RIS319097 Bijlage 3 - Klimaatonderlegger Zuid-Holland, 2023
Tekst van het document
Klimaatonderlegger Klimaatonderlegger Zuid-Holland Zuid-Holland Waarbij water en bodem sturend zijn Eindrapportage januari 2023 Defacto Stedenbouw
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
Inhoudsopgave
waarbij water en bodem sturend zijn Januari 2023 Defacto stedenbouw
Klimaatonderlegger Zuid-Holland is tot stand gekomen in opdracht van de provincie Zuid-Holland, Hoogheemraadschap van Rijnland, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, Waterschap Hollandse Delta, Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, Waterschap Rivierenland, Hoogheemraadschap van Delfland. Projectteam
Joke Schalk, Luc Absil, Arjan de Wit, Eric Terlien, Albert Koffeman en Astrid de Wit (Provincie Zuid-Holland), Veronique Loeffen en Erwin de Groot (Hoogheemraadschap van Rijnland), Albert Elshof (Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden), Cees Jongejan, Claudia van Ruler, Felix van Zoest (Waterschap Hollandse Delta), Jeroen Grutters, Douwe Yska en Lucia Helsloot (Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard), Merijn Biemans en Daan Willems (Waterschap Rivierenland), Mia Süss en Job van Dansik (Hoogheemraadschap van Delfland), Anne Loes Nillesen, Laura Lijdsman, Mona zum Felde en Gertie van den Bosch (Defacto Stedenbouw)
Voorwoord 5 Klimaatonderlegger water, bodem en klimaatverandering Samenvatting 10
DEEL A Water, bodem en klimaatverandering tot 2100 Belangrijke opgaven vanuit water, bodem en klimaatverandering 1 – Bodemdaling 16 2 – Wateroverlast 20 3 – Waterveiligheid 24 4 – Zoetwaterbeschikbaarheid en -kwaliteit 30 5 – Hittestress 38 DEEL B Klimaatonderlegger woon- en werklocaties 6 – Klimaatonderlegger verstedelijking 44 6.1 – Praatplaat verstedelijking
48
6.2 – Adaptatiemaatregelen gebouwde omgeving Tekst
Anne Loes Nillesen, met inhoudelijke review en tekstbijdragen van het projectteam. Kaarten en illustraties
DEEL C Klimaatonderlegger landbouw 7 – Klimaatonderlegger landbouw
Defacto Stedenbouw.
7.1 – Praatplaat landbouw
60
64
7.2 – Adaptatiemaatregelen in de landbouw
66
Beeldrecht
De auteur heeft gepoogd alle rechthebbenden van beeldmateriaal te achterhalen en te vermelden in de rapportage. Eventuele niet-genoemde rechthebbenden kunnen zich melden. Zij zullen in een volgende druk worden vermeld.
DEEL D Klimaatonderlegger natuur 8 – Praatplaat natte natuur 74 8.1 – Adaptatiemaatregelen voor de natuur
Meer informatie
Voor meer informatie kunt u een mail sturen naar de projectleider vanuit de provincie Zuid-Holland: Joke Schalk (j.schalk@pzh.nl) of Defacto (office@d.efac.to).
7
Bijlage Grondslag kaartbeelden
86
78
50
15
Voorwoord
De provincie Zuid-Holland en de waterschappen hebben samen een klimaatonderlegger ontwikkeld. Dit is een set kaarten, die op basis van de laatste kennis, inzicht verschaft in de uitdagingen die water, bodem en klimaat meegeven voor bebouwing, landbouw en natuur. Sommige delen van Zuid-Holland zijn wellicht meer geschikt voor de ene functie, andere delen zijn meer geschikt voor andere functies. Aan de basis ligt een set kaarten die klimaateffecten weergeeft tot 2100 ten aanzien van verzilting, verdroging, hitte, bodemdaling, wateroverlast en waterveiligheid. Deze klimaatonderlegger helpt om vanuit de genoemde invalshoeken de juiste kansen te benutten als het gaat om de ontwikkeling van Zuid-Holland. Het is een uitwerking van het leidende principe ‘Water en Bodem sturend’ dat het Rijk op de agenda heeft gezet en daarmee vertrekpunt is voor bijvoorbeeld ‘de ruimtelijke puzzel’ en gebiedsontwikkelingen. De klimaatonderlegger is ontwikkeld omdat we enerzijds voor een aantal opgaven staan die een plek zoeken in Zuid-Holland (daarbij valt te denken aan woningbouw, een duurzame energievoorziening, circulaire economie met alles wat daarbij hoort). Anderzijds krijgt Zuid-Holland te maken met bijvoorbeeld extra bodemdaling van de slappe veenweidegronden in het oosten en sterkere verzilting in het westelijk deel van de provincie.
Langs de hoofwatersystemen krijgen we een grote opgave voor keringen en het opvangen van water. Tegelijkertijd moet er ’s zomers rekening gehouden worden met langere drogere perioden. Met klimaatverandering ontstaan er andere mogelijkheden. Met kennis van de te verwachten effecten van klimaatverandering kunnen bijvoorbeeld agrariërs slim inspelen op de veranderende condities en hun bedrijfsvoering daarop toekomstbestendig aanpassen. De klimaatonderlegger is bedoeld om te benutten in processen met een ruimtelijke component, zoals de woningbouwopgave, het natuurbeleid, het Zuid-Holland Programma Landelijk Gebied en de Ruimtelijke puzzel Zuid-Holland. Met de klimaatonderlegger willen de provincie en de waterschappen niet een set regels opleggen, maar gemeenten en andere belanghebbenden behoeden voor keuzes met grote negatieve gevolgen voor inwoners. De klimaatonderlegger moet helpen om het gesprek aan te gaan over slimme keuzes. Het betreft een eerste versie en het komende jaar hopen de provincie en de waterschappen met de ervaringen die zij opdoen met de klimaatonderlegger, deze verder te ontwikkelen.
Gedeputeerde Meindert Stolk: “We hebben de kaarten ontwikkeld als onderlegger voor ruimtelijke plannen. We kunnen onszelf veel ellende en kosten besparen als we vooruitkijken en voor verstedelijking, landbouw en natuur de klimaatonderlegger als vertrekpunt gebruiken.”
4
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
5
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
1 – Klimaatonderlegger water, bodem en klimaatverandering
Water en bodem sturend Op 25 november 2022 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat een brief gestuurd naar de Tweede Kamer over ‘Water en bodem sturend’. De brief bevat een aantal uitgangspunten en structurerende keuzes om ‘Water en bodem sturend’ vorm te geven. Een van de uitgangspunten is niet afwentelen op toekomstige generaties, op andere gebieden en van private naar publieke sector. De inhoudelijke informatie in de klimaatonderlegger sluit goed aan bij de uitgangspunten en de structurerende keuzes uit de brief van de minister voor Infrastructuur en Waterstaat over water en bodem sturend. De klimaatonderlegger is een hulpmiddel bij de vertaling van deze uitgangspunten en structurerende keuzes naar Zuid-Holland.
De klimaatonderlegger geeft vanuit water, bodem en klimaatverandering, inzicht in de geschiktheid van een gebied voor de gebruiksfuncties verstedelijking, landbouw en natuur. Door bij ontwikkelingen, bedrijfsvoering en locatiekeuzen beter rekening te houden met condities vanuit het water- en bodemsysteem en klimaatverandering, wordt afwenteling voorkomen.
Klimaatonderlegger en legenda De klimaatonderlegger is bedoeld om op het schaalniveau van de provincie voor gebruiksfuncties de (on)geschiktheid of aandachtspunten vanuit het water- en bodemsysteem aan te geven. Uitgangspunt is dat bij alle ontwikkelingen de Landelijke maatlat klimaatadaptieve en natuurinclusieve bebouwing van toepassing is. Geeft de klimaatonderlegger aan dat er op een locatie extra uitdagingen vanuit water, bodem of klimaat zijn voor een bepaalde ontwikkeling, dan is samen met de provincie en waterschappen verder in te zoomen. De initiatiefnemer kijkt samen met provincie en waterschap of, en onder welke randvoorwaarden, de ontwikkeling klimaatadaptief mogelijk is. Naast randvoorwaarden voor klimaatadaptief ontwikkelen zijn in dit rapport ook voorbeelden van adaptatiemaatregelen te vinden. Daarmee beschrijft het rapport niet alleen de beperkingen voor functies, maar ook de kansen en mogelijkheden door aanpassingen door te voeren. Beiden voeden het gesprek over slimme keuzes voor de toekomst.
