RIS317332 Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
Afbeelding 2.3.: 1819 Van buitenplaats met tuin naar een landschap Zocher jr. en het ontwerp van de buitenplaats Vredenoord Aan Zocher jr. is in 1836-1838 opdracht gegeven de entree van Vredenoord in zuidwestelijke richting te verplaatsen en door te trekken tot aan de Molensloot. In deze periode is de portierswoning het “huisje aan het hek” gebouwd, dat ten noordwesten van het plangebied ligt. Langs de Molensloot en het “huisje aan het hek” is een slingerlaan aangelegd. Zocher heeft de rechtlijnige polderstructuur tussen Vredenoord en de Molensloot aangepast. Door het vergraven van de sloten ontstond een ovaalvormig, door sloten omgeven, weiland: de Molenwei. De entree van Vredenoord lag net voorbij het “huisje aan het hek”. Dit was niet bedoeld als uitbreiding van het park, maar vooral om de bezoeker te imponeren. Tussen 1870 en 1880 is een tuinmanswoning toegevoegd aan de buitenplaats. De percelen rond de Molenwei zijn deels beplant en voorzien van paden. Er ontstond een omzoomde weide met wandelmogelijkheden. Dit is een voor Zocher bekend ontwerpmotief. De inrichting van de zuidoosthoek
28
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
is onbekend, wellicht is dit geruime tijd als hakhout in gebruik geweest. In de centrale weide is een eiland gegraven en beplant met een boomgroep. Of dit motief door Zocher is ingebracht is niet zeker maar wel waarschijnlijk. Deze veranderingen zijn geënt op de introductie van de zogenaamde landschapsstjil eind 18e begin 19e eeuw waarbij siertuinen, moestuinen, boomgaarden en bosvakken plaats maakten voor een landschappelijke aanleg. Het werden bossen in open velden. In die aanleg werden gebouwen als onderdeel van die parkachtige aanleg gezien en daartoe vernieuwd of zelfs geheel nieuw gebouwd. Zowel de kadastrale minuutplans van Voorburg uit 1812-1819, 1820 als de kaart van Van der Noordaa laten zien dat op de meeste buitenplaatsen de formele tuinen in het begin van de negentiende eeuw hadden plaatsgemaakt voor een landschappelijke aanleg met de typerende slingervijver, de gebogen paden, de bosschages en bijzondere solitaire bomen. Een geheel dat de sfeer van een ideaal landschap moest oproepen. Begin twintigste eeuw brandde het hoofdgebouw af. Het werd in 1913 in dezelfde stijl herbouwd naar een ontwerp van J. van Wijngaarden. Het kent een rechthoekige plattegrond met aan de zuidzijde een uitbouw en aan de westkant een aangebouwde serre.
De voorgevel is gericht op de Haagsche Trekvliet, is van daaruit goed zichtbaar, kent een terugliggend middendeel en is voorzien van een loggia op de verdieping. Omstreeks 1870 werd de Vliet verbreed vanwege van de toename van het aantal vaarbewegingen. Ook werd het jaagpad verbreed tot een volwaardige weg langs dit water. Als gevolg daarvan verloor Vredenoord zijn oeverzone met de theekoepel. Stadsrandzone In de zestiger jaren van de vorige eeuw werd midden in het terrein een tennisbanencompex, een paardenhouderij en een kwekerij gevestigd die het landgoed in tweeën splitsten. Het westelijk deel van het landgoed werd daarmee een stadsrandzone. Transformatie van het achterland Het achterland is door de jaren heen aanzienlijk getransformeerd. Met de aanleg van de A4/A13 is het open zicht op het achterland sterk begrensd. Door de aanleg van de golfbaan Leeuwenbergh, een bedrijventerrein, het pretpark Drievliet en nieuwbouw bij Rijswijk is het achterland wel getransformeerd, maar geen stedelijk gebied gaan vormen. Herstel Vredenoord In het jaar 1872 raakte de portierswoning - het “huisje aan het hek” - van het landgoed vervreemd. Het kent het adres Jan Thijssenweg 8. In 1933 wordt de Molenwei los van Vredenoord verkocht, waarna de aanblik van de Molenwei drastisch verandert.
Kort na 1933 worden in de wei enkele gebouwen geplaatst, wordt meer beplanting aangebracht en wordt dwars door de wei een pad aangelegd. Na 1950 groeit ze door spontane bosopslag verder dicht en worden wederom opstallen toegevoegd, waarmee de Molenwei steeds meer op een opslagterrein gaat lijken. Het hoofdgebouw van Vredenoord lag in een geometrische aangelegde tuin en sloot op een boomgaard aan. Op korte afstand van het hoofdgebouw lag een aantal bijgebouwen die dateren uit de 17e en 18e eeuw. Verder van de Haagsche Trekvliet af lag het 19e eeuwse bospark in landschapsstijl van de hand van Zocher sr. In 2011 was het nog helemaal intact maar ernstig verwaarloosd. Het park werd daarna samen met het huis gerestaureerd. Het geheel is aangewezen tot Rijksmonument. Het herbergt meerdere woningen. In het ontwerp voor het terreindeel bij het huis werd daarbij opnieuw samenhang aangebracht tussen huis, tuin en park. De inrit werd verlegd en waterpartijen opnieuw gegraven. De tuin aansluitend aan het park werd heringericht met een nieuwe moestuin en boomgaard. In de boomgaard kwamen oude fruitrassen en leifruit. Er werden volwassen fruitbomen aangeplant, die de ruimte meteen karakter gaven. Vredenoord is de enige buitenplaats in dit gebied, die weer een particuliere woonfunctie heeft.
Ink rimping buitenplaats De aanleg van de Rotterdamsebaan op zo'n 350 meter ten zuiden van het plangebied versterkte het effect van transformatie. De toename van de verhardingen als gevolg van de aanleg van deze baan
29
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
noopte tot waterbergingscompensatie. Daartoe werd het terrein ten zuiden van het plangebied zo ingericht dat het ten tijde van wateroverlast kon dienen als calamiteitenberging, het Molenvlietpark. De voeding van deze calamiteitenberging geschiedde vanuit de Haagsche Trekvliet via de bestaande Kansjesmolensloot, maar die was niet toereikend genoeg. In het plangebied werd derhalve een tweede toevoer ontworpen, die gevoed zou worden door een duiker naar de Haagsche Trekvliet, onder de Jan Thijssenweg door. Het Molenvlietpark kent een landschappelijke opzet, wat de waarde van het landschap ondanks de transformatie van het gehele gebied verhoogde. Waterpartijen, bosschages, rietvelden, dijken en vlonders bepalen hier het beeld. In het park is een watergang opgenomen.
