CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS318698 Bijlage 1 Participatieverslag Wie mag het zeggen

Commissie Samenleving 4 december 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Raadsvoorstel: Participatieverordening en handboek participatie (tweede termijn)12.357 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ Handboek participatie en participatieverordening April 2024

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

Inhoudsopgave “Wie mag het zeggen?” ................................................................................................................................................................... 3 1. Gevolgd participatieproces ....................................................................................................................................................... 3 Hoe hebben bewoners, ondernemers en (welzijns)organisaties meegedaan? ................................................ 4 2. Welke inbreng is opgehaald en hoe is deze verwerkt? ................................................................................................. 7 2.1 Straatgesprekken en keuzewijzer online .................................................................................................................... 7 Wie deden mee? ....................................................................................................................................................................... 7 De negen stellingen ................................................................................................................................................................ 7 2.2 Sessies Clientraad Sociaal domein, Voorall en jongeren ...................................................................................

17 Sessie Clientraad sociaal domein ................................................................................................................................... 17 Sessie Voorall ........................................................................................................................................................................... 18 Sessie Jongeren ....................................................................................................................................................................... 19 2.3 Stadsgesprek over de spelregels ................................................................................................................................... 21 Thematafel 1: Spelregels voordat een participatietraject start ....................................................................... 21 Thematafel 2: Spelregels tijdens een participatietraject .................................................................................... 22 Thematafel 3: Spelregels na het einde van een participatietraject ................................................................ 23 Thematafel 4: Vertegenwoordigers in participatietrajecten ............................................................................

25 Thematafel 5: Participatie ja/nee, en zo ja hoe groot? ......................................................................................... 25 Thematafel 6: Actieplan Democratie & Participatie.............................................................................................. 27 Thematafel 7: Wie mag het meer zeggen? ................................................................................................................ 28 2.4 Inloopbijeenkomst en publieke dialogen ................................................................................................................. 30 Tafel 1: Belanghebbenden ................................................................................................................................................. 30 Tafel 2: Vertegenwoordigers ............................................................................................................................................ 30 Tafel 3: Inclusie en toegankelijkheid ............................................................................................................................. 30 Tafel 4: Participatieverordening .....................................................................................................................................

31 Tafel 5: Handvatten voor het organiseren van participatie ............................................................................... 31 Tafel 6: Het participatiebeleid in beeld........................................................................................................................ 32 3. Geleerde lessen ............................................................................................................................................................................. 33 Bijlagen ................................................................................................................................................................................................. 33

2

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

“Wie mag het zeggen?” Het participatieproces “Wie mag het zeggen?” is georganiseerd rondom de ontwikkeling van het ‘handboek participatie’ en de ‘Inspraak- en participatieverordening’. Op deze manier zijn de twee documenten met behulp van de inbreng van bewoners, ondernemers, belangengroepen en bewonersorganisaties tot stand gekomen. Zo beantwoordt de gemeente aan het recht van inwoners, ondernemers en (maatschappelijke) organisaties om betrokken te zijn bij het maken van nieuw beleid dat hen aangaat. De gemeente biedt in het handboek en de verordening oplossingen voor de behoeften, uitdagingen en dilemma’s die bewoners, ondernemers en (maatschappelijke) organisaties in de stad ervaren bij participatie. De participatie bestond uit twee fasen en is uitgevoerd van november 2023 tot en met april 2024. Tijdens het proces is breed opgehaald wat de voorkeuren zijn van de deelnemers en zijn de mogelijke regels voor in het handboek en de verordening besproken, aangepast en aangevuld. Het doel van het uitvoeren van dit proces om verschillende belangengroepen te raadplegen en geadviseerd te worden bij een aantal vraagstukken rondom beleids- en projectparticipatie1 (motief, principes, voorwaarden, uitgangspunten, spelregels en vertegenwoordiging) is behaald.

Uit het doorlopen participatieproces volgen zes leerpunten, die gebruikt kunnen worden bij het organiseren van toekomstige participatieprocessen.

1. Gevolgd participatieproces Het handboek participatie en de participatieverordening zijn met behulp van de inbreng van bewoners, ondernemers, belangengroepen en bewonersorganisaties tot stand gekomen. Zie de laatste pagina voor de afbeelding van het gevolgde participatieproces tijdens het schrijven van het handboek participatie en de participatieverordening. De participatie is in twee fases georganiseerd. In de eerste fase is breed opgehaald wat de voorkeuren van bewoners, ondernemers en organisaties zijn voor participatie. Om een diverse groep deelnemers te bereiken, konden zij op verschillende manieren meedoen. De stad heeft meegedaan via een digitale keuzewijzer op een participatiewebsite, straatgesprekken in vier stadsdelen, sessies over de omgevingsvisie in drie stadsdelen, ondernemersgesprekken en sessies met jongeren, de Clientraad Sociaal Domein en Voorall. Vervolgens is de eerste fase afgesloten met een stadsgesprek waar mogelijke regels voor in het ‘handboek participatie’ en de ‘Inspraak- en participatieverordening’ zijn besproken, aangepast en aangevuld. Bewoners hebben ook de mogelijkheid gehad om via de website ‘Publieke dialogen’ te reageren op de terugblik op de thematafels van het stadsgesprek en aanvullingen mee te geven.

Op basis van alle gesprekken die gevoerd zijn, de resultaten van de digitale keuzewijzer en het stadsgesprek is een eerste versie van het handboek en de verordening gemaakt. In de tweede fase van de participatie konden bewoners delen van deze documenten inzien tijdens een inloopbijeenkomst. Hier konden zij vragen over stellen en mogelijke aanpassingen en aanvullingen met de gemeente bespreken. Bewoners hadden ook de mogelijkheid dit digitaal te doen via de website ‘Publieke dialogen’.

1

Beleids- en projectparticipatie: Bewoners, ondernemers en organisaties nemen deel aan het gesprek over beleid en projecten. De gemeente start het proces op door een bepaald doel voor de stad te agenderen, of een concrete opdracht.

3

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

Participatiemoment

Aantal deelnemers

Digitale keuzewijzer

646

Straatgesprekken en gesprekken tijdens omgevingsvisie sessies

339

Sessies met Clientraad, Voorall en jongeren

20 (ongeveer)

Stadsgesprek

60 (ongeveer)

Inloopbijeenkomst en publieke dialogen platform

25 (ongeveer)

Totaal

1090

Figuur 2: overzicht van aantal deelnemers per participatievorm

Hoe hebben bewoners, ondernemers en (welzijns)organisaties meegedaan? In eerste instantie zijn bewoners, ondernemers en organisaties gevraagd wat hun voorkeuren zijn, als het gaat om beleids- en projectparticipatie vanuit de gemeente. Hiervoor is een vragenlijst gemaakt die in de vorm van een keuzewijzer kon worden ingevuld. Een keuzewijzer bevat stellingen. Bij elke vraag kun je een 'schuifje' verplaatsen naar de plek die jouw mening over de stelling weergeeft. Een voorbeeld van een vraag staat hiernaast afgebeeld.

Figuur 3: voorbeeld van een vraag uit de keuzewijzer over participatie, het schuifje staat hier neutraal weergegeven

Deze keuzewijzer kon ingevuld worden op de website https://doemee.denhaag.nl/wiemaghetzeggen De negen stellingen van de keuzewijzer zijn ook aan voorbijgangers gevraagd tijdens gesprekken op straat. Ook zijn mensen die meededen aan sessies over de omgevingsvisie gevraagd naar hun voorkeuren over participatie. Elke keer werden drie stellingen voorgelegd.