––A Geen extra opgaven vanuit water, bodem en klimaatverandering (Ja) ––B Water, bodem of klimaatverandering vraagt om aanvullende eisen (Ja, mits)
Fig. 1.1.1 Studiegebied en betrokken waterschappen binnen de provincie Zuid-Holland
––C Water, bodem of klimaatverandering vraagt substantiële inspanning (Ja, mits) ––D Een ontwikkeling of landgebruik legt een claim op de toekomst (Nee, tenzij) Integrale afweging De klimaatonderlegger vormt een belangrijke basis voor de ruimtelijke integrale afweging en visievorming. Naast water, bodem en klimaatverandering zijn er ook andere factoren die meewegen in de geschiktheid van een gebied voor verstedelijking, landbouw of natuur, deze zijn niet zijn meegenomen binnen deze studie. Denk aan
6
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
7
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
bestaand landgebruik, bereikbaarheid, netwerken, voorzieningen, werkgelegenheid, historische ontwikkeling, eisen aan uitstoot of overlast, natuurbescherming, beschermd erfgoed, ruimtelijke visies en ambities compact verstedelijken.
Aanbevelingen
Deze klimaatonderlegger is een belangrijke bouwsteen voor het op provinciaal schaalniveau inbedden van uitgangspunten voor 'Water en bodem sturend' in de ruimtelijke ordening. De klimaatonderlegger is bedoeld om in te zetten in processen met een ruimtelijke component, zoals de woningbouwopgave, het natuurbeleid, het Zuid-Holland Programma Landelijk Gebied en de Ruimtelijke Puzzel. Brede ontsluiting van het rapport is essentieel voor een goede inbedding van de 'Water en bodem sturend' principes in ruimtelijke processen. Verspreid dit rapport dus breed onder collega's, gebiedspartijen of ontwerp- en adviesbureaus die met ruimtelijke opgaven aan de slag gaan. Het opzetten van een online viewer kan helpen bij het goed ontsluiten van de geschiktheidskaarten. Nog niet voor alle 'Water en bodem sturend' thema's is nu al de juiste informatie beschikbaar om door te vertalen naar randvoorwaarden voor ontwikkelingen. De "witte vlekken" betreffen zowel datalagen (zoals goed inzicht in gebieden waar water in perioden lastig aan te voeren is), als kennis over de relatie tussen het water- en bodemsysteem en ontwikkelingen (bijvoorbeeld over de relatie tussen slappe bodems en beperkingen voor woningbouw). De komende periode zal dan ook onverminderd ingezet moeten worden op kennisontwikkeling en systeembegrip.
De klimaatonderlegger is een levend document waar de komende jaren nog nieuwe datalagen en inzichten aan toegevoegd kunnen worden. Het advies is om eind 2023 op basis van de datasets die dan beschikbaar zijn, de klimaatonderlegger te actualiseren.
Fig. 1.1.2 Lagenbenadering met de ondergrond (water- en bodemsysteem) als één van de belangrijke onderleggers voor ontwikkelingen.
Gebruikte data De keuze voor een online viewer kan het tussentijds updaten van datalagen en legenda-eenheden vergemakkelijken. De bezoeker van de viewer heeft na iedere update meteen de meest recente kaartbeelden beschikbaar.
Binnen deze studie kijken we naar veranderingen in het water- en bodemsysteem en klimaatverandering tot 2100. Afhankelijk van de verschillende datasets en scenario's hebben we informatie over de bestaande situatie en de situatie in 2050 en 2100 gebruikt. De klimaatonderlegger is hoofdzakelijk gebaseerd op landelijke en provinciale datasets, aangevuld met expertkennis vanuit een reeks inhoudelijke werksessies. De waterschappen hebben doorgaans een meer gedetailleerd inzicht in het water- en bodemsysteem binnen hun beheergebied en kunnen, als de provinciale kaart daar aanleiding voor geeft, helpen inzoomen op specifieke locaties.
Een belangrijke keuze bij het opzetten van een viewer is het al dan niet werken met GIS-kaarten als basis voor de viewer. Tijdens dit proces bleek dat het schetsmatig kunnen bewerken en aanvullen van kaartbeelden essentieel is om voorgestelde correcties en expert judgements goed te kunnen verwerken. Er is er in dit traject dan ook gekozen voor illustrator (pdf)-kaarten, waarbij ook meer schetsmatige informatie snel aan de kaarten kan worden toegevoegd. Deze pdf-vectorbestanden kunnen goed in viewers worden opgenomen, maar zijn geen geo-gerefereerde GIS-kaarten.
De gebruikte datasets voor de klimaatonderlegger zijn continu in ontwikkeling. Lopende of nieuwe studies en onderzoek kunnen leiden tot nieuwe inzichten en geactualiseerde datasets. Als daar aanleiding toe is, wordt de klimaatonderlegger hierop aangepast. De klimaatonderlegger is daarmee een levend document.
Met dit rapport is voor de provincie Zuid-Holland niet alleen de basis gelegd voor inbedding van het water- en bodemsysteem in ruimtelijke processen. Het rapport vormt ook een belangrijke basis voor de verdere ruimtelijke strategieontwikkeling voor water, bodem en klimaatverandering. In de komende periode moeten de resultaten van deze studie verder doorontwikkeld worden en landen in integrale klimaatadaptatiestrategieën voor de provincie Zuid-Holland.
Leeswijzer en opbouw rapport Het rapport is opgebouwd uit vier delen: A Beschrijft het water- en bodemsysteem van de provincie, en geeft een eerste indicatie van opgaven en randvoorwaarden die daaruit voortkomen voor nieuwbouw, landbouw en natuur B Klimaatonderlegger en adaptatiemogelijkheden voor verstedelijking C Klimaatonderlegger en adaptatiemogelijkheden voor landbouw D Klimaatonderlegger en adaptatiemogelijkheden natuur In de bijlage is per kaartbeeld een beschrijving van de bronnen en opbouw te vinden. 8
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
9
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
Samenvatting
Bodemdaling
Regenwateroverlast
Waterveiligheid
Waterbeschikbaarheid en kwaliteit
Hitte
Bij woon- en werklocaties is het essentieel dat nieuwe
Verstedelijking (zie pagina 44)
ontwikkelingen niet leiden tot afwenteling. Dat kan door adaptatiemaatregelen te nemen en door adaptatiemogelijkheden niet in de weg te staan. De impact van klimaatverandering of kosten voor adaptatie zijn mee te wegen voor de volledige levensduur van de ontwikkeling. Nu wordt vaak nog gerekend met een (economische) levensduur van 30 jaar, terwijl een gebouw zomaar 100 jaar kan blijven
B C D Ontwikkel bodemdalingbestendig B Nieuwbouw: zorg voor 70 mm berging in C Ontwikkel (grond)waterbestendig in 1 uur zoekgebieden voor vernatting van veen C Reserveer extra bergingsruimte binnen de gebiedsontwikkeling en bouw
staan en een riolering voor 60 jaar wordt aangelegd.
B Gevolgbeperking vitaal en kwetsbaar kans
B Bescherm grondwatervoorraden en
> 1: 30.000 op > 50 cm
drinkwaterinfrastructuur
C Gevolgbeperking binnendijkse gebieden > 1: 30.000 op > 200 cm
grondwaterbestendig
C Buitendijkse waterbergende gebieden
C Laagste 10% van polders reserveren voor
alleen bebouwen met adaptatiepad
waterberging
B Zet (met name in stedelijk gebied)
B Neem hitte mee in het ontwerp B Zorg voor zonering van de ondergrond B Zet in op robuuste stedelijke watersystemen
maximaal in op sponswerking
B Zorg voor zonering van de ondergrond
zeespiegelstijging
D Buitendijks rivierinvloedsgebied (stroomvoerend): niet bebouwen
D Bouw niet langs primaire keringen
Voor de landbouw is het essentieel om zich tijdig aan te passen aan de veranderende condities vanuit het water- en bodemsysteem en
Landbouw (zie pagina 60)
klimaatverandering (en de hieraan gerelateerde beleidskeuzen). Dit betekent dat er in gebieden waar het natter, droger of zilter wordt (op termijn) aanpassingen nodig zullen zijn in de bedrijfsvoering of gewaskeuze. Het beperken van het uitspoelen van nutriënten en gewasbestrijdingsmiddelen en het inzetten op vitale bodems zijn en blijven belangrijke opgaven en randvoorwaarden.
