RIS319097 Bijlage 2 - Ruimte voor Zeespiegelstijging, 2024
Tekst van het document
Indicatieve berekeningen laten zien dat de verzilting bij 5 meter zeespiegelstijging zo groot wordt, dat er ook met deze voorziening in droge jaren in de zomer niet genoeg zoetwater is om aan de vraag te voldoen. De huidige kwaliteitseisen voor zoetwater zijn daarmee op lange termijn niet houdbaar.
28 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Wat betekent Beschermen voor het toekomstige ruimtebeslag en ruimtegebruik? Rijnmond-Drechtsteden, rivieren en delta Voor dijkversterkingen en de aanleg van kunstwerken en pompcomplexen is ruimte nodig. De Tussenbalans van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging laat zien dat voor dijkversterkingen tot 3 meter zeespiegelstijging een strook van 10-90 meter nodig is, lokaal oplopend tot meer dan 150 meter. Het consortium schat in dat met dijkversterkingen langs de Rijn-Maasmonding, Maas, Waal en NederrijnLek een ruimtebeslag is gemoeid van 55-75 km2 bij 2 meter zeespiegelstijging en 70-140 km2 bij 5 meter zeespiegel stijging. Er is ook ruimte nodig om water vast te houden, zodat in verziltende en verdrogende gebieden landbouw mogelijk blijft. Buitendijkse gebieden en haventerreinen komen in een aantal strategieën vaker en dieper onder water te staan, door stijgende waterstanden op zee en in de rivieren of door waterberging in bestaande hoofdwatersystemen in de delta. Dit vraagt aanpassingen in het ruimtegebruik en de inrichting. Het onderzoek gaat ervan uit dat deze aanpassingen geleidelijk tot stand komen, aansluitend bij investeringscycli van deze activiteiten en ingepast in gebieds ontwikkelingsprogramma’s, zodat maatschappelijke meerwaarde wordt bereikt.
Gesloten zeefronten lijken voor de waterveiligheid en de zoetwatervoorziening voordelen te bieden ten opzichte van verdergaan met stormvloedkeringen. Er zijn echter ook nadelen: gesloten zeefronten hebben gevolgen voor de scheepvaart die via grote zeevaartsluizen moet verlopen,
onder meer in de Nieuwe Waterweg. Uit het onderzoek blijkt dat het schutproces een forse zoutbelasting kan veroorzaken. Zeesluizen kunnen misschien overbodig worden door zee- en binnenvaart te scheiden en de overslag over het land te laten plaatsvinden. Dat vraagt nader onderzoek. Afsluiting heeft ook grote ecologische gevolgen voor de betreffende watersystemen. De gevolgen van de Deltawerken laten dat zien. Ook dit vraagt nader onderzoek.
Kust Het zandige kustfundament (duinen, strand en vooroever) kan met de zeespiegel meestijgen als er zand wordt gesuppleerd. Kustplaatsen vragen daarbij maatwerk oplossingen waar het consortium een aantal technische maatregelen voor geïnventariseerd heeft, zoals golfbrekers, harde constructies in de zeewering of zandige zeewaartse versterkingen. Al deze maatregelen zullen het aanzien van de huidige kustplaatsen ingrijpend veranderen.
Wat moeten we nu doen en laten om Beschermen mogelijk te houden? Het lijkt technisch, ruimtelijk en financieel mogelijk om met de denkrichting Beschermen het bestaande beschermingsniveau tegen overstromingen in alle binnendijkse gebieden van Nederland te handhaven tot een zeespiegelstijging van in elk geval 5 meter in 2200. Dit vraagt een geleidelijk toenemende rol van waterbouwkundige werken. Deze technische maatregelen zijn langs de kust, estuaria en rivieren eventueel te combineren met nature based solutions (natuurlijke sedimentatie, vegetatie voor golfdemping). Daarbij zijn verschillende combinaties mogelijk van afvoerverdeling, dijkversterking, stormvloedkeringen, spuisluizen en gemalen. Om de verschillende strategieën in de toekomst mogelijk te houden, moeten we, in lijn met de bevindingen in de Tussenbalans, ruimte vrijhouden voor: • zandwinning in de Noordzee voor de toenemende omvang van zandsuppleties langs de kust; • dijkversterkingen langs de Waal, de riviermondingen van Rijn en Maas, de watersystemen in de delta en de kust; • peilstijging langs de rivieren, watersystemen in de delta en het IJsselmeergebied voor piekberging van rivierwater en de inrichting van buitendijkse gebieden daarop aanpassen.
Geen van de vier onderzochte strategieën biedt op termijn genoeg zoetwater om te voorzien in de toenemende zoetwatervraag, zelfs niet met de vorming van grote zoetwaterbuffers in de delta. Aanpassing van land- en
6
tuinbouw in delen van de kustgebieden aan zoutere en drogere omstandigheden is daarom ‘no regret’. Dat is ook nu al aan de orde. Een goede voorbereiding op Beschermen vraagt daarnaast meer inzicht, onderzoek en ervaring: • ervaring met adaptief ontwerp voor kunstwerken bij vervanging aan het einde ven de levensduur; • verminderen van de kwetsbaarheid van woningen, bedrijven en vitale infrastructuur voor overstromingen en wateroverlast; • onderzoek naar en ervaring met toepassing van nature based solutions; • onderzoek naar effecten van maatregelen op ecologie en waterkwaliteit (een eerste analyse vindt plaats in fase 2 van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging); • onderzoek naar de mogelijkheden van opschalen van suppleties (voorzien in fase 2 van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging); • onderzoek naar de mogelijkheden van opschalen van pompcapaciteit; • onderzoek naar andere overslagmethoden in zeehavens, waarbij zee- en binnenvaart gescheiden worden; • onderzoek naar ‘fail-proof’ ontwerp van technische maatregelen (pompen, keringen, spuisluizen, afvoerregelwerken) bij extreme omstandigheden of uitval; • ontwikkeling van nieuwe financieringsmodellen voor integrale gebiedsontwikkeling in buitendijkse gebieden en waterkeringszones .