2.3
Cultureel erfgoed
Cultureel erfgoed in en rond een gebied is het resultaat van haar cultuurhistorie. De Rijksdienst Cultureel Erfgoed onderscheidt daarbij drie aspecten: Historische (stede)bouwkunde / bovengrondse monumentenzorg; bijvoorbeeld kastelen, kerken, oude boerderijen of landhuizen, maar ook stedenbouwkundige elementen als beschermde stads- of dorpsgezichten. Cultuurlandschap/historische geografie: alle landschappelijke elementen die het gevolg zijn van menselijk handelen in het verleden, bijvoorbeeld verkavelingspatronen, pestbosjes, landgoederenzones of ontginningsassen. Archeologie; sporen en vondsten die door mensen(werk) in het verleden in de grond zijn achtergebleven, bijvoorbeeld potscherven, resten van voedselbereiding, graven, maar ook verkleuringen in de grond die duiden op bewoning of infrastructuur. Een verzamelterm hiervoor is 'archeologische waarden'. Alle archeologische waarden bij elkaar zijn het 'bodemarchief'. Het omvat 'sporen, objecten en patronen/structuren die, zichtbaar of niet zichtbaar, onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In het navolgende wordt daarop ingegaan. 2.3.1
Cultuurhistorische waarden
2.3.1.1 Bebouwingsstructuur Uit de ontstaansgeschiedenis (paragraaf 2.2) is af te leiden dat het plangebied geen bebouwingsstructuur kent die teruggrijpt op het landgoed dat in 1750 werd ingericht of bebouwing die dat landgoed heeft aangevuld. Het belendende landgoed Vredenoord vormt een Rijksmonument. De westelijk van het plangebied gelegen voormalige 'huisje aan het hek' kent een eclectische bouwstijl. 2.3.1.2 Beschermd stadsgezicht Het gebied is geen onderdeel van een Rijksbeschermd stadsgezicht of een gemeentelijk beschermd stadsgezicht. 2.3.1.3 Gebouwde monumenten Zoals in paragraaf 2.3.1.1 al werd aangegeven is er in het plangebied geen structuur aan bebouwing of bebouwing aanwezig die het landgoed dat in 1750 werd ingericht vormt geeft en opgenomen is: in het register als bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet 1988, in de werking van artikel 3 van de Monumentenverordening Den Haag of in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). 2.3.1.4 Karak teristiek e gebouwen Zoals in paragraaf 2.3.1.1 al werd aangegeven is er in het plangebied geen structuur aan bebouwing of bebouwing aanwezig die het landgoed dat in 1750 werd ingericht vormt geeft. 2.3.1.5 Beplantingen Binnen het plangebied bevinden zich geen monumentale bomen.
30
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
2.3.1.6 Landgoedbiotoop In de Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn de belendende gronden aan de oost- en westzijde van het plangebied als landgoedbiotoop aangeduid. Het plangebied ligt daartussen in en kent die aanduiding niet. 2.3.1.7 Andere cultuurhistorische waarden Het plangebied kende als onderdeel van het landgoed Vredenoord uit 1826 een onbebouwd karakter met in het centrum een Molenwei met daaromheen een waterloop. Het was een ontwerp van Zocher sr. De aansluiting van het Molenslootpad op de Jan Thijssenweg vormde de ontsluiting van het landgoed Vredenoord uit 1826. Een zeer klein deel hiervan in het centrumwestelijk deel resteert nog. Immers, van de oorspronkelijke grote ovale Molenweide is alleen nog maar een kleine paardenwei overgebleven waar een paar pony's rondlopen. Cultuurhistorische waarden van straten en straatwanden, van waterlopen, door zichtlijnen, van boerenerven, dijken, hoogte-elementen, door de kavelstructuur, van kerkepaden, van meren en plassen, door molenbiotopen, door openheid, door profielen en van windmolens kent het plangebied niet. 2.3.2
Archeologie
De geologie heeft voor een belangrijk deel de bewoningsmogelijkheden in het verleden bepaald en daarmee tot op de dag van vandaag de kans op het voorkomen van archeologische resten. Voor het gebied rond Nieuw Vredenoord, de Vlietzone, zijn met name de duinkopjes die in het intergetijdengebied achter de strandwal van Rijswijk-Voorschoten zijn ontstaan van belang. Op deze hoger gelegen plekken in het verder natte landschap, kan vanaf het midden neolithicum zijn gewoond. De dichtstbijzijnde locaties waar neolithische bewoning op een duin is aangetroffen, liggen ter hoogte van Ypenburg-Locatie 4, de Westvlietweg 28 en de GAVI-kavel aan het Guldenpad, Ter hoogte van Park Arentsburgh in Voorburg is neolithische bewoning op de strandwal aangetoond. Booronderzoek in het kader van de Rotterdamsebaan heeft een duin aangetoond in het gebied dat aan de zuidoostzijde direct aan de Molenwei grenst. Het mag worden aangenomen dat het duin zich verder uitstrekt tot in het plangebied Molenwei. Eind jaren tachtig van de vorige eeuw is een grote vindplaats in de Tedingerbroekpolder aan het licht gekomen. Dit betreft een inheems-Romeinse nederzetting uit de 1ste – 3de eeuw na Christus die later Leidschendam-Leeuwenbergh genoemd zou worden naar het nabij gelegen landgoed Leeuwenbergh. De nederzetting was gelegen op een kreekrug van het Gantelsysteem.
In het gedeelte ten zuidwesten van de golfbaan hebben van 1997 tot 2001 opgravingen plaatsgevonden door de archeologische dienst van de gemeente Rijswijk bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein Hoornwijck. Bij een uitbreiding van het attractiepark Drievliet in 1997 is voorafgaand aan bodemingrepen ook archeologisch onderzoek uitgevoerd. Bij deze onderzoeken zijn geen huisplattegronden aangetroffen, maar wel een erf met kuilen en verkavelingsgreppels. Vanaf 2014 is onderzoek uitgevoerd door de afdeling Archeologie van de gemeente Den Haag op meerdere percelen in het tracé van de Rotterdamsebaan, aansluitend aan de vindplaats Leeuwenbergh en ten zuidoosten van het plangebied Nieuw Vredenoord. Hierbij zijn resten uit de Romeinse tijd en de late middeleeuwen aangetroffen. De percelen die in 2014 zijn onderzocht leverden resten op van Romeinse bewoning (1ste - 3de eeuw) in de vorm van drie door greppels omgeven erven met huisplattegronden, sporen van bijgebouwen, waterputten, omheiningen en verkavelingsgreppels. Bijzondere vondst was een begraven beker met 107 zilveren munten, zes zilveren armbanden, restanten van een kralenketting en een verzilverde fibula. Bij onderzoek in 2015 werden in twee perceelgreppels ten zuidwesten van golfbaan Leeuwenbergh meer dan 300 complete Romeinse dakpannen aangetroffen.
De greppels omsloten een erf met honderden vondsten, waaronder een bronzen ketel. Het archeologische onderzoek heeft ook veel laatmiddeleeuwse sporen en vondsten opgeleverd, zoals grondsporen van drie, met een omgrachting versterkte boerderijen. In de grachten werd zeer veel materiaal aangetroffen, waaronder een zegelstempel en een zilveren ring met opschrift. Aan de Vliet ligt een reeks buitenplaatsen. De vroegste vermeldingen daarvan in historische bronnen dateren uit de 17de en 18de eeuw. Het huidige plangebied Molenwei grenst aan de oostzijde aan het landgoed Vredenoord en is daarvan gescheiden door een sloot. Dit landgoed is ontstaan uit een pachtboerderij die mogelijk al middeleeuwse wortels heeft gehad en in de 18de eeuw steeds verder
31
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
uitgroeide tot een volwaardige lustplaats met herenhuis, bijgebouwen en een rijke geometrische tuinaanleg. Het buiten is ook bekend onder de namen Buytenburgh, Alphensrust, Oversteen en Hoflust.
2.4
Ruimtelijke structuur
Nieuw Vredenoord ligt in de Vlietzone en deze wordt gekenmerkt door haar ligging op de overgang van drie landschappelijke systemen: 1. Het landschap van de strandwallen - voormalige, zandige duinrijen - en strandvlakten - de venige laagten tussen de strandwallen. 2. Het centrale Holland-Utrechtse veenmoeras dat zich van achter de binnenste strandwal uitstrekt tot aan de hogere zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug en dat later in cultuur zou worden gebracht als het centrale veenweidelandschap. 3. Het Gantelsysteem, een complex intergetijdengebied dat nauwelijks door duinen tegen de invloeden van de zee was beschermd en dat werd doorsneden door kreken als de Gantel, Lier, Zweth en Wollebrand. De kreekbeddingen hebben zich gevuld met zandig materiaal, bij de latere inversie van het landschap zijn de kreken getransformeerd tot kreekruggen. Het plangebied ligt in een strandvlakte met een afzetting van klei en veen. Aanpalend ligt de brede binnenste strandwal - ter hoogte van de oever van de Vliet - waarop de historische kernen van Leidschendam, Voorburg en Rijswijk liggen. Het verdichte noordelijke gedeelte kent een bosachtig karakter. De oostelijke zijde van het plangebied bestaat voor een aanzienlijk deel uit verharde terreinen aan de grens met Vredenoord. De rest daarvan staat vol met houtopstanden. Het centrumwestelijk deel bestaat uit het restant van de Molenwei. 2.4.1
Stedenbouwkundige structuur
Ruimtelijk gezien heeft de landgoederenzone aan de veenzijde nooit een aaneengesloten rij van buitenplaatsen gevormd, maar was er juist sprake van een afwisseling van ruime groen (beboste) kavels en open agrarische velden met vergezichten. De verkavelingspatronen en sommige zichtlijnen zijn hiervan nog zichtbaar. Echter, het overgrote deel is verdwenen door de verstedelijking. Karakteristiek voor de hedendaagse stedenbouwkundige structuur is het contrast tussen de buitenplaatsen waaronder Vredenoord, het familiepark Drievliet, het Molenvlietpark, de laagbouwwijk en het zuidelijk daarvan gelegen infrastructuurlandschap van de Rotterdamse Baan en de snelweg A4.
