CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS317931 Bijlage GRO 5.2 Loevesteinlaan incl. - deel 1

Commissie Ruimte 26 juni 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken34.362 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 47

Het grootste verschil tussen de windcondities is te zien op de Fluitenbergstraat vlakbij toren A (zie onderstaand figuur). In de figuren is duidelijk te zien dat de plaatsing van de parkeergage een positief effect op de windcondities heeft in dit gebied. Het gebied met windcondities die een acceptabel windklimaat bieden om doorheen te lopen (klasse D) is kleiner geworden en er is geen zone meer waar oncomfortabele windcondities heersen (klasse E). Als de verwachting is dat men hier enkel doorheen zal lopen dan zijn de windcondities geschikt voor de beoogde activiteit. In het geval dat er verwacht wordt dat men hier zal gaan slenteren worden er mitigerende maatregelen voorgesteld om de windrijk condities te verminderen. Onderstaande figuur links toont hoe de windcondities op de Fluitenbergstraat worden beïnvloed door de plaatsing van de parkeergarage. De figuur rechts toont de windcondities boven op de parkeergarage, welke variëren tussen windklasse B en C. Deze windcondities zijn geschikt om te slenteren, wat in lijn is met de beoogde activiteit voor deze locatie. Op de hellingbaan is een zone waar klasse D heerst. Figuur 23. Weergave windcondities.

In onderstaande figuur is te zien dat na de plaatsing van de parkeergarage er nabij Toren A geen kans meer is op windgevaar. Het gebied met een beperkt risico op windgevaar om de zuidelijke hoek van Toren B, blijft behouden. Figuur 24. Weergave windcondities.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 48

Conclusie Op grond van het uitgevoerd windhinderonderzoek kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van onacceptabele windhinder, als gevolg van het treffen van diverse maatregelen. Het aspect vormt geen belemmering voor het plan.

BODEM Algemeen Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegering saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. Het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. Het beperken van blootstellingen aan de verspreiding van verontreiniging; c. Het wegnemen van actuele risico’s.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico’s die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak.

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen aan de Loevesteinlaan 355 te Den Haag. De bestemming betreft een voormalig woonzorgcomplex van Florence te Den Haag. De directe omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit woningbouw. Het plangebied bestaat uit (zorg)woningen die worden gesloopt. Ter plaatse worden 144 zorgwoningen en twee woontorens met parkeervoorzieningen gebouwd. Binnen de projectlocatie is het volgende bodemonderzoek uitgevoerd: Verkennend bodemonderzoen Loevesteinlaan 355 te Den Haag (Hoste Milieutechniek BV op 1 april 2022). Deze rapportage (kenmerk: U2200268) is als bijlage aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Dit onderzoek is door de Omgevingsdienst Haaglanden beoordeeld, onder kenmerk ODH389977. Op basis van de beoordeling van de onderzoeken concludeert de Omgevingsdienst Haaglanden dat er binnen een deel van de projectlocatie sprake is van een geval ernstige bodemverontreiniging. Hiervan is sprake bij een gemiddelde overschrijding van de interventiewaarde in meer dan 25 m3 vaste bodem en/of 100 m3 grondwater (bodemvolume) of bij de overschrijding van de norm voor asbest van 100 mg/kg.ds. Voorgenoemd geval betreft een sterke verontreiniging met PCB in de grond. Daarnaast is mogelijk sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zware metalen en een verontreiniging met PCB op een ander deel van de locatie.

De drie verontreinigingen zijn nog niet voldoende afgeperkt, het uitvoeren van nader bodemonderzoek noodzakelijk en zijn eventueel sanerende maatregelen nodig om de locatie geschikt te maken voor het voorgenomen gebruik. Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 49

Het vervolg sanering uit te voeren voorafgaand aan de sloop van de bebouwing. De bijbehorende veiligheidsklasse voor deze werkzaamheden is bepaald met behulp van de online CROW-toetsmodule voor bepaling veiligheidsklasse volgens CROW 400 “Werken in en met verontreinigde grond”. Voor de Loevesteinlaan 355 Den Haag is op basis van de huidige onderzoeksgegevens geen veiligheidsklasse van toepassing (basishygiëne) Let op: bij toekomstige werkzaamheden vrijkomende grond is niet zondermeer geschikt voor hergebruik elders. Verkennend asbestonderzoek NEN-5707 In aanvulling op de onderzoeken is een verkennend onderzoek naar asbest conform de NEN 5707 met de strategie “verdachte locatie met diffuse bodembelasting heterogeen verdeeld” uitgevoerd. Op basis van onderzoek naar asbest kunnen de volgende vervolgacties worden onderscheiden:

In het kader van asbestonderzoek zijn drie grondmengmonsters genomen. Uit de resultaten blijkt dat:  In grondmengmonster amm-01 is geen asbest aangetoond.  In grondmengmonster amm-02 is asbest in een gewogen gehalte van 15 mg/kg d.s. aangetoond.  In grondmengmonster amm-03 is asbest in gewogen gehalte van 0,1 mg/kg d.s. aangetoond.

Conclusie Op de locatie is sprake van meer dan 25 m3 sterk verontreinigde grond. Deze ernstige verontreiniging dient ten behoeve van de geplande ontwikkeling gesaneerd te worden. Het saneringsplan dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het bevoegde gezag. Aanbevolen wordt de sanering uit te voeren voorafgaand aan de sloop van de bebouwing. De overige aangetroffen verontreinigingen geven geen aanleiding tot verder onderzoek en/of sanerende maatregelen. De noodzakelijk tot inpandig onderzoek ter verdere afperking van de verontreiniging met PCB’s. zal in overleg met het bevoegde gezag vastgesteld moeten worden.

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 50

buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:  Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen.  Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR.

Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.

Relatie tot ontwikkeling Op de risicokaart is te zien dat: de projectlocatie niet gelegen is binnen het invloedsgebied van een Beviinrichting noch binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Tevens kan geconcludeerd worden dat de projectlocatie niet binnen het invloedgebied van een nabij gelegen transportroute of buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen is gelegen. Figuur 25. Uitsnede risicokaart (bron: www.nederland.risicokaart.nl).