3.4 Zeewaarts De denkrichting Zeewaarts biedt bescherming tegen overstromingen door extra bergingsruimte in zee te creëren voor de piekafvoeren van Rijn en Maas. Deze berging krijgt de vorm van een kustmeer met beheersbaar waterpeil. Hierdoor zijn in de Rijnmond-Drechtsteden en deltawateren minder technisch en ruimtelijk complexe maatregelen nodig om de veiligheid tegen overstromingen te behouden en de zoetwatervoorziening in stand te houden6 (zie figuur 1, Zeewaarts). De strategie die het consortium Zeewaarts presenteert, is te beschouwen als een uitbreiding van de denkrichting Beschermen-Gesloten, met een focus op de Zeeuwse en Hollandse kust (zie figuur 6). Eerder is ook een andere invulling van Zeewaarts genoemd: een eilandenrij voor de kust. Dit blijkt veel zand te vragen voor aanleg en onderhoud, maar biedt geen bescherming tegen zeespiegelstijging. Daarom is de eilandenrij niet verder verkend.
Het IJsselmeer vormt in feite een vergelijkbare berging voor de rivierafvoer van de IJssel. Een aanvullende zeewaartse denkrichting voor de Waddenzee is daarom nu niet verder uitgewerkt. In principe is eenzelfde ingreep ook voor de Westerschelde te overwegen, maar de Scheldeafvoer is zo klein ten opzichte van de bergingsruimte in de Westerschelde dat een zeewaartse variant hier niet nodig is. Ruimte voor zeespiegelstijging | 29
Bron: ZUS
Afsluiten Nieuwe Waterweg voor tegengaan zoutindringing
Bron: ZUS
Bij zeespiegelstijging +5m totale benodigde pompcapaciteit op de nieuwe keringen van 8.700 m3/s
Stap 2: zeewaartse uitbreiding waterberging (900 km2)
Stap 1: aaneenschakelen waterberging Haringvliet, Grevelingen en Oosterschelde (1.000 km2). Bij zeespiegelstijging +2m totale benodigde pompcapaciteit op de bestaande keringen van 3.800 m3/s.
Kustbassin 1: verbonden estuarium
Noordzee
+3m NAP
+2m NAP
-2m NAP
+5m ±0m
Zand
Fase 1 tot 2 meter zeespiegelstijging
bestaande keringen aanpassen en afsluiten +12m NAP
Noordzee
Kustbassin 2: zeewaarts met verbonden estuarium
+5m NAP
+3m NAP -2m NAP
+5m ±0m Zand
Fase 2 groter dan 2 meter zeespiegelstijging
buitencontour (zandig middendeel) +15m NAP
open verbindingen (bijvoorbeeld bruggen) +12m NAP
Figuur 6: De uitwerking van de denkrichting Zeewaarts bij een zeespiegelstijging van 5 m., met een impressie van locatie, ruimtebeslag en aanzicht van een kustmeer voor de berging van rivierwater. Daarnaast ook een impressie van een mogelijke maatwerkbescherming die in de toekomst nodig is voor kustplaatsen. 30 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Uit welke maatregelen bestaat Zeewaarts? Het consortium heeft voor de denkrichting Zeewaarts de mogelijkheden van verschillende typen maatregelen verkend, zoals de aanleg van een tweede kustlijn om extra bergingsruimte voor rivierwater te creëren, sluizen, pompen, suppleties en golfbrekers. Belangrijk onderdeel van Zeewaarts zijn pompen om het rivierwater af te voeren naar zee. Anders dan in de strategie Beschermen-gesloten staan deze pompen niet langs de huidige kust, maar verder zeewaarts, aan de rand van het nieuwe kustmeer. De benodigde pompcapaciteit hangt af van de ligging en de omvang van het kustmeer. Het consortium heeft hiervoor verschillende varianten verkend. Bij een kustmeer van circa 900 km2 is bij 2 meter zeespiegelstijging een pompcapaciteit van maximaal 3.800 m3/s7 nodig. Dat is de helft van de pompcapaciteit die nodig is in de denkrichting Beschermen met gesloten zeefront waarbij pompen gecombineerd worden met waterberging in bestaande watersystemen. Bij 5 meter zeespiegelstijging neemt de benodigde maximale pompcapaciteit ten opzichte van Beschermen met gesloten zeefront (inclusief water berging) af van 15.700 m3/s naar 12.200 m3/s. Wanneer bij een naderende afvoergolf al eerder gestart wordt met peilverlaging in het kustmeer tot bijvoorbeeld NAP -2 meter (‘voormalen’), dan neemt de benodigde maximale pompcapaciteit verder af tot 8.700 m3/s.
De meest voor de hand liggende locatie van een dergelijk kustmeer is voor de Zeeuwse en Zuid-Hollandse kust, vanaf de kop van Walcheren tot de kop van de Maasvlakte. De vrije toegang tot de Maasvlakte (Rotterdam) en de Westerschelde (Antwerpen) blijft hiermee gehandhaafd8 (zie figuur 6). De dam van dit kustmeer kan grotendeels in zand uitgevoerd worden, behalve bij de aansluitingen op Maasvlakte en spui- en pompcomplexen, waar harde materialen nodig zijn. Voor de aanleg van deze dam is naar schatting 2,2 miljard m3 zand nodig. De totale kosten van de aanleg, inclusief pompen, stenige taluds en geleidings dammen, bedragen naar schatting 15-70 miljard euro (waarbij 70 miljard waarschijnlijker is). De geschatte onderhoudskosten bedragen 300-350 miljoen euro/jaar. Een enigszins bolle vorm sluit het beste aan op de kust morfologische processen en vermindert de aanleg- en onderhoudskosten. Zeewaarts is een mogelijke uitbreiding op de denkrichting Beschermen gesloten. Door deze
7
gecombineerd uit te voeren kunnen sommige maatregelen uit Beschermen tegen lagere kosten gerealiseerd worden. Deze mogelijke besparingen moeten nader onderzocht worden.
