvleermuis bieden woningen op verschillende plaatsen mogelijke nestplaatsen. De eerste bekende is de dakrand. Hiervoor dient de invliegopening groot genoeg te zijn, dient genoeg ruimte te zijn onder de dakpannen en dient het dak op een adequate hoogte goed bereikbaar te zijn.
Om deze reden heeft de gewone dwergvleermuis een voorkeur voor verblijfplaatsen onder de daken van huizen met gegolfde dakpannen en een kopgevel, waarbij een lijnvormige aanvliegroute wordt gevormd door een laan met bomen of een lange heg. Spouwmuren zijn ook uitermate geschikt voor de gewone dwergvleermuis als verblijfplaats. Via stoten en dilatatievoegen kruipen zij in de spouw. Hiervoor dienen openingen in de muur te zitten op een goede hoogte voor de vleermuizen om erin te vliegen (zoals bijvoorbeeld stootvoegen), dient een relatief beschutte aanvliegroute aanwezig te zijn en dient genoeg ruimte te zijn in de spouwmuur. Spouwmuren geïsoleerd met glaswol zijn bijvoorbeeld ongeschikt, omdat er geen ruimte blijft voor de vleermuizen om te verblijven. Bij woningen die in een ver verleden geïsoleerd zijn kan glaswol gezakt zijn waardoor er in de spouwmuur geschikte holtes ontstaan voor de gewone dwergvleermuis. Verblijfplaatsen: • Werk buiten de gevoelige perioden en behoud verblijfplaatsen • Inmetselen van vleermuiskasten • Ruimte laten voor vleermuizen tussen (spouw)muren en toevoegen van dilatatievoegen en/of stoten Foerageer- en leefgebied: • Aanplanten van vegetatie in lijnstructuur • Behoud van vegetatie en kroongebladerte aan bomen • Vermindering van geluid en verlichting ’s nachts • Behoud van goede waterkwaliteit
Belang en geschiktheid stedelijke omgeving
Do’s
28
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
GEWONE DWERGVLEERMUIS • Aanleg van waterlichamen met natuurvriendelijke oevers en beschutting Don’ts Verblijfplaatsen: • Onderhoud aan woningen/ sloop/ nieuwbouw zonder aanbieden van alternatieve nestlocaties • Gebruik van verlichting gericht op woningen Foerageer- en leefgebied: • Kappen van bomen en verwijderen vegetatie • Gebruik van geluid en verlichting ’s nachts • Vervuilen van water • Draineren of dichten van open water
Onderstaande maatregelen komen uit het rapport Soortmanagementplan (SMP) Den Haag (Arcadis, in voorbereiding) in het kader van gebiedsontheffing Wet natuurbescherming voor gebouwbewonende soorten. Aangezien de effectiviteit van deze maatregelen niet altijd is bewezen, wordt tevens gebruik gemaakt van een landelijke Mitigatiecatalogus (levend document) onder beheer van Arcadis waarin deze maatregelen nader worden omschreven. Onderstaande tabel geeft aan welke beschermingsmaatregelen toegepast kunnen worden ter behoud van de gewone dwergvleermuis. Deze beschermingsmaatregelen kunnen ook een positief effect hebben op de aanwezigheid van andere vleermuissoorten, waaronder de gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.
Beschermingsmaatregelen van toepassing op de gewone dwergvleermuis.
Maatregel
Omschrijving
Functie
Openingen maken bestaande spouwmuur (bewezen effectief)
Het toevoegen van openingen in de spouwmuur geeft vleermuizen een toevlucht. Dit gaat om het open maken van de bestaande luchtspouw op plekken waar geen isolatie in de spouw wordt aangebracht zoals in de nok van een kopgevel bij een blinde zolder, trappenhuizen, schoorstenen en dakrandopstanden
Klein middel en groot verblijf, kraamverblijf en massawinterverblijf. Alle soorten te faciliteren. Exacte functie per geval door ecoloog te beoordelen en toe te kennen
WegkruipDoor het gebruik van dubbel mogelijkhed plaatwerk worden extra en in wegkruipmogelijkheden in de dakconstruct dakconstructie gefaciliteerd zonder de ie (Bewezen isolatie aan te tasten effectief)
Klein, middel en groot verblijf Kraamverblijf Massawinterverblijf Alle soorten te faciliteren. Exacte functie per geval door ecoloog te beoordelen en toe te kennen
Aangepaste Beplaten van gevelranden om gevelranden openingen te creëren tussen de (monitoring) beplating en de gevel
Klein, middel, groot verblijf Kraamverblijf Massawinterverblijf. Alle soorten te faciliteren. Exacte functie per geval door ecoloog te beoordelen en toe te kennen
Illustratie
29
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
Permanente vleermuiskasten kunnen ingemetseld worden als verblijf voor Inmetselen vleermuizen, zonder dat het uiterlijk vleermuiska van de gevel veranderd sten (bewezen Groot model; Miecon 60 x 120 cm), effectief) Tichelaar 50 x 50 cm ( te koppelen) Klein model; Vivara IB-VL-01, Schwegler 2FR.