32
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
Kaart 2.4: Topografische k aart met de verstedelijk ing langs de Haagsche Trek vliet omstreek s 2021 Aan weerzijden van de Vliet vormen de buitenplaatsen het decor van de Vliet. De grotere groene korrel van de Buitenplaats Vredenoord en familiepark Drievliet wordt gecompleteerd door enkele laagbouw woningen zoals het huis aan het hek en de woning behorende bij de paardenhouderij. In de bestaande situatie bevindt zich daarnaast aan de oostzijde van het plangebied een clubgebouw bij een tennisbanencomplex met drie banen en een groot parkeerterrein. Het achterland kenmerkt zich door het Molenvlietpark en door de entreebebouwing van familiepark Drievliet. Recent werd een nieuwe indoorhal opgericht. Aan de andere zijde van Molenvlietpark kijken de laagbouwwoningen over het park uit en grenzen met hun achtertuinen aan de sloot.
2.4.2
Verkeer en infrastructuur
2.4.2.1 Gemotoriseerd verk eer Alleen het oostelijke deel van het plangebied kent een wegontsluiting. Zij loopt vanuit Vredenoord op zo'n 30 meter vanaf de Jan Thijssenweg het noorden van plangebied in. Op de helft van het plangebied splitst het zich in een parkeerterrein en een afslag naar het zuiden. De afslag loopt verder in noord-zuid richting parallel aan de voormalige tennisbanen en eindigt bij de voormalige paardenhouderij. De Jan Thijssenweg sluit in het westen op de Laan van Hoornwyck aan. 2.4.2.2 Openbaar vervoer Buslijn 23 van de HTM rijdt de route Savornin Lohmanplein - Rijswijk - Scheveningen Noord. Op deze route ligt de halte Geestbrug. De afstand tussen het plangebied en deze halte is 15 minuten. Na het oversteken van deze brug moet dan de Hoekweg en de brug over de Haagsche Trekvliet gevolgd worden. Verder halteren de tramlijnen 1 en 15 op de Hoornburg. Na het oversteken van deze brug moet dan nog 15 minuten de Jan Thijssenweg gevolgd worden om het plangebied te bereiken.
33
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
2.4.2.3 Langzaam verk eer In het plangebied bevindt zich aan de westzijde een langzaam verkeersroute tussen de Jan Thijssenweg en het Molenvlietpark. 2.4.2.4 Park eren In het noorden van het plangebied bevindt zich een parkeerterrein voor auto's dat kort bij de Jan Thijssenweg gelegen is. Het bood parkeergelegenheid voor bezoekers van het tennisveldencomplex en de paardenhouderij.
Afbeelding 2.5: Verk eer en infrastructuur 2.4.3
Groene waarden
Afbeelding 2.6: De voor aanplant in gebruik zijnde gronden zijn in grijs aangegeven.
34
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
Het bomenbestand op het perceel bestaat uit overwegend inheemse boomsoorten, die van nature op vochtigere standplaatsen voorkomen: wilg, es, populier en els. Daarnaast komen er enkele andere soorten voor als walnoot, linde en kastanje. De meeste bomen zijn hier in het verleden spontaan opgekomen. Een gericht beheer heeft in de bosachtige zones langs de randen niet plaatsgevonden. Het bomenbestand heeft zich in een dicht verband ontwikkeld. De korte onderlinge afstanden maakt dat er veel lichtconcurrentie is en bomen veelal lange kale stammen hebben en een beperkte kroon. Het westelijke deel van het plangebied bestaat uit opschot van essenbomen. Deze bomen zijn in de eindfase. Het zijn voornamelijk hoge dunne boompjes met hele kleine kruinen. In de zuidwesthoek bevindt zich een verwilderd bos ter plaatse van de voormalige kwekerij. Afbeelding 2.6 toont de voor aanplant in gebruik zijnde gronden. Het gehele areaal aan bomen bos is er slecht aan toe, te meer daar de essentaksterfte flink heeft toegeslagen. Ondanks dat bestaat een groot deel van dit areaal uit bomen met een diameter die voor bescherming in aanmerking laat komen. Verder is de bodem dichtgeslempt en zuur en ontbreekt een kruidige vegetatie. De 'boszoom' naar het restant van de open Molenwei toe is redelijk stabiel en heeft enige uitstraling door de lage vertakking.
In het oostelijk deel zijn 4 volwassen bomen en 7 volwassen heesters, zo blijkt uit onderzoek in de bijlagen 1, 2 en 3 van deze toelichting (Bleskensgraaf, 18 juli 2018), behoudenswaard. Deze bevinden zich - op twee na - in het zuidoostelijk deel van het plangebied. Op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening kunnen monumentale bomen worden aangewezen. Ze hebben een hogere beschermingsstatus. In het plangebied zijn ze niet aanwezig. Ten aanzien van de op grond van de artikelen 3.5 en 3.6, tweede lid Wet natuurbescherming (verder Wnb) beschermde planten- en diersoorten in het hele plangebied wordt opgemerkt dat uit onderzoek in bijlage 4 blijkt dat er sprake is van de aanwezigheid van vleermuizen (Rotterdam, 12 april 2018). Broedvogels zijn in geringe mate aanwezig. Hun aanwezigheid valt onder de algemene zorgplicht uit genoemde wet, het mijden van het broedseizoen van vogels bij het uitvoeren van werken waaronder het slopen. Voor het overige zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. De betekenis van vleermuizen in het westelijk deel van het plangebied is nader onderzocht in onderzoeken vermeld in bijlage 5 (Utrecht, 24 september 2018) en bijlage 6 (Utrecht,11 oktober 2019). Hierin wordt aandacht gevraagd voor het plaatsen van nestkasten en het stellen van eisen aan de verlichting.
Voor het oostelijk deel is dit eveneens onderzocht in de te slopen gebouwen (bijlage 7, Bennekom, 1 november 2017). De soorten zijn van geen betekenis.
Afbeelding 2.7 Het westelijk deel van het plangebied Ook zijn onderzoeken verricht naar de soortenbescherming in het westelijk deel van het plangebied als
35
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
bedoeld in de bovenstaande artikelen uit de Wnb. Het bevoegd gezag voor de uitvoering van deze wet, de Omgevingsdienst Haaglanden, constateert op grond daarvan (bijlage 8, Den Haag, 11 oktober 2019) in haar besluit - bijlage 8 - (ODH 2020-00080110, Den Haag, 20 augustus 2020) dat wat betreft soortenbescherming geen verblijfplaatsen van de rosse vleermuis aanwezig zijn en op grond van artikel 3.8, eerste lid, van deze wet geen ontheffing noodzakelijk is. Gezien het voorgaande is er in de bestaande situatie van natuurwaarden en biodiversiteit geen sprake. 2.4.4
Waterhuishouding
Het plangebied behoort tot het werkingsgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. Waterk wantiteit Aan de westkant van het plangebied liggen drie primaire watergangen. Ten noordwesten de Haagsche Trekvliet (NL15_240DV48D1000), ten zuidwesten de primaire watergang Kansjesmolensloot (NL15_240KS78C1000) en oostelijk daarvan de primaire watergang POL20701080. In het plangebied liggen verder verschillende secundaire watergangen. De laatstgenoemde primaire watergang en de secundaire watergangen vormen samen een stelsel van sloten. Een overzicht van de watergangen is te zien in afbeelding 2.8.
