RIS317247 Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Plesmanweg 1-6
Tekst van het document
Het projectgebied is op minder dan 200 meter van de ontheffingsroute gevaarlijke stoffen gelegen waardoor een nadere groepsrisicoverantwoording noodzakelijk is. Voor de functiewijziging van het rijksmonument en de nieuwbouw ter plaatse van de Saxofoon is door Antea Group een (groeps)risicoberekening externe veiligheid uitgevoerd. Deze risicoberekening, memonummer 20210518-470215, d.d. 18 mei 2021 is als bijlage bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen zie Bijlage 7. Uit de risicoberekening blijkt dat in de beschouwde situatie sprake is van een zeer laag groepsrisico (0,00061 x OW = 6,1 procent van de oriëntatiewaarde). De ontwikkeling heeft geen gevolgen heeft voor de hoogte van het groepsrisico. De hoogte van het groepsrisico is zowel in de huidige als toekomstige situatie lager dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, waardoor slechts een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig is.
72
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
Beperkte verantwoording groepsrisico Ter verantwoording van het groepsrisico dienen, naast de hoogte van het groepsrisico, enkele kwalitatieve elementen beschouwd te worden. Hierbij is de volgende indeling gehanteerd: 1) algemene beschouwing veiligheidssituatie: verschillende relevante scenario's; 2) zelfredzaamheid: de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen; 3) bestrijdbaarheid: de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. 1) Algemene beschouwing veiligheidssituatie Ten aanzien van de algemene veiligheidssituatie kunnen zich twee relevante scenario's voordoen: een BLEVE-scenario en een plasbrandscenario. Een koude BLEVE ontstaat wanneer de tankwagen bezwijkt waardoor er plotseling gas kan ontsnappen, die na ontsteking ontploft. Een warme BLEVE ontstaat door een (plas)brand in de nabijheid van een tankwagen. Door de hitte van de brand loopt de druk in een tankwagen hoog op, terwijl de sterkte van de metalen wand afneemt. Hierdoor kan de wand het begeven en de tank ontploffen. Tankauto's zijn voorzien van een hittewerende bekleding die de kans op een warme-BLEVE gedurende ten minste 75 minuten voorkomt (maatregel uit Safety Deal hittewerende bekleding op LPG-autogastankwagens'). De brandweer is daardoor in staat de tank van de tankauto tijdig te koelen.
Het groepsrisico van ontheffingsroute bevindt zich onder de oriëntatiewaarde (lager dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde). De hoogte van het groepsrisico van deze transportroute gevaarlijke stoffen (maximale waarde) neemt nauwelijks toe in de toekomstige situatie. In de Nota Externe Veiligheid Den Haag (2013) is beschreven dat in deze situatie (een groepsrisico dat lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde) de focus van de groepsrisicoverantwoording ligt op de vraag of er vanuit hulpverlening en crisisbeheersing maatregelen nodig zijn. 2) Zelfredzaamheid Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. De voorgenomen bestemmingsplanwijziging is niet gericht op het toevoegen van beperkt zelfredzame personen. Wel wordt opgemerkt dat mogelijk kinderen aanwezig kunnen zijn. Deze kinderen zijn te allen tijde aanwezig onder leiding van een of meerdere volwassene. De kinderen kunnen onder leiding van deze volwassene(n) in veiligheid worden gebracht. Voor deze locatie is geen extra aandacht voor het aspect zelfredzaamheid gewenst. Gerichte risicocommunicatie met toekomstige gebruikers (met name bewoners) en bezoekers (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt.
Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten) en op welke wijze hieraan invulling kan worden gegeven. Indien de kans op een warme BLEVE ontstaat kan vluchten nodig zijn. Daarvoor is een goede infrastructuur van belang, waarbij meerzijdig, van de bron af gevlucht kan worden. De bestaande infrastructuur in en rond het plangebied biedt voldoende mogelijkheden om de omgeving meerzijdig te ontvluchten (onder andere via de nooduitgangen). 3) Bestrijdbaarheid Elk scenario vraagt een specifiek aanvalsplan. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). Ten aanzien van de verantwoording groepsrisico in het algemeen en het aspect bestrijdbaarheid in het bijzonder wordt door de gemeente Den Haag in het kader van de bestemmingsplanprocedure advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Haaglanden. Het ontstaan van een koude BLEVE is niet te bestrijden, omdat de tank meteen explodeert. De branden die door de explosie ontstaan kunnen wel bestreden worden. Vanwege de maatregelen uit de Safety Deal (hittewerende bekleding) wordt een warme BLEVE bij
73
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
LPG-tankwagens gedurende ten minste 75 minuten voorkomen. De brandweer is daardoor in staat de tank tijdig te koelen. Conclusie Uit de beschouwing van het aspect externe veiligheid blijkt dat de ligging nabij het gasdrukmeet- en regelstation van Eneco geen nadere beschouwing behoeft. Vanwege de ligging nabij de ontheffingsroute voor de bevoorrading van het LPG-tankstation aan de Van Stolkweg, is een groepsrisicoberekening uitgevoerd. Uit de risicoberekening blijkt dat in de beschouwde situatie sprake was van een zeer laag groepsrisico (0,00061 x OW) en dat de voorgenomen ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de hoogte van het groepsrisico. In het kader van de groepsrisicoverantwoording wordt advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Haaglanden. Uit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het vaststellen van het bestemmingsplan ‘Plesmanweg 1-6’.
4.4
Geluid
4.4.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen met betrekking tot de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten. Als geluidsgevoelige gebouwen dan wel terreinen zijn aangewezen: woningen onderwijsgebouwen m.u.v. gymnastieklokalen; ziekenhuizen en verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; medisch centra; poliklinieken; medische kleuterdagverblijven; terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg; woonwagenstandplaatsen. De Wgh onderscheidt drie verschillende geluidsbronnen: industrie, spoorwegverkeer en wegverkeer: Wegverk eers- en spoorweglawaai Op grond van de Wet geluidhinder hebben wegen en spoorwegen een geluidszone, waarbinnen bepaalde normen gelden voor de geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, en waarbinnen bij het opstellen van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Die verplichting geldt niet voor wegen waar de maximaal toegelaten snelheid 30 km/uur is. Deze wegen hoeven niet in het onderzoek te worden betrokken. De Wet geluidhinder kent een voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai. Voor nieuwe situaties kunnen hogere waarden worden vastgesteld. Deze bedraagt voor wegverkeerslawaai maximaal 63 dB.
Een uitzondering wordt gemaakt als het gaat om vervangende nieuwbouw langs wegen. De gevelbelasting mag dan maximaal 68 dB bedragen. 4.4.2
Plesmanweg 1 (monumentale bebouwing)
Initiatiefnemer heeft voor het pand Plesmanweg 1 (het monumentale deel) een aparte omgevingsvergunningprocedure doorlopen voor het wijzigen van het gebruik van het pand. In dit kader is akoestisch onderzoek uitgevoerd.