4

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

De straatgesprekken en omgevingsvisiesessies hebben op de volgende data en locaties plaatsgevonden: 18 december 2023: Laak (Vadercentrum ADAM en Mobiel Informatiepunt) 20 december 2023: Centrum (Grote Marktstraat) 11 januari 2024: Centrum (Passage) 16 januari 2024: Laak 16 januari 2024: Omgevingsvisiesessie Leidschenveen-Ypenburg 23 januari 2024: Escamp Morgenstond 23 januari 2024: Omgevingsvisiesessie Haagse Hout 24 januari 2024: Segbroek (Fahrenheitstraat) 31 januari 2024: Vogelwijk 1 februari 2024: Omgevingsvisiesessie Escamp

Figuur 4: opzet straatgesprekken waar deelnemers drie stellingen krijgen voorgelegd

Ondernemers zijn via de BIZ’s van Den Haag uitgenodigd om de digitale keuzewijzer in te vullen. Op twee momenten zijn ondernemers benaderd met de fysieke versie van de stellingen uit de keuzewijzer; op 22 januari 2024 bij de Sligro in het Forepark en op 24 januari 2024 bij de Bouwmaat in de Binckhorst. Met de Clientraad Sociaal Domein, jongeren en met Voorall zijn drie aparte gesprekken gevoerd over de voorkeuren met betrekking tot participatie. Dat was op 22 september, 11 januari en 30 januari 2024. Op 31 januari was het voor iedereen mogelijk om mee te doen aan een stadsgesprek. Tijdens deze bijeenkomst werd er gestemd over twee stellingen en werden er aan zeven tafels gesprekken gevoerd over thema's die een plek krijgen in het handboek en/of de participatieverordening. De deelnemers konden aanwezig zijn bij twee thema's, omdat er in twee rondes gesproken werd. De zeven thema’s:

5

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Spelregels voordat een participatietraject start Spelregels tijdens de participatie Spelregels na het einde van een participatietraject Vertegenwoordigers in participatietrajecten Participatie ja/nee en zo ja, hoe groot? Actieplan democratie & participatie Wie mag het meer zeggen?

Figuur 5 en 6: Impressies van het stadsgesprek

Op 7 maart 2024 was het mogelijk om langs te komen bij een inloopbijeenkomst. Tijdens deze bijeenkomst is aan vier tafels gesproken over verschillende onderwerpen en de bijpassende teksten uit het handboek. Daarnaast is aan een tafel gesproken over afspraken in de verordening. Ten slotte is aan een tafel gesproken over het in beeld brengen van het beleid. De zes tafels waren: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Belanghebbenden Vertegenwoordigers Inclusie en toegankelijkheid Participatieverordening Handvatten voor het organiseren van participatie Het participatiebeleid in beeld

Bewoners kregen ook de mogelijkheid om te reageren over dezelfde onderdelen via het digitale platform ‘Publieke Dialogen’.

Figuur 7, 8 en 9: Impressies van de inloopmarkt en het publieke dialogen platform

Er deden offline 20 deelnemers mee. Ook zijn er online 5 reacties geplaatst.

6

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

2. Welke inbreng is opgehaald en hoe is deze verwerkt? 2.1 Straatgesprekken en keuzewijzer online Wie deden mee? In totaal deden 976 mensen mee. 646 mensen deden digitaal mee en 330 mensen fysiek. De meeste deelnemers (93%) wonen in Den Haag. 27% van de deelnemers werkt (ook) in Den Haag en 9% heeft een bedrijf in Den Haag. De meeste deelnemers komen uit de stadsdelen Centrum (25%), Segbroek (20%), Escamp (16%) en Laak (14%). Dat zijn ook de stadsdelen waar de straatgesprekken zijn gevoerd. De meeste deelnemers zijn 40 tot en met 64 jaar (44%) oud of 20 tot en met 39 jaar (31%) oud. De andere leeftijdsgroepen zijn minder vertegenwoordigd. Het valt op dat jongeren (onder de 20) meer hebben meegedaan via de fysieke straatgesprekken (16%) dan digitaal via de website (1%). Het grootste deel van de deelnemers (68%) vindt het belangrijk om te kunnen meedenken. We hebben ook gevraagd naar ervaringen met meedenken. De meeste deelnemers (48%) geven aan dat zij nooit hebben meegedaan of meegedacht met de gemeente. 40% heeft wel één tot meer dan vijf keer meegedaan. De ervaringen over meedoen verschillen. Van de deelnemers is 33% neutraal over de mogelijkheden die zij tot nu toe hebben gekregen. Een groot deel is een beetje ontevreden (21%) of heel ontevreden (18%) over de mogelijkheden om mee te doen.

Mensen geven aan dat zij in gemeentelijke participatietrajecten weinig invloed ervaren, terugkoppeling missen en weinig resultaat zien van hun deelname.

De negen stellingen Hieronder worden de uitkomsten van de voorgelegde negen stellingen uit de straatgesprekken per stelling besproken. Dat zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Zelf meedoen of vertegenwoordigd worden? Vaak meedoen met weinig invloed of af en toe meedoen met veel invloed? Meedenken over 2025 of meedenken over 2050? Meedenken over de hele stad of meedenken over mijn wijk? Vroeg in het traject meedenken of later in het traject meedenken? Eén moment over één specifiek onderwerp of één moment over meerdere onderwerpen? Eén keer meedenken of een langere periode meedenken? In een groep of als persoon alleen meedoen? Op een vaste tijd en plaats (fysiek) of zelfgekozen tijd en plaats (digitaal) meedoen?

1. Zelf meedoen of vertegenwoordigd worden? De meningen verschillen. De meeste deelnemers (37%) zijn neutraal. Zij geven aan dat hun keuze afhangt van hoe belangrijk en ingewikkeld het onderwerp is en hoeveel tijd zij hebben. Hoe dichterbij het komt (eigen straat of wijk), hoe liever mensen zelf meedoen. Maar als het onderwerp verder weg of abstracter is (zoals visies en beleid), laten mensen zich liever vertegenwoordigen.

Daarnaast heeft 37% een voorkeur voor zelf meedoen. Van de mensen die fysiek meededen, heeft zelfs 58% deze voorkeur. Ze geloven dat ze zelf het beste weten wat ze vinden en vertrouwen er niet op dat anderen hun belang goed begrijpen. 26% van de deelnemers laat zich liever vertegenwoordigen. Ze hebben geen tijd, vinden het spannend om hun stem te laten horen, spreken de taal niet (goed), of vinden dat je bij ingewikkelde onderwerpen mensen met kennis en ervaring moet betrekken.

7

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

Figuur 10: uitkomst vraag over 'zelf mee kunnen doen'

Wat de stad hierover zegt

“Ik heb recent nog gemerkt dat een wijkbestuur zei te spreken namens een straat, maar nooit iemand in de straat had gesproken.” “Depends on the proximity of the issue, if I'm directly affected, I would prefer to be able to participate myself, but in regard to general issues I would be happy to be represented by someone.” “Vooral als het om je wijk of straat gaat, vind ik het belangrijk als iedereen de kans krijgt om gehoord te worden." “Als het over iets groters in de stad gaat denk ik dat het goed is als elke buurt eerlijk vertegenwoordigd is.” “Ik heb niet overal verstand van, en heb ook niet altijd tijd." “Wel als ik inzicht heb in wie de vertegenwoordigers zijn en waar ze voor staan."

De inbreng is op de volgende manier verwerkt In het handboek is een hoofdstuk ‘Participatie op maat’ toegevoegd. Hierin staan ook de verschillende rollen van vertegenwoordigende organisaties beschreven. Er is expliciet toegevoegd dat de gemeente stimuleert dat bewoners individueel worden betrokken als het hun directe leefomgeving raakt. Bij complexe participatievragen of vragen met grote impact op de leefomgeving zullen vertegenwoordigende organisaties een grotere rol hebben.

