RIS317332 Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
69
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
werkzaamheden in de stad, zoals gebiedsontwikkelingen, herinrichtingen en grootschalig onderhoud. De groenvoorzieningen in de stad worden kwalitatief ontwikkeld, zodat deze toekomstbestendig worden. In intensiveringsgebieden zullen groenvoorzieningen in, op, en aan gebouwen een belangrijk middel zijn om bij te dragen aan hun verschillende functies in de stad: natuurontwikkeling, bijdragen aan klimaatbestendigheid, plekken voor rust en ontspanning bieden. Voorts wordt ingezet op schone lucht en bodem, aangenaam omgevingsgeluidsniveau en externe veiligheid. Het behalen van milieunormen is hierbij niet voldoende. Uitgangspunt is dat ontwikkelingen in de stad op een verantwoorde wijze worden mogelijk gemaakt. Een afgewogen gebruik en beheer van de boven- én ondergrond wordt steeds belangrijker. Nota Stadsnatuur In Den Haag zien we de natuur als belangrijk onderdeel van onze stad. Een stad met een vitale stadsnatuur is een gezonde stad. In de Nota Stadsnatuur (RIS 305824) zijn handvatten opgenomen waarmee we werken aan een gezond stadsecosysteem met meer biodiversiteit. Een groene stad heeft veel te bieden aan inwoners. Bomen en planten zorgen immers voor verkoeling tijdens warme zomers en bieden een aangename plek voor bewoners om te verblijven. Een groene stad is ook beter toegerust om mee te bewegen op veranderingen in het klimaat, zoals uitschieters in temperaturen en neerslag.
Een stad waar veel verschillende planten- en diersoorten zoals vlinders en vogels voorkomen, blijkt positief te zijn voor het welzijn van mensen. Een hoge biodiversiteit zorgt ervoor dat lastige soorten minder kans krijgen en er genoeg natuurlijke vijanden zijn om plaagsoorten in toom te houden. Een belangrijke voorwaarde voor een gezond stadsecosysteem is de aanwezigheid van een uitgebreid netwerk van groengebieden die onderling met elkaar verbonden zijn. De groengebieden zijn de belangrijke kerngebieden voor allerlei planten- en diersoorten. De ecologische verbindingszones zorgen als robuuste brede groenblauwe structuren voor de verbinding van deze gebieden. Zo kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen en functioneren deze daarnaast ook als belangrijke leefgebieden. In deze nota wordt de nadruk gelegd op een optimale ecologische inrichting door middel van vuistregels voor biotopen en -beheer, behoud en de mogelijke uitbreiding van de ecologische verbindingszones. Is extra ruimtebeslag van een niet-ecologische functie onvermijdelijk dan moet de inpasbaarheid hiervan worden onderzocht. Naast het behoud en de ontwikkeling van bovengenoemd netwerk, wordt aandacht besteed aan het rekening houden met leefomstandigheden van planten en dieren bij beheer en inrichting van groen in brede zin.
We werken aan een natuurinclusieve stad met een ecologisch gezond stadswatersysteem, het beheersbaar houden van overlast gevende planten en dieren en zetten we in op monitoring van onze stadsnatuur. Bij elke (her)inrichting en omvorming van de openbare ruimte stellen we een natuurkansenscan verplicht. Ontwerpen die ter beoordeling worden voorgelegd aan de Adviescommissie Openbare Ruimte worden, mede op basis van de natuurkansenscan, ook beoordeeld op het gebied van stadsnatuur. Natuurinclusief denken én werken wordt zo steeds meer een vanzelfsprekend onderdeel van het ontwerpproces. De Natuurkansenscan is opgenomen in bijlage 6 van de Nota Stadsnatuur. Nota Stadsbomen In Den Haag vinden we onze bomen van oudsher belangrijk. Alle stadsbomen vormen samen een stadsbomennetwerk, wat parken, bossen, tuinen, lanen en groengebieden tot in de haarvaten met elkaar verbindt. Dit netwerk is uiteraard voor planten en dieren belangrijk. Maar het Haagse stadsbomennetwerk vervult in totaliteit verschillende functies en ecosysteemdiensten, en draagt bij aan de gezondheid en leefkwaliteit van een ieder in Den Haag, mens en dier. In de Nota Stadsbomen (RIS307827) zijn concrete doelen geformuleerd om de leefkwaliteit te verbeteren: we werken aan de toekomstbestendigheid van ons stadsbomennetwerk en we willen meer kroonoppervlak in onze stad.
70
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
Als je aan toekomstbestendigheid denkt dan is het allereerst van belang om de basis goed te behouden en deze basis daarnaast te versterken. Wanneer we een ontwerp voor (her)inrichting maken met bomen dan doen we dat met aandacht voor diversiteit, ecologie en het maken van diverse microklimaten in onze stad. De bijdrage van bomen aan de leefkwaliteit hangt af van de maat van de kroon. Dit is te meten met het kroonoppervlak. Om meer kroonoppervlak te maken zijn goede groeiplaatsen voor bomen essentieel. De boom groeit anders niet goed, kan niet goed presteren, sterker nog, hij kan overlast veroorzaken. Meer kroonoppervlak is ook te realiseren door extra bomen te planten en bestaande bomen goed te beheren. Ook op particulier terrein liggen hiervoor kansen. Natuurinclusief bouwen De gemeente Den Haag bevordert groen- en natuurinclusief bouwen in de stad met het besluit Natuurinclusief bouwen (RIS 288182). Enerzijds gaat het om het verbeteren van de leefomstandigheden van huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Dit zijn soorten die onder druk staan doordat gebouwen tegenwoordig zo gebouwd worden dat deze soorten geen nestelgelegenheden meer hebben. Anderzijds gaat het om een veel bredere opgave om meer natuurlijk groen in de directe woonomgeving toe te passen. Door de toenemende stedelijke verdichting is deze opgave extra actueel.
Extra natuur op en aan gebouwen levert een bijdrage aan de instandhouding van soorten, aan het reduceren van hittestress en wateroverlast, aan de natuurbeleving in de stad en daarmee samenhangend aan het welzijn en de gezondheid van mensen. Het besluit over het Puntensysteem Groen- en Natuurinclusief bouwen (RIS301953) beschrijft het aantal punten dat op een locatie behaald moet worden. Dit is afhankelijk van de footprint, hoogte en het soort stedelijk gebied. Het puntensysteem beschrijft de maatregelen waar uit gekozen kan worden. Door natuurinclusief bouwen (bijv. groen dak) te combineren met duurzame energievoorziening (bijv. PV-panelen) is extra winst te behalen door een betere isolatie voor de gebouwen en hogere opbrengst van PV-panelen. Mobiliteit Den Haag kiest vooral voor vervoer dat weinig ruimte vraagt, duurzaam en gezond is: lopen, fietsen, lichte elektrische voertuigen (LEV's) en OV. Bij het inrichten van de buitenruimte krijgt dit prioriteit. Daarbij is extra aandacht voor de mensen met een beperking. Den Haag zet in op schoon vervoer. Dat doet de gemeente onder meer door het stimuleren van elektrische voertuigen. Elektrische auto's kunnen bijdragen aan een evenwicht tussen vraag en aanbod van stroom en aan een efficiënt gebruik van het stroomnetwerk in de stad.