C Hou rekening met afnemende drooglegging en ontwateringsdiepte
B Hou rekening met natschade en beperkte
C Pas buitendijks bedrijfsvoering aan
draagkracht bodem
C Reserveer ten minste 10% laagste polders
B Creëer zoetwaterbuffers voor de natuur C Hou rekening met toenemende verzilting C Zet in op slimme watercyclus
B Hou rekening met de impact van hitte op
C Hou rekening met toenemende verzilting
B Zet in op robuuste natuurverbindingen B Zet in op robuuste natte
gewassen en vee
B Beperk nutriëntenbelasting
voor waterberging Voor de natuur is een robuust systeem essentieel om zich aan te kunnen passen aan klimaatverandering. Goede water- en bodemkwaliteit zijn hiervoor de basis, maar zijn in
Natuur (zie pagina 74)
relatie tot onder andere de landbouw geen vanzelfsprekendheid. Veel van de adaptatiemaatregelen (extra waterberging, vernatten veenweidegebieden, groene steden, groenblauwe dooradering) bieden kansen voor de natuur. Op de lange termijn kan zeespiegelstijging en verzilting ertoe leiden dat zoetwater
B Voorkom wegzijging van water in
natuurdoeltypes op sommige plekken
natuurgebieden
B Beperk overstorten B Kansen natuurontwikkeling 10% laagste
niet meer houdbaar zijn en moeten
B Compenseer voor afname waterkwaliteit
gebieden polders
worden heroverwogen.
C Hou rekening met impact van wegvallen intergetijdengebieden
natuurverbindingen
DEEL A
Water, bodem en klimaatverandering tot 2100 Het klimaat verandert de komende decennia. Dit heeft impact op het water- en bodemsysteem en het landgebruik. In dit hoofdstuk staan enkele relevante aspecten van het water- en bodemsysteem beschreven en de verwachte invloed van klimaatverandering hierop.
Waterberging 'Hooge Boezem' achter Haastrecht, 12 Lopikerwaard. Klimaatonderlegger (foto Frans Zuid-Holland Berkelaar)
13
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
Belangrijke opgaven vanuit water, bodem en klimaatverandering
Het klimaat verandert de komende decennia Dit heeft impact op het water- en bodemsysteem en, direct of indirect via het water- en bodemsysteem, ook op het landgebruik. In dit hoofdstuk staan verschillende aspecten van het water- en bodemsysteem zoals bodemdaling, wateroverlast, waterbeschikbaarheid, overstromingsrisico en hitte beschreven, en de verwachte invloed van klimaatverandering hierop. In dit hoofdstuk worden verschillende elementen van het water- en bodemsysteem van Zuid-Holland, de onderliggende mechanismen en de verwachte veranderingen door klimaatverandering beschreven voor: 1 Bodemdaling (oxidatie en zetting) 2 Wateroverlast (regenwater) 3 Waterveiligheid (overstromingsrisico en zeespiegelstijging) 4 Waterbeschikbaarheid en -kwaliteit (verzilting, droogte en kwaliteit) 5 Hittestress Daarbij zijn ook enkele impactvolle maatregelen op systeemniveau (zoals het vernatten van bodemdalingsgebieden en oplossingsrichtingen voor zeespiegelstijging) meegenomen, omdat ze veel invloed hebben op de geschiktheid van het water- en bodemsysteem voor verschillende typen landgebruik. Opbouw thematische hoofdstukken Ieder thematisch hoofdstuk start met een beschrijving en kaartbeelden van enkele relevante opgaven vanuit het water- en bodemsysteem.
De hoofdstukken worden afgesloten met een overzichtsblad waarop te zien is hoe de thematische opgaven zijn doorvertaald naar geschiktheidskaarten voor woningbouw, landbouw en natuur. Deze doorvertaling van opgave naar legenda-eenheden voor de geschiktheidskaart (categorie A/B/C/D) is tijdens werksessies gedaan op basis van expert judgement. In de bijlage is een meer uitgebreide beschrijving te vinden van de gebruikte werkwijze, bronnen, datasets en classificering.
14
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
15
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
1 – Bodemdaling
door te spoelen (met een hoger energieverbruik als gevolg). Wordt de grondwaterstand niet verlaagd, dan zal de ontwateringsdiepte afnemen. Dit zal invloed hebben op het landgebruik en op de hoeveelheid water die een gebied in de bodem en het oppervlaktewater kan bergen. Bij veel neerslag kan dit leiden tot wateroverlast. Doordat natte natuurgebieden op veengronden doorgaans een beperktere ontwateringsdiepte hebben, kennen ze minder bodemdaling dan de omliggende dieper bemaalde veenweidegebieden. Hierdoor ontstaat een hoogteverschil (in maaiveldhoogte en grondwaterstand) waardoor het water vanuit deze natuurgebieden wegzijgt naar de omliggende gebieden. Als er in perioden van droogte onvoldoende water kan worden aangevoerd, leidt dit tot verdroging van het natuurgebied.
Zuid-Holland bestaat grotendeels uit slappe bodems met een pakket veen of klei. Deze bodems zakken door veenoxidatie, inklinking of zetting, wat tot schade en hogere beheerkosten leidt van infrastructuur, dijken, bebouwing, openbare ruimte, leidingen en tuinen. Daarnaast kan de bodem opbarsten.
Fig. A.1.1 Kaart veengebieden en indicatie bodemsoort (kaart Defacto, bron data: WUR 2015). Fig. A.1.2 Kaart voorspelling bodemdaling 2020-2100 (kaart Defacto, bron data: Deltares, WEnR & TNO 2021).
Ontwateringsdiepte en oxidatie veengebieden In veengebieden vindt ontwatering plaats om voldoende afstand tussen het maaiveld en grondwater te creëren voor gebruiksfuncties zoals woningbouw en landbouw. Deze ontwatering leidt tot de oxidatie van veen en resulteert in onomkeerbare bodemdaling en de uitstoot van broeikasgassen. Bodemdaling kan door klimaatverandering (droogte en hogere bodemtemperaturen) worden versneld. Nu is het landgebruik meestal nog leidend en wordt de grondwaterstand mettertijd met het maaiveld mee verlaagd (geïndexeerd).
Oplossingsrichting vernatten veengebieden (reductie CO2 uitstoot en bodemdaling) Niet alleen bodemdaling zelf, maar ook oplossingsrichtingen om bodemdaling en de bijkomende CO2 uitstoot tegen te gaan (en waterkwaliteit te verbeteren), kunnen impact hebben op het water- en bodemsysteem van een gebied. Zo is één van de oplossingsrichtingen het verhogen van de grondwaterstand tot een peil dat fluctueert tussen de -20 en -40 cm onder maaiveld. Daarmee wordt oxidatie geremd en staat het water nog niet zo hoog dat lachgas en methaan gevormd wordt (Tiemeyer e.a. 2020 & Evans e.a. 2021). Een hogere grondwaterstand leidt in eerste instantie tot uitspoeling van nutriënten, en dus een verslechtering van de waterkwaliteit. Het zal enige jaren duren voordat bijvoorbeeld fosfaat is uitgemijnd (dit is nog volop in onderzoek).
Doordat het waterpeil lager wordt, neemt binnen polders de (zoute) kwel verder toe. Dit leidt tot toenemende verzilting en een toenemende watervraag om het watersysteem
16
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
17
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
Tegelijkertijd is het gevolg minder draagkracht van de bodem, een afname van de bergingscapaciteit voor regenwater (en daarmee een toename van wateroverlast), en een grotere watervraag. Een hogere grondwaterstand kan zowel positief als negatief zijn voor bebouwing. De huidige zoekgebieden voor vernatting zijn nog zeer globaal (alle veengebieden), en zullen in vervolgstudies, zoals bijvoorbeeld Vitale Veenweide en NPLG gebiedsplannen, steeds verder worden gespecificeerd. Zettingsgevoelige bodems bij nieuwbouw Draagkracht duidt op de mate waarin de ondergrond gevoelig is voor zetting als gevolg van bovenbelasting. De draagkracht van zand staat bekend als stevig, die van klei als zettingsgevoelig en van veen als zwak. Veen- en kleibodems kunnen worden samengedrukt door belasting die optreedt bij gebouwde ontwikkelingen (gebouwen en wegen) waarbij het maaiveld doorgaans met zand wordt opgehoogd. Dit wordt veroorzaakt door consolidatie (het grondwater wordt uit de bodem geperst). Dit gebeurt vaak al tijdens het voorbelasten van de bodem en dus vóór de oplevering van een gebouw. Daarnaast zorgt kruip ook voor samendrukken van de bodems. Dit zijn vervormingen van de bodemstructuur die in de vorm van restzetting decennia kunnen doorgaan. Met name deze restzetting kan leiden tot hoge kosten voor beheer en onderhoud.