74
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
Plesmanweg 1 (monumentale bebouwing) Het pand Plesmanweg 1 ligt binnen de geluidzone van de volgende(spoor)wegen: Badhuisweg; Dr. Aletta Jacobsdreef; Koninginnegracht (alleen tram); Nieuwe Parklaan; Plesmanweg; Hubertusviaduct. Daarnaast ligt het pand Plesmanweg 1 binnen 50 meter afstand van de Kwekerijweg (een 30-km weg, waarvoor geen wettelijke zone geldt). Rekenresultaten Initiatiefnemer heeft akoestisch onderzoek laten uitvoeren (zie ook Bijlage 8). Hieruit blijkt dat bij niet alle woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en ter plaatse van 4 woningen op de kopgevel van bouwdeel B de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden (deze gevel wordt uitgevoerd als dove gevel). De voorkeursgrenswaarde wordt overschreden met 10 dB. Hogere waarden Initiatiefnemer heeft voor het pand Plesmanweg 1 (het monumentale deel) een omgevingsvergunningprocedure doorlopen voor wijziging van het gebruik. In dit kader heeft de Omgevingsdienst Haaglanden op 7 december 2018 besloten hogere waarden te verlenen (zie Bijlage 9) en een hoogst toelaatbare geluidbelasting van maximaal 58 dB vast te stellen voor 117 woningen, vanwege wegverkeerslawaai. 4.4.3
Nieuwbouw
Ten behoeve van de nieuwbouw, drie woonblokken en een ondergrondse parkeergarage ter plaatse van het kantoorpand de Saxofoon, heeft initiatiefnemer ook akoestisch onderzoek laten uitvoeren. Dit onderzoek is als bijlage 10 bij de toelichting gevoegd. De resultaten van dit onderzoek worden in deze paragraaf weergegeven. Voor het volledige onderzoek wordt naar de bijlage verwezen. De nieuwbouw ligt binnen de invloedsfeer van de Plesmanweg, Badhuisweg, Nieuwe Parklaan, Dr. Aletta Jacobsweg, het Hubertusviaduct en het tramverkeer op de Koninginnegracht. Afbeelding 4.3.1 geeft de ligging van deze wegen weer.
Afbeelding 4.3.1: wegen in de omgeving van het plangebied (bron: dCmR)
75
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
In onderstaande afbeelding is de ligging van de nieuwe gebouwen weergegeven (kenmerk F, G en H).
Afbeelding 4.3.2: ligging nieuwbouw (bron: dCmR) Rekenresultaten Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe gebouwen nergens de maximale ontheffingswaarde overschrijdt. Wel blijkt dat niet voor alle woningen aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. In onderstaande tabel is per weg en gebouw het aantal woningen waarvoor de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden opgenomen. Voor geen van de appartementen wordt de maximale ontheffingswaarde overschreden. De berekeningsresultaten zelf zijn opgenomen als bijlage bij het akoestisch onderzoek.
Tabel 4.3.1: aantal woningen per gebouw, waarbij de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden (bron: dCmR) Uit de tabel is af te leiden dat in totaal 28 keer de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Voor 26 woningen moeten hogere waarden verleend worden (2 woningen die een hogere waarde hebben als gevolg van de Plesmanweg hebben ook een hogere waarde als gevolg van het Hubertusviaduct). De te verlenen hogere waarden zijn opgenomen in onderstaande tabel.
76
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
Tabel 4.3.2: aan te vragen hogere waarden (bron: dCmR) Gemeentelijk beleid Woningen met een hogere waarde mogen een cumulatieve geluidbelasting van maximaal 69.5 dB hebben om te voldoen aan het gemeentelijk beleid. Uit de berekeningen volgt dat de hoogste cumulatieve geluidbelasting 59 dB bedraagt, zodat wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid. Ook moeten alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel of gelijkwaardige oplossing. De geluidbelasting mag hier na aftrek maximaal 53 dB bedragen. Voor alle woningen wordt hier aan voldaan door middel van een volledig geluidluwe gevel of geluidluwe buitenruimte. Deze toetsing is opgenomen in bijlage 3 van het akoestisch onderzoek. Hiermee wordt voldaan aan de eisen uit het gemeentelijk beleid. Conclusie Voor alle woningen binnen het nieuwbouwplan Plesmanduin, voldoet de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeer aan de maximale ontheffingswaarde. Hierbij wordt niet voor alle woningen voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Geluidreducerende bronmaatregelen ontmoeten bezwaren van financiële aard en schermmaatregelen ontmoeten stedenbouwkundige bezwaren. De nieuwe woningen moeten met voldoende gevelwering geconstrueerd worden om een comfortabel binnenniveau te realiseren. Hierbij moet voldaan worden aan de eis in het Bouwbesluit 2012.
Voor in totaal 26 woningen moet een hogere waarde ten gevolge van één of meerdere wegen verleend worden. Besluit hogere waarden Het ontwerp besluit hogere waarden wordt gelijktijdig met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Algemeen
Op 15 november 2007 is de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). De luchtkwaliteit in een bepaald gebied wordt bepaald door de achtergrondconcentratie van fijn stof (PM10, deeltjes <10 µm) en stikstofdioxide (NO2) plus de bijdragen van lokale bronnen die bij de achtergrondconcentratie opgeteld worden. Bij de besluitvorming over bouw- en bestemmingsplannen dient te worden onderzocht of een project 'in betekenende' mate van invloed is op de luchtkwaliteit: in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is aangeven dat een bestuursorgaan bevoegdheden kan uitoefenen of wettelijke voorschriften kan toepassen indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de uitoefening of toepassing niet 'in betekenende mate' bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht. De definitie van 'in betekenende mate' is vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur. Projecten die de concentratie NO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In concentraties uitgedrukt betekent
77
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
dit een verslechtering van 1,2 µg/m3 voor beide stoffen. De 3%-grens geldt sinds 1 augustus 2009, de datum waarop het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht werd. De 3%-grens is voor een aantal categorieën van projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen. Zo gaat het bij woningbouw om de toevoeging van 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg, of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 maakt de ontwikkeling mogelijk van maximaal 157 appartementen in de nieuw te bouwen woonblokken mogelijk. De gemende bestemming ter plaatse van monumentale deel betreft het bestemmen van een vergunde situatie. De invloed op de luchtkwaliteit van dit deel van het plangebied is in het kader van voorliggend bestemmingsplan niet onderzocht. 4.5.2
Onderzoek
Met dit bestemmingsplan worden maximaal 167 woningen toegevoegd. Er wordt ruimschoots onder de NIBM grens van 1.500 woningen gebleven. Mett betrekking tot fijn stof PM10 en stikstofdioxide NO2 zal de ontwikkeling een niet in betekenende mate invloed op de luchtkwaliteit hebben. Een toetsing aan de grenswaarde kan daarom achterwege blijven. De luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer (zie ook bijlage 2 van de Wet Milieubeheer) vormen geen beletsel voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
4.6
Bodem
4.6.1
Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. 4.6.1.1 Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van het plangebied of de projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's.
Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet altijd nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 4.6.1.2 Situatie in het plangebied In de directe omgeving van het plangebied hebben bedrijven met bodembedreigende activiteiten hun vestiging (gehad): op de locatie bevonden zich bovengrondse en ondergrondse tanks en een benzinedepot. Het plangebied is gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater.