2. Vaak meedoen met weinig invloed of af en toe meedoen met veel invloed? De voorkeur is duidelijk: 80% heeft een voorkeur om af en toe mee te doen met veel invloed. Ze vinden dat de gemeente zuinig moet zijn met het betrekken van bewoners en hen niet steeds apart over verschillende onderwerpen moet bevragen. Als mensen meedoen met veel invloed, zijn ze bereid daar meer tijd aan te besteden omdat ze dan meer resultaat zien van hun deelname. Er is dus een verband tussen de verwachte invloed en de hoeveelheid tijd die mensen willen investeren.

8

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

Figuur 11: uitkomst vraag over 'meedoen en invloed'

Wat de stad hierover zegt “Als je meedoet, moet je invloed hebben. Ik hoef zelf niet mee te doen bij elk wissewasje.” “Het liefst vaak en veel; je wilt wat te vertellen hebben.” “Het moet een beetje body hebben.” “Over een heleboel dingen heb ik te weinig verstand. Dan ben ik wel te lui om me in veel dingen te moeten verdiepen.” “Het is wel belangrijk dat de gemeente ook gewoon dingen kan regelen. Qua tijd, ik denk dat veel mensen onderschatten hoeveel tijd meer invloed kost.”

De inbreng is op de volgende manier verwerkt Met het handboek en de participatieverordening willen we de betrokkenheid van bewoners, ondernemers en organisaties bij gemeentelijk beleid vergroten. Hiervoor is het uitgangspunt 'participatie, tenzij' in beide documenten gehanteerd. De gemeente verheldert in het handboek hoe de participatie in verhouding staat tot de aard en omvang van het project. Daarvoor is een participatiecheck gemaakt. Meer betrokkenheid betekent niet altijd automatisch meer invloed. Dit hangt af van het participatieproces. Soms is het niet mogelijk om veel invloed te hebben, bijvoorbeeld omdat er al bestuurlijke afspraken zijn gemaakt of vanwege wettelijke verplichtingen. Het betekent wel dat het participatieproces zorgvuldig vormgegeven wordt en dat deelnemers eerder in het traject kunnen deelnemen. Met de Trap van eigenaarschap wordt gestimuleerd dat deelnemers meer invloed krijgen. Waarbij geldt: Informeren is geen participatie.

3. Meedenken over 2025 of meedenken over 2050? De meeste deelnemers zijn neutraal (34%) of hebben een lichte tot sterke voorkeur (45%) om mee te denken over 2025. Van de mensen die fysiek meededen, heeft zelfs 62% deze voorkeur. Mensen zien nu

9

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

dringende problemen waarover ze willen meedenken, en ze willen snel resultaten zien van hun deelname. Onderwerpen voor 2050 vinden mensen niet concreet genoeg, of zij denken dat ze het door hun leeftijd niet meer zullen meemaken. Aan de andere kant zien mensen ook dat 2050 gaat over de grotere veranderingen in de stad. Daar willen ze ook invloed op hebben. Het is belangrijk dat de gemeente de keuzes voor de toekomst concreet en tastbaar maakt, zodat mensen goed kunnen meedenken.

Figuur 12: uitkomst vraag over 'meedenken in de tijd'

Wat de stad hierover zegt “2025 gaat over de kleinere dingen. 2050 kun je wel over de grotere dingen meedenken.” “Vaak ben ik toekomstgericht om het de generatie van mijn kinderen beter te laten krijgen." “2050 maak ik misschien niet meer mee. Dan ben ik overleden of verhuisd." “Ik wil snel resultaat zien van mijn bijdrage, anders denk ik niet mee." “2025, actieplan Laak is een goed voorbeeld. Dat is concreet genoeg." “Ik ben nog jong. In 2050 ben ik een hele andere doelgroep." De inbreng is op de volgende manier verwerkt Het handboek benadrukt dat er extra aandacht moet zijn voor jonge mensen in participatietrajecten. Keuzes die nu worden gemaakt, hebben impact op hun leefomgeving in de toekomst. Ook zullen bij complexe vraagstukken en vragen met grote impact op de leefomgeving vertegenwoordigende organisaties een grotere rol hebben. Ook probeert de gemeente de effecten van keuzes en projecten voor de lange termijn zo concreet mogelijk te maken. Zie ook de toelichting bij stelling 4: meedenken over de hele stad of over mijn wijk?. 4. Meedenken over de hele stad of meedenken over mijn wijk? De meeste deelnemers (57%) denken liever mee over hun wijk. Mensen voelen zich daar meer betrokken, en hebben meer te bieden en te halen. Ze hebben meer te bieden omdat ze over meer lokale kennis, ervaring en ideeën beschikken over hun wijk dan over de stad.

Ook hebben ze meer te halen omdat ze een grotere betrokkenheid en belang voelen bij hun wijk, meer invloed verwachten én sneller resultaten zien. Meedenken over de wijk voelt dus effectiever aan. Tegelijkertijd zien mensen dat voor

10

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

grote veranderingen een bredere kijk nodig is dan alleen de wijk. Ze ervaren daar echter nog weinig invloed op, of het wordt niet concreet genoeg gemaakt. De gemeente kan meedenken over de stad aantrekkelijker maken door bijvoorbeeld de impact op wijken duidelijker te vertalen.

Figuur 13: uitkomst vraag over 'meedenken stad of wijk’

Wat de stad hierover zegt “De hele stad is ook wel belangrijk, omdat dat later ook wel weer impact heeft op je wijk." “Om iets te veranderen moet je breder kijken, dus naar de hele stad." “Ik heb meer belang bij de wijk en ik denk dat mijn stem daar ook meer impact heeft.” “Wijk, dat is concreter. Iedere wijk is anders en vraagt een andere aanpak.” “Je weet het meeste van je wijk." “Je maakt je toch drukker om je eigen wijk." “Wij wonen in de stad dus niet alleen in de wijk."

De inbreng is op de volgende manier verwerkt In het handboek hebben we aangegeven dat we stimuleren dat bewoners kunnen participeren als het proces hun directe leefomgeving raakt. Daarbij doen we ons best als gemeente om participatie te versterken, door minstens twee werkvormen (bijvoorbeeld een enquête, straatgesprek of ontwerpsessie) te combineren. Als uitgangspunt zorgt de gemeente ervoor dat deelnemers gelijke kennis hebben, zodat iedereen mee kan doen. Dat betekent onder andere dat de gemeente probeert de effecten van lange termijn c effecten van lange termijn keuzes en stadsbrede projecten op de wijken zo concreet mogelijk te maken. 5. Vroeg in het traject meedenken of later in het traject meedenken? De meeste deelnemers zijn neutraal (37%) of hebben een lichte tot sterke voorkeur (41%) om vroeg in het traject mee te denken. In deze vroege fase ervaren mensen meer vrijheid om het onderwerp vanuit

11

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

verschillende kanten te bekijken en waar nodig bij te sturen. Ze accepteren dat niet alles in deze fase al duidelijk is. Anderen geven er de voorkeur aan om later in het traject mee te denken. Zij vinden het prettig als er meer duidelijkheid en richting is, zodat ze makkelijker kunnen reageren op voorstellen. Ze vertrouwen daarbij op de kennis en expertise van de gemeente. De gemeente moet rekening houden met de verschillende voorkeuren van bewoners om op verschillende momenten in het proces betrokken te zijn.

