RIS316553 Verbeter bereik energiecoaches bijlage 1
Tekst van het document
Resultaten van een interviewstudie met energiearme huishoudens
Verhalen van mensen in een kwetsbare situatie
TNO Publiek TNO 2023 P11628 31 augustus 2023
Energy & Materials Transition www.tno.nl +31 88 866 23 45 info@tno.nl
TNO 2023 P11628 – 31 augustus 2023
Verhalen van mensen in een kwetsbare situatie
Resultaten van een interviewstudie met energiearme huishoudens
Rubricering rapport
Caroline van Ooij, Kirsten van Muijden (RVO), Ruben Peuchen, Koen Straver, Jaara Bijvoet, Elsenoor Wijlhuizen TNO Publiek
Managementuittreksel
TNO Publiek
Aantal pagina's
57 (excl. voor- en achterblad)
Auteurs
TNO Publiek
TNO 2023 P11628
Dankwoord Dit onderzoek is tot stand gekomen met medewerking van verschillende bewoners die zo vrij waren ons te verwelkomen in hun huis. Wij danken hen voor het delen van hun verhalen. Daarnaast danken wij de welzijnsorganisatie ’t Vogelnest en de betrokken woningcorporaties voor hun inzet om bewoners uit te nodigen voor deelname aan het onderzoek. Landelijk Onderzoeksprogramma Energiearmoede Dit rapport is onderdeel van het Landelijk Onderzoeksprogramma Energiearmoede van TNO. TNO voert dit programma uit in samenwerking met verschillende Nederlandse provincies (Noord-Holland en Zuid-Holland), de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en Economische Zaken en Klimaat, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Alle rechten voorbehouden Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van TNO.
© 2023 TNO
TNO Publiek TNO 2023 P11628
Samenvatting Aanleiding Nederland telt eind 2022 ruim 600.000 energiearme huishoudens. Dit is een stijging van 90.000 huishoudens ten opzichte van 2020. Vanwege de energiecrisis (en de daarmee samenhangende toename in het aantal energiearme huishoudens) is er meer erkenning voor energiearmoede en beleidsinitiatief bij overheden op nationaal, provinciaal en lokaal niveau. Huidige beschikbare onderzoeken geven hoofdzakelijk inzicht in het aantal energiearme huishoudens, de demografische kenmerken van deze groep en effecten van steunmaatregelen voor deze groep op kwantitatief niveau. Het ontbreekt nog aan (structurele) kwalitatieve inzichten over energiearme huishoudens in Nederland. Kwalitatieve data kunnen gedetailleerd en diepgaand inzicht geven in welke problematiek bewoners ervaren, hoe ze hier mee omgaan en waar ze vanuit hun eigen perspectief mee geholpen zouden zijn. Tezamen helpen deze twee onderzoeksmethoden een volledig beeld te schetsen over energiearme huishoudens in Nederland.
Doel van dit onderzoek De onderzoekers hebben middels interviews verhalen opgehaald bij energiearme huishoudens om hun ervaringswereld in kaart te brengen. Deze rapportage beschrijft de resultaten van de eerste ronde interviews die onderdeel is van een jaarlijkse kwalitatieve monitoring onder energiearme huishoudens. Daarmee beoogt dit rapport een beter begrip van energiearmoede in Nederland te creëren en overheidsinstanties, beleidsmakers en mede-onderzoekers te voorzien van inzichten in de hedendaagse problematiek van energiearme huishoudens. Deze inzichten kunnen door de betrokken overheden gebruikt worden om gerichter beleid te maken.
Onderzoeksvraag en subvragen In dit onderzoek staat de volgende vraag centraal: Hoe zien de levens van energiearme huishoudens in Nederland eruit? Deze overkoepelende vraag wordt afgebakend aan de hand van de volgende subvragen: 1. Wat is de leefsituatie van energiearme huishoudens? 2. Hoe is het wooncomfort van energiearme huishoudens? 3. Hoe gaan energiearme huishoudens met hun energieverbruik om? 4. Welke uitdagingen komen energiearme huishoudens tegen in hun dagelijks leven? 5. Aan welke hulp en steunmaatregelen hebben energiearme huishoudens behoefte?
Methode Voor deze eerste ronde kwalitatieve monitoring zijn 29 semigestructureerde interviews uitgevoerd, verdeeld over het stookseizoen 2022 en 2023.
TNO Publiek TNO 2023 P11628
Resultaten Op basis van de interviews komen we tot de volgende resultaten. Daarmee beantwoorden we de vijf subvragen: 1. De bewoners gebruiken hun huis intensief en zijn in wisselende mate tevreden over hun leefsituatie. Veel bewoners hebben geen werk en zijn daarom veel thuis. De tevredenheid over de leefsituatie is afhankelijk van factoren in de wijk, woning, sociale contacten en eerdere woonervaringen. 2. Het ervaren wooncomfort is laag: bewoners hebben vooral last van kou en tocht, en in verschillende gevallen ook van vocht en schimmel. Vrijwel alle bewoners hebben te maken met een slecht geïsoleerd huis wat zorgt voor kou en tocht. Ook in de zomer zijn sommige woningen lastig te koelen. Bewoners zijn bewust bezig met het ventileren van de woning, maar toch kunnen niet alle bewoners voorkomen dat zij te maken krijgen met schimmel. 3. Veel bewoners maken zich zorgen over hun energierekening, wat versterkt wordt door onduidelijkheden over de eindafrekening en een onzekere toekomst. Ze ondernemen acties om de rekening te kunnen betalen. Bewoners besparen vooral op warmtegebruik, boodschappen, kleding en uitstapjes. Ze maken soms uitzonderingen op besparingen voor hun gezondheid, kinderen of huisdieren. 4. Veel bewoners hebben gezondheidsklachten en leggen zelf een verband met hun woonsituatie.
Klachten aan de luchtwegen en gewrichts- en spierpijn komen veel voor en bewoners geven aan dat hun klachten verergeren, of in sommige gevallen zelfs veroorzaakt worden, door de staat van de woning. 5. Steun uit het sociale netwerk is belangrijk en bewoners hebben behoefte aan ingrijpendere maatregelen. Sommige bewoners zijn afhankelijk van steun van familie en/of vrienden, die boodschappen doen of klusjes uitvoeren in huis. Veel bewoners hebben behoefte aan ingrijpendere maatregelen, zoals nieuwe deuren, kozijnen en isolatie.