Aangezien Zuid-Holland voor ruim driekwart uit slappe gronden bestaat is de provincie in vergelijking met andere gebieden bovengemiddeld zettingsgevoelig.
Verstedelijking
Landbouw
Natuur
B C D Ontwikkel
C Hou rekening met afnemende
B Zet in op bufferzones rond
bodemdalingbestendig. Een gebouwde ontwikkeling in een gebied met sterke bodemdaling zoals (rest)zetting, wentelt af op de toekomst en het publieke domein (via kosten voor beheer zoals peilindexatie). Zorg voor kosteneffectieve maatregelen voor de levensduur van de ontwikkeling). Is dit niet haalbaar, heroverweeg dan de locatie.
drooglegging en ontwateringsdiepte (door bodemdaling en vernatting ten behoeve van CO2-reductie). Hou in veenoxidatiegebieden rekening met afnemende drooglegging en ontwateringsdiepte door het uitvoeren van het Rijksbeleid om de grondwaterstanden te verhogen (tot ca. -20 tot -40 cm onder maaiveld) ten behoeve van de reductie van de CO2uitstoot en bodemdaling. Beperktere ontwateringsdiepte leidt tot beperkte draagkracht van de bodem, te natte omstandigheden voor gewassen en meer regenwateroverlast door de beperkte bergingscapaciteit. Dit leidt tot een noodzakelijke aanpassing van de bedrijfsvoering of gewaskeuze.
natuurgebieden. Verschil in hoogteligging draagt bij aan verdroging van veengebieden met een (natte) natuurfunctie, door het wegzijgen van water naar naastgelegen veenweidegebieden. Bovendien leidt oxidatie van veen in natuurgebieden tot onomkeerbare schade. Daarom zitten deze natuurgebieden in categorie 1 van de verdringingsreeks. Er moet worden ingezet op bufferzones met een hoge grondwaterstand rondom deze natuurgebieden (er is nog geen analyse beschikbaar die deze gebieden duidt op de kaart).
––B (<60) cm bodemdaling bij +1 m zand is aandachtspunt
––C (60-90) cm bodemdaling
bij +1 m zand vraagt om bodemdalingbestendig ontwikkelen of heroverwegen locatie
––D (>90) cm bodemdaling
bij +1 m zand wentelt af op de toekomst en het publieke domein. Heroverweeg de locatie of zorg voor financieringsconstructies waarbij niet wordt afgewenteld.
zoekgebieden voor vernatting van veen. Hou in veenoxidatiegebieden rekening met het Rijksbeleid om grondwaterstanden te verhogen ten behoeve van reductie van CO2-uitstoot en bodemdaling. Dit zal leiden tot hogere grondwaterstanden en een grotere kans op regenwateroverlast door verminderde bergingscapaciteit in het gebied.
Fig. A.1.3 Kaart zettingsgevoelige gebieden met bodemdaling door ophoging met 1 meter zand (in een periode van 30 jaar). Er bestaan nog geen kaarten met de verwachte restzetting bij belasting. Deze moet met lokaal bodemonderzoek worden bepaald (kaart: Defacto, bron data: Deltares 2021).
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
19
waterkwaliteit. De waterkwaliteit is op veel plekken ontoereikend, wat een impact heeft op de natuur. Het vernatten van veenweidegebieden en een hogere grondwaterstand bevorderen het bodemleven (insecten, wormen) en draagt bij aan de habitat voor weidevogels zoals de grutto en kievit. In intensieve landbouwgebieden kunnen bij vernatting echter ook meer nutriënten of gewasbeschermingsmiddelen uitspoelen.
C Ontwikkel (grond)waterbestendig in
18
B Compenseer voor afname
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
2 – Wateroverlast
Door ontwikkelingen neemt tegelijkertijd de infiltratie- en bergingscapaciteit van gebieden juist steeds verder af. Door extra verharding in stedelijk gebied en de achteruitgaande bodemkwaliteit van landbouwgebieden, kan er minder water in de bodem worden geborgen en infiltreren. Door de vernatting van veengebieden zullen bodem en sloten in deze gebieden minder water kunnen bergen. Er zijn verschillende factoren die bepalen of een gebied gevoelig is voor wateroverlast, zoals het bodemtype (bodemgesteldheid en bodemstructuur), het percentage verharding en ondergrondverdichting, de grondwaterstanden en mate van drooglegging, de afvoercapaciteit van het waterafvoersysteem, het percentage oppervlaktewater en de toelaatbare peilstijgingen (bergingscapaciteit oppervlaktewater). Ook de intensiteit en duur van een regenbui heeft veel invloed op de gebieden waar wateroverlast optreedt. Zo laten stresstesten met 70 mm regenval in een uur andere aandachtsgebieden zien dan modelberekeningen waarbij het zeer extreme en langdurige weersysteem uit Limburg (182 mm/2 dagen) op de provincie wordt geprojecteerd.
Regenwater vasthouden, bergen en afvoeren Regenwater kan gedeeltelijk worden vastgehouden of opgenomen door de bodem (infiltreren). Zeker in gebieden met hoge grondwaterstanden (weinig ruimte voor het water om te infiltreren), een hoge ondergrondverdichting (doordat zware landbouwvoertuigen de grond samendrukken) of veel verharding (zoals in stedelijk gebied), is de infiltratiecapaciteit beperkt en stroomt er veel water af, wat vervolgens zal moeten worden geborgen en/of afgevoerd. Het bergen van regenwater kan bijvoorbeeld in het oppervlaktewatersysteem (sloten en plassen) of in daarvoor ingerichte bergingsgebieden. Doordat Zuid-Holland grotendeels uit vlakke, laaggelegen en peilgereguleerde polders bestaat, moet het regenwater worden afgevoerd dat niet kan worden vastgehouden, geïnfiltreerd of geborgen. Door klimaatverandering zal de hoeveelheid regenwater in de toekomst toenemen, waarbij de scenario's een grote bandbreedte kennen.
Door de zeespiegelstijging zal het water dat wordt afgevoerd, steeds hoger moeten worden weggepompt, wat vraagt om sterkere pompen die meer energie gebruiken. Zo gebruikt het gemaal bij IJmuiden, dat nu nog een deel van de tijd onder vrij verval kan lozen en alleen pompt wanneer noodzakelijk, jaarlijks al zo'n 10 miljoen kWh aan energie (vergelijkbaar met het stroomverbruik van 3.000 huishoudens).
Oplossingsrichting meer ruimte voor water vasthouden en bergen In sommige gebieden binnen Zuid-Holland loopt het watersysteem nu al tegen haar grenzen aan. Het is energie-intensief en de grote hoeveelheid technische maatwerkoplossingen vraagt veel beheer en onderhoud. Door gebrek aan ruimte is verbreding van watergangen of creëren van bergingsgebieden vaak niet mogelijk of in ieder geval met zeer hoge kosten verbonden. Vergroten van de afvoer-, maar ook de bergingscapaciteit in het watersysteem is dan ook beperkt mogelijk. Bovendien is het wenselijk om meer water vast te houden, zodat in tijden van droogte minder water hoeft te worden aangevoerd. De voorkeursvolgorde voor regenwater is: vasthouden, bergen en dan pas afvoeren. Het zal nodig zijn meer rekening te houden met lokale en regionale waterberging, zeker in gebieden met hoge grondwaterstanden (vanaf ca. -30 cm onder maaiveld) en lage infiltratiecapaciteit waar de maximale capaciteit van het afwatersysteem wordt bereikt, zal indicatief rekening moeten worden gehouden met +10% extra ruimte voor het bergen van regenwater (zie ook brief Water en bodem sturend). Omdat voor deze studie nog geen goede kaartlaag beschikbaar is die bovengenoemde risicofactoren voor wateroverlast combineert, is in onderstaand kaartbeeld een eerste indicatie gegeven van gebieden met een beperkte waterbergingscapaciteit.