Figuur 14: uitkomst vraag over 'meedenken vroeg of later in het traject’

Wat de stad hierover zegt “Vroeg in het traject kun je nog meer veranderen. Het is niet erg als het nog wat onduidelijker is.” “Dan weet ik hoe het proces vanaf het begin wordt aangepakt en kan ik proberen bij te sturen.” “Ik vind het fijn om te reageren. De gemeente weet er meer van af.” “Ik vind vooral onduidelijkheid vervelend, ik reageer liever op concrete dingen.” “In het midden: er is dan al iets meer duidelijk, maar je kunt nog steeds dingen veranderen.” “Ik ben jong dus heb andere ideeën die ik vroeg wil inbrengen om te kunnen sturen.”

De inbreng is op de volgende manier verwerkt In de participatieverordening is nu opgenomen dat we het participatieplan bij een aantal bewoners toetsen. Zo controleren we of we de juiste vraag stellen en willen we stimuleren dat bewoners vroeg worden betrokken en geïnformeerd. Dat betekent niet dat het bij elk participatietraject mogelijk is om bewoners vroeg te betrekken. Soms zijn er al (bestuurlijke) keuzes gemaakt. Het is belangrijk om hier als gemeente helder over te communiceren. Ook stimuleren we dat er een proces is waar bewoners op meerdere momenten kunnen instappen om mee te denken. 6. Eén moment over één specifiek onderwerp of één moment over meerdere onderwerpen? 59% van de deelnemers heeft een lichte tot sterke voorkeur voor meedenken op één moment over meerdere onderwerpen. Het scheelt bewoners en de gemeente tijd (en kosten) en je kunt direct meerdere problemen in samenhang aanpakken. Mensen vinden het combineren van onderwerpen

12

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

vooral een goed idee voor kleinere onderwerpen en projecten die samenhang hebben. Het is ook een kans om onderwerpen waar je moeilijker bewoners over bereikt, te koppelen aan onderwerpen die veel bewoners trekken. Zo bereik je meer mensen. Deelnemers met een voorkeur voor meedenken op één moment over één specifiek onderwerp vinden dat overzichtelijker en verwachten dat er meer verdieping mogelijk is. Er is ook een andere reden genoemd: als je het moment mist, mis je meteen heel veel.

Figuur 15: uitkomst vraag over 'meedenken een of meer onderwerpen’

Wat de stad hierover zegt “Sommige onderwerpen zijn te belangrijk om te combineren.” “Het is het handigst om het op 1 moment over 1 onderwerp te hebben. Als dat al lukt zal al heel mooi zijn." “Met één specifiek onderwerp per keer kan je ook meer aandacht aan besteden dan heb je meer focus." “Meer onderwerpen is fijn. Er is zat te bespreken." “Handig om te bundelen, want dat kost minder tijd voor bewoners en de gemeente.” “Combineren alleen bij kleinere onderwerpen. Het een heeft vaak te maken met het ander.”

De inbreng is op de volgende manier verwerkt De gemeente stimuleert dat participatie het uitgangspunt wordt. Dat betekent dat bewoners, ondernemers en (vertegenwoordigende) organisaties meer worden betrokken en dat er vaker participatie gaat plaatsvinden. In de praktijk betekent dit dat de stad meer bevraagd gaat worden. Op dit moment hebben we het combineren van participatie nog niet in de verordening opgenomen. Dit betekent niet dat de gemeente het niet belangrijk vindt, maar komt doordat we nog bezig zijn met het testen van de beste aanpak hiervoor. In het handboek is wel opgenomen dat, waar mogelijk, participatietrajecten gecombineerd worden. 7. Eén keer meedenken of een langere periode meedenken? Een grote meerderheid (78%) wil graag over een langere periode meedenken. Ze voelen zich dan meer betrokken, willen in de gaten houden of alles goed gaat en denken op deze manier echt iets te kunnen

13

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

bereiken. Mensen zien participatie als een proces waar ze tijd in willen steken. Het is wel belangrijk dat er regelmatig zichtbare vooruitgang is en dat de resultaten worden teruggekoppeld. Mensen willen dat meedoen zinvol blijft en niet als steeds hetzelfde voelt. Sommige mensen willen liever maar één keer meedenken, vooral omdat ze weinig tijd hebben. Ze willen wel meedoen, maar het lukt niet altijd om dit te combineren met hun dagelijks leven.

Figuur 15: uitkomst vraag over 'meedenken een keer of langer’

Wat de stad hierover zegt “Dan blijf je meer meepraten in plaats van dat je één keer je ideeën komt droppen.” “Langer meedoen, dan raak je meer betrokken met het onderwerp.” “Per onderwerp verschillend. Bij een groter onderwerp, wil ik graag vaker meedenken.” “Wel vaker dan één keer, maar niet te vaak.” “Zelf zou ik langere periode wel willen, maar je zit gewoon met tijd. Ik heb drie kids, en werk en school.” “Normaal gesproken sneller voor één keer meedenken omdat ik een druk leven heb. Ben veel bezig met mijn baby en leg me nu ook minder vaak vast aan dingen.”

De inbreng is op de volgende manier verwerkt In het handboek en de verordening bevorderen we dat deelnemers langer en eerder in het traject kunnen meedenken. Hiervoor wordt in het participatieplan het participatieproces beschreven en is per fase aangegeven op welke momenten deelnemers kunnen participeren en wanneer de gemeente erover communiceert. Zo blijven deelnemers betrokken in het verdere vervolgproces. Ook laat de gemeente op deze manier zien wat er met de inbreng van deelnemers is gedaan. 8. In een groep of als persoon alleen meedoen? De meningen zijn erg verschillend. 28% is neutraal, 38% wil liever meedoen in een groep en 34% doet liever alleen mee. Mensen die graag in een groep meedoen, vinden het fijn om andere ideeën, meningen en belangen te horen. Zo kunnen ze samen creatieve oplossingen bedenken en elkaar inspireren. Ook ontstaat er meer begrip en verbondenheid als je samenwerkt. Mensen die liever alleen meedoen, geven aan dat het hen minder tijd kost en dat zij in een groep sneller overstemd worden of

14

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

het lastiger kunnen volgen. Mensen die neutraal zijn, vinden dat de keuze afhangt van het onderwerp of de vraag. Ze zien de kracht van een combinatie: eerst zelf rustig nadenken en daarna de meningen in een groep samenbrengen.

Figuur 16: uitkomst vraag over 'meedenken als groep of persoon’

Wat de stad hierover zegt “Alleen is sneller, maar sommige onderwerpen zijn fijner om in een groep te bespreken.” “Met meer mensen heb je ook meer ideeën.” “Ik heb last van mijn gehoor, dus dat is moeilijk in een groep. Dan haak ik snel af. Fijner alleen.” “Gezelliger om samen mee te denken, heeft iets sociaals.” “In een groep hoor je ook andere meningen en kun je elkaar beter leren begrijpen.” “Dan kan ik rustig nadenken. In een groep zijn bepaalde mensen dominant en die bepalen de sfeer.”