Conclusie Op basis van de resultaten trekken we de volgende conclusies: De bewoners hebben te maken met problemen die onderdeel zijn van vicieuze cirkels Bij energiearme bewoners zijn de problemen met het betalen van de energierekening zelden een op zichzelf staand probleem. De situaties rondom verschillende problematieken lijken elkaar te versterken en zorgen dat bewoners in een vicieuze cirkel belanden die moeilijk te doorbreken is. Hierbij spelen o.a. de financiële situatie, de werksituatie, de gezondheid van bewoners en hun sociale vangnet een rol. Mensen die problemen op één of meerdere van deze vlakken hebben, zijn risicogroepen om ook te maken te krijgen met energiearmoede. De groep energiearme huishoudens is divers, en valt op meerdere manieren in kaart te brengen en te duiden Energiearme huishoudens verschillen niet alleen in het type problemen die ze ervaren, maar ook in welke mate ze problemen ervaren en voor hoe lang. Sommige bewoners hebben alles wat binnen hun mogelijkheid ligt al gedaan, waardoor ze een verergering van bestaande problematiek ervaren. Inzicht in de mate waarin men in energiearmoede verkeert kan
TNO Publiek TNO 2023 P11628
cijfermatig in kaart worden gebracht met behulp van de zogeheten energy poverty gap. Dit onderzoek illustreert deze diversiteit op gedetailleerder niveau. De energiecrisis heeft duidelijke negatieve gevolgen gehad voor huishoudens Bewoners geven aan dat de energiecrisis heeft gezorgd voor meer stress over het betalen van de energierekening en voor een verslechterde algemene financiële situatie van huishoudens. Echter, aangezien de groep energiearme huishoudens divers is, zijn de gevolgen van de crisis voor huishoudens niet eenduidig. Voor sommige huishoudens is de energiecrisis een versterkende of in stand houdende factor binnen de problemen waar ze reeds mee te maken hadden. Andere huishoudens zijn in de problemen gekomen en hebben nu last van serieuze financiële problemen. Ondanks hun kwetsbare situatie zijn veel bewoners vindingrijk en hebben ze een hoog leervermogen Om de woning goed op temperatuur te houden of het aangenaam te hebben zijn veel bewoners vindingrijk. Veel bewoners hebben behoefte aan informatie hoe ze (energie) kunnen besparen en verdiepen zich in manieren om dat te doen. Hierbij maken ze, waar dat kan, ook gebruik van hun eigen sociale netwerk, waarmee ze bijvoorbeeld (energie)besparingstips uitwisselen.
Een stressvolle situatie zorgt niet altijd voor een stressvolle reactie Hoewel verschillende bewoners in een stressvolle situatie leven, gaan ze hier verschillend mee om. Een veel toegepaste techniek lijkt een soort berusting, waarbij bewoners genoegen nemen met een relatief oncomfortabele leefsituatie en onzekerheid over de toekomst. Wanneer bewoners meer moeite hebben om berusting te vinden in hun situatie, lijkt er een samenhang te zijn met de mate waarin zij te maken hebben met (ernstige) fysieke of mentale gezondheidsklachten of met een beperkt sociaal netwerk dat ondersteuning kan bieden in hun situatie. Er is nog genoeg potentie voor energiebespaaradvies, wat ook aansluit op de informatiebehoefte en mogelijkheid tot regievoering door huishoudens Over het algemeen hadden weinig geïnterviewden energiebespaaradvies van een energiecoach ontvangen. Bewoners die dat wel hadden waren tevreden met de coach, vooral vanwege het sociale contact. De coach droeg niet in alle gevallen bij aan kennis over energiebesparing, sommige bewoners hadden zichzelf al zeer verdiept in energiebesparing. Aangezien weinig bewoners energiebespaaradvies hadden ontvangen, lijkt er nog wel een potentieel voor meer hulp en besparing. Bovendien illustreren de zelfredzaamheid en informatiebehoefte van bewoners dat energiebespaaradvies (d.m.v.
energie coaching) een goede manier is om die behoefte te vervullen. Door bewoners in die behoefte te voorzien en handelingsperspectief te bieden, geef je ze meer grip en regie op hun situatie.
TNO Publiek TNO 2023 P11628
Summary Research incentive The Netherlands had over 600.000 energy-poor households by the end of 2022. This is an increase of 90.000 households compared to 2020. Because of the energy crisis (and the related increase in the number of energy-poor households), there is more recognition of energy poverty and policy initiative among governments at the national, provincial and local levels. Current available studies mainly provide insights into the number of energy-poor households, the demographic characteristics of this group and effects of support measures for this group on a quantitative level. There is still a lack of (structural) qualitative insights about energy-poor households in the Netherlands. Qualitative data can provide detailed and in-depth insights into what problems residents experience, how they deal with these issues and what, from their perspective, would help them from. Together, these two research methods help paint a complete picture of energy-poor households in the Netherlands.
Purpose of this research Through interviews, the researchers collected stories from energy-poor households to map their experiences. This report describes the results of the first round of interviews, which is part of an annual qualitative monitoring exercise among energy-poor households. In doing so, this report aims to create a better understanding of energy poverty in the Netherlands and to provide government agencies, policymakers and co-researchers with insights into the current issues of energy-poor households. These insights can be used by relevant authorities to make more targeted policies.
Research question and sub questions This study focuses on the following question: What do the lives of energy-poor households in the Netherlands look like? This overarching question is delineated by the following sub questions: 1. What is the living situation of energy-poor households? 2. What is the living comfort of energy-poor households? 3. How do energy-poor households manage their energy consumption? 4. What challenges do energy-poor households face in their daily lives? 5. What help and aid measures do energy-poor households need?
Methodology For this first round of qualitative monitoring, 29 semi-structured interviews were conducted, spread over the 2022 and 2023 heating seasons.
TNO Publiek TNO 2023 P11628
Results Based on the interviews, we came to the following results. With these, we answer the five sub-questions: 1. Residents use their homes intensively and are to varying degrees satisfied with their living situation. Many residents do not have jobs and are therefore at home a lot. Satisfaction with the living situation depends on factors in the neighborhood, home, social contacts and previous living experiences. 2. The perceived living comfort is low: residents suffer mainly from cold and draught, and in several cases also from moisture and mold. Almost all residents have to deal with a poorly insulated house which causes cold and draughts. Some homes are also difficult to keep cool in the summer. Residents are knowingly ventilating the home, yet not all residents can avoid dealing with mold. 3. Many residents worry about their energy bills, compounded by ambiguities about the final bill and an uncertain future. They take actions to be able to pay the bill. Residents save mostly on heat use, groceries, clothing and outings. They sometimes make exceptions to savings for their health, children or pets. 4. Many residents have health complaints and link them to their housing situation themselves. Respiratory complaints and joint and muscle pain are common, and residents indicate that their complaints are exacerbated, or in some cases even caused, by the condition of the home.