Afbeelding 2.8: Watergangen en waterk eringen in en rond het plangebied (bron: Legger Hoogheemraadschap van Delfland) Het watersysteem rond Nieuw Vredenoord is onderdeel van de Hoge Broekpolder (-1.65 meter NAP). Deze polder zal op termijn qua peil onderdeel uit gaan maken van de noordelijk aanpalende Tedingerbroekpolder (-1.77 meter NAP). De Hoge Broekpolder kent een versnipperd peilbeheer. Het deel achter de buitenplaatsen Vredenoord en Nieuw Vredenoord ligt op -1.45 meter NAP. De buitenplaats Vredenoord en de Molenwei zelf kennen een eigen peilgebied, dat niet nader beschreven is in het peilbesluit. Vredenoord wordt, zoals vele buitenplaatsen, gevoed met een duiker vanuit het boezemsysteem van de Haagsche Trekvliet. Het watersysteem van Nieuw Vredenoord is verbonden met
36
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
het water van Beukenhof door een duiker voor het “huisje bij het hek”, parallel aan de Jan Thijssenweg. Na inventarisatie in het gebied lijkt de waterhuishouding van Nieuw Vredenoord hetzelfde peil te hebben als de aanpalende polder, -1.45 meter NAP. Er is sprake van twee waterpeilen die invloed hebben. Het grootste deel valt in het peilgebied van de Tedingerbroekpolder (-1,45 meter NAP) en een deel valt door de aanwezigheid van de Haagsche Trekvliet onder een ander peil (-0,43 meter NAP). Waterveiligheid Langs de primaire watergangen lopen regionale waterkeringen. Deze waterkeringen grenzen aan het plangebied en het plangebied valt deels in de beschermingszone van de waterkeringen. In de planologische situatie ligt in het zuidwestelijke deel van het plangebied een waterkering met een beschermingszone van 15 meter zoals weergegeven in afbeelding 2.7. Afvalwaterk eten en riolering Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Milieuk waliteit van het water De primaire watergangen Haagse ch (NL15_240DV48D1000) ten noorden en Kansjesmolensloot (NL15_240KS78C1000) ten westen van het plangebied zijn onderdeel van Kaderrichtlijn Water (KRW)-lichaam Oostboezem. 2.4.5
Bodem en grondwater
De bodemgesteldheid is deels terug te voeren op de verschillen in landschapssystemen. Verwezen wordt naar paragraaf 2.2. Enerzijds is er het strandwallen en –vlakte systeem met zanderige en venige grondslag, anderzijds het uitgestrekte veenlandschap. Hiertussen, daar waar Nieuw Vredenoord op ligt, liggen bodems uit het Gantelsysteem. Dit kenmerkt zich door een kleiige grondslag. De grond neemt in kleiigheid (lutumgehalte) toe naar mate de afstand tot de Vliet toeneemt. Omdat het plangebied in de bebouwde kom van Den Haag ligt is het plangebied niet gekarteerd. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem in de omgeving van het plangebied uit kalkarme leek-/woudeerdgronden; klei, profielverloop 5. Volgens het onderzoek naar de milieukwaliteit van de bodem in bijlage 9 (Utrecht, 18 mei 2018) bestaat de bodemopbouw tot de maximale boordiepte van 250 centimeter-mv uit matig fijn zand, zwak tot matig zandige klei of matig kleiig veen. In de omgeving van het plangebied is sprake van grondwatertrap IIIb. Dat wil zeggen dat dat de hoogste grondwaterstand 0,25 tot 0,40 meter onder maaiveld ligt en de laagste grondwaterstand tussen de 0,80 en 1,20 meter onder maaiveld ligt. De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt circa 0,75 meter onder NAP. Het freatische grondwater bevindt zich op een diepte van -0,5 meter beneden maaiveld.
De stromingsrichting van het eerste watervoerende parket is regionaal noordwestelijk. Van de andere pakketten is de richting niet eenduidig te bepalen. Het plangebied ligt niet in of naast een grondwaterbeschermingsgebied. Binnen het plangebied is een voormalige ondergrondse HBO tank bekend, ter plaatse van Jan Thijssenweg 7 nb (AA060302441). Deze tank is gesaneerd (verwijderd) in 1998, certificaatnummer AN5521. Er zijn geen andere (voormalige) bodembedreigende activiteiten en tanks binnen het plangebied bekend. Het plangebied ligt in wijk Hoornwijck. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Den Haag blijkt dat het plangebied is gelegen in zone B9 Westvlietzone en Erasmusveld voor de bovengrond en zone O2 Overige ondergrond voor de ondergrond. De algemene bodemkwaliteit van de boven-en ondergrond zijn respectievelijk geclassificeerd als klasse Wonen en Lanbouw/natuur. Er zijn binnen het plangebied geen beschikte bodemverontreinigingen bekend. 2.4.6
Kabels en leidingen
In het plangebied liggen enkele kabels en leidingen in de grond voor huisaansluitingen. In en direct rondom het plangebied bevinden zich geen kabels of leidingen die een gemeentelijke of bovengemeentelijke betekenis hebben.
37
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
2.5
Functionele structuur
2.5.1
Bedrijven
In het plangebied bevindt zich een buiten gebruik zijnde paardenhouderij met bedrijfsgebouwen, waaronder een bedrijfswoning. Ten oosten van het landgoed Vredenoord bevindt het familierecreatiepark Drievliet met een verkooppunt van motorbrandstoffen, LPG uitgezonderd, en een chinees restaurant. De tweede laatsten kennen een ontsluiting via de Jan Thijssenweg. 2.5.2
Sport en recreatie
In het plangebied bevindt zich een buiten gebruik zijnde tennisbanencomplex met verenigingslokaal. 2.5.3
Wonen
2.5.3.1 Woningen Buiten het plangebied bevindt zich aan haar zuidwestelijke zijde een kleine woonwijk met vrijstaande woningen, waarvan de achtertuinen grenzen aan de Kansjesmolensloot. Aan de noordwestelijke zijde bevindt zich de voormalige portierswoning van het oorspronkelijke landgoed Vredenoord.
38
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskaders
Inleiding
Het bestemmingsplan vindt zijn basis in het ruimtelijk en sectoraal beleid dat de gemeente voert en daarnaast in het beleid dat in nota's en plannen van het rijk, provincie en stadsgewest is vastgelegd. Dit hoofdstuk geeft het beleidskader dat op dit bestemmingsplan van toepassing is weer. Paragraaf 3.2 gaat in op het ruimtelijke beleid op rijks-, provinciaal-, regionaal-, gemeentelijk niveau voor het plangebied. Daarna wordt in paragraaf 3.3 tot en met 3.8 het sectorale beleid voor een aantal relevante thema's uiteen gezet. De 'ruimtelijke vertaling' van het beleid en de toetsing daarvan in de regels en op de verbeelding wordt beschreven in paragraaf 5.3 Keuze en verantwoording van bestemmingen.