De inbreng is op de volgende manier verwerkt In de verordening en het handboek staat dat iedereen moet kunnen meedoen. Daarom is het belangrijk om verschillende manieren van meedoen aan te bieden in de participatietrajecten. Sommige mensen willen graag uitwisselen in een groep, terwijl anderen liever snel en alleen reageren omdat ze weinig tijd hebben. Dit hangt van het onderwerp af: sommige onderwerpen lenen zich voor meer creativiteit, meer gezamenlijke beeldvorming of gezamenlijk leren. In het handboek en de verordening is het verplicht om meerdere participatievormen bij elk participatietraject aan te bieden (zoals enquête, straatgesprek of ontwerpsessie). Zo wordt er rekening gehouden met de verschillende voorkeuren. 9. Op een vaste tijd en plaats (fysiek) of zelfgekozen tijd en plaats (digitaal) meedoen? De meningen zijn verdeeld met een lichte voorkeur (47%) voor meedoen op een zelfgekozen tijd en plaats (digitaal). Als voordelen worden genoemd dat het minder tijd kost en laagdrempeliger is voor een grotere groep mensen (met een gezin of mantelzorg). 31% heeft een voorkeur voor meedoen op een vaste tijd en plaats. Zij vinden het leuker, persoonlijker, voelen zich meer betrokken en hebben het idee dat zij beter hun punt kunnen maken. Mensen die neutraal zijn benadrukken de combinatie. Door

15

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

zowel fysieke als digitale mogelijkheden aan te bieden, kunnen meer mensen op hun manier meedoen. Daarnaast moet de gemeente afhankelijk van de vraag en het gewenste gesprek telkens de juiste vorm kiezen.

Figuur 17: uitkomst vraag over 'meedenken vaste of zelfgekozen tijd’

Wat de stad hierover zegt “Fysiek legt meer gewicht in de schaal. De mening van bewoners komt beter over." “Fysiek is leuker om mensen te ontmoeten, socialer." “Digitaal, want ik heb kinderen en kan niet een avond weg." “Digitaal en fysiek: het heeft allebei zijn eigen kwaliteit, dus je moet het vooral allebei doen.” “Fysiek is anders dan digitaal, voel je meer verantwoordelijkheid. Digitaal is emotieloos.” “Als je iets wilt signaleren werkt digitaal heel goed. Voor meer kwalitatieve inhoud digitaal niet.”

De inbreng is op de volgende manier verwerkt In het handboek en de verordening is het verplicht om meerdere participatievormen bij elk participatietraject te organiseren (zoals enquête, straatgesprek of ontwerpsessie). Zo wordt er rekening gehouden met de verschillende voorkeuren van deelnemers.

16

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

2.2 Sessies Clientraad Sociaal domein, Voorall en jongeren Sessie Clientraad sociaal domein Tijdens het gesprek met de Clientraad sociaal domein is gereflecteerd op participatie in Den Haag. De volgende input is meegegeven: • • • •

Wees voorzichtig in het gebruik van het woord ‘participatie’. Laat het niet lijken alsof participatie alleen participatie is als de gemeente iets doet, en niet als de stad iets doet. Voorbeelden van goede participatie laten zien dat de inbreng door de gemeente serieus wordt genomen en dat er een goede terugkoppeling was. Verwachtingsmanagement is in elk participatietraject belangrijk. Geef iedere keer aan wat mensen kunnen verwachten, waar ze iets over te zeggen hebben en waarover niet. Het betrekken van ervaringsdeskundigen is een cruciaal onderdeel van participatietrajecten. De ervaringsdeskundigen kunnen worden benaderd via sleutelpersonen in de stad, via (welzijns- of vrijwilligers-) organisaties en via de ondersteuners van cliëntenraden.

Voor de start van het participatietraject Ook heeft de Clientraad meegegeven dat een goede voorbereiding van een participatietraject essentieel is. Tips voor een goede voorbereiding die zij meegeven, zijn:

•

•

• • • • •

• •

We moeten onderscheid maken in hoeveel invloed mensen hebben en hoe urgent iets is. In hoeverre is iets ingrijpend in een buurt: bijvoorbeeld de komst van een nieuwe woonplek voor 'aandachtsgroepen', in vergelijking met iets minder ingrijpends; Denk van tevoren na over macht. Wat is de invloed van het politieke proces nog op de uitkomst van de participatie? Ook projectontwikkelaars en bouwers hebben macht. Wat is de rol van burgers, welke invloed kunnen zij uitoefenen? Ben daar eerlijk over, probeer zo veel mogelijk verwarring te voorkomen; Zorg dat je op tijd bent. Dat geldt voor tijdig informeren (niet als er al wordt gebouwd of als de plannen al in de pers zijn verschenen) tot voldoende tijd geven voor participatie; Wees concreet. Waarover worden mensen gevraagd mee te denken? Hoe vaak? Welke vragen? Met wie denk je mee in een groep? Waar mag je over meepraten en wat is een gegeven of staat wettelijk vast? Waar zit de invloed? Let erop dat duidelijk is namens welke achterban mensen spreken. Check dit bijvoorbeeld bij vrijwilligers- en welzijnsorganisaties; Denk na over de werkvorm en wat je ermee wilt bereiken. Het kan handig zijn om actief rond te lopen of samen iets te doen. Interviews leveren vaak meer op dan vragenlijsten.

Ook individuele gesprekken zijn goed omdat zo ook stillere mensen aan het woord komen; Benut goede ervaringen uit eerdere participatietrajecten en ga daarnaar op zoek; Ga uit van openheid en vertrouwen. Deel zo veel mogelijk informatie en vertrouw erop dat de mensen die participeren dat doen omdat zij hart voor de stad hebben.

Tijdens participatietraject Het volgende advies is gegeven over het proces tijdens een participatietraject:

•

•

Zorg ervoor dat er genoeg mensen zijn die weten waarover ze praten tijdens participatiebijeenkomst (zoals medewerkers van de gemeente die weten wat de stand van zaken van het huidige beleid en de uitvoering is, van context en historie) om te kunnen nagaan of wat mensen vanuit hun ervaring zeggen klopt; Geef tijdens een participatiemoment aan wie er vanuit de gemeente betrokken zijn, wie de leiding heeft en wat de andere ambtenaren of politici bij de bijeenkomst doen. Kortom, geef aan wat de rol en de taak van de aanwezigen is.

17

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

Na participatietraject Tot slot is ook geadviseerd op de afronding van een participatietraject:

• • •

Kom je afspraken na: geef in je terugkoppeling aan wat je met de uitkomsten van het proces gaat doen en doe wat je beloofd hebt; Laat zien wat de verbinding is met initiatieven die al in de wijk en stad lopen; Geef aan wat wel en niet wordt meegenomen in het vervolgproces en waarom.

De basis hiervoor is een goed verslag dat naar alle aanwezigen gestuurd wordt, zodat iedereen weet wat de afspraken zijn. De inbreng is op de volgende manier verwerkt De gemeentelijke uitgangspunten, zoals tijdigheid, beschikbaarheid van de gemeente, zeg wat je doet en doe wat je zegt, zijn verwerkt in de verordening. Hierbij zijn de uitgangspunten en verwachtingen rondom participatie in de verordening expliciet beschreven. In het handboek wordt in de uitgangspunten en werkwijze nadruk gelegd op helderheid bij vertegenwoordiging. Ook is er in het handboek aandacht voor gebiedsgericht werken en het goed aan kunnen sluiten op bestaande netwerken. In de verordening, het handboek en de werkwijze is er aandacht voor zowel de nazorg na ieder participatiemoment als de verslaglegging achteraf. De communicatiemomenten met deelnemers zijn in de processtappen verwerkt.

