RIS317931 Bijlage GRO 5.2 Loevesteinlaan incl. - deel 1
Tekst van het document
Het betreft hier een twee laagse parkeervoorziening, aan de zijde van de
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO
Pagina | 68
Fluitenbergstraat, omkleed met een groene gevel en voorzien van een groen dak gecombineerd met zonnepanelen. Zodanig ingericht dat conform het geldende parkeerbeleid parkeren op eigen terrein kan worden opgelost. 2. Voorts is het duidelijk dat de huidige situatie aan de achterzijde van het Favente Deo gebouw tot een onwenselijke situatie heeft geleid van vervuiling en ratten. Vanuit participatie is er een duidelijk wens gekomen voor een groene zone waar mensen elkaar kunnen ontmoeten en kunnen samenzijn in een waardevolle buitenruimte afgescheiden van doorgaand verkeerd. De beoogde zonering aan de Dalerveenstraat gecombineerd met een deel van de ontsluiting langs het Florence gebouw zal daarvoor worden aangewend. In deze Goede Ruimtelijke Onderbouwing zijn in paragraaf 3.4.10 de uitgangspunten daarvoor vastgelegd en opgenomen ter verdere uitwerking in een buitenruimte ontwerp. 3. Om dit project ook mooi en goed te laten landen om zijn omgeving is er vooral de wens geuit om de plintvoorzieningen aan te wenden voor gemeenschappelijke functies, hetgeen is komen te vervallen met de sluiting van het bejaarden verzorgingstehuis Favente Deo.
In overleg met de nieuwe afnemer en huurder zijn er mooie initiatieven besproken om dit verder uit te werken zodat het gebouw een prominente plek krijgt en bij gaat bijdragen aan het wijkgevoel en het gemis aan een plek waar mensen elkaar kunnen ontmoeten en goed zorg kunnen ontvangen. Om het Participatieproces af te sluiten, de uitkomsten en bevindingen te delen en te evalueren wordt er in het zaaltje van de Tamarschool een afrondende bijeenkomst georganiseerd. Ondanks het feit dat er zorgvuldig aandacht is geweest voor het verspreidingsgebied wordt er vanuit de feedback tijdens de workshop voor een iets groter verspreidingsgebied gekozen. Tijdens de afrondende bijeenkomst zijn er aardig wat nieuwe gezichten en dat een goed teken want het blijkt dat men nieuwsgierig is naar de resultaten en dat de participatie bereidheid leeft in het plangebied. Ondanks het feit dat je het nooit voor iedereen goed kan doen is de evaluatie overwegend positief en komen er mooie worden vanuit Wijkz en Haag Wonen. Natuurlijk is er ook kritische feedback die wordt meegenomen in volgende trajecten. Belangrijke leermomenten vanuit de evaluatie zijn dat flyers in meerdere talen verspreid zouden mogen worden en dat jongeren nu niet bereikt worden omdat er niet gepost wordt op Instagram en Facebook.
Conclusie is over het algemeen dat er een zeer vruchtbaar en actief participatieproces heeft plaatsgevonden. De resultaten uit het proces worden meegenomen in het vervolgtraject van ontwerp en realisatie. Uiteraard zal dat nog een keer teruggekoppeld worden.
Planologische procedure Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor eenieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO
Pagina | 69
6
CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID De initiatiefnemer heeft als doel het sinds 2015 leegstaande vastgoed van Florence te herontwikkelen tot woon-zorgcomplex. Hiermee worden in totaal 144 zorgstudio’s en 298 appartementen gerealiseerd. Het plan betreft een uitwerking van Kavelpaspoort van 11 december 2018 dat door het college van B&W is vastgesteld (RIS301350). Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO
Pagina | 70
BIJLAGE 1 – ARCHEOLOGIE
Mees Ruimte & Milieu | 21070.RO
Bijlage bij GRO
Loevesteinlaan 355 Gemeente Den Haag Bureauonderzoek Archeologische Waarde en Inventariserend Veldonderzoek – Overig
Haagse Archeologische Rapportage 2209 Afdeling Archeologie & Natuur- en Milieueducatie Dienst Stadsbeheer
2000
nu nieuwe tijd
1500 late middeleeuwen
Funderingen van de Spuipoort, Hofsingel.
Graf in de vorm van een boot. Het hout is vergaan, maar de klinknagels zijn bewaard gebleven, Solleveld.
Skelet van een moeder met kind, Kerkplein.
1050 vroege middeleeuwen 450 na Chr. Funderingen van de Uithofsboerderij.
Romeinse tijd
0
ijzertijd
800 v. Chr. Mijlpalen, Wateringse Veld Versierd benen voorwerp met onbekende functie, Wateringse Veld. (tekening: R. Timmermans).
bronstijd Touwversierd aardewerk, Bronovo.
2000
nieuwe steentijd (neolithicum) Pijlpunt van vuursteen, Wateringse Binnentuinen.
5300
< 8800
midden steentijd (mesolithicum)
Hurkgraf, Ypenburg.
Colofon Onderzoek:
Loevesteinlaan 355 Bureauonderzoek Archeologische Waarde en Inventariserend Veldonderzoek – Overig
Auteur:
E.C. Rieffe
Uitgave:
Afdeling Archeologie en Natuur- en Milieueducatie Dienst Stadsbeheer, gemeente Den Haag
Haagse Archeologische Rapportage nummer 2209 Den Haag, 2022 ISBN: 978-94-6067-352-8 2
Inhoudsopgave Administratieve gegevens en samenvatting
5
1 Inleiding
7
2 Bureauonderzoek
9
2.1 Geologie
9
Algemeen
9
Onderzoeksgebied10 2.2 Archeologie en vroege geschiedenis
11
2.3 Bouwhistorie en recente gebruiksgeschiedenis
13
2.4 De huidige en toekomstige situatie
15
2.5 De gespecificeerde archeologische verwachting
17
Tussentijds advies voor bevoegd gezag
18
3 Het booronderzoek
19
3.1 Doelstellingen en methode
19
3.2 Resultaten en interpretatie
20
Resultaten20 Interpretatie21 3.3 Beantwoording onderzoeksvragen
21
4 Conclusie en advies
22
Literatuur23 Historische kaarten
23
Verantwoording afbeeldingen
23
Bijlage 1: Tabel perioden en laagindeling
24
Bijlage 2: Boorgegevens
25
3
WASSENAAR
NOORDZEE
SCHEVENINGEN
LEIDSCHENDAM
CENTRUM
VOORBURG KIJKDUIN
MONSTER
LOOSDUINEN
YPENBURG
NOOTDORP RIJSWIJK
POELDIJK
0
WATERINGEN
DELFT
5 km
PIJNACKER
Afb. 1 Locatie van het plangebied binnen Den Haag (gemeente Den Haag).