5. Support from the social network is important and residents need more drastic measures. Some residents rely on support from family and/or friends, who run errands or do chores around the house. Many residents need more drastic measures, such as new doors, window frames and insulation.
Conclusion Based on the results, we draw the following conclusions: Residents face problems that are part of vicious cycles Among energy-poor household, problems with paying energy bills are rarely the only issue. The various problems they face seem to reinforce each other and cause residents to end up in a vicious circle that is difficult to break. These cycles concern the financial situation, the work situation, the health of residents and their social safety net. People who have problems in one or more of these areas are at risk of also experiencing energy poverty. The group of energy-poor households is diverse, and can be mapped and interpreted in several ways Energy-poor households differ not only in the type of problems they experience, but also to what extent they experience problems and for how long. Some residents have already done everything within their means, experiencing exacerbation of existing problems. Understanding the extent to which people are in energy poverty can be mapped quantitively using what is known as the energy poverty gap. This study illustrates this diversity at a more detailed level.
TNO Publiek TNO 2023 P11628
The energy crisis has had clear negative impacts on households Residents report that the energy crisis has increased stress over paying energy bills and worsened households' overall financial situation. However, since the group of energy-poor households is diverse, the effects of the crisis on households are not uniform. For some households, the energy crisis is a reinforcing or sustaining factor within the problems they were already facing. Other households have struggled and are now experiencing serious financial difficulties. Despite their vulnerable situation, many residents are resourceful and have a high learning capacity To keep the home at a good temperature or comfortable, many residents are resourceful. Many residents need information on how to save (energy) and delve into ways to do so. In doing so, wherever possible, they also make use of their own social network, with whom they for example exchange (energy) saving tips. A stressful situation does not always cause a stressful reaction Although several households live in a stressful situation, they deal with it differently. A common technique seems to be some kind of acceptance, where they settle for a relatively uncomfortable living situation and uncertainty about the future.
When residents have more difficulty finding acceptance in their situation, there seems to be a correlation with the degree to which they are dealing with (serious) physical or mental health issues or with a limited social network that can provide support in their situation. There is still plenty of potential for energy savings advice, which also matches the information needs and possibilities for households to keep control In general, few interviewees had received energy savings advice from an energy coach. Residents who had were satisfied with the coach, mainly because of the social contact. The coach did not contribute to energy conservation knowledge in all cases; some residents had already educated themselves in depth about energy conservation. Since few residents had received energy saving advice, there does seem to be potential for more help and savings. Moreover, residents' self-efficacy and information needs illustrate that energy savings counseling (through energy coaching) is a good way to fulfill that need.
TNO Publiek TNO 2023 P11628
Inhoudsopgave 1
Inleiding ..........................................................................................................................................10
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding en doel van dit onderzoek.................................................................................................................. 10 Leeswijzer ................................................................................................................................................................... 11 Theoretische achtergrond ...................................................................................................................................... 11 Onderzoeksvraag en subvragen............................................................................................................................ 13
2
Methode ..........................................................................................................................................15
2.1 2.2 2.3 2.4
Procedure ................................................................................................................................................................... 15 Interviewprotocol ..................................................................................................................................................... 15 Analyse........................................................................................................................................................................ 16 Deelnemers ................................................................................................................................................................ 16
3
Resultaten ......................................................................................................................................18
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
Leefsituatie................................................................................................................................................................. 18 Wooncomfort ............................................................................................................................................................ 20 Betaalbaarheid energierekening ........................................................................................................................... 23 Strategieën om energie en kosten te besparen ................................................................................................ 27 Uitdagingen en bredere effecten .......................................................................................................................... 31 Hulp en steun............................................................................................................................................................. 36
4
Conclusie ........................................................................................................................................42
4.1 4.2
Beknopte bespreking resultaten ........................................................................................................................... 42 Algemene conclusies ............................................................................................................................................... 45
Bijlagen Bijlage A:
Interview protocol stookseizoen 2022
52
Bijlage B:
Interview protocol stookseizoen 2023
54
Bijlage C:
Analyse interviews
57
TNO Publiek
9/57
TNO Publiek TNO 2023 P11628
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel van dit onderzoek Nederland telt eind 2022 ruim 600.000 energiearme huishoudens (Mulder, Batenburg, & Dalla Longa, 2023). Dit is een stijging van 90.000 huishoudens ten opzichte van 2020. Deze huishoudens (7,4% van het totaal aantal huishoudens in Nederland) hebben een laag inkomen in combinatie met hoge energiekosten óf een laag inkomen in combinatie met een energetisch slecht huis 1. Vanwege de energiecrisis (en de daarmee samenhangende toename in het aantal energiearme huishoudens) is er meer aandacht, erkenning en beleidsinitiatief bij overheden op nationaal, provinciaal en lokaal niveau voor energiearmoede. Zo heeft de Rijksoverheid meer geld gegeven aan gemeenten om huishoudens te ondersteunen (via SPUK gelden, het Nationaal Isolatieprogramma en het Nationaal Warmtefonds). Een recent verschenen TNO-studie laat zien dat deze steunmaatregelen positieve effecten hebben op verschillende aan energiearmoede gerelateerde aspecten (Van Der Wal, Van Ooij, & Straver, 2023). Hoewel de hierboven genoemde CBS- en TNO-onderzoeken inzicht geven in het aantal energiearme huishoudens, demografische kenmerken van deze groep en effecten van steunmaatregelen voor deze groep op kwantitatief niveau, ontbreken (structurele) kwalitatieve inzichten over energiearme huishoudens in Nederland.
