RIS319097 Bijlage 2 - Ruimte voor Zeespiegelstijging, 2024
Tekst van het document
Ruimte voor zeespiegelstijging Een verkenning van denkrichtingen om Nederland ook op lange termijn veilig en leefbaar te houden bij zeespiegelstijging
Ruimte voor zeespiegelstijging ‘De grootste bedreiging der zee moet worden gezocht in haar zeespiegelstijging, waarvan de grootte, de mogelijke periodiciteit en de geographische verbreiding nog lang niet met voldoende nauwkeurigheid bekend is’ (van Veen, 1936: Onderzoekingen in de Hoofden in verband met de gesteldheid der Nederlandsche kust)’
Ruimte voor zeespiegelstijging | 1
Samenvatting
Nederland moet in de toekomst zien te leven met zeespiegelstijging om onze delta ook voor toekomstige generaties leefbaar en veilig te houden. Welke opties kunnen we daarvoor bedenken? Dit rapport geeft eerste antwoorden op basis van een verkenning van verschillende denkrichtingen voor de lange termijn. Gevoel voor het palet aan mogelijkheden Het Kennisprogramma Zeespiegelstijging - een landelijk onderzoeksprogramma van het ministerie van Infrastructuur en Water en de Deltacommissaris - heeft als vingeroefening drie denkrichtingen voor de lange termijn laten verkennen. Er zijn veel meer manieren denkbaar om met zeespiegelstijging om te gaan. Het is dan ook niet de bedoeling om op basis van dit onderzoek een keuze te maken uit deze denkrichtingen. Het onderzoek is bedoeld om gevoel te krijgen voor het palet aan mogelijkheden, kansrijke combinaties, concrete vraagstukken die daarbij ontstaan en de acties die op korte termijn nodig of mogelijk zijn.
• Beschermen We continueren het huidige waterbeheer met voornamelijk waterbouwkundige middelen, zoals dijkversterkingen, stormvloedkeringen, sluizen, stuwen, gemalen en pompen. Riviermondingen maken we afsluitbaar met stormvloedkeringen of we dammen ze af (gesloten riviermondingen). • Zeewaarts We leggen een groot meer aan voor de kust van ZuidwestNederland. Dit meer gebruiken we om hoge rivierafvoeren tijdelijk te bergen en de verzilting te verminderen. Op die manier kunnen we complexe maatregelen in en langs de riviermondingen beperken.
Drie denkrichtingen voor de lange termijn Drie consortia van adviesbureaus, wetenschappers, overheden en maatschappelijke organisaties hebben deze drie denkrichtingen uitgewerkt: • Meebewegen We passen het landgebruik en de samenleving zoveel mogelijk aan de gevolgen van zeespiegelstijging aan. We kiezen vooral voor maatregelen die de gevolgen van overstromingen beperken en de krachten van de natuur benutten. Denk bijvoorbeeld aan verhoogd of drijvend wonen, zouttolerante landbouw en verschuiving van investeringen naar hoog-Nederland.
2 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
De consortia hebben deze denkrichtingen uitgewerkt voor 2 en 5 meter zeespiegelstijging. In een extreem scenario kan deze zeespiegelstijging optreden rond respectievelijk 2100 en 2200.
Veiligheid en leefbaarheid bij zeespiegelstijging Het lijkt erop dat Nederland veilig en leefbaar kan blijven tot een zeespiegelstijging van 5 meter, in ieder geval met de denkrichtingen Beschermen en Zeewaarts. Voor Meebewegen is verdere verdieping nodig om dit te kunnen concluderen. In alle gevallen zijn de gevolgen groot: de aanleg en het onderhoud van watergerelateerde infrastructuur zullen grote inspanning vragen, voor de benodigde
maatregelen is veel ruimte nodig en het huidige land gebruik en gebruiksfuncties zullen moeten veranderen. De nieuwe omstandigheden hebben zeker grote effecten op onder andere natuurwaarden, waterkwaliteit, landbouw, woningbouw, scheepvaart en regionale watersystemen. Het is essentieel is dat Nederland genoeg verdienvermogen houdt om klimaatadaptatie in het hele land te bekostigen; dit betekent dat gebieden waar het economisch verdien potentieel hoog is zo lang mogelijk beschermd blijven tegen overstromingen. Voor de Randstad is dit in deze fase onderzocht. De meest effectieve strategie voor de bescherming blijkt het versterken van de bestaande waterkeringen rond deze regio. Het gericht verschuiven van dit verdienvermogen naar hoger gelegen regio’s is aanzienlijk duurder en moeilijk te organiseren. Nederland moet op termijn met minder zoetwater zien te leven. De zoetwaterbeschikbaarheid neemt in alle onderzochte denkrichtingen af, door de combinatie van zeespiegelstijging en andere gevolgen van klimaatverandering. Regionale aanpassingen aan verziltende omstandig heden zijn in alle gevallen nodig. Het bestrijden van verzilting met bijvoorbeeld zoet-zoutscheidingen bij sluizen is een geen-spijt-maatregel die nu al voordeel kan opleveren.
Vervolgonderzoek Dit rapport geeft een eerste beeld van verschillende manieren om met zeespiegelstijging om te gaan en de gevolgen daarvan. Vervolgonderzoeken zijn nodig om op lange termijn weloverwogen keuzes te kunnen maken én om nu al verstandig te kunnen investeren. Een groot vraagstuk is hoe we bij verdergaande zeespiegelstijging het rivierwater van Rijn en Maas veilig en snel naar zee kunnen leiden. Hier komen de meest ingrijpende onderdelen van de drie denkrichtingen uit voort, zoals omvangrijke pompcomplexen en peilstijgingen. Over dit vraagstuk zijn op landelijk niveau bepalende systeemkeuzes nodig, onder meer over de afvoerverdeling van de Rijntakken, een open of gesloten Rijnmond, het al dan niet bergen van rivierwater in de zuidwestelijke delta en een eventueel kustmeer. Deze systeemkeuzes hebben verstrekkende gevolgen en vragen gedegen onderbouwing. Het onderzoek hiervoor moet tijdig starten.
Toepassing van de resultaten De onderzoeken laten zien dat alle toekomstige denk richtingen ruimte vragen: ruimte voor de winning van Noordzeezand voor kustonderhoud, voor het afvoeren en bergen van water, voor sterkere waterkeringen en hogere waterpeilen. Als wij hier ruimte voor gaan vrijhouden, hebben toekomstige generaties de mogelijkheid om de noodzakelijke maatregelen te treffen. Daar is wel concretere, gebiedsgerichte kennis voor nodig: over de locaties, manieren om de ruimte vrij te houden, de gevolgen daarvan en de termijn waarop de betreffende ruimte nodig is. Het Kennisprogramma Zeespiegelstijging gebruikt de resultaten van dit onderzoek voor het uitwerken van adaptatiepaden: mogelijke routes om geleidelijk toe te groeien naar verschillende denkrichtingen voor de lange termijn. Adaptatiepaden laten zien op welke momenten belangrijke systeemkeuzes nodig zijn, welke verschillende richtingen dan gevolgd kunnen worden en welke acties nodig zijn om opties voor de toekomst open te houden. De resultaten van dit onderzoek en de adaptatiepaden zijn ook input voor de herijking van het Deltaprogramma in 2026 en voor beleidstrajecten over deze onderwerpen.
Ruimte voor zeespiegelstijging | 3
De Afsluitdijk wordt verstevigd met Level blocs 4 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Inhoudsopgave Samenvatting
2
1. Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doel 1.3 Totstandkoming 1.4 Leeswijzer
7 7 7 8 8
2. Denkrichtingen, werkwijze en uitgangspunten 2.1 De drie denkrichtingen 2.2 Werkwijze van de consortia 2.3 Uitgangspunten voor het onderzoek
11 11 11 12
3. Denkrichtingen voor de lange termijn: kenmerken en bevindingen 3.1. Voortbouwen op tradities in het waterbeheer 3.2 Meebewegen 3.3 Beschermen 3.4 Zeewaarts
17 17 19 24 29
4. Conclusies uit het onderzoek en vervolgstappen 4.1 Nederland kán met zeespiegelstijging omgaan 4.2 Landelijke keuzes 4.3 Ruimte om te kiezen 4.4 Wat doen we met de resultaten?