De groei van de stad vraagt om een andere organisatie van parkeren, rekening houdend met de omstandigheden en behoeften per wijk. Alternatieven worden gestimuleerd, zoals het gebruik van (elektrische-) deelauto's. De parkeernormen voor nieuwe woongebouwen worden flexibeler en meer gebiedsgericht; binnen het invloedsgebied van de OV-corridors en rond OV-knopen kan een lagere parkeernorm gaan gelden. Den Haag zet in op actieve en duurzame mobiliteit, zoals vastgelegd in de Strategie Mobiliteitstransitie 2022-2040 (RIS310664). Dat betekent onder andere dat we uitgaan van het STOMP-principe: Stappen-Trappen-Ov-MaaS-Privéauto. Bij het ontwerp van de openbare ruimte en de gebouwen kiezen we in de eerste plaats voor de voetganger en fietser, gevolgd door het OV, deelmobiliteit en privéauto. Zo vormt de mens het startpunt. Lopen is de basis, voor wat langere afstanden bieden fiets, OV en auto de uitkomst. MaaS kan dit nog makkelijker maken. MaaS staat voor Mobility as a Service, Hiermee bedoelen we mobiliteit als dienstverlening in de brede zin. Een goed voorbeeld is deelmobiliteit. Bij deelmobiliteit maken meerdere mensen gebruik van dezelfde vervoermiddelen. Dit kan zowel een auto, (bak)fiets als scooter zijn. De privéauto geldt als sluitstuk, deze neemt namelijk de meeste ruimte in beslag. De bestaande voet- en fietspaden zijn niet altijd optimaal.
Soms is er onderhoud nodig, of een verbetering van de verkeersveiligheid. De aandacht ligt daarom op het verbeteren en versterken van de loop- en fietsverbindingen maar ook op een logische ontsluiting van het autoverkeer.
71
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
We verbeteren met name de verbindingen naar bestemmingen als winkels, scholen, groen, zorg en OV-haltes. Een aantrekkelijk netwerk maakt de wijk makkelijk 'beloopbaar en 'befietsbaar'. We maken waar mogelijk bredere stoepen, en er komen doorsteken, bruggen en verbindingen om het netwerk compleet te maken. Het oversteken van drukke wegen moet makkelijker en veiliger worden. Routes worden aantrekkelijker ingericht, met meer voorzieningen (bankjes, fietsenstallingen). Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de groenstructuren in de buurten. Belangrijke voorwaarde voor het fietsen is om goede, toegankelijke en veilige fietsenstallingen te hebben zowel bij woningen als bij OV-haltes en voorzieningen. Ook is het belangrijk om mensen meer vertrouwd met fietsen te maken, omdat niet iedereen er bekend mee is of ervaring mee heeft. Bij gemotoriseerd vervoer zetten we versneld in op schonere alternatieven. Met deze maatregelen, zoals het versnellen van elektrische mobiliteit, wordt onze lucht schoner. Vanwege de gezondheidseffecten van luchtvervuiling streven we overal in de stad de norm van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor luchtkwaliteit na. Grondstoffen Den Haag wil inzetten op hergebruik dat lokaal het meest kansrijk is en de meeste impact heeft.
Met dat doel voor ogen zal Den Haag zich concentreren op zes sporen: gebruiksgoederen delen en hergebruiken, hergebruik uit huishoudelijk afval, hergebruik uit de bouw, plastic terugdringen, voedselverspilling tegengaan, ondernemers ondersteunen in grondstoffenmanagement. De gemeente stelt eisen aan circulair gebruik van materialen en grondstoffen bij al haar opdrachten in zowel de bouw en sloop van gebouwen als de grond-, weg- en waterwerkzaamheden in de buitenruimte. Daarnaast zal de gemeente bij gebiedsontwikkeling het circulair gebruik van materialen en grondstoffen stimuleren middels gunningscriteria in ontwikkelcompetities. Grote winst is te behalen met slimme, modulaire ontwerpoplossingen in bouwprojecten. Duurzaam bouwen in Den Haag Nieuwbouw in het plangebied dient te voldoen aan de beleidskaders voor duurzaam bouwen uit het Bouwbesluit 2012 en de daaraan gekoppelde energieprestatie Deze energieprestatie is de afgelopen jaren stapsgewijs aangescherpt. Vanaf 1 januari 2021 dient alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, te voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Circulair bouwen Het Rijk heeft een forse ambitie: Nederland 100% circulair in 2050 (met als tussenstap 50% circulair in 2030). Den Haag zet in het Grondstoffenplan (RIS310284) stappen uiteen om te komen van afval tot grondstof, o.a. op het gebied van bouw- en sloopafval.
Alles wat we nu weggooien kan de grondstof zijn voor iets nieuws. Dat vraagt om een andere aanpak, o.a. op het gebied van inkoop, ontwerp en bouw. Gemeente Den Haag doet daarnaast mee in het Programma Samen Versnellen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, en is één van de mede-ondertekenaars van de City Deal Circulair en Conceptueel Bouwen. Er wordt daarbij o.a. ingezet op biobased bouwen (gebruik maken van materiaal dat CO2 opslaat en hernieuwbaar is) en geïndustrialiseerd conceptueel bouwen (bouwproductie versnellen en milieu-impact verlagen).
72
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
Hoofdstuk 4 4.1
Wet en Regelgeving
Inleiding
De Wet milieubeheer schaart onder milieu het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat. In de ruimtelijke context gaat het om het fysieke milieu, de fysieke ruimtelijke omgeving. Voor de inkadering van milieu gebruikt men dan vaak de begrippen: 'milieuhygiëne': gericht op het bestrijden van milieuhinder van geluid, lucht, geur, stank, bodemverontreiniging en veiligheidsrisico's; 'ecologische duurzaamheid': bestaat naast milieuhygiëne uit aspecten van aardkunde, hydrologie, cultuurhistorie, natuur en klimaat en energie, die bij aantasting niet of zeer moeilijk te herstellen zijn. De Wet natuurbescherming schaart onder het begrip natuur het belang van het behoud van de biologische diversiteit en een duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan. De Wet ruimtelijke ordening ten slotte gaat uit van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk komen aan de orde: de milieueffectrapportage, externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, natuurbescherming en de milieukwaliteit van de bodem.
4.2
Milieueffectrapportage
Besluit m.e.r. Het instrument van de milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieu effect rapportage (verder m.e.r.). De Wm is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. In het m.e.r. staat wanneer een m.e.r. moet worden toegepast. Het besluit bevat bijlagen waaronder de C- en D-lijst. Door middel van deze lijsten kan bij het opstellen van een ruimtelijk plan worden beoordeeld of het plan een ontwikkeling omvat die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kent. Dit in verband met het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 15 oktober 2009 (C-225/08). Op 1 april 2011 is het gewijzigde m.e.r. in werking getreden. Essentie van de wijziging is dat voor de beoordeling of een activiteit m.e.r.-plichtig is - de activiteit komt voor in de D-lijst - niet kan worden volstaan met toetsing aan de drempelwaarde maar dat ook rekening moet worden gehouden met de criteria in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als gevolg hiervan zijn in de D-lijst nu richtwaarden in plaats van drempelwaarden opgenomen en is in het nieuwe besluit bepaald dat voor gevallen die onder deze richtwaarden blijven, een eenvoudige m.e.r.-beoordeling kan worden uitgevoerd die volledig op gaat in de moederprocedure van het bestemmingsplan.