Wat betekent Zeewaarts voor de waterveiligheid? Zeewaarts kan een bijdrage leveren aan de waterveiligheid in de Rijn-Maasmonding en de zuidwestelijke delta. De extra bergingsruimte vermindert de benodigde pompcapaciteit die in Beschermen is voorzien om de waterstanden op een veilig niveau te houden en dat maakt de bescherming tegen overstromingen minder kwetsbaar. Ook is er meer tijd om te reageren op calamiteiten. Ten zuiden en ten noorden van het kustmeer kan de bescherming in stand worden gehouden met zandsuppleties en maatwerkoplossingen bij kustplaatsen (zie Beschermen).
Wat betekent Zeewaarts voor de zoetwatervoorziening? Doordat in het kustmeer rivierwater geborgen wordt, is het water hier minder zout dan in het huidige kustwater. Dat vermindert de zoutindringing via de riviermondingen. Ook een gesloten Nieuwe Waterweg leidt tot minder zoutindringing via de rivieren en daarmee wordt de zoetwaterbeschikbaarheid in de rest van Nederland groter (bijvoorbeeld in het IJsselmeergebied). Bij compartimenteren van het kustmeer kan het (zoete) rivierwater zoveel mogelijk in het noordelijk deel geconcentreerd worden (zie hieronder).
Wat betekent Zeewaarts voor het ruimtebeslag en het ruimtegebruik? Het gebied waar het kustmeer voorzien is, heeft momenteel een Natura 2000-beschermingsstatus (‘Voordelta’). Daardoor is de ontwikkeling van een kustmeer nu vanuit ecologisch oogpunt onwenselijk en juridisch niet mogelijk. Door de beschermingsstatus zijn er tegelijkertijd weinig andere gebruiksfuncties in het gebied die de ontwikkeling van een kustmeer in de weg staan. Het kustmeer zal meteen vanaf de aanlegfase grote invloed hebben op de natuurwaarden: de getijde- en golfwerking verdwijnt en het meer zal sterk wisselende zoutgehalten hebben (door wisselende hoeveelheden rivierwater). Dat heeft grote ecologische gevolgen. Zonder aanvullende maatregelen zal het kustmeer naar verwachting overwegend
Hierbij is aangenomen dat de waterkeringen in Rijnmond-Drechtsteden ook in de toekomst een waterstand met een kans van optreden van 1/10.000 per jaar moeten kunnen keren. Die waterstand ligt in deze regio op NAP +3 m. Bij 2 m zeespiegelstijging kan dan een deel van de rivierafvoer nog worden gespuid.
8
Grote zeesluizen, die bij het schutproces een grote zoutinflux veroorzaken, zijn hierdoor niet nodig. In deze denkrichting wordt de Nieuwe Waterweg wel afgesloten, waarmee de toegang vanuit zee naar de Stadshavens en binnenwateren wordt geblokkeerd. De Maasvlakte zou zich dan ontwikkelen als overslaghaven van zee- naar binnenvaart. Eventueel kan er in de gesloten Nieuwe Waterweg een kleinere sluis voor recreatievaart komen, met pompen om overtollig water af te voeren. Ruimte voor zeespiegelstijging | 31
zoet tot brak worden; afhankelijk van de omstandigheden blijven de diepere delen zout. Bij onvoldoende door stroming ontstaat risico op zuurstofloze omstandigheden in de diepere delen (gelaagdheid). Compartimentering kan de ecologische effecten mogelijk beperken. Er ontstaat dan een kustmeer in twee delen: een noordelijk deel dat relatief zoet is en regelmatig beïnvloed wordt door rivierafvoeren (voor de monding van het Haringvliet) en een zuidelijk deel dat relatief zout is en zelden beïnvloed wordt door rivierafvoeren (voor de monding van de Grevelingen en Oosterschelde). Het kustfundament ten zuiden en ten noorden van het kustmeer (globaal voor de monding van de Westerschelde en voor de Hollandse kust van Hoek van Holland tot Den Helder) wordt in deze denkrichting in stand gehouden met zandsuppleties. Uit eerder onderzoek van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging blijkt dat de frequentie en omvang van de suppleties in de loop van de tijd toenemen, maar dat de aanpak haalbaar blijft tot zeker 5 meter zeespiegelstijging. Zandsuppleties zorgen er ook voor dat de duinen, die langs het grootste deel van de kust als waterkering fungeren, mee kunnen groeien. Voor de keringen bij kustplaatsen zijn maatwerkoplossingen nodig, zoals een zandige versterking of golfdempende constructies zeewaarts van de bestaande zeewering.
Het aanzien van de kustplaatsen kan hierbij ingrijpend veranderen (zie figuur 6). Ook de huidige kustlijn ter plaatse van het kustmeer blijft onderhoud vragen: hier kan de oevererosie toenemen doordat het golfklimaat verandert.