Sessie Voorall Tijdens het gesprek met vrijwilligers met een beperking bij Voorall kwam naar voren dat zij verschillende belemmeringen kunnen ervaren bij het meedoen met participatiemomenten, een aantal voorbeelden zijn: -

-

-

-

Voor iemand met slechtziendheid: Uitnodigingen niet kunnen lezen, digitale documenten ontvangen in PDF-vorm wat voorleesprogramma's moeilijk kunnen voorlezen. Tijdens gesprekken geen non-verbale communicatie kunnen zien en geen visuele werkvormen op tafel kunnen lezen. Voor iemand in een rolstoel: Een ontoegankelijke locatie doordat er bijvoorbeeld geen lift en toegankelijk toilet is. De inrichting van de ruimte heeft ook veel invloed op hoe welkom je je voelt, bijvoorbeeld niet fijn als er alleen maar statafels staan of een te volle ruimte waar een rolstoel niet doorheen kan komen. Voor iemand met vermoeidheid: De locatie bereiken is vaak al een activiteit op zich. Niet alle trams zijn bijvoorbeeld rolstoeltoegankelijk. Ook met andere beperkingen kost het meer moeite, bijvoorbeeld door de drukte en het niet kunnen lezen van een bord. Voor iemand die niet goed tegen prikkels kan: Als er een bijeenkomst wordt georganiseerd met veel mensen is het te druk en krijgt iemand te veel prikkels. Algemeen: Het is prima om af en toe uit te leggen wat voor beperking je hebt, maar is wel vervelend als je dat elke keer weer helemaal moet uitleggen aan iemand van de gemeente.

Ook gaven de deelnemers een aantal punten aan die zouden bijdragen om deelname toegankelijker te maken. Voorbeelden hiervan zijn: -

-

Bewustwording: Het zou goed zijn als er een standaard werkwijze is voor bijvoorbeeld het organiseren van toegankelijke bijeenkomsten. En ook standaard documenten op meerdere manieren aan te kunnen bieden, niet alleen in tekst. Bij een uitnodiging vragen of mensen iets extra's nodig hebben om mee te kunnen doen, zoals een schrijf- of doventolk. Ook kan een uitnodiging via het netwerk van Voorall worden

18

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

verspreid. Meedoen in een kleine groep en in de middag is vaak fijn en het helpt als er goede opvang is bij binnenkomst. De inbreng is op de volgende manier verwerkt Deze inbreng is verwerkt in het handboek door in het hoofdstuk ‘Participatie op maat’ bijzondere aandacht te geven aan het bereiken van mensen die niet altijd de weg naar participatie vinden. We geven in het handboek ook richtlijnen voor inclusieve participatie en de manier waarop we participatie toegankelijker kunnen maken. Zo is in het handboek aangegeven dat het wenselijk is dat bij het uitnodigen van bewoners voor participatie wordt gevraagd wat zij nodig hebben om mee te kunnen doen, zoals een doventolk.

Sessie Jongeren Tijdens het gesprek met de jongerenambassadeurs van Den haag rondom een aantal stellingen uit de keuzewijzer kwam naar voren dat zij verschillende motieven hebben om mee te doen: -

Nieuwe mensen ontmoeten en van elkaar leren Je inzetten voor je omgeving Kennis delen, omdat je soms kan helpen ontdekken wat mensen missen. Nog voordat iets een probleem is. Voor andere jongeren opkomen Democratisch recht, een jongere vindt ook dat je daar wel op een manier gebruik van moet maken. Iets betekenen voor de buurt, wijk of stad. Het is een manier om op de hoogte te zijn van wat er in de stad gebeurt. Je verhaal kwijt kunnen. Een jongere geeft aan het ook leuk te vinden om andere meningen te horen door mee te denken. Grappig dat meningen zo kunnen verschillen terwijl je wel allemaal in dezelfde stad woont.

Jongeren geven daarbij aan dat ‘geen zin, tijd of behoefte hebben’ redenen zijn voor jongeren om niet mee te doen. Ook is het demotiverend als je het gevoel hebt dat er niets met je inbreng gebeurt. Ook weten veel jongeren vaak niet welke mogelijkheden er zijn, of denken ze dat ze de kennis of vaardigheden niet hebben. Ten slotte zijn er jongeren die zoveel aan hun hoofd hebben waardoor ze geen tijd hebben om mee te kunnen denken. Het kan helpen om te laten zien hoe laagdrempelig meedoen kan zijn. Bijvoorbeeld door bij de MBO, HBO en WO te staan en jongeren te spreken. De volgende ervaringen vanuit het jongerenambassadeurschap werden in gesprek gedeeld: •

Jongerenambassadeurs worden vaak voor input gevraagd en krijgen later geen terugkoppeling.

•

Jongeren die meedoen hebben een balans nodig tussen ‘quick wins’ en een aantal grotere adviezen die ook abstracter mogen zijn en langer mogen duren.

•

Voor jongeren is het ook belangrijk dat ze een prioriteit kunnen stellen over waar ze hun stem voor willen inzetten. Wat ze interessant vinden is per persoon verschillend.

Reacties op de keuzewijzer stellingen: Zelf meedoen of vertegenwoordigd worden? (stelling 1)

• •

Wel fijn voor je eigen wijk om een brief te krijgen en uitgenodigd te worden. Als je niet iedereen uitnodigt heb je grote kans dat je misschien iemand mist. Als ik denk dat een stem wordt oververtegenwoordigd dan kom ik ook wel graag.

19

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

•

Vertegenwoordigen lijkt me vooral goed op het moment dat je wat meer kennis nodig hebt om mee te kunnen doen.

Meedenken over 2025 of meedenken over 2050? (stelling 3)

• • • •

2050 is wel heel ver vooruit. Tegen die tijd zit ik in een heel andere doelgroep. Dan heb ik waarschijnlijk ook een echt andere mindset. Denk liever mee voor nu. 2050 voelt ook een beetje als problemen uitstellen. Maar wat kunnen we nu al doen? Allebei zijn voor mij heel belangrijk. Toekomst is het zo dat als we nu niets doen we straks nog met dezelfde problemen zitten. Als wij als jongeren nu niet meedenken en oudere mensen van nu plannen gaan maken voor de jongeren van de toekomst gaat het mis. Dan kunnen wij beter wel als jongeren van nu meedenken.

Meedenken over de hele stad of meedenken over mijn wijk? (stelling 4)

•

Willen wel over de hele stad meedenken. De hele stad gaat ons ook wel aan, want jongeren komen ook vaak buiten hun wijk.

Vroeg in het traject meedenken of later in het traject meedenken? (stelling 5)

• • •

Liever meer over een concretere vraag omdat je weet wat kan en wat niet. Dan kan je ook niet gedemotiveerd raken. Wel altijd een duidelijke uitleg nodig waarom iets wel en niet kan. Startcommunicatie is heel belangrijk. Wij begrijpen wel wat onze mogelijkheden zijn als je ons meeneemt in het verhaal. Leg dus uit wat voor rol de input heeft. Vroeg meedenken is soms ook wel lastig. Dan krijg je soms een vaag verhaal over de stad. Daardoor vind ik het zelf leuker om over wat concretere vragen mee te denken. De voorkeur hier is ook wel echt persoonsgebonden.

De inbreng is op de volgende manier verwerkt Over het algemeen is er weinig verschil met andere leeftijdsgroepen wat betreft de gesprekken rondom de stellingen. Jongeren vinden het, net als andere leeftijdsgroepen, belangrijk dat er serieus naar ze geluisterd wordt en dat je invloed uit kan oefenen wanneer je meedoet.

Voorkeuren voor bepaalde werkvormen zijn er wel bij jongeren. Jongeren blijven motiveren om mee te doen is hierbij belangrijk. Een intrinsieke motivatie en nieuwsgierigheid is bij jongeren zeker aanwezig, maar is er bij participatie aandacht nodig om deze motivatie aan te (blijven) wakkeren. Jongeren hebben wel voorkeuren voor bepaalde manieren om mee te doen. Het is belangrijk om jongeren te blijven motiveren om mee te doen. Jongeren hebben van nature zeker motivatie en nieuwsgierigheid, maar is er bij participatie aandacht nodig om deze motivatie aan te (blijven) wakkeren. Jongeren willen graag meedenken over dingen die op lange termijn belangrijk zijn voor de hele stad. Ze willen van tevoren weten onder welke voorwaarden ze meedoen, zoals hoeveel invloed ze hebben. De meeste jongeren hebben voorkeur voor om thema’s door middel van concrete voorbeelden te bespreken, ook bij abstracte vraagstukken. Zie voor de verwerking van inbreng de uitkomsten onder de stellingen (1, 3, 4, 5) in ‘2.1 Straatgesprekken en keuzewijzer online’.

