RIS317247 Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Plesmanweg 1-6
Tekst van het document
Vanuit een ondersteunende functie draagt horeca bij aan de sfeer en aantrekkelijkheid van het gebied. Om een optimale balans tussen winkels en horeca te bewaken geldt voor winkelgebieden een maximum aan
53
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
horeca en beperkingen met betrekking tot de categorie. Woongebieden De leefbaarheid staat voorop in de woongebieden. Horeca heeft hier vooral een wijkverzorgend karakter. De focus ligt daarbij op winkelgebieden en kleinschalige verblijfspleinen. Uitgangspunt is daghoreca in beperkte mate. Kantoorgebieden en bedrijventerreinen Horeca heeft in kantoorgebieden en op bedrijventerreinen een ondersteunende functie. Er bestaat behoefte aan lunchroom- en koffieconcepten, mogelijkheden voor een avondmaaltijd en soms ook aan vergadermogelijkheden. Bedrijventerreinen bieden daarnaast de ruimte voor drive-in formules van fastfoodrestaurants, mits deze terreinen in de buurt van een snelweg liggen en er geen belemmeringen zijn vanuit verkeersoogpunt. Solitaire locaties Sterke horecaconcepten kunnen op heel onverwachte plekken een locatie en gebied in hun kracht zetten. Ondernemers vinden hiervoor soms plekken die niet als horecalocatie zijn aangemerkt. Indien het concept in combinatie met de locatie een te verwachten positief effect heeft op de omgeving kan het wenselijk zijn om ruimte te geven aan deze ontwikkeling. In het betreffende plangebied van bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 wordt op het horecabeleid aangesloten. Er is sprake van een zogenaamde 'solitaire locatie'.
De horeca is alleen toegestaan in het monumentale deel van het plangebied het deel van het plangebied met de bestemming Gemengd, ter plaatse van de functieaanduiding 'horeca'. In de regels is verder opgenomen dat het totale bruto-vloeroppervlak horeca 776m2 bedraagt. 3.8.2.2 Hotelbeleid De Hotelstrategie Den Haag (RIS 260899) 'Check in The Hague' is een vervolg op het hotelbeleid uit 2000 (nota 'Roomservice'). De gemeente wil initiatieven die bijdragen aan een verder diversificatie aan overnachtingsmogelijkheden in de toeristische kerngebieden graag faciliteren. De Hotelstrategie is gericht op een klantgericht optreden van de gemeente, het faciliteren van initiatiefnemers in het stedelijke gebied en waar mogelijk het wegnemen van belemmeringen bij de exploitatie van hotels. Er is minder ruimte voor kwantitatieve uitbreiding dan bij de vorige nota. Substantiële uitbreiding van het aantal hotelkamers wordt alleen ondersteund indien er marktruimte bestaat voor het betreffende hotelinitiatief of het initiatief zorgt voor extra (aanvullende) marktvraag. Het bieden van ruimte aan bijzondere en kleinschalige formules vormt één van de elementen in deze strategie. De gemeente staat in beginsel positief tegenover initiatieven (ook uitbreidingsplannen van bestaande hotels) in de speerpuntgebieden. Speerpuntgebieden in het hotelbeleid zijn de Binnenstad en Scheveningen.
Buiten de toeristische kerngebieden Binnenstad en Scheveningen is de gemeente meer terughoudend. In deze gebieden geldt het 'nee, tenzij principe'. De gemeente zal in deze gebieden geen medewerking verlenen aan noodzakelijke bestemmingswijzigingen, tenzij een initiatief aantoonbaar een toegevoegde waarde geeft aan de economie van de stad. Het hotelbeleid wijst geen locaties aan en de strategie geeft slechts aan waar ruimte voor bestaat, met name in kwalitatieve zin. De gemeente zal in de toekomst de besluitvorming over het al dan niet faciliteren van een hotelinitiatief af laten hangen van het gebied, de locatie, het concept, de initiatiefnemer en de exploitant. Meer recent is door de gemeente ook de nota Haags Hotelbeleid 2021 vastgesteld (RIS 310666). Deze bevat een bestendiging en verdere concretisering van het hiervoor omschreven beleid. Daarbij is het beleid voor 'short stay - voorzieningen' in significante omvang aangescherpt. Medewerking aan dergelijke faciliteiten is bij toekomstige projecten alleen mogelijk als: het project in de bestemming Gemengd van nader genoemde bestemmingsplannen is gelegen; de betreffende short stay units over een minimaal netto vloeroppervlak beschikken van 40 m²; en de voorzieningen van separate slaap- en woonvertrekken en zelfstandige sanitaire voorzieningen zijn
54
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
voorzien. Voor onderhavig plangebied zijn echter al tijdens de planvoorbereiding separate afspraken gemaakt, waardoor genoemde toetsingscriteria alleen van toepassing zijn, indien het voor dit project afgesproken logieconcept in de toekomst gewijzigd wordt. Het in 2018 vergunde logieconcept en hierop betrekking hebbende wijzigingen kunnen volgens het nu voorliggende bestemmingsplan onverkort worden uitgevoerd. Het betreft immers een voorziening met flexibel combineerbare verblijfsaccomodaties, hetgeen ten opzichte van standaard hotelaccommodaties of short stay-units door de gemeente als een onderscheidend een aanvullend aanbod wordt beschouwd. Kiezen voor transformatie Vanuit een ruimtelijke optiek is het wenselijk dat initiatiefnemers waar mogelijk kiezen voor transformatie van bestaande, eventueel leegstaande bebouwing. Een specifieke categorie initiatieven betreft de omzetting van kantoren naar een hotel(bestemming). Vanuit het kantorenbeleid is deze omzetting in een aantal gevallen wenselijk. Toch zal de gemeente vanuit het functioneren van de hotelmarkt ook hier selectief mee omgaan. Ook hier ligt de nadruk op transformatie in de toeristische kerngebieden. Toevoegen van kwaliteit Er is - anders dan ten tijde van de vorige hotelnota uit 2000 ('Roomservice') – echter niet langer een noodzaak tot uitbreiding van de capaciteit aan overnachtingsmogelijkheden.
De gemeente zal om die reden niet langer actief inzetten op de uitbreiding van het aantal bedden, maar de beperkte mogelijkheden die er zijn (in de lopende gebiedsontwikkelingen), gebruiken om te zorgen dat eventuele initiatieven bijdragen aan de kwaliteit en diversiteit aan overnachtingsmogelijkheden in de stad en hiermee aan de (economische) ambities op het gebied van toerisme. Er is in de stad behoefte aan logiesaccommodaties die huiselijkheid en eigen stijl uitstralen ('boutique hotels'), bijzondere (thematische) hotels die een specifiek segment en doelgroep van de markt bedienen en hotelkamers met extra voorzieningen voor een wat langer verblijf (short-stay). De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een gemengd programma. Naast woningen worden, indien marktomstandigheden dit toelaten, maximaal 108 kamers ten behoeve van een logiesfunctie gerealiseerd. Daarnaast wordt een sportschool c.q. fitness gerealiseerd, kantoorruimte en een gemengde kantoor en horecaruimte. Door deze mix aan functies wordt een aantrekkelijk milieu voor diverse doelgroepen gecreëerd in een stedelijke omgeving. Er wordt aangesloten op de behoefte aan logiesaccomodaties die een specifiek segment en doelgroep van de markt bedienen; kamers met extra voorzieningen voor een wat langer verblijf.