Kwalitatieve data kan gedetailleerd en diepgaand inzicht geven in welke problematiek bewoners ervaren, hoe ze hier mee omgaan, en waar ze vanuit hun eigen perspectief mee geholpen zouden zijn. Daarnaast geeft kwalitatieve data de mogelijkheid om (onverwachte) kwantitatieve resultaten te interpreteren en/of te verklaren. De twee onderzoeksmethoden zijn dus complementair en helpen tezamen een volledig beeld te schetsen over (ervaringen van) energiearme huishoudens in Nederland. In lijn hiermee heeft dit onderzoek 2, middels interviews, verhalen opgehaald bij energiearme huishoudens om hun ervaringswereld in kaart te brengen. Daarmee beoogt dit rapport een beter begrip van energiearmoede bij huishoudens in Nederland te creëren en overheidsinstanties, beleidsmakers en mede-onderzoekers te voorzien van hedendaagse inzichten gebaseerd op verhalen van energiearme huishoudens. Deze inzichten kunnen door de betrokken overheden gebruikt worden om gerichter beleid te maken.
_______ 1 2
TNO Publiek
Er is sprake van een energetische slecht huis als het verwachte energieverbruik van een woning hoger is dan het gemiddelde verwachte energieverbruik voor woningen met energielabel C in basisjaar 2019 (Mulder et al., 2023). Dit onderzoek beschrijft de resultaten van de eerste ronde interviews die onderdeel zijn van een jaarlijkse kwalitatieve monitoring onder energiearme huishoudens.
10/57
TNO Publiek TNO 2023 P11628
Box 1. Het verschil tussen kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksmethoden Kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksmethoden zijn twee verschillende benaderingen om onderzoek uit te voeren. Kwantitatieve methoden zijn gericht op het verzamelen van numerieke data (Boeije, ’t Hart, Hox, 2016; Creswell, 2014). Die data kan statistisch geanalyseerd worden en kan in bijvoorbeeld een grafiek of tabel worden weergegeven. Voorbeelden van kwantitatieve onderzoeksmethoden zijn onder andere experimenten of vragenlijsten. Kwalitatieve methoden zijn gericht op niet-numerieke data en verzamelen beschrijvende informatie (Boeije et al., 2016; Creswell, 2014). Voorbeelden van kwalitatieve onderzoeksmethoden zijn onder andere observaties, focusgroepen en interviews.
1.2
Leeswijzer • Hoofdstuk 1 beschrijft de aanleiding, het doel, de theoretische achtergrond en onderzoeksvragen van het onderzoek. • Hoofdstuk 2 beschrijft de aanpak van het onderzoek. • Hoofdstuk 3 beschrijft de resultaten van het onderzoek. • Hoofdstuk 4 beschrijft de conclusie door antwoord te geven op de onderzoeksvragen. Daarnaast beschrijft dit hoofdstuk de beperkingen van het onderzoek en suggesties voor vervolgonderzoek.
1.3
Theoretische achtergrond Energiearmoede speelt een rol in het verloop van de energietransitie De energietransitie vereist dat huishoudens investeringen doen, bijvoorbeeld door hun huis te isoleren of zonnepanelen aan te schaffen. Niet iedereen kan dit zelfstandig. Zo zijn huurders afhankelijk van hun verhuurder voor verduurzaming van hun woning en zijn er woningeigenaren die onvoldoende financiële middelen hebben om deze maatregelen te treffen (Mulder et al., 2023). Als hier geen aandacht voor is, ontstaat het risico dat energiearme huishoudens niet meekomen in de energietransitie (Bokhorst, Ruckert, Klip, Van Manen Kooij, 2022; Straver et al., 2020). In die situatie profiteert een deel van de huishoudens van de transitie, bijvoorbeeld door goedkopere energie via zonnepanelen of financiële opbrengsten vanuit windparken (Straver et al., 2020), terwijl een deel de lasten van de energietransitie draagt (bijvoorbeeld door duurdere energie vanwege hogere gastarieven). Ter illustratie: in 2017 ging 80% van de landelijke subsidies en belastingkortingen binnen klimaatbeleid naar rijkere huishoudens (CE Delft, 2017). Deze ongelijkheid ondermijnt het draagvlak voor de transitie, terwijl draagvlak een belangrijk onderdeel is van de realisatie van de energietransitie (Bayulgen, 2020; Biresselioglu, Demir, & Demirbag Kaplan, 2020; Van Schaik et al., 2022).
Een energietransitie waarin iedereen meedoet en mee kan komen, wordt ook wel een inclusieve energietransitie genoemd (McCauley, Heffron, Stephan, & Jenkins, 2013). Binnen de wetenschappelijke literatuur zijn er drie basisprincipes om van een inclusieve energietransitie te spreken (McCauley et al., 2013). Ten eerste moet iedereen toegang hebben tot betaalbare en schone energie (‘distributieve rechtvaardigheid’). Ten tweede moet iedereen kunnen deelnemen aan besluitvormingsprocessen omtrent het energiesysteem en de transitie (‘procedurele rechtvaardigheid’). Ten derde moeten
TNO Publiek
11/57
TNO Publiek TNO 2023 P11628
problemen die het gevolg zijn van ongelijke kansen in de energietransitie onderkend worden (‘erkenning’). Kwantitatieve studies laten zien dat energiearme huishoudens vaker gezondheidsproblemen hebben dan niet-energiearme huishoudens Verschillende kwantitatieve onderzoeken laten zien dat huishoudens in een slecht geïsoleerde woning, waar sprake is van (extreme) kou, hitte, vocht, tocht en schimmel, vaker te maken hebben met fysieke en mentale gezondheidsproblemen. Energiearme huishoudens blijken vaker last te hebben van fysieke klachten zoals ademhalingsklachten, astma, artrose en hart- en vaatziekten (Balfour & Allen, 2014; Jessel et al., 2019; Platt et al., 1989). Daarnaast hebben energiearme huishoudens vaker last van mentale gezondheidsproblemen zoals (financiële) stress, angst, somberheid en depressie (Balfour & Allen, 2014; Hernández, 2016; Jessel et al., 2019; Platt et al., 1989). Deze problemen hangen ook samen met de hogere zorgkosten onder energiearme huishoudens vergeleken met nietenergiearme huishoudens (Nicol, Roys, & Garrett, 2015; Scheer, 2013; Van Maurik, Mulder, & Verstraten, 2023). Deze leefsituaties lijken ook voor vicieuze cirkels te zorgen.