Klein, middel en groot verblijf alle soorten. Kraamverblijf gewone dwergvleermuis bij koppelen van minimaal 2 kasten in hoogte of breedte
Aanpassing en Maken van extra verticale openingen schoorsteen richting spouwmuur in schoorsteen (bewezen effectief)
Klein, middel, groot verblijf Kraamverblijf Massawinterverblijf. Alle soorten te faciliteren. Exacte functie per geval door ecoloog te beoordelen en toe te kennen
LAATVLIEGER Kenmerken
De laatvlieger is één van de grootste vleermuizen van Nederland. Hij is te herkennen aan zijn tweekleurige vacht; donkerbruin op de rug en lichtbruin op de buik. Het gewicht is zo’n 15-35 gram. De vleugels zijn relatief lang met een spanwijdte van 32-38cm. Gezicht, oren en vleugels zijn zwart tot heel donkerbruin (Vleermuisnet).
Bron: Zoogdiervereniging
Verspreiding
De laatvlieger is minder algemeen aanwezig in Nederland vergelijking met de gewone dwergvleermuis. Dit heeft vooral te maken met de eisen die deze soort stelt aan zijn habitat, wat voldoende diversiteit moet bieden om zowel een geschikte verblijf- als foerageerplaats te creëren. Desalniettemin komt deze soort in alle provincies voor, zij het in minder grote aantallen vergeleken met andere vleermuissoorten.
Omgevingseisen
De laatvlieger is geen strikte stadssoort, maar meer een soort van stadsranden en dorpen. De laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Hij vliegt vaak op 5 - 10 m. hoogte, maar soms ook wel hoger tussen de boomtoppen. De laatvlieger vliegt meestal op enige afstand van de vegetatie boven (vochtige) graslanden en weilanden, langs kanalen en vaarten, in tuinen en in parken met vijvers. 30
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
LAATVLIEGER
Belang en geschiktheid stedelijke omgeving
Do’s
Don’ts
Laatvliegers wonen in de spouwmuur, achter de betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. In vleermuiskasten worden laatvliegers zelden aangetroffen. Laatvliegers bewonen een netwerk van verschillende huizen die op een afstand van hooguit enkele honderden meters van elkaar liggen. Ze verhuizen soms wel, maar zijn in principe erg plaats- en gebiedstrouw. Soms wordt één huis jaar na jaar als zomeren winterverblijf gebruikt. De jachtgebieden liggen in een straal van 1 tot 5 km (zelden meer) rondom de kolonie. Vliegroutes volgen waar mogelijk lijnvormige structuren, maar laatvliegers vliegen bij gunstige weersomstandigheden ook wel grote afstanden door open gebied (Vleermuisnet). Omdat de laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap in de beschutting van bosranden, heggen en lanen, maar in gebouwen verblijft, komt de soort in het stedelijk gebied bijna exclusief aan de stadsrand voor. Binnen woningen kruipt de laatvlieger weg in kieren en gaten bij de dakrand, in spouwmuren, spleten en scheuren in zolders, oude kelders en soms ook kieren dicht bij de ingang van grotten. Huizen met een kopgevel, boeiboord of andere gevelbetimmering en ruimte om in de spouwmuur te komen hebben daarom een verhoogde kans op laatvliegers.