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 51

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit:  woningen;  onderwijsgebouwen;  ziekenhuizen;  verpleeghuizen;  verzorgingstehuizen;  psychiatrische inrichtingen;  kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.

Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door ingenieursbureau Nelissen getoetst aan de eisen van de Wet geluidhinder en het geluidbeleid van de gemeente Den Haag. Deze rapportage (kenmerk: 4795.068.ur.mek) is als bijlage toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. Maartensdijklaan De geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer op de Maartensdijklaan overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet op de gevels van het bouwplan. Loevesteinlaan De geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer op de Loevesteinlaan overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de gehele voorgevel, de gehele rechterzijgevel (zuid-oostgevel) en gehele linkerzijgevel (noordwestgevel) van het woongebouw. De geluidbelasting bedraagt maximaal 62,0 dB inclusief aftrek artikel 110g Wgh. De maximale ontheffingswaarde wordt derhalve niet overschreden.. 30 km/uur wegen De geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer op de Dalerveenstraat overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet op de gevels van het bouwplan. De geluidbelasting als gevolg van de Fluitenbergstraat overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (incl aftrek) op een deel van de rechtergevel (noordwestgevel) tot de hoogte van de 5e verdieping (18,2 m).

De geluidbelasting bedraagt maximaal 50,2 dB inclusief aftrek artikel 110g Wgh. Aangezien het een 30 km/uur betreft wordt geen hogere waarde aangevraagd. Wel is de geluidbelasting meegenomen in de toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid en de cumulatieve geluidbelasting ten behoeve van de geluidwering van de gevel. Gezien de overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de Loevesteinlaan dient een

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 52

hogere waarde procedure doorlopen te worden. Voor deze procedure zal aangetoond moeten worden dat het toepassen van overdrachts- of bronmaatregelen onvoldoende doeltreffend zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet en dat voldaan wordt aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van het akoestisch onderzoek (kenmerk: 4795.068.ur.mek).

Conclusie Ten gevolge van de Dalerveenstraat en Maartensdijklaan wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Fluitenbergstraat bedraag maximaal 50,1 dB en overschrijdt daarmee eveneens de voorkeursgrenswaarde. Aangezien het een 30 km weg betreft wordt hier geen ontheffing voor aangevraagd. De geluidbelasting van de Loevesteinlaan bedraag maximaal 62,0 dB en overschrijdt de voorkeursgrenswaarde. De maximale ontheffingswaarde wordt echter niet overschreden. Gezien de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde dient een hogere waarde procedure doorlopen te worden. Daarvoor zal aangetoond moeten worden dat het toepassen van overdrachts- of bronmaatregelen onvoldoende doeltreffend zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet en dat voldaan wordt aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Zowel maatregelen aan de bron als in de overdracht tussen bron en ontvanger ontmoeten overwegende bezwaren of zijn onvoldoende doelmatig. Door het toepassen van een afgeschermde (buiten)ruimte wordt er aan de zijde van de Loevesteinlaan een geluidluw gevel(deel) gerealiseerd. Elk appartement heeft hierdoor een geluidluw geveldeel en verblijfsruimte. Meer dan 50% van de zorgstudio’s heeft een geluidluw geveldeel en de gemeenschappelijke buitenruimte zijn beoogd aan de geluidluwe zijde van het gebouw.

Hiermee wordt voldaan aan de aanvullende criteria uit het gemeentelijk geluidbeleid. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de planologische procedure.

LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.

De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:  woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen;  kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 53

Relatie tot ontwikkeling Het beoogd programma waar voorliggend initiatief in voorziet, wijkt in enkele onderdelen af van het kavelpaspoort en in totaal worden 298 woningen gerealiseerd. Op de begane grond in de plint van het gebouw worden de toegangen naar de woongebouwen, de entree van Florence en verschillende ruimtes voor commerciële en commercieel-maatschappelijke plintfuncties gerealiseerd. Het gaat om circa 620 m2 plintfuncties, die nader ingevuld kunnen worden. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling van 298 woningen en circa 620 m2 commerciële functie niet in betekenende mate bijdraagt. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over o.a. verkeersgegevens). Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5.

Onderstaande tabel toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 18 augustus 2022) met bijbehorende grenswaarden. Tabel 1. Jaar

Totale concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in nabijheid van de projectlocatie Totale concentratie NO2 (µg/m3) PM10 (µg/m3)

ID: 109678 PM2,5 (µg/m3)

2020

22,163

18,045

9,42

2030

16,056

16,134

7,984

Grenswaarden

40

40

25

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 54

bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.

Relatie tot ontwikkeling Soortenbescherming Ten behoeve van de voorgenomen sloop-nieuwbouw ontwikkeling is door De Bouwecoloog een Quick Scan flora en fauna uitgevoerd. Op basis hiervan is geconcludeerd dat op grond van het locatiebezoek en het bronnenonderzoek niet kan worden uitgesloten dat verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied aanwezig zijn. Door ecologisch adviesbureau Eco-Niche is van mei t/m september 2021 het vervolgonderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat de planlocatie geen functie voor beschermde soorten heeft. Met de sloop- of renovatie van het gebouw gaan geen vaste verblijfplaatsen verloren. Verblijfplaatsen zijn alleen buiten de planlocatie aangetroffen, namelijk in het nieuwere gebouwdeel waar geen ontwikkelingen plaatsvinden. Deze verblijfplaatsen zijn tijdens de werkzaamheden ook niet aan verstoring onderhevig. Het project heeft geen negatief effect op de vliegroute. Het te slopen of renoveren gebouwdeel ligt aan de Loevesteinlaan en grenst alleen met een kopgevel aan de vliegroute. In de Loevesteinlaan is in de huidige situatie reeds straatverlichting aanwezig. De gewone dwergvleermuizen steken de straat hier dwars over, ondanks de straatverlichting.