Daarbij is gekeken naar een beperkte ontwateringsdiepte (of zoekgebieden voor vernatting van bodemdalingsgebieden) en de laagst gelegen 10% van polders waar water zich binnen een polder kan verzamelen. Naar verwachting komen er komende periode kaartbeelden beschikbaar die een betere indicatie kunnen geven van gebieden waar rekening moet worden gehouden met (toenemende) regenwateroverlast.
Fig. A.2.1 Boezemwatersystemen en waterpeil (kaart: Defacto, bron data: Wateratlas Zuid-Holland juni 2015, met verwijzing bron: GIS informatie provincie Zuid-Holland 2014, Primaire en secundaire waterlopen, Hoogheemraadschap Rijnland en Delfland 2015, De vaarkaart van de randstad 2012).
20
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
21
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
Verstedelijking
Landbouw
Natuur
B C Ontwikkel waterneutraal (of
B Hou rekening met natschade
B Beperk overstorten. Overstorten
-positief). Zorg dat ontwikkelingen de druk op het waterafvoersysteem niet vergroten en waar mogelijk in bestaande probleemgebieden zelfs verlichten (door het water binnen het projectgebied of polder te bergen).
en beperkte draagkracht bodem. Landbouwgebieden die regelmatig te nat zijn (zoals veenweidegebieden met een beperkte ontwateringsdiepte hebben minder draagkracht waardoor het land tijdelijk minder goed te berijden is en koeien kunnen wegzakken. Hou hier rekening mee in de bedrijfsvoering en zet in op het verbeteren van bodemcondities.
van rioleringen en wateroverlast vanuit het oppervlaktewatersysteem hebben effect op de waterkwaliteit. Dit zal leiden tot schade aan natuur en tot risico's voor zwemmers (er is nog geen analyse beschikbaar die deze gebieden duidt op de kaart).
––B Bij nieuwbouw wordt al ingezet
op het infiltreren, vasthouden of bergen van 40-70 mm in 1 uur, beperkt verharden en een waterdichte drempel van 20 cm (Convenant klimaatadaptief bouwen en Landelijke maatlat). Voor toekomstbestendige ontwikkelingen moet worden ingezet op de bovenkant van deze range.
––C In gebieden die gevoelig zijn Fig. A.2.2 Kaart Risicogebieden wateroverlast (kaart: Defacto, bron data: SWECO 2022; Deltares, Bosch Slabbers, Sweco 2021; Deltares 2022).
voor wateroverlast: reserveer extra bergingsruimte binnen de gebiedsontwikkeling (boven op de huidige norm). Bouw in deze gebieden (grond)waterbestendig.
C Reserveer ten minste 10% laagste polders. Zet in op extra waterberging om het waterafvoersysteem niet verder te belasten: reserveer ten minste 10% laagste oppervlak van polders voor waterberging of wijs waterbergingsgebieden aan. In deze gebieden zal de natschade aan gewassen bij gelijkblijvende bedrijfsvoering/ gewassenkeuze toenemen.
C Reserveer ten minste 10% van de laagste delen van polders. Zet in op extra waterberging om het waterafvoersysteem niet verder te belasten: reserveer ten minste 10% laagste oppervlak van polders voor waterberging of wijs waterbergingsgebieden aan en ontwikkel hier multifunctioneel of waterbestendig.
22
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
23
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
B Kansen natuurontwikkeling 10% laagste gebieden polders. De 10% laagste gebieden en piekwateropvanggebieden zijn in principe geschikt voor functiecombinatie met natuur, mits het type natuur ongevoelig is voor variatie in waterkwaliteit en -kwantiteit.
3 – Waterveiligheid
Zeespiegelstijging leidt tot: Hogere waterstanden in rivieren en buitendijkse gebieden Opgave versterking (verhogen of verbreden) waterkeringen en duinen Meer (zoute) kwel in peilbeheerste gebieden Toenemende verzilting oppervlaktewater en grondwater langs de kust Verdrinken van intergetijdengebieden (als deze niet kunnen meegroeien)
–– –– –– –– ––
Zuid-Holland wordt beschermd tegen overstromingen door een stelsel van duinen en dijken (primaire en regionale keringen). Door klimaatverandering kunnen de waterstanden van de zee en rivieren toenemen en daarmee het overstromingsrisico van binnen- en buitendijkse gebieden. De kans dat een kering faalt is zeer klein, maar de gevolgen kunnen in een dichtbevolkt gebied zoals Zuid-Holland groot zijn.
Oplossingsrichtingen voor zeespiegelstijging Bij zeespiegelstijging kunnen niet alleen de autonome gevolgen van de hogere waterstand, zoals hier boven genoemd, invloed hebben op Zuid-Holland. Met name ook de oplossingsrichtingen voor het adresseren van zeespiegelstijging kunnen veel impact hebben op het watersysteem. Momenteel zijn er vier conceptuele denkrichtingen geformuleerd als oplossingsrichtingen voor zeespiegelstijging: beschermen open, beschermen gesloten, zeewaarts en meebewegen. Momenteel worden deze oplossingsrichtingen verder verkend en wordt er, tot er meer inzicht is in de gewenste oplossingsrichting, ingezet op het zoveel mogelijk openhouden van deze vier oplossingsrichtingen. Dit voorkomt dat een gewenste oplossing door ontwikkelingen in de tijd op een gegeven moment niet meer nodig is of mogelijk blijkt. Dit openhouden van de zogenaamde 'adaptatiepaden' betekent dat bij ontwikkelingen met een langere life cycle (met name woningbouw en infrastructuur)nu al rekening moet worden gehouden met mogelijke toekomstige veranderingen in het watersysteem, zoals dijkversterkingen, verzilting en hogere waterstanden (en daarmee meer frequente overstroming van buitendijkse gebieden).
Fig. A.3.1 Basiskaart waterveiligheidssysteem en maximale overstromingsdiepte, door doorbraken van het primaire en regionale systeem. (kaart: Defacto, bron data: LIWO 2019, 2020; Programma Integraal RivierManagement 2022; KNMI 2021).
Zeespiegelstijging Momenteel wordt in het beleid op basis van het KNMI 2014 scenario rekening gehouden met een zeespiegelstijging van tussen de 0,35 en 1 meter in 2100. Het klimaatsignaal 2021 geeft aan dat de zeespiegelstijging in 2050 met ca. +15 tot +50 cm kan zijn toegenomen en in 2100 met ca. +30 tot +120 cm. Indien zeespiegelstijging versnelt, is +1 m rond 2070 en +2 m rond 2090 niet uit te sluiten.
24
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
Fig. A.3.2 Vier conceptuele oplossingsrichtingen versnelde zeespiegelstijging voor Rijnmond-Drechtsteden (kaart en bron data: Defacto Stedenbouw voor het Kennisprogramma Zeespiegelstijging 2021).
25
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
Rivierwaterafvoer (hoge rivierwaterstanden)
Vooral langs de Maas, de Noord en de Merwedes zijn veel bestaande en geplande buitendijkse bedrijventerreinen en woningbouwgebieden te vinden. Deze zullen in de toekomst steeds vaker te maken krijgen met hogere waterstanden en eventuele schade. Als er bij nieuwe ontwikkelingen onvoldoende rekening wordt gehouden met deze hogere waterstanden, dan kan dit een lock-in creëren voor de oplossingsrichting gesloten (waarbij de Rijn-Maasmonding wordt afgesloten en de hoofdafvoer van het rivierwater zuidwaarts wordt verlegd).
De extreme rivierwaterafvoer waarmee momenteel in klimaatscenario's voor de lange termijn rekening wordt gehouden is 18.000 m3/s bij Lobith (Rijn) en 4.600 m3/s bij Borgharen (Maas). Deze kan als gevolg van klimaatverandering tot 2100 toenemen met 10-15% voor de Rijn en 10-20% voor de Maas (IRM). Dit leidt tot hogere waterstanden in rivieren en er kunnen, zeker in combinatie met zeespiegelstijging, knelpunten ontstaan in de afwatering van het rivierwater richting zee, waardoor de behoefte om rivierwater te bergen toeneemt.
Natuurlijke intergetijdengebieden kunnen mogelijk niet meegroeien bij een snelle of sterke zeespiegelstijging en kunnen, als deze niet worden gesuppleerd met zand, langzaam verdwijnen.