35 35 38 40 40
Bijlage 1
43
Colofon
44
Ruimte voor zeespiegelstijging | 5
Werf op schiereiland Marken 6 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
1. Inleiding
De zeespiegel stijgt en blijft de komende eeuwen stijgen. Ook voor de Nederlandse kust. Uiteindelijk moeten Nederlanders zien te leven met een zeespiegel die meters hoger staat dan nu. Welke opties hebben we om daarmee om te gaan? En wat betekent dat voor onze huidige manier van handelen? Een verkenning van de denkrichtingen geeft eerste antwoorden. 1.1 Aanleiding Door zeespiegelstijging komt het water hoger tegen onze dijken, dammen en duinen te staan. Dat heeft gevolgen voor de bescherming tegen overstromingen, niet alleen langs de kust, maar ook in de deltawateren, de benedenloop van de rivieren en rond het IJsselmeer. Door zee spiegelstijging komt er bovendien meer zout in onze watersystemen. Nederland zal steeds vaker niet genoeg zoet rivierwater hebben om alle zoetwatersystemen zoet te houden.
Kennisprogramma Zeespiegelstijging In het Kennisprogramma Zeespiegelstijging onder zoeken overheden, bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties de mogelijke gevolgen van zeespiegelstijging voor ons land. Het programma levert kennis op waarmee we op tijd keuzes kunnen maken voor de bescherming en inrichting van Nederland.
1.2 Doel
Omgaan met overstromingsrisico’s en verzilting is bepaald niet nieuw voor Nederland. We hebben er eeuwenlang ervaring mee en zijn er ook nu dag in dag uit mee bezig. Uit onderzoek blijkt dat we de huidige aanpak technisch gezien waarschijnlijk nog lang kunnen volhouden, ook als de zeespiegel verder stijgt1. De vraag is of de huidige aanpak technisch en maatschappelijk gezien ook de beste keuze blijft en hoe het anders kan.
Dit rapport laat zien hoe Nederland op lange termijn veilig en leefbaar zou kunnen blijven bij zeespiegelstijging, door verschillende denkrichtingen te beschrijven (technisch, fysisch en ruimtelijk): hoe zien deze denkrichtingen er in de praktijk uit, welke aanpassingen zouden daarvoor nodig zijn in het waterbeheer en het landgebruik en hoeveel ruimte vraagt dat bij benadering.
Het Kennisprogramma Zeespiegelstijging, een landelijk onderzoeksprogramma van het ministerie van Infrastructuur en Water en de Deltacommissaris, heeft als vingeroefening drie consortia meerdere denkrichtingen voor de lange termijn laten verkennen.
Het doel van deze verkenning is om scherper te krijgen hoe we nu rekening kunnen houden met zeespiegelstijging, in ons doen én laten, om te waarborgen dat er ook in de toekomst genoeg mogelijkheden zijn om met de gevolgen van zeespiegelstijging om te gaan. Dat doen en laten
1
Zie Tussenbalans Kennisprogramma Zeespiegelstijging, https://kpzss.nl/tussenbalans/ Ruimte voor zeespiegelstijging | 7
kunnen we meewegen bij investeringen die voor lange tijd de inrichting van Nederland gaan bepalen, zoals investeringen in woningbouwlocaties, de energietransitie en het landgebruik. Bijvoorbeeld door de ruimte en de materialen te reserveren die toekomstige generaties nodig hebben voor de waterveiligheid en zoetwaterbeschikbaarheid. Daarnaast draagt deze verkenning bij aan ‘adaptatiepaden’ die inzichtelijk maken hoe we kunnen toegroeien naar de verschillende denkrichtingen voor de lange termijn en hoe we kunnen bijsturen als de zeespiegel sneller gaat stijgen. Het doel is niet om nu een keuze te maken uit een van de denkrichtingen. Dat is nu gelukkig nog niet nodig. Een eventuele keuze zou bovendien grote consequenties hebben voor de inrichting en de hele samenleving van Nederland op lange termijn. Dat vraagt een veel bredere afweging dan in dit onderzoek is gedaan. Het gaat dan om de vraag: in welk land willen we leven? Het is onze verantwoordelijkheid om te borgen dat toekomstige generaties mogelijkheden hebben om het land dan veilig en leefbaar te houden. Adaptatie aan klimaatverandering en zeespiegelstijging is een proces van tientallen tot honderden jaren. Daar zijn we al lang mee bezig en dat moeten we blijven doen. Voor onszelf en voor de toekomst. In dit onderzoek is iedere denkrichting heel strikt via één denklijn uitgewerkt, om de verschillen helder te maken.
De verkenning biedt wel aanknopingspunten om bouw stenen uit verschillende denkrichtingen te combineren, op nationaal en regionaal niveau.
In de periode 2020-2023 hebben experts op het gebied van water en ruimtelijke inrichting een aantal verschillende denkrichtingen voor het omgaan met zeespiegelstijging ingevuld met behulp van de bouwstenen. Dat gebeurde per regio in werkbijeenkomsten met deelnemers van waterschappen, provincies, gemeenten, belangenorganisaties en kennisinstellingen. Zij hebben ook de samenhang van de denkrichtingen met de regionale investerings agenda’s in kaart gebracht3. Op basis van deze gegevens zijn de waarden en uitvoerbaarheid van de beschouwde denkrichtingen voor Nederland als geheel in 2023 verder geconcretiseerd. Dat is gedaan door drie consortia van marktpartijen, kennisinstellingen en de overheid. Ieder consortium heeft één denkrichting uitgewerkt. Daarbij is gekeken naar de technische, fysische en ruimtelijke aspecten. Uit de resultaten zijn tot slot conclusies getrokken, over alle denkrichtingen samen en over de afzonderlijke denkrichtingen.
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 staan de uitgangspunten die de consortia hebben gevolgd bij de uitwerking van de denkrichtingen. Hoofdstuk 3 geeft een samenvatting van de uitkomsten per denkrichting; de resultaten staan meer in detail in de achtergrondrapporten die de consortia hebben opgeleverd4. Hoofdstuk 4 bevat de conclusies en vervolgstappen.
1.3 Totstandkoming De afgelopen jaren zijn verschillende plannen bedacht voor de toekomst van Nederland en het omgaan met zeespiegelstijging. De bedenkers hebben hun ideeën in de periode 2020-2022 kunnen presenteren aan een expert panel. Aan de hand van deze plannen heeft Deltares een groot aantal bouwstenen voor de toekomstige waterveiligheid en zoetwaterbeschikbaarheid onderscheiden2.
2
https://www.deltaprogramma.nl/documenten/publicaties/2022/09/29/analyse-van-bouwstenen-en-adaptatiepaden-voor-aanpassen-aanzeespiegelstijging-in-nederland
3
https://www.deltaprogramma.nl/deltaprogramma/documenten/publicaties/2021/10/18/de-investeringsopgave-in-deltaprogramma-regios
4
https://www.deltaprogramma.nl/deltaprogramma/kennisontwikkeling-en-signalering/zeespiegelstijging/oplossingen-voor-zeespiegelstijging
8 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Lauwersmeerdijk, dijkversterking, Friesland Ruimte voor zeespiegelstijging | 9
Twee mensen bij de Maeslantkering 10 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
2. Denkrichtingen, werkwijze en uitgangspunten Drie consortia hebben ieder een denkrichting uitgewerkt voor de manier waarop Nederland op lange termijn zou kunnen omgaan met zeespiegelstijging. Zij hebben met name onderzocht hoe de waterveiligheid op orde kan blijven en (globaal) verkend wat de gevolgen voor zoetwaterbeschikbaarheid zijn. Door het grote aantal professionals dat hieraan heeft meegedaan, hebben de uitkomsten een brede kennisbasis. Om tot onderling vergelijkbare eindresultaten te komen, zijn vooraf afspraken gemaakt over de te volgen werkwijze, de aard van de denkrichtingen en de uitgangspunten. 2.1 De drie denkrichtingen Nederland kan op verschillende manieren omgaan met de gevolgen van zeespiegelstijging. Onderzoeken van het International Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en Deltares onderscheiden enkele fundamenteel verschillende denkrichtingen. Daarop zijn de drie denk richtingen gebaseerd die de kern van dit rapport vormen: 1. Meebewegen We passen het landgebruik en samenleving zoveel mogelijk aan de gevolgen van zeespiegelstijging aan en kiezen vooral voor maatregelen die de krachten van de natuur benutten. 2.
Beschermen We continueren het huidige waterbeheer met voornamelijk waterbouwkundige middelen, zoals dijkversterkingen, stormvloedkeringen, zandsuppleties, sluizen, stuwen, gemalen en pompen en daarbij kiezen we voor afsluitbare of altijd gesloten riviermondingen.