Een eventueel negatief effect van lichtuitstraling op de bomerij vanuit het gebouw in de nieuwe situatie is verwaarloosbaar ten opzichte van de bestaande mate van verlichting. Ook tijdens de werkzaamheden is er geen sprake van verstoring van de vliegroute. Gewone dwergvleermuizen zijn niet de meest gevoelige soorten voor lichtverstoring, maar kunnen dat op essentiële vliegroutes wel zijn. De bomenrij in de Dalerveenstraat valt echter buiten de planlocatie. De gewone dwergvleermuizen vliegen in de beschutting en het donker van de boomkronen. Het is onwaarschijnlijk dat een eventueel toe te passen bouwverlichting rechtstreeks op de bomenrij gericht wordt. Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden. Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn.

Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Ten noorden van de projectlocatie, op circa 3,0 kilometer is het Natura 2000 – gebied ‘Westduinpark & Wapendal’ gelegen.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 55

Figuur 26. Afstand projectlocatie tot Natura 2000 – gebied ‘Westduinpark & Wapendal’ (bron: QGIS, eigen bewerking).

Ten behoeve van de ontwikkeling is met behulp van de AERIUS-calculator een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de gebruiksfase door MBH Consult. De rapportage is als bijlage aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Voor het plan is intern gesaldeerd, waardoor de referentiesituatie vast is gesteld. Hieronder worden de uitgangspunten uit de referentiesituatie (rapportage MBB Consult) weergegeven. Referentie In het zorgcomplex zijn 294 zorgappartementen aanwezig. Het pand wordt sinds 2015 anti-kraak bewoond. Dat hiervan sprake is blijkt uit raadsinformatie van de gemeente Den Haag. In de basisadministratie gebouwen staan 170 adressen geregistreerd. Hieruit blijkt eveneens dat het pand van 1965 dateert. Middels het EAN codeboek kan worden vastgesteld dat er voor dit pand een gasaansluiting aanwezig is. Voor interne saldering is het tevens van belang dat er sprake is van ‘feitelijk gerealiseerde capaciteit’. Hoewel het complex sinds 2015 niet meer als zorgcomplex in gebruik is, wordt het anti-kraak bewoond. Derhalve kan worden beargumenteerd dat de emissies uit de referentiesituatie onverminderd aanwezig zijn. Tevens kan het complex, hoewel onwenselijk, zonder aanpassingen weer conform de referentiesituatie in gebruik genomen worden. Samengevat wordt als referentiesituatie vastgesteld:  

170 zorgwoningen (worst case). Gasgestookt verwarmd (appartement, oudere woningen).

Er is gerekend met rekenjaar 2023, omdat gezien de doorlooptijd van het project, het plan mogelijk in 2023 in gebruik genomen kan worden. De bestaande woningen gasgestookt verwarmd middels een c.v.ketel. Derhalve zijn gebouwemissies in de referentiesituatie relevant. De gebouwemissies worden bepaald o.b.v. kentallen uit een door het RIVM beschikbaar gesteld document. Er is gekozen voor de categorie appartement, oudere woningen op basis van het type woning en het bouwjaar van het complex. Er is geen Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 56

vast emissiepunt bekend. Derhalve wordt de emissie ingegeven als vlakbron ter grootte van het complex. De maximale hoogte van het pand is 22 meter. Derhalve wordt er voor gekozen om de emissie in te voeren met een gemiddelde uitstoothoogte van 11 meter en de daarbij behorende spreiding van 5,5 meter. Voorgenoemd leidt tot een totale emissie van 212,5 Kg NOX/J. en 79,79 KG NH3/J. Licht en zwaar verkeer In de gebruiksfase is er sprake van emissies door verkeersgeneratie. Het effect van de verwachte toename in verkeersbewegingen verkeer dient te worden berekend. De verkeersgeneratie is berekend door gebruik te maken van de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’(2018). Voorgaand leidt tot het volgende overzicht:

Het verkeer dient te worden ontsloten tot op het punt waar het opgaat in het heersend verkeersbeeld. Conform de AERIUS Invoerinstructie is dit het geval op het punt, waarop het verkeer zich qua snelheid, optrek en stopgedrag niet meer onderscheidt ten opzichte van het overige verkeer, aanwezig op de betrokken weg. Volgens de instructie weegt hierin ook mee dat het verkeer moet zijn verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer. De precieze wijze waarop het verkeer zich vanaf het plangebied ontsluit is niet bekend en enkel te beredeneren. Derhalve wordt uitgegaan van ontsluiting in 4 richtingen (115 mv/etm. per richting, 0,85 mv/etm. per richting zwaar verkeer), waarbij aan elke richting een gelijk deel van de verkeersgeneratie wordt toegekend. Hierbij wordt ontsloten tot op het eerste kruispunt, alwaar het verkeer opgaat in het heersend verkeersbeeld, waarbij 3% als grens wordt aangehouden (NSLmonitoring). Dit leidt tot de volgende ontsluitingsrichtingen: 1. 2. 3. 4.

Loevesteinlaan kruising Hengelolaan (1,5%, congestie 40%) Loevesteinlaan kruising Erasmusweg richting Rijswijk (2%, congestie 40%) Loevesteinlaan via Melis Stokelaan tot op op de Lozerlaan (1%, congestie 40%) Loevesteinlaan via Melis Stokelaan tot op de Moerweg (1,5%, congestie 40%)

Het verkeer wordt ingegeven als verkeer binnen de bebouwde kom met de maximale congestie op de ontsluitingsroute volgens de NSL-monitoring. Beoogde gebruiksfase De beoogde situatie wordt uitgevoerd middels een gasloos energieconcept. Derhalve zijn gebouwemissies in de beoogde situatie niet langer relevant. Licht verkeer en zwaar verkeer In de gebruiksfase is er sprake van emissies door verkeersgeneratie. Het effect van de verwachte toename in verkeersbewegingen verkeer dient te worden berekend. De verkeersgeneratie is berekend door gebruik te maken van de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’(2018). Voorgaand leidt tot het volgende overzicht:

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 57

De precieze wijze waarop het verkeer zich vanaf het plangebied ontsluit is niet bekend en enkel te beredeneren. Derhalve wordt uitgegaan van ontsluiting in 4 richtingen (417 mv/etm. per richting licht verkeer, 2,23 mv/etm. per richting zwaar verkeer), waarbij aan elke richting een gelijk deel van de verkeersgeneratie wordt toegekend. Hierbij wordt ontsloten tot op het eerste kruispunt, alwaar het verkeer opgaat in het heersend verkeersbeeld, waarbij 3% als grens wordt aangehouden(NSLmonitoring). Dit leidt tot de volgende ontsluitingsrichtingen: 1. Loevesteinlaan via Vreeswijksestraat kruising Soestdijksekade (1,6%, congestie 40%) 2. Loevesteinlaan kruising Erasmusweg richting Rijswijk Kruising Prinses Beatrixlaan (2,8%, congestie 40%) 3. Loevesteinlaan via Melis Stokelaan tot op op de Lozerlaan (3%, congestie 40%) 4. Loevesteinlaan via Melis Stokelaan via Troelstrakade tot op Hildebrandplein (2,5%, congestie 40%) Het verkeer wordt ingegeven als verkeer binnen de bebouwde kom met de maximale congestie op de ontsluitingsroute volgens de NSL-monitoring. Het projecteffect van de bedraagt op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/jaar(gesaldeerd met de referentiesituatie). Bij een dergelijke projectbijdrage treedt er geen stikstofdepositie op binnen omliggende Natura 2000-gebieden.

Derhalve treden er geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden. Tevens is door MBH een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd voor de bouwfase. Tijdens de sloop- en bouwfase zal materieel dat wordt ingezet leiden tot de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals stikstofoxiden. De rapportage van de bouwfase is opgenomen als bijlage bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Relevante emissies tijdens de bouwfase ontstaan naast de inzet van mobiele werktuigen ook door vervoersbewegingen van- en naar het plan. Voor elke bouwfase is in kaart gebracht welke mobiele werktuigen noodzakelijk zijn, het aantal benodigde draaiuren en het te verwachten dieselverbruik. Tevens is een inschatting gemaakt van de retourbewegingen per jaar van licht- en zwaar verkeer. Alle vergaarde gegevens zijn in de AERIUS Calculator ingevoerd. Het projecteffect bedraagt op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/j voor de bouwfase. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat geen sprake is van negatief significante effecten op nabij gelegen natuurgebieden.

Conclusie De berekening van het projecteffect van de beoogde situatie is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator. In de bijlagen zijn de AERIUS rapportages bijgevoegd van de invoergegevens en het berekeningsresultaat. Er treden geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden. Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 58

VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.

Relatie tot ontwikkeling Verkeersgeneratie en ontsluiting De projectlocatie is gelegen aan de Loevesteinlaan. De voornaamste ontsluitingsroute is gelegen in zuidelijke richting naar de Generaal Spoorlaan, Pr. Beatrixlaan en de aansluiting op de A4. De verkeersgeneratie van de beoogde zorgstudio’s bedraagt (zeer sterk stedelijk – rest bebouwde kom – aanleunwoning, serviceflat) maximaal 389 mvt per etmaal. Voor de woningen in de zorg- en woontoren is aansluiting gezocht bij de categorie huur – etage – midden/goedkoop en huur-etage-duur met een maximale verkeersgeneratie van maximaal 1.037 respectievelijk 55 mvt per etmaal. De geplande voorzieningen genereren maximaal 165 mvt per etmaal. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat de verkeersgeneratie als gevolg van het plan maximaal 1.668 motorvoertuigbewegingen per etmaal kent. Het een en ander is tevens beschouwd in voorgaande paragraaf 4.11.2. Parkeren Auto In juli 2021 heeft de gemeente de Parkeerstrategie Den Haag 2021-2030 vastgesteld. Hierin staat hoe de gemeente omgaat met parkeren en parkeerproblemen. De komende jaren groeit Den Haag flink. Er komen meer inwoners en meer arbeidsplaatsen. Inwoners willen allemaal prettig wonen, werken en ontspannen. De vraag naar parkeerplaatsen neemt ook toe. Maar de ruimte in de stad is niet groot genoeg voor al deze wensen.

Op grond van de gebiedsindeling parkeernormen 2021 geldt dat de projectlocatie is gelegen binnen het gebied ‘Naoorlogse wijken’. Figuur 27. Gebiedsbepaling parkeernormen Den Haag.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 59

Bij het berekenen van de parkeerplaatsbehoefte wordt rekening gehouden met de aanwezigheidspercentages conform Nota parkeernormen. Daarnaast kan de autoparkeervraag van bewoners en werknemers bij de inzet van deelauto’s en/of edeelbakfietsen worden gereduceerd. Binnen gereguleerd gebied gaat het om:  1 deelauto inclusief parkeerplaats vervangt 4 reguliere parkeerplaatsen;  maximaal 50% van de autoparkeervraag van toekomstige bewoners of werknemers wordt vervangen door deelauto’s;  1 deelbakfiets inclusief parkeerplaats vervangt 1 autoparkeerplaats;  maximaal 10% van de autoparkeervraag van toekomstige bewoners of werknemers wordt vervangen door deelbakfietsen. In de bijlage van voorliggende ruimtelijke onderbouwing is een parkeerbalans opgenomen. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat de piekbelasting 221 bedraagt (zaterdagavond). Het plan voorziet in de realisatie van in totaal 144 autoparkeerplaatsen. Hiervan zijn in totaal 20 plekken beschikbaar voor deelauto’s, die staan voor 60 plekken (20 x 3). Door het realiseren van 9 elektrische deelbakfietsen en 9 deelscooters worden 18 autoparkeerplaatsen. De uitwerking van deze parkeerbalans en het parkeerdek is nadrukkelijk onderdeel geweest van het participatieproces. Tijdens het participatieproces is invulling gegeven aan het ontwerp van het parkeren, de inrichting van de plint en de openbare ruimte.