Haags Hotelbeleid 2021 Met het oog op de actualisatie van het Haagse Hotelbeleid in 2021 moet tenslotte worden vermeld, dat de ontwikkelafspraken voor logiesfunctie uit 2018 door het nieuwe hotelbeleid niet onmogelijk worden gemaakt. Het betreft immers een ontwikkeling, waarvoor in 2018 een vergunning is verstrekt op basis waarvan specifieke realisatieafspraken zijn gestart, die in de vergunde omvang gewoon uitgevoerd en dus geëffectueerd kunnen worden. De beoogde logies-units voldoen derhalve niet aan de in 2021 door de raad vastgestelde vereisten ten aanzien van omvang, opzet en exploitatieperiode van zogenaamde short stay-voorzieningen. Dat geldt met name voor het minimumvloeroppervlak van 40 m², dat bij een intensieve scheiding van logieskamers onderschreden zou kunnen worden, en de exploitatieduur die minder dan 2 weken kan bedragen, hetgeen volgens het nu geldende short stay-beleid als een te korte en niet vergunbare verblijfsperiode aangemerkt zou moeten worden. Rekening houdend met het in 2018 vergunde logieconcept, dat noch als een standaard 'hotelconcept' noch als een (thans) gangbaar 'short stay-concept' kan worden aangemerkt, ligt het voor de hand de exploitatie van de vergunde logievoorziening door middel van een maatwerk-regeling te borgen.
Eén en ander vindt zijn weerslag in de begripsbepalingen van artikel 1.43, de bestemmingsomschrijving van artikel 3 en de hierbij horende gebruiksregel.
55
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
De in 2018 vergunde logiesfunctie hoeft zodoende niet aan het pas in 2021 vastgestelde beleid voor 'short stay-voorzieningen' te voldoen. De logiesfunctie en exploitatie vallen niet onder deze toetsingscriteria. Aanvragen ingediend na inwerkingtreding van het Haags Hotelbeleid 2021 dienen echter wel aan de in 2021 vastgestelde eisen te voldoen. 3.8.3
Kantoren
3.8.3.1 Algemeen Het kantorenbeleid is vastgelegd in de nota 'Kantorenstrategie Den Haag 2010-2030, de gebruiker centraal' (RV 31 - 2010; RIS 170032). Met de kantorenstrategie wil de gemeente regie voeren over de dynamische ontwikkelingen in de kantoormarkt en de positie van Den Haag Kantorenstad verder uitbouwen. Deze kantorenstrategie wordt elk jaar (op delen) middels het IpSO (Investeringsprogramma Stedelijke Ontwikkeling) herzien. In de kantorenstrategie staat aangegeven waar nieuwbouw van kantoren mogelijk is en welke kantoorgebieden voor toevoeging van voorzieningen in aanmerking komen. Deze voorzieningen zijn per gebied verschillend en afhankelijk van de aard en omvang van het gebied en de bestaande voorzieningensituatie. De kantorenprogrammering is per gebied voor de komende jaren gepresenteerd. Daarnaast is het stedelijke kantorenbeleid er ook opgericht om het overaanbod in Den Haag en de regio te verminderen. Daarom wordt transformatie van kantoren naar ander vastgoed gestimuleerd. Volgens het provinciale beleid is voor elke afwijking van het bestaande bestemmingsplan van meer dan 1000 m² bvo toevoeging aan kantoren een zgn. SER-laddertoets vereist. Deze toets vereist een aparte onderbouwing die het bouwplan ondersteunt en moet aan het bestemmingsplan c.q. bouwvergunning worden toegevoegd.
De bestaande bestemming voorziet al in kantoor, waardoor er in onderhavige situatie geen sprake is van het toevoegen van kantoren. 3.8.3.2 Uitgangspunten ontwikkeling Het aantrekken en vasthouden van jonge, veelbelovende ondernemingen (startups) en creatief talent om de transitie naar een innovatieve economie te versnellen biedt kansen voor Den Haag. Het monumentale gedeelte van de locatie Plesmanweg 1-6 biedt voor beperkt metrage kansen voor wijkeconomie en startups. Voor grote ondernemingen is de ligging van de Plesmanweg qua OV en auto relatief ongunstig. De meeste grote ondernemingen bevinden zich immers direct aan een centraal station. Dit geldt echter niet voor kleine innovatieve ondernemingen, die een pand met uitstraling/historie met interactie al dan niet in nabijheid van hun woonomgeving zoeken. Een deel van de locatie Plesmanweg 1-6 zou zodoende bestemd kunnen worden als bedrijfsverzamelgebouw. Vanwege veranderende marktomstandigheden is de afzet van 108 kamers voor logies onzeker, waardoor de functie logies (ongeveer 5.650m2) in het bestemmingsplan uitwisselbaar is gemaakt met een kantoorfunctie. 3.8.4
Bedrijven
3.8.4.1 Bedrijfshuisvestingsstrategie In de Bedrijfshuisvestingsstrategie Den Haag (RIS303177, vastgesteld op 17 oktober 2019) wordt geconstateerd dat Den Haag een tekort heeft aan bedrijfsruimte en dat het bestaande aanbod verouderd is. Meer ruimte voor bedrijvigheid is belangrijk voor de werkgelegenheid en levendigheid voor de huidige en de toekomstige inwoners van de stad. Belangrijke elementen van de bedrijfshuisvestingstrategie zijn: 1. Economische groei stimuleren door behoud van bestaande bedrijvigheid en het toevoegen van geschikte bedrijfshuisvesting; a. Tot 175.000 m² op bestaande bedrijventerreinen b. 50.000 m² in de wijken c. Onderzoek naar mogelijkheden op de Vlietzone d. Regionale samenwerking op het gebied van gezamenlijke marketing, promotie, schuifruimte en programmering;
56
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
2. Bijdragen aan de verstedelijkingsopgave door functiemenging, in de stad; 3. Bijdragen aan de duurzaamheidsopgave van de stad door het verduurzamen van bedrijfshuisvesting te stimuleren. In de nota is beleidsmatig vastgelegd dat de gemeente op locaties met bestemming bedrijf en gemengd zeer terughoudend omgaat met transformatie van panden of delen van panden die geschikt zijn voor bedrijfsfuncties naar andere bestemmingen. Deze nota behandelt bedrijfshuisvesting. Daarvan zijn detailhandel, kantoren en leisure uitgesloten. 3.8.4.2 Horecavisie Den Haag wil met de kracht van horeca de aantrekkelijkheid van Den Haag vergroten, de ontwikkeling van gebieden met grote economische betekenis verder aanjagen en groei van werkgelegenheid in de horecasector stimuleren. De visie voor het gemeentelijk horecabeleid in de komende jaren wordt in de 'Horecavisie Den Haag' (RIS 288645) uiteengezet langs de belangrijkste thema's. Hiermee zet Den Haag in op het verder optimaliseren van de randvoorwaarden voor een bloeiend horecaklimaat in de stad. In de horecavisie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Ontwikkeling van de Haagse economie en groei van werkgelegenheid; Ruimte voor vernieuwing en innovatieve concepten; Een gelijk speelveld voor ondernemers; Een toegankelijk en veilig horecaklimaat; Meewegen van bewonersbelangen in beleidskeuzes.