3. Zeewaarts We beperken complexe maatregelen in en langs de riviermondingen door een groot meer voor de kust aan te leggen, voor het bergen van hoge rivierafvoeren en het verminderen van verzilting. Een uitgebreide beschrijving van de denkrichtingen staat in hoofdstuk 3.
2.2 Werkwijze van de consortia In het Kennisprogramma Zeespiegelstijging hebben overheden, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties in regionale bijeenkomsten verkend hoe op de lange termijn de gevolgen van zeespiegelstijging zijn op te vangen met de verschillende denkrichtingen. De resultaten daarvan kwamen in het voorjaar van 2023 beschikbaar.
Ruimte voor zeespiegelstijging | 11
De volgende stap was om te bepalen hoe effectief en haalbaar de verschillende denkrichtingen zijn. Dat vroeg meer inzicht in de benodigde ruimte, de kosten en de effecten van de denkrichtingen. Hiervoor moest brede kennis en expertise bij elkaar komen, onder meer over de volledige plan- en uitvoeringscyclus van technische maatregelen, de landschappelijke uitwerking en het verloop van transities. Dat is gedaan door drie consortia.
Consortia, kernteams en hackathons Per denkrichting is een consortium gevormd van ingenieursbureaus, kennisinstellingen, overheden, beheerders, ontwerpers en waterbouwers. Zij zijn samen aan het werk gegaan met gemeenschappelijke financiering door de Topsector Water & Maritiem, het Deltaprogramma en het ministerie van Infrastructuur en Water en met bijdragen in natura (capaciteit) van alle deelnemende partijen.
Toch is het belangrijk te benadrukken dat de studies nog maar een eerste concretiseringsslag geven. Ze vormen de aanzet naar meer en specifiekere onderzoeken. Zo zal er in de loop van de tijd steeds nieuwe waardevolle en noodzakelijke informatie bij komen, in het bijzonder over de effecten op andere functies. Desalniettemin geven ze nu al een eerste indruk van de technische, fysische en ruimtelijke haalbaarheid van verschillende denkrichtingen en eerste invullingen die meer of minder realistisch zijn.
2.3 Uitgangspunten voor het onderzoek De drie consortia hebben de onderstaande uitgangspunten gehanteerd bij de uitwerking van de denkrichtingen.
Uitgangspunt 1: een veilig, leefbaar en bewoonbaar Nederland Ieder consortium heeft een multidisciplinair kernteam samengesteld, op basis van een brede uitvraag onder brancheorganisaties en ingediende CV’s. De kernteams hebben analyses, berekeningen, ontwerpen en beschrijvingen gemaakt voor de betreffende denkrichting. Ook hebben zij hackathons georganiseerd om de resultaten te delen met een bredere groep en om kennis en input te vergaren voor de volgende stap. In minder dan tien maanden tijd heeft ieder consortium de nadere uitwerking van de denkrichting tot stand gebracht in een reeks van afwisselend werkbijeenkomsten van het kernteam en hackathons.
Dwarsverbanden Rijkswaterstaat en Deltares waren betrokken bij de activiteiten van alle drie de consortia, om dwarsverbanden te signaleren, te bewaken dat de drie consortia op een vergelijkbare manier omgingen met vergelijkbare vraagstukken en ervaringen en kennis uit te wisselen. Ook konden zij zorgen voor afstemming met andere onder zoeken van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging. De trekkers van de consortia wisselden wekelijks ervaringen uit, over de voortgang, vraagstukken waar ze tegenaan liepen en tussentijdse uitkomsten. Dat heeft onder meer geleid tot een consortia-brede bijeenkomst over verzilting en zoetwaterbeschikbaarheid, omdat alle consortia daar meer kennis over nodig hadden.
De consortia hebben de denkrichtingen zo ingevuld dat Nederland ook in de toekomst een veilig en leefbaar land blijft. Wat dit precies inhoudt, was vooraf moeilijk te definiëren. De Novex, het Nationaal Waterplan en de centrale waarden van het Deltaprogramma bieden wel aanknopingspunten: • Bij veilig en leefbaar hoort in ieder geval dat Nederlanders bij verdergaande zeespiegelstijging voldoende beschermd zijn tegen overstromingen vanuit zee, de grote rivieren en de grote meren en voldoende zoetwater houden. • De overlast bij regenval blijft op een acceptabel niveau, ook in het regionale watersysteem en langs onbedijkte rivieren en beken. • Een leefbaar land is daarnaast schoon en heeft hoge natuurwaarden. • Vitale sectoren, zoals de energie- en drinkwatervoor ziening, zijn robuust ingericht. • De inrichting en de samenleving kunnen flexibel inspelen op veranderende omstandigheden, zoals langere perioden van droogte. • Een veilig en leefbaar Nederland heeft sterke en gezonde steden en regio’s en een toekomstbestendig landelijk gebied. Daardoor is Nederland concurrerend en heeft het economisch potentieel. • Waarden die centraal staan zijn duurzaamheid, circulariteit en solidariteit tussen generaties, bevolkingsgroepen en regio’s.
Brede kennisbasis In totaal hebben zo’n 50 professionals van 20 organisaties meegewerkt in de kernteams. Ruim 100 experts hebben meegedaan aan een of meer hackathons. Daarmee berusten de uitwerkingen van de denkrichtingen op een brede kennisbasis. Het grote aantal betrokkenen heeft er ook toe geleid dat de problematiek rond zeespiegelstijging in relatief korte tijd breed is gedeeld en doorleefd, in de watersector en daarbuiten.
12 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Uitgangspunt 2: huidige functies en landgebruik, huidige stand van de kennis We hadden 50 jaar geleden niet kunnen bedenken in welke wereld we nu leven. Dat geldt ook voor de toekomst. We weten dat de wereld er over 100 of 200 jaar totaal anders uitziet, maar we kunnen ons er geen voorstelling van maken. De combinatie van klimaatverandering, technologische ontwikkeling, verschuivende machtsverhoudingen en maatschappelijke en economische veranderingen zullen tot
nieuwe omstandigheden, een nieuwe samenleving en een nieuwe inrichting leiden. Zo zal zeespiegelstijging elders in de wereld mogelijk uitgestrekte kustgebieden en eilanden overspoelen of te risicovol maken voor bewoning. Grote delen van de aarde worden ongeschikt voor voedselproductie, door te veel of juist te weinig water en verlies van biodiversiteit. Dit kan hongersnoden en grootschalige migratie veroorzaken en bijvoorbeeld ook insectenplagen en ziekten. De economie zal veranderen, mondiaal en ook regionaal en lokaal. Ook door andere ontwikkelingen zullen de cultuur, de economie en sociale verhoudingen veranderen. Samen met nieuwe kennis en technologie kunnen daarbij manieren voor het omgaan met zeespiegelstijging in beeld komen waar we nu nog geen idee van hebben. Omdat deze veranderingen nauwelijks te voorspellen zijn, zijn de huidige functies, het huidige landgebruik en de huidige stand van de kennis als uitgangspunt en vergelijkingsbasis genomen voor de uitwerking van de denkrichtingen. Daarmee zijn de uitkomsten onderling redelijk vergelijkbaar. Ook is hiermee eenvoudiger te zien wat nu aandacht vraagt bij investeringen op korte en middellange termijn.
Uitgangspunt 3: focus op waterveiligheid en zoetwaterbeschikbaarheid Zeespiegelstijging zal uiteenlopende gevolgen hebben in Nederland. In deze eerste uitwerking van denkrichtingen staat het omgaan met waterveiligheid centraal en zijn de gevolgen voor zoetwaterbeschikbaarheid globaal mee genomen. De onderzoeken hebben niet alleen rekening gehouden zeespiegelstijging maar ook met andere gevolgen van klimaatverandering, waaronder verandering van de rivierafvoeren. Deze gevolgen komen in het benedenrivierengebied van de Rijn en de Maas samen met de zeespiegelstijging, wat daar tot grote opgaven leidt. Daarom gaat de meeste aandacht uit naar de gebieden die de afvoer van dat water moeten faciliteren: de Rijnmond en de Zeeuwse en Brabantse Delta. Droogte, temperatuurstijging en economische ontwikkeling zijn niet meegenomen bij het bepalen van de zoetwatervraag. De gevolgen van de denkrichtingen voor natuur, water kwaliteit, scheepvaart, landbouw en bebouwing worden in de volgende fase van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging beschreven (zie uitgangspunt 7).