78
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
4.6.2
Onderzoek bodemkwaliteit
In opdracht van het Rijksvastgeodbedrijf (RVB) heeft Tauw bv in 2016 ten behoeve van de verkoop van de panden bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoeken hadden tot doel om de algemene bodemkwaliteit op de locatie vast te stellen, om te onderzoeken of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en zo ja of deze leidt tot risico's. In deze paragraaf wordt een samenvatting van de onderzoeken gegeven. Het volledige onderzoek is als bijlage 21 bij de toelichting opgenomen. 4.6.3
Verdachte locaties
Op basis van vooronderzoek zijn er vijf deellocaties geïdentificeerd waar sprake is van een verhoogd risico op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Uit het bodemonderzoek blijkt de grond en het grondwater bij de gedefinieerde deellocaties, waar vooral sprake is van een verdenking op de aanwezigheid van brandstofproducten in de bodem, niet zijn verontreinigd met de olie en/of aromaten. Verder is gebleken dat de bovengrond (0 tot circa 2 m-mv) is verontreinigd met diverse bodemvreemde materialen. Plaatselijk worden interventiewaarde overschrijdingen met zware metalen (koper, lood, nikkel en zink) en PAK gemeten. Op de locatie zijn drie verontreinigingskernen te onderscheiden welke worden bestempeld als één geval van ernstige bodemverontreiniging. Buiten deze drie kernen wordt incidenteel een interventiewaarde-overschrijding met zware metalen en PAK gemeten. Deze overschrijdingen, worden gelet op de beperkte omvang en het incidenteel voorkomen niet tot het geval van ernstige bodemverontreiniging gerekend. In totaal is over een oppervlakte van 3.650m2, ongeveer 8.650m3 grond sterk verontreinigd met zware metalen en/of PAK. Het grondwater is niet verontreinigd. Op basis van de uitgevoerde risicobeoordeling is er geen sprake van onaanvaardbare humane risico’s.
Geconcludeerd is dat er op de locatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, maar dat deze verontreiniging bij het huidig gebruik en inrichting (kantoorfunctie in 2016) geen risico vormt. De aard van de verontreiniging gaf geen reden om tot een spoedige sanering over te gaan. Op 12 december 2016 is een melding artikel 27 Wet bodembescherming gedaan. De omgevingsdienst Haaglanden heeft op 5 juli 2017 de beschikking in het kader van de Wet bodembescherming verleend, zie ook bijlage 23. Onderdeel van de beschikkingverlening was het uitvoeren van aanvullend bodemonderzoek. Zie voor dit onderzoek bijlage 22, aanvullend bodemonderzoek Plesmanweg 1-6 d.d. 13 april 2017. In de beschikking is uitgegaan van de volgende uitgangspunten: het huidige gebruik is kantoorgebouw; het voorgenomen gebruik van de locatie is nog onbekend. Geconcludeerd is dat er geen onaanvaardbare risico's voor de mens aanwezig zijn. Direct contact met de verontreiniging is mogelijk, omdat de verontreiniging in de bovengrond aanwezig is. Het Maximaal Toelaatbaar Risico wordt niet overschreden, waardoor er geen onaanvaarbare humane risico's zijn. Ook zijn er geen onaanvaardbare risico's voor het ecosysteem aanwezig en zijn er geen onaanvaardbare risico's voor verspreiding aanwezig. Doordat de verontreiniging immobiel is, is er geen sprake van een onbeheersbare situatie.
Een spoedige sanering is niet noodzakelijk. Opgemerkt werd, dat wanneer de locatie een gevoeligere bestemming krijgt (zoals wonen met tuin) er mogelijk wel sprake is van humane risico's. In afbeelding 4.5.1 zijn de verontreinigingscontouren aangegeven.
79
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
afbeelding 4.5.1: verontreinigingscontouren (bron: Tauw)
4.6.4
Saneringsplan
Plesmanweg B.V. heeft op 5 augustus 2019 een saneringsplan voor een functionele sanering ingediend. Er worden sanerende werkzaamheden verricht over een oppervlakte van maximaal 2.810 m2, waarbij ongeveer 802m3 sterk verontreinigde grond wordt ontgraven en afgevoerd. Verder wordt de sterke verontreiniging geïsoleerd door middel van het herstellen dan wel aanbrengen van verhardingen. Een deel van de verontreinigingen blijft ongeroerd. Als nazorg geldt het in stand houden van de aangebrachte verhardingen en het behouden van een grasveld. De Omgevingsdienst Haaglanden heeft op 1 november 2019 een beschikking Wet bodembescherming deel saneringsplan afgegeven. Deze beschikking is als bijlage 24 opgenomen bij deze toelichting. Na uitvoering van de sanering en door toepassing van de nazorg is de bodem geschikt voor het beoogde gebruik als openbaar groen, wonen en parkeergelegenheid en zijn risico's als gevolg van blootstelling aan- of verspreiding van de verontreiniging voldoende beperkt.
80
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
Het saneringsplan is beperkt geldig. Binnen 4 jaar na dagtekening van de beschikking dient gestart te zijn. 4.6.5
Bestemmingsplan
Voorliggend bestemmingsplan maakt ter plaats van de verontreinigingscontouren wonen met tuinen mogelijk evenals (semi) openbaar gebruik van de het buitenterrein. Om te borgen dat de aangebrachte verhardingen en het grasveld in stand worden gehouden is in het bestemmingsplan bepaald dat ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - bodembeschermingsgebied' bestaande verhardingen en grasvelden in stand gehouden moeten worden. Verder is bepaald dat het gebruik van gronden ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone bodembeschermingsgebied' alleen is toegestaan, wanneer de bodem in voldoende mate is gesaneerd. Daarnaast is binnen de bestemmingen Groen en Verkeer - verblijfsgebied een vergunningstelsel opgenomen voor het uitvoeren van graaf- en sloopwerkzaamheden. Onderdeel van de vergunningverlening is het horen van het bevoegd gezag inzake de Wet bodembescherming.
4.7
Natuurbescherming
4.7.1
Soortenbescherming
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet implementeert de Vogel en Habitatrichtlijn en andere verdragen in het nationaal natuurbeschermingsrecht. De natuurbescherming richt zich dan ook primair op de bescherming van plant- en diersoorten die genoemd zijn in deze richtlijnen. Daarnaast is een deel van de soorten van de Rode Lijst beschermd via de Wet natuurbescherming. Voor alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten is de algemene zorgplicht van toepassing; handelen of nalaten die gevolgen kunnen hebben dienen achterwege gelaten te worden of er dienen maatregelen getroffen te worden om effecten te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Indien een plan resulteert in negatieve beïnvloeding van een vogelsoort of soorten kan ontheffing worden verleend conform artikel 3.3 van de Wet natuurbescherming. Ontheffing kan worden verleend conform artikel 3.8 van de Wet natuurbescherming voor dieren en plantensoorten. De criteria voor ontheffingsverlening voor deze soorten zijn identiek aan die Vogel- en Habitatrichtlijn omdat deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in het nationaal recht. Het nationaal recht staat het niet toe om hiervan af te wijken.