Verschillende studies illustreren dat huishoudens met bepaalde kenmerken een verhoogde kans hebben om in energiearmoede te leven (bijv., oudere of chronisch zieke mensen, Marmot Research Team, 2011), wat vervolgens kan zorgen voor een verergering van medische of aversieve leefcondities (Cronin de Chavez, 2017; Ivanova & Middlemiss, 2022). Kwalitatieve studies laten zien dat energiearme huishoudens hun situatie verschillend ervaren en op diverse manieren met hun situatie omgaan Waar deze kwantitatieve studies algemene inzichten geven, laten huidige kwalitatieve studies specifiekere inzichten zien over de levens van energiearme huishoudens. Kwalitatieve studies naar energiearmoede komen voornamelijk uit het Verenigd Koninkrijk, waar ook wel wordt gesproken over de lived experience van energiearme huishoudens (Middlemiss & Gillard, 2015). Belangrijke inzichten uit deze studies zijn dat energiearme huishoudens op verschillende manieren omgaan met hun leefsituatie en hun leefsituatie op verschillende manieren ervaren (Harrington, Heyman, Merleau-Ponty, Stockton, Ritchie, & Heyman, 2005; Ipsos MORI Scotland, 2020; Middlemiss et al., 2019). Zo geven sommige huishoudens aan dat ze bijvoorbeeld warm blijven door op andere uitgaven te bezuinigen (bijv.
op uitgaven aan boodschappen), terwijl anderen aangeven te besparen op energieverbruik en weer anderen in de kou zitten ondanks hun hoge energieverbruik (Harrington et al., 2005; Ipsos MORI Scotland, 2020). Daarnaast blijken sociale factoren bepalend voor hoe huishoudens het leven in energiearmoede ervaren. Middlemiss en collega’s (2019) laten in hun interviewstudie zien dat een sociaal netwerk de toegang tot energie kan vergroten. Bewoners maken (indien mogelijk) gebruik van hun familie en/of vrienden om advies en steun te zoeken om met hun leefsituatie om te gaan. Daarnaast blijkt dat het sociale netwerk van energiearme bewoners ook een rol speelt in het navigeren op de energiemarkt (bijv., een voordelige energieleverancier kiezen, energietoeslagen aanvragen; Ambrosio-Albalá et al., 2020). Een kleinschalige interviewstudie in Nederland (geciteerd in Van De Riet, Kuzee-Hoogeveen, Voerman, & Walch, 2023) laat zien dat energiearme huishoudens in wisselende mate bekend zijn met financiële ondersteuningsmaatregelen, terwijl deze maatregelen juist voor deze groep bedoeld zijn. Wanneer huishoudens wel bekend zijn met de beschikbare ondersteuning, vinden ze de regelingen vaak lastig te begrijpen (vanwege laaggeletterdheid en digitalisering) of niet eerlijk (sommige regelingen verschillen per gemeente). Daarnaast
TNO Publiek
12/57
TNO Publiek TNO 2023 P11628
hadden de bewoners vaak behoefte aan grotere renovatiemaatregelen (isolatie, nieuwe kozijnen). De kleine maatregelen zoals tochtstrips hadden de meeste bewoners al toegepast in huis. Structurele kwalitatieve monitoring levert een bijdrage aan energiearmoedebeleid Wat deze kwalitatieve studies laten zien is dat de ervaringen van energiearme huishoudens niet eenduidig zijn. De ervaringen verschillen afhankelijk van kenmerken van het huishouden. Waar kwantitatieve studies (zoals Mulder et al., 2023; Van Der Wal et al., 2023) inzicht geven in algemeen geldende statistieken omtrent energiearmoede in Nederland, kunnen kwalitatieve studies gedetailleerde inzichten geven in de (mogelijk wisselende) beleving van energiearme huishoudens en beschrijven hoe huishoudens met hun leefsituatie omgaan. Deze inzichten zijn waardevol om verschillende redenen. Ten eerste geeft kwalitatieve data de mogelijkheid om (onverwachte) kwantitatieve resultaten te interpreteren, te verklaren en/of aan te vullen (Ambrosio-Albalá et al., 2020; Middlemiss and Gillard, 2015; Mould & Baker, 2017). De combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve monitoring geeft daarmee een goed beeld van de kenmerken, problemen en behoeften van energiearme huishoudens. Ten tweede is energiearmoede in Nederland een relatief nieuw beleidsonderwerp, wat maakt dat er kennis nodig is om effectief beleid te creëren.
Bovendien is de energietransitie in volle gang, wat gepaard zal gaan met een vermeerdering en versnelling van energiebeleid. Door energiearmoede niet alleen kwantitatief te monitoren (zoals Mulder et al., 2023) maar ook kwalitatief, ontstaat er een kennisbasis over hoe beleid energiearme huishoudens beïnvloedt en heeft beïnvloed (Van De Riet et al., 2023). Ten slotte geeft kwalitatief onderzoek naar ervaringen van energiearme huishoudens deze huishoudens een stem en vorm van eigenaarschap in de energietransitie (erkenning; McCauley et al., 2013), aangezien zij op die manier zelf kunnen aangeven wat energiearme huishoudens willen en nodig hebben om in de transitie mee te komen. Dit is belangrijk om onvrede te voorkomen en een rechtvaardige energietransitie te realiseren (McCauley et al., 2013; Straver et al., 2020). Door deze kwalitatieve monitoring structureel in te zetten kan de Nederlandse overheid inzicht krijgen in hoe de situatie van energiearme huishoudens zich in Nederland ontwikkelt en hoe zij het gevoerde beleid ervaren. Op basis van deze inzichten kunnen nieuwe maatregelen worden opgezet om mogelijk onrecht of achterblijven in de transitie te voorkomen.
Voorbeelden van landen waar deze manier van monitoring al wordt toegepast bestaan in het Verenigd Koninkrijk en Spanje (Aliança contra la Pobresa Energètica, 2021; APLE-collectief, 2021; Ipsos MORI 2020; Scottish Poverty and Inequality Research Unit, 2018).
1.4
Onderzoeksvraag en subvragen Om kwalitatieve inzichten te verkrijgen in de leefsituatie van energiearme huishoudens in Nederland staat de volgende vraag in dit rapport centraal: Hoe zien de levens van energiearme huishoudens in Nederland eruit? Deze overkoepelende vraag wordt afgebakend aan de hand van de volgende subvragen: 1. Wat is de leefsituatie van energiearme huishoudens? 2. Hoe is het wooncomfort van energiearme huishoudens? 3. Hoe gaan energiearme huishoudens met hun energieverbruik om? 4. Welke uitdagingen komen energiearme huishoudens tegen in hun dagelijks leven? 5. Aan welke hulp en steunmaatregelen hebben energiearme huishoudens behoefte?