5
Uitgangspunt 4: adaptiviteit en solidariteit De basiswaarden van het Deltaprogramma zijn onder meer adaptiviteit en solidariteit. Adaptiviteit betekent dat strategieën en maatregelen aanpasbaar zijn aan veranderende omstandigheden. Solidariteit houdt onder andere in dat onze generatie solidair is met toekomstige generaties en ruimte openhoudt voor eigen afwegingen door die toekomstige generaties.
Uitgangspunt 5: rekenen met 2 en 5 meter zeespiegelstijging De consortia hebben de denkrichtingen uitgewerkt voor 2 en 5 meter zeespiegelstijging. De ontwerpen die de consortia hebben uitgewerkt, horen niet bij een bepaald jaartal. Ze kunnen vroeger of later aan de orde zijn5. De snelheid van de zeespiegelstijging bepaalt wel in hoge mate de haalbaarheid van de denkrichtingen: naarmate de zeespiegelstijging sneller verloopt, is een grotere inspanning in kortere tijd nodig om uitvoering te realiseren. Dat heeft ook consequenties voor de kosten. Om te onderzoeken of de denkrichtingen ook toepasbaar zijn bij snelle zeespiegelstijging is hier uitgegaan van het vrij extreme scenario waarbij 2 en 5 meter zeespiegelstijging zich voordoen rond respectievelijk 2100 en 2200. De kans hierop is klein, maar dit scenario is niet uit te sluiten. Alle consortia hebben ook dezelfde uitgangspunten gehanteerd voor rivierafvoeren, passend bij zeer extreme klimaatverandering in 2100 en 2200.
Hydraulische parameter
2100
Zeespiegelstijging t.o.v. 1995 (m)
2
2200 5
Stijgsnelheid zeespiegel (mm/jaar)
28
42
Rijnafvoer Lobith (m3/s)
18.000
20.000
Maasafvoer Eijsden (m3/s)
4.800
5.300
Totale rivierafvoer
23.000*
25.000*
Tabel 1: Uitgangspunten voor zeespiegelstijging en rivierafvoeren voor de onderzoeken naar denkrichtingen. In de waarden voor zeespiegelstijging is bodemdaling als verwaarloosbaar verondersteld. NB: Niet alle aspecten die relevant zijn voor de ontwikkeling van de watervraag en het bepalen van het watertekort konden in deze exercitie meegenomen worden; denk aan droogte, temperatuurontwikkeling en economische ontwikkelingen. *Aangenomen is dat de gecombineerde Rijn-Maasafvoergolf 25 dagen duurt (conform GRADE)
Volgens de KNMI’23-scenario’s wordt twee meter zeespiegelstijging in een extreme situatie met een versnelde smelt op Antarctica verwacht in 2086 (‘worst case’), in het scenario met hoge uitstoot tussen 2150 en 2285 en in het scenario met lage uitstoot is de twee meter nog niet opgetreden in 2300. Voor vijf meter zeespiegelstijging geldt: in een extreme situatie in 2145 (‘worst case’), in het scenario met hoge uitstoot na 2260. In het scenario met lage uitstoot kan er geen uitspraak gedaan worden over of en wanneer 5 meter zeespiegelstijging optreedt. Ruimte voor zeespiegelstijging | 13
Uitgangspunt 6: doelstellingen voor waterveiligheid en zoetwater Waterveiligheid Uitgangspunt is dat het Hoogwaterbeschermings programma in 2050 is afgerond en dat alle waterkeringen dan voldoen aan de wettelijke normen voor overstromingskansen zoals die nu in de wet zijn vastgelegd. De denkrichtingen Zeewaarts en Beschermen zijn er daarnaast van uitgegaan dat de huidige wettelijke water veiligheidsnormen voor de primaire keringen ook in de toekomst maatgevend blijven. Voor de uitwerking van de denkrichting Meebewegen past dat uitgangspunt niet bij de aard van de denkrichting. Hier is de onderliggende beleidsdoelstelling als leidraad gekozen: de kans dat een individu door een overstroming komt te overlijden mag niet groter zijn dan 1/100.000 per jaar (basisveiligheid). Uit de Tussenbalans van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging blijkt dat het technisch mogelijk is om de kustlijn met de huidige aanpak van zandsuppleties op zijn plaats te houden tot een zeespiegelstijging van ten minste 5 meter. Deze wijze van kustlijnonderhoud is in combinatie met het op orde houden van bijbehorende waterkeringen vrijwel altijd een effectieve, relatief goedkope aanpak. Daarom is het voortzetten van zandsuppleties in de denkrichtingen Beschermen en Zeewaarts als uitgangspunt gekozen; voor de denkrichting Meebewegen was dit geen absoluut uitgangspunt.
14 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Zoetwaterbeschikbaarheid Voor zoetwaterbeschikbaarheid zijn geen doelstellingen voor de toekomst gehanteerd. Bij het bepalen van zoet watertekorten is er in de denkrichtingen Beschermen en Zeewaarts vanuit gegaan dat de hoeveelheid zout in het water in de toekomst overal gelijk moet blijven (polders en oppervlaktewater) en dat huidige innamepunten voor drinkwater blijven bestaan. Voor de denkrichting Beschermen was het mogelijk de toekomstige zoetwatervoorraad in het hoofdwatersysteem enigszins kwantitatief te bepalen, omdat deze richting nauw aansluit bij de huidige aanpak waar veel modelberekeningen voor beschikbaar zijn. Voor de denkrichtingen Zeewaarts en Meebewegen is een kwalitatief beeld geschetst.
Uitgangspunt 7: economisch centrum en andere functies Voor de denkrichtingen Zeewaarts en Beschermen is aangenomen dat het economisch centrum van Nederland in de Randstad blijft. Bij Meebewegen is er rekening mee gehouden dat dit op den duur (na 2200 en bij meer dan 5 meter zeespiegelstijging) steeds moeilijker houdbaar is. Alle consortia hebben globaal de effecten beschreven voor enkele andere functies en de kansen die voor deze functies kunnen ontstaan. Een systematische beschrijving van effecten op andere functies volgt in de komende fase van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging, op basis van een impactanalyse voor de lange termijn. Deze analyse is noodzakelijk om meer zicht te krijgen op de voor- en nadelen van de denkrichtingen en voor een vergelijking tussen de denkrichtingen onderling en met de huidige strategie.
Oosterscheldekering Ruimte voor zeespiegelstijging | 15
Aanleg van de Afsluitdijk met drijvende stoomkraan 16 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
3. Denkrichtingen voor de lange termijn: kenmerken en bevindingen Meebewegen, Beschermen en Zeewaarts zijn drie verschillende manieren waarmee Nederland op lange termijn kan omgaan met zeespiegelstijging. Iedere denkrichting leidt tot een ander Nederland. Het onderzoek laat dat op hoofdlijnen zien. 3.1. Voortbouwen op tradities in het waterbeheer Nederland heeft een eeuwenlange geschiedenis met het waterbeheer. Op deze ervaring kunnen we voortbouwen bij de voorbereiding op versnelde zeespiegelstijging. Nederlanders hebben op hoofdlijnen steeds twee strategieën toegepast, vaak in combinatie met elkaar: • Aanpassen en natuurlijke processen benutten Volgens deze traditie passen we ons landgebruik aan de natuurlijke dynamiek van de watersystemen aan. We geven het water de ruimte en maken in het waterbeheer gebruik van natuurlijke processen, zoals opslibbing en natuurlijk zandtransport. In het verleden is via natuurlijke opslibbing bijvoorbeeld op grote schaal land aangewonnen. Recente voorbeelden zijn het programma Ruimte voor de Rivier, het onderhoud van de kust met zandsuppleties, hermeandering van beken voor het vasthouden van water en vernatting van veengronden.
• Het water sturen, keren en beheersen In deze strategie maken we gebruik van technische maatregelen om het water te kunnen benutten voor het gewenste landgebruik voor landbouw, bewoning en bedrijvigheid. Voorbeelden zijn de normalisatie en kanalisatie van de Rijn en Maas, de ontwatering in onder andere de veengebieden, de afsluiting van de Zuiderzee, de aanleg van de Deltawerken en het gebruik van sluizen en stuwen om zoetwater te verdelen over het land. Als eerste verkenning voor de toekomst zijn drie fundamenteel verschillende combinaties van deze strategieën uitgewerkt (zie 2.2): Meebewegen, Beschermen en Zeewaarts. Deze drie denkrichtingen bieden samen een groot palet van mogelijkheden waarbinnen uiteindelijk optimale combinaties van maatregelen gekozen kunnen worden. Figuur 1 laat de belangrijkste verschillen zien tussen de uitgewerkte denkrichtingen, met de focus op bouwstenen en waterstanden.