Of de Rijn-Maasmonding open blijft is afhankelijk van de oplossingsrichting voor zeespiegelstijging. Blijft deze open, dan kan het zijn dat de bestaande ruimte voor de riviermaatregelen, zoals de Biesbosch tijdens hogere rivierwaterafvoeren, minder goed werkt door het stroomopwaarts opschuiven van het invloedsgebied van de zee. Ook zal er in droge perioden meer zout water de rivieren op trekken, wat externe verzilting heet (zie ook het volgende hoofdstuk over zoetwaterbeschikbaarheid). Wordt de riviermonding afgesloten (met een sluis), dan is er minder zoutindringing, maar zal het rivierwater naar zee moeten worden gepompt en deels worden geborgen.
Overstromingsrisico binnendijks Nederland is goed beschermd tegen overstromingen. Dijkdoorbraken van primaire of regionale keringen kunnen echter niet worden uitgesloten en er is altijd een (beperkte) kans op overstromingen. Door grootschalige woningbouwontwikkelingen en vitale of kwetsbare functies niet of aangepast te ontwikkelen in gebieden waar de gevolgen van een eventuele overstroming groot kunnen zijn, wordt voorkomen dat de overstromingsrisico’s verder toenemen.
Overstromingsrisico buitendijks Het overstromingsrisico en de overstromingsdiepte van buitendijkse gebieden is mede afhankelijk van de hoogteligging. Door zeespiegelstijging en de toenemende rivierafvoeren zullen de rivierwaterstanden met de tijd toenemen. Dit gebeurt zowel in een open situatie van de Rijn-Maasmonding door de hogere zeespiegel, als in een gesloten situatie door de stagnatie van de rivierwaterafvoer. Hierdoor kunnen de buitendijkse gebieden frequenter overstromen. In de bestaande overstromingsrisicokaarten voor de buitendijkse gebieden zijn de nieuwe inzichten voor zeespiegelstijging uit het klimaatsignaal van het KNMI uit 2021 nog niet meegenomen. Indicatief (eerste expert judgement) kunnen de buitendijkse waterstanden, die nu met een terugkeertijd van 1: 1.000 optreden, in 2100 onder invloed van zeespiegelstijging met een terugkeertijd van 1:100 optreden.
Oplossingsrichting versterking keringen en duinen Het versterken van de zee- en rivierkeringen zorgt ervoor dat, ondanks de stijgende waterstanden, het overstromingsrisico niet verder toeneemt. Overstromingsrisico is namelijk kans x gevolg. Neemt de waterstand toe dan kunnen de keringen worden versterkt om te voorkomen dat de kans op een doorbraak toeneemt. Bij het versterken van dijken neemt zowel de hoogte als de breedte van de dijken toe. In bebouwde gebieden waar geen ruimte is voor het uitvoeren van deze grondwerkzaamheden, kunnen de kosten sterk toenemen omdat technische oplossingen of amoveringen (het verwijderen van objecten zoals woningen) nodig zijn. Door nu voldoende ruimte te reserveren voor toekomstige dijkversterkingen, kunnen extra kosten worden voorkomen. Langs de kust worden de van nature eroderende kustlijn en het kustfundament onderhouden en waar nodig versterkt middels zandsuppleties. Door de zeespiegelstijging is er steeds meer zand nodig om de duinen te blijven versterken, wat bij een sterke mate van zeespiegelstijging leidt tot knelpunten in de beschikbaarheid van zand (en tot ruimtelijke conflicten in gebieden in de Noordzee waar het zand wordt gewonnen). Een meer natuurlijk kustbeheer, wat ruimte biedt voor natuurlijke erosie en aanzandingsprocessen, is daarbij een van de denkbare oplossingsrichtingen.
Bij brede duingebieden heeft gedeeltelijke erosie namelijk niet direct impact op de waterveiligheid. Dit heeft overigens wel impact op natuur, drinkwater en kustplaatsen. Om te borgen dat toekomstige benodigde versterkingen en eventuele erosie van de duinen mogelijk blijft, is het belangrijk binnen de dynamische duingebieden geen nieuwe verharding en bebouwing toe te voegen. In de smalle delen van de duinen is het raadzaam om voor de lange termijn rekening te houden met landinwaartse
Fig. A.3.3 Kaartbeeld overstromingsdiepte 1:1.000 buitendijks Rotterdam (kaart: Defacto, bron data: LIWO 2021; eerste indicatie 1:1.000 door expert judgement).
26
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
27
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
versterkingen (Deltares, WL werkgroep Ruimte voor water). Dit betekent dat gebouwde ontwikkelingen met een permanent karakter in deze zone niet gewenst zijn. Bij tijdelijke functies is het belangrijk dat deze daadwerkelijk voldoende flexibel zijn en blijven, om in te kunnen spelen op de dynamiek van de duinen (dus strandwoningen en strandtenten passen zich aan aan de veranderende kustdynamiek, en niet andersom).
Verstedelijking
Landbouw
Natuur
Hou rekening met het binnendijkse overstromingsrisico (gevolgbeperking).
C Pas buitendijks bedrijfsvoering
C Strategie intergetijdengebieden. Het
aan. Buitendijkse gebieden die frequent overstromen zijn op termijn niet geschikt voor landbouwvormen met vollegrondsgewassen en voor gebouwen ten behoeve van veeteelt
wegvallen van intergetijdengebieden (als gevolg van een snelle en grote mate van zeespiegelstijging) heeft door de grote waarde van intergetijdennatuur een negatieve impact op de natuur in de hoofdwateren. Er is nog geen analyse beschikbaar die deze gebieden duidt op de kaart.
––B Zet in binnendijkse gebieden
met een kans > 1: 30.000 op een overstromingsdiepte > 50 cm in op gevolgbeperking vitaal en kwetsbaar
––C Verken in binnendijkse gebieden met kans > 1: 30.000 op > 200 cm maatregelen voor gevolgbeperking (extra aandacht gebieden vitale en kwetsbare functies of weinig mogelijkheden verticale evacuatie)
Reserveer ruimte voor toenemende waterstanden (en versterking keringen).
––C Hou rekening met meer
frequente overstromingen in buitendijkse (waterbergende) gebieden (zee-invloedsgebied of overgangsgebied), in het bijzonder bij vitale en kwetsbare functies
––D Bebouwing in buitendijkse
gebieden van het rivierinvloedsgebied (stroomvoerend) beperkt de benodigde afvoercapaciteit
––D Weeg langs keringen de
Fig. A.3.4 Kaart primaire keringen en mogelijke versterkingszone bij +1 m zeespiegelstijging en de overstromingsrisico's van binnen- en buitendijkse gebieden. (kaart: Defacto, bron data: Deltares 2021; LIWO 2021 en 2022).
28
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
locatiekeuze voor bebouwing zorgvuldig af om kostenafwenteling (voor meer complexe versterkingen) op de toekomst en het publiek domein te voorkomen. In de kaart zijn primaire keringen opgenomen.
29
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
4 – Zoetwaterbeschikbaarheid en -kwaliteit Zoetwater wordt gebruikt voor verschillende functies zoals natuur, landbouw (beregening en doorspoeling), industrie, drinkwater, peilbeheer, scheepvaart en stedelijk groen. We zien de watervraag toenemen terwijl de waterbeschikbaarheid afneemt. Dit leidt, zoals in de zomer van 2022 ook duidelijk werd, tot knelpunten in de zoetwaterbeschikbaarheid. De zoetwatervraag neemt toe door: Meer verdamping oppervlaktewater door klimaatverandering Grotere watervraag (drinkwater, industrie, landbouw, natuur, stedelijk groen) Toename watervraag voor nat houden veenbodem en beperken veenoxidatie Toenemende verzilting en daarmee behoefte aan water voor doorspoelen
–– –– –– ––
De zoetwaterbeschikbaarheid neemt af door Verzilting (intern en extern) Frequentere lage debieten van rivieren in de zomer Langere perioden van droogte Toenemende watervraag in gebieden stroomopwaarts en elders (Noord-Nederland, mogelijk andere verdeling tussen Waal, Rijn en IJssel)
–– –– –– ––
Fig. A.4.1 Kaart interne verzilting (nu en in de toekomst) (kaart: Defacto, bron data: Deltares 2022, aangevuld met data van WSHD van de verzilting op Goeree, Voorne Putten en Hoeksche Waard).