Door de realisatie van 144 autoparkeerplaatsen, waarvan 20 parkeerplaatsen voor deelauto’s, op eigen terrein en het faciliteren van 9 elektrische deelbakfietsen en 9 deelscooters, wordt voorzien in aan de maatgevende parkeerbehoefte bij dubbelgebruik, te weten 221. Het ontwerp voor de inpassing van parkeerplaatsen op maaiveld wordt zodanig opgesteld dat een mogelijke vermindering van het aantal plaatsen tot een verhoging van de kwaliteit van de buitenruimte zal leiden. Figuur 28. Overzicht locatie: verkeer en parkeren (auto’s en fietsen).

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 60

Fiets en scootmobielen Naast het voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor de auto dient ook te worden voorzien in genoeg stallingsruimte voor de fiets. De fietsparkeernormen van de gemeente Den Haag zijn opgenomen in de ‘Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016’. Als bijlage bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing is een fietsparkeerbalans opgenomen. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat het initiatief voorziet in de realisatie van voldoende fietsparkeerplaatsen. Ook voor scootmobielen wordt voorzien in de aanleg van voldoende parkeervoorzieningen op grond van de norm.

Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

WATER Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. De gemeente Den Haag en het Hoogheemraadschap van Delfland werken aan een goed waterbeheer door middel van een gezamenlijke Wateragenda Den Haag 2016-2020 (RIS 293272). In de visie 'Toekomstbestendig Haags water!' is aangeven hoe het watersysteem in Den Haag anno 2014 functioneert, welke knelpunten er zijn en hoe het systeem robuust te houden. Het Haagse watersysteem is op dit moment grotendeels op orde.

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap Delfland. Beleid waterbeheerder In het Waterbeheerplan 2022 – 2027 (WBP6) heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Dit waterbeheerprogramma is op 10 maart 2022 vastgesteld en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen Delfland neemt om met uitdagingen als klimaatverandering, verstedelijking, energietransitie, arbeidsmarkt en digitalisering om te gaan en zo het gebied veilig en leefbaar te houden. Deze uitdagingen zorgen ervoor dat ze flexibel moeten blijven, moeten innoveren, samenwerken en anticiperen op de veranderende omgeving. Delfland wil bijvoorbeeld wateroverlast als gevolg van extreem weer zoveel mogelijk voorkomen en de invloed van droogte op de hoeveelheid zoetwater verminderen. In het waterbeheerprogramma staat de missie van het Hoogheemraadschap van Delfland centraal, deze is: ‘droge voeten, voldoende water, schoon water en gezuiverd afvalwater’. Hierbij zijn de aspecten duurzaam circulair, waterkwaliteit, samenwerken en financiën leidend. In het waterbeheerprogramma zijn 32 thema’s opgesteld met de doelen, ambities en maatregelen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners.

Delfland werkt ook aan het waterbewustzijn om de kosten van het waterbeheer waar mogelijk te verlagen en het draagvlak te vergroten voor het zelf nemen van maatregelen. Op basis van de Waterbergingsvisie is een bestuursovereenkomst gesloten tussen de gemeente Den Haag en het Hoogheemraadschap van Delftland, dat verantwoordelijk is voor de waterberging. Daarnaast heeft het Hoogheemraadschap van Delfland de handreiking watertoets. De handreiking watertoets biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de watertoetsprocedure bij ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op beleid van Delfland en sluit aan op de provinciale en landelijke regelgeving. In de legger van het Hoogheemraadschap zijn de watergangen, waterkeringen en zoneringen aangegeven.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 61

Uitgangspunt voor het rioleringsbeleid is het "Integraal Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 (RIS 306620, vastgesteld 17-11-2020). Het plan beschrijft voor het eerst integraal de hoofdtaken van de gemeente voor de vier watercompartimenten: afvalwater, hemelwater, grond- en oppervlaktewater waarbij de onderlinge relaties, beleid en opgaven beschreven zijn. De raakvlakken met de uitwerking van de stadsbrede klimaatadaptatiestrategie zijn opgezocht en geïntegreerd. De gemeente neemt haar verantwoordelijkheid voor de zorgplichten zoals omschreven in de Wet milieubeheer en de Waterwet. De zorg voor het rioolstelsel en het grond- en oppervlaktewater vindt gebiedsgericht plaats en op basis van maatschappelijk aanvaardbare kosten. De klimaatverandering zal effect hebben op de grondwaterstanden. Naast monitoring op mogelijke verhoogde grondwaterstanden zullen ook te lage grondwaterstanden nauwlettender worden gevolgd. Figuur 29. Uitsnede legger (bron: Hoogheemraadschap Delfland).

Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Het plan wordt aangesloten op de bestaande riolering ter plaatse. Het hemelwater wordt niet direct op het riool geloosd. Als gevolg van het dakpark en groene gevels wordt hemelwater vertraagd afgevoerd. Het een en ander wordt hieronder nader beschreven. Waterkwantiteit Bij een toename van het verhard oppervlak kan een watervergunning en compenserende maatregelen aan de orde zijn. Delfland maakt gebruik van de watersleutel. Dit is een rekentool die helpt te bepalen hoeveel waterberging moet worden gerealiseerd om bij een ruimtelijke ontwikkeling de effecten op het watersysteem te compenseren. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, zorgen immers voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Dit kan leiden tot wateroverlast en moet worden gecompenseerd door extra waterberging aan te leggen. Daarnaast vindt Delfland het belangrijk dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden met hevigere neerslag door klimaatverandering.

De watersleutel berekent daarom de benodigde waterberging, zowel voor het compenseren van verharding als om gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Om tot een juiste invulling te komen van de watertoets, is de watersleutel ingevuld door MTD landschapsarchitecten. De watertoets (v08) is bijgevoegd als bijlage bij

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 62

voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De watertoets is gebaseerd op de volgende stukken: bestaande situatie van de planlocatie en het definitiefontwerp binnenplaats en daktuin MTD Landschapsarchitecten. Bestaande situatie In de bestaande situatie is er één groot bouwvolume (met verschillende laaghoogtes) aanwezig. De openbare ruimte bestaat deels uit verharding en deels uit beplanting. Onderstaande uitgangspunten zijn gehanteerd voor het invullen van de watersleutel: Verhard  Dakoppervlak:  Verharde openbare ruimte:  Groene openbare ruimte: Totaal