De criteria voor ontheffingverlening zijn: in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren; ter bescherming van flora en fauna. Om in aanmerking te komen voor een ontheffing dienen mitigerende en eventueel compenserende maatregelen genomen te worden die tot gevolg hebben dat soorten niet nadelig worden beïnvloed in het voorkomen en gedurende de uitvoering van een project. Provincies kunnen voor de nationaal beschermde soorten een algemene vrijstelling verlenen. In de Provincie Zuid-Holland wordt voor een aantal soorten generieke vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft o.a. aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat. Rode lijst
81
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
De Rode lijst met bedreigde soorten is eind 2004 gepubliceerd in de Staatscourant en voor een deel in 2009 en 2017 herzien. Aan de op deze lijst genoemde soorten komt bescherming toe voor zover zij vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Tussen de Wet natuurbescherming en de Rode lijsten bestaat geen formele relatie. Alleen op basis van “gunstige staat van instandhouding” kunnen bij beschermde Rode lijstsoorten "zwaardere" randvoorwaarden gelden ten aanzien van mitigerende en compenserende maatregelen dan voor algemene soorten. Zo zal het bij zeer algemeen voorkomende soorten die gering afnemen in aantal (Rode lijstsoort met het criterium gevoelig) relatief eenvoudig zijn om aan te tonen dat de "gunstige staat van instandhouding" niet in het geding komt. Voor soorten met een beperkt verspreidingsbeeld en die afnemen in aantal (soorten van de Rode lijst met het criterium bedreigd of ernstig bedreigd) is een uitgebreide effectenstudie wenselijk. Voor deze soorten geldt namelijk de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten.
Op deze manier wordt nader invulling gegeven aan de bescherming van soorten die in aantal en/of verspreiding afnemen. Het bevoegd gezag is Gedeputeerde Staten van de Provincie(s) waar een project wordt gerealiseerd. Gedeputeerde Staten kunnen deze bevoegdheid ook overdragen conform lid 7 van deze wet. Doorgaans zijn dit Omgevingsdiensten. 4.7.2
Gebiedsbescherming
In de Wet natuurbescherming (Wnb) is de gebiedsbescherming van bijzondere natuurgebieden, de zogenoemde Natura 2000-gebieden, overgenomen uit de Natuurbeschermingswet 1998. Hieraan voorafgaand is in januari 2006 de formele aanwijzingsprocedure van Natura 2000-gebieden gestart. Na deze aanwijzing is de gebiedsbescherming uit de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998 en sinds 1 januari 2017 in de Wet natuurbescherming. Daarmee vervalt de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn in Nederland. In Den Haag dient rekening te worden gehouden met de Natura2000-gebieden: Meijendel & Berkheide (inclusief Harstenhoek, Oostduinen en Vlakte van Waalsdorp), Westduinpark & Wapendal (inclusief Bosjes van Poot) alsmede Solleveld & Kapittelduinen (inclusief landgoed Ockenburgh, Hyacintenbos, van Leydenhof en Westduinen). Dit betreft Habitatrichtlijngebieden. Er zijn geen Vogelrichtlijngebieden in de gemeente Den Haag. Indien ontwikkelingen en activiteiten in het plangebied een significant negatief effect kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, dient een habitattoets uitgevoerd te worden. Is er op grond van de Wet milieubeheer (Wm) sprake van een passende beoordeling dan is een MER nodig. Voor de andere gevallen kent de Wm de vormvrije merbeoordeling.
In het bestemmingsplan dient aangegeven te worden in hoeverre de uitvoering van het plan onder de verplichtingen vanuit deze wet valt. 4.7.3
Natuurnetwerk Nederland
Om de nationale ruimtelijke beleid te borgen in bestemmingsplannen is op grond van de Wet ruimtelijke ordening door het Rijk het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (BARRO) van kracht. Daarin wordt de mogelijkheid geboden om stelsels van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang aan te wijzen dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten - het natuurnetwerk Nederland. Deze gebieden moeten bij provinciale verordening worden aangewezen en hun ligging geometrisch vastgelegd. Ook de Wnb kent een gelijke bepaling voor dit netwerk. De door Provinciale Staten van Zuid-Holland vastgestelde Verordening Ruimte 2014 vervult deze functie. In artikel 2.3.2.1 van deze verordening wordt gesteld dat een bestemmingsplan voor gronden binnen dit netwerk, met bestaande natuur, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op Kaart 8 , geen bestemmingen aanwijst die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Het plangebied is niet aangewezen als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland.
82
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
4.7.4
Bomenbescherming
In de op grond van de Gemeentewet door de gemeenteraad vastgestelde Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is de bescherming van bomen vastgelegd. Volgens de APV van Den Haag, artikel 2.80 e.v., is voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig (RIS 174540). Door deze bescherming kunnen belangen zorgvuldig worden afgewogen voordat een omgevingsvergunning wordt afgegeven dan wel geweigerd. Daarnaast is een mogelijkheid opgenomen om monumentale bomen aan te wijzen. Monumentale bomen hebben een hogere beschermingsstatus. 4.7.4.1 Monumentale bomen in het plangebied In het plangebied komen geen monumentale bomen voor, zie ook de Bijlage 19 Monumentale bomen (lijst) en Bijlage 20 Monumentale bomen (kaart) Voor een volledig overzicht van de monumentale bomen in Den Haag is op de website van de gemeente Den Haag de meest actuele lijst en kaart terug te vinden. 4.7.5
Onderzoeksresultaten
4.7.5.1 Ecologische quickscan 2016 In 2016 is in opdracht van het Rijksvastgoedbedrijf een ecologische quickscan uitgevoerd, zie ook Bijlage 11. Op basis van de ecologische quickscan is geconcludeerd dat in het plangebied behalve vleermuizen in de spouwen van stenen gevels geen zwaar beschermde soorten (tabel-2 en -3) of jaarrond beschermde vogelnesten (categorie 1 t/m 4) verwacht worden. Er worden wel soorten uit tabel-1 en niet-jaarrond beschermde vogelsoorten verwacht. Aangezien de herontwikkeling van het plangebied onder ruimtelijke ontwikkeling valt, is een ontheffing op de Flora- en faunawet niet benodigd voor tabel-1-soorten. Voor broedende vogels kan geen ontheffing worden verkregen. Geconcludeerd werd dat indien werkzaamheden geen effect hebben op de mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen in de spouwen van de bouwdelen met stenen buitengevels, zijn een ontheffing op de Floraen faunawet en een nader onderzoek naar vleermuizen niet noodzakelijk. Indien werkzaamheden hier wel een effect op kunnen hebben (zoals het aanbrengen van verlichting, steigers, na-isolatie of bijvoorbeeld sloop) zijn onderzoek en eventueel een ontheffing wel noodzakelijk. 4.7.5.2 Briefrapportage 2020 De onderzoeksresultaten en conclusies van Quickscan aangaande beschermde flora en fauna zijn drie jaar geldig. De Quickscan is in 2016 opgesteld en is daarmee na 2019 verlopen.
Via een zogenaamde briefrapportage is een actualisatie van de beoordeling of beschermde flora en fauna, anders dan vleermuizen, aanwezig kunnen zijn binnen het plangebied. De volledige briefrapportage is als Bijlage 12 opgenomen bij de toelichting. In deze paragraaf wordt een samenvatting van de rapportage gegeven. Ten opzichte van 2016 hebben zich geen veranderingen voorgedaan aan de buitenzijde van de gebouwen. De gebouwen en het veelal verharde gebied rondom de gebouwen zijn onderhouden zoals dat daarvoor werd gedaan. Er hebben zich geen omstandigheden voorgedaan waardoor de gebouwen toegankelijk zijn geworden voor vogels met jaarrond beschermde nesten. Omdat geen veranderingen zijn opgetreden in de aanwezige biotopen (gebouwen, verharde buitenruimte met bomen in plantvakken en onderhoudsvriendelijk struweel) zijn de conclusies van de Quickscan uit 2016 nog steeds actueel. Dat betekent dat behalve vleermuizen, andere beschermde soorten binnen het plangebied kunnen worden uitgesloten.