Het nieuwe besluit is daarmee in overeenstemming gebracht met de Europese m.e.r.-richtlijn. Bij een m.e.r.-plicht dient een milieueffectrapportage gemaakt te worden en bij een m.e.r.-beoordelingsplicht dient een afweging te worden gemaakt door het bevoegd gezag of een m.e.r. opgestart moet worden. De inpassing van 15 wooneenheden valt wat betreft haar omvang in vergelijking met de drempelwaarde niet in de D-lijst, maar komt toch gelet op haar mogelijke effecten voor een m.e.r.- beoordeling in aanmerking komen. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling door het bevoegd gezag zal daar uitsluitsel over geven. Het verzoek tot beoordeling vormt bijlage 10. Natura2000 gebieden In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied ligt op 6,25 kilometer afstand van het Natura2000-gebied Meijendel & Berkheide.
73
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
4.3
Externe veiligheid
Toetsingskader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico's, transportrisico's en risico's die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Bro, gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid, moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
De risico's worden gemeten bij nieuw toe te laten kwetsbare objecten. De inpassing van 15 wooneenheden betreft een ruimtelijke ontwikkeling waardoor het verblijf van mensen mogelijk gemaakt wordt en deze eenheden een kwetsbare functie zijn. Van deze ontwikkeling moet de externe veiligheidssituatie bepaald worden. Dat wordt in het navolgende onderzocht. Risicobronnen Risicovolle inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6-contour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen de 10-6-contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR rondom deze inrichtingen. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven. Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn in de nabije omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Vervoer gevaarlijk e stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden.
De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In de gemeente Den Haag zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens met Leidschendam-Voorburg, en de A13 basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. In een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied worden op bouwplanniveau op grond van de Regeling Bouwbesluit nadere eisen gesteld aan kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 meter van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord.
74
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. Op 27 juni 2013 heeft de gemeenteraad een nieuw routeringsbesluit voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgesteld (raadsvoorstel, RIS258608 en besluitenlijst, RIS260481 onder E.2). Het vervoer van routeplichtige stoffen (zoals LPG en propaan) is aan venstertijden gebonden, met het oog op de veiligheid. Tijdens kantoortijden (tussen 8.00 uur en 18.00 uur gedurende werkdagen) is het vervoer van routeplichtige stoffen op de Utrechtsebaan en de Benoordenhoutseweg niet toegestaan. Deze beperking geldt niet gedurende het weekend. Tijdens de venstertijden worden tankwagens met routeplichtige stoffen gedwongen de rijksweg via bebording te verlaten (K14-borden met vermelding van venstertijden) en via een eveneens gemarkeerde keerlus in omgekeerde richting hun weg op de rijksweg te vervolgen (zogenaamde 'gesloten verklaring').
In voornoemd besluit zijn ook de Lozerlaan en de Ockenburghstraat aangewezen voor het vervoer van routeplichtige stoffen. Voor dit traject gelden geen venstertijden. Op een afstand van circa 850 meter ligt de A4. Rondom het plangebied vindt tevens geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het spoor of water. Buisleidingen voor gevaarlijk e stoffen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de 'Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten'. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreik ing voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010.
Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan, kan worden met een beperkte verantwoording: 1. Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding, of 2. Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn in de nabije omgeving van het plangebied geen risicovolle buisleidingen aanwezig. Gemeentelijk beleid De Nota externe veiligheid Den Haag is op 27 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld (raadsvoorstel, RIS-nummer 259485 en besluitenlijst, RIS-nummer 260481, onder E.1). De belangrijkste uitgangspunten zijn hieronder vermeld: 1. De gemeente richt zich op het vasthouden en bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor de bestaande bedrijvigheid en het ontwikkelen van nieuwe bedrijvigheid. 2.
Het externe veiligheidsbeleid richt zich op vier gebiedstypen: woongebieden, buitengebieden, gemengde gebieden, risicoarme bedrijventerreinen (inclusief buitengebieden) en bedrijventerreinen met risicovolle bedrijven/inrichtingen. 3. Bij nieuwe ontwikkelingen in woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen van betekenis, zoals LPG-tankstations, toegelaten. 4. Op de bedrijventerreinen hanteert de gemeente een minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting (lichtere vorm van risicovolle bedrijven) onder voorwaarden mogelijk. 5. Bij externe veiligheidsknelpunten, besteedt de gemeente eerst aandacht aan bronmaatregelen om
75
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen worden in de nota 3 niveaus onderscheiden met elk hun eigen ambitieniveau: -
Structuurvisieniveau
--> Veiligheidsgeïntegreerd ontwikkelen
-
Bestemmingsplanniveau --> Veiligheidsgeïntegreerd ordenen
-
Bouwplanniveau:
--> Veiligheidsgeïntegreerd ontwerpen.
Wanneer beoogde ruimtelijke ontwikkelingen een overschrijding van het groepsrisico tot gevolg kunnen hebben, wordt het gemeentebestuur in een vroeg stadium actief bij het proces betrokken. Er is een expliciet collegebesluit ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico waarbij de kosteneffectiviteit van maatregelen in beschouwing wordt genomen.
4.4
Geluid
De Wet geluidhinder (verder Wgh) stelt eisen met betrekking tot de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten. Als geluidsgevoelige gebouwen dan wel terreinen zijn aangewezen: woningen onderwijsgebouwen m.u.v. gymnastieklokalen; ziekenhuizen en verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; medisch centra; poliklinieken; medische kleuterdagverblijven; terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg; woonwagenstandplaatsen. Geluidsbronnen De Wgh onderscheidt drie verschillende geluidsbronnen: spoorwegverkeer, wegverkeer en industrielawaai. Wegverk eers- en spoorweglawaai Op grond van de Wet geluidhinder hebben wegen en spoorwegen een geluidszone, waarbinnen bepaalde normen gelden voor de geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet in die zone een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. Die verplichting geldt niet indien op het tijdstip van de vaststelling van een bestemmingsplan de (spoor)weg reeds aanwezig of in aanleg is, met betrekking tot de daarbij in het plan of in de zone van de betreffende weg opgenomen geluidsgevoelige gebouwen die op dat tijdstip reeds aanwezig of in aanbouw zijn.