Verzilting
van droogte steeds vaker niet worden gebruikt. Dit geldt ook voor het inlaatpunt bij Gouda dat een groot deel van Zuid-Holland van zoetwater voorziet. Bij uitval van het inlaatpunt bij Gouda, kan de Klimaatbestendige Wateraanvoer (KWA) worden ingezet om water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek aan te voeren. De capaciteit van de KWA wordt op dit moment vergroot, maar ook na uitbreiding van de capaciteit zal deze ontoereikend zijn voor de grote toename in watervraag door de vernatting van veenweidegebieden.
Bij verzilting zit of komt er meer zout water in de bodem, het grondwater of oppervlaktewater terecht. Dit is schadelijk voor zoetwaterafhankelijke natuur, land- en tuinbouw en de drinkwatervoorziening. Er wordt onderscheid gemaakt tussen interne verzilting (veroorzaakt door chloriderijk kwelwater dat het oppervlaktewater verzilt) en externe verzilting (zout water dat via een open verbinding of via schutbewegingen van sluizen vanuit de zee in meren, rivieren en estuaria terecht komt).
In droge perioden voeren de waterschappen zoetwater aan voor peilbeheer. Dit is essentieel om de stabiliteit van keringen te borgen en om bodemdaling en veenoxidatie tegen te gaan. Als er onvoldoende zoetwater kan worden aangevoerd om in alle gebruiksfuncties te voorzien, dan kan het oppervlaktewatergebruik worden verminderd door het gebruik voor bepaalde functies te beperken. Als dat onvoldoende soelaas biedt voor het peilbeheer, dan is inlaat of bijmengen van brak water onvermijdelijk. Dit kan grote impact hebben op zoetwaterafhankelijke natuur en landbouw.
Interne verzilting (via kwelwater) Interne verzilting is deels autonoom en treedt versterkt op in diepe polders waardoor het verlagen van grondwaterstanden de tegendruk tegen kwelstromen vermindert. De verzilting wordt langs de kust versterkt door zeespiegelstijging. In sommige delen van Zuid-Holland wordt interne verzilting bestreden door het polderwatersysteem door te spoelen met zoetwater dat wordt aangevoerd vanuit de rivieren. Externe verzilting (via zout water van zee) Door de afnemende afvoer van de grote rivieren in perioden van droogte enerzijds en de zeespiegelstijging anderzijds, dringt de 'zouttong' steeds vaker en verder landinwaarts de rivieren op en kunnen de inlaatpunten voor zoetwater in perioden
30
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
31
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
––Droogte in combinatie met hogere verdamping zal de concentraties van verontreinigingen in oppervlaktewater verhogen.
––Hevige regenbuien zullen toenemen. Dit vergroot de hoeveelheid landerosie en de
kans op riooloverstorten. Dit vergroot de nutriëntenbelasting op oppervlaktewater.
––Een hogere gemiddelde watertemperatuur leidt tot zuurstofloosheid van het water en dominantie van andere soorten (zie ook hoofdstuk over hitte). Dit vraagt om extra inspanning om het water- en bodemsysteem robuust te maken.
Fig. A.4.2 Kaart externe verzilting (nu en in de toekomst) met de zoetwaterinlaatpunten die op termijn vaker verzilten en Klimaatbestendige Wateraanvoer. (kaart Defacto, bron data: Deltaprogramma 2014 aangepast op basis van expert judgement; Deltares 2015; WABES punten via expert HHSK; Deltares 2014 en Hydrologic 2020 aangevuld door expert judgement).
Fig. A.4.3 Kaart beoordeling ecologische kwaliteit Kaderrichtlijn Water op basis van meetresultaten (kaart: Defacto, bron data: Informatiehuis water - IHW (waterschappen, bewerking PBL) 2022).
Waterkwaliteit De waterkwaliteit wordt op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW) bepaald aan de hand van biologische en fysisch-chemische parameters. De waterkwaliteit is bijna overal ontoereikend, vooral door een overmaat aan nutriënten, resten van bestrijdingsmiddelen en beperkte ruimte voor een robuust ecologisch watersysteem.
Waterbeschikbaarheid Als er onvoldoende water beschikbaar is om in de gewenste zoetwatervraag te voorzien, dan treedt de verdringingsreeks in werking. Deze prioriteert de watervoorziening voor vitale en kwetsbare functies, zoals water voor de stabiliteit van dijken, het voorkomen van bodemdaling in veengebieden en belangrijke zoetwaterafhankelijke natuur waar onomkeerbare droogteschade kan optreden.
Verbeteringen van de waterkwaliteit zijn onderdeel van de KRW, die voorschrijft dat de waterkwaliteit voor 2027 op orde moet zijn. Vanuit dit oogpunt is waterkwaliteit dus geen langetermijnopgave. Het ziet er echter naar uit dat deze doelstellingen op de korte termijn nog niet gehaald zullen worden. Klimaatverandering zal ook impact hebben op de waterkwaliteit: Door zeespiegelstijging zal de grondwaterdruk en de daarmee samenhangende hoeveelheid zoute kwel toenemen. Daarnaast neemt ook de (externe) verzilting toe.
Voor beperkingen in de waterbeschikbaarheid zijn er nog geen goede kaarten beschikbaar. Er zijn kaarten die laten zien welke gebieden droogteschade kunnen oplopen door lage grondwaterstanden, maar deze kaarten houden nog geen
––
32
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
33
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
rekening met de mogelijkheden of beperkingen in wateraanvoer vanuit het oppervlaktewatersysteem.
Kassengebieden gebruiken naast regenwater, dat lokaal in bassins wordt opgeslagen, meestal ook (brak) grondwater wat ze vervolgens ontzilten (wat veel energie vraagt).
Natuurgebieden Voor zoetwaterafhankelijke ecosystemen waaronder veengebieden, duingebieden en graslanden (bijvoorbeeld veenmoerassen), is zoetwaterbeschikbaarheid essentieel. Kwetsbare diersoorten en vegetatie, waaronder enkele zeldzame en geïsoleerde populaties, worden bedreigd door droogte. Waardevolle natuur waarbij ontoereikende wateraanvoer tot onomkeerbare schade kan leiden, bevindt zich dan ook in categorie 1 van de verdringingsreeks. Dit betekent dat ze prioriteit krijgen bij de zoetwatervoorziening in perioden van droogte. Het bij droogte inlaten van gebiedsvreemd water kan schadelijk zijn voor de natuur. Er zijn ook natuurgebieden die voor wateraanvoer niet bereikbaar zijn. Hier is de beschikbaarheid van gebiedseigen water essentieel.
Fig. A.4.5 Kaart potentiële schade landbouwgebieden door droogte (lage grondwaterstanden). (kaart Defacto, bron data: KWR water 2017).
Watervraag stedelijk gebied De vraag naar zoetwater en drinkwater in stedelijk gebied neemt toe door onder andere de toenemende bevolking, de aanleg van DIT-riolen (Drainage Infiltratie Transport riool) in de strijd tegen bodemdaling, water voor industrie en datacenters en de toename van de hoeveelheid stedelijk groen. Tegelijkertijd loopt de zoetwaterbeschikbaarheid en de productie van drinkwater tegen haar grenzen aan. Het beschermen van (potentiële) drinkwaterbronnen en drinkwaterinfrastructuur is essentieel en gebeurt via de provinciale omgevingsverordening. Zo is het bij de energietransitie belangrijk om de waterdichte lagen in de bodem die de grondwatergebieden beschermen tegen verontreinigingen, niet te doorboren ten behoeve van bijvoorbeeld warmte-koudeopslag (WKO).
Fig. A.4.4 Kaart Grondwaterafhankelijke natuur en mogelijke schade bij watertekort (kaart: Defacto, bron data: Deltares 2014).
Daarnaast is het reduceren van het (laagwaardig) gebruik van zoetwater en drinkwater nodig. Dit kan bijvoorbeeld door het infiltreren, bufferen en benutten van regenwater (grijs water) voor het bewateren van tuinen en stedelijk groen en het doorspoelen van toiletten. Dit kan door bij nieuwbouw eisen te stellen ten aanzien van watergebruik of waterbesparing.