3.2
Ruimtelijk beleid
3.2.1
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 15 september 2020 is de Nationale Omgevingvisie (verder NOVI) in werking getreden. Het is de visie op de leefomgeving vanuit het Rijk. NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. NOVI is een structuurvisie in de zin van de Wro. NOVI benoemt 21 nationale belangen en opgaven en onderscheidt daarbij de volgende 4 prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor Klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Bij het kiezen tussen strijdige ruimtelijke belangen worden drie afwegingsprincipes gehanteerd: combinatie van functies gaat voor enkelvoudige functies; kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; afwentelen wordt voorkomen. Aan de hand van de NOVI wil het rijk samen met de regio's samenwerkingsafspraken maken en deze opnemen in Gebiedsagenda's. Ladder voor de duurzame verstedelijk ing De 'ladder voor de duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (verder Bro). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. In de toelichting bij bestemmingsplannen dient verantwoord te worden dat er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningen, werken, detailhandel en voorzieningen. Deze behoefte moet blijken uit een regionaal afgestemd programma en de afspraken gemaakt in Haaglandse gemeenten in een Regionaal Structuurplan 2020. Het Bro bepaalt dat voor bestemmingsplannen de treden van de ladder moet worden doorlopen. Het Bro omschrijft de ontwikkeling van een woningbouwlocatie als stedelijke ontwikkeling. Daar is hier met de realisatie van 15 woningen sprake van. De Ladder moet worden doorlopen.
Besluit algemene regels ruimtelijk e ordening De Wro geeft aan de regering de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur (AmvB) regels te geven waarmee gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening moeten houden. Het gaat daarbij niet alleen om procedureregels maar ook om de inhoud van bestemmingsplannen. Op 30 december 2011 is daartoe het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden (Stb. 2011, 391).
39
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
Een aantal projecten dat de regering van Rijksbelang vindt, wordt met het Barro dwingend geborgd in bestemmingsplannen of in andere ruimtelijke plannen van lagere overheden. De projecten worden benoemd en middels digitale kaarten ingekaderd. Per project worden regels gegeven waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Voor Den Haag zijn de binnen de gemeente gelegen militaire terreinen met de daarbij behorende zenden ontvangstinstallaties, het Kustfundament en het Natuurnetwerk Nederland (verder Netwerk) van belang. In 2016 is een Besluit tot wijziging van het in verband met de herziening van de Beleidslijn kust en enige andere wijzigingen van kracht geworden. Wat betreft het Netwerk legt het Barro vast dat provincies deze verder vorm moeten geven via hun provinciale verordening. Zij definieert het Netwerk als een stelsel van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten (artikel 2.10.1.1). Onderdeel hiervan is dat de provincie voor elk Netwerk-gebied een natuurdoel moet vastleggen. Dit beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied of bij de totstandkoming van een gebied dat tot het natuurnetwerk behoort.
Gemeenten moeten bij vaststelling van bestemmingsplannen de regels met betrekking tot het Netwerk, zoals deze voortvloeien uit de provinciale verordening, naleven. Voor het plangebied is alleen het Netwerk van betekenis. In het provinciaal beleid (paragraaf 3.2.2) wordt daar verder op ingegaan.
3.2.2
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Zuid-Holland Met het oog op de invoering van de Omgevingswet heeft de provincie Zuid-Holland al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving gebundeld in een Omgevingsvisie, Omgevingsverordening en bijbehorende programma's. De Omgevingsvisie is op 1 april 2019 in werking getreden en geldt als structuurvisie. Naast de beleidskeuzes bevat de visie een beschrijving van de ruimtelijke hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland en de omgevingskwaliteit. De Omgevingsvisie omvat de volgende wettelijk verplichte plannen: de provinciale ruimtelijke structuurvisie op grond van artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); het milieubeleidsplan op grond van artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); het regionale waterplan op grond van artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); het verkeers- en vervoersplan op grond van artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer en de natuurvisie op grond van artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb). De provincie wil met haar omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving.
Deze zijn: Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Omgevingsverordening Zuid-Holland De provinciale Omgevingsverordening (verder Verordening) als bedoeld in artikel 4.1a Wro is per 20 april 2019 in werking getreden en vertaalt het beleid uit de Omgevingsvisie in regels. Deze regels zijn bindend voor gemeentelijke bestemmingsplannen. Wat betreft de ruimtelijk e k waliteit kan een bestemmingsplan volgens artikel 6.9.a voorzien in een
40
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, indien deze past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, geen wijziging op structuurniveau voorziet, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. De identiteit betreft de 'beschermingscategorie 1 Natuurnetwerk Nederland' met op de kaart de onderverdeling 'bestaande en nieuwe natuur'. Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in het eerste lid bevat op grond van artikel 6.9.4 een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de bestaande kenmerken en waarden wordt beschreven en waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij de richtpunten van de kwaliteitskaart in het geding zijn. De toelating van 15 woningen en twee erfontsluitingswegen, ook al vindt dit plaats binnen een landschapsontwikkeling, is als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling te omschrijven. De Verordening stelt verder in artikel 6.31 dat er bij het leggen van deze bestemmingen geen reële alternatieven zijn, de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Netwerk worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd.
De toelichting van het bestemmingsplan dient hierover een verantwoording te bevatten. Het gehele plangebied is in de Verordening aangewezen tot Natuurnetwerk Nederland (NNN) in bestaande en nieuwe natuur. Het oostelijk gelegen Vredenoord en het westelijk gelegen De Beukenhof ook. Afbeelding 3.1 geeft hiervan een beeld.
Afbeelding 3.1: De aanwijzing tot Natuurnetwerk Nederland geprojecteerd op een luchtfoto. Artikel 6.9e van de Verordening stelt dat een bestemmingsplan voor gronden binnen het Natuur Netwerk
41
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
Nederland, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 7 in bijlage II, geen bestemmingen aanwijst die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Onder wezenlijke kenmerken en waarden 'van het Netwerk verstaat de Verordening: kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland die zijn gekoppeld aan de natuurdoelen voor een gebied die zijn opgenomen in het 'Natuurbeheerplan Zuid-Holland', het 'portaal natuur en landschap' en de aanwijzingsbesluiten voor de Natura2000-gebieden. Verder betreft het toelaten van 15 woningen een stedelijk e ontwik k eling als bedoeld in artikel 1.1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 6.10 van de Verordening. Het staat bekend als de Ladder Duurzame Verstedelijking (verder Ladder). De Verordening stelt de voorwaarden dat indien de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, gebruik moet worden gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte en de toelichting bij het bestemmingsplan om daarin de verantwoording voor de toepassing van de Ladder op te nemen.