TNO Publiek
13/57
TNO Publiek TNO 2023 P11628
Om structureel kwalitatief inzicht te krijgen in deze vragen en dus ‘vinger aan de pols te houden’ met betrekking tot energiearmoede in Nederland, bestaat het voornemen om dit onderzoek te herhalen in de komende jaren. Het huidige rapport beschrijft de resultaten van de eerste ronde kwalitatieve monitoring. Voor deze eerste ronde kwalitatieve monitoring zijn interviews van het stookseizoen 2022 en 2023 gebruikt. Wegens de aanhoudende energiecrisis heeft TNO in 2022 veel extra (urgente) onderzoeken uitgevoerd, en is verslaglegging van het stookseizoen 2022 uitgesteld. In deze rapportage zijn deze inzichten dus toegevoegd aan de inzichten uit stookseizoen 2023. Wanneer de resultaten van beide stookseizoenen verschillen, wordt dit expliciet vermeld.
TNO Publiek
14/57
TNO Publiek TNO 2023 P11628
2
Methode
2.1
Procedure Om de onderzoeksvragen te beantwoorden zijn interviews bij huishoudens afgenomen. De interviews zijn afgenomen op twee verschillende momenten: in de maanden februari tot april 2022 (in het vervolg van dit rapport: ‘interviews van vorig jaar’) en in de maanden april tot mei 2023. De winters van deze jaren waren zacht (5,8°C en 5,1°C tegen 3,9°C) (KNMI, 2022; KNMI, 2023). Bewoners zijn op twee manieren benaderd. Enerzijds werden deelnemers van het “Effecten van fixers/energiecoaches, renovaties en witgoedregelingen”onderzoek (Van Der Wal, Van Ooij, & Straver, 2023) gevraagd of ze interesse hadden in deelname aan een interview. Anderzijds werden huishoudens benaderd via een sociale welzijnsorganisatie in Dordrecht. De deelnemers van vorig jaar zijn via dezelfde sociale welzijnsorganisatie en door middel van directe benadering benaderd. De interviews vonden veelal plaats met twee onderzoekers: een interviewer en een notulist. Bij sommige interviews was er één persoon aanwezig die zowel de vragen stelde als notulen maakte. De interviews duurden gemiddeld 1-1,5 uur en vonden bij het huishouden thuis plaats. Bijna alle interviews zijn met één volwassene uit het huishouden afgenomen, in een enkel geval was een familielid aanwezig wegens een taalbarrière.
Om de bewoners op hun gemak te stellen werd er altijd eerst een kort informeel praatje gehouden en een korte introductie van het onderzoek gegeven. Vervolgens werd het toestemmingsformulier uitgelegd en ondertekend, en begon het interview.
2.2
Interviewprotocol Zowel de interviews van dit jaar als van vorig jaar zijn semigestructureerd afgenomen (zie Bijlage A en B). Dit betekent dat er voorafgaand aan de interviews een interviewprotocol is opgesteld, maar er ook de mogelijkheid was om extra vragen te stellen. Hierdoor is er ruimte om in te gaan op wat voor de bewoner belangrijk is. De protocollen van vorig jaar en dit jaar zijn nagenoeg gelijk aan elkaar. Na een evaluatie van het protocol van vorig jaar is een aantal kleine aanpassingen gedaan in woordkeuze (bijv., het gebruik van 'wooncomfort’ in plaats van ‘behaaglijk’), is aantal sub-vragen toegevoegd en zijn vragen over lichamelijke en mentale gezondheid toegevoegd. Tijdens het interview zijn vijf verschillende thema’s besproken, te weten: 1) de woning en het huishouden, 2) het wooncomfort, 3) energieverbruik, 4) bredere effecten die de bewoner ervaart als gevolg van de woonsituatie en 5) hulp en steunmaatregelen die de woonsituatie van de bewoner kunnen verbeteren. In Bijlage A en B zijn de gebruikte interviewprotocollen te vinden. De interviews zijn op twee manieren vastgelegd. Van de interviews van vorig jaar zijn notulen gemaakt en beknopte interviewverslagen geschreven. In 2023 zijn tijdens de interviews audio-opnames gemaakt. Deze audio-opnames zijn door een externe partij uitgeschreven in een transcript.
Deze beknopte interviewverslagen en transcripten zijn vervolgens gecodeerd. In de resultaten worden bij de interviews van vorig jaar beschrijvingen uit de notulen gehaald om duiding te geven. Bij de interviews van dit jaar worden hier quotes voor gebruikt.
TNO Publiek
15/57
TNO Publiek TNO 2023 P11628
2.3
Analyse Zowel de transcripten als de interviewverslagen zijn handmatig geanalyseerd door middel van een thematische analyse. Dit is in twee stappen volgens de Grounded Theory approach gedaan (Strauss & Gorbin, 1998). Met een deductieve benadering zijn de belangrijkste hoofdonderwerpen uit het interviewprotocol als thema’s gebruikt. De subcategorieën zijn gebaseerd op de vragen van het interviewprotocol. In een vervolgstap zijn er inductief met open coderen (d.w.z. toevoegen van codes aan de hand van de data) en selectieve codering (d.w.z. integreren en specificeren van categorieën) codes toegevoegd. In Bijlage C staat een tabel met de thema’s en categorieën. De codering van de interviewverslagen en transcripten is door meerdere onderzoekers uitgevoerd. Om de interbeoordeelaarsbetrouwbaarheid te waarborgen hebben de onderzoekers bij aanvang van het coderingsproces afzonderlijk van elkaar hetzelfde interview gecodeerd. Vervolgens werden hun coderingen gezamenlijk besproken om tot eenzelfde codering en interpretatie te komen.