Ruimte voor zeespiegelstijging | 17
Voorne - Putten 9m 7m 5m 3m 1m -1m -3m -5m
+5M
gelstijging bij huidig beleid
Mogelijke waterstanden bij 5m zeespie
Doorsnede lijn Randstad - Hoog Nederland gestippeld op de achtergrond
Huidige situatie 2024 + mogelijke waterstanden in 2200 Haringvlietdam 15.500 m3/s
9m 7m 5m 3m 1m -1m -3m -5m
+5M 0,5M
Beschermen Gesloten en pompen
Haringvlietdam
3000 m3/s
9m 7m 5m 3m 1m -1m -3m -5m
>5M
+5M
Beschermen Gesloten en zoveel mogelijk spuien Haringvlietdam
3000 m3/s
9m 7m 5m 3m 1m -1m -3m -5m
>5M
+5M
Beschermen Afsluitbaar zeefront met gespreide of geconcentreerde versterkingsopgave Stormvloedkering Haringvlietdam
9m 7m 5m 3m 1m -1m -3m -5m
Pompcapaciteit - 8.700m3/s Extra waterberging - 900km2
+5M
Zeewaarts Haringvlietdam
9m 7m 5m 3m 1m -1m -3m -5m
Verhoogde dijk voor beschermen Randstad op de achtergrond +5M
Meebewegen van Randstad tot hoog Nederland
Legenda Stijging van het waterpeil in de rivieren Bestaande rivierkering Nieuwe rivierkering
Pomp Spuisluis Verhoging van dijken langs rivieren
Bestaande kering Nieuwe kering of versterking van kering Stormvloedkering
Doorsnede Randstad gestippeld op de achtergrond Zoutindringing ten opzichte van huidig
Verbinding tussen laag en hoog-Nederland Verticale evacuatie Nieuwe gebouwen
Mogelijke waterstanden bij 5m ZSS bij huidig beleid Verhoogde dijk voor beschermen Randstad op de achtergrond
Figuur 1: Dwarsdoorsneden vanaf zee landwaarts voor verschillende situaties. De bovenste vijf doorsnedes laten de zee zien en het mondingsgebied en de bovenloop van Rijn en Maas bij 5 m zeespiegelstijging en extreme rivierafvoer. De verschillen in waterstand en verzilting worden veroorzaakt door verschillende inzet van bouwstenen zoals afsluiten, bergen, pompen en spuien in de onderzochte denkrichtingen. Hogere peilen leiden in deze doorsnedes tot dijkversterking. De onderste dwarsdoorsnede is door land en laat verschillende mogelijke bouwstenen van de oplossingsrichting meebewegen zien. 18 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Iedere denkrichting is door een consortium van markt partijen en overheden uitgewerkt, waarbij alle consortia zoveel mogelijk gelijke uitgangspunten hebben gehanteerd (zie hoofdstuk 2). Hieronder staan de bevindingen op hoofdlijnen.
Eerste verkenning: mogelijke denkrichtingen, mogelijke invullingen Er zijn vele manieren denkbaar voor het omgaan met zeespiegelstijging. In dit onderzoek zijn drie denkrichtingen onder de loep genomen. Ieder van die denkrichtingen is weer op vele wijzen in te vullen, passend bij de filosofie van de richting. In dit onderzoek hebben de consortia voor iedere denkrichting één of enkele denkbare invullingen gekozen en verder uitgewerkt. Het doel is dan ook zeker niet om op basis van dit onderzoek een keuze te maken voor de toekomst. Het doel is om gevoel te krijgen voor het palet aan mogelijkheden en de concrete vraagstukken die daarbij ontstaan. Zodat we met dat inzicht nieuwe stappen kunnen zetten in de voorbereiding op zeespiegelstijging. De drie consortia hebben geprobeerd de drie denkrichtingen op een vergelijkbare manier uit te werken (zie ook hoofdstuk 2). Toch is er een verschil in de mate van concreetheid en onderbouwing tussen de uitgewerkte denkrichtingen. De consortia die Beschermen en Zeewaarts hebben uitgewerkt, konden voor een groot deel voortbouwen op de huidige aanpak en gebruik maken van de analyses voor waterveiligheid en zoetwater die in de eerste fase van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging zijn gemaakt (de systeemverkenningen). Dat heeft uitwerkingen opgeleverd met concrete waterbouwkundige ingrepen en een redelijke mate van onderbouwing.
Voor het consortium dat Meebewegen heeft uitgewerkt, stond het landgebruik in de gebieden achter de keringen centraal. Hoe dat landgebruik kan meebewegen is een ingewikkeld en veelzijdig vraagstuk. Dit onderzoek is dan ook verkennend van aard en heeft meer schetsmatige resultaten opgeleverd.
3.2 Meebewegen In de denkrichting Meebewegen blijft Nederland leefbaar en bewoonbaar doordat het landgebruik en de functies geleidelijk worden aangepast aan de gevolgen van de stijgende zeespiegel (zie figuur 1 Meebewegen). De strategie van steeds verdergaande technische ingrepen wordt verlaten. Water krijgt een meer natuurlijke plaats in het land en in de samenleving. Aanname is dat de bestaande waterinfrastructuur en kunstwerken na 2050 niet meer in alle gevallen verder verbeterd worden (maar ze worden ook niet verwijderd). Iedereen houdt het basisbeschermings niveau zoals nu vastgelegd: de kans dat iemand komt te overlijden door een overstroming is maximaal 1/100.000 per jaar. Dat gebeurt steeds meer met maatregelen die de gevolgen van overstromingen beperken. Rivierwater stroomt onder vrij verval via afsluitbare riviermondingen naar zee. Overtollig water wordt in toenemende mate tijdelijk geborgen in daarvoor bestemde gebieden.
Uit welke maatregelen bestaat Meebewegen? Het consortium Meebewegen heeft verschillende typen maatregelen verkend die bij deze richting passen. Deze zijn uitgewerkt in bouwstenen die deels nu al worden toegepast en deels nieuw zijn. Een deel van de bouwstenen is watergerelateerd, zoals ringdijken rond bebouwing, waterbergende bufferpolders, natuurlijk meegroeien van kust en oevers met zeespiegelstijging en water vasthouden. Het consortium heeft ook bouwstenen verkend voor functies die door zeespiegelstijging onder druk komen te staan, zoals nutsvoorzieningen, economische activiteiten, landbouw en bewoning: verhoogd of drijvend bouwen, voorzieningen voor verticale evacuatie, waterrobuuste vitale netwerken (elektriciteit, drinkwater), zouttolerante landbouw, ‘footloose’ landbouw, verschuiving van investeringen naar hoog-Nederland en de daarvoor benodigde governance. Van deze bouwstenen zijn mogelijke regio-specifieke combinaties gemaakt voor de Randstad, hoog-Nederland en laag-Nederland (inclusief het rivierengebied en de zuidwestelijke delta) (zie figuur 2).
Ruimte voor zeespiegelstijging | 19
Meebewegen
en ijke process n atururl re ten n , estuaria en rivie nut st Be ngs ku a l
Bron: ONE Architecture & Urbanism
Bron: ONE Architecture & Urbanism
Hoog Nederland
Bron: Defacto Urbanism
Laag Nederland
Bron: Defacto Urbanism
Dijkring 14/44 Verdiencapaciteit in westen behouden voor adaptatie
Haven
Bron: ZUS, Flux, Sweco
Ontw ikkel c orridors tussen laag en hoog Nederland
Verbinding h aven me tD
Rivieren en delta Benutten natuurlijke processen langs kust, estuaria en rivieren
o Ontwikkel corrid
rs t
us
Bron: Deltastad, H+N+S Landschapsarchitecten, Palmbout Urban Landscapes
uits la n
d
Bron: Studio Hartzema, Feddes-Olthof, Witteveen+Bos
Hoog Nederland
s e n la ag e n
d lan der Ne og ho
Legenda Randstad; Bescherming zo lang mogelijk handhaven Rivieren & delta; Ruimte maken voor natuurlijke dynamiek Laag - Nederland; Regionaal uit te werken combinaties van meerlaagse veiligheid Hoog - Nederland; Voorbereiden op mogelijke spreiding Gebieden met inzet op nature based solutions Ontwikkel corridors Verbinding
Bron: ONE Architecture & Urbanism
5mZSS
noordzee
duingebied
droogmakerij meer droogmakerij ringvaart
laagveengebied
kanaal
hoge veluwe
rivier
Figuur 2: Landschappelijke impressies (beelden in de kaart) en bouwstenen (dwarsprofiel) van de denkrichting Meebewegen. In de kaart wordt grofweg onderscheid gemaakt tussen de overstromingsgevoelige gebieden in Nederland en de hogere delen. In de overstromingsgevoelige gebieden zijn binnen de denkrichting Meebewegen aanpassingen nodig aan bebouwing en landgebruik die de kwetsbaarheid van het gebied verkleinen. Het gebied van dijkring 14 en 44 is onderscheiden, omdat naar aanleiding van een nadere analyse geconcludeerd is dat dit gebied zo lang mogelijk beschermd moet blijven met dijken en duinen om het verdienvermogen van Nederland op peil te houden. 20 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Het aanpassen van het landgebruik is een essentieel onderdeel van deze denkrichting en dat heeft ingrijpende consequenties. De denkrichting gaat uit van het geleidelijk toegroeien naar aangepast landgebruik via een zorgvuldig en gecontroleerd proces, om sociaaleconomische schokken zoveel mogelijk te voorkomen. Wanneer hierop wordt ingezet, is landelijke regie nodig op basis van een duidelijk toekomstperspectief voor de lange termijn en samenspraak met belanghebbenden en bedrijven.