83
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
4.7.5.3 Vleermuizenonderzoek In 2018 is nader vleermuisonderzoek uitgevoerd, zie de bijlage 2 bij het rapport Bijlage 13 Mitigatie en compensatieplan dwergvleermuis dat als bijlage bij de toelichting van dit bestemmingsplan is opgenomen. Uit het nader vleermuizenonderzoek is naar voren gekomen dat er sprake is van meerdere verblijfplaatsen: 1 kraamverblijfplaats; 1 massa winterverblijfplaats met paarfunctie (op dezelfde locatie als de kraamverblijfplaats); 2 paarverblijfplaatsen; 1 zomer/ paarverblijfplaats. In 2019 en 2020 is veldonderzoek uitgevoerd. Geconstateerd is dat op slechts twee locaties sporen in de open stootvoegen zijn aangetroffen. De andere open stootvoegen zijn niet toegankelijk vanwege te kleine afmetingen van de open stootvoegen. En, de grotere groep gewone dwergvleermuizen gebruiken de holle ruimte achter de zonwering als winterverblijfplaats. De conclusies naar aanleiding van het veldonderzoek zijn de volgende: De open stootvoegen zijn slechts geschikt als paarverblijfplaats voor < 5 individuen van de gewone dwergvleermuis. Het zwermen duidt op gebruik van de paarverblijfplaats als winterverblijfplaats. De winterverblijfplaats is alleen in milde winters geschikt, vanwege het ontbreken van voldoende bufferende werking. De ruimte achter de zonweringen worden gebruikt als kraamverblijfplaats en winterverblijfplaats met paarfunctie.
Aangenomen kan worden dat het om één en dezelfde groep van 20-60 exemplaren van de gewone dwergvleermuis gaat. Alle holle ruimten achter de zonweringen op deze gevel is geschikt als verblijfplaats voor grotere groepen (kraamgroep en groep die overwinterd) en mogelijk wisselt dezelfde groep van locatie. Er is geen belangrijk foerageergebied binnen het plangebied aanwezig.
Afbeelding 4.6.1: verblijfplaatsen gewone dwergvleermuizen (dresme & van der Valk, 2020)
84
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
4.7.5.4 Mitigatie & ontheffing Wanneer voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op beschermde soorten dient hiervoor een ontheffing te worden aangevraagd in het kader van de Wet natuurbeschermerming Ten behoeve van de gebruikswijziging van de monumentale panden zullen er gevelwerkzaamheden plaatsvinden op de gevels met verblijfplaatsen. Zodoende is ontheffing aangevraagd en verleend, zie bijlage 15, (ODH, 14 juli 2020, kenmerk: ODH-2020-00088274). In het rapport Mitigatie en compensatieplan dwergvleermuis staat aangegeven dat de planning van de werkzaamheden zodanig is dat de werkzaamheden op de gevels met verblijfplaatsen zoveel mogelijk buiten de kwetsbare perioden worden uitgevoerd. De werkzaamheden aan de gevels met de belangrijkste verblijfplaatsen worden gestart na een jaar (of langer) dat de permanente compensatie is gerealiseerd en na het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen. 4.7.5.5 Stikstofdepositie In opdracht van Plesmanweg B.V. heeft Mees Ruimte & Milieu onderzoek verricht naar de stikstofdepositie op nabijgelegen kwetsbare natuurgebieden (Meijendal & Berkheide, gelegen op circa 1 km en Westduinveld & Wapendal, gelegen op circa 2,7 km) als gevolg van de herontwikkeling ter plaatse van de Plesmanweg 1-6.
Afbeelding 4.7.1: projectlocatie ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: Mees Ruimte & Milieu) Herontwikkeling monumentale deel In het kader van de vergunningverlening voor wijziging van het gebruik van het monumentale deel is onderzocht welke effecten er zijn op het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide en het Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal. Door advies & ingenieursbureau Ecogroen is destijds een Aeriusberekening uitgevoerd en een notitie opgesteld, zie ook Bijlage 14. Daarnaast heeft Mees Ruimte & Milieu een notitie opgesteld zie Bijlage 16 Uit de berekeningen blijkt dat de hoogste bijdrage in Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide 0,31 mol/ha/jaar is. In het verderop gelegen Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal is sprake van een depositie van 0,07 mol/ha/jaar op habitattype H2180C Duinbossen (binnenduinrand). Wel is er sprake
85
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
van een afname van stikstofdepositie. De bijdrage in de toekomstige situatie bedraagt <1,0 mol/N/ha/jaar, waardoor er geen vergunningplicht is (de berekening en vergunningverlening heeft plaatsgevonden onder het PAS). De voorgenomen ontwikkelen viel ook niet onder de meldingsplichtige categorieën uit het PAS, waardoor vervolgstappen niet aan de orde waren. Geconcludeerd is dat de voorgenomen transformatie van het monument naar woningen en overige functies uitvoerbaar is in het kader van de Wet Natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming. Stikstofdepositie in het kader van het bestemmingsplan Door Van der Goes en Groot (zie Bijlage 17) is voor het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd, om het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de nabij gelegen Natura 2000- gebieden te bepalen. Uit het onderzoek volgt dat: De maximale projectbijdrage van de aanleg en het gebruik van de gebouwen 0,09 mol/ha/jaar is op de meest nabijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. Zonder saldering is mogelijk sprake van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura-2000 gebieden in gevaar zouden komen. Bij interne saldering van het bestaande gebruik op de referentiedatum blijkt dat de huidige projectbijdrage van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar bedraagt.
Gelet hierop kunnen significante gevolgen op voorhand worden uitgesloten en is geen sprake van vergunningplicht op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. 4.7.6
Gevolgen voor bomen
Uit de bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de nieuwbouw blijkt uit de ingediende stukken dat er 74 bomen worden gekapt. Het merendeel van de bomen wordt gekapt om de realisatie van de parkeerkelder mogelijk te maken. Binnen het plangebied worden 90 nieuwe bomen aangeplant. Het aantal bomen binnen het plangebied neemt met 16 stuks toe. Meer informatie is te vinden in bijlage Bijlage 18. Dit rapport geeft een overzicht van de bomen die voor de tweede fase van het project (de sloop van de Saxofoon en de nieuwbouw) gekapt moeten worden en op welke wijze er gecompenseerd wordt.
4.8
Cultureel erfgoed
Cultureel erfgoed omvat 'sporen, objecten en patronen/structuren die, zichtbaar of niet zichtbaar, onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. Het omvat zowel het archeologisch, historisch-(steden)-bouwkundig als het historisch-landschappelijk erfgoed. In deze paragraaf staat een beschrijving van de in het plangebied van bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 aanwezige cultuurhistorische waarden en (in de grond) aanwezige of te verwachten monumenten. 4.8.1
Cultuurhistorische waarden
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. 4.8.1.1 Beplanting Binnen het plangebied staan geen monumentale bomen. Zie hiervoor de lijst met monumentale bomen (Bijlage 19 Monumentale bomen (lijst)) en bijbehorende kaart (Bijlage 20 Monumentale bomen (kaart)) bij de toelichting van van dit plan. 4.8.1.2 Beschermd stadsgezicht Het plangebied is onderdeel van het Rijksbeschermd stadsgezicht Westbroekpark/ Belgisch Park.