Plangebied
4
Administratieve gegevens en samenvatting Administratieve gegevens Projectcode
LOE22b
Gemeente
Den Haag
Toponiem
Loevesteinlaan 355
OM-nummer
5279649100
Coördinaten
Centrum:79080 - 451950
Oppervlakte plangebied
7.000 m2
Kadastrale gegevens
Geheel GVH37 AW3083 (en delen van 2060 en 3082)
NAP-hoogten
Ongeveer 0,4 m + NAP
Grondwaterpeil of -trap
1,3 m – NAP (Dalerveenstraat 3N)
Opdrachtgever
Stebru Ontwikkeling B.V.; contactpersoon dhr. E. Lamers
Uitvoerder
Datum veldwerk
Afdeling Archeologie en Natuur- en Milieueducatie, Dienst Stadsbeheer, Gemeente Den Haag College Burgemeester en Wethouders gemeente Den Haag Gemandateerde: Dienst Stadsbeheer/ Afdeling Archeologie, gemeente Den Haag. Contactpersoon: mevr. E. Mulder 24 augustus 2022
Datum rapportage
september 2022
Auteur
E.C. Rieffe
Autorisatie
R.J. van Zoolingen, Senior KNA Archeoloog
Beheer en plaats documentatie/vondsten
Afdeling Archeologie en Natuur- en Milieueducatie, Dienst Stadsbeheer, Gemeente Den Haag, Spui 70 Den Haag goedgekeurd door bevoegd gezag
Bevoegd gezag
Status rapport
In het plangebied Loevesteinlaan 355 bereidt Stebru Ontwikkeling B.V. namens Ontwikkelingscombinatie Loevesteinlaan B.V. de bouw van zorgunits, middenhuur- en vrijesector huurappartementen voor. Het plangebied valt binnen bestemmingsplan Morgenstond en heeft daarin een dubbelbestemming Waarde Archeologie. Het bureauonderzoek laat zien dat op basis van de verwachte geologie het gebied in het neolithicum bewoonbaar was op duinzand, voor de ijzertijd geldt datzelfde voor mogelijk veraard veen en in de Romeinse tijd, middeleeuwen en nieuwe tijd geldt dat voor de klei van de Gantel Laag. Een deel van het plangebied is in de tweede wereldoorlog als (moes)tuinen in gebruik geweest waardoor de opbouw van de ondergrond tot 1,5 m – NAP verstoord is geraakt. Hierbij zijn eventueel aanwezige archeologische resten uit de Romeinse tijd en jongere perioden geheel verstoord geraakt. Ook de realisatie van de huidige, te slopen, bebouwing heeft voor verstoring van de ondergrond gezorgd. Voor de geplande nieuwbouw wordt de fundering tot 2 m – peil (omstreeks 1,6 tot 1,8 m – NAP) ontgraven. Om de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek te toetsen is een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd.
Op basis van zeven boringen, waarvan zes geslaagd zijn, kwam vast te staan dat het gebied tot minimaal 1,3 m – NAP (boring 1), maar vaak aanzienlijk dieper (tot 2,2 m – NAP in boring 2) verstoord is geraakt. Restanten van intacte 5
humeuze bodems op en in de Gantel Laag ontbreken. De veraarding van het veen hangt samen met de sterk fluctuerende grondwaterspiegel. Bewoning op duinzand is binnen het plangebied niet waarschijnlijk. Het aangetroffen duin wordt (binnen het plangebied) omringd door een actief getijdengebied. Geadviseerd wordt om de voorgestelde werkzaamheden zonder verdere voorwaarden vanuit de archeologische monumentenzorg doorgang te laten vinden. Toevalsvondsten moeten wel bij het bevoegd gezag gemeld worden.
6
1 Inleiding In het plangebied Loevesteinlaan 355 (afb. 1) bereidt Stebru Ontwikkeling B.V. namens Ontwikkelingscombinatie Loevesteinlaan B.V. de bouw van zorgunits, middenhuur- en vrijesector huurappartementen voor. Het plangebied valt binnen bestemmingsplan Morgenstond en heeft daarin een dubbelbestemming Waarde Archeologie. Door het bevoegd gezag is besloten om een archeologisch vooronderzoek te laten uitvoeren (zie ook juridische achtergrond). De eerste stap hierin is een bureauonderzoek (BO). Het doel hiervan is het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Dit resulteert in een gespecificeerd verwachtingsmodel, op basis waarvan het bevoegd gezag een besluit neemt over de noodzaak van eventueel archeologisch vervolgonderzoek en/of inrichtingsmaatregelen. Concreet betekent dit dat er geadviseerd wordt of het terrein al dan niet verder archeologisch onderzocht moet worden en hoe dit onderzoek uitgevoerd moet worden. In het kader van het BO zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart (AWVK), gemeente Den Haag.
• Archief van de afdeling Archeologie, gemeente Den Haag (voor oudere onderzoeksrapportages) • Archis (landelijk archeologisch informatiesysteem) (voor onderzoeksgegevens na de invoering van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie; [KNA]) • Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) (zie administratieve gegevens) • Geologische kaart van Den Haag en Rijswijk 2019 (zie paragraaf 2.1) • Archeologische-Geologische kaart van Den Haag en Rijswijk 2021 (zie paragraaf 2.1) • https://opendata.munisense.net – Grondwaterstanden Den Haag (zie de administratieve gegevens) • Historische kaarten van Den Haag (zie paragraaf 2.3) • Beeldbank van het Haagse Gemeente Archief (zie paragraaf 2.3) • HisGis (zie paragraaf 2.3) • Literatuur (zie literatuurlijst) • Tekeningen van de opdrachtgever (zie paragraaf 2.4) De geomorfologische en bodemkaart van Nederland zijn niet gebruikt omdat deze geen toegevoegde waarde hebben binnen stedelijk gebied. Het bureauonderzoek is uitgevoerd in juli 2022 volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1 en onder certificaat BRL SIKB 4000 en protocol 4002, en de richtlijnen van de gemeente Den Haag. Het advies om een verkennend booronderzoek (Inventariserend Veldonderzoek-Overig) uit te voeren (zie 2.5. Advies) is door het bevoegd gezag overgenomen.
Dit Inventariserend Veldonderzoek-Overig heeft als doel om de gespecificeerde archeologische verwachting uit het bureauonderzoek te toetsen en waar nodig aan te vullen. De verkennende fase heeft specifiek als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Daarbij worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones voor eventueel vervolgonderzoek geselecteerd.
7
Het IVO-O is uitgevoerd volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1 en onder certificaat BRL SIKB 4000 en protocol 4003. Voor dit onderzoek is een Plan van Aanpak (PvA) geschreven.1 Juridische achtergrond De gemeente Den Haag moet bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening houden met aanwezige en te verwachten archeologische waarden (Erfgoedwet Art. 9.1). Voor het gehele grondgebied van Den Haag heeft de afdeling Archeologie daartoe een Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart (AWVK) opgesteld.2 Hierop staat aangegeven waar archeologie wel en niet aan de orde is. De zones waar archeologie aanwezig is of wordt verwacht, zijn overgenomen in bestemmingsplannen als dubbelbestemming Waarde-Archeologie. Bij een dubbelbestemming horen bouwregels en een aanlegvergunningenstelsel, waarin onder andere een vrijstellingsregime is vastgesteld. In dit plangebied is het bestemmingsplan Morgenstond van kracht en geldt een dubbelbestemming Waarde-Archeologie. In het kader van de vergunningsprocedure maakt het bevoegd gezag de afweging of er voorwaarden moeten worden verbonden aan de vergunning. Om deze afweging mogelijk te maken moet bij de vergunningaanvraag een rapport worden overlegd “waarin de archeologische waarde van het plangebied in voldoende mate is vastgesteld” (Erfgoedwet Art. 9.1).