Wat betekent Meebewegen voor de waterveiligheid? Het is belangrijk dat Nederland verdienvermogen behoudt om zich aan klimaatverandering aan te passen. Daarom is er in deze denkrichting voor gekozen het economisch hart van Nederland zo lang mogelijk te blijven beschermen tegen
overstromingen: de Randstad-agglomeratie (dijkring 14 en 44 en het havengebied Europoort). Uit de denkrichting Beschermen blijkt dat het in stand houden en versterken van de bestaande waterkeringen van deze dijkringen hiervoor de meest effectieve strategie is. In de Randstand is volledig inzetten op meebewegen (met bebouwing op terpen, drijvend bouwen, ringdijken rond grote steden) voorlopig niet haalbaar: er is onvoldoende ruimte voor, het is onevenredig kostbaar en het levert onvoldoende bescherming op voor bestaande bebouwing. Zo zijn voor ringdijken rond grote steden waterkeringen over een lengte van 310 km nodig, terwijl de huidige dijkringen een totale lengte hebben van 190 km. Op terpen is bij 5 meter zeespiegelstijging woonruimte voor niet meer dan enkele miljoenen inwoners; nu wonen er 4,4 miljoen mensen (zie figuur 3).
Versterking Houtribdijk met zandige oevers en natuurgebied Trintelzand Ruimte voor zeespiegelstijging | 21
Grote steden
Geheel dijkring 14/44 (huidig)
Regionale dijken
Alle steden
Haarlem Amsterdam
Amsterdam
Duinen natuurlijk
Leiden
Stretch van hogere gebieden
Alphen a/d rijn
Utrecht
Utrecht Den haag
Den haag
Regionale dijken
Woerden Gouda
Zoetermeer
Primaire dijken
Legenda Duinen Hogere gebieden Primaire dijken Regionale dijken Nieuwe dijken
Rotterdam
Rotterdam
Beschermd gebied
Lengte waterkeringen
# mensen beschermd
Geheel dijkring 14/44 (huidig)
190 km
4,4 miljoen
Grote steden - Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht
220 km
2,9 miljoen
Alle steden
310 km
3,9 miljoen
Gebieden geschikt voor nieuwbouw op terpen bij 2 meter zeespiegelstijging zonder aanvullende bescherming
Gebieden geschikt voor nieuwbouw op terpen bij 5 meter zeespiegelstijging zonder aanvullende bescherming
Totale beschikbare ruimte - 34.622 ha
Totale beschikbare ruimte - 17.813 ha
Legenda
Legenda
1 - 2m Terp (+6m, +5m NAP) 3 - 4m Terp (+4m, +3m NAP) 5 - 6m Terp (+2m, +1m NAP) 7 - 8m Terp (0, -1m NAP) Geen terp nodig
1 - 2m Terp (+9m, +8m NAP) 3 - 4m Terp (+7m, +6m NAP) 5 - 6m Terp (+5m, +4m NAP) 7 - 8m Terp (+3m, +2m NAP) Geen terp nodig
Bestaande bevolking van de randstad in de dijkringen A14 en A44
Mogelijke populatie met 100 woningen/ha
Mogelijke populatie met 50 woningen/ha
Bestaande bevolking van de randstad in de dijkringen A14 en A44
Mogelijke populatie met 100 woningen/ha
Mogelijke populatie met 50 woningen/ha
4,4 miljoen
6,9 miljoen
3,5 miljoen
4,4 miljoen
3,5 miljoen
1,7 miljoen
*Maximale hoogte van terpen is 8 meter in verband met kosten en beschikbaarheid materiaal *Er is bij geschikte gebieden voor terpen geen rekening gehouden met restricties van niet bouwen in bestaand N2000 gebieden en andere ruimtelijke functies (zoals waterwinning)
Figuur 3: Verkenning van de mogelijkheden van ringdijken en terpen om bebouwing en inwoners in dijkring 14 en 44 tegen overstromingen te beschermen. Ringdijken blijken geen goed alternatief voor de huidige dijkringen. Ze beschermen minder mensen en zijn bij elkaar opgeteld langer en dus duurder dan de huidige waterkeringen. Terpen bieden niet voldoende ruimte om alle inwoners kwijt te kunnen binnen het gebied. In verband met kosten en de beschikbaarheid van materiaal is uitgegaan van een maximale hoogte van 8 meter voor de terpen. Er is bij geschikte gebieden voor terpen geen rekening gehouden met restricties van niet bouwen in bestaand N2000 gebieden en andere ruimtelijke functies (zoals waterwinning). 22 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
In de kustgebieden van de zuidwestelijke delta en NoordNederland en langs de rivieren wordt maximaal ingezet op het laten meegroeien van het land door natuurlijke opslibbing. Bij extreme stijging van de waterstanden zullen de bewoning en het landgebruik zich hier geleidelijk aanpassen, bijvoorbeeld door woningen en infrastructuur verhoogd of waterbestendig te bouwen, en zich zo nodig gecontroleerd terugtrekken en verplaatsen naar hoogNederland. De kosten voor deze aanpassingen zijn nog niet in beeld gebracht. Daarom was het voor deze gebieden nog niet mogelijk om een kostenafweging op basis van verschillende invullingen te maken, zoals voor de Randstad wel is gedaan.
Wat betekent Meebewegen voor de zoetwatervoorziening? In laag-Nederland en de Randstad neemt de zoetwater beschikbaarheid in deze denkrichting af, als gevolg van zoutindringing via sluizen, zoute kwel via het grondwater en verzilting van de open riviermondingen. Een aandachtspunt is of en hoe dit gebied op langere termijn over voldoende drinkwater kan beschikken. Grote delen van laag-Nederland zullen door de toenemende verzilting en overstromingen, in combinatie met toe nemende wateroverlast, minder geschikt of zelfs ongeschikt worden voor de bestaande land- en tuinbouw. Steeds meer mensen zullen gaan wonen en werken in hoog-Nederland, waardoor de vraag naar water daar toeneemt. Ook in hoog-Nederland zal daardoor de beschikbaarheid van drinkwater steeds meer onder druk komen te staan; dat is nu al het geval. Daarnaast kan deze verschuiving de beschikbaarheid van water voor grond gebonden landbouw in hoog-Nederland verminderen. Landbouwvormen met een kleinere watervraag, zoals ‘footloose’ landbouw, zouden dan interessant kunnen zijn.
Wat betekent Meebewegen voor het ruimtebeslag en het ruimtegebruik? De gevolgen voor het ruimtebeslag en het ruimtegebruik verschillen per regio (zie ook figuur 2).
Randstad Hier is ruimte nodig om de dijken te kunnen blijven versterken en verhogen. Daarnaast zijn er ruimtelijke aanpassingen nodig om bij een onverhoopte overstroming de gevolgen te beperken, bijvoorbeeld door altijd-droge locaties te creëren voor kritieke infrastructuur (energie, communicatie) en als veilig toevluchtsoord (verticale evacuatie). Dat vraagt bij een zeespiegelstijging van 2-5 meter aanzienlijke aanpassingen in private en publieke gebouwen. Bij nieuwe ontwikkelingen kan hoogbouw bijdragen aan het verminderen van de risico’s.