3.8.4.3 Kleinschalige bedrijvigheid Het ondersteunen en faciliteren van beginnende en kleinschalige bedrijvigheid vormt de kern van het economische beleid in de wijken. Vergroting van het aanbod aan kleinschalige bedrijfsruimte vormt daarbij een prioriteit. Daarvoor is het Actieprogramma Kleinschalige Bedrijfsruimte opgesteld (RIS181978). Met dit actieprogramma wordt ingezet op de realisatie van kleinschalige bedrijfshuisvesting. Om de ondernemers die actief zijn in de ambachtelijke bedrijfsactiviteiten zo goed als mogelijk te faciliteren, ligt de focus op de categorieën verzamelgebouw, bedrijvenhof en solitaire panden. Gestreefd wordt naar het toevoegen van bedrijfsruimte in de stadsdelen Escamp, Scheveningen, Segbroek, Loosduinen en Centrum. Uit onderzoek van de Stec Groep naar de behoefte aan kleinschalige bedrijfsruimte in Den Haag (2016) blijkt dat zij op basis van een aanbodanalyse en vraagraming een uitbreidingsvraag verwachten van ca. 30.000 tot 50.000 m2 in de periode tot en met 2026. Kleinschalige bedrijfsruimte in dit soort panden is van belang omdat nabijheid van de eigen woning en het verzorgingsgebied belangrijke locatie-eisen zijn van gebruikers van dit type bedrijfsruimte. Onder kleinschalige bedrijfsruimte wordt verstaan een verblijfsruimte, waarin werkzaamheden overwegend zijn gericht op vervaardiging, verwerking en/of opslag en distributie van goederen.
Te denken valt aan ruimten voor aannemers, loodgieters, ambachten, drukkerijen, bouw, groothandel, kleine industrie, reparatie etc. Kantoren en panden waar kantoorachtige activiteiten plaats vinden, behoren niet tot de definitie van bedrijfsruimte. Ook winkels en horecapanden, showrooms met verkoop aan particulieren en andere bebouwing met een commerciële functie ten behoeve van de finale consument vallen buiten deze categorie. Conclusie In het plangebied zijn geen dergelijke bedrijfsmatige activiteiten bestemd.
57
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
3.8.4.4 Functiemengingstrategie De gemeente Den Haag heeft een verdichtingsopgave. Om deze verdichtingsopgave te realiseren en het grondgebruik te optimaliseren is functiemenging een goed instrument. In de notitie 'Functiemengingstrategie (Rv 88 - 2005; RIS127027): Mengen van bedrijven en wonen' komt de functiemenging van praktijk- kantoor- en bedrijfsruimte met wonen aan de orde. Menging kan plaatsvinden op het niveau van een pand, een blok of een heel deelgebied. De omvang is afhankelijk van het type locatie. Een werkruimte (kantoor/bedrijf/praktijk) kleiner dan ongeveer 100 m² mag gevestigd zijn in woonstraten. Voor een werkruimte tussen 100 en 500 m² geldt dat deze langs de doorgaande wegen een plaats kan krijgen. Bedrijven die groter zijn dan 500 m² zouden op een bedrijventerrein of kantorenlocatie een plaats moeten krijgen. Vooral combinatiegebouwen met praktijk en kantoorruimte (tandarts, kapper en accountantskantoor) en wonen moeten worden gestimuleerd. De VNG heeft de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' opgesteld. In de handreiking staan uitgebreide lijsten met richtafstanden die aangehouden moeten worden om voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies zoals wonen.
In de richtafstandenlijst zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan, afhankelijk van het omgevingstype, van worden afgeweken. Bij het omgevingstype 'gemengd gebied' kunnen de afstanden uit de richtafstandenlijst bijvoorbeeld met één afstandstap worden verminderd. Een aparte staat van bedrijfsactiviteiten voor functiemenging is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. Ze vermeldt welke bedrijfsactiviteiten uit oogpunt van hinder en gevaar goed inpasbaar zijn in gebieden met functiemenging (stadscentra, winkelcentra, woonwerkgebieden met kleinschalige vooral ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies). Er is in deze lijst gekozen voor een andere categorieaanduiding dan in de algemene richtafstandenlijst: Categorie A betreft activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd.
De eisen uit het bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend; Categorie B betreft de activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden; Categorie C betreft activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden: het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig; activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur.
3.9
Sport en recreatie
3.9.1
Sport
3.9.1.1 Algemeen Het gemeentelijke sportbeleid (Rv 7 - 2011; RIS 177242) is gericht op het creëren van een optimaal sportklimaat, zodat zoveel mogelijk Hagenaars regelmatig, intensief, verantwoord, en op een prettige manier kunnen sporten. De voorkeur van de gemeente gaat daarbij uit naar sportbeoefening in georganiseerd verband. De gemeente wil de kwaliteit van het sportaanbod verhogen door:
58
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
voldoende goede sportaccommodaties te realiseren die betaalbaar, toegankelijk, bereikbaar en voor sportdoeleinden geschikt zijn; een kwaliteitsimpuls te geven aan het sportaanbod door een sportief recreatieve inrichting van openbare ruimten; herkenbare topsport te faciliteren; maatschappelijk sterke sportverenigingen te ontwikkelen; sportverenigingen te ondersteunen; kinderopvang bij sportaccommodaties mogelijk maken. De gemeente wil de bestaande sportvoorzieningen in de wijk behouden. Haar sportbeleid overlapt het groenbeleid daar waar sport buiten plaatsvindt. Het gaat dan niet alleen om sportvelden en buitensportaccommodaties maar ook om parken, pleinen en straten en grote groengebieden en water. 3.9.1.2 Uitgangspunten ontwikkeling Den Haag heeft een uniek profiel als internationale stad van Vrede en Recht met een hoogstaand werken leefmilieu en een sterke, kennisintensieve zakelijke dienstensector. Dat biedt groeikansen. De Haagse 'quality of life' onderscheidt zich gunstig van andere steden op een aantal punten: nabijheid strand en duinen, internationale (expat) voorzieningen, winkels en betaalbaar en divers woningaanbod. Dit potentieel moet beter worden benut en verder worden uitgebouwd. Voor de locatie Plesmanweg zijn er met betrekking tot voorzieningen specifieke kansen voor een sportvoorziening.