De AWVK biedt slechts een indicatie en moet altijd op planniveau worden aangescherpt. Daarbij wordt de archeologische waarde van het plangebied nader in beeld gebracht en wordt vastgesteld in hoeverre de werkzaamheden waarvoor de vergunning wordt aangevraagd eventuele archeologische resten bedreigen. Dit onderzoek bestaat uit meerdere fasen en kan na elke fase beëindigd worden als voldoende duidelijk is of archeologische waarden dreigen te worden verstoord. Dit rapport is de verslaglegging van de fasen Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek-Overig (IVO-O) (verkennende boringen). Als plangebied is het werkterrein aangehouden waarin de bodem daadwerkelijk verstoord zal worden door toekomstige ingrepen (afb. 1). Het onderzoeksgebied is de zone met een radius van ongeveer 500 meter daaromheen. Dit biedt in voldoende mate zicht op de variatie die met name in het prehistorische en Romeinse landschap aanwezig is rond het plangebied.
1
Rieffe 2022.
2
Siemons en Stokkel 2021. 8
2 Bureauonderzoek 2.1 Geologie Algemeen In de Haagse regio komen drie fysisch-geografische regio’s bij elkaar. In het uiterste oosten wordt het landschap gedomineerd door het westelijke veengebied. In het westen wordt het landschap beheerst door het duingebied met strandwallen en strandvlaktes, terwijl het zuiden van de regio deel uitmaakt van het zuidwestelijke zeekleigebied.3 Een kenmerk van bovengenoemde regio’s is dat ze onder invloed van de stijgende zeespiegel hun huidige vorm en uiterlijk hebben gekregen. Rond 4000 v. Chr. bereikte de zee in dit gebied haar grootste uitbreiding. De kustlijn liep ter hoogte van de lijn Rijswijk-Voorburg-Leidschendam-Voorschoten en werd gemarkeerd door een strandwal, de oudste in de Haagse regio. Deze strandwal loopt in zuidwestelijke richting door tot in het huidige Wateringse Veld. Als een strandwal hoog genoeg was geworden, kwam duinvorming op gang, de zogenaamde Oude Duinen of Laag van Voorburg.4 Achter de oudste strandwal lagen hoge kwelders waarop lage duintjes tot ontwikkeling kwamen (Laag van Ypenburg). In een periode van ongeveer 2000 jaar verlegde de kustlijn zich door de vorming van nieuwe strandwallen naar het westen toe. Dat gebeurde gefaseerd, waardoor tussen de strandwallen lagere gebieden aanwezig bleven, de strandvlaktes.
De zee had nog wel toegang tot de lagergelegen strandvlaktes direct ten zuiden van de strandwal van Den Haag, zoals de kleiige sedimenten die we daar aantreffen bewijzen (Laagpakket van Wormer). Omstreeks 2000 v. Chr. waren alle strandwallen gevormd en was het achterland grotendeels afgesloten van de zee. Dit leidde tot een stagnatie in de afwatering, waardoor grote moerassen ontstonden. In deze moerassen werd veen gevormd; het zogenaamde Hollandveen. In de loop van het eerste millennium v. Chr. was uiteindelijk het hele gebied bedekt met veen, afgezien van de hoogste delen van de strandwallen. Plaatselijk was dit pakket zelfs enkele meters dik. Rond 1000 v. Chr. vond een enorme inbraak van de zee plaats waardoor een getijdengebied ontstond in de zuidelijke regio. De grootste getijdengeul, die we kennen als ‘de Gantel’, erodeerde het uitgestrekte veenpakket. Vanuit de Gantel werden bovendien kleiige sedimenten afgezet die nog steeds het zuidwestelijke deel van Den Haag domineren (Gantel Laag). Vanaf het begin van de jaartelling kwam een einde aan de invloed van de Gantel en stopte de sedimentatie. In het eerste millennium vonden geen grote ontwikkelingen plaats; de afwatering van de Gantel verslechterde, waardoor ten zuidwesten van Den Haag opnieuw veenvorming op gang kwam.
In de late middeleeuwen werd het kustgebied geteisterd door grote stormvloeden, waarvan de Sint Elizabethsvloed uit 1421 de bekendste is. Voor Den Haag waren de gevolgen tweeledig. Allereerst werd de Gantel opnieuw opengebroken en werden vooral in het Westland nieuwe sedimenten afgezet (Laag van Poeldijk). Ten tweede werd door de hernieuwde activiteit van de zee een groot deel van de meest westelijke strandwal weggeslagen. Het vrijkomende zand werd door de zee weer op het land teruggebracht, waarna de wind het verder transporteerde. Het gevolg was dat de kustlijn in zuidoostelijke richting verschoof, en het 3
Berendsen 2005.
4
In bijlage 1 bevindt zich een tabel waar de archeologische perioden zijn gekoppeld aan de in de tekst genoemde geologische laagpakketten. 9
Afb. 2 Uitsnede van de geologische kaart volgens Koster en Vos (2019) met het plangebied (gemeente Den Haag).
Plangebied Geologie volgens Koster en Vos, 2019. Walcheren op Hollandveen op Wormer/Rijswijk, top ondieper dan 5 m - NAP Walcheren op Hollandveen op Voorburg op Rijswijk Walcheren met Gantel (diep ingesneden) Hollandveen op Wormer/Rijswijk, top ondieper dan 5 m - NAP Hollandveen op Voorburg Voorburg, evt deklaag Den Haag dunner dan 2 m
oude landschap door verstuivingen met een dikpakket zand overdekt raakte. Dit proces vond plaats over een periode van meerdere eeuwen. De reliëfrijke afdekkende zandlaag wordt Jonge Duinen of Laag van Den Haag genoemd.5
Onderzoeksgebied Het plangebied ligt op de grens tussen het gebied waar een gesloten dek van Gantelafzettingen voorkomt en waar deze ontbreken (afb. 2). Hierdoor is de geologie in, maar vooral rondom het plangebied, vrij complex. In de nabijheid van het plangebied is in de afgelopen ongeveer 25 jaar veel archeologisch onderzoek gedaan. Het ging daarbij vooral om booronderzoek, maar ook zijn enkele proefsleuven en een opgraving uitgevoerd. Alle geologische gegevens uit deze onderzoeken zijn in de huidige geologische kaart verwerkt.6 Volgens deze Geologische kaart van Den Haag en Rijswijk 2019 wordt de bodemopbouw in het grootste deel van het plangebied gedomineerd door zand (Laag van Voorburg; Laagpakket van Zandvoort) en veen (Hollandveenpakket) met daarop klei (Gantel Laag; Laagpakket van Walcheren). De oostzijde bestaat vermoedelijk in zijn geheel uit klei, afgezet in een diepe getijdegeul van het Gantel systeem. Direct ten zuiden van het plangebied ligt een duin (Laag van Voorburg) dat enkel door recent opgebrachte grond is afgedekt. Ten oosten van het plangebied toont de geologische kaart enkele niet logische overgangen tussen geologische eenheden. Het gaat om de overgang van “Walcheren op Hollandveen op Voorburg” naar “Hollandveen op Wormer/Rijswijk” Het is niet logisch dat langs een honderden 5
Koster en Vos 2019.
6
Koster en Vos 2019. 10
Afb. 3 Onderzoek in de omgeving van het plangebied (gemeente Den Haag).