Wat moeten we nu doen en laten om Zeewaarts mogelijk te houden? Voor de denkrichting Zeewaarts is het essentieel dat we ruimte houden om in de toekomst een kustmeer aan te kunnen leggen, met name door geen gebruiksfuncties met een lange levensduur te situeren waar de dam rond het kustmeer kan komen te liggen. Ook is het belangrijk dat we tegen die tijd voldoende zand kunnen winnen in de Noordzee voor de aanleg en het onderhoud van de dam. Voor de aanleg is ordegrootte 2,2 miljard m3 zand nodig; uitgaande van een windiepte van 2 meter vereist dat een wingebied met een oppervlakte van circa 1000 km2. Deze zandvraag komt boven op de toenemende zandvraag voor het onderhoud van de reguliere kustlijn, waar ook extra ruimte voor nodig zal zijn. Een goede voorbereiding op Zeewaarts vraagt meer kennis en ervaring: • nader onderzoek naar de ecologische effecten van de aanleg van een kustmeer en de mogelijkheden om deze effecten te beperken9; • nader onderzoek naar de effecten van Zeewaarts op de waterveiligheidsopgave landinwaarts, de waterbeschikbaarheid en de bevaarbaarheid van de rivieren; • mogelijkheden om het kustmeer (deels) te combineren met nature based solutions; • onderzoek naar effecten van een kustmeer op de stroming en het transport van sediment, nutriënten en organismen van en naar aangrenzende kustvakken.
De dam rond het kustmeer kan meekoppelkansen bieden voor functies als recreatie en industrie. Mogelijk is het kustmeer ook te combineren met opslag van duurzame energie. Dat vraagt nader onderzoek.
9
Klimaatverandering (met onder andere zeespiegelstijging) zal hoe dan ook leiden tot grote ecologische veranderingen. Nu al veranderen soortensamenstellingen als gevolg van stijgende watertemperatuur.
32 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
De Zandmotor na 10 jaar Ruimte voor zeespiegelstijging | 33
Hoorn, Vissereiland, wateroverlast door beperkte spuimogelijkheden IJsselmeergebied 34 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
4. Conclusies uit het onderzoek en vervolgstappen Nederland moet in de toekomst omgaan met de zeespiegelstijging. Daar is geen ontkomen aan. In dit onderzoek zijn drie verschillende denkrichtingen voor de lange termijn verkend (technisch, fysisch en ruimtelijk). De conclusie is dat Nederland bij verdergaande zeespiegelstijging veilig kan blijven. Er zijn zelfs verschillende mogelijkheden voor. De gevolgen zullen echter groot zijn, onder meer voor de waterbeschikbaarheid, landbouw en natuur. We moeten er wel voor zorgen dat toekomstige generaties die mogelijkheden nog kunnen benutten, bijvoorbeeld door er nu al rekening mee te houden bij investeringen met een lange levensduur. 4.1 Nederland kán met zeespiegelstijging omgaan Het onderzoek laat de mogelijkheden en consequenties zien van drie verschillende denkrichtingen voor het omgaan met zeespiegelstijging: Meebewegen, Beschermen en Zeewaarts. Bij deze vingeroefeningen is uitgegaan van een extreme mate van klimaatverandering.
Als we stoppen met het versterken van dijken, neemt de kans op een overstroming vanuit de grote rivieren, de grote meren of de zee snel toe bij zeespiegelstijging. Bij 2 meter zeespiegelstijging kunnen op veel plaatsen jaarlijks overstromingen optreden. Dan zou de bewoonbaarheid van onze delta voor toekomstige generaties ernstig in gevaar komen (zie figuur 7). De verzilting neemt nu al toe door daling van rivierafvoeren en grotere neerslagtekorten in voorjaar en zomer. De gevolgen van de zeespiegelstijging komen hier bovenop. Niets doen is dan ook geen optie.
Niets doen is geen optie De zeespiegelstijging gaat in Nederland consequenties hebben voor de waterveiligheid en zoetwaterbeschikbaarheid, dat is zeker. Het Deltaprogramma richt zich op de periode tot 2050, met een doorkijk naar 2100. Bij de aanvang van het Deltaprogramma, in 2014, was het de verwachting dat de zeespiegel tot 2100 maximaal 1 meter zou stijgen. De nieuwste KNMI-scenario’s laten zien dat de zeespiegelstijging versnelt. Die versnelling wordt nog sterker als Antarctica versneld afsmelt. Dan kan de zeespiegel rond 2100 wel 2 meter hoger staan en is een stijging tot 5 meter in 2200 niet uit te sluiten.
Het kan, maar de gevolgen zijn groot Het lijkt mogelijk om de waterveiligheid te waarborgen tot een zeespiegelstijging van 5 meter, in ieder geval met de denkrichtingen Beschermen en Zeewaarts (voor Meebewegen is die conclusie nog niet te trekken). De waterbeschikbaarheid neemt in alle denkrichtingen af, vroeg of laat en in meer of mindere mate. Dat vraagt weliswaar aanpassingen, maar hoeft de leefbaarheid van Nederland niet te ondermijnen. Nederland kan dus omgaan met zeespiegelstijging, maar de gevolgen zijn uiteindelijk in alle denkrichtingen zeer groot: de aanleg en het onderhoud Ruimte voor zeespiegelstijging | 35
van watergerelateerde infrastructuur zullen een grote inspanning vragen, voor de benodigde maatregelen zal veel ruimte nodig zijn en afhankelijk van de gevolgde denkrichting zullen het huidige landgebruik en de gebruiksfuncties ingrijpend veranderen. Ten opzichte van de huidige situatie zijn er in alle gevallen grote effecten op met name natuurwaarden, waterkwaliteit, landbouw, woningbouw, scheepvaart en regionale watersystemen. De gevolgen zijn nog niet scherp in beeld, maar duidelijk is wel dat ze groot zijn en per denkrichting verschillend uitpakken.