Verder zijn de volgende verplichtingen uit de Verordening ook van kracht. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit (artikel 6.10h). In het geval in het plangebied een regionale waterk ering gelegen is zoals opgenomen in de Legger van het Hoogheemraadschap van Delfland, dient deze op grond van artikel 6.22 bestemd te worden. De beschermingszone langs deze kering dient bestemd of aangeduid te worden. Op de kering en in de beschermingszone kan een nieuwe ontwikkeling mogelijk gemaakt worden voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. In artikel 6.50 van deze verordening wordt de gemeenteraad opgedragen in het bestemmingsplan rekening te houden met de risico's van wateroverlast door overvloedige neerslag en overstroming. Deze treden op als gevolg van de klimaatverandering. Het plangebied is in deze Verordening tevens aangewezen tot Bestaand Stedelijk Gebied. 3.2.3
Regionaal beleid
De metropoolregio Rotterdam Den Haag (verder MRDH) heeft taken overgenomen van het in 2015 opgeheven Stadsgewest Haaglanden De MRDH is een samenwerkingsverband van 23 gemeenten die hun krachten bundelen om het gebied beter bereikbaar te maken en het economisch vestigingsklimaat te versterken. De MRDH werkt vanuit twee agenda's. De Strategische Bereikbaarheidsagenda Vervoersautoriteit en de Agenda Economisch Vestigingsklimaat De MRDH zet zich in voor: 1. Verbetering van de (internationale) bereikbaarheid van de metropoolregio; 2. economische vernieuwing; 3. transitie naar toonaangevende duurzaamheid; 4. attractiviteit van de regio. Vooralsnog blijft het Regionaal Structuurplan Haaglanden 2020 (verder RSP) dat door het algemeen bestuur van het Stadsgewest Haaglanden werd vastgesteld in 2008 voor de overige beleidsterreinen van kracht. Het is een integraal plan voor: de ruimtelijke ontwikkeling van Haaglanden; het kader voor het regionale beleid op het gebied van milieu, groen, mobiliteit, wonen en economie; lokale plannen, zoals bestemmingsplannen. Het RSP kijkt naar 2020 (en soms 2030) en omvat de grote lijnen voor de ambities en ontwikkelingen op
42
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
verschillende terreinen. Voor dit bestemmingsplan zijn twee grote lijnen van belang: De aanleg van een parallelstructuur van de A4. Deze parallelstructuur moet zo direct mogelijk bij de A4 worden gerealiseerd om hinder in de Vlietzone zoveel mogelijk te voorkomen. Deze parallelstructuur verbetert de doorstroming op de A4 door ontvlechting van nationaal en regionaal verkeer. Ook verbetert de verbinding de bereikbaarheid van het gebied. Tot slot maakt de parallelstructuur het mogelijk de Westvlietweg/Jan Thijssenweg te downgraden tot een groene recreatieve verbinding. De Rotterdamse Baan zou deze structuur gaan vormen. De verrommeling van de A4/Vlietzone moet worden opgelost door onder andere transformatie van al aanwezige bedrijfslocaties. Versterking van de groene structuur is hierbij een voorwaarde. De landschappelijke kwaliteit van de zone wordt vooral ervaren langs de Vliet met tal van cultuurhistorisch waardevolle elementen aan weerszijden van het water. Daarnaast bevinden zich in deze zone diverse kleinere groengebiedjes die echter een geringe landschappelijke samenhang vertonen. 3.2.4
Gemeentelijk beleid
3.2.4.1 Agenda Ruimte voor de stad De Agenda Ruimte voor de stad (Raad Informatie Systeem nummer 295016 verder RIS), door de raad vastgesteld op 15 december 2016) is het richtinggevend document voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad. Ze zal als zodanig de ruimtelijke onderlegger voor de nog op te stellen Omgevingsvisie zijn, die, wanneer de nieuwe Omgevingswet van kracht wordt, ook voor gemeenten verplicht gesteld is. Aan de hand van een analyse van trends en ontwikkelingen signaleert de Agenda vier opgaven voor transitie: 1. 2. 3. 4.
de ontwikkeling naar een nieuwe economie, de vraag om een inclusieve en veerkrachtige samenleving, de roep om slimme stadsontwikkeling en de opgave voor de overheid om in dit proces organiserend vermogen te tonen en ruimte te bieden voor maatschappelijk initiatief. Ook wordt continuïteit van het eerdere beleid van belang geacht. Om de aanpak van de transitie opgaven en de continuïteit in samenhang te brengen, formuleert de Agenda van negen principes voor stedelijke ontwikkeling. Daarin is kwaliteit de rode draad. a. Kwaliteit van het proces door samen stad maken met waar mogelijk ruimte aan initiatiefnemers, daarbij hoort ook experimenteerruimte die belangrijk is voor innovatie en dynamiek in de stad en ruimtelijke keuzen om antwoorden te bieden op de stedelijke en regionale opgaven. b. Ruimtelijke kwaliteit, zoals groen, cultuurhistorisch erfgoed en de buitenruimte, omdat die in belangrijke mate bijdraagt aan een aantrekkelijke leefomgeving en het economisch vestigingsklimaat. c. Kwaliteit door integrale samenhang met sociaal-maatschappelijke opgaven, zoals de opgave om sociaaleconomische differentiatie, functiemenging en ruimte voor wijkeconomie te bevorderen in wijken waar dat nodig is gelet op bijvoorbeeld werkeloosheid.
De principes volgend komt de Agenda tot hoofdopgaven voor de buitenruimte, voor ruimte voor stedelijk wonen, voor (nieuwe) economie en toerisme, voor duurzame mobiliteit en voor energietransitatie en klimaatadaptie. De Agenda Ruimte voor de stad en het plangebied In de vijf Hoofdopgaven wordt bij de opgave 'Ruimte voor buitenruimte' het plangebied aangeduid als 'Groen buiten de Stad' . Het plangebied ligt ten zuiden van de alleen liggende aanduiding 'Stadsparken & landgoederen', waarmee het landgoed Vredenoord bedoeld wordt. In het zuiden van het plangebied staat de aanduiding 'Snelle comfortabele fietsverbindingen'. De tekst meldt dat fietsverbindingen door de stad en naar de regio steeds belangrijker worden. Dit omdat de stad verdicht wordt en het mobiliteitsgedrag verandert. Verder verkent de Agenda de betekenis van het plangebied als onderdeel van de 'Omgeving Prins Clausplein'. De landschappelijke kwaliteiten van die omgeving zijn gefragmenteerd door snelwegen. In delen van deze omgeving wordt geïnvesteerd in de groenstructuur- zoals in het
43
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
Molenvlietpark. De landschapskwaliteit langs de Vliet wordt versterkt door een goede ontsluiting van het Molenvlietpark en het verbeteren van aantrekkelijke fietsroutes naar omliggende gebieden en centra. Op de bijbehorende afbeelding 3.2 wordt het plangebied als 'Landgoederen langs de Vliet' aangeduid, samen met Molenvlietpark en Vredenoord. Op de Jan Thijssenweg is de aanduiding 'hoofd fietsroute (e-line)' van toepassing. Het perceel Jan Thijssenweg 8 kent geen aanduiding.
Afbeelding 3.2: uitsnede k aart 'Omgeving Prins Clausplein' 3.2.4.2 Uitvoeringsbesluit Rotterdamsebaan Het bestemmingsplan Molenvlietpark heeft planologisch de aanpassing van de watergang POL20701080 tot een tweede toevoer voor water- en calamiteitenberging in het Molenvlietpark naar de Vliet mogelijk gemaakt. De grondslag hiervan lag in het Uitvoeringsbesluit Rotterdamsebaan genomen op 27 juni 2013 (RIS 259498 en RIS 130625). Ook het aangelegde maar nog te verleggen Molenslootpad en de nog aan te leggen aan- en afslag van de Jan Thijssenweg behoort daartoe. Het zal bij deze weg nodig zijn om de beide rijstroken in door een middenberm te splitsen en de zuidelijke rijstrook naar het zuiden te verschuiven. Afbeelding 3.3 toont de tweede toevoer met waterkering, afbeelding 3.4 de dwarsdoorsnede van de waterkering.
Afbeelding 3.3: de tweede toevoer met waterk ering
44
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
Afbeelding 3.4: dwarsdoorsnede waterk ering bij de tweede toevoer. De waterkering ten oosten van de tweede toevoer zal de waterkering ten oosten van de Kansjesmolensloot gaan vervangen. Ook zal de nieuwe waterkering aansluiten op de waterkering langs de Vliet. De waterkering ten oosten van de Kansjesmolensloot is opgenomen in de Legger van het Hoogheemraadschap. 3.2.4.3 Intentieovereenk omst herstel landgoed Vredenoord Op 3 september 2013 (RIS263432) zijn Burgemeester en Wethouders van Den Haag en de projectontwikkelaar tot een intentieovereenkomst gekomen over de uitvoering van: de restauratie van de bestaande opstallen en het in ere herstellen van de tuin van het Rijksmonument Vredenoord en het realiseren van een buitenplaats met hoofdhuis, tuinontwerp, passende bijgebouwen en herstel van de cultuurhistorische parkaanleg op het naast het Rijksmonument Vredenoord gelegen perceel Molenwei. Met de Molenweide wordt de buitenplaats Nieuw Vredenoord bedoeld. 3.2.4.4 Gebiedsperspectief A4-Vlietzone: k waliteiten versterk en, k ansen behouden Op 19 september 2013 heeft de raad van de gemeente Den Haag dit gebiedsperspectief vastgesteld (RIS260897). De A4-Vlietzone heeft door haar strategische ligging - centraal in de Randstad - op de lange termijn potenties om Den Haag als onderdeel van een grootstedelijke regio te versterken.