Plangebied Vindplaatsen Onderzoek genoemd in tekst Opgraving Proefsleuven Boringen en waarnemingen
meters lange grens zowel de overgang tussen duin en strand (Voorburg versus Rijswijk) onder het veen als de overgang tussen wel en geen Gantel afzettingen (Laagpakket van Walcheren) boven het veen samenvalt. Het gaat immers om afzettingen uit twee ver uit elkaar liggende perioden.
2.2 Archeologie en vroege geschiedenis Binnen het plangebied is geen archeologische vindplaats bekend. Ook zijn daar nog geen archeologische onderzoeken uitgevoerd. Dat is wel het geval binnen de contouren van het onderzoeksgebied. In de omgeving van het plangebied vond in de afgelopen ongeveer 25 jaar op een aantal locaties stadsvernieuwing plaats. Op veel van die percelen is toen archeologisch booronderzoek uitgevoerd. De resultaten van de booronderzoeken waren meestal van dien aard dat vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven niet nodig was. Aan de Vledderstraat (VLS08p)7 en de Loevesteinlaan (LOE06p)8 wees de aangetroffen opbouw van de ondergrond erop dat archeologische resten aanwezig konden zijn. Het proefsleuvenonderzoek op beide locaties leverde echter geen behoudenswaardige archeologische vindplaats op (afb. 3). Anders is dat op 150 m ten zuidoosten van het plangebied, waar vindplaats 169 van de Archeologische-Geologische kaart van Den Haag en Rijswijk 20219 ligt, bekend onder project7
Van der Mijle Meijer 2008.
8
Van der Mijle Meijer 2007.
9
Bulten en Holthausen 2021. 11
Afb. 4 Het centrale deel van vindplaats 169 (gemeente Den Haag).
Spooraard (centrale deel vindplaats AHR33) paal kuil greppel sloot verstoring
code AHR33. Het gaat om een vindplaats waar sporen en vondsten uit de Romeinse tijd zijn aangetroffen in de top van de Gantel Laag. Daarnaast is in de humeuze bodem op het onderliggende duin het pollen van graan herkend. Deze bodem stamt, op basis van de datering10 van het bovenliggende veen uit het neolithicum.11 Andere overtuigende bewijzen voor menselijk handelen op het duin ontbreken. In het oorspronkelijke onderzoek naar de Romeinse vindplaats is destijds veel aandacht besteed aan greppels, maar een klein deel van een huisplattegrond is daarbij over het hoofd gezien. Het gaat om vier binnenstijlen (spoornummers 15, 17, 19 en 26) en een stukje wandgreppel (spoor 25) van een driebeukig, noordoost – zuidwest georiënteerd woonstalhuis, waarbij ook een bouwoffer (spoor 21) werd aangetroffen (afb. 4). De sporen zijn in het zuidelijke deel van de vindplaats op een hoogte van omstreeks 1 m – NAP aangetroffen, in het noorden ligt het restant van het sporenvlak op 1,5 m – NAP. . Tijdens het onderzoek werd ook een aantal sub recente plantbedden aangetroffen. Vindplaats 23 (afb. 3), op net iets meer dan 500 m van het plangebied betreft een ijzertijd vindplaats op veraard veen.12 Hoewel veraard veen als gevolg van ontwatering via een getijdengeul in de directe omgeving van het plangebied nog niet overtuigend is aangetoond, moet daar zeker rekening mee worden gehouden.
10
3831 ± 40 BP; UtC-13178
11
Rieffe e.a. 2006 p. 121 e.v.
12
Veen en Waasdorp 2000, p. 40. 12
Afb. 5 Het plangebied geprojecteerd op de Kaart van Delfland uit 1712 (Hoogheemraadschap van Delfland).
Plangebied
2.3 Bouwhistorie en recente gebruiksgeschiedenis De recente gebruiksgeschiedenis van het plangebied wordt beschreven om vast te stellen of het gebruik heeft geleid tot verstoringen van de opbouw van de ondergrond, waardoor eventuele archeologische waarden verloren zijn gegaan. Op de kaart van Delfland uit 1712 is de verkaveling van het plangebied en de omgeving herkenbaar (afb. 5). Het plangebied valt nagenoeg geheel binnen een kavel van ongeveer 70 m breed en ruim 300 m lang en ligt min of meer tussen de Kooy Woning en de Eendenkooi (die nu nog in het Zuiderpark aanwezig is). Afpalingsrechten die bij veel eendenkooien van toepassing waren, zorgden ervoor dat in de omgeving van deze kooien nagenoeg geen bouwactiviteiten toegestaan waren. In het plangebied stond dan ook gedurende lange tijd geen bebouwing. In 1832 (Kadasterkaart via HisGIS) zijn het perceel waar het plangebied grotendeels binnen valt en de eendenkooi van dezelfde eigenaar (Engel van Leeuwen; kooiman te Loosduinen). Het perceel direct ten zuiden is eigendom van een winkelier uit Den Haag (Lambertus Theodorus van Kleef). Rond 1900 verschijnt op dat perceel een bouwwerk, vermoedelijk een schuur (afb. 6). Het gebouwtje blijft op de diverse Bonnenbladen tot in 1934 zichtbaar. Op een luchtfoto uit 1938 van de topografische dienst ontbreken aanwijzingen voor dat gebouwtje (afb. 7).
Een luchtfoto van de Royal Air Force uit april 1945 laat zien waarom bij het onderzoek aan vindplaats 169 het noordelijke deel van deze vindplaats zo diep verstoord was. Juist daar en op het grootste deel van het perceel waar het plangebied op ligt, is dan een volks- of moestuin in gebruik (afb. 8).
13
Afb. 6 Het plangebied geprojecteerd op Bonneblad 458 uit 1904 (Topografische Dienst – Kadaster).
Plangebied
Afb. 7 Het plangebied geprojecteerd op een luchtfoto uit 1938 (Topografische Dienst – Kadaster).
Plangebied
14
Afb. 8 Het plangebied geprojecteerd op een luchtfoto uit april 1945 (Royal Air Force).
Plangebied
2.4 De huidige en toekomstige situatie Binnen het plangebied staat nu een gebouw van Florence. Onder het bouwblok dat evenwijdig aan de Loevesteinlaan ligt, ligt een half verdiept souterrain. Dergelijke souterrains zijn veelal tot een diepte van minimaal 1,5 m onder maaiveld aangelegd, wat neerkomt op minimale diepte van 1,1 m – NAP. Onder het bouwblok dwars op de Loevesteinlaan ligt geen half verdiept souterrain. De bebouwing vormt de eerste bouwgang en is in 1965 gerealiseerd. De geplande nieuwbouw valt aan de voorzijde deels samen met de bestaande bebouwing. Aan de achterzijde is dat niet het geval (afb. 9). In de nieuwe situatie komen de souterrains te vervallen. De fundering van de nieuwbouw bestaat naar verwachting uit een omvangrijke betonconstructie die tot 2 m – peil (1,8 tot 1,6 m – NAP) onder maaiveld gaat, daaronder komen nog palen. In maart 2022 stond het grondwater op een diepte van omstreeks 1,3 m – NAP. In de periode dat het grondwater wordt gemonitord fluctueerde de stand tussen 1,96 – NAP (augustus 2009) en 0,26 m – NAP (juni 2021). Vanaf het najaar van 2019 staat het grondwater gemiddeld genomen hoger (0,9 m – NAP) dan over de gehele periode (1,4 m – NAP).