Randstad blijven beschermen We moeten blijven investeren in klimaatadaptatie en hebben daar (nu en in de toekomst) veel verdienvermogen voor nodig. Het verdienvermogen van Nederland zit grotendeels in de Randstad. Een belangrijke bevinding van het onderzoek is dat het essentieel is dit gebied (en daarmee het verdienvermogen) zo lang mogelijk te blijven beschermen tegen overstromingen en dat het in stand houden en versterken van de bestaande waterkeringen hiervoor de meest effectieve strategie is. Het verdienvermogen kan niet zomaar verplaatst worden naar een ander deel van het land. In de Randstad is bovendien te weinig ruimte om de inwoners en de economische waarde op een andere manier te beschermen tegen overstromingen. Nieuwbouw op terpen levert te weinig ruimte voor het grote aantal inwoners en ringdijken rond stedelijk gebied zijn uiteindelijk duurder dan behoud van de huidige keringen. Dit betekent dat een strategie op basis van Meebewegen in dit gebied niet passend of kostentechnisch aantrekkelijk is. Wel blijft het verstandig het gebied minder kwetsbaar te maken voor wateroverlast en verzilting. Daarnaast is er aandacht nodig voor het beperken van slachtofferrisco’s en uitval van vitale infrastructuur ten gevolge van een overstroming.
In alle gevallen aanpassen aan verziltende omstandigheden De zoetwaterbeschikbaarheid neemt in alle denkrichtingen op termijn af. Bij de aanleg van een kustmeer of afsluiting van de Nieuwe Waterweg neemt de totale hoeveelheid zoetwater om verzilting tegen te gaan in eerste instantie weliswaar toe, maar er is nog niet onderzocht of het mogelijk is om dit water met de huidige infrastructuur op de juiste plekken te brengen. Een aandachtspunt is dat de regionale verzilting al sterk toeneemt voordat deze bouwstenen richting realisatie gaan. Regionale aanpassingen aan verziltende omstandigheden zullen dan ook in alle gevallen nodig zijn. Ook het tegengaan van verzilting met
10
bijvoorbeeld efficiënte zoet-zoutscheidingen bij sluizen zijn in alle gevallen nodig. Dit zijn geen-spijt maatregelen die nu al efficiënt zijn in te zetten.
Kosten waterbouwkundige maatregelen De kosten van de aanleg van nieuwe waterbouwkundige maatregelen in en rond de hoofdwatersystemen bedragen in de denkrichtingen Beschermen en Zeewaarts circa 0,1% van het huidige BNP (gemiddeld per jaar), uitgaande van het vrij extreme scenario van 5 meter zeespiegelstijging in 220010. Dit is exclusief de kosten voor onderhoud en andere uitgaven aan klimaatadaptatie. De uitvoerbaarheid van deze denkrichtingen vraagt nader onderzoek en hangt ook af van de snelheid waarmee maatregelen tot stand moeten komen. Denk daarbij aan de benodigde materiële en personele capaciteit. De kosten van de denkrichting Meebewegen zijn nog niet in te schatten. Dat komt omdat de benodigde aanpassingen alle sectoren en gebruiksfuncties raken, een passende mix van bouwstenen per gebied sterk kan verschillen en we geen ervaring hebben met een dergelijke allesomvattende transformatie. Tegenover de kosten staan ook nieuwe kansen en baten. Die zijn nog niet verkend in dit onderzoek.
Combinaties en regionaal maatwerk In dit onderzoek zijn de drie denkrichtingen rigide ingevuld volgens de kenmerken van de betreffende denkrichting. Zo worden de verschillen helder. In de praktijk is een ‘one fits all’ aanpak niet nodig en niet verstandig. Combinaties van technische waterbouwkundige maatregelen, meer natuurlijke maatregelen en functieaanpassingen of -verplaatsingen zijn voor waterveiligheid goed mogelijk en voor de zoetwatervoorziening noodzakelijk. Wat op een bepaald moment de beste keuze is, hangt onder meer af van de snelheid van zeespiegelstijging, de kenmerken van de regio, ontwikkelingen in functies, technische mogelijkheden en maatschappelijke acceptatie. In alle denkrichtingen geldt dat er niet meer altijd en overal voldoende zoetwater is om verzilting tegen te gaan. Op termijn zal vaker sprake zijn van regionale verzilting. Dit vraagt van de watergebruikers dat zij hier rekening mee houden en zo nodig maatregelen treffen om de kwetsbaarheid te verminderen. Dit is ook al geconstateerd in de systeemverkenning Zoetwater en geagendeerd in het traject Water en Bodem Sturend.
Volgens de KNMI’23-scenario’s wordt twee meter zeespiegelstijging in een extreme situatie met versnelde smelt van Antarctica verwacht in 2086 (‘worst case’), in het scenario met hoge uitstoot tussen 2150 en 2285 en in het scenario met lage uitstoot is de twee meter nog niet opgetreden in 2300. Voor vijf meter zeespiegelstijging geldt: in een extreme situatie in 2145 (‘worst case’), in het scenario met hoge uitstoot na 2260. In het scenario met lage uitstoot kan er geen uitspraak gedaan worden over of en wanneer 5 meter zeespiegelstijging optreedt.