Onverhard

4.041 2.955

m2 m2

6.996

m

2

2.084 2.084

m2 m2

Het initiatief dat middels onderhavige rapportage mogelijk gemaakt dient te worden is reeds beschreven in paragraaf 2.3. Samenvattend behelst het voorgenomen initiatief de sloop van het bestaande T-vormig gebouw en wordt één nieuwbouwvolume teruggeplaatst bestaande uit de volgende onderdelen:  Basis volume van vijf bouwlagen hoog (incl. opbouw om dak te bereiken met sedum/ kruidenrijk dak en gebruikstuin op de vijfde verdieping) en beplanting en half verharding. Dit is in de watercompensatieberekening beschouwd als verhard oppervlak.  Twee volumes startend vanaf de vijfde bouwlaag (incl. installaties op het dak, en daarmee niet beschouwd als groene inrichting en in de watercompensatieberekening beschouwd als verhard oppervlak).  Twee laagse parkeeroplossing (met hierboven een pergola inclusief PV-panelen en klimplanten, beschouwd in de watercompensatieberekening als verhard oppervlak).  Twee kleinere volumes bestaande uit een fietsenstalling en trafo met sedum/ kruidenrijk groendak. Als gevolg van het nieuwbouwplan gelden de volgende uitgangspunten, voor zover relevant voor de watersleutel: Verhard  Verhard dakoppervlak:  Pergola - verhard:  Groen dak (sedum/kruiden)  Beplanting (vaste planten)  Half open verharding  Verharding Totaal

3.306 1.254 732 410 595 1.697 7.994

Onverhard m2 m2 m2 m2 m2 m2 m2

685 401

m2 m2

1.086

m2

Op grond van bovenstaande gegevens kan geconcludeerd worden dat er met de ontwikkeling een toename aan verhard oppervlak ontstaat (+998 m2). Op basis van de visie vanuit Hoogheemraadschap van Delfland en de Gemeente Den Haag dient er (mits mogelijk) ‘waterneutraal’ ontwikkeld te worden. Daarmee dient er binnen de planlocatie voldoende waterberging gemaakt te worden, zodat de opgave niet wordt afgewenteld op de omgeving. Met bovenstaande gegevens is de watersleutel van het Hoogheemraadschap van Delfland ingevuld. Dit levert een totaal te realiseren waterberging op van 170,5 m3 (totaal voor de ontwikkeling rekeninghouden met het klimaat tot 2050). Uitgangspunten hierbij zijn: onverharde delen is waar hemelwater direct in de bodem kan infiltreren. Groene oppervlaktes boven een ondergrondse constructie zijn verharde oppervlakken. Halfverharding wordt voor 50% meegeteld (met uitzondering van het deel op het dak van verdieping vijf). Bij gebiedsontwikkelingen staat voorop dat de openbare ruimte klimaatadaptief is. Het klimaat wereldwijd en in Nederland is de afgelopen decennia al merkbaar veranderd. Door extreme neerslag, hitte en droogte kan Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 63

veel overlast en financiële schade ontstaan. Ook kan hitte leiden tot een toename van sterfte bij kwetsbare groepen zoals ouderen. Vanwege deze redenen wordt er hard gewerkt om de stad klimaatbestendiger en leefbaarder te maken. Klimaatverandering zal niet in alle gebieden van Den Haag dezelfde effecten hebben. Op basis van kenmerken, zoals ondergrond, nabijheid van sloten, bebouwingsdichtheid, aanwezigheid van groen en gebruikte materialen zijn er veel verschillen in de stad. Zo zal de kuststrook direct te maken krijgen met de effecten van een stijgende zeespiegel, terwijl in de dichtbebouwde wijken de gevolgen van extreme neerslag en opwarming meer zichtbaar zijn. Op grond van de stresstestkaart ‘Extreme neerslag’ van de gemeente, kan geconcludeerd worden dat minimale delen van de projectlocatie aangemerkt zijn als gevoelig voor wateroverlast. Onderstaand figuur betreft hier een uitsnede van en laat het resultaat zien van een stresstest voor Den Haag. De kaart maakt inzichtelijk waar waarschijnlijk wateroverlast zal ontstaan na een extreme bui van 70 millimeter in 1 uur. Figuur 30. Stresstest voor Den Haag.

Op grond van de watersleutel geldt voor de beoogde ontwikkeling een compensatieopgave van 170,5 m3. Aangezien er binnen de planontwikkeling (gezien het toekomstig gebruik) geen ruimte over blijft om tot de aanleg van oppervlakte water te komen, is er op onderstaande manier invulling gegeven aan de waterberging. Het nieuwe dak boven verdieping vijf en boven de dakopbouw zijn de uitgelezen plekken voor het maken van waterberging op het dak. Door de toepassing van retentiekratten van 150 mm hoog kan het water van de nieuwbouw daken ter plaatsen geborgen worden op het dak en ontstaat er direct een watervoorziening voor het groen (sedum en beplanting). Dit zorgt voor een vertraagde afvoer van het water en draagt bij aan het verlagen van piekmomenten bij hevige regenval. In de kratten worden capillaire conen aangebracht die het water uit de kratten in verticale richting omhoog transporteren. De volledige bovenzijde van de kratten wordt afgedekt met een waterabsorberend filterdoek wat in contact staat met de capillaire conen die het doek nat houden. Daarboven bevindt zich het substraat wat door middel van capillaire werking water uit het doek en daarmee uit de kratten trekt. Het voordeel van het systeem is dat de bodem daarmee zijn eigen

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 64

vochtigheid reguleert. Droge grond zal namelijk water uit de kratten trekken, maar bij een teveel aan water zakt het water uit het substraat in de kratten. Een teveel aan water zal via de hemelwaterafvoer afstromen. Het water kan zich op die manier afstromen richting riolering of open water. Door het toepassen van een SmartFlowControl op één van hwa’s kan het systeem gereguleerd worden (ook op basis van het weer), waardoor er ten allen tijden voldoende ruimte/capaciteit in het systeem ontstaat op het hemelwater van de daken te bergen. In totaal levert deze waterberging een capaciteit op van 123,1 m3. De capaciteit van deze waterberging is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:  Dakoppervlak retentievoorziening – onder halfverharding, sedum, groen: 864 m2  Te realiseren waterberging in voorziening (uitgaande van krat van 150 mm -95% gevuld): 15 cm – 95%. Waterberging: 864m2 x 0,15m x 0,95 = 123,1 m3 Daarmee wordt nog niet voldaan aan het resultaat van de te realiseren waterberging conform de watersleutel van het Hoogheemraadschap van Delfland, waardoor ook een deel van de waterberging is voorzien op maaiveld niveau. Voor het overige deel (170,5 – 123,1 = 47,4) wordt op maaiveld een voorziening getroffen. Aangezien de grondwaterstand sterk kan fluctueren binnen het gebied, zal die waterberging worden gerealiseerd met het betonnen bergingssysteem van Bufferblock.