De ligging op een verkeersknoop tussen tennispark De Bataaf en hockeyclub Klein Zwitserland biedt in dit perspectief mogelijkheden. In de planontwikkeling is, in het monumentale deel een sportvoorziening van ongeveer 373m2 opgenomen. 3.9.2
Spelen
3.9.2.1 Algemeen De nota Spelen in de stad 2015 – 2018 (RIS 157604 en RIS 281389) heeft als ambitie om in de stad een goed aanbod te bieden aan speelplekken voor kinderen en jongeren van verschillende leeftijden. Dat betekent dat er voldoende speelplekken moeten zijn voor zowel de kinderen als de jongeren. Deze speelplekken moeten aansluiten bij de wensen die leven in de stad. Bij de aanleg van speelplekken wordt daarom de omgeving nauw betrokken. Gebruikers, ouders en bewoners willen zich bij speelplekken meer verantwoordelijk voelen (mede-eigenaarschap), als zij bij de aanleg van die speelplek nauw betrokken zijn. Verder dient er rekening te worden gehouden met de actieradius verschillen per leeftijdsgroep, omdat oudere kinderen verder van huis spelen en meer ruimte nodig hebben dan jongere. Onderstaande tabel geeft voor Den Haag invulling aan de nieuwe richtlijn. Onderstaande tabel geeft invulling aan de nieuwe richtlijn: leeftijdscategorie 0 tot 6 jaar 7 tot 12 jaar 13 tot 18 jaar
aantal kinderen per speelplek 50 tot 75 kinderen 75 tot 100 kinderen 100 tot 125 kinderen
actieradius
speeloppervlakte
100 - 150 meter 400 - 600 meter 1.000 meter
200 m² 500 m² > 750 m²
In dit bestemmingsplan worden binnen de bestemmingen Groen geen speelplekken opgenomen en/of specifiek met een functieaanduiding aangegeven. Wel is in de algemene bouwregels opgenomen dat een speeltoestel van maximaal 4 meter hoogte toegestaan is. Bij nieuwe woningbouwlocaties dient in principe de richtlijn van 3% aan openbare speelruimte te worden gehanteerd in relatie tot het 'uitgeefbaar' gebied. Groenvoorzieningen die ook als informele speel- en/of recreatie ruimte kunnen fungeren, worden hierin meegeteld.
59
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
Uitgaande van de onderstaande tabel kunnen bij nieuwe woningbouwlocaties prognoses gemaakt worden wat de openbare buiten speelruimtebehoefte is. Bijvoorbeeld bij een nieuwbouwvariant Stadsrand. De gemiddelde bezetting is hier 2.996 personen per nieuwbouwwoning. Uitgaande van een tweeoudergezin betekent dit dat er 0.996 kind per woning is. Stel dat er 150 woningen worden gebouwd, dan is de prognose 149 inwonende kinderen. Afhankelijk van de verwachte leeftijdsopbouw en het huidige omgevingsaanbod kan bepaald worden hoe groot de behoefte is aan buiten speelruimte voor de komende jaren. Woonmilieu Centrum stedelijk Stedelijk vooroorlogs Groen stedelijk Stedelijk naoorlogs Stadsrand 20e eeuw Stadsrand modern Werkgebieden Totaal
Gemiddelde woning bezetting in deze nieuwbouw 2,742 2,260 1,779 2,160 2,152 2,996 2,245 2,702
Tabel Woonmilieu huidige situatie naar 7 milieus (incl. Werkgebieden) Bron: Bev olkingsprognose Den Haag 2006-2022 blz.96
Daar waar in de richtlijn 3% niet haalbaar is, maar wel nodig is gezien de bevolkingsopbouw, dienen de volgende mogelijkheden te worden geïnventariseerd: het autoluw/vrij maken van een primair woongebied, samenwerken met scholen en sportverenigingen, om het potentieel aan speelruimte te vergroten. In het standaardonderwerp van een speelplek is een aantal uitgangspunten genoemd waaraan een speelplek bij ontwerp dient te voldoen: 1. 2. 3. 4. 5.
een centrale, sociaalveilige plek in de buurt, dus geen 'overhoek' woningen moeten gericht zijn op het spelen, sociale controle (belangrijk voor meisjes) speelruimte combineren met een ontmoetingsplek of groen verkeersveiligheid rondom een speelplek speelplekken dienen bruikbaar en toegankelijk zijn voor kinderen met en zonder handicap.
3.9.2.2 Hoe is dit vertaald in de ontwikkeling? Het plangebied wordt groen en autoluw ingericht. Het percentage onverhard oppervlak bedraagt na realisatie van de nieuwbouw bijna 60%. Het plangebied ligt in een groene omgeving en kent de nodige groenvoorzieningen die als informele speel- en/of recreatie ruimte kunnen fungeren.
3.10
Duurzaamheids- en milieubeleid
3.10.1 Duurzaamheidsbeleid Het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Den Haag heeft zijn weerslag gekregen in verschillende beleidsdocumenten, waaronder ook de 'Kadernota duurzaamheid - schone energie in een groene stad (5 maart 2019, RIS 301829)'. De kadernota beschrijft op hoofdlijnen hoe Den Haag de energievoorziening, leefomgeving, mobiliteit en het afval- en grondstoffengebruik duurzaam en daarmee toekomstbestendig wil maken. Een en ander zal hieronder nader worden toegelicht. Energietransitie De kadernota geeft aan dat Den Haag streeft naar actieve invulling van het klimaatakkoord van Parijs. Hiermee sluit de gemeente aan op de besluiten van de Rijksoverheid die op energieterrein zijn genomen. Uitgangspunten hierbij zijn reductie van het energieverbruik en stimulering van het gebruik van schone energie. De omschakeling van fossiele naar duurzame en daarmee schone energie wordt beschreven in het Stedelijk EnergiePlan (RIS306869). Zij is gericht op de ontwikkeling van een klimaatneutrale stad in 2030 waarbij de volgende uitgangspunten worden gehanteerd: Een duurzame stroom- en warmtevoorziening voor de woningraad, utiliteitsbouw en
60
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
maatschappelijke voorzieningen vraagt om de realisatie van duurzame bronnen. Voor het grondgebied van de gemeente Den Haag zijn dit zowel bronnen voor duurzaam opgewekte elektriciteit (zon en wind) maar ook geothermie, aquathermie en restwarmte. Om deze duurzame energie vervolgens te kunnen gebruiken is het van belang netwerken aan te leggen en het elektriciteitsnet te verzwaren. Naast gebruik van duurzame energie is ook energiebesparing (isolatie, duurzaam gedrag) van belang omdat juist dit een bijdrage kan leveren aan de haalbaarheid en betaalbaarheid van de energietransitie. De markt kan hier zelf zijn werk doen maar de gemeente geeft daarbij zelf het goede voorbeeld door het verlagen van de energievraag van gemeentelijke gebouwen. In aanvulling op het vorenstaande is het beleid voor een duurzame warmtevoorziening nader uitgewerkt in 'Transitievisie Warmte (RIS310442)'. Deze visie focust vooral op maatregelen en investeringen op wijkniveau. Zij hanteert daarbij de volgende veronderstellingen: Een aanzienlijk deel van het vastgoed in Den Haag is niet in gemeentelijk eigendom. Verduurzaming van het particuliere vastgoed kan daarom alleen slagen als burgers, ondernemers en overige partijen bij het veranderingsproces intensieve betrokken zijn of worden. Eeen belangrijk hulpmiddel voor de overstap naar schone energie is de wijk- resp.