86
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft op 6 september 1996 besloten het Westbroekpark/ Belgisch Park als Rijksbeschermd Stadsgezicht aan te wijzen als beschermd stadsgezicht. Binnen het beschermde stadsgezicht zijn de belangen waarop de bescherming is gericht, niet overal gelijk van aard en gewicht. Dit blijkt ook uit de bijgevoegde inventarisatiekaart (Rijksdienst voor de Monumentenzorg, nummer MSP/43/06), waarop de historisch-ruimtelijke waarde van Westbroekpark en Belgisch Park in haar huidige verschijningsvorm in grote trekken is weergegeven. Typering van het beschermd stadsgezicht Het karakter van de wijk wordt voor een belangrijk deel bepaald door het oude duingebied, de ligging aan de rand van de bebouwde stad tegen de Oostduinen aan en door het overvloedig aanwezige groen van de Nieuwe Scheveningse Bosjes, Klein Zwitserland, het Hubertuspark en het Westbroekpark. De opvallende karakteristiek van dit stadsgezicht is het hoogwaardig landschappelijke beeld dat op verschillende wijze gecultiveerd en verstedelijkt is. Deze "lappendeken" met grote afwisseling is kenmerkend voor de zeer verschillende wijzen waarop delen van het gebied zijn ontstaan. Er is zonder gericht ontwerp een verbindende factor ontstaan tussen de verschillende wijkdelen door de samenhang van enkele structuurbepalende wegen.
Het straatbeloop van de verschillende delen van de wijk, de lange lanen, kronkelende wegen en het radiale stratenpatroon zijn hiervan essentiële onderdelen. De beeldbepalende bebouwing, dichtbebouwde delen en de diverse groengebieden en de grote open plekken met bijzondere zichtlijnen zijn eveneens onderdeel van de karakteristiek. De overgang in Scheveningen van badplaats (-ontwikkeling) naar hoogwaardige woonwijk is ook een belangrijk aspect van dit deel van de stad (met daarin geïsoleerd liggende Frederikkazerne en het na-oorlogse Duttendel). Typerend zijn: de uitgestrekte groengebieden in de wijk: het Westbroekpark, de Nieuwe Scheveningse Bosjes, de gemeentekwekerij en Klein-Zwitserland en het Hubertuspark; de ligging van het Belgisch Park, grenzend aan de Nieuwe Scheveningse Bosjes. de stedenbouwkundige structuur, de architectuur en het groen van het Belgische Plein en de van daaruit straalsgewijs kromlijnige straten met in het bijzonder ook: 1. de Luiksestraat die ten zuiden van het plan de Antwerpse- en Gentsestraat verbind; 2. de Bruggestraat met aangrenzende straten in een slingerend beloop met architectuur, overwegend in de stijl van de Nieuwe Haagse School; 3. het villaparkachtige karakter van de verschillende onderdelen van dit gebied, Westbroekpark, Wittebrugkwartier, Klattepark en Hubertuspark; 4.
het bochtige beloop van rijkelijk van boombeplanting voorziene lanen; 5. de uitgestrekte tuinen en de bebouwing van villa's en herenhuizen met een representatief karakter; 6. de stedenbouwkundig-historische en landschappelijke c.q. structurerende waarde van de Nieuwe Duinweg en Nieuwe Parklaan, de Badhuisweg en Pompstationweg; 7. de Badhuisweg als zichtas op het Kurhaus met de grotendeels bewaard gebleven bebouwing uit de periode 1900-1940; 8. de Pompstationweg met middenbermweg met middenberm en beplanting, doorlopend tot ver in het duingebied; 9. de waterloop van het Kanaal met aan weerszijden de groengebieden van de Scheveningse bosjes en het Westbroekpark; 10. de waterloop van de oude afzanderijvaart door de gemeentekwekerij; 11. de Van Alkemadelaan als duidelijke structurele begrenzing tussen dit gebied en het duingebied van de Oostduinen met zijn grote landschappelijke waarde. De te beschermen waarden van het plangebied worden in het aanwijzingsbesluit en de daarbij behorende toelichting, als volgt gewaardeerd: Het Westbroekpark/ Belgisch Park heeft een hoogwaardig stadsbeeld door de enorme afwisseling in het karakter van de verschillende wijken in het gebied. Hier liggen naast elkaar kleine villabuurten in het (oorspronkelijke en) veranderde duinlandschap.
87
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
De schaal, structuur en beeldbepalende bebouwing in relatie tot het water en de uitgestrekte, gevarieerde groengebieden geven aan de verschillende delen van het gebied rondom het Westbroekpark en het Belgisch Park haar bijzondere ruimtelijke kwaliteit. Het gebied is van belang wegens bijzonder landschappelijke, stedenbouwkundige, cultuur- en architectuurhistorische waarden. Het aanwijzingsbesluit, de toelichting op het aanwijzingsbesluit en de begrenzingskaart zijn als bijlage 2, 3 en 4 bij deze toelichting opgenomen.
4.8.1.3 Gebouwde monumenten In het plangebied zijn de volgende rijksmonumenten opgenomen in het register als bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet 1988: Adres Plesmanweg 1 Plesmanweg 2 t/m 6
Beschrijving Hoofdkantoor KLM (kantoorgebouw met toegangsweg) Hoofdkantoor KLM (kantoorgebouw met toegangsweg)
Aanwijzigingsbesluit:
23 september 2010
Inschrijving register:
13 december 2010
De monumenten staan geregistreerd onder het monumentnummer: 530887 Omschrijving Aan het kruispunt van de Plesmanweg met de Badhuisweg staat het kantoorgebouw met toegangsweg van de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij (KLM). Het gebouw, dat uit vier vleugels bestaat, is in twee fases tot stand is gekomen. Het eerste bouwdeel is tussen 1938 en 1940 gebouwd naar ontwerp van architect Dirk Roosenburg (1887-1962). Dit eerste bouwdeel bestaat uit een hoog opgetrokken vleugel en een halfronde recreatiezaal. Daarna lag de bouw vanwege de oorlog enkele jaren stil. De voltooiing van het ontwerp met drie vleugels volgde tussen 1946-1949 naar ontwerp van architecten Dirk Roosenburg, P. Verhave en J.G.E. Luyt. Van de terracotta versiering van de entreepartij, bestaande uit een serie vogelfiguren die verwijzen naar de vliegmaatschappij, de oorspronkelijke gebruiker, is Teun Roosenburg (zoon van de architect) de ontwerper. Het gebouw had voornamelijk de functie van kantoor, maar daarnaast waren er ook andere voorzieningen in het gebouw ondergebracht zoals een winkel, kapper, bibliotheek, gymnastiekzaal en een geneeskundige dienst. Een van de vleugels overkluist de Kwekerijvaart van de gemeentekwekerij, die in de tweede helft van de negentiende eeuw is aangelegd.