2.4
Deelnemers In totaal zijn er 29 interviews gehouden met 27 verschillende deelnemers. Twee deelnemers zijn in beide jaren geïnterviewd. Tabel 2.1 hieronder beschrijft de demografische kenmerken van de deelnemers voor beide jaren. De demografische gegevens van de twee bewoners die twee keer zijn geïnterviewd, zijn in beide kolommen meegenomen. Tabel 2.1: Overzicht van de demografische gegevens van de geïnterviewden
Demografische gegevens 2022
2023
Man
n=3
n = 10
Vrouw
n=6
n = 10
Niet bekend
Minimum = 25 jaar Maximum = 82 jaar Mediaan = 55 jaar
Arbeidsongeschikt/Bijstand
n=5
n = 11
Gepensioneerd
n=1
n=5
Werkend
n=3
n=4
Woningeigenaar
n=5
n=1
(Sociale) Huurder
n=4
n = 19
Eenpersoonshuishouden
n=7
n = 14
Paar zonder kinderen
n=0
n=3
Eenoudergezinnen
n=2
n=3
Geslacht
Leeftijd
Werksituatie
Woningeigendom
Samenstelling huishouden
TNO Publiek
16/57
TNO Publiek TNO 2023 P11628
Om te bepalen of een huishouden in energiearmoede leeft, wordt een inkomensgrens gebruikt in combinatie met hoge energiekosten en/of het wonen in een slecht geïsoleerd huis (Mulder et al., 2023). Vanwege de inkomensgrens kunnen alleen huishoudens met een inkomen lager dan 130% van de zogeheten lage inkomensgrens als energiearm worden gecategoriseerd. Vanwege de gevoeligheid van dit onderwerp in gesprek met de deelnemer is besloten om tijdens het interview niet expliciet naar de financiële situatie en het exacte inkomen te vragen. Aangezien alle deelnemers ofwel sociale huurders zijn, ofwel met welzijnsorganisaties in contact staan, vallen de geïnterviewden hoogstwaarschijnlijk binnen deze inkomensgrens. Wanneer hier twijfel over bestond is bij huishoudens gevraagd of zij de energietoeslag 2022 3 ontvangen hebben. In de gevallen dat de geïnterviewde geen energietoeslag had ontvangen, is een afweging gemaakt om de data te includeren ofwel excluderen in het onderzoek. Deze afweging is gebaseerd op de antwoorden van huishoudens (zoals het noemen van geldzorgen, slechte energetische conditie van het huis 4, hoge energierekening). Deze bewoners zijn geïncludeerd als er een aanzienlijk vermoeden was dat het huishouden binnen de risicogroep 5 valt. Uiteindelijk is alle data uit de interviews meegenomen.
Er is gepoogd om de steekproef van dit onderzoek zo representatief mogelijk te maken. Hiervoor zijn de demografische kenmerken van energiearme huishoudens in Nederland gebruikt als criteria, zoals geïdentificeerd door Mulder et al. (2023) 6. We merkten tijdens de werving dat de doelgroep over het algemeen lastig te bereiken is. Het vermoeden is dat dit deels te maken heeft met het vertrouwen van bewoners om het gesprek aan te gaan met iemand die ze niet kennen: een bekend probleem onder (energie)arme bewoners is dat ze wantrouwen hebben richting (overheids)instanties en organisaties. Daarnaast bleek ook de medische situatie meerdere keren een rol te spelen. Zo moesten meerdere bewoners hun afspraak afzeggen, omdat er een medische afspraak tussen was gekomen. Ook lijken niet alle bewoners goed inzicht te hebben in hun agenda voor de lange termijn, ze lijken meer van dag tot dag te leven. Bij een tussentijdse reflectie op de steekproef halverwege het onderzoek is besloten om specifiek te zoeken naar huiseigenaren, gezinnen en jongere deelnemers omdat deze onvoldoende gerepresenteerd waren. Dit is gebeurd met behulp van een welzijnsorganisatie in Dordrecht. Hoewel er extra aandacht is besteed aan de werving van deze specifieke doelgroepen, bleek het lastig om deze bewoners bereid te vinden voor een interview.
Ook de welzijnsorganisatie gaf aan dat deze doelgroep lastig te bereiken is. Voor het huidige onderzoek houdt dit in dat paren zonder kinderen, tweeoudergezinnen, huishoudens in particuliere huur en koopwoning en huishoudens die op hun pensioen leven (licht) zijn ondergerepresenteerd. Eenpersoonshuishoudens, huishoudens in een sociale huurwoning, en huishoudens in de bijstand/sociale voorziening zijn (licht) overgerepresenteerd. _______ 3
4
5 6
TNO Publiek
Deze toeslag is (op aanvraag) uitgekeerd aan huishoudens die maximaal 120% van het sociaal minimum verdienen of die een bijstandsuitkering, IOAW-, IOAZ- of Bbz-uitkering ontvangen. In een paar gemeenten weken de voorwaarden om energietoeslag te krijgen iets af. In het huidige onderzoek hebben we geen informatie uitgevraagd over energielabels en bouwjaar, maar de staat van de woning is uitvoerig besproken. Om in vervolgonderzoek nog beter zicht te krijgen op de verbanden tussen ervaringen van bewoners en de staat van de woning, kunnen we energielabeldata en het bouwjaar van de woning koppelen aan de verhalen van huishoudens. Deze data zijn openbaar beschikbaar via verschillende websites, zoals: Zoek je energielabel | Energielabel en BAG Viewer (kadaster.nl). Hierbij gaat het om huishoudens die niet binnen de definitie van energiearmoede vallen, maar waarvan kleine veranderingen in hun leefsituatie ervoor kunnen zorgen dat ze in de doelgroep terecht kunnen komen. 52% van de huishoudens zijn eenpersoonshuishouden, 18% is een paar zonder kinderen en 30% van de huishoudens zijn gezinnen (waarvan 14% paar met kinderen en 16% eenoudergezinnen). 68% van de huishoudens zijn sociale huurders, 20% huurt particulier en 12% heeft een koopwoning. En 40% van de huishoudens zit in de bijstand of krijgt een sociale voorziening en 40% is met pensioen.
17/57
TNO Publiek TNO 2023 P11628
3
Resultaten De centrale vraag in dit rapport is: Hoe zien de levens van energiearme huishoudens in Nederland eruit? Dit hoofdstuk geeft antwoord op de overkoepelende vraag door een bespreking van antwoorden op de subvragen. Elke sectie komt overeen met een subvraag: 1. Wat is de leefsituatie van energiearme huishoudens? Sectie 3.1. 2. Hoe is het wooncomfort van energiearme huishoudens? Sectie 3.2. 3. Hoe gaan energiearme huishoudens met hun energieverbruik om? Sectie 3.3 en sectie 3.4. 4. Welke uitdagingen komen energiearme huishoudens tegen in hun dagelijks leven? Sectie 3.5. 5. Aan welke hulp en steunmaatregelen hebben energiearme huishoudens behoefte?
Sectie 3.6.