De laatvlieger is honkvast; hij maakt weinig onderscheid tussen zomer- winter- en paarverblijven. Wel maakt de laatvlieger gebruik van verschillende verblijfplaatsen waartussen hij wisselt, een netwerk aan verblijfplaatsen. Verblijfplaatsen: • Werk buiten de gevoelige perioden en behoud verblijfplaatsen • Inmetselen van vleermuiskasten • Ruimte laten voor vleermuizen tussen (spouw)muren en toevoegen van dilatatievoegen en/of stoten Foerageer- en leefgebied: • Aanplanten van vegetatie in lijnstructuur • Behoud van vegetatie en kroongebladerte aan bomen • Behoud van open grasvelden en parken • Vermindering van geluid en verlichting ’s nachts • Behoud van goede waterkwaliteit • Aanleg van waterlichamen met natuurvriendelijke oevers en beschutting Verblijfplaatsen: • Onderhoud aan woningen/ sloop/ nieuwbouw zonder aanbieden van alternatieve nestlocaties • Gebruik van verlichting gericht op woningen Foerageer- en leefgebied: • Kappen van bomen en verwijderen vegetatie • Gebruik van geluid en verlichting ’s nachts • Vervuilen van water • Draineren of dichten van open water
Onderstaande maatregelen komen uit het rapport Soortmanagementplan (SMP) Den Haag (Arcadis, in prep.) in het kader van gebiedsontheffing Wet natuurbescherming voor gebouwbewonende soorten. Aangezien de effectiviteit van deze maatregelen niet altijd is bewezen, wordt tevens gebruik gemaakt van een landelijke Mitigatiecatalogus (levend document) onder beheer van Arcadis waarin deze maatregelen nader worden omschreven. Onderstaande tabel geeft aan welke beschermingsmaatregelen toegepast kunnen worden ter behoud van de laatvlieger. Deze beschermingsmaatregelen kunnen ook een positief effect hebben op de aanwezigheid van andere vleermuissoorten, waaronder de gewone grootoorvleermuis, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis.
31
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
Beschermingsmaatregelen van toepassing op de laatvlieger.
Maatregel
Omschrijving
Het toevoegen van openingen in de spouwmuur geeft vleermuizen een toevlucht. Dit gaat om het Openingen maken open maken van de bestaande bestaande luchtspouw op spouwmuur plekken waar geen isolatie in (bewezen de spouw wordt aangebracht effectief) zoals in de nok van een kopgevel bij een blinde zolder, trappenhuizen, schoorstenen en dakrandopstanden
Wegkruipmogelijkheden in dakconstructie (Bewezen effectief)
Functie
Illustratie
Klein middel en groot verblijf, kraamverblijf. Alle soorten te faciliteren. Exacte functie per geval door ecoloog te beoordelen en toe te kennen
Klein, middel en groot verblijf Door het gebruik van dubbel Kraamverblijf plaatwerk worden extra Alle soorten te wegkruipmogelijkheden in de faciliteren. dakconstructie gefaciliteerd Exacte functie per zonder de isolatie aan te geval door ecoloog te tasten beoordelen en toe te kennen Klein, middel, groot verblijf Kraamverblijf Massawinterverblijf. Alle soorten te faciliteren. Exacte functie per geval door ecoloog te beoordelen en toe te kennen
Aangepaste gevelranden (effectiefitiet niet bewezen wel vergund ffwet voor soort)
Beplaten van gevelranden om openingen te creëren tussen de beplating en de gevel
Inmetselen vleermuiskasten (niet bewezen effectief, wel geschikt voor laatvlieger)
Permanente vleermuiskasten kunnen ingemetseld worden als verblijf voor vleermuizen, Klein, middel en groot zonder dat het uiterlijk van de verblijf alle soorten. gevel veranderd Kraamverblijf gewone dwergvleermuis bij Groot model; Miecon 60 x koppelen van 120 cm), Tichelaar 50 x 50 minimaal 2 kasten in cm ( te koppelen) hoogte of breedte Klein model; Vivara IB-VL01, Schwegler 2FR.
32
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
GIERZWALUW Kenmerken
Verspreiding
Omgevingseisen
Belang en geschiktheid stedelijke omgeving
Do’s
Don’ts
De gierzwaluw is een kleine tot middelgrote vogel (17-18,5cm grootte, 40-44 cm spanwijdte). Het is een behendige, gestroomlijnde vogel met lange, spitse, sikkelvormige vleugels en een gevorkte staart. De gierzwaluw is een (semi-) koloniebroeder waarbij ze vaak gebruik maken van bestaande bebouwing. Ze zijn enorm honkvast en gebruiken vaak jaren achtereen dezelfde nestplaats met dezelfde partner. De gierzwaluw overwinterd in Afrika en is rond de periode halverwege april t/m halverwege oktober aanwezig in Nederland (Bij12, 2017). De gierzwaluw is relatief algemeen verspreid over geheel Nederland, en vooral te vinden in het stedelijk gebied. Aantallen zijn lastig vast te stellen en de aantalsontwikkeling is daarmee onduidelijk (Sovon).