Landbouw Een deel van de landbouw onttrekt oppervlaktewater, doordat er in perioden met een neerslagtekort beregening plaatsvindt om het vochttekort in de wortelzone van gewassen aan te vullen (in het bijzonder bij de boom- en sierteelt, vollegrondtuinbouw en aardappelen). In perioden van droogte kent het oppervlaktewater echter doorspoelbeperkingen waardoor het te zout wordt om gewassen mee te beregenen. Voor aardappels gelden tijdens droogte ook beperkingen wegens pathogenen. 34
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
35
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
Droogte leidt tot lagere grondwaterstanden, waardoor extra bodemdaling kan optreden. Droogte resulteert daardoor in een risico op funderingsschade bij panden zonder fundering (dit heet 'op staal' gefundeerd) en panden met houten funderingspalen. Dit leidt tot aanzienlijke kosten voor funderingsherstel. Om paalrot in oudere wijken te voorkomen, kan worden ingezet op extra infiltratie van water in de bodem. Als dit grootschalig wordt toegepast zal dat extra water(aanvoer) vergen.
Verstedelijking
Landbouw
Natuur
B Bescherm grondwatervoorraden
B Creëer zoetwaterbuffers voor
C Hou rekening met toenemende
en drinkwaterinfrastructuur. Voorkom (in lijn met de verordening) perforaties van waterdichte lagen in de bodem die de grondwatergebieden beschermen tegen verontreinigingen uit de hogere bodemlagen (niet te doorboren ten behoeve van bijvoorbeeld warmtekoudeopslag WKO).
de natuur. Natte natuur kan worden beschermd tegen droogteschade door hydrologische bufferzones (hogere grondwaterstanden en onttrekkingsverbod) aan te leggen en nutriënten in het oppervlaktewater te beperken. Deze maatregelen hebben directe impact op bedrijfsvoering in landbouwgebieden: natter, verbod op onttrekking oppervlaktewater en randvoorwaarden voor gewasbestrijdingsmiddelen.
verzilting. Er zijn natuurtypen die gebaat zijn bij brakke en zoute condities. Er zijn natuurgebieden die gevoelig zijn voor inlaat van gebiedsvreemd water of voor veenafbraak door watertekort. Hier moet worden ingezet op het vasthouden van regenwater en voorkomen van wegzijging van zoetwater naar de omgeving.
B Zet (met name in stedelijk gebied) maximaal in op sponswerking. Zorg dat de watervraag van ontwikkellocaties niet verder toeneemt door bij nieuwe ontwikkelingen (en transformaties van bestaande stedelijke gebieden) in te zetten op infiltratie, waterberging, slim watergebruik, robuuste watersystemen met goede waterkwaliteit en ruimte voor ecologie en droogte- en zoutresistente beplanting. Hou bij de inrichting van stedelijk groen rekening met de beschikbaarheid van zoetwater.
B Zorg voor zonering van de Fig. A.4.6 Kaart grondwaterbeschermingsgebieden (kaart: Defacto, bron data: Provincie ZuidHolland via interactieve kaarten en atlassen provincie Zuid-Holland nov 2022).
36
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
C Hou rekening met toenemende verzilting met name in gebieden met beperkte aanvoermogelijkheid van zoetwater. Dit zal in sommige gebieden vragen om aanpassing van de bedrijfsvoering (bodemverbetering, wateropvang, accepteren schade, andere gewassen) of locatiekeuze. In het kaartbeeld zijn alleen de gebieden met interne verzilting meegenomen. De externe verzilting (via het oppervlaktewater) heeft ook invloed op de zoetwaterbeschikbaarheid.
C Zet in op een slimme watercyclus
ondergrond. Het is met name in stedelijk gebied druk in de ondergrond. Zet in op een goede zonering die grondwaterstromen zo min mogelijk beïnvloedt en voldoende ruimte biedt voor nieuwe waterbergingsfuncties.
waarbij het schoonste water (nabij de inlaat of bron) hoogwaardig wordt gebruikt, en voorkom uitspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen aan het eind van de keten (generiek principe, niet geduid op de kaart).
37
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
In gebieden waar permanente brakke of zoute condities ontstaan moet (op termijn) het type natuur worden heroverwogen en aangepast.
5 – Hittestress
Opwarmend water (waterkwaliteit) Door hogere temperaturen neemt de druk op aquatische ecosystemen toe. Een hogere gemiddelde temperatuur (en hogere gemiddelde watertemperatuur) leidt tot: Grotere dag-nachtfluctuaties in zuurstofconcentraties (kans op zuurstofloosheid en toename vissterfte). Er ontstaat een andere soortensamenstelling: langer groeiseizoen fytoplankton, blauwalgen en waterplanten, kans op dominantie door blauwalgen neemt toe. Minder ijsbedekking in de winter. Drijvende waterplanten zoals kroos, en overwinterende ondergedoken waterplanten worden dominanter. Een soortenverschuiving bij vissen, door langere paaitijden en verdwijnen van koudeminnende soorten. Grotere overlevingskans van exoten (geldt overigens niet voor alle exoten).
–– ––
Door klimaatverandering nemen de temperatuur en aantal hete dagen steeds verder toe. In de huidige KNMI-scenario’s wordt verwacht dat het aantal tropische dagen (> 30 °C) toeneemt van nu gemiddeld 3 per jaar, tot 5-11 dagen per jaar in 2050 en 6-18 dagen per jaar in 2085. Dit heeft effect op de leefbaarheid van steden, de gezondheid, waterkwaliteit en (in combinatie met droogte) het risico op natuurbranden
–– –– ––
Opwarmende steden Onder invloed van de toenemende hitte wordt het met name zeer warm in stedelijk gebied waar veel verharding te vinden is. Deze warmte blijft hangen waardoor het ook 's nachts minder goed afkoelt. Dit heeft effect op de gezondheid van inwoners (met name kwetsbare bevolkingsgroepen) en productiviteit van werknemers, maar ook op bijvoorbeeld bruggen en tramrails die uitzetten en niet meer werken of waterleidingen die opwarmen. In steden is er dan ook steeds meer aandacht voor het reduceren van de opwarming van de stad, zoals minder verharding, lichtere materialen en het creëren van koele plekken (meer schaduw, verdampend groen en water), bouweisen om hitte te voorkomen (goede zonwering en ventilatie) en hitteplannen.
Fig. A.5.2 Kaart risico opwarming oppervlaktewater en natuurbrandgevoeligheid (kaart: Defacto, bron data: WEnR & TAUW 2017; WEnR & Deltares 2021).
Robuustere watersystemen met ruimte voor waterplanten, voldoende waterdiepte, goede doorstroming en inrichting van de oevers, en het voorkomen van overstorten van de riolering, uitspoeling van nutriënten (of het inlaten van gebiedsvreemd nutriëntrijk water) helpen het voorkomen van slechte waterkwaliteit.
Fig. A.5.1 Kaart stedelijk hitte eiland effect (kaart: Defacto, bron data: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu 2020).
38
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
39
Klimaatonderlegger Zuid-Holland
Landbouw Een hogere gemiddelde temperatuur zal invloed hebben op de landbouw. Zo zal het teeltseizoen langer worden door de hogere temperaturen en langere vorstvrije perioden. Het groeiseizoen van gewassen (en de piek aan waterbehoefte) zal eerder in het jaar komen te liggen, gewassen die gevoelig zijn voor hitte zullen minder rendabel worden en er ontstaan kansen voor andere type gewassen (denk bijvoorbeeld aan de wijngaarden die ook in Nederland steeds vaker voorkomen). In perioden met hitte zal de verdamping van gewassen en daarmee de watervraag toenemen. Daarnaast maakt hittestress gewassen gevoeliger voor ziekten en kunnen insecten, onkruid of ziekteverwekkers toenemen. Dit leidt tot extra kosten. Ook geeft vee tijdens hete perioden minder melk en heeft het meer water nodig.
Verstedelijking
Landbouw
Natuur
B Neem hitte mee in het
B Hou rekening met de impact van
B Zet in op robuuste
ontwerp. Zorg dat hitte zowel in het gebouwontwerp als in gebiedsontwikkelingen (en herontwikkelingen) wordt meegenomen als opgave. Zorg voor goede ventilatie en zonwering, beperk de hoeveelheid stenig verhard materiaal en zorg voor voldoende schaduwrijke koele plekken en routes met groen en water. Plaats ook meer groene grondbedekking en bomen in de openbare ruimte die zorgen voor vermindering van hittestress.