Bodemdaling, verzilting en wateroverlast zorgen nu al in toenemende mate voor schade en overlast in dit gebied. Meebewegen krijgt invulling met meer ruimte voor waterberging, strengere eisen aan woningbouw (locaties en aanleghoogte) en aanpassingen van land- en tuinbouw aan verziltende en nattere bodems.
Hoog-Nederland Bij deze denkrichting is aangenomen dat steeds meer bewoning en verdienvermogen naar de hoge delen van Nederland verschuift. Daarmee wordt de Nederlandse economie minder gevoelig voor een overstroming in (een deel van) de Randstad. De kans op zo’n overstroming is weliswaar erg klein, maar de gevolgen kunnen heel groot zijn. De geschiedenis leert dat het verplaatsen van een economische kern lastig te sturen is. Kansen voor sterke agglomeraties in hoog-Nederland ontstaan bijvoorbeeld bij kenniscentra, zoals in Eindhoven of Twente. Inzetten op een dergelijke verplaatsing binnen Nederland zou ook kunnen leiden tot versterking van bestaande agglomeraties in het buitenland. Goede verbindingen tussen de Randstad en deze regio’s en tussen deze regio’s en economische centra in de buurlanden zijn daarvoor bepalend, net als nu. Toenemende bewoning in hoog-Nederland beperkt de mogelijkheden voor grondgebonden landbouw. Er is een eerste verkenning gedaan naar footloose landbouw als een mogelijke manier om landbouw te bedrijven met minder ruimtebeslag. Als footloose landbouw gewenst is, is een transitie nodig naar een bedrijfsvoering met gesloten kringlopen en recycling (voor stallen, kassen, aquacultuur en de bijbehorende logistiek). Op weg daarnaartoe zijn vele varianten mogelijk.
Laag-Nederland: rivieren, delta, kust en estuaria In de laaggelegen gebieden langs de kust en de benedenloop van de grote rivieren zijn natuurlijke processen als sedimenttransport en opslibbing te benutten. Langs de kust is doorgaan met zandsuppleties in combinatie met waterkeringen (meestal duinen, bij de kustplaatsen ook harde waterkeringen) haalbaar tot ten minste 5 meter zeespiegelstijging (zie Tussenbalans). Langs de Waddenzee en in de zuidwestelijke delta kan het land meegroeien met de zeespiegelstijging door natuurlijke sedimentatie, bijvoorbeeld in wisselpolders of tussen dubbele dijken. Dit kan werken tot een zeespiegelstijging van 5-10 mm per jaar. Snellere zeespiegelstijging is met natuurlijke sedimentatie niet bij te houden. Zonder aanvullende sedimentaanvoer en/of invangmaatregelen gaan dan ook bestaande inter getijdengebieden (kwelders, schorren, slikken en zand platen) in toenemende mate verloren.
Ruimte voor zeespiegelstijging | 23
Buitendijkse gebieden Buitendijkse economische activiteiten krijgen in heel Nederland met steeds hogere waterstanden te maken. Onderdeel van Meebewegen is dat nieuwe buitendijkse ontwikkelingen een adaptief ontwerp krijgen, zodat periodiek ophogen, aanpassen of verplaatsen mogelijk is.
Wat moeten we nu doen en laten om Meebewegen mogelijk te houden? De transities die onderdeel zijn van Meebewegen vragen tijd. Hoeveel tijd daarvoor beschikbaar zal zijn, hangt af van de snelheid waarmee de zeespiegel stijgt. Uit het onderzoek blijkt dat grote transities, zoals het verschuiven van woon- en werkagglomeraties naar hoger gebied, ten minste ordegrootte honderd jaar vragen. Zeker als we ook rekening houden met de complexe plan- en besluitvorming die daaraan voorafgaat. Meebewegen vereist daarom ver vooruitkijken en vroegtijdig beginnen, om sociale en economische aanpassingskosten te minimaliseren. Voor de korte termijn staan al transities, investeringen en vervangingen op de agenda, bijvoorbeeld voor landbouw, natuur, woningbouw, infrastructuur en duurzame energie. Dat biedt kansen om ervaring met Meebewegen op te doen en eerste stappen te zetten. Meebewegen vraagt op termijn voldoende ruimte, onder meer voor dijkversterkingen in de Randstad, hoge en droge locaties om de gevolgen van overstromingen te beperken, nieuwe woon- en werklocaties in hoog-Nederland en het laten meegroeien van land met de zeespiegelstijging.
Een goede voorbereiding op Meebewegen vraagt daarnaast meer kennis en ervaring: • onderzoek naar de kosten van deze denkrichting, ook in vergelijking met de kosten van andere denkrichtingen in specifieke regio’s; • onderzoek naar natuurlijke opslibbing als onderdeel van waterkerende functies, met name in Noord- en Zuidwest-Nederland (wisselpolders, kwelders, rivier natuur et cetera), waar mogelijk ook met pilots; • intensivering van onderzoek naar landbouwvormen die met minder water en grond een hoge voedselproductie bieden en landbouw in verziltende omstandigheden; • ontwerpprincipes en regelgeving voor waterbestendige nieuwbouw en (kritieke) infrastructuur; • onderzoek naar manieren om op lange termijn voldoende drinkwater te houden;
24 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
• onderzoek naar de bestuurlijke plan- en besluitvorming om ingrijpende transities die horen bij Meebewegen te kunnen inzetten en de transitiekracht van diverse sectoren, bijvoorbeeld voor transities in de landbouw, woningbouw en locaties van economische centra; • onderzoek naar effectieve strategieën voor verschuiving van woonagglomeraties en economische centra, met aandacht voor de economische en maatschappelijke gevolgen.
3.3 Beschermen Met de denkrichting Beschermen houden we Nederland veilig en leefbaar door verder te gaan met de huidige werkwijze in het waterbeheer. We beheersen het water met waterbouwkundige werken en instrumenten, zoals dijken, stormvloedkeringen, sluizen en stuwen. Op die manier beschermen we ons tegen overstromingen en voorzien we in de zoetwatervraag. Met zandsuppleties houden we de kustlijn op zijn plaats en stijgt de kust mee met de zee spiegel. Voor de afvoer van rivierwater biedt Beschermen verschillende mogelijkheden. Het onderzoek heeft vier strategieën uitgewerkt die heel verschillend uitpakken (zie figuur 4): • Afsluitbaar zeefront, handhaven bestaande afvoer verdeling over de Rijntakken • Afsluitbaar zeefront, aangepaste afvoerverdeling over de Rijntakken • Gesloten zeefront, handhaven huidig binnenpeil • Gesloten zeefront, meestijgend binnenpeil Een afsluitbaar zeefront is afsluitbaar met een stormvloedkering. Een gesloten zeefront is afgesloten met een dam, waarbij spuisluizen of pompen het overtollige water afvoeren. Bijlage 1 geeft een overzicht van de belangrijkste kenmerken en gevolgen van deze strategieën.
Uit welke maatregelen bestaat de denkrichting Beschermen? Het consortium Beschermen heeft voor de vier strategieën bijpassende maatregelen verkend, zoals sluizen, verdeel werken, stormvloedkeringen, pompen, (multifunctionele) dijken en dammen, kustsuppleties en aangepaste inrichting van buitendijkse gebieden, waar mogelijk in combinatie met nature based solutions (zie figuur 5). De strategieën zijn uitgewerkt voor heel Nederland, met de focus op de Rijn-Maasmonding, de zuidwestelijke delta en de Rijn en de Maas; met name in deze regio’s zijn de strategieën onderscheidend.