Door Hoste Milieutechniek uit Hazerswoude-Dorp is in het late najaar van 2021 en het voorjaar van 2022 milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd.13 De boringen van 2 m diep en dieper geven een goede indicatie voor de conservering van de opbouw van de ondergrond: die is ronduit slecht, met een laag geroerde grond van veelal 1,8 m dik (1,4 m – NAP) (afb. 10). In het plangebied komen op verschillende locaties verontreinigingen voor in concentraties boven de interventiewaarde.
13
Slieker 2022. 15
Plangebied Bouwplan
Afb. 9 Omvang bouwplan en nieuwe verstoringen (Stebru / gemeente Den Haag).
Nieuwe verstoring
Plangebied Bouwplan Nieuwe verstoring
Afb. 10 Dikte geroerde laag op basis milieuonderzoek (Hoste Milieutechniek / gemeente Den Haag).
Plangebied Plangebied Nieuwe Nieuweverstoring verstoring(0,8 (0,8m m--maaiveld maaiveld; ;0,4 0,4m m--NAP) NAP) Diepte Dieptebestaande bestaandeverstoring verstoringin inm mNAP NAP dieper dan -1,66 dieper dan -1,66 -1,66 -1,66tot tot-1,44 -1,44 -1,44 tot -1,23 -1,44 tot -1,23 16
2.5 De gespecificeerde archeologische verwachting De verwachting valt en staat in dit gebied met de mate waarin de opbouw van de ondergrond nog intact is. Op basis van de geologische opbouw van het gebied en de bekende vindplaats 169, heeft het plangebied een verwachting voor bewoning in de prehistorie, en dan met name het (laat) neolithicum op duinzand, en bewoning op afzettingen van het Gantelsysteem in vooral de Romeinse tijd, maar wellicht ook al eerder in de late ijzertijd. Daarnaast kan een nabijgelegen getijdegeul ervoor hebben gezorgd dat het veen in de ijzertijd is veraard, waarmee ook hierop resten van menselijke activiteiten kunnen worden verwacht. Het onderzoek aan vindplaats 169 liet echter zien dat plantbedden de opbouw van de ondergrond tot 1,5 m – NAP verstoord hebben. Op basis van een luchtfoto uit april 1945 wordt duidelijk dat deze plantbedden in een groot deel van het plangebied aanwezig zijn. Samen met de dikte van de laag geroerde grond zoals die uit het milieukundig onderzoek naar voren komt, is de kans dat in het plangebied nog resten uit de Romeinse tijd bewaard gebleven zijn klein. Sporen van veraard veen en vooral eventueel onder het veen aanwezige duintjes zullen beter geconserveerd zijn. Dat leidt tot de volgende archeologische verwachting: Eigenschap
Toelichting
1
Datering
Neolithicum
2
Complextype
Nederzettingen, permanent of tijdelijk.
3
Omvang
Gehele plangebied.
4
Diepteligging
Top duin ter hoogte van vindplaats 169 op 1,2 m – NAP, flank tot 1 m dieper.
5
Gaafheid en conservering
6
Locatie
Zowel archeologische laag als daaronder liggende sporen zullen naar verwachting goed bewaard zijn gebleven. Indien aanwezig op duintjes, mogelijk afgedekt met veen en/of klei.
7
Uiterlijke kenmerken
8
Mogelijke verstoringen
Archeologische laag goed herkenbaar als deze humeus ontwikkeld is, slecht herkenbaar als humus volledig is verdwenen. Sporen niet prospecteerbaar met booronderzoek. Verstoring als gevolg van erosie door Gantel getijdensysteem.
Eigenschap
Toelichting
1
Datering
(Midden) ijzertijd
2
Complextype
3
Omvang
Erven, huisplattegronden, greppels. Eventueel ook offsite structuren, zoals beschoeiingen of veenpaden. Gehele plangebied.
4
Diepteligging
1,8 m – NAP
5
Gaafheid en conservering
Archeologische laag en sporen zullen naar verwachting goed bewaard zijn gebleven.
6
Locatie
Op veraard veen.
7
Uiterlijke kenmerken
Archeologische laag goed herkenbaar. Sporen niet prospecteerbaar met booronderzoek.
8
Mogelijke verstoringen
Verstoring als gevolg van erosie door Gantel getijdensysteem.
17
Eigenschap
Toelichting
1
Datering
(Late) ijzertijd en Romeinse tijd
2
Complextype
Erven, huisplattegronden, kavelsloten.
3
Omvang
Gehele plangebied.
4
Diepteligging
Omstreeks 1 tot 1,5 m – NAP
5
Gaafheid en conservering
6
Locatie
7
Uiterlijke kenmerken
8
Mogelijke verstoringen
Sporen en vondsten zullen naar verwacht slecht bewaard zijn gebleven. Het oude cultuurniveau uit de Romeinse tijd kan door activiteiten in de (late) middeleeuwen en nieuwe tijd zijn aangetast en daardoor slecht herkenbaar zijn. Nederzettingen op oeverwallen en verlande kreekruggen van het Gantelsysteem. Offsite (verkaveling) vooral ook op geulafzettingen (komgronden). Archeologische laag slecht herkenbaar door (laat) middeleeuwse en nieuwetijdse activiteiten. Sporen niet prospecteerbaar met booronderzoek. Geheel verstoord door de aanleg van moes- of volkstuinen tussen 1938 en 1945
Eigenschap
Toelichting
1
Datering
Late middeleeuwen en nieuwe tijd
2
Complextype
Bouwvoor, kavelsloten, bermgreppels.
3
Omvang
Sloten en greppels enkele meters breed, maar enkele honderden meters lang.
4
Diepteligging
Omstreeks 1 tot 1,5 m – NAP.
5
Gaafheid en conservering
Bermgreppels en sloten zullen goed bewaard zijn gebleven.
6
Locatie
Zowel langs de noordwest als zuidoost grens (afb. 5 t/m 8).
7
Uiterlijke kenmerken
8
Mogelijke verstoringen
Archeologische laag/bouwvoor (akkerlaag – weiland tot 1950) mogelijk deels slecht herkenbaar door bouwrijp maken van de bodem in de jaren 1950. Sporen moeilijk prospecteerbaar door beperkte nauwkeurigheid kaartmateriaal. Opgevuld met puin en ander afval.
Tussentijds advies voor bevoegd gezag Ondanks dat de bouwplannen voor het grootse deel binnen de bestaande verstoring gerealiseerd zullen worden, is vanwege de complexe geologie een verkennend booronderzoek binnen het plangebied op zijn plaats. Hierbij kan de aanwezige verstoring in kaart worden gebracht en wordt de diepere geologie (duin versus strand) en daaraan gekoppelde bewoningsmogelijkheden in de prehistorie verkend. Voor dit onderzoek zijn zeven boringen nodig, drie aan de voorzijde van het pand, twee ter hoogte van de parkeervoorziening en twee ter hoogte van de dwarsvleugel op het achter terrein. Op basis van het milieuonderzoek is duidelijk geworden dat delen van het terrein zodanig vervuild zijn dat de grond niet zondermeer bruikbaar is voor het doel “Wonen”. Voor archeologisch (boor)onderzoek moeten de gebruikelijke milieu hygiënische maatregelen in acht worden genomen: niet eten en drinken tijdens het veldwerk, gebruik handschoenen en was handen na afronden van het werk.