Daarnaast maakt de wet een uitzondering voor wegen waar de maximaal toegelaten snelheid 30 kilometer per uur is. Deze wegen hoeven niet in het onderzoek te worden betrokken. De Wgh kent een voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai. Voor nieuwe situaties kunnen hogere waarden worden vastgesteld. Binnen het plangebied zullen de komende jaren naar verwachting geen straten ingrijpend gereconstrueerd worden. Het Molenslootpad zal na vaststelling van het bestemmingsplan een maximaal toegelaten snelheid van 30 kilometer per uur kennen. Wel is het plangebied gelegen in een geluidszone van een weg, de Jan Thijssenweg. Omtrent de geluidsbelasting op de te projecteren woningen zal een akoestisch onderzoek verricht moeten worden. Het plangebied is niet gelegen in een geluidszone van een spoorweg. Met lawaai van railverkeer hoeft geen rekening te worden gehouden.
76
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
Industrielawaai Op grond van een bestemmingsplan kunnen op een bedrijventerrein grote lawaaimakers - als bedoeld in de Wet geluidshinder - gevestigd worden. Het industrielawaai dat in dat geval ontstaat is ondergebracht in een berekende op de verbeelding aangeduide geluidszone. Het plangebied is niet gelegen in een geluidszone van een bedrijventerrein waarop grote lawaaimakers gevestigd kunnen worden. Procedure hogere waarden Wanneer uit een akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarden omtrent wegverkeerslawaai worden overschreden, wordt parallel aan de bestemmingsplanprocedure een procedure tot de verlening van een ontheffing voor hogere waarden ingevolge de Wgh gestart. De hogere waarde procedure moet zijn afgerond alvorens ditt bestemmingsplan wordt vastgesteld. Het akoestisch onderzoek vormt bijlage 12 (Rotterdam, 6 december 2021).
4.5
Luchtkwaliteit
De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (verder Wm). De luchtkwaliteit in een bepaald gebied wordt bepaald door de achtergrondconcentratie van fijn stof (PM10, deeltjes <10 µm) en stikstofdioxide (NO2) plus de bijdragen van lokale bronnen die bij de achtergrondconcentratie opgeteld worden. Bij de besluitvorming over bestemmingsplannen dient te worden onderzocht of een project 'in betekenende' mate van invloed is op de luchtkwaliteit: in artikel 5.16 Wm is aangegeven dat een bestuursorgaan bevoegdheden kan uitoefenen of wettelijke voorschriften kan toepassen indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de uitoefening of toepassing niet 'in betekenende mate' bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht. De definitie van 'in betekenende mate' is vastgelegd in het Besluit niet in betekenende mate. Projecten die de concentratie NO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In concentraties uitgedrukt betekent dit een verslechtering van 1,2 µg/m3 voor beide stoffen. De 3%-grens geldt sinds 1 augustus 2009, de datum waarop het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht werd. De 3%-grens is voor een aantal categorieën van projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen.
Zo gaat het bij woningbouw om de toevoeging van 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg, of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
4.6
Natuurbescherming
Twee wetten stellen eisen omtrent de bescherming van de natuur bij een ruimtelijke ontwikkeling. Het betreft de Wet natuurbescherming (verder Wnb) en de Wro. Op elk wordt ingegaan. De Wnb vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 die strekte tot gebiedsbescherming van Natura2000-gebieden, de Flora- en faunawet die strekte tot soortenbescherming en de Boswet die strekte tot de bescherming van bossen. Voor zowel een vergunning Natura 2000 (voorheen Natuurbeschermingswet 1998), ontheffing soortbescherming (voorheen Flora- en faunawet) als melding (voorheen Boswet) zijn Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland het bevoegd gezag. De Omgevingsdienst Haaglanden is door de provincie Zuid-Holland gemandateerd. De Wro kent het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Daarin vermeldt de regering een aantal projecten die zij van Rijksbelang acht. Een daarvan is het Natuur Netwerk Nederland. Provinciale Staten van Zuid-Holland kunnen dat in hun omgevingsverordening aan delen van het grondgebied van de provincie toekennen. Verwezen wordt naar paragraaf 3.2.2.
77
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
4.6.1
Gebiedsbescherming
In de Wnb de gebiedsbescherming van Europees van belang zijnde natuurgebieden, de zogenoemde Natura 2000-gebieden, overgenomen uit de Natuurbeschermingswet 1998. Op 30 september 2011 respectievelijk 8 mei 2013 zijn de de Natura2000-gebieden in Den Haag definitief aangewezen. Daarmee vervalt de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn in Nederland. In Den Haag dient rekening te worden gehouden met de Natura2000-gebieden: Meijendel & Berkheide (inclusief Harstenhoek, Oostduinen en Vlakte van Waalsdorp), Westduinpark & Wapendal (inclusief de Bosjes van Poot) alsmede Solleveld & Kapittelduinen (inclusief landgoed Ockenburgh, Hyacintenbos, van Leydenhof en Westduinen). Dit betreft Habitatrichtlijngebieden. Er zijn geen Vogelrichtlijngebieden in de gemeente Den Haag. Indien ontwikkelingen en activiteiten in het plangebied een significant negatief effect kunnen hebben op een Natura2000-gebied, dient een habitattoets uitgevoerd te worden. In het bestemmingsplan dient aangegeven te worden in hoeverre de uitvoering van het plan voldoet aan eis tot gebiedsbescherming op grond van de Wnb. Het Natura2000-gebied Meijendel & Berkheide is op 6,25 kilometer van de grens van het plangebied gelegen. Met de realisatie van 15 woningen en twee erfontsluitingswegen en het gebruik daarvan in het plangebied kunnen effecten op dit Natura2000-gebied optreden.
Zie de bijlagen 13 en 14 (Rotterdam, 16 november 2020 respectievelijk 17 november 2020). 4.6.2
Soortenbescherming
De Wnb heeft de bescherming van planten- en diersoorten uit de Flora- en faunawet overgenomen. De Wnb gaat ervan uit dat zonder uitdrukkelijke toestemming geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. Dit betekent dat het gaat om het effect van een handeling op beschermde soorten. De wet kent een drie aparte beschermingsregimes voor: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn; 3. 'andere soorten' die vanuit nationaal oogpunt zijn beschermd. Hierbij zijn enkele wijzigingen geweest in welke soorten beschermd zijn. De Wnb legt een zorgplicht op voor alle dieren en planten in Nederland, bijvoorbeeld door eisen te stellen aan de wijze en het tijdstip van uitvoering van bouwplannen waarbij men rekening houdt met het voortplantingsseizoen en met winterverblijfplaatsen en waardoor dieren niet onnodig worden verontrust. Ook legt de Wnb een beschermingsplicht op voor een groot aantal met name genoemde soorten. De wet bevat verbodsbepalingen voor het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde diersoorten en het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort.
Voor de algemene beschermde soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een algemene vrijstelling, voor andere soorten die strenger zijn beschermd (vleermuizen, vogels, eekhoorns) kan onder voorwaarden een ontheffing worden aangevraagd. De realisatie van 15 woningen en twee erfontsluitingswegen in het plangebied kan schade toebrengen aan beschermde dieren of planten. De onderzoeken in de bijlagen 4, 5, 6, 7 en 8 gaan hier op in. 4.6.3
Bescherming bossen
Om de duurzame instandhouding van bossen te verzekeren en wat bos is ook als te bos behouden heeft de gemeenteraad op 25 maart 2019 (RIS300563) deze bossen onder de werking van de Wnb geplaatst. Zij nam daartoe het besluit dat deze bossen 'buiten de bebouwde kom' als bedoeld in de Wnb gelegen zijn. Het plangebied was niet in dat besluit betrokken.