buurt-gerelateerde kaartanalyse van de 'Transitievisie'. Zij inzicht in de verschillende opties voor de overstap van fossiele naar schone technologie, en de tijdhorizon die hiervoor gehanteerd kan worden (zie de behoefte aan verschillende overstapsnelheden). Algemeen bekende mogelijkheden in dit kader zijn de realisatie van volledig elektrische warmtepompen, hybride warmtepompen en warmtenetten. Verder geldt voor iedere buurt in Den Haag dat men aan de slag kan met isolatie, de overstap naar inductie koken en het plaatsen van zonnepanelen op het dak. Leefomgeving en klimaatadaptatie De groei en klimaatadaptieve doorontwikkeling van de stad dient volgens de kadernota gepaard te gaan met de ambitie om een gezonde, aangename leefomgeving te creëren. Dit vraagt om een maximale inzet op: klimaatbestendigheid (omgaan met wateroverlast, hitte en droogte) en een sterke vooruitgang in milieukwaliteit. Klimaatbestendigheidsmaatregelen moeten zo mogelijk samenvallen met andere fysieke werkzaamheden in de stad, zoals gebiedsontwikkelingen, herinrichtingen en grootschalig onderhoud. de aan te leggen groenvoorzieningen in de stad zullen aan specifieke kwaliteitseisen moeten voldoen, zodat zij toekomstbestendig worden.
in intensiveringsgebieden zullen zij in, op, en aan gebouwen een belangrijk middel zijn om een bijdrage te leveren aan de vermijding van hittestress en wateroverlast in het geval van clusterbuien en langdurige regenval. Daarnaast hebben zij een ondersteunende functie voor het stadsgroen en de stadsnatuur en als leefomgeving voor rust en ontspanning. Andere doelen bij de doorontwikkeling van een duurzame leefomgeving zijn de borging van schone lucht, water en bodem, een aangenaam omgevingsgeluidsniveau en externe veiligheid. Uitgangspunt is dat ontwikkelingen in de stad op een verantwoorde wijze mogelijk worden gemaakt. Dit is alleen mogelijk indien ook het gebruik en het beheer van ondergrondse voorzieningen op een duurzame manier georganiseerd wordt en aan hiervoor geldende duurzaamheidsnormen voldoet. In aanvulling hierop heeft de gemeente de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig (RIS308744) vastgesteld. De wegwijzer biedt ontwerpprincipes om gebouwen en de buitenruimte klimaatbestendig te ontwerpen en in te richten. Wateroverlast en de schade die daardoor veroorzaakt wordt zijn per locatie te analyseren door middel van stresstesten en consultatie van de klimaatatlas. Het waterbergende vermogen ofwel de sponswerking van de stad moet vergroot worden om de gevolgen van klimaatverandering te beperken.
Daarvoor zal het beheer en gebruik van hemelwater gericht worden op het vasthouden en bergen, infiltreren en/of hergebruiken van water en in voorkomende gevallen op het vertraagd afvoeren van hemelwater. Oplossingsrichtingen zijn sterk afhankelijk van lokale omstandigheden zoals grondwaterstanden en typen ondergrond (zand of veen). Een robuuste oplossing
61
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
vraagt daarom altijd om een vorm van maatwerk. Het rapport Haagse Hitte (RIS299474) biedt inzicht in de diverse hitte-eilanden van onze stad en de overlast door hoge omgevingstemperaturen. Dergelijke knelpunten kunnen worden vermeden door: technische maatregelen op en aan gebouwen, die gericht zijn op verkoeling of het weren van zonnestraling (zonwering, overstekken, groene daken, verticaal groen, geveltuintjes) en stadsgroen in de openbare ruimte; hier met name stadsbomen en de hoofdbomenstructuur in Den Haag, die op een klimaatbestendig manier beheer moeten worden. Voor Den Haag zijn verder ook de effecten van droogte onderzocht; e.e.a. in het kader van een Droogtestudie (RIS306855). De studie geeft aan dat verschillende delen van de stad kwetsbaar kunnen zijn voor diverse effecten van droogte. Droogte wordt beperkt door de maximale sponswerking in de stad te benutten door oplossingen in groenvoorzieningen, bodem- en waterbuffers en wateraanvoer via het (stedelijke/regionale) oppervlaktewatersysteem. Duurzame Mobiliteit Een belangrijk doel van de kadernota is tevens een schoon, duurzaam en efficiënt mobiliteitssysteem. Hiervoor is een verandering in het mobiliteitsgedrag noodzakelijk zoals vastgelegd in de Strategie Mobiliteitstransitie 2022-2040 (RIS310664). Deze strategie is gericht op de volgende vier thema's.
Ter realisatie van 'stadsvriendelijke vervoerswijzen' zijn duurzame mobiliteitsoplossingen, die zo min mogelijk schade brengen aan mens en milieu, en die ten dienste staan van het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte. Dat betekent dat wordt uitgegaan van het STOMP-principe: Stappen-Trappen-OV-MaaS-Privéauto. Bij het ontwerp van de openbare ruimte én de gebouwen wordt in de eerste plaats gekozen voor de voetganger en fietser, gevolgd door het openbaar vervoer (OV), deelmobiliteit en privéauto. Zo vormt de mens het startpunt. Lopen is de basis, voor wat langere afstanden bieden fiets, openbaar vervoer en auto's de uitkomst. De privéauto geldt als sluitstuk, deze neemt namelijk de meeste ruimte in beslag. Om de noodzakelijke doorontwikkeling van het mobiliteitssysteem te bewaken, zijn zes doelstellingen voor mobiliteit geformuleerd, waaronder schone mobiliteit; er wordt ingezet op een klimaatneutrale stad in 2030 en op emissievrije mobiliteit. Dat wordt gedaan door: realisatie van schoner vervoer; reductie van het aantal en de lengte van verplaatsingen; meer verplaatsingen te voet, fiets en openbaar vervoer; de omschakeling naar schone en emissievrije stadslogistiek, taxi- en doelgroepenvervoer. Luchtvervuiling heeft ernstige gevolgen voor de gezondheid van onze inwoners en bezoekers.