Tussen het gebouw en de Kwekerijvaart bestaat door de rood bakstenen keermuren, lage tuinmuren en gemetselde plantenbakken een duidelijke wisselwerking. De hoofdopzet van de groenaanleg rond het gebouw, met rode bakstenen elementen conform het kantoorgebouw, waaronder de halfronde toegangsweg naar de entree van het kantoorgebouw, de lage roodbakstenen tuinmuur op de perceelsgrens ter afscheiding van de openbare weg, de keermuren en brug van de Kwekerijvaart en het terras bij de recreatiezaal, is zeer waarschijnlijk door de architect Roosenburg ontworpen. De verdere uitwerking en invulling is van de hand van zijn schoonzus Sophia Rosse-Luyt in de traditie van de Nieuw Architectonische tuinstijl. In de gevel zaten van oorsprong stalen ramen met fijn gedetailleerde roedenverdeling, zoals nu nog aanwezig ter plaatse van de vensterstroken van de trappenhuizen. Het kantoorgebouw is in de jaren tachtig van de twintigste eeuw uitgebreid. Deze uitbreiding valt buiten de bescherming van rijkswege. Zowel het eerste bouwdeel van het kantoorgebouw als de later gerealiseerde vleugels tellen vijf verdiepingen. Alleen de recreatiezaal met halfronde beëindiging, aan het eerste bouwdeel, bevat slechts één bouwlaag. Het bouwdeel dat dwars geplaatst is op de vleugel met de hoofdentree, is over de Kwekerijvaart gebouwd.
Het gebouw is opgetrokken uit een staalskelet bekleed met schokbetonelementen die ook dienst doen als raamomlijstingen. De tussenliggende geveldelen zijn van rode baksteen. De binnenwanden zijn in isolerende baksteen opgemetseld. De vloeren zijn van gewapend beton. De plattegrond is door de toegepaste constructie vrij indeelbaar met verplaatsbare wanden. Het gebouw is een goed voorbeeld van de kantoorbouw uit de jaren '40 en '50, met sobere gevels en het gebruik van baksteen en beton. Tegelijkertijd is het een representatief gebouw, stilistisch
88
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
verwant aan de Nieuwe Haagse school door het gebruik van de overstekende, flauw hellende zadeldaken die oorspronkelijk alle waren bedekt met koper. De kapvorm is stilistisch verwant aan die van de Haagse Villa Windekind die Roosenburg in 1927 ontwierp. De monumentaliteit van het gebouw is gelegen in de verticale geleding en sterke ritmering van de gevels, de sterk benadrukte kopgevels en de met een luifel en oprijlaan geaccentueerde entreepartij. Ter plaatse van de vensterstroken van de trappenhuizen zijn de oorspronkelijke stalen ramen nog aanwezig. Elke vleugel heeft een zelfstandige entree, gemarkeerd door een halfronde uitgebouwde bordestrap. De representatieve hoofdentree aan de Badhuisweg wordt geaccentueerd door een gebogen, betonnen luifel die wordt gedragen door gedraaide zuilen. De onderzijde van de luifel wordt door hanglampen verlicht. De gesloten, massieve gevel boven de hoofdentree is versierd met in terra-cotta uitgevoerde vliegende vogels die in een regelmatig patroon zijn bevestigd. De trappenhuizen, met uitzondering van het hoofdtrappenhuis, zijn gelegen op de koppen van de vleugels. Deze zijn aan de buitenzijde herkenbaar aan de doorlopende glasstroken en veelal door de ronde of halfronde uitbouwen. De indeling van de plattegrond is door de toegepaste staalconstructie flexibel.
Op de knooppunten van de vleugels zijn verbijzonderingen in de trappenhuizen met marmeren treden, stalen balustrades en houten leuningen. Hoofdmomenten in het interieur zijn verder het directievertrek (de zogenoemde Plesmankamer) met houten lambrizeringen, de eetzaal op de vijfde verdieping met wandschildering naar ontwerp uit 1959 van E. Doeve, (noviteit in de kantine was de vloerverwarming en het lopend buffet), de multifunctionele recreatiezaal met eigen ingang en terras, de hoofd- en de zijentrees, de reeds genoemde trappenhuizen en de voorportalen van de trappenhuizen. Voor het gebouw ligt de lusvormige toegangsweg. Het binnenste deel van de toegangsweg loopt op richting hoofdentree, het buitenste deel buigt naar de ingang op souterrainniveau. De toegangsweg wordt gemarkeerd door rode bakstenen muurtjes met een betonnen afdekking. Het centrale deel van de lus, dat op maaiveldniveau ligt, wordt middels een rode bakstenen keermuur met hoge plantenbakken ingekaderd. Langs de randen een groenvoorziening met heesterbeplanting.
Waardering Het kantoorgebouw met toegangsweg is van algemeen belang vanwege de cultuur- en architectuurhistorische waarden: als voorbeeld van een aanleg waarbinnen bestaande elementen (Kwekerijvaart) zijn geïntegreerd, waardoor een wisselwerking tussen architectuur en directe omgeving ontstaat; als toonbeeld van het herstel van de economie in de periode van de wederopbouw; als belangrijk ontwerp uit het oeuvre van architect D. Roosenburg; als voormalig hoofdkantoor van de KLM; vanwege de bouwkundige waarde door de toegepaste constructie; vanwege de stedenbouwkundige situering aan een doorgaande weg vanuit de stad; als voorbeeld van een zorgvuldig gedetailleerd kantoorgebouw uit de jaren '40; door de aankleding van het exterieur met terracotta gevelornamenten in de entreepartij, die verwijzen naar de oorspronkelijke eigenaar en gebruiker; door de aankleding van het interieur met toegepaste kunst, van E. Doeve.
4.8.2
Archeologie
4.8.2.1 Geologie van het plangebied Het plangebied is volgens de Nieuwe geologische kaart van Den Haag en Rijswijk voor het grootste deel gelegen op door Jong Duin overstoven strandwal. Het uiterste noordelijke deel ligt in een lager gelegen strandvlakte. Strandwallen zijn zandruggen die grofweg evenwijdig aan de kustlijn liggen en die enige duizenden jaren voor Christus door natuurlijke processen zijn gevormd. Tussen de verschillende strandwallen, in de strandvlaktes, bleef het oppervlak laag en vochtig. Daar kon in de loop der eeuwen een soms vrij dik pakket veen ontstaan. De hoger gelegen strandwallen hebben een archeologische potentie. Al vanaf de late Steentijd (ca. 2500 v. Chr.) waren ze geschikt voor menselijke bewoning. Op veel plekken binnen de gemeentegrenzen (en daarbuiten) zijn er vondsten op gedaan en resten van nederzettingen op teruggevonden, zowel uit de
89
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
prehistorie als uit de Romeinse tijd of Vroege Middeleeuwen. Door stormen vanaf de late middeleeuwen raakten de strandwallen overstoven door een dik pakket Jong Duinzand. Vanaf die tijd was bewoning in dit gebied onmogelijk. 4.8.2.2 Archeologische potenties en waarden Binnen het plangebied zijn geen archeologische vindplaatsen bekend. De dichtstbijzijnde vindplaats op deze strandwal bevinden zich aan de Professor B.M. Teldersweg. Bij archeologisch onderzoek ter plaatse van tennispark 'De Bataaf' is een cultuurlaag uit de bronstijd aangetroffen, met daarin aardwerk, bot en vuursteen. Hoe groot deze bewoningsplek is, is nog niet vastgesteld. Het ontstaan van de Jonge Duinen is voor de conservering van archeologisch erfgoed van groot belang geweest. Het oude oppervlak met al zijn bewoningsrelicten werd binnen korte tijd afgedekt door soms vele meters zand. Nederzettingsplaatsen zijn daardoor in het Jonge Duingebied veel beter bewaard gebleven dan elders. Ongeschonden is de bodem hier echter niet. In de 19de en 20ste eeuw vonden er in Duttendel grootschalige afzandingen plaats. Dit gebeurde ook in het grootste deel van het bestemmingsplangebied. Mogelijke aanwezige archeologische resten zijn daarmee verdwenen. Voor het afgezande deel van het plangebied is daarom in dit bestemmingsplan geen dubbelbestemming opgenomen.