78
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
4.6.4
Natuurnetwerk Nederland
Zoals in paragraaf 3.2.2 op afbeelding 3.1 te zien is, is een groot deel van het plangebied tot Netwerk aangewezen. De realisatie van de bestemmingen dient deze aanduiding gestalte te geven.
4.7
Milieukwaliteit van de bodem
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (hierna: Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. De Wet bodembescherming (verder Wbb) heeft tot doel in het belang van de bescherming van het milieu regels te stellen ten einde de bodem te beschermen tegen vervuiling. Als men een terrein wil bebouwen of gebruiken, dan moet een onderzoek naar de milieukwaliteit van dat terrein daaraan voorafgaan. De wet houdt rekening met het voorgenomen gebruik van de bodem en de mobiliteit of immobiliteit van de aanwezige verontreiniging. De Wbb gaat ervan uit dat in geval van een sanering van de bodem in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling van het plangebied. De volgende uitgangspunten overheersen daarbij: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b.
het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn derhalve gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. De uitvoering van deze verplichte saneringen is flexibel: het is niet meer altijd nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. Wanneer economische of maatschappelijke omstandigheden rond de vervuilde locatie uitstel vragen, kunnen tijdelijke maatregelen worden genomen, op voorwaarde dat risico's voldoende worden beheerst. De realisatie van 15 woningen en twee erfontsluitingswegen in het plangebied maakt het noodzakelijk een onderzoek naar de milieukwaliteit van de bodem te verrichten.
4.8
Windhinder en bezonning
Door de gemeenteraad zijn in het belang van een goede ruimtelijke ordening normen voor windhinder en bezonning vastgesteld, die gehanteerd worden bij een ruimtelijke ontwikkeling (RIS-nummer 170509). 4.8.1
Windhinder
Van windhinder is sprake als gedurende een te groot aantal uren per jaar een bepaalde windsnelheid wordt overschreden. Dit treedt op rond hoge gebouwen wanneer er sprake is verhoogde windsnelheden, die het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk maken. In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving ter voorkoming van windhinder. Over het algemeen wordt gesteld dat voor gebouwen hoger dan 30 meter windonderzoek noodzakelijk is. De gemeente Den Haag sluit zich wat betreft beleid ten aanzien van windhinder aan op de NEN 8100. Hierin wordt aangegeven wanneer onderzoek naar wind bij bouwwerken nodig is, hoe het onderzoek moet worden uitgevoerd, aan welke eisen moet worden getoetst en hoe rapportage moet plaatsvinden. De gemeente Den Haag hanteert als ondergrens een 'matig' windklimaat. Een 'slecht' windklimaat wordt slechts bij hoge uitzondering en onder nadere voorwaarden toegestaan.
79
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
4.8.2
Bezonning
De realisatie van bouwwerken kan schaduwwerking in hun omgeving tot gevolg hebben. Binnen Nederland worden er geen formele eisen gesteld aan de bezonning van woningen of andere bouwwerken. Gemeenten zijn om die reden vrij om hun eigen eisen te stellen aan de bezonning. De gemeente Den Haag sluit met haar normstelling grotendeels aan op de 'lichte TNO-norm'. De Haagse bezonningsnorm gaat er vanuit dat de ondergrens op ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober, uitgaande van een zonhoogte van meer dan 10 graden, moet liggen. In afwijking van de lichte TNO-norm is in de Haagse norm de bezonning van gevels maatgevend, onafhankelijk van de plaats van de ramen. De Haagse bezonningsnorm is van toepassing op de omgeving van de te realiseren nieuwbouw en geldt voor bouwwerken vanaf een hoogte van 25 meter of indien de nieuwbouw ten minste 1,5 maal hoger is dan de gemiddelde hoogte van de omgeving.
4.9
Milieuzonering
In de ruimere omgeving van het plangebied is het familierecreatiepark Drievliet gelegen dat recentelijk werd uitgebreid met een indoorcentrum. De handreiking Bedrijven en milieuzonering (Den Haag, 2009) hanteert richtafstandenlijsten voor de effecten van geur, stof, geluid, gevaar en verkeer die ontstaan bij de bedrijfsvoering van een bedrijfsactiviteit op een geprojecteerde rustige woonwijk. De entree en de verkeersontsluiting van het parkeerterrein van dit park is gelegen aan de Laan van 's Gravenmade. Voor de indoorhal geldt hetzelfde.
80
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
Hoofdstuk 5 5.1
Planbeschrijving
Inleiding
In hoofdstuk 1 is in de leeswijzer ingegaan op de opbouw van deze toelichting bij het bestemmingsplan. De totstandkoming van de ruimtelijke ontwikkeling heeft geresulteerd in een definitief ontwerp dat in paragraaf 5.2.2 beschreven wordt. In de daaropvolgende subparagraaf 5.3.1 wordt dit aan de feiten en af te wegen belangen, de beleidsuitgangspunten, milieukwaliteitseisen en natuurwaarden getoetst. In voorkomend geval is daarvoor nader onderzoek gepleegd. De onderzoeken zijn opgenomen in de Bijlagen bij de toelichting. Aan de hand van de toetsing van relevante elementen worden bestemmingen en bestemmingsregelingen gekozen en verantwoord in paragraaf 5.3.2. Verder worden in paragraaf 5.4 de regels in het bestemmingsplan, waaronder de gekozen bestemmingen en bestemmingsregelingen, globaal beschreven.
5.2
Beschrijving van het plan
5.2.1
Voorlopig ontwerp
Aan de hand de beleidskaders in de paragrafen 3.2.4.2 en 3.2.4.5 werd een voorlopig ontwerp opgesteld dat afbeelding 5.1 vormt. Het wordt hieronder toegelicht. De in deze tekst gehanteerde kleine en grote letters verwijzen naar de karakteristieken respectievelijk randvoorwaarden uit het Uitvoeringskader zoals vermeldt in paragraaf 3.2.4.7.