20

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

2.3 Stadsgesprek over de spelregels Hieronder volgt een terugkoppeling en reflectie per thematafel. Per tafel wordt eerst stilgestaan bij de inbreng van de deelnemers om vervolgens aan te geven hoe er met de inbreng is omgegaan.

Thematafel 1: Spelregels voordat een participatietraject start Deze thematafel ging over de spelregels vooraf: wat mag je van de gemeente verwachten voordat een participatietraject start. Dus voordat de uitnodiging op de mat valt. Of het nu gaat om de herinrichting van een straat of plein of een nieuwe toekomstvisie voor de hele stad. De sessie verliep in drie stappen: • • •

Stap 1: Deelnemers dragen spelregels aan die zij belangrijk vinden. Er lagen ook al een paar spelregels op tafel. Stap 2: Deelnemers bepaalden samen welke spelregels zij het belangrijkste vinden. Stap 3: Deelnemers bespraken waarom deze spelregels belangrijk zijn.

De spelregels (op volgorde van het aantal stemmen tijdens het stadsgesprek): •

• • • • • • • • • • •

De behoeften en wensen van bewoners zijn leidend. Dat moet het vertrekpunt zijn van participatie. De gemeente moet enkel vanuit faciliteren meepraten (toegevoegd door deelnemers). De gemeente in alle stellingen vervangen voor bewoners (toegevoegd door deelnemers). De gemeente brengt in kaart welke belangen een rol spelen en wat er speelt in het gebied, zodat de juiste mensen worden uitgenodigd en er oog is voor lopende ontwikkelingen. Zorg dat participatie inclusief is, zodat iedereen mee kan doen (toegevoegd door deelnemers). De gemeente begint met participatie als er keuzes zijn te maken, zodat er nog invloed mogelijk is. De gemeente is duidelijk over wat vaststaat en wat er kan veranderen, zodat de mate van invloed duidelijk is. De gemeente bespreekt het participatieplan vooraf met een aantal bewoners en/of ondernemers, zodat het plan nog kan worden aangepast. De gemeente combineert (waar mogelijk) participatietrajecten in een wijk of gebied, zodat het makkelijker en overzichtelijker meedoen is. De gemeente maakt een duidelijke keuze voor participatie of alleen informatie, zodat voor iedereen helder is of er invloed mogelijk is. Wat gebeurt er voorafgaande aan een participatieplan. Haal proactief uit de wijk op voordat het participatieplan wordt gemaakt (toegevoegd door deelnemers).

Het gemeentebestuur (raad en/of college) is vanaf het begin betrokken, zodat zij zich verbinden aan het participatieproces. De gemeente maakt een openbaar participatieplan (waarom, wie, wat, hoe, wanneer), zodat het proces voor iedereen duidelijk is.

Verder besproken punten: • •

•

Benader participatie meer vanuit de behoeften en wensen van bewoners. Bijvoorbeeld door projecten te starten over onderwerpen die bewoners en ondernemers aandragen. Bij veel spelregels ligt het initiatief bij de gemeente. Bewoners hebben ook veel ideeën voor onderwerpen waarmee zij aan de slag willen. De gemeente kan hierin een faciliterende rol hebben. Organiseer participatie zorgvuldig. De uitkomst van participatie mag niet bij voorbaat vaststaan. Spreek met bewoners om tot een goede vraag te komen. Communiceer duidelijk dat

21

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

• • • • • •

bewoners mee kunnen doen en hoe. Geef aan wat vaststaat, wat nog mogelijk is en sta open voor ideeën. Breng voor de start van een participatietraject belangen in kaart en kijk naar het gewicht dat aan bepaalde thema's/belangen wordt gegeven. Zorg dat een ambtenaar die de wijk goed kent, op de hoogte is van wat er speelt en aanspreekpunt is. Kijk goed naar de context van een wijk. Zodat er ook kan worden gekeken naar een goede representatie van de wijk bij participatie. Leer van projecten die goed gingen, ook in andere gemeenten. De toegankelijkheid van participatiemomenten kan beter. Als je zorgt dat iedereen mee kan doen, dan heb je al een grote winst. Wijkbewoners kunnen ook helpen om anderen te mobiliseren, om zo ‘van klacht naar kracht’ te komen.

De inbreng is op de volgende manier verwerkt Het handboek en de participatieverordening gaan in op de vraag: hoe moet de gemeente beleids- en projectparticipatie goed en zorgvuldig organiseren? De gemeente is hierin het vertrekpunt. De deelnemers willen graag dat zij meer regie krijgen en het initiatief bij hen ligt. Dat is niet waar deze documenten over gaan. Wel staat in deze documenten dat bewoners eerder en meer betrokken worden. Daarbij is de gemeente transparant over de stappen die genomen worden. Spelregels voor als bewoners initiatief willen nemen worden mogelijk nog in een later stadium toegevoegd. Dit willen we graag met de stad verkennen.

Wat we hebben toegevoegd is dat er in het participatieplan duidelijk wordt vermeld wat de mate van invloed is, en welke belangen hierin worden gewogen. Ook wordt in het plan verplicht te vermelden welke kaders al vaststaan en wat het doel van de participatie is. Inclusieve participatie is in het handboek toegevoegd, met daarin voorbeelden hoe inclusieve participatie kan worden bereikt. In de verordening zijn de momenten vastgelegd waarop er contact met bewoners en deelnemers plaatsvindt met als doel om zo vroeg mogelijk bewoners te betrekken.

Thematafel 2: Spelregels tijdens een participatietraject In het gesprek aan deze tafel ging het om spelregels tijdens de participatie. Als het participatietraject loopt, wat is dan belangrijk? De sessie verliep in drie stappen: • • •

Stap 1: Deelnemers dragen spelregels aan die zij belangrijk vinden. Er lagen ook al een paar spelregels op tafel. Stap 2: Deelnemers bepaalden samen welke spelregels zij het belangrijkste vinden. Stap 3: Deelnemers bespraken waarom deze spelregels belangrijk zijn.

De spelregels (op volgorde van het aantal stemmen tijdens het stadsgesprek): • • •

De gemeente legt voor én na ieder participatiemoment uit wat er met de inbreng gebeurt, zodat het proces zichtbaar is. De gemeente deelt actief alle openbare informatie, zodat iedereen goed geïnformeerd kan meedoen. Er moet meer inzicht komen in het proces. Trajecten hebben soms al een weg bewandeld, waarbij bewoners niet op tijd weten wat er is gebeurd en besloten. Blijf informeren, zelfs als er geen informatie is, ook als iets uitgesteld of veranderd wordt. Geen informatie is dus ook informatie (toegevoegd door deelnemers).

22

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

•

• • • • • • • •

Belanghebbenden en mate van invloed moeten duidelijker: definieer wie de belanghebbenden zijn in het proces, maak de rollen en verantwoordelijkheden duidelijk (toegevoegd door deelnemers). De gemeente communiceert in begrijpelijke taal, zodat iedereen zich uitgenodigd voelt om mee te doen. De gemeente probeert iedereen met een belang te betrekken en zorgt daarbij voor een representatieve afspiegeling. Verwachtingsmanagement is heel belangrijk. Leg uit hoe de inbreng ertoe doet (toegevoegd door deelnemers). Neem de tijd voor goede inspraak. De gemeente biedt verschillende vormen van participatie aan (digitale en fysieke mogelijkheden), zodat iedereen kan meedoen. Geef een vergoeding voor het participeren, ook naast regulier werk (toegevoegd door deelnemers). Er moeten écht keuzes gemaakt kunnen worden, dus niet alleen informeren (toegevoegd door deelnemers). De gemeente zorgt voor open gesprekken, zodat iedereen zich vrij voelt om ervaringen, meningen en belangen te delen.