18
3 Het booronderzoek 3.1 Doelstellingen en methode Uit het bureauonderzoek komt naar voren dat het plangebied specifiek een verwachting heeft op de aanwezigheid van duintjes waarop in de prehistorie (met name het neolithicum) gewoond kon worden. Door sub recente bodemingrepen zijn de niveaus waarop sporen en vondsten uit de late ijzertijd, Romeinse tijd en later worden verwacht (Gantel Laag) ernstig verstoord geraakt. De vraagstelling voor het booronderzoek was: • Hoe ziet de opbouw van de ondergrond er daadwerkelijk uit? • Zijn in het plangebied zones aanwezig waar nog archeologische resten te verwachten zijn? Om op deze vraagstelling een antwoord te kunnen geven moeten de onderstaande onderzoeksvragen uit het PvA14 worden beantwoord: 1. Hoe is de geologische opbouw van het onderzoeksgebied? 2. In welke mate is de oorspronkelijke opbouw van de ondergrond bewaard gebleven? 3. Zijn er nog (resten van) archeologische niveaus aanwezig? En zo ja, wat is de omvang, aard, ouderdom, gaafheid en conservering daarvan? 4. In welke mate stemmen de resultaten overeen met de archeologische verwachtingen? 5. In welke mate stemt het beeld van de bodemopbouw overeen met het beeld dat geschetst wordt op de geologische kaart van Den Haag en Rijswijk 2019? 6.
Kan er op basis van het onderzoek een aanpassing van de archeologische verwachting en de Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart Den Haag (AWVK) worden voorgesteld? Onderwerp
Gepland
Uitgevoerd
Boordichtheid
10 boringen per hectare (7 stuks)
Positie boringen
3 aan voorzijde terrein, 4 aan de achterzijde
7 uitgevoerd; 1 ondiep onder maaiveld vastgelopen in puin. Idem
Gebruikt boormateriaal
Edelman 7 en 12 cm en guts 3 cm.
Idem
Totaal aantal geplande boringen
7
Idem
Inmeten boorlocaties
Landmeetkundige GPS
Idem
Boorbeschrijving en documentatiemethode
Idem Archeologische Standaard Boorbeschrijving per lithologisch onderscheiden eenheid (NEN 5104), digitaal in Terra Index. Idem Versnijden en verbrokkelen. In klei en veen biedt dat de beste kans op het aantreffen van archeologische resten waaronder aardewerk en houtskool. Niet van toepassing. Idem
Wijze verwerken boormonster
Doorstart van verkennend naar karterend/waarderend
Om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden zijn in en om het plangebied zeven boringen uitgevoerd met behulp van een Edelmanboor en guts. De beoogde einddiepte van de boringen is het duin- of strandzand van respectievelijk de Laag van Voorburg of Laag van Rijswijk. Dat is in principe ruimschoots dieper dan de verwachte verstoring van de nieuwbouw (2 m – peil; 1,6 – 1,8 m – NAP). De boringen zijn per herkenbare lithologische eenheid beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode en ingevoerd in Terra 14
Rieffe 2022. 19
Afb. 11 Locatie boorpunten (gemeente Den Haag).
Plangebied Boorpunten Index. De opgeboorde grond is in het veld geanalyseerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren door versnijden en verbrokkelen. De boorpunten zijn ingemeten met behulp van een landmeetkundige GPS. In afbeelding 11 zijn de uitgevoerde boringen weergegeven. De boorbeschrijvingen staan in bijlage 2. Vanwege het dichte en verwilderde struikgewas ter hoogte van de oorspronkelijke boring 1, is deze boring net buiten het plangebied gezet.
3.2 Resultaten en interpretatie Resultaten De boringen 2, 3, 5 en 6 zijn op verschillende diepten onder maaiveld (en ten opzichte van NAP) in geroerde grond gestaakt. Boring 5 is gestaakt op 1 m - MV, wat nog boven de verwachte verstoringsdiepte (1,4 m – NAP) is van de moestuinen uit de periode 1938 – 1945. De boringen 1, 4 en 7 laten een consistent beeld zien waaruit naar voren komt dat de opbouw van de ondergrond tot een diepte van 1,5 m – NAP (boring 7) en dieper uit geroerde grond bestaat. Daaronder bestaat de ondergrond in boring 1 uit klei (Gantel Laag) op veen (Hollandveen Laagpakket) op duinzand (Laag van Voorburg; 2,18 m – NAP). In de boringen 4 en 7 bestaat deze uit klei (Gantel Laag) op veen (Hollandveen Laagpakket) op klei (Laagpakket van Wormer) en strandzand (Laag van Rijswijk). In geen van de geslaagde boringen zijn intacte begraven humeuze bodems aangetroffen. Ook ontbreken archeologische indicatoren zoals houtskool of fragmenten aardewerk.
20
Interpretatie Het plangebied ligt grotendeels in een met klei en veen opgevulde strandvlakte. In de strandvlakte lagen echter ook verspreid (lage) duintjes. De aanzet van zo’n duintje is in boring 1 aangetroffen. De diepte waarop daar, en in de overige geslaagde boringen veen voorkomt (2,18 m – NAP en lager; 2,25 m – maaiveld) is zo laag dat de kans dat op deze duinflank archeologische resten bewaard zijn gebleven, zeer klein is. Op het duin en de Wormerklei is, nadat de zee haar invloed op het gebied verloor, veen tot ontwikkeling gekomen. In boring 1 is de top van dit veen veraard. De oorzaak daarvan moet echter niet gezocht worden in ontwatering als gevolg van activiteiten van de Gantel in de ijzertijd (waarmee bewoning op het veen in die periode mogelijk zou zijn), maar hangt eerder samen met de sterk fluctuerende grondwaterstand ter plaatse (van bijna 2 m – NAP tot 0,26 m – NAP). Op het veen is in de (late) ijzertijd klei van de Gantel Laag afgezet. Hoewel deze laag gedurende ongeveer 1800 jaar aan het maaiveld lag en in Den Haag vaak nog heel goed geconserveerd is, is dat hier niet het geval. De aangetroffen verstoring hangt grotendeels samen met de op luchtfoto’s uit WO II herkenbare (moes) tuinen (afb. 8). Door deze diepe vergravingen zijn eventueel aanwezige archeologische resten op de afzettingen van het Gantelsysteem verloren gegaan.
De resultaten van het archeologisch booronderzoek sluiten, vooral wat betreft de mate waarin de bodemopbouw verstoord is, goed aan bij de boorgegevens zoals die uit het milieukundig onderzoek al beschikbaar waren.
3.3 Beantwoording onderzoeksvragen Op basis van de uitgevoerde boringen kunnen de vooraf opgestelde onderzoekvragen worden beantwoord. 1. Hoe is de geologische opbouw van het onderzoeksgebied? Van onder naar boven bestaat deze uit strand- of duinzand (Laag van Rijswijk en Laag van Voorburg) met daarop een dun laagje klei (Laagpakket van Wormer) en vervolgens een laag veen (Hollandveen Laagpakket; Formatie van Nieuwkoop). Het geheel is afgedekt met een laag klei, afgezet vanuit een zijgeul van de Gantel (Gantel Laag). 2. In welke mate is de oorspronkelijke opbouw van de ondergrond bewaard gebleven? Deze is slecht bewaard gebleven. De verstoring reikt tussen 1,33 (boring 1) en dieper dan 2,2 m – NAP (boring 2). 3. Zijn er nog (resten van) archeologische niveaus aanwezig? En zo ja, wat is de omvang, aard, ouderdom, gaafheid en conservering daarvan? Nee, deze zijn niet aangetroffen. 4. In welke mate stemmen de resultaten overeen met de archeologische verwachtingen? De archeologische verwachtingen zijn niet aangetroffen. 5. In welke mate stemt het beeld van de bodemopbouw overeen met het beeld dat geschetst wordt op de geologische kaart van Den Haag en Rijswijk 2019? Volgens de geologische kaart uit 2019 ligt het gehele plangebied op een met veen afgedekt duin (strandwal).