Afbeelding 5.1: voorlopig ontwerp Nieuw Vredenoord van 21 februari 2019 Beplantingen Het einddoel van de herinrichting van het oostelijk deel van het plangebied is een landgoed waarin stinzenbossen de boventoon voeren. In dit bostype zijn veel uitheemse bomen te vinden ter verfraaiing van het bos en ook een rijke struiklaag en veel kruiden, die vooral in het voorjaar bloeien. De naam van dit type, Stinzenbos, komt van het woord stins, de Friese benaming voor kasteel/landhuis. Het beheer
81
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
is gericht op het behouden van de bijzondere (uitheemse) bomen en het handhaven van de karakteristieke struiklaag en kruiden. Dit kan betekenen het vrijstellen van bijzondere bomen, het vrijhouden van opslag van delen waar de bijzondere stinzenflora voorkomt en het behouden van de struiklaag. Bij de herinrichting wordt hier een groot aandeel karakteristieke stinzenplanten - bijvoorbeeld sneeuwklokjes, winterakoniet, diverse crocussoorten, boshyacint, daslook, gevlekte aronskelk, gewone vogelmelk en bloeiende struiken als azalea's en rhodondendron - aangeplant. In dit soort landgoederen hebben deze bossen een nadrukkelijke rol. Op het oostelijk voorterrein worden verschillende duurzame soorten in clumps aangeplant. Hierbij wordt gedacht aan eik, esdoorn en enkele bijzondere soorten als tulpenboom en walnoot. Naast bomen krijgen hier ook groepen sierheesters, zoals rodondendrons en hortensia's, een plek. De zichtlijn van de Jan Thijssenweg naar het hoofdgebouw wordt gewaarborgd. Bij de overige gebouwen voegen heestergroepen sier en privacy toe. Hagen onttrekken de geparkeerde auto's op de parkeerterreinen aan het zicht. Aan de zuidoostzijde van het plangebied is ook een waterpartij gedacht. Op deze plek is al een kleinere waterloop aanwezig (zie paragraaf 2.4.4). De waterpartij kent het polderpeil en wordt verder polderwater genoemd.
Door het polderwater ontstaat er aan de oostelijke grens een noordelijke en een zuidelijke landtong. De zuidelijke behoort bij een eiland. Na afloop wordt het terrein rond het polderwater groen ingericht met nieuwe - solitaire -bomen en enkele tientallen m2 bosplantsoen.Het polderwater zelf wordt voorzien van natuurvriendelijke oevers. Afbeelding 5.2 geeft daarvan een beeld. De behoudenswaardige 4 volwassen bomen en 7 volwassen heesters (zie paragraaf 2.4.3) worden zoveel mogelijk ingepast in de herinrichting aangevuld met twee andere behoudenswaardige bomen (b,C). Deze worden er naar toe herplant. De herinrichting herstelt biotopen waarbij de natuurwaarden na enige ontwikkeltijd zullen aansluiten bij de waarden en kenmerken van het beheertype Park- en stinzenbos. De nieuwe inrichting zal bestaan uit een afwisseling van open en meer gesloten delen, met gradiënten op de overgangen daartussen. In de open delen worden solitaire bomen geplaatst. Aan het water is op een enkele plek ruimte voor een meer bijzondere parkboom (h). Gezien de patronen van de aan te leggen elementen zal binnen het landgoed een grote lengte aan dergelijke gradiënten tot ontwikkeling worden gebracht (A,d,e,f).
Afbeelding 5.2: Overzicht van de aan te planten bomen
82
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
Het westelijk deel van het landgoed zal door de tweede toevoer voor het Molenvlietpark worden gedomineerd. De realisatie parallel aan en ten oosten van de Kansjesmolensloot, legt samen met haar oostelijk daarvan gelegen waterkering een groot beslag op de ruimte. Het areaal aan bomen neemt daardoor aanmerkelijk af. Door de komst van de dijk worden de geprojecteerde woningen op een hoger niveau aangelegd. De aanwezige bomen liggen te laag en worden gekapt en voor een deel verplaatst. Ter plaatse van de dijk staan ze in de weg en worden ze gekapt. Na afloop wordt het terrein rond de watertoevoer groen ingericht als onderdeel van het landgoed met circa 60 nieuwe bomen en enkele tientallen m2 bosplantsoen en krijgt de toevoer natuurvriendelijke oevers. Hier wordt gedacht aan haagbeuken en essen en enkele lindebomen als toevoeging. De kleidijken rond het gebied worden afgedekt met een voedselrijke leeflaag en ingezaaid met een kruidenrijk grasmengsel. Daarmee kan het als biotoop gaan functioneren. De overgangen van land naar water worden overwegend geleidelijk vormgegeven, met glooiende taluds van 1:3 tot 1:5. In de toevoer wordt een eilandje aangelegd, dat bebost wordt. Gebouwen Alleen op het oostelijk deel van het plangebied worden gebouwen geprojecteerd en wel ten oosten van de waterkering van de tweede toevoer.
Zoals bij Vredenoord ook het geval was, zijn veel landhuizen met landgoederen ontstaan op boerderijlocaties. De boerderij werd omgebouwd of vervangen door één landhuis, het voornaamste pand, de andere daarbij behorende agrarische bedrijfsgebouwen werden als koetshuis, portierswoning, tuinmanswoning, tuinhuis of rentmeesterwoning ingericht. De agrarische gronden werden heringericht tot landgoed of verpacht. In dat laatste geval verving de rentmeesterswoning de agrarische werking: in dit pand betaalden de pachters hun pacht aan de landheer. Daarmee ontstond een ruimtelijke ensemble van landhuis, koetshuis, portierswoning, tuinmanswoning, tuinhuis en rentmeesterswoning. De woonfunctie nam bij de omzetting naar landgoed toe. Bij een landgoed is het gebruikelijk dat de gebouwen een hiërarchie kennen. Zo is er één hoofdgebouw. Dat is het landhuis. De andere woningen zijn de 'andere' gebouwen. De overige gebouwen zijn de 'bijgebouwen'. Het hoofdgebouw is het grootst, symmetrisch van afmetingen, het meest gedetailleerd uitgevoerd, het hoogst - in het plangebied drie bouwlagen met afgeknot schilddak - centraal gelegen en het kortst bij de gelegen. Het is de blikvanger, het is zichtbaar vanaf deze weg. Maar ook zichtbaar vanaf het Molenvlietpark. Aan haar west– en oostzijde is het eveneens goed zichtbaar.
Het wordt vanaf de Jan Thijssenweg ontsloten, via een inrit vóór het 'huisje bij het hek', conform de oorspronkelijke entree van Vredenoord vòòr de splitsing van het ontwerp van Zocher. De 'andere' gebouwen liggen niet centraal, zijn lager - twee bouwlagen met schilddak - en liggen verder van de Haagsche Trekvliet af. Toch zijn alle gebouwen georiënteerd op de Haagsche Trekvliet. Het vormt een park dat historisch oogt (B). Daarenbuiten zijn er ook de bergingen bij het hoofdgebouw, de stalling voor machines voor het onderhoud van het landgoed en een boothuis bij de ligplaats. Ze worden de 'bijgebouwen' genoemd. Het "huis aan het hek" net buiten de westzijde van het plangebied ligt op korte afstand van de Haagsche Trekvliet. Om symmetrie te bereiken met dit pand, wordt één 'ander' gebouw aan de uiterste oostzijde aan het hek geprojecteerd. Daarmee ligt het korter bij de Haagsche Trekvliet dan het hoofdgebouw, maar niet in de zichtlijn daarvan. Het wordt het 'huis achter het hek' genoemd. Er zijn twee bebouwingsvelden. De 'andere' gebouwen in het zuidelijk deel van het landgoed liggen gespreid (G). Ze zijn wat betreft de bouwmassa op elkaar afgestemd, elk kleiner van opzet zoals een pachterswoning- of rentmeesterswoning en bestaan uit verschillende beuken. Ze vormen op grond daarvan een samenhang (E,B).