Om die kansen niet te frustreren, zijn ontwikkelingen in principe niet toegestaan: het credo is 'Nee, tenzij'. Initiatieven zijn welkom voor zover ze bijdragen aan de inhoudelijke uitgangspunten. In het gebiedsperspectief staat ook dat de gemeente meewerkt aan ontwikkelingen van marktpartijen of particulieren als ze passen binnen de wettelijke kaders. Afwijking is alleen mogelijk als: de ontwikkeling een belangrijke bijdrage levert aan het versterken van de gebiedskwaliteiten, kansen voor de lange termijn behouden blijven (no-regret maatregelen), een bijdrage wordt geleverd aan de duurzaamheidsambities en er geen gemeentelijke investeringen mee zijn gemoeid. Vanuit de versterking van de huidige kwaliteiten bestaat de wens om buitenplaatsen en recreatieve voorzieningen een collectieve betekenis te geven, toegankelijk te maken en met elkaar te verbinden. Gedacht kan worden aan: 1. eigenaren en exploitanten faciliteren die in het onderhoud en behoud willen investeren; 2. voor het publiek openstellen van de tuinen van buitenplaatsen, volkstuinen en sportcomplexen, tussen bijvoorbeeld zonsopgang en zonsondergang, zodat deze te ervaren zijn als collectief goed; 3. publiek toegankelijke en informele verbindingsroutes maken; 4. nieuwe buitenplaatsen en recreatieve voorzieningen mogelijk maken.
De gemeente zal initiatieven stimuleren van eigenaren en exploitanten in het gebied om groene functies toegankelijk te maken voor een breder publiek. Het is van belang dat zowel de cultuurhistorische kwaliteiten van de landgoederenzone als geheel, als de kenmerken van de historische buitenplaatsen worden gerespecteerd. Dit betekent dat nieuwe buitenplaatsen het ensemble waaruit de landgoederenzone bestaat moeten versterken. De gemeenschappelijke vormentaal van historische buitens langs de Zuidvliet dient bij nieuwe ontwikkelingen te worden overgenomen. Belangrijke kenmerken zijn: een park of tuin met hoofd- en bijgebouwen, oriëntatie op de Zuidvliet en/of historische wegen en een herkenbare ligging in het landschap. De oriëntatie op de omgeving kan versterkt worden door panorama's en zichtlijnen te hanteren. De omvang van de buitenplaats dient in verhouding tot de huidige buitenplaatsen en de landgoederenzone te staan.
45
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
3.2.4.5 Project Uitwerk ingsk ader Buitenplaats Nieuw Vredenoord Op 20 maart 2018 hebben Burgemeester en Wethouders het Project Uitwerkingskader Buitenplaats Nieuw Vredenoord vastgesteld (RIS 299396). Dit besluit is aan de gemeenteraad medegedeeld. Deze Uitwerking stelt voorwaarden aan het realiseren van een nieuwe buitenplaats op de Molenwei. Belangrijke doelstellingen hierbij zijn: het behoud van het cultureel erfgoed van de Buitenplaats Vredenoord, het versterken van de kwaliteiten van dit erfgoed door de realisatie van een nieuwe buitenplaats, de aanleg van een tweede toevoer tussen de Haagsche Trekvliet en de waterbergingsvoorzieningen in het Molenvlietpark met waterkering - verwezen wordt naar paragraaf 3.2.4.2 - en in het bijzonder behouden van het groene karakter en de aanleg van een landschapsontwerp dat recht doet aan het oorspronkelijke ontwerp van de landschapsarchitect Zocher junior. De karakteristieken van het ontwerp van Zocher jr. betreffen: a. ‘Ronde’ contour, meestal in de vorm van waterpartijen als een belangrijk centraal verbindend element. b. Centrale bomengroep op eiland. c. Slingerende en gebogen lanen die de belevenis van de ruimte spannend maken. d. Contrasten tussen open en gesloten ruimtes. e. Contrasten tussen licht en donker, door middel van de beplanting. f. Vergezichten door middel van doorzichten. g. Open ruimte en boomcoulissen. h.
Solitaire bomen en of groepen bomen omzoomd door boomcoulissen. De Haagsche Trekvliet en de Jan Thijssenweg vormen samen de basisstructuur van Nieuw Vredenoord en zijn te beschouwen als structurerend element van de gehele buitenplaats. De cultuurhistorische waarde van de Molenwei vormt de basis voor de nieuwe buitenplaats. Met de aanleg van het Molenvlietpark worden de groene recreatieve kwaliteiten van de Vlietzone versterkt. Deze nieuwe buitenplaats draagt hieraan bij. Het park krijgt een natuurlijke inrichting met veel waterpartijen. Bij de realisatie van de tweede watertoevoer wordt een nieuwe waterkering aangelegd. Beiden dienen vrij van andere ontwikkelingen te worden gehouden. De Uitwerking is opgenomen in de visiekaart in afbeelding 3.4.
46
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
Afbeelding 3.4 Visiek aart Project Uitwerk ingsk ader Buitenplaats Nieuw Vredenoord; de Molenwei lag oorspronk elijk in het gebied binnen de blauwe stippellijn en aan beide zijden daarvan. De tweede toevoer wordt gevormd door 'bestaand water' ten oosten van en parallel aan de Molensloot. De waterk ering wordt gevormd door de lichtgroene streep die begint in het noorden bij de zichtlijn. Het doorgaand fietspad tussen de Jan Thijssenweg en het Molenvlietpark wordt gevormd door het Molenslootpad. Wnonig 1 ligt k ort bij de Vliet, het hoofdgebouw k ent 4 zichtlijnen, woning 2 ligt naast Oud Vredenoord. De volgende gedachtenvorming ligt aan deze randvoorwaardenkaart ten grondslag. A. De ensemblewaarde, dat wil zeggen de herkenbare afwisseling tussen groene buitenplaatsen, open doorzichten en bebouwingsvelden van de landgoederenzone, moet worden versterkt. B. De historische vormentaal van de buitenplaatsen langs de Vliet -een park of tuin met hoofd- en bijgebouwen, oriëntatie op de Vliet, een herkenbare ligging in het landschap, panorama's en zichtlijnen - wordt toegepast. C. Uitgangspunt is het waar mogelijk behouden van zoveel mogelijk bestaande waardevolle bomen. In principe moet voor iedere gekapte boom een boom op de locatie worden herplant. D. Het aantal inritten van de Jan Thijssenweg wordt teruggebracht naar één.
De entrees van de buitenplaats worden ontsloten via het Molenslootpad, dat tevens fungeert als toegang tot het achtergelegen Molenvlietpark en aansluit op de Jan Thijssenweg. De hoofdentree bevindt zich aan
47
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
de voorzijde van de locatie, de tweede toegang, de zij-entree achterin. Zij ontsluit onder andere de woningen op de achterzijde van de locatie. E. Het is belangrijk om de gebouwen, zowel op het voor- als achtergedeelte van het terrein als een eenheid te beschouwen, door ze een vergelijkbare uitstraling te geven. Om dit doel te bereiken is de positionering en de materiaalkeuze cruciaal. F. In het ontwerp moet voldoende afstand worden genomen ten opzichte van Vredenoord. G. Om het principe van Zocher te doen herleven, dienen de gebouwen op een voldoende afstand van elkaar te staan zodanig dat er doorzichten ontstaan. Afbeelding 3.5 toont de bepaling van de doorzichten tussen de woongebouwen.
Afbeelding 3.5: bepaling van de doorzichten tussen de woongebouwen H. De bebouwing staat direct in het park; er zijn geen privétuinen toegestaan, gedacht wordt aan een overgangszone tussen privé en (semi)openbaar van maximaal 7 meter, zonder hoge erfafscheidingen of hoge hagen met een maximale hoogte van 1,2 meter, bedoeld voor een terras of groenaanleg. Natuurlijke groene erfafscheidingen hebben de voorkeur; verwezen wordt naar de principedoorsnede in afbeelding 3.6. Parkeerplaatsen dienen uit het zicht en omzoomd met hagen in een park-ensemble te liggen, halfverharde of groene parkeervakken hebben de voorkeur.