36 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Legenda - kans van optreden Vaker dan eens per jaar Eens per 1 -10 jaar Eens per 10-100 jaar Minder vaak dan eens per 100 jaar Duinen
Figuur 7: De verwachte overstromingskansen bij 2 m zeespiegelstijging in de situatie waarbij de waterkeringen in 2050 precies aan de huidige normen voldoen en daarna niet meer verhoogd of versterkt worden. Op verschillende plaatsen in Nederland zou in dat geval jaarlijks of vaker een overstroming plaatsvinden. Overstromingskansen zijn afgeleid van hoogtetekorten, de sterkte van de waterkeringen is hierin niet meegenomen. Ruimte voor zeespiegelstijging | 37
Nog geen compleet beeld Deze eerste verkenning geeft nog geen compleet beeld van de denkrichtingen voor het omgaan met zeespiegelstijging. Zo hebben de consortia Beschermen en Zeewaarts nu gefocust op het zuidwestelijke deel van ons land, omdat zeespiegelstijging daar tot zeer grote vraagstukken leidt voor de afvoer van de Rijn en de Maas naar zee. Het consortium Meebewegen heeft de denkrichting landelijk uitgewerkt, maar minder concreet en voor deze denkrichtingen konden nog geen kosten berekend worden. Bij het uitwerken van de zoetwaterbeschikbaarheid is nog geen rekening gehouden met het effect van droogte en hitte op de watervraag en het watertekort en is bovendien het huidig gebruik, zonder economische ontwikkelingen, als uitgangspunt genomen. Deze beperkingen passen bij het karakter van deze verkenning, maar het beeld is dus nog niet compleet.
Kiezen is nog niet nodig De Tussenbalans van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging heeft laten zien dat we Nederland met de huidige strategie zeker nog deze eeuw goed kunnen blijven beschermen tegen overstromingen. De resultaten van deze verkenningen geven daar verdere onderbouwing voor. Op korte termijn zijn al wel maatregelen tegen wateroverlast en verzilting nodig en mogelijk. Het is echter niet nodig om nu al een keuze te maken voor wat we op lange termijn gaan doen. De onzekerheid over de toekomstige zeespiegelstijging is bovendien nog groot en een goede keuze vereist meer inzicht, onder meer in regio-specifieke combinaties van Beschermen, Meebewegen en wellicht Zeewaarts en ook in de gevolgen daarvan voor het volledige palet van maatschappelijke functies en landgebruik. Daarbij staat de vraag centraal in welk land we willen leven. Fundamentele keuzes zijn nog niet nodig, maar het is uitermate belangrijk om bij ruimtelijke planvorming en investeringen in infrastructuur nu al rekening te houden met klimaatverandering en zeespiegelstijging. Maatregelen als het reserveren van ruimte rond waterkeringen en het verminderen van zoutindringing bij sluizen zijn noodzakelijk en no-regret.
38 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
4.2 Landelijke keuzes Een groot vraagstuk voor de waterveiligheid bij zeespiegelstijging is hoe we de grote hoeveelheden rivierwater van Rijn en Maas veilig en snel naar zee kunnen leiden. Hier komen de meest ingrijpende onderdelen van de drie denkrichtingen uit voort, zoals de inzet van grootschalige pompcapaciteit, de aanleg van een omvangrijk kustmeer, grootschalige versterkingen van rivierdijken van de zee tot aan Nijmegen en grootschalige berging van rivierwater in de watersystemen van de zuidwestelijke delta. Op termijn zijn landelijke keuzes noodzakelijk over: • de afvoerverdeling van de Rijn, bij de splitsingspunten en in het benedenrivierengebied; • het al dan niet zeewaarts afsluiten van de Rijnmond, al dan niet in combinatie met specifieke beschermingsmaatregelen in de regio Rijnmond-Drechtsteden zoals een Deltapolder; • het al dan niet inzetten van deltawateren voor de berging van rivierwater; • het al dan niet aanleggen van een kustmeer zeewaarts van de zuidwestelijke delta; • de mate waarin het IJsselmeerpeil meestijgt met de zeespiegelstijging; • het al dan niet stimuleren van de bewoning en economische activiteiten in hoog-Nederland. Deze systeemkeuzes hangen deels met elkaar samen en ze bepalen in hoge mate het mogelijke ruimtegebruik in de toekomst, binnen- en buitendijks. Besluiten over deze systeemkeuzes zullen veel tijd kosten.
Daarom is het belangrijk tijdig met benodigd onderzoek te starten, ook omdat besluitvorming brede betrokkenheid van de samenleving vraagt en de transities en uitvoeringsprogramma’s die daarna volgen tientallen jaren duren. Vooral de bouwstenen uit de denkrichting Meebewegen vragen om tijdige keuzes om noodzakelijke transities in gang te zetten. Figuur 8 laat als voorbeeld zien hoeveel tijd nodig is voor transities in onder meer woningbouw, landbouw en infrastructuur in relatie tot de beschikbare tijd bij verschillende zeespiegelscenario’s.
hoog emissies scenario, versneld afsmelten Antarctica
Hoe lang zal een stijging van de zeespiegel van 1 meter duren? 97 jr
hoog emissie scenario + antarctic melt
152 jr
97 jr
zeespiegelcurve consortia Zeespiegelstijging
177 jr
laag emissie scenario (parijs)
254 jr
Bouwstenen Meebewegen in relatie tot curves zeespiegelstijging Moment tot waarop 'beschermen' nu onderzocht en mogelijk is
zoet water bufferen
Stormvloedkeringen aanpassen
nbs pilots
landbouwtransities
meer ruimte voor de rivier en de delta naar hoog - Nederland investeren adaptatie gebouwde omgeving
6m 5m 4m
hoog emissie scenario
H.D -4.4°C
3m 2m laag emissie scenario (parijs)
1m 0
L.D -0.8°C 2000
Generaties
30 jaren
Landbouw
40 jaren
2050
1
6000 3000
Woningbouw + levenscycli
80 jaren
Infrastructuur levenscycli
115 jaren
2150
3
4
2200
5
6
2250
7
2300
8
9
in periode van 1 generatie transitie naar gedeeltelijke andere landbouw (30 jaar van vader/moeder op kind) 1500
Drijvend bouwen (verdubbelt elke 10 jaar)
2100
2
24000 12000
100K
48000
400K 200K
15 jaren voorbereiding
6.4M
1.6M 800K
3.2M
15 jaren voorbereiding
Om tijdig voorbereid te zijn op een hoog scenario zeespiegelstijging moeten grote transities al snel starten 7m
7m
6m
6m
5m
5m
4m
4m
3m
3m hoog emissie scenario
2m 1m 0
Kennisinfrastructuur stimuleren - 25 jaren Woonomstandigheden + voorzieningenniveau in Hoog NL - 50 jaren Investeringsbeleid bedrijfsleven - 25 jaren
laag emissie scenario (parijs)
1m 0
2000 HOV investeringen 30 jaren
2m
2050
2100
2150
2200
2000
2050
voorbereiding en planvorming voor de verplaatsing van de economische centra
2100
2150
2200
voorbereiding en planvorming voor de verplaatsing van de economische centra
0
25
50
75
100
0
25
+100 jaren
Figuur 8: De tijd die nodig/beschikbaar is voor verschillende transities in relatie tot scenario’s van zeespiegelstijging.