Het systeem van Bufferblock bestaat uit betonnen elementen met een afmeting van 45 x 60 x 16 cm (h x b x d) en heeft een holle ruimte van 61%. Daarmee kan het systeem 0,27m3 water per m2 aan waterberging voorzien uitgaande van een waterberging van één laag hoog. Om daarmee te kunnen voorzien in de overige waterberging van 47,4 m3 is er 176m2 waterberging nodig op maaiveld. De waterberging op maaiveld is als volgt berekend:  Oppervlakte waterberging – onder verharding / half open verharding: 176 m2  Te realiseren waterberging in voorziening (uitgaande van één laag van 450 mm – 61% gevuld): 45 cm – 61%. Waterberging: 176m2 x 0,45m x 0,61 = 48,3 m3 Totaal levert de combinatie van beide systemen een waterberging op van 171,4 m3 (123,1m3 + 48,3m3). Daarmee wordt voldaan aan het resultaat van de te realiseren waterberging conform de watersleutel van Hoogheemraadschap van Delfland. Beschermde gebieden en riolering De projectlocatie is niet gelegen binnen een beschermingszone van een waterkering noch watergang. Het gebouw wordt voorzien van een gescheiden rioleringssysteem, waarbij de verzamelleidingen vuil afvalwater en hemelwater tot aan de erfgrens worden aangebracht. Reeds is aandacht besteed aan de capaciteit van de riolering in de toekomstige situatie. Hiervoor wordt verwezen naar het lozingstabel dat als bijlage van voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgenomen.

Het hemelwater wordt niet direct op het riool geloosd, maar via water-vertragende maatregelen opgevangen en vertraagd afgevoerd, voordat het geloosd wordt. Het een en ander is reeds hierboven beschreven. De gronden parallel aan de Loevesteinlaan kennen op grond van het vigerende bestemmingsplan deels de dubbelbestemming ‘Leiding – Water’. Deze leidingstrook in het bestemmingsplan is circa 4,4 meter vanaf de perceelgrens gelegen en het gebouw komt op circa 1,8 meter van de perceelgrens te staan. Het bouwplan is beoogd binnen deze dubbelbestemming. Hiertoe is contact geweest met de leidingbeheerder die schriftelijk akkoord is gegaan met het bouwplan. Grondwater De projectlocatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Voor het grondwaterbeschermingsgebied gelden de regels vanuit de Provinciale Milieuverordening. In een grondwaterbeschermingsgebied mogen (in beperkte mate) activiteiten plaatsvinden, mits deze activiteiten geen risico vormen voor de kwaliteit van het grondwater. De beperkingen zijn voor de projectlocatie niet aan de orde. Bij het initiatief dat middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden wordt geen ondergrondse parkeergarage gerealiseerd. Daarnaast wordt de fundering van het nieuwbouwplan niet dieper aangelegd dan de reeds bestaande funderingen.

Ook worden de bestaande palen van het te slopen pand niet getrokken, maar enkel en alleen tot circa 0,5 meter onder de nieuw te realiseren fundering gesneld. Op

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 65

grond van voorgenoemde argumenten kan geconcludeerd worden dat er na realisatie van het voorgenomen initiatief geen effecten zijn op het grondwater.

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.

Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de herontwikkeling van het voormalig zorgcomplex van Florence. De voorgenomen sloop-nieuwontwikkeling omvat de realisatie van 144 zorgstudio’s. Daarnaast wordt een zorg- en woontoren gerealiseerd, waarbinnen in totaal 298 appartementen worden ontwikkeld. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. Aanmeldnotitie en m.e.r.-beoordelingsbesluit Ten behoeve van de ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. De aanmeldnotitie met daarin opgenomen de vormvrije m.e.r.-beoordeling is toegevoegd aan de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Op basis van de aanmeldnotitie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 66

5

BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De Wet ruimtelijke ordening geeft gemeenten in afdeling 6.4 instrumenten om afspraken te maken over de verdeling van de kosten. Het gaat hier om kosten van: algemene voorzieningen, nutsvoorzieningen, de inrichting van de openbare ruimte en de mogelijkheid om eisen te stellen bij het bouwrijp maken van een locatie. De wet bepaalt dat een gemeente eerst probeert een privaatrechtelijke overeenkomst te sluiten met particulieren eigenaren. Als dat niet lukt moet de gemeente verplicht met een exploitatieplan de kosten van grondexploitatie verhalen. In dit geval is het kostenverhaal al anderszins verzekerd, omdat sprake is van in erfpacht uitgegeven gemeentelijke grond. De kosten worden via de erfpachtcanon verrekend. Er wordt geen anterieure overeenkomst afgesloten of een exploitatieplan vastgesteld.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie Ten behoeve van het voorgenomen initiatief is een participatieplan opgesteld. Om zo veel mogelijk te halen uit participatie is het belangrijk om betrokkenen zoveel mogelijk te betrekken en inclusiviteit te creëren. Door aan de slag te gaan met sociale netwerken, netwerk gericht werken, ruimte te laten voor verschillen en betrokkenen de kans te geven om zichzelf uit te spreken komen we al een heel eind. Er ontstaat bereidheid en de opening naar een positieve cultuur. Door drempels laag te houden en mensen de kans te geven ook kritisch te zijn ontstaat er dynamiek. Natuurlijk kent dynamiek ook tegenstand. Door het beargumenteren en aantonen waarom beslissingen niet meer beïnvloedbaar zijn of anders uitpakken als gehoopt- en/of verwacht zou er enige acceptatie kunnen ontstaan. Het participatietraject heeft van februari tot en met juni plaats gevonden. Hierin hebben deelnemers invulling kunnen geven aan het ontwerp van de parkeergarage, invulling van de plint en de openbare ruimte. Hieronder is en beschrijving van het proces en de uitkomsten opgenomen. In 2018 heeft Florence de tender voor de herontwikkeling het voormalig bejaardenhuis Favente Deo aan de Loevesteinlaan uitgeschreven. De ruimtelijke kaders voor uitwerking zijn vastgelegd in het kavelpaspoort dat door de gemeente Den Haag bij collegebesluit is vastgesteld.