Verder besproken punten: • • • •

• • •

Betrek bewoners vroeg in het proces, zodat ze ook betrokken kunnen zijn bij de vraagstelling. Ook jonge bewoners betrekken, bijvoorbeeld door langs scholen te gaan. Het is belangrijk om helder te communiceren over het niveau van participatie (mate van invloed. Welke rol heeft welke invloed?). Neem de tijd voor trajecten en heb als gemeente respect voor de inbreng. Als er een besluit moet worden genomen dat niet voor elke wijk of belanghebbende goed uitpakt, leg dan uit waarom dit toch gebeurt. Deel de openbare informatie over het project op de participatiewebsite. Betrek bewoners en ondernemers, maar geef niet zomaar meer invloed aan ondernemers. Zorg dat de participatietrajecten begrijpelijk zijn voor zoveel mogelijk mensen, communiceer op taalniveau B1 en in behapbare hoeveelheden.

De inbreng is op de volgende manier verwerkt: De meeste inbreng in deze tafel is verwerkt in de concept participatieverordening. In de participatieverordening is een artikel toegevoegd over de uitgangspunten bij participatie. Hierin is heldere communicatie toegevoegd en zijn open gesprekken het uitgangspunt. In de verordening zijn daarnaast ook in de processtappen alle communicatie- en participatiemomenten beschreven, zodat bewoners vroeg worden betrokken en deelnemers in elke fase (verplicht) worden geïnformeerd over de relevante ontwikkelingen. Daarnaast wordt verplicht om in het participatieverslag uit te leggen hoe er met de inbreng van deelnemers wordt omgegaan. Het verslag wordt gedeeld met deelnemers en gepubliceerd.

Het handboek geeft met de werkwijze kaders voor de gemeentelijke organisatie om de punten rondom transparantie, tijdigheid, belanghebbenden, weging en heldere communicatie uit te voeren.

Thematafel 3: Spelregels na het einde van een participatietraject Het participatietraject is afgerond. Hoe maken we duidelijk welke invloed de inbreng heeft gehad op het uiteindelijke besluit? Hoe beoordelen we of het proces goed is gegaan? Hoe leren we samen zodat we het een volgende keer beter doen? De sessie verliep in drie stappen:

23

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

• • •

Stap 1: Deelnemers dragen spelregels aan die zij belangrijk vinden. Er lagen ook al een paar spelregels op tafel. Stap 2: Deelnemers bepaalden samen welke spelregels zij het belangrijkste vinden. Stap 3: Deelnemers bespraken waarom deze spelregels belangrijk zijn.

De spelregels (op volgorde van het aantal stemmen tijdens het stadsgesprek) • • • • • • • • •

De gemeente maakt een openbaar participatieverslag. De gemeente reflecteert met betrokkenen op het proces, zodat we blijven leren en verbeteren op basis van de ervaringen van deelnemers. De gemeente houdt betrokkenen op de hoogte (ook als het proces stilstaat), zodat duidelijk is wat er waarom en wanneer gebeurt. De gemeente deelt de ervaringen van deelnemers in het participatieverslag, zodat bekend is hoe deelnemers op het traject terugkijken. Gemotiveerde terugkoppeling over wat wel en wat niet een plek heeft gekregen (toegevoegd door deelnemers). De gemeente deelt het besluit van het bestuur (raad en/of college) met betrokkenen, zodat zij weten wat het uiteindelijke resultaat is. Duidelijke afspraken maken bij het aangaan van het traject en over hoe je na de start op de hoogte gehouden wordt (toegevoegd door deelnemers). Geef inzicht in criteria waarop het gewogen besluit is genomen in begrijpelijke taal (toegevoegd door deelnemers). Definieer vooraf belanghebbenden en koppel ook direct aan hen terug (toegevoegd door deelnemers).

Verder besproken punten • • • • • •

Maak de verslaglegging niet te lang en zorg dat deze makkelijk te vinden is. Maak informatie vindbaar en stuur het bewoners toe. Voor jongeren kan het helpen om een vast gezicht vanuit de gemeente te hebben om vragen aan te stellen. Deelnemers stellen voor om misschien met een puntensysteem te werken om te bepalen hoe veel invloed de verschillende belangen hebben. Terugkoppeling is belangrijk. Evalueer samen. Dit creëert vertrouwen.

De inbreng is op de volgende manier verwerkt Alle spelregels zijn verwerkt in de inhoudelijke voorwaarden voor het participatieverslag. Dit staat beschreven in de participatieverordening. Voor nu kiezen we ervoor om niet te werken met een puntensysteem voor de mate van invloed. Hiervoor is gekozen omdat participatie maatwerk blijft. Het is vooral belangrijk om de mate van invloed goed te beschrijven en onderbouwen en daar over te communiceren, bijvoorbeeld in het participatieplan. Wel wordt informatie – zoals het verslagproactief gedeeld. Terugkoppeling wordt hierin ook een vast onderdeel. Op dit moment hebben we nog geen voorwaarden gesteld voor evaluatie. Indien het mogelijk is, wordt gestimuleerd om met bewoners te evalueren, maar het is voor nu geen verplichting.

In het handboek wordt verwezen naar de participatiecheck, die inzichtelijk maakt hoe de participatie in verhouding staat tot de aard en omvang van het project. De trap van eigenaarschap helpt in het afwegen hoeveel invloed deelnemers hebben op (onderdelen) van een project.

24

Participatieverslag ‘Wie mag het zeggen?’ - handboek participatie en participatieverordening

Thematafel 4: Vertegenwoordigers in participatietrajecten Den Haag kent actieve bewonersorganisaties, ondernemersverenigingen en belangenorganisaties. Zij doen en helpen op verschillende manieren mee in participatietrajecten. Zo kunnen zij namens hun achterban spreken of mensen oproepen om zelf mee te doen. Welke manieren van meedoen of meehelpen zijn wenselijk? Welke situaties bepalen wat wenselijk of minder wenselijk is? De deelnemers zijn gesplitst in groepjes van drie om het onderwerp met elkaar te bespreken. Besproken punten: • •

• •

• • •

Het verschilt per thema hoe je vertegenwoordiging moet organiseren. We zitten in een tijd waarin veel mensen zich niet vertegenwoordigd voelen. Wat je ook verzint, er zullen mensen zijn die zich daar niet in herkennen. Probeer op zoveel mogelijk manieren mensen hun mening te laten horen (persoon zit hier namens een bewonersorganisatie). De participatieverordening zou moeten gaan over hoe zwaar de input van vertegenwoordigers gewogen wordt en niet over hoe die vertegenwoordigers tot een besluit komen. Er zijn onderwerpen die individueel niet aan de orde komen maar die een belangenorganisatie wel aan de kaart kan stellen. Daarom is het van belang om in de verordening te erkennen dat vertegenwoordigende organisaties een belang hebben. Niet alle belanghebbenden mogen altijd meedenken. Wie bepaalt wie er belanghebbend is? Er moet vastgesteld worden dat alle belanghebbenden benaderd worden. Je moet anders kijken naar het belang van een individu dan naar dat van een groep. Je moet uitkijken dat ondernemers of organisaties met subsidies niet een te grote invloed krijgen; dan krijg je een scheef beeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14151702/1