Alleen aan de westelijke- en oostelijke randen van het plangebied langs de Kwekerijweg zijn hoger gelegen delen aanwezig waarin zich mogelijk nog archeologische waarden kunnen bevinden. Voor die gebieden is op de plankaart nog wel een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2 opgenomen. 4.8.2.3 Geen noodzaak tot archeologisch onderzoek Voor de plaatsen waar voorziene bodemingrepen in een verwachtingsgebied liggen is sprake van afzanding en/ of eerdere verstoringen door verschillende bodemingrepen en bouwactiviteiten in het verleden. Het overgebleven onverstoord terrein is dermate klein dat archeologisch onderzoek naar verwachting geen kenniswinst zal opleveren. Archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Wel blijft de meldingsplicht van kracht. Wanneer er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of vondsten aan het licht komen, moet dat per ommegaande gemeld worden bij de Afdeling Archeologie (ex art. 5.10 en 5.11 Erfgoedwet 2016).
4.9
Verkeer en parkeren
4.9.1
Algemeen
Plesmanweg B.V. heeft Goudappel B.V. een parkeerkundige onderbouwing en verkeerskundige toets laten uitvoeren voor zowel de nieuwbouw als het monument. In deze paragraaf worden de onderzoeksresultaten weer gegeven. Het volledige document is als bijlage 25 bijgesloten. 4.9.2
Parkeerbehoefte
Op basis van de Nota Parkeernormen Den Haag 2021 (RIS309940) is de parkeerbehoefte bepaald. Er is 'worst case' gerekend met uitsluitend koopappartementen. De parkeerbehoefte bedraagt 347 parkeerplaatsen. Er kan op eigen terrein in de parkeerbehoefte worden voorzien. 4.9.3
Verkeersgeneratie
Het aantal verkeersbewegingen is afhankelijk van de omvang en het functioneren van de ontwikkeling en is verschillend per dag. Op werkdagen zijn de verkeersintensiteiten doorgaans hoger dan in het weekend, waardoor werkdagen over het algemeen maatgevend zijn voor de berekening van de verkeersafwikkeling. De ontwikkeling betreft deels verbouw (het monument) en deels sloop-nieuwbouw, waardoor de verkeersgeneratie van de kantoorfunctie van het monument en saxofoon afgetrokken mag worden van de verkeersgeneratie van het nieuwe plan. Bij het berekenen van de verkeersgeneratie is er van uitgegaan dat Den Haag een stedelijkheidsgraad 'zeer sterk stedelijk', heeft en dat de ontwikkellocatie aan de Plesmanweg is gelegen in de 'rest
90
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
bebouwde kom'. De verkeersgeneratie van de bestaande situatie (kantoor monument/ saxofoon) is: weekdag: 42.000 m2 BVO/100 x3,2= 1.344 motorvoertuigbewegingen. werkdag: 42.000 m2 BVO/100 x 4,3= 1.806 motorvoertuigbewegingen. De planontwikkeling leidt tot 2011 (372+766+873) verkeersbewegingen op een weekdag en 2197 (382+848+967) verkeersbewegingen op een werkdag. In tabel 9.1 wordt de verkeersgeneratie van de planontwikkeling verrekend met de verkeersgeneratie uit de huidige situatie.
Tabel 9.1: huidige en toekomstige verkeersgeneratie per etmaal (bron: Goudappel B.V.) Het planeffect op een werkdag bedraagt +667 motorvoertuigen op een weekdag en +391 motorvoertuigen op een werkdag. Door het woningbouwprogramma zal in het weekend de verkeersdruk toenemen. Echter, in het weekend ligt de verkeersdruk op omliggende wegen lager dan op werkdagen waardoor er in het weekend geen effect op de verkeersveiligheid is te verwachten. 4.9.4
Verkeersafwikkeling
De ontwikkeling leidt op een werkdag tot een toename van 391 motorvoertuigen per etmaal. De wijziging van kantoorfunctie naar hoofdzakelijk woningen heeft tot gevolg dat de verdeling aankomst en vertrek spiegelen. In de ochtendspits vertrekken voertuigen bij woningen, terwijl bij kantoren juist voertuigen arriveren. Door deze veranderende verkeerssituatie is de 'impact' van de ontwikkeling op het omliggende wegennet beoordeeld. 4.9.5
Routering verkeersgeneratie
Het verkeer van en naar het plangebied vertrekt niet uit- en naar een richting. Ook zorgen vier in- en uitgangen van de parkeervoorzieningen ervoor dat bewoners vier opties hebben (zie afbeelding 9.1) om de locatie te bereiken dan wel te verlaten, waarbij per richting middels een percentage het verwachte aantal verkeersbewegingen in die richting staat aangegeven.
91
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
Afbeelding 9.1: routering verkeersgeneratie (bron: Goudappel B.V.) Uit de het onderzoek blijkt dat er bij de nieuwe uitrit A er sprake is van 419 motorvoertuigen per etmaal. Bij de (bestaande) uitritten B is sprake van een afname (379 mvt in de bestaande situatie vs 198 mvt in de toekomstige situatie). Bij uitrit C en D is sprake van een lichte toename (307 mvt in de bestaande situatie vs 352 in de toekomstige situatie ter plaatse van uitrit C.1120 mvt in de bestaande situatie vs 1208 mvt in de toekomstige situatie ter plaatse van uitrit D).
Tabel 9.2: planeffect huidige en toekomstige situatie (bron: Goudappel B.V.) De omliggende wegen zijn dusdanig vormgegeven met fietspaden of fietsstroken dan een eventuele toename van verkeersbewegingen op een verkeersveilige wijze verwerkt kan worden. De impact van de ontwikkeling op de kwaliteit van de verkeersafwikkeling op het omliggende wegennet is nihil.
4.10
Windhinder en bezonning
Onderdeel van de toetsing voor stedenbouwkundige plannen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen worden de door de gemeenteraad vastgestelde normen voor windhinder en bezonning gehanteerd (RIS 170509). 4.10.1 Algemeen Indien het project niet voldoet aan de normen dan kan het project worden geweigerd dan wel desalniettemin worden besloten dat onder voorwaarden met de planontwikkeling wordt ingestemd. Naast bezonning en wind weegt de gemeente immers nog vele andere aspecten af zoals architectonische vormgeving, functies, verkeer, parkeren, financiën, volkshuisvesting, sociale veiligheid et cetera. Onderdeel van de afweging is ook dat er voorwaarden (financieel en materieel) kunnen worden opgelegd aan de initiatiefnemer om maatregelen te nemen aan de vormgeving van het project en/of in de openbare
92