De boringen tonen echter aan dat het grootste deel van het plangebied een met klei (en daarna met veen) afgedekt (getijden) gebied was. De klei op het veen komt wel overeen met de kaart. 6. Kan er op basis van het onderzoek een aanpassing van de archeologische verwachting en de Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart Den Haag (AWVK) worden voorgesteld? Ja, binnen het plangebied is geen sprake (meer) van een archeologische verwachting.
21
4 Conclusie en advies In het plangebied Loevesteinlaan 355 bereidt Stebru Ontwikkeling B.V. namens Ontwikkelingscombinatie Loevesteinlaan B.V. de bouw van zorgunits, middenhuur- en vrijesector huurappartementen voor. Het plangebied valt binnen bestemmingsplan Morgenstond en heeft daarin een dubbelbestemming Waarde Archeologie. Het bureauonderzoek laat zien dat op basis van de verwachte geologie het gebied in het neolithicum bewoonbaar was op duinzand, voor de ijzertijd geldt datzelfde voor mogelijk veraard veen en in de Romeinse tijd, middeleeuwen en nieuwe tijd geldt dat voor de klei van de Gantel Laag. Een deel van het plangebied is in de tweede wereldoorlog als (moes)tuinen in gebruik geweest waardoor de opbouw van de ondergrond tot 1,5 m – NAP verstoord is geraakt. Hierbij zijn eventueel aanwezige archeologische resten uit de Romeinse tijd en jongere perioden geheel verstoord geraakt. Ook de realisatie van de huidige, te slopen, bebouwing heeft voor verstoring van de ondergrond gezorgd. Voor de geplande nieuwbouw wordt de fundering tot 2 m – peil (omstreeks 1,6 tot 1,8 m – NAP) ontgraven. Om de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek te toetsen is een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd.
Op basis van zeven boringen, waarvan zes geslaagd zijn, kwam vast te staan dat het gebied tot minimaal 1,3 m – NAP (boring 1), maar vaak aanzienlijk dieper (tot 2,2 m – NAP in boring 2) verstoord is geraakt. Restanten van intacte humeuze bodems op en in de Gantel Laag ontbreken. De veraarding van het veen hangt samen met de sterk fluctuerende grondwaterspiegel. Bewoning op duinzand is binnen het plangebied niet waarschijnlijk. Het aangetroffen duin wordt (binnen het plangebied) omringd door een actief getijdengebied. Geadviseerd wordt om de voorgestelde werkzaamheden zonder verdere voorwaarden vanuit de archeologische monumentenzorg doorgang te laten vinden. Toevalsvondsten moeten wel bij het bevoegd gezag gemeld worden.
22
Literatuur Bulten, E.E.B., en O. Holthausen (Red.), 2021, De Archeologische-Geologische kaart van Den Haag en Rijswijk 2021. Den Haag Berendsen, H.J.A., 2005, Landschappelijk Nederland. (Fysische geografie van Nederland). Assen Koster, K., en P.C. Vos, 2019, Herziening geologische kaart gemeenten Den Haag en Rijswijk. (TNORapport R11927). Utrecht Mijle Meijer, R.A. van der, 2007, Inventariserend Veldonderzoek-proefsleuven Loevesteinlaan, Genemuidenstraat en Windesheimstraat in Den Haag. (Haagse Archeologische Rapportage 0709). Den Haag Mijle Meijer, R.A. van der, 2008, Inventariserend Veldonderzoek Proefsleuven Gemeente Den Haag Archeologisch onderzoek tussen de Vledderstraat en de Oosterhesselenstraat in Den Haag. (Haagse Archeologische Rapportage 0805). Den Haag Rieffe, E.C., L.I. Kooistra, D.G. van Smeerdijk, en J. van Dijk, 2006, ‘AHR-D, -E en –Q.’ In: E.E.B. Bulten, en Y.M. Boonstra (Red.), Archeologisch onderzoek in- en effluentleidingen Afvalwaterzuivering Haagse Regio (Rapport afdeling Archeologie 0619). Den Haag. p. 81-169. Rieffe, E.C., 2022, Plan van Aanpak LOE22b. (Plan van Aanpak). Den Haag Siemons, H., en P.J.A. Stokkel (Red.), 2021, Toelichting op de Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart Den Haag 2021 (AWVK 2021). (Haagse Archeologische Rapportage 2120). Den Haag Slieker, A.M., 2022, Verkennend bodemonderzoek Loevesteinlaan 355 te Den Haag.
Hoste Milieutechniek B.V. Veen, M.M.A. van, en J.A. Waasdorp, 2000, Archeologische-geologische kaart van Den Haag. (Haagse Oudheidkundige Publicaties 5). Den Haag
Historische kaarten Kruikius kaart van Delfland 1712. Heruitgave 1988, Alphen aan den Rijn. Kadastrale Minuutplannen 1832. www.hisgis.nl/kaartviewer/zuid-holland/. Bonneblad 458 - 1904
Verantwoording afbeeldingen Afb. 1
Locatie van het plangebied binnen Den Haag (gemeente Den Haag).
Afb. 2
Uitsnede van de geologische kaart volgens Koster en Vos (2019) met het plangebied (gemeente Den Haag).
Afb. 3
Onderzoek in de omgeving van het plangebied (gemeente Den Haag).
Afb. 4
Het centrale deel van vindplaats 169 (gemeente Den Haag).
Afb. 5
Het plangebied geprojecteerd op de Kaart van Delfland uit 1712 (Hoogheemraadschap van Delfland).
Afb. 6
Het plangebied geprojecteerd op Bonneblad 458 uit 1904 (Topografische Dienst – Kadaster).
Afb. 7
Het plangebied geprojecteerd op een luchtfoto uit 1938 (Topografische Dienst – Kadaster).
Afb. 8
Het plangebied geprojecteerd op een luchtfoto uit april 1945 (Royal Air Force).
Afb. 9
Omvang bouwplan en nieuwe verstoringen (Stebru / gemeente Den Haag).
Afb. 10 Dikte geroerde laag op basis milieuonderzoek (Hoste Milieutechniek / gemeente Den Haag). Afb. 11
Locatie boorpunten (gemeente Den Haag).
23
Bijlage 1: Tabel perioden en laagindeling Archeologische perioden
Jaren v/n Chr.