Afsluitbaar zeefront, handhaven huidige afvoerverdeling
Afsluitbaar zeefront, aangepaste afvoerverdeling (corridor)
3.000 m3/s
3.000 m3/s
ZOUT++ & getijdenatuur
Pomp
Stormvloedkering
Legenda Spuisluis Gesloten zeefront, handhaven Verdeelwerk huidig binnenpeil
ZOUT++ & getijdenatuur
Zoutindringing in het land
Deltapolder
Zoutindringing in water
Kustverdediging Gesloten zeefront, meestijgend binnenpeil
15.500 m3/s
3.000 m3/s
NAP ZOET++
ZOET+
Legenda
Pomp
Stormvloedkering
Zoutindringing in het land
Deltapolder
Spuisluis
Verdeelwerk
Zoutindringing in water
Kustverdediging
meegroeiend peil
Figuur 4: De onderzochte 4 strategieën van de denkrichting Beschermen: afsluitbaar zeefront met stormvloedkeringen, meestijgend waterpeil en al dan niet aangepaste afvoerverdeling Rijntakken. En gesloten zeefront met hetzij pompen en een laag waterpeil, of spuien en een meestijgend waterpeil om overtollig rivierwater naar zee af te voeren. Door de verschillende combinaties van bouwstenen verschillen de strategieën in optredende verzilting en benodigde dijkversterkingen. Ruimte voor zeespiegelstijging | 25
Verzwaren zeedijken
Extra gemalen
Extra gemalen
Meer zand suppleren
Slimme schutsluizen om verzilting tegen tegaan of geheel afsluiten i.c.m. overslagfaciliteiten
Nieuwe stormvloedkeringen
Afvoerverdeling aanpassen
Spuien of pompen van water uit Benedenrivierengebied Rivierkeringen
Dijken blijven versterken
Systeemkeuze Westerschelde
Aanpassen Oosterscheldekering
Benedenrivierengebied : Spuien of pompen via de Zuidwestelijke Delta Pompen
Spuien
Maximaal nodig
Lengte bij 20 m3/s/m
Totale lengte spuimiddelen (nu ca 1000m)
A1
15500 m3/s
800 m
n.v.t. (alles wordt gepompt)
A2
3000 m3/s
150 m
spuimiddel uitbreiden naar 1500m
B1
3000 m3/s
150 m
huidig spuimiddel voldoet
B2
3000 m3/s
150 m
spuimiddel uitbreiden naar 1500m
Figuur 5: De bouwstenen die nodig zijn voor het realiseren van de denkrichting Beschermen en het geschatte ruimtebeslag van benodigde pomp- dan wel spuicapaciteit. 26 | Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
De strategieën met een afsluitbaar zeefront (stormvloed keringen) sluiten aan bij de huidige strategie (figuur 1, Afsluitbaar gesloten zeefront). Bij een afsluitbaar zeefront stijgen de rivierwaterstanden in de Rijn en Maas mee met de zeespiegelstijging. Dat effect is merkbaar tot aan Nijmegen. Voor dat hele traject voorziet Beschermen in dijkversterkingen. Een nieuwe ronde dijkversterkingen langs NederrijnLek en IJssel is te voorkomen door de afvoertoename van de Rijn vooral naar de Waal te leiden. In combinatie met zeespiegelstijging leidt dat wel tot een grotere water veiligheidsopgave in de dichtbebouwde regio RijnmondDrechtsteden. Dijkversterkingen kunnen hier voorkomen worden door de aanleg van een Deltapolder. Hierbij wordt het Rijnmond-Drechtstedengebied aan de zee- en de rivierzijde afgesloten, zodat in deze regio een gecontroleerd peil ontstaat, net als in een polder. Water vanuit de Waal en de Maas stroomt dan ten zuiden van de Deltapolder naar zee. Alleen de afvoer van Lek en Hollandse IJssel en de regionale systemen stroomt door de polder en wordt bij Hoek van Holland uitgepompt met een complex van 3000 m3/s. Ter vergelijking, op dit moment is de pompcapaciteit van het grootste gemaal van Nederland 250 m3/s (gemaal IJmuiden). De strategieën met een gesloten zeefront hebben een ander vertrekpunt dan de huidige strategie.
De Nieuwe Waterweg en het Haringvliet zijn daarbij volledig afgesloten met een dam. Voor de afvoer van rivierwater is een groot pomp complex nodig, eventueel gecombineerd met berging van piekafvoeren in bijvoorbeeld bestaande watersystemen (figuur 1, Gesloten en pompen). Dat vraagt een enorme pompcapaciteit. In een extreme situatie is bij een zeespiegelstijging van 5 meter een pompcapaciteit van ordegrootte 15.500 m3/s nodig om een hoogwatergolf met een kans van 1/10.000 per jaar af te voeren én tijdelijke berging van rivierwater in bestaande watersystemen over een totale oppervlakte van 1.000 km2 (Rijnmond, Haringvliet, Grevelingen en Oosterschelde). De benodigde pomp capaciteit is 60 keer zo groot als de capaciteit van het grootste gemaalcomplex in Nederland (IJmuiden). De benodigde pompcapaciteit is veel kleiner als een deel van het rivierwater via spuisluizen onder vrij verval naar zee kan stromen (figuur 1, Gesloten en zoveel mogelijk spuien). Daarvoor moet de binnenwaterstand hoger zijn dan de zeewaterstand en dus meestijgen met de zeespiegelstijging. De benodigde pompcapaciteit is dan circa 3.000 m3/s. Daarbij horen wel ingrijpende aanpassingen in buitendijkse gebieden, omdat deze vaker onder water komen te staan. Ook zijn dijkversterkingen langs de rivieren nodig, vergelijkbaar met de afsluitbare strategieën.
Wat betekent Beschermen voor de waterveiligheid Bij een afsluitbaar zeefront wordt het zeewater alleen bij stormvloed gekeerd, in andere omstandigheden niet. Daardoor werkt de zeespiegelstijging in minder extreme situaties wel door in de waterstanden in de beneden rivieren. Die minder extreme situaties kunnen in combinatie met hoge rivierafvoeren veiligheidsrisico’s geven. Daarom zijn hier op termijn steeds hogere en sterkere dijken nodig. In de regio Rijnmond-Drechtsteden zijn dijkversterkingen te voorkomen door de aanleg van een Deltapolder (zie hierboven). Ook bij een gesloten zeefront met spuisluizen en meestijgend binnenpeil zijn dijkversterkingen nodig, omdat de rivierwaterstanden in dat geval in alle omstandigheden meestijgen met de zeespiegelstijging. Alleen bij een gesloten zeefront met gelijkblijvend binnenpeil leidt zeespiegelstijging niet tot dijkversterkingen langs de rivieren. Het kustfundament en de duinen groeien in Beschermen mee met de zeespiegelstijging, net als nu. Uit de Tussenbalans van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging blijkt dat dit een forse opschaling van de zandsuppleties voor de kust vereist: vijf keer zoveel als nu bij 2 meter zeespiegelstijging en tot zeven keer zoveel bij 5 meter zeespiegelstijging. Op dit moment groeien vooroevers langs de Waddenkust en estuaria (kwelders en schorren) mee via natuurlijke sedimentatie.
Dit lijkt mogelijk zolang de zeespiegel niet sneller stijgt dan 5-10 mm per jaar, als er tenminste voldoende sediment in het systeem beschikbaar is en dit ook kan blijven liggen. De verwachting is dat de zeespiegelstijging vanaf de tweede helft van deze eeuw sneller gaat stijgen. In de denkrichting Beschermen blijven de kosten voor het behoud van de huidige beschermingsniveaus - met zandsuppleties, waterkeringen, kunstwerken en pompen – beperkt tot circa € 1 miljard per jaar; dat is ongeveer 0,1 % van het huidige BNP. Het onderzoek laat zien dat de kosten voor waterveiligheid in de vier strategieën van Beschermen niet significant van elkaar verschillen. De verschillen zitten vooral in de benodigde maatregelen en effecten op gebruiksfuncties.
Ruimte voor zeespiegelstijging | 27
Zandsuppleties Scheveningen
Wat betekent Beschermen voor de zoetwatervoorziening? De stijgende zeespiegel leidt tot toenemende verzilting van het grondwater in een strook van 10 -20 km landwaarts van de zeewering. Ook via open riviermondingen neemt de zoutindringing in de oppervlaktewateren toe. Daardoor neemt de zoetwaterbehoefte voor doorspoeling zo sterk toe dat die niet langer vol te houden is met de huidige manier van doorspoelen (systeemverkenning zoetwater). Er zal niet meer voldoende water zijn om alle kustgebieden door te spoelen, als dit met de infrastructuur al mogelijk te maken zou zijn. Het is nog niet bekend wat de gevolgen zijn bij het toelaten van enige verzilting. Bij gesloten riviermondingen is de zoutindringing in het hoofdwatersysteem kleiner, wat gunstig is voor de zoet waterbeschikbaarheid. Hoeveel zoetwater dit oplevert hangt af van de manier van afsluiten en of er een schutsluis voor de scheepvaart komt. Bij het schutten komt zout mee en om dat weg te spoelen is weer zoetwater nodig. In de strategie gesloten met meestijgend binnenpeil ontstaat een grotere zoetwatervoorraad: bij een peilmarge van 2 meter in de Rijn-Maasdelta over een wateroppervlak van circa 1.000 km2 levert dit een extra zoetwaterschijf van 2 miljard m3 op. Nader onderzoek is nodig om te bepalen of dit voldoende is om bij 2 meter zeespiegelstijging in een droge zomer aan de vraag naar zoetwater te voldoen.