Afbeelding 3.6: bepaling overgangszone tussen woongebouw en landgoed I. J.
Schuttingen, gebouwde en vergelijkbare erfafscheidingen zijn niet toegestaan; dit om een samenhangend geheel te vormen en het parkachtige karakter te behouden en te versterken. De gebouwen dienen alzijdig te worden ontworpen in een parkensemble.
48
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
K.1 De bebouwing aan de Haagsche Trekvlietzijde bestaat uit het hoofdhuis en twee woningen met een totale oppervlakte van 1.415 m² exclusief de kappen. Het hoofdhuis kent twee bijgebouwen en de bebouwing bestaat ook uit een botenhuis. K.1.1 Het hoofdhuis kent: zichtlijnen vanuit de hoofd- en zijentree; een capaciteit van maximaal 6 woningen; een maximaal bouwvlak van de begane grond en tweede bouwlaag van elk 435 m²; inclusief ondergeschikte toevoegingen op de begane grond 905 m²; een breedte van het aanzicht vanaf de Vliet ligt tussen 20 en 23 meter en de diepte tussen de 20 en 26 meter inclusief de aanbouwen; een hoogte is maximaal 2 lagen met een kap maar geen mansardekap, de maximale goot- en nokhoogte bedraagt 10 respectievelijk 14 meter; niet meer dan 2 bijgebouwen voor het stallen van onderhoudsmachines en van fietsen; ze horen bij het hoofdhuis en dienen tussen de zij- of achterzijde van het hoofdhuis en Vredenoord gebouwd te worden; de maximale oppervlakte van deze bijgebouwen gezamenlijk is in totaal 90 m²; parkeerplaatsen: 1,3 parkeerplaats per appartement voor bewoners + 0,3 parkeerplaats per appartement voor bezoekers; uitgaand van maximaal 6 appartementen geldt dan een norm van afgerond 10 parkeerplaatsen.
K.1.2.Woning 1 kent: een capaciteit van 1 woning; een maximaal bouwvlak van 150 m²; bijgebouwen, ondergeschikte bouwdelen en garages zijn daarin opgenomen; een breedte die ligt tussen 8,5 en 10 meter en de diepte tussen de 15 en 17,5 meter inclusief de aanbouwen; een hoogte van maximaal 1 laag met een kap maar geen mansardekap, de maximale goot- en nokhoogte bedraagt 5 respectievelijk 8 meter 1,5 parkeerplaats per woning voor bewoners + 0,3 parkeerplaats voor bezoekers. K.1.3.Woning 2 kent: een capaciteit van 1 woning; een maximaal bouwvlak van de begane grond van en tweede bouwlaag van elk 180 m²; bijgebouwen, ondergeschikte bouwdelen en garages zijn daarin opgenomen; een breedte die ligt tussen 10 en 15 meter en diepte tussen de 13 en 19 meter inclusief de aanbouwen; een hoogte van maximaal 2 lagen met een kap maar geen mansardekap, de maximale goot- en nokhoogte bedraagt 7 respectievelijk 11 meter; 1,5 parkeerplaats per woning voor bewoners + 0,3 parkeerplaats per woning voor bezoekers. Voor dit gebouw geldt het principe profiel in afbeelding 3.7.
49
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
Afbeelding 3.7: profiel van dit woongebouw aan het water K.2 Het botenhuis kent: een maximaal bouwvlak van 50 m². K.3 De bebouwing aan de Molenvlietzijde bestaat uit een ensemble van vier woningen met een totale oppervlakte van 1.180 m² exclusief de kappen; elke woning kent: een maximaal bouwvlak van de begane grond van 680 m² en de tweede bouwlaag van 500 m²; een breedte die ligt tussen 10 en 15 meter en de diepte tussen de 13 en 19 meter inclusief de aanbouwen; een hoogte van maximaal 2 lagen met een kap maar geen mansardekap, de maximale goot- en nokhoogte bedraagt 7,5 respectievelijk 11 meter. 1,5 parkeerplaats per woning voor bewoners + 0,3 parkeerplaats per woning voor bezoekers. 3.2.4.6 Voorlopig ontwerp Aan de hand van het Uitvoeringsbesluit in paragraaf 3.2.4.2 en het Uitwerkingkader is paragraaf 3.2.4.5 werd door de projectontwikkelaar een voorlopig ontwerp opgesteld dat in paragraaf 5.2.1 is opgenomen. 3.2.4.7 Aanpassing van het Project Uitvoerings Kader Het Voorlopig ontwerp bracht (paragraaf 5.2.1) Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland begin 2020 (brief met kenmerk DOS-2013-0002916) tot de conclusie dat de daarin beoogde woningbouw te ingrijpend was om samen te kunnen gaan met de status van Natuurnetwerk Nederland (verder Netwerk) en met de uitgangspunten inzake Ruimtelijke kwaliteit die op het perceel rusten.
Status en uitgangspunten waren vastgelegd in hun ‘Omgevingsverordening Zuid-Holland’. Zij achten een kleinschalige dan wel minder grootschalige herontwikkeling niet bij voorbaat onmogelijk en tot op zekere hoogte wellicht zelfs wenselijk omwille van een verbetering van genoemd netwerk en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Zij letten daarbij op de karakteristieken van de locatie, namelijk een zone die gekenmerkt wordt door landgoederen waarop de bebouwing zich alleen aan de Vlietzijde concentreert. In het verlengde daarvan kan in hun ogen bebouwing plaatsvinden op het voorste deel van het perceel. Daarnaast zal het te bebouwen oppervlak moeten worden teruggebracht. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan is er sprake van inpassen, een criterium uit de eerder aangehaalde verordening. Het Uitwerkingskader was gekoppeld aan een uiterste datum van indiening van een ontvankelijke
50
bestemmingsplan Nieuw Vredenoord (ontwerp)
aanvraag voor een omgevingsvergunnnig. Die datum kon gelet op het bovenstaande niet gehaald worden. Het College heeft op 7 juli 2021 (RIS 309353) besloten om toestemming te verlenen om de voorbereiding van dit bestemmingsplan voort te zetten zonder dat een nieuw planuitwerkingskader gemaakt hoeft te worden. Het Uitwerkingskader bleef daarmee zijn richtinggevende betekenis voor de ruimtelijke ontwikkeling behouden waarbij rekening gehouden wordt met bovengenoemde brief van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland. De aanpassing heeft geleid tot een Definitief ontwerp dat opgenomen is in paragraaf 5.2.2.
3.3
Cultureel erfgoed
In paragraaf 2.3 is onderzoek gedaan naar het aanwezige of te verwachten culturele erfgoed in en rondom het plangebied. Daaruit bleek een aantal cultuurhistorische elementen van belang te kunnen zijn. Onderstaand beleidskader gaat daarop in. 3.3.1
Cultuurhistorische waarde
3.3.1.1 Rijk sbeleid De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het betreft: bescherming van stads- en dorpsgezichten vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Het landgoed Vredenoord is aangewezen tot Rijksmonument. 3.3.1.2 Provinciaal beleid Cultuurhistorie is van groot belang voor de leefomgeving in Zuid-Holland. Tientallen eeuwen ontginnen en bouwen, wonen en werken hebben deze provincie gemaakt tot een cultuurlandschap bij uitstek. Niet alleen oude molens, boerderijlinten of stadsgezichten maar ook dijken, verkavelingspatronen en archeologische vindplaatsen getuigen daarvan. Deze cultuurhistorische waarden bepalen in sterke mate de identiteit en kwaliteit van een gebied of plek, en op die manier dus ook de leefbaarheid en het welbevinden van bewoners en bezoekers.