Vastgelegd in het kavelpaspoort is dat bij de planontwikkeling de bewoners in de directe omgeving van de ontwikkeling locatie betrokken te worden. Het pand staat sinds 2015 leeg en wordt anti-kraak bewoond. De complexiteit van de businesscase maakt dat er eind 2021 een hoofdlijnen-akkoord is tussen partijen Bouwinvest, Florence en de ontwikkelcombinatie Fraxus en Stebru. In samenwerking met Willy van Rossum ✝ de gemeentelijk projectleider, Joep van Ool de gemeentelijk communicatieadviseur, Mark Graafland de architect en Berit Piepgras, de participatieadviseur Haags Samenspel wordt er een participatieplan gemaakt en vastgesteld.

Mees Ruimte & Milieu | 21070.5.2.RO

Pagina | 67

Vanuit de aankomende invoering van de nieuwe Omgevingswet heeft de gemeente Den Haag het initiatief genomen het Haags Participatie Kompas en het daarbij behorende stappenplan voor de werkwijze te maken als richtlijn voor participatie. Ondanks het feit dat we eind 2021 nog belemmerd waren met de Corona maatregelen zijn we in een combinatie van MS Teams sessies en actief de wijk Morgenstond ingegaan om de stakeholderanalyse op orde te krijgen. Met name de gespreken met de voorzitter Charles Crown van het Wijkplatform Morgenstond en de voormalig Winkelstraatmanager van de Leyweg en huidig locatie manager van verzamelgebouw Keu’s Genoeg Julie Ann Tollenaar leveren belangrijke input en inzichten. In overleg met de gemeente wordt het verspreidingsgebied bepaald en worden de flyers voor de eerste bijeenkomst persoonlijk door de bus gedaan. De bijeenkomst wordt gehouden in de Gymzaal van de Tamarschool direct in het verspreidingsgebied en direct achter de Favente Deo locatie. Door het zorgvuldig gekozen verspreidingsgebied, de promotie op LinkedIn en het Wijkplatform Morgenstond is het zaaltje redelijk gevuld. Let wel we hebben in dit stadium nog steeds te maken met de laatste Corona maatregelen. Tijdens de eerste informatiebijeenkomst kunnen de aanwezige zich inschrijven voor de aanstaande workshops welke worden gehouden in de bestuurskamer van het verzamelgebouw Keu’s Genoeg.

Wederom wordt er gekozen voor een locatie midden in het verspreidingsgebied. Dit maakt dat de bijeenkomsten / workshops laagdrempelig zijn en je kunt gewoon binnenlopen. In een aantal gevallen gebeurt dat ook en wordt er daarna actief deelgenomen. Tijdens de informatiebijeenkomst is er een toelichting gegeven op het participatieproces, het vastgesteld participatieplan en de participatie onderdelen. Vanwege de vastgestelde ruimtelijke kaders in het Kavelpaspoort is er gekozen voor de onderdelen die een directe relatie hebben met de omgeving en de kavel; 1. de inrichting van de buitenruimte en de verbinding naar het Zuiderpark, 2. de parkeerdruk op de aanliggende straten en verkeersstromen, en 3. de bijdragen van de plintvoorzieningen aan sociale, maatschappelijke en economische doelen van de buurt. De eerste workshop – themabijeenkomst - is gebruik om de voor- en nadelen van de oude situatie en de toekomstige situatie te beoordelen. In groepjes wordt er lekker op los ge- SWOT. In een leuke en dynamische sfeer komt er veel oud zeer maar ook heel verrassende en haalbare opties voor de toekomst naar voren. Na het SWOT-ten worden de resultaten geclusterd en ontstaat er een goed speelveld om verder mee te werken in de tweede workshop. In de kick-off van de tweede workshop worden de resultaten van de themabijeenkomst toegelicht en start het – ontwerp atelier.

Wederom verdeeld over groepjes wordt er onder leiding van Mark Graafland van Bureau Kroner Architecten gewerkt aan moodboards voor de plintvoorzieningen, Nora Kooijmans van ECHO Urban Design gewerkt aan gezellige handschetsen voor de buitenruimte en wordt er door Matthijs Stinissen van Bureau Kroner Architecten gewerkt aan de parkeerproblematiek en verkeersstromen doormiddel van mini maquettes. De uitkomsten van de verschillende groepjes zijn divers maar er zijn duidelijke overeenkomsten voor ieder individueel onderdeel. In de derde en laatste workshop – de kennissessie – wordt gebruik om de conflicten en niet direct beïnvloedbare onderdelen (buiten de invloedsfeer van de opgave) verder te analyseren. In drie groepen wordt er gebrainstormd en geclusterd wat leidt tot een set met aanbevelingen en adviezen richting gemeentelijke onderdelen. Vanaf dat moment heerst er een groot begrip voor onderdelen die wel worden meegenomen in de uitwerking van het ontwerp en de onderdelen die op een ander niveau spelen en niet direct vanuit het plan opgepakt kunnen worden. De punten die we vanuit participatie hebben bereikt zijn: 1. In samenspraak werd er vastgesteld dat er voor het parkeren een oplossing gevonden zou moeten worden. De oplossing die daarvoor is bedacht is nu opgenomen in de stukken voor indiening van de omgevingsvergunning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14270840/2