Ter borging van een gezonde leefomgeving wil Den Haag daarom luchtkwaliteitsnormen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) hanteren. In het verlengde hiervan wordt in de 'Aanpak Schoon Vervoer (RIS303606)' versneld ingezet op schonere voertuigen voor een gezondere lucht. Het spreekt voor zich dat daarnaast ook de inrichting van (de omgeving van) gebouwen een bijdrage aan de realisatie van dit kwaliteitsdoel kan leveren. Voorbeelden hiervan zijn ruimtereserveringen voor bijvoorbeeld (deel)fietsen, (deel)auto's en laadpunten voor elektrische vervoermiddelen. Om de luchtkwaliteit in het centrum te verbeteren kent Den Haag diverse milieuzones, waar het gebruik van gemotoriseerde voertuigen gereguleerd wordt. Vanaf 2025 moet alle logistiek in de binnenstad emissieloos plaatsvinden (Milieu Zones Den Haag RIS305702). Afval en grondstoffen Met de vaststelling van het Grondstoffenplan (RIS310284) heeft de gemeente Den Haag een belangrijke stap gezet bij de realisatie van Rijksdoeldoelstellingen op het gebied van afval- en reststoffenbeheer. Hoofddoel daarbij is het volledige hergebruik van grond- en reststoffen in 2050 (met als tussenstap 50% secundair materiaalgebruik in 2030). De visie van de gemeente is dat afval als grondstof waarde heeft en
62
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
zoveel mogelijk hergebruikt of gerecycled moet worden. Dit vraagt om een andere aanpak op het gebied van inzameling, verwerking, inkoop, ontwerp en bouwen en slopen. In het gemeentelijke grondstoffenplan zijn drie uitgangspunten vastgesteld om de waarde van afval zo maximaal mogelijk te benutten. Het eerste uitgangspunt is dat aan de slag wordt gegaan met vraaggericht inzamelen. Dit houdt in dat specifiek afval wordt ingezameld waar lokale ondernemers vraag naar hebben zodat ze dit weer kunnen verwerken in nieuwe producten. Het tweede doelstelling is de borging van zoveel mogelijk 'waardebehoud' van afval en waar mogelijk de toevoeging van waarde toevoegen, het zogenaamde upcyclen. Tot slot moet afval zoveel mogelijk lokaal worden ingezameld en verwerkt. Als het binnen de gemeentelijke grenzen niet lukt, dan in samenwerking met de regio. Circulariteit van projecten worden getoetst aan de hand van de R-ladder. Dit is een meetinstrument met negen vormen van circulariteit. Voorbeelden zijn re-use (producten hergebruiken) en recycle (materialen verwerken tot nieuwe kwaliteit). In totaal zijn er acht prioritaire stromen gedefinieerd: bioafval, plastic, textiel, elektrische apparaten, papier en karton, grofvuil, bedrijfsafval en bouw- en sloopafval. Voor ieder van deze stromen wordt gekeken hoe deze het beste ingezameld en uiteindelijk hoogwaardig verwerkt kan worden.
Voor bedrijfsafval geldt op dit moment het uitgangspunt, dat ondernemers zelf verantwoordelijk zijn voor de inzameling van hun eigen afval. De gemeente Den Haag stimuleert waar mogelijk collectieve inzameling door ondernemers en lobbyt nationaal en Europees voor stedelijke afvalinzameling. Dit houdt in dat op termijn de inzameling van huishoudelijk- en bedrijfsafval wellicht gecombineerd kan worden. Het aanbieden en ophalen van afval brengt een ruimtevraag met zich mee. De opstelplekken en aanrijroutes moeten voldoen aan de daarvoor geldende randvoorwaarden, zoals geformuleerd in onder andere het 'Handboek Openbare Ruimte (www.hor.denhaag.nl)'. Afvalscheiding van de acht prioritaire stromen wordt zoveel mogelijk in de stad gestimuleerd. In de laagbouw geschiedt dit veelal via huis-aan-huisinzameling (waar mogelijk) in combinatie met afvalsorteerstraatjes in de openbare ruimte. In de gestapelde bouw en hoogbouw kan gescheiden inzamelen uitdagend zijn, omdat er inpandig vaak beperkt ruimte is. Waar mogelijk worden nieuwe pilots opgezet met alternatieve inzamelmiddelen. Duurzaam bouwen In de nota Eyeline-Skyline (RIS298448) zijn randvoorwaarden opgenomen voor wat betreft duurzaamheid.
De volgende passage is ook voor projecten onder de 50 meter van toepassing: BREEAM-NL minimaal 4 sterren (excellent); of GPR Gebouw van minimaal 8 voor de thema's: milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde; voor energie geldt een score van 9. Voor de volledigheid moet worden vermeld, dat EPC, Rc en GPR-waarden worden niet via bestemmingsplannen geborgd worden of afdwingbaar zijn. Wel is het van belang dat er bij de ontwikkelingen in het kader van dit bestemmingsplan in een vroegtijdig stadium rekening wordt gehouden met dit beleid, omdat dit kan leiden tot keuzen die van invloed zijn op de (steden)bouwkundige uitwerking en ruimtelijke invulling van de plannen.
63
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
64
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1
Algemeen
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten, met als doel om het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. De basis van de m.e.r. wordt gevormd door de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r.. Voor activiteiten die voldoen aan de criteria uit bijlage C van het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r. plicht. Voor activiteiten die voldoen aan bijlage D geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, dan wel een plan-m.e.r. plicht indien de grenswaarden worden overschreden. In het kader van de m.e.r.-beoordelingsplicht moet worden beoordeeld of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Wanneer deze kunnen worden uitgesloten, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. 4.1.2
Toets aan Besluit m.e.r.
Het voorliggend bestemmingsplan maakt de nieuwbouw van 3 woongebouwen met 157 appartementen ter plaatse van het op het achter op het perceel gelegen kantoorgebouw 'de Saxofoon' mogelijk, evenals de volgende wijzigingen in het reeds vergunde monumentale pand: een flexible regeling waarmee het mogelijk is de 108 logiesappartementen als kantoor te ontwikkelen (5.665 m2); zelfstandige horeca in plaats van de vergunde aan het wonen en de logies verbonden horeca.
Tabel 4.1: Onderdeel D11.2, bijlage C en D-lijst Besluit m.e.r. Het aantal woningen dat mogelijk wordt gemaakt (157 appartementen in de nieuwbouw) blijft ruim omder de drempelwaarden van 2.000 woningen, waarvoor een plan-m.e.r. plicht geldt. Het aantal vierkante meters kantoor hoeft niet in de beoordeling betrokken te worden, omdat er in de huidige situatie sprake is van een kantoorpand. Het omzetten van onzelfstandige horeca in zelfstandige horeca betreft een functiewijziging zonder uitbreiding van vierkante meters, waardoor deze omzetting ook niet in de beoordeling betrokken hoeft te worden. De nieuwbouw heeft een BVO van ongeveer 21.350 m2. De Saxofoon heeft een oppervlakte van circa 15.000 m2 BVO. Er is sprake van een toename van het aantal bvo's met ongeveer 6.350 m2. Daarnaast wijzigt de functie van kantoor in wonen. Door de toename in aantal vierkante meters BVO en de wijziging van functie van kantoor in wonen is de ontwikkeling te kwalificeren als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De omvang van het project blijft onder de drempelwaarden waarvoor een m.e.r.-plicht geldt. Wel dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden.