De 'andere' gebouwen in het noordoostelijk deel van het landgoed liggen eveneens gespreid (G). Ze zijn wat betreft de bouwmassa op elkaar afgestemd en wat forser dan een pachterswoning en in één beuk uitgevoerd. Het hoofdgebouw vormt het landhuis. Deze drie vormen een samenhang (E,B). Alle gebouwen gaan zonder een omliggende tuin of erf over in het landgoed (H en I).
83
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
Alle gebouwen staan vanwege het landgoedkarakter op onderlinge afstand van elkaar, waardoor doorzichten ontstaan, ongeacht de aanwezigheid van houtopstanden (G). Het huisje achter het hek aan de Jan Thijssenweg wordt omzoomd door bomengroepen, het hoofdgebouw gedeeltelijk (B). Vanaf de Haagsche Trekvliet is vanuit één punt zowel het hoofdgebouw als het begin van de tweede toevoer zichtbaar. De waterkering aan de oostzijde van de tweede toevoer vormt namelijk tot een open terrein tussen het hoofdgebouw en deze toevoer. Hoogten en standen Er zal geen significante verandering van de grondwaterstand plaats vinden. Wel vertoont het grondwaterpeil een lineair stijgend verloop richting Vredenoord. Het wordt opgevangen door ophoging van de gronden ten noordoosten van de nieuwe waterkering. Het wordt geheel opgehoogd tot gemiddeld 80 centimeter boven NAP. Dit wordt gecombineerd met de mate van betekenis van de verschillende gebouwen. Gelet op zijn markante betekenis in het landschap komt het hoofdgebouw met aanpalende bordes op 155 centimeter boven NAP te liggen. Trappartijen of taluds vangen dit hoogteverschil op. Het 'andere' gebouw aan het hek ligt op 80 centimeter boven NAP. Het 'andere' gebouw zuidelijk van het hoofdgebouw op de noordelijke landtong kent een vloerpeilhoogte van 20 centimeter boven NAP.
Het achterliggende landschap van het landgoed komt nog lager te liggen en krijgt een geaccidenteerd terrein met een gemiddelde maaiveldhoogte van - 50 tot 0 centimeter NAP. Het sluit aan op de twee verschillende waterstanden op het landgoed. Het huisje achter het hek kent een vloerpeilhoogte van 100 centimeter boven NAP. Zichtlijnen Vanaf de zuidzijde van het hoofdgebouw is het Molenvlietpark zichtbaar en staat daarmee in verbinding (f). Om die verbinding te benadrukken wordt ter plaatse van het restant van de Molenwei en van de bestaande kleine waterloop POL20701080 het polderwater aangelegd, met ronde oevers (a). De oevers laten hier geen bomengroepen zien, wel solitaire bomen of op enige afstand van de waterlijn de randen van bomengroepen (e,h). De twee andere zichtlijnen kunnen niet gerealiseerd worden. Zonder de zichtbaarheid te schaden wordt het landgoed aan de Jan Thijssenweg en het Molenslootpad afgegrendeld door een sierlijk smeedijzeren hekwerk met een poort waarin de naam van de buitenplaats wordt verwerkt. Daar waar de hekwerken het water raken, wordt het hekwerk beëindigd met een kwartcirkel van een uitwaaierend spijlenhekwerk. Er worden geen gemetselde poeren toegepast. Landschap De tweede toevoer kent een slingerende oostoever (a) op een dijk.
Die vormt de overgang tussen het symmetrische Molenslootpad en de noordoever van de tweede toevoer enerzijds en anderzijds het oostelijk deel van het landgoed dat Zocheriaans is ingericht. Hier worden rondom het Molenslootpad bomenrijen ingericht (g), die een coulisse vormen aan de westzijde van het landgoed. Daarmee vormt ook dit pad een onderdeel van het landgoed (A). Verwezen wordt naar de hiervoor gaande tekst over de voorgenomen beplanting. De tweede toevoer eindigt op korte afstand van de Jan Thijssenweg. Op het eindpunt daarvan dient ten oosten én ten noorden van de toevoer een waterkering aangebracht te worden. Het tracé voor de waterkering van de tweede toevoer is opgenomen in figuur 3 van de waterparagraaf van 3 oktober 2018. Ook is zij op de verbeelding van het geldend bestemmingsplan de bestemming "Water" aangewezen. Het tracé is ambtelijk aan het Hoogheemraadschap van Delfland aangeboden In haar reactie heeft het schap daaromtrent geen kanttekeningen geplaatst. Het tracé omvat een tamelijk deel van het voorterrein. Als gevolg van de bebouwingsvelden in noordoosten en het zuiden van het landgoed en de tweede toevoer, worden de bomengroepen in het noordwesten aansluitend op de bomengroepen langs het Molenslootpad, rond het huisje aan het hek aan de Jan Thijssenweg en in het centrum van het landgoed ter weerszijden van de tweede waterpartij geconcentreerd (d, e, A).
Wegennet Gelet op de opzet als landgoed is gekozen voor een beperking van het wegennet (A).
84
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
Voor de aansluiting op de Jan Thijssenweg wordt uitsluitend gebruik wordt gemaakt van het bestaande Molenslootpad. De twee andere aansluitingen vervallen. De Jan Thijssenweg krijgt bij de aansluiting een middenberm, waardoor de zuidelijke rijstrook in het plangebied komt te liggen. Het Molenslootpad langs het “huisje aan het hek” wordt enigszins verbreed en uitgevoerd in gebakken klinkers in lijn met de rest van het pad. Na de brug naar de zuidelijke woningen kan het pad smaller, als recreatief pad, uitgevoerd worden. Ook dit deel van het pad wordt ook in gebakken klinkers uitgevoerd. Vanuit het Molenslootpad krijgt elk bebouwingsveld zijn eigen ontsluiting. Het pad biedt de mogelijkheid om aansluitend daarop twee slingerende en gebogen lanen in het landgoed te leggen (c). De lanen bieden doorzichten die ver kunnen reiken, maar geen zichtlijnen vormen (f). De ontsluiting van het voorterrein van het hoofdgebouw wordt uitgevoerd in gebakken klinkers en/of grind. De plint rond het hoofdgebouw is van gebakken klinkers en natuursteen. Deze afgestemd op de architectuur. Ook de trappen, hellingbanen en keermuurtjes zijn van gebakken klinkers en natuursteen. De gebouwen in het zuidelijk deel van het landgoed en het noordelijke gebouw worden door een brug op het Molenslootpad aangesloten.