Ruimte voor zeespiegelstijging | 39
4.3 Ruimte om te kiezen De onderzoeken laten zien dat alle toekomstige denkrichtingen ruimte vragen. Ruimte voor nieuwe waterbouw kundige maatregelen, voor verschuiving van functies naar andere gebieden en voor de aanpassing van het landgebruik aan nieuwe omstandigheden. Daarmee hebben we ook eerste inzichten in de manier waarop we keuzeruimte voor toekomstige generaties kunnen openhouden. Deze inzichten moeten we verder concretiseren.
Ruimte voor zandwinning In de Tussenbalans van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging is geconcludeerd dat we de zandige kust duurzaam kunnen blijven onderhouden door de huidige aanpak met zandsuppleties op te schalen. Daarvoor is tot 5 meter zeespiegelstijging naar verwachting minimaal 4,5 miljard m3 nodig en maximaal 11 miljard m3 zand. Het onderzoek naar de denkrichting Zeewaarts laat zien dat de aanleg van een kustmeer voor de kust van de zuidwestelijke delta nog eens 2 miljard m3 zand extra zou vragen en extra zand voor het onderhoud van de dam rond het kustmeer. Dit ondersteunt de overweging uit de Tussenbalans om meer ruimte op de Noordzee te reserveren voor toekomstige winning van suppletiezand.
Ruimte voor water en waterkeringen Het onderzoek maakt duidelijk dat Nederland alles op alles moet zetten om leefbaar te blijven bij zeespiegelstijging. Daarbij helpt het om het buitendijkse gebieden en land achter de keringen minder kwetsbaar te maken voor wateroverlast, verzilting en de gevolgen van een eventuele overstroming. Dat sluit aan bij de aanpak van Water en Bodem Sturend. Ook blijkt uit dit onderzoek dat in alle denkrichtingen dijkversterkingen nodig zijn. Dat wordt gemakkelijker als we ruimte langs de dijken vrijhouden. Dat sluit aan bij de Kamerbrieven over Water en Bodem Sturend en de Tussenbalans van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging. Ook voor het afvoeren, bergen en vasthouden van water is in alle denkrichtingen meer ruimte nodig. Regionale gebiedsprocessen rond investeringsagenda’s voor bijvoorbeeld woningbouw, landbouw, natuur en infrastructuur kunnen kansen bieden om daar concrete stappen voor te zetten.
40 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Ruimte voor systeemkeuzes De grote systeemkeuzes die in 4.2 genoemd zijn, hoeven we nu nog niet te maken. Maar het is wel belangrijk om er rekening mee te houden bij grote investeringen met een lange levensduur, zoals woningbouw, infrastructuur en duurzame energie. Deze kunnen de toekomstige ruimte voor deze systeemkeuzes inperken (denk aan woningbouw buitendijks die toekomstige peilstijging belemmert) of juist vergroten (denk aan verhoogd aanleggen van buitendijkse haventerreinen bij nieuwe ontwikkelingen of het toepassen van zilte landbouw). Het onderzoek geeft een eerste beeld van wat nodig is om alle opties open te houden. Dit vraagt verdere concretisering: om welke locaties gaat het, op welke manier kunnen we keuzeruimte houden en wat zijn de gevolgen daarvan, op welke termijn is de betreffende ruimte nodig?
4.4 Wat doen we met de resultaten? Adaptatiepaden en Herijking Deltaprogramma De resultaten van dit onderzoek vormen belangrijke input voor de uitwerking van adaptatiepaden: mogelijke routes om geleidelijk toe te groeien naar verschillende denkrichtingen voor de lange termijn. Adaptatiepaden laten zien op welke momenten belangrijke systeemkeuzes nodig zijn en welke verschillende richtingen dan gekozen kunnen worden. Zo komen de mogelijke routes van de huidige situatie naar verschillende richtingen op de lange termijn in beeld. Daarnaast wordt duidelijk welke acties nodig zijn om opties voor de lange termijn open te houden. Aandachtspunt in de adaptatiepaden is de tijd die nodig is om tot complexe besluiten over (systeem)keuzes te komen. De resultaten van dit onderzoek en de adaptatiepaden zijn ook input voor de herijking van het Deltaprogramma die in 2026 plaatsvindt en voor andere beleidstrajecten.
Vervolgonderzoek Dit onderzoek is een eerste vingeroefening. Het geeft een eerste beeld van de mogelijkheden en de gevolgen van verschillende manieren om met zeespiegelstijging om te gaan. We moeten ons verder verdiepen om op lange termijn weloverwogen keuzes te kunnen maken én om nu al verstandig te kunnen investeren. In hoofdstuk 3 staan per uitgewerkte denkrichting een aantal vervolgvragen. Die kunnen en hoeven we niet allemaal tegelijk op te pakken. Er moet een ordening komen in de vragen: wanneer is welk onderzoek nodig?