65
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
4.1.3
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Ten behoeve van de vormvrije m.e.r.-beoordeling heeft Mees Ruimte en Milieu het document 'Aanmeldnotitie in het kader van vormvrije m.e.r.-beoordeling' opgesteld, waarin de vormvrije m.e.r.-beoordeling is doorlopen. Deze notitie is als bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. De aanmeldnotitie gaat in op mogelijke effecten als gevolg van de ontwikkeling en kent de volgende indeling: hoofdstuk 2 gaat in op de kenmerken van het project; hoofdstuk 3 beschouwt de plaats van het project; hoofdstuk 4 beschrijft de kenmerken van de potentiële effecten van het project; hoofdstuk 5 geeft de conclusies weer. 4.1.4
m.e.r.-beoordelingsbesluit
Op basis van de aanmeldnotitie is een besluit genomen of wel of geen m.e.r.-procedure moet worden doorlopen, of dat volstaan kan worden met het toevoegen van een vormvrije m.e.r. beoordeling bij het besluit. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit, zie bijlage 6, is op 3 maart 2022 genomen. Besloten is dat voor de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met het bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
4.2.1
Algemeen
Het bestemmingplan maakt in het monumentale pand, naast wonen een aantal bedrijfsfuncties mogelijk. Het bestemmingsplan staat, in afwijking van de verleende omgevingsvergunning toe dat deze functies binnen de gehele bestemming Gemengd kunnen plaatsvinden. Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes, waarbij specifiek naar de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar gekeken wordt. Om te beoordelen of woningen en bedrijven op een verantwoorde wijze gesitueerd worden is de handreiking Bedrijven en Milieuzonering opgesteld. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen, die gelden vanaf de grens van een inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen. De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Wanneer er sprake is van een omgevingstype gemengd gebied, kan een richtafstand met een stap worden verlaagd, zie ook tabel 4.2.1.
66
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
Tabel 4.2.1: Richtafstanden bedrijven en milieuzonering (bron: VNG) Bij het hanteren van de richtafstanden uit voorgaande tabel wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding. Binnen gebieden met functiemenging, waar milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd, zijn de richtafstanden uit de tabel niet toepasbaar. Er wordt in gebieden met functiemenging gewerkt met drie ruimtelijk relevante milieucategorieën: Categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen; Categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen; Categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg. 4.2.2
Beoordeling
De omgeving van het plangebied is aan te merken als gemengd gebied. In de nabijheid van de projectlocatie komen zowel bedrijf- als woonfuncties voor. Daarnaast grenst het plangebied aan hoofdinfrastructuur. Binnen het plangebied worden zowel een deelgebied met woningen als een deelgebied met functiemenging nagestreefd. De te ontwikkelen woningen ter plaatse van de te slopen Saxofoon worden zodoende getoetst aan de richtafstanden, de ontwikkeling in het monumentale deel van het plangebied waar functiemenging wordt nagestreefd zowel aan de richtafstanden (voor de externe toets) als aan milieucategorieën. 4.2.2.1 beoordeling functies buiten het plangebied Op ongeveer 140 meter afstand van het plangebied ligt Madurodam. Madurodam, hoofdzakelijk gericht op dagrecreatie, wordt niet specifiek in de VNG-lijst genoemd. Qua verkeersaantrekkende werking en uitstraling is Madurodam vergelijkbaar met een recreatiecentra en een dierentuin. Een recreatiecentra is volgens de VNG brochure een categorie 4.2 bedrijf, een dierentuin een categorie 3.2 bedrijf. Voor een categorie 4.2 bedrijf wordt een richtafstand van 300 meter gehanteerd binnen het omgevingstype rustige woonwijk en 200 meter binnen het omgevingstype gemengd gebied. Vanwege de ligging op ongeveer 140 meter vanaf het plangebied wordt niet voldaan aan de richtafstand van 200 meter.
Op 40 meter afstand van Madurodam, aan de Nieuwe Parklaan zijn woningen gelegen. Deze woningen liggen op een kortere afstand dan de te realiseren woningen in het plangebied. De nieuwe woningen in het plangebied zullen Madurodam niet beperken. Omgekeerd dient Madurodam ter plaatse van de woningen aan de Nieuwe Parklaan te voldoen aan wettelijke geluidgrenswaarden, waardoor het aannemelijk is dat ter plaatse van de woningen in het plangebied ook aan de geluidgrenswaarde voldaan zal worden. Aan de noordzijde van het plangebied ligt een boomkwekerij. Boomkwekerijen worden niet specifiek in de VNG-lijst genoemd. De boomkwekerij is naar aard en uitstraling vergelijkbaar met een akkerbouw- en tuinbouwbedrijf, met bedrijfsgebouwen dan wel kassen zonder verwarming, een categorie 2 bedrijf. Voor een categorie 2 bedrijf wordt een richtafstand van 30 meter gehanteerd in een rustige woonwijk en 10 meter binnen het omgevingstype gemengd gebied. Het plangebied ligt op meer dan 50 meter afstand van de boomkwekerij. Binnen het plangebied worden de functie logies, leisure, horeca (middelzwaar), sportschool en kantoor mogelijk gemaakt. Met uitzondering van de sportschool vallen deze functies binnen milieucategorie 1.
Een sportschool valt binnen categorie 2.Voor een categorie 2 bedrijf wordt een richtafstand van 30 meter gehanteerd in een rustige woonwijk en 10 meter binnen het omgevingstype gemengd gebied. De dichtstbijzijnde woningen liggen op een afstand van ongeveer 30 meter. 4.2.2.2 Beoordeling functies binnen het plangebied Binnen het plangebied wordt binnen de gemengde bestemming naast wonen, de functies logies, horeca (middelzwaar) kantoor en sportschool mogelijk gemaakt. De functies logies, horeca en kantoor zijn functies categorie A, functies die aanpandig aan woningen toelaatbaar zijn. Een sportschool of fitnesscentra is een functie uit categorie B en alleen toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen of andere gevoelige functies. Er is sprake van bouwkundige scheiding, wanneer er gewaarborgd is dat er geen direct aangrenzende
67
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
bebouwing kan worden gerealiseerd. Via een kruimelafwijking is medewerking verleend aan het wijzigen van het gebruik van het monumentale pand. De functie sportschool wordt deels aangrenzend aan woningen mogelijk gemaakt, zie ook afbeelding 4.1.2.
Afbeelding 4.1.2: vergunde situatie ter plaatse van de sportschool (bron: Impact) Door in voorliggend bestemmingsplan alleen aan de sportschool ondersteunende functies zoals kleedkamers, entrees en vergelijkbare functies toe te staan op de plekken waar de sportschool grenst aan de woningen wordt er voldaan aan de uitgangspunten van de VNG brochure dat een sportschool bouwkundig afgescheiden moet zijn van woningen of andere gevoelige functies.
4.3
Externe veiligheid
Toetsingskader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico's, transportrisico's en risico's die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent
68
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Risicovolle inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6-contour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen de 10-6-contour gerealiseerd worden.
Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR rondom deze inrichtingen. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven. Vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In de gemeente Den Haag zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens met Leidschendam-Voorburg, en de A13 basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd.
In een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied worden op bouwplanniveau op grond van de Regeling Bouwbesluit nadere eisen gesteld aan kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. Op 27 juni 2013 heeft de gemeenteraad een nieuw routeringsbesluit voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgesteld (raadsvoorstel, RIS258608 en besluitenlijst, RIS260481 onder E.2). Het vervoer van routeplichtige stoffen (zoals LPG en propaan) is aan venstertijden gebonden, met het oog op de veiligheid. Tijdens kantoortijden (tussen 8.00 uur en 18.00 uur gedurende werkdagen) is het vervoer van routeplichtige stoffen op de Utrechtsebaan en de Benoordenhoutseweg niet toegestaan.
Deze beperking geldt niet gedurende het weekend. Tijdens de venstertijden worden tankwagens met routeplichtige stoffen gedwongen de rijksweg via bebording te verlaten (K14-borden met vermelding van venstertijden) en via een eveneens gemarkeerde keerlus in omgekeerde richting hun weg op de rijksweg te vervolgen (zogenaamde 'gesloten verklaring'). In voornoemd besluit zijn ook de Lozerlaan en de Ockenburghstraat aangewezen voor het vervoer van routeplichtige stoffen. Voor dit traject gelden geen venstertijden.
69
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan, kan worden met een beperkte verantwoording: 1. Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding, of 2.
Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. Gemeentelijk beleid De Nota externe veiligheid Den Haag is op 27 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld (raadsvoorstel, RIS259485 en besluitenlijst, RIS260481, onder E.1). De belangrijkste uitgangspunten zijn hieronder vermeld: 3. De gemeente richt zich op het vasthouden en bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor de bestaande bedrijvigheid en het ontwikkelen van nieuwe bedrijvigheid. 4. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op vier gebiedstypen: woongebieden, buitengebieden, gemengde gebieden, risicoarme bedrijventerreinen (inclusief buitengebieden) en bedrijventerreinen met risicovolle bedrijven/inrichtingen. 5. Bij nieuwe ontwikkelingen in woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen van betekenis, zoals LPG-tankstations, toegelaten. 6. Op de bedrijventerreinen hanteert de gemeente een minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting (lichtere vorm van risicovolle bedrijven) onder voorwaarden mogelijk. 7. Bij externe veiligheidsknelpunten, besteedt de gemeente eerst aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde.
In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen worden in de nota 3 niveaus onderscheiden met elk hun eigen ambitieniveau: -
Structuurvisieniveau
-
Bestemmingsplanniveau
-
Bouwplanniveau:
--> Veiligheidsgeïntegreerd ontwikkelen --> Veiligheidsgeïntegreerd ordenen --> Veiligheidsgeïntegreerd ontwerpen.
Wanneer beoogde ruimtelijke ontwikkelingen een overschrijding van het groepsrisico tot gevolg kunnen hebben, wordt het gemeentebestuur in een vroeg stadium actief bij het proces betrokken. Er is een expliciet collegebesluit ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico waarbij de kosteneffectiviteit van maatregelen in beschouwing wordt genomen. Onderzoek en conclusie Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen
70
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Op de risicokaart is te zien dat: Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting. Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Wel is op circa 160 meter afstand het gasdrukmeet- en regelstation van Eneco gelegen. Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen.
Afbeelding 4.2.1: uitsnede risicokaart (bron: Mees Ruimte en Milieu) Van de risicokaart valt niet af te leiden of het plangebied nabij een gemeentelijke route voor transport van gevaarlijke stoffen is gelegen. Het transport van gevaarlijke stoffen is op alle hoofdwegen toegestaan. Het plangebied is op ruime afstand van deze hoofdwegen gelegen. Voor de overige wegen kunnen provincies en gemeenten bepalen waar het vervoer van gevaarlijke stoffen is toegestaan. Dit wordt routering genoemd. Gemeente Den Haag heeft verschillende wegen binnen haar gemeentegrens aangewezen als route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het laatste besluit hieromtrent dateert van 27 juni 2013. In dit besluit zijn tevens ontheffingsroutes opgenomen, dit zijn wegen en weggedeelten die kunnen worden aangewezen bij het verlenen van ontheffingen voor de LPG-tankstations aan de Machiel Vrijenhoeklaan en de Van Stolkweg (losplaats ligt aan de Prof. B.M. Teldersweg). Bij besluit van 2 juli 2014 is ontheffing verleend van deze route voor het bevoorraden van het LPG tankstation aan de Van Stolkweg. De ontheffingsroute voert via de Koningskade, de Raamweg, het Hubertusviaduct en de Prof. B.M. Teldersweg (in beide richtingen). De kortste afstand tussen het projectgebied aan de Plesmanweg en deze ontheffingsroute, ter plaatse van het Hubertusviaduct, bedraagt circa 120 meter.
71
bestemmingsplan Plesmanweg 1-6 (ontwerp)
Hierna wordt nader ingegaan op de ligging van het plangebied nabij het gasdrukmeet- en regelstation van Eneco en de ontheffingsroute voor het bevoorraden van het LPG-tankstation aan de Van Stolkweg. Gasdrukmeet- en regelstation Eneco Het op circa 160 meter afstand gelegen gasdrukmeet- en regelstation van Eneco betreft een gasdrukmeet- en regelstation categorie C met een capaciteit t/m 40.000 normaal kubieke meter per uur aardgas. Conform het Activiteitenbesluit milieubeheer dient een afstand van 15 meter in acht te worden genomen ten opzichte van buiten de inrichting gelegen kwetsbare objecten. Aangezien de projectlocatie op circa 160 meter afstand is gelegen vormt het gasdrukmeet- en regelstation geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ontheffingsroute bevoorrading LPG-tankstation Van Stolkweg In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de ontheffingsroute ten behoeve van de bevoorrading van het LPG-tankstation aan de Van Stolkweg. Plaatsgebonden risico Het LPG-tankstation heeft een maximaal vergunde jaarlijkse doorzet van 1.000 m3 LPG. Dit komt overeen met 140 transportbewegingen LPG per jaar (heen en terug bij elkaar opgeteld). Het invloedsgebied van de weg wordt bepaald door stofcategorie GF3 (LPG) en bedraagt 355 meter. De wegen, behorende tot de ontheffingsroute, zijn gelegen binnen de bebouwde kom.
De maximale snelheid op deze wegen bedraagt 50 km/uur. Conform de Handleiding Risicoanalyse Transport hebben wegen gelegen binnen de bebouwde kom geen 10-6-contour. Het plaatsgebonden risico vormt hiermee geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. Groepsrisico In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is in artikel 7 opgenomen dat in de toelichting bij een bestemmingsplan wordt, voor zover het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b. voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. In het Besluit externe veiligheid transportroutes is conform artikel 8 mogelijk een nadere verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een transportroute.