Laageenheden Duin- en strandzanden
Mariene getijdenafzettingen
2000 Nieuwe tijd 1500 Laat
Vol
Middeleeuwen
A
1000
E
Vroeg 500 Romeinse tijd Laat Midden
IJzertijd
0
F/G
500
Vroeg
Bronstijd
Laat
1000
Midden
1500
Vroeg
2000
Laat
2500
B
D
3000 Neolithicum
Midden
3500 4000
Vroeg
C
J/K
4500 5000
Laat Mesolithicum
Midden
Vroeg
6000 7000 8000 9500
Laat-Paleolithicum
11750
A: Laag van Den Haag (voorheen Jonge Duinen) B: Laag van Voorburg (voorheen Oude Duinen) C: Laag van Ypenburg (voorheen Oude Duinen) D: Laag van Rijswijk (voorheen Strandzanden) E: Laag van Poeldijk (voorheen Duinkerke II /III Afzettingen) F:
Gantel Laag, kleiige afzettingen (voorheen Duinkerke I Afzettingen)
G: Gantel Laag, zandige afzettingen (voorheen Duinkerke I Afzettingen) J:
Laagpakket van Wormer, kleiige afzettingen (voorheen Afzettingen van Calais)
K: Laagpakket van Wormer, zandige afzettingen (voorheen Afzettingen van Calais)
24
Bijlage 2: Boorgegevens Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen zwak humeus
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
ongeroerd monster volumering
overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
Gemiddeld laagste grondwaterstand slib
water
25
26
-200
-233
-218
-203
-150
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, zwak wortelhoudend, gebiedseigen, Guts
Veen, bruin, Guts
Veen, zwak zandig, donkergrijs, Guts
Veen, donkergrijs, Guts
Klei, sterk siltig, grijs, Guts
Klei, sterk siltig, sterk humeus, donker, Guts, Oude bouwvoor
-148 -158 -163
Klei, sterk siltig, grijs, Edelmanboor, Vuil, brokken opgebracht
Zand, zwak siltig, Edelmanboor
-133
-103
-63
-13
Zand, zwak siltig, sterk humeus, Graven
Klei, sterk siltig, matig humeus, bruingrijs, Edelmanboor
-100
-50
0
79065.75 452015.32 24-8-2022 0.07
X: Y: Datum: Maaiveld (m NAP)
7
Bp01
Boring:
-200
-150
-100
-50
0
-222
28
79049.22 451986.45 24-8-2022 0.28 Binnenterein
Bp02
Zand, matig grof, zwak siltig, licht geelbruin, Edelmanboor, Opgebracht, oude sloot?
X: Y: Datum: Maaiveld (m NAP) Opmerking:
Boring:
-100
-50
0
50
-143
57
79032.07 451956.39 24-8-2022 0.57
Bp03
Zand, matig grof, zwak siltig, Edelmanboor, Opgebracht
X: Y: Datum: Maaiveld (m NAP)
Boring:
-300
-250
-200
-150
-100
-50
0
-342
-332
-252
-187
-172
-152 -157
-112
-42
-12
28
79099.67 451973.19 24-8-2022 0.28
Bp04
Zand, matig fijn, zwak siltig, grijs, Guts
Klei, matig siltig, grijs, Guts, Zandlaagjes
Veen, donkerbruin, Guts
Klei, sterk siltig, grijs, Edelmanboor, Schoon
Klei, uiterst siltig, zwak humeus, donkergrijs, Edelmanboor, Vuil
Zand, matig grof, zwak siltig, grijs, Edelmanboor
Klei, sterk siltig, lichtgrijs, Edelmanboor
Veen, sterk kleiïg, donkerbruin, Edelmanboor
Klei, sterk siltig, lichtgrijs, Edelmanboor
Zand, matig grof, zwak siltig, licht geelgrijs, Edelmanboor, Opgebracht
X: Y: Datum: Maaiveld (m NAP)
Boring:
27
-50
0
-92
Zand, matig fijn, zwak siltig, Edelmanboor, Vastgelopen in grof puin
79127.78 451940.67 24-8-2022 0.08
X: Y: Datum: Maaiveld (m NAP)
8
Bp05
Boring:
-106 -116
-156
-100
-150
-50
0
44
79082.05 451950.87 24-8-2022 0.44
Bp06
Zand, matig fijn, matig siltig, licht grijszwart, Guts, Vastgelopen op puin
Klei, sterk siltig, donkergrijs, Edelmanboor, Opgebrachte klei, enkele fragmenten puin
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht geelgrijs, Edelmanboor, Opgebracht
X: Y: Datum: Maaiveld (m NAP)
Boring:
-250
-200
-150
-100
-50
0
50
-285
-245 -255
Klei, sterk siltig, matig humeus, donker grijsbruin, Guts
-185
Zand, matig fijn, kleiïg, donkergrijs, Guts
Klei, matig siltig, lichtgrijs, Guts
Veen, bruin, Guts
Veen, sterk kleiïg, donker bruingrijs, Edelmanboor
Zand, kleiïg, blauwgrijs, Edelmanboor
Klei, uiterst siltig, matig humeus, matig grindig, zwak baksteenhoudend, antropogeen, donkerbruin, Edelmanboor, Vergraven
Zand, matig grof, zwak siltig, Edelmanboor, Opgebracht
79056.80 451936.40 24-8-2022 0.55
Bp07
-155
-125
-90
-45
55
X: Y: Datum: Maaiveld (m NAP)
Boring:
BIJLAGE 2 – BEZONNING
Mees Ruimte & Milieu | 21070.RO
Bijlage bij GRO
22 mei 2023 4795.117.ur.rwi
nieuwbouw Loevensteinlaan 355 Den Haag – bezonningstudie
1.
inleiding
Aan de Loevesteinlaan 355 te Den Haag wordt een deel van het huidige gebouw gesloopt en vervangen door een nieuwbouw voor zorg en wonen. Op de begane grond worden algemene ruimten en commerciële ruimten gesitueerd, op de eerste tot en met de vierde verdieping worden zorgstudio’s gesitueerd. Daarboven komen 2 woontorens van elk 19 bouwlagen. De gevolgen van de nieuwbouw op de omliggende (toekomstige) woonfuncties zijn middels een bezonningsstudie beschouwd. In dit rapport zijn de resultaten vastgelegd van de bezonningstudie. Op basis van onderstaand genoemde uitgangspunten zijn beoordelingen uitgevoerd en is getoetst aan de lichte TNO-norm bezonning. Uitgangspunten voor deze rapportage zijn: REVIT-model t.b.v. de bezonningsstudie “1433 VO model voor bezonningstudie” d.d. 03 februari 2022 van Bureau Kroner architecten Google Maps ter bepaling van de oriëntatie en de situatie, d.d. februari 2022 Haagse bezonningsnorm, d.d. 02 januari 1996 https://haagwonen.nl/projecten/denekampstraat-morgenstond/
2.
bezonningsstudie
2.1.
richtlijn
Er zijn geen wettelijke eisen waaraan de bezonning of beschaduwing ten gevolge van een nieuw te bouwen gebouw dient te voldoen. Om deze reden zijn er ook geen landelijk geldende normen opgesteld voor bezonningsstudie. De gemeente Den Haag sluit aan bij de door TNO opgestelde richtlijn voor bezonning. Derhalve is in dit onderzoek ook gebruik gemaakt van deze richtlijn als toets kader. De TNO richtlijn kent een ‘lichte’ en een ‘strenge’ norm. De gemeente Den Haag gaat voor de van de bezonning uit van de ‘lichte’ norm, zoals gangbaar in de praktijk. De ‘lichte’ norm van de door TNO opgestelde richtlijn stelt een ondergrens van twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober (gedurende 8 maanden) in het
4795.117.ur.rwi www.nelissenbv.nl | Postbus 1289 | 5602 BG Eindhoven | Larixplein 7 | +31 (0)40 248 46 56 | nelissen@nelissenbv.nl | KvK 17137297