De volgende onderzoeken zijn al voorzien in de tweede fase van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging: • Een analyse van de gevolgen van de drie denkrichtingen voor functies als ecologie, waterkwaliteit, landbouw, woningbouw, scheepvaart en regionale watersystemen (impactanalyse). • Nader onderzoek naar de kosten en mogelijke baten van verschillende denkrichtingen voor de lange termijn, inclusief doorgaan met de huidige strategie. Met name voor de denkrichting Meebewegen is dat nog niet mogelijk geweest, vanwege de korte onderzoeksperiode en de complexiteit van het financiële plaatje. • Onderzoek naar bestuurlijke en maatschappelijke aspecten: denk hierbij onder meer aan de risicoperceptie van de bevolking en bedrijven op het gebied van overstromingen, de manier waarop de maatschappij betrokken kan worden bij grote veranderingen in de verre toekomst, solidariteitsaspecten, de wijze waarop ‘grote keuzes’ met een regio-overstijgende uitstraling tot stand (kunnen) komen. • Onderzoek naar de effecten van zeespiegelstijging op de zoetwaterlenzen onder de duinen. • Onderzoek naar suppletiemethoden bij toename van benodigde suppletievolumes • Concretisering van adaptatiepaden, vanuit de huidige situatie naar mogelijke toekomstige richtingen.
Ruimte voor zeespiegelstijging | 41
De Primaire Waterkering van Terschelling 42 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlage 1 Denkrichting Beschermen: belangrijkste kenmerken en gevolgen van de vier strategieën Kenmerken en effecten
Gesloten, pompen en berging
Gesloten, spuisluis en berging
Afsluitbaar, bestaande afvoerverdeling
Afsluitbaar, afvoercorridor Waal
Pompcapaciteit (m3/s)
15500
3000
3000
3000
Stijging 1/10000 waterstand (m) 2100 | 2200
0,5 | 0
1 | 3-4
1-2 | 4-5
(buiten de deltapolder) 0-2 | 2-4
Zoetwater-overschot/tekort (m3/s)11 2100 | 2200
++ | --
++ | -
-- | ----
+ | --
Kosten12 2100 | 2200
90 | 170
100 | 190
110 | 180
100 | 170
Ruimtebeslag dijken (km2) 2100 | 2200
55 | 70
60 | 130
75 | 140
60 | 95
Te amoveren gebouwen 2100 | 2200
22000 | 26000
25000 | 37000
30000 | 37000
16000 | 24000
Natuur
Verlies getijdenatuur in Zeeuws-Hollandse delta
Verlies getijdenatuur in Zeeuws-Hollandse delta
Open zee-rivierverbinding, getijdenatuur en overgangszones
Open zee-rivierverbin ding, getijdenatuur en overgangszones, maar alleen in hoogwatercorridor
Scheepvaart14
Overslag over land, eventueel schutsluis in Rijnmond
Overslag over land, eventueel schutsluis in Rijnmond
Open-afsluitbare verbinding
Overslag over land, eventueel schutsluis in Rijnmond
Land- en tuinbouw in Rijn-Maasmond en zuidwestelijke delta
Bestaand landgebruik kan vooralsnog voortgezet
Bestaand landgebruik kan vooralsnog voortgezet
Toenemende doorspoelvraag veroorzaakt groot watertekort
Bestaand landgebruik kan vooralsnog grotendeels voortgezet
Buitendijks
Weinig beïnvloed
Grote invloed
Grote invloed
Alleen invloed buiten Deltapolder
13
11
Dit is met de extra buffers, getallen zijn voor een droog jaar (als 1976). +/- < 500 m3/s, ++/-- 500-1000 m3/s, +++/---: 1000-2000 m3/s, ++++/---- > 2000 m3/s
12
Het betreft hier de kosten voor aanpassen van waterkeringen (in grond, dus breed), kunstwerken, aanleg pompen, aanpassingen buitendijks en waterkeringen en suppleties langs Wadden, IJsselmeer, delta en kust (exclusief maatwerkmaatregelen bij kustplaatsen)
13
Dit is voor Rijn-Maasmonding plus het aansluitende deel van Maas, Waal, Neder-Rijn Lek
14
Schutsluis met als ontwerpeis minimale zoutindringing Ruimte voor zeespiegelstijging | 43
Colofon Begeleiding: Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, staf Deltacommissaris
Tekst en redactie: Renske Postma, www.dekrachtvantaal.nl
Vormgeving: One Architecture, met input van BoschSlabbers (Beschermen) en ZUS (Zeewaarts)
Opmaak en Druk: HVR en Delta3
Fotografie: De Afsluitdijk wordt verstevigd met Level blocs: John Gundlach Werf op schiereiland Marken: Tineke Dijkstra Lauwersmeerdijk, dijkversterking, Friesland: (Waarschijnlijk) Tineke Dijkstra Twee mensen bij de Maeslantkering: Gerda Hanemaaier Oosterscheldekering: Tineke Dijkstra Aanleg van de Afsluitdijk met drijvende stoomkraan: Archief Rijkswaterstaat Versterking Houtribdijk met zandige oevers en natuurgebied Trintelzand: Frank Janssens Zandsuppleties Scheveningen: Tineke Dijkstra De Zandmotor na 10 jaar: Martijn Beekman Hoorn, Vissereiland, wateroverlast door beperkte spuimogelijkheden IJsselmeergebied: Jos van Alphen De Primaire Waterkering van Terschelling: Bart van Vliet Maeslantkering: Theo Bos
44 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Maeslantkering
Deze brochure is een product van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging, een initiatief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat en de deltacommissaris. www.rijksoverheid.nl/minienw www.deltaprogramma.nl’