Bron: Sovon
Gierzwaluwen hebben grote open vlaktes en open wateren nodig om te foerageren. Hiervoor kunnen zij grote afstanden afleggen. Direct geschikt foerageergebied in de omgeving is niet van groot belang voor de gierzwaluw. De gierzwaluwen broeden bij voorkeur in een omgeving waar geen of weinig bosschages te vinden zijn en broedt daarom weinig in het buitengebied. Gierzwaluwen broeden in Nederland alleen binnen de bebouwing. Ze nestelen graag in wat oudere stadswijken of grote gebouwen. Ze mijden nieuwere bebouwing niet, mits nestgelegenheid voorhanden is. De gierzwaluw kan niet vanuit het nest opstijgen en moet zich eerst zo’n 3 meter naar beneden kunnen laten vallen om weg te vliegen. De vrije uitvliegbreedte moet ongeveer een meter zijn. Om deze reden is het voor gierzwaluwen zeer belangrijk dat zij in woningen hun nest op hoogte kunnen bouwen, liefst aan de dakrand of hoog in de spouwmuur. Het is ook van belang dat de invliegopening vrij toegankelijk is. Bomen, vlaggenmasten, steigers en andere obstakels maken de nestplaats ongeschikt voor de gierzwaluw. De gierzwaluw heeft een sterke voorkeur voor oudere woningen. Specifiek woningen van meer dan 50 jaar oud hebben een verhoogde kans op aanwezigheid van gierzwaluwen. Gierzwaluwen zijn maar beperkte tijd in Nederland, waardoor zij niet altijd bij hun verblijfplaats te vinden zijn, maar de vogels zijn wel zeer honkvast.
Ieder jaar keren zij terug naar exact dezelfde nestlocatie. Verblijfplaatsen: • Werk buiten de gevoelige perioden en behoud nestlocaties • Aanbrengen voorzieningen voor gierzwaluw • Behoud van ruimte onder dakpannen • Gebruik van gegolfde dakpannen • Renovatie en behoud oude gebouwen en gevels Foerageer- en leefgebied: • Behoud open grasvelden, parken, groenstroken en bermen • Aanleg grasvelden, parken, groenstroken en bermen met voldoende houtopstand Verblijfplaatsen: • Onderhoud aan woningen/ sloop/ nieuwbouw zonder aanbieden van alternatieve nestlocaties • Gebruik van platte dakpannen Foerageer- en leefgebied: • Verwijderen van vegetatie zonder maatregelen • Verstedelijking zonder maatregelen 33
PUNTENSYSTEEM VOOR NATUUR- EN GROENINCLUSIEF BOUWEN
Onderstaande maatregelen komen uit het rapport Soortmanagementplan (SMP) Den Haag (Arcadis, in prep.) in het kader van gebiedsontheffing Wet natuurbescherming voor gebouwbewonende soorten. Aangezien de effectiviteit van deze maatregelen niet altijd is bewezen, wordt tevens gebruik gemaakt van een landelijke Mitigatiecatalogus (levend document) onder beheer van Arcadis waarin deze maatregelen nader worden omschreven. Onderstaande tabel geeft aan welke beschermingsmaatregelen toegepast kunnen worden ter behoud van de gierzwaluw. Enkele van deze beschermingsmaatregelen kunnen ook een positief effect hebben op het voorkomen van andere soorten zoals huismus en gewone dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Door bijvoorbeeld een opening tussen de dakrand en de dakpan als invliegopening voor gierzwaluwen te gebruiken kunnen ook soorten als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis de achterliggende ruimte bereiken (RvO, 2014). Uit de eigen monitoring in Den Haag zal moeten blijken hoe functioneel de diverse voorzieningen zijn voor de betreffende soorten.
Beschermingsmaatregelen voor de gierzwaluw.
Maatregel
Omschrijving
Functie Illustratie
Inmetselen gierzwaluwkasten
Permanente gierzwaluwkasten kunnen ingemetseld worden als verblijf voor deze soort, zonder dat het uiterlijk van de gevel veranderd