Deze brug is onderdeel van de buitenplaats: robuust met markante landhoofden van metselwerk en natuursteen De paden door het park zijn smalle paadjes in halfverharding die met gebogen lijnen door het landschap lopen. Ten oosten van het hoofdgebouw is een parkeerterrein met 15 parkeerplaatsen gelegen. Het voorlopig ontwerp kan niet aan alle karakteristieken en randvoorwaarden voldoen. Het betreft de wens van een centrale bomengroep op een eiland (b), een tweetal zichtlijnen tussen de ingang van het landgoed en het hoofdgebouw en vanuit het hoofdgebouw naar het zuidwestelijk deel van het Molenslootpad. De Molenwei vormt wel het geografisch centrum van het landgoed, maar wordt vooral bebost of voor waterpartij ingericht. Ook zal na realisatie van de tweede toevoer immers minimaal de helft van de Molenweide verstoord zijn door ophogingen met grond. 5.2.2
Definitief ontwerp
5.2.2.1 Afwijk ing van het voorlopig ontwerp Na overleg (zie paragraaf 3.2.4.7) is in het definitieve ontwerp afgeweken van het Voorlopig ontwerp. Van oudsher kennen de landgoederen in deze omgeving een verloop van intensiever bebouwd en ingericht aan de zijde van de Haagsche Trekvliet naar een extensiever bebouwd en ingericht gedeelte aan de landschapszijde, de zijde van het Molenvlietpark. In het Definitieve ontwerp zijn daarom in het oostelijk deel van het plangebied aan de Haagse chezijde de gebouwen, de wegen en de parkeerplaatsen geprojecteerd. De Molenvlietparkzijde kent geen gebouwen meer en is vormgegeven met watergangen, eilanden en natuurvriendelijke oevers. 'De brug over de Kansjesmolensloot verschuift naar het noorden en ontsluit alleen het zuidelijke 'andere' gebouw. De afbeeldingen 5.3 en 5.4 geven daarvan een beeld. Beplantingen De soorten aan te brengen beplantingen zullen zich niet wijzigen. De beplantingen in het westelijk deel zal uit haagbeuken en essen bestaan. Het einddoel van de herinrichting van het oostelijk deel van het plangebied is een landgoed waarin stinzenbossen de boventoon voeren. In vergelijking met het voorlopig ontwerp zal het areaal aan bos toenemen. In de oostelijke zijde worden circa 200 bomen bij geplant. Gebouwen De projectie van het bebouwingsveld met de vier 'andere' gebouwen aan de zuidzijde van het plangebied komt te vervallen.
In verband met de financiering worden twee daarvan verplaatst naar de Haagsche chzijde. Gezocht is naar een goede afscheiding tussen het Haagsche Trekvlietzijde deel - met verspreide bebouwing - en de Molenvlietparkzijde - geen bebouwing. . Daartoe wordt noordelijke landtong naar het zuiden uitgebreid zodat er plaats is voor niet één maar twee andere gebouwen (K.1.2). Het meest zuidelijk pand op de landtong wordt in oost-west richting geprojecteerd, zodat het de Molenvlietparkzijde afbakent. In tegenstelling tot het Voorlopig ontwerp bestaande de bouwmassa's uit pacht- en rentmeesterswoningen die uit meerdere beuken bestaan. Het noordelijke 'andere' gebouw dat bij het zuidelijke bebouwingsveld lag, verschuift naar het noorden.
85
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
Het wordt in oost-west richting op een open terrein geprojecteerd, een terrein dat door haar weidsheid en haar locatie aan de Molenweide herinnert. De ligging van het gebouw bakent de Molenvlietparkzijde af tot aan de zuidzijde van dit pand. Het wordt daarmee het meest zuidelijk 'andere' gebouw. Verder wordt de capaciteit van het hoofdgebouw van 6 naar 11 appartementen uitgebreid binnen de eerder geprojecteerde massa (K1.1). De versnippering van het plangebied vanwege het Molenslootpad, de tweede toevoer en haar waterkering en de concentratie van bebouwing op de Haagsche Trekvlietzijde leidt tot een beperking van de beschikbare gronden voor al de gebouwen. Ook eisen de doorzichten naar het zuiden en ruimte tussen de gebouwen op. Dat leidt tot een bebouwingveld met aan gebouwen in het noordoosten van het plangebied (F) met het hoofdgebouw. het 'andere 'gebouw aan het hek, het bergingengebouw en twee 'andere 'gebouwen op de de noordelijke landtong. Er zijn twee uitschieters naar het zuiden toe: het 'andere' gebouw en het bijgebouw voor de stalling voertuigen voor het onderhoud van het landgoed in het midden. Het botenhuis vervalt. Hoogten en standen In vergelijking met het Voorlopig ontwerp treden hierin geen veranderingen op. Zichtlijnen In vergelijking met het Voorlopig ontwerp treedt hierin een verandering op.
Het meest zuidelijke 'andere' gebouw krijgt een zichtlijn naar het Molenvlietpark. Landschap Genoemd overleg heeft geleid tot een bebouwingsvrije zone aan de zuidzijde aansluitend aan het Molenvlietpark met een oppervlakte van circa 0,4 hectares. Het ontbreken van storende gebruiksvormen in dit deel van het landgoed maakt het op zich al geschikt voor natuurontwikkeling. De bosgebieden kennen een ondergroei en hun areaal wordt slechts door de het polderwater en de doorzichten vanuit het Molenvlietpark op het hoofdgebouw of het 'andere' gebouw in het midden begrensd. Dat betekent verder dat in de rest van het oostelijk deel van het plangebied, waar wel van andere gebruiksvormen sprake is, bosgroepen en graslanden elk maar ongeveer een kwart van dat areaal zullen bestrijken. De graslanden met hun kruidenrijke begroeiing bedekken de nieuwe dijk ten oosten van de tweede toevoer, leveren natuurvriendelijke oevers voor de waterpartijen en zorgen ook voor doorzichten. De bosgroepen begrenzen die doorzichten. Aan de zijde van de Jan Thijssenweg en direct ten noorden van het hoofdgebouw begrenzen ze het doorzicht op het hoofdgebouw. Ook wordt daarmee het 'huis achter het hek' en de parkeerplaats bij de ingang aan het zicht onttrokken. De twee 'andere' gebouwen op de noordelijke landtong worden door bosgroepen afgeschermd van het hoofdgebouw en van elkaar.
De afscherming tussen het hoofdgebouw en het in het midden van het plangebied gelegen 'andere' gebouw wordt eveneens door bomengroepen verzorgd. Ruim 1 hectare bos maakt dit 'andere' gebouw tot een huis in het bos. Aan haar zuidzijde kent het een doorzicht naar het Molenvlietpark. Dat bos wordt doorsnede door een verblijfsstraat naar het huis in het bos. Om het noordoosten te ontlasten is het bijgebouw voor de stalling van machines voor het onderhoud van het landgoed in dit bos geïntegreerd. Ook de bosgebieden kennen een ondergroei. In het westelijk deel van het plangebied, neemt de tweede toevoer veel plaats in beslag. Daar waar tussen deze waterpartij en het Molenslootpad meer plaats is dan alleen voor een bomenrij, worden bosgroepen gerealiseerd. Het eiland in de tweede toevoer wordt geheel bebost. Wegennet Genoemd overleg heeft ertoe geleid dat noodzaak van de aanleg van wegen in het zuiden van het westelijk deel van het plangebied vervalt. Doordat het verplaatste 'andere' gebouw naar het noorden verschuift, verschuift de brug over de tweede toevoer vanuit het Molenslootpad mee. Het zuidelijk deel van dit pad wordt gereserveerd voor langzaam verkeer.