Elke sectie bespreekt de antwoorden van geïnterviewden aan de hand van een beschrijving aangevuld met quotes. Sectie 3.3 en 3.5 bevatten een gedetailleerde casusbeschrijving van twee verschillende geïnterviewden.
3.1
Leefsituatie Er bestaat verdeeldheid onder de bewoners over de tevredenheid met hun leefsituatie: wijk, woning, sociale contacten en eerdere woonervaringen bepalen tevredenheid met de woning De mate waarin bewoners tevreden zijn met hun woning verschilt. In hun antwoorden beschrijven bewoners verschillende type factoren die maken dat ze wel of niet tevreden zijn met hun woning. Ten eerste zijn er de omgevingsfactoren in de wijk; de nabijgelegen faciliteiten, veiligheid en ervaren overlast. Dit hangt sterk samen met sociale factoren: hoe is het contact met buren en wonen familie en vrienden in de buurt?
“Het is een fijne buurt. Ik zit hier vlak bij de natuur, vlak bij het winkelcentrum en er is een goede verbinding.” Naast de omgevingsfactoren en sociale factoren speelt ook de woning zelf een belangrijke rol. Hierbij noemen bewoners o.a. het formaat van de woning en de woonlasten van de huur of hypotheek. Ook de staat van de woning speelt hierin een belangrijke rol. Ten slotte lijkt de tevredenheid met de woning bepaald te worden door het referentiekader (de geschiedenis) van de bewoner. Sommige bewoners geven aan dat hun huidige woning in betere staat is dan hun vorige woning, en dat ze daarom blij zijn met wat ze nu hebben. Andere bewoners geven juist aan dat hun vorige woning beter was. In beide gevallen zijn de eerdere ervaringen van invloed op hoe bewoners hun huidige woning ervaren.
“Ik kom vanuit een luxehuis in een sociale huurwoning, een seniorenappartement. Niks mis mee, maar er ging een hele nieuwe wereld voor me open. Je krijgt met een Woningcorporatie te maken. […] Dus ik moest ook even wennen; hoe werkt zo’n huis?”
TNO Publiek
18/57
TNO Publiek TNO 2023 P11628
Op het moment dat een woning in slechte staat verkeert speelt de tevredenheid van bewoners een belangrijke rol in de oplossingsrichting die hun voorkeur heeft om uiteindelijk in een duurzame en gezonde woning te wonen. Bewoners die naast de staat van de woning ook ontevreden zijn over de locatie, sociale contacten en de overige factoren in de woning zullen eerder gericht zijn op het vinden van alternatieve woonruimte. Wanneer bewoners wel tevreden zijn met de woning, wijk en sociale contacten zullen zij meer gericht zijn op een (grootschalige) renovatie van hun huidige woning. De bewoners van stookseizoen 2022 waren overwegend tevreden over hun leefsituatie De bewoners die in 2022 zijn geïnterviewd, waren over het algemeen tevreden met hun leefsituatie. Hoewel de woonduur van bewoners sterk varieerde, gaven ze bijna allemaal aan tevreden te zijn met hun woonsituatie. Net als in de interviews van dit jaar, speelt de staat en de omgeving van de woning een belangrijke rol. Zo zorgt de aanwezigheid van een tuin voor meer tevredenheid. Wanneer bewoners uit een minder comfortabele woonsituatie komen, lijken ze nog meer waarde te hechten aan de nieuwe situatie.
De huidige woning heeft nu twee verdiepingen met een tuin. Het betekent veel voor haar. Ze kan nu zomaar naar buiten. (Omschrijving gespreksverslag) Eén geïnterviewde gaf aan niet geheel tevreden te zijn met de leefsituatie vanwege gebrekkige isolatie. De intensiteit van het woninggebruik is over het algemeen hoog: veel bewoners besteden een groot deel van hun tijd thuis Er zijn verschillende factoren die van invloed zijn op de intensiteit van het woninggebruik. Hierbij zijn (vrijwilligers)werk, gezinssamenstelling en gezondheid van grote invloed. Onder de respondenten van dit onderzoek bestaat het merendeel uit bewoners die geen werk hebben omdat zij in de bijstand zitten of arbeidsongeschikt of gepensioneerd zijn. Deze bewoners zijn over het algemeen veel thuis en maken intensief gebruik van hun woning. De bewoners die wel werk hebben, besteden hier vaak veel tijd per week aan waardoor de woning een groot deel van de tijd leeg staat. Daarnaast is het aantal personen in het huishouden van invloed op hoe vaak er iemand thuis is. Vooral huishoudens met kinderen gaven aan meer intensief gebruik te maken van de woning. Het beperkte aantal gezinnen met kinderen in onze steekproef zou kunnen betekenen dat woninggebruik onder energiearme huishoudens nog intensiever is dan de interviews doen vermoeden. Het woninggebruik wordt verder ook bepaald door de gezondheid van bewoners.
Meerdere respondenten geven aan dat hun gezondheidsklachten beperken hoeveel activiteiten zij buitenshuis kunnen ondernemen waardoor zij veel tijd thuis doorbrengen. Veel bewoners geven aan dat zij in meer of mindere mate te maken hebben met gezondheidsklachten.
“Ja, in principe ben ik thuis, tenzij ik een keertje weg kan. Weggaan voor mij is uitzonderlijk.” De woningen van de bewoners die in 2022 geïnterviewd zijn, worden redelijk intensief gebruikt doordat de bewoners veel thuis zijn. De redenen hiervoor zijn vergelijkbaar met de bewoners van dit jaar, zoals arbeidsongeschiktheid of gepensioneerd zijn of in de bijstand zitten. Er wordt dan wel regelmatig afleiding gezocht met burenbezoek, lidmaatschap bij creatieve hobbyclubs of het uitlaten van de hond. Vergelijkbaar als in de steekproef van
TNO Publiek
19/57
TNO Publiek TNO 2023 P11628
2023 zitten in de steekproef van 2022 weinig huishoudens met kinderen en veel eenpersoonshuishoudens. Dit heeft invloed op de intensiteit van het woninggebruik.
Ze is veel thuis maar twee middagen in de week is ze bij een crea club. Ze is veel bezig met het huishouden. (Omschrijving gespreksverslag)
3.2
Wooncomfort Alle woningen worden verwarmd met aardgas Ondanks de diversiteit in woningen waarin respondenten wonen hebben zij één ding gemeen: alle woningen worden verwarmd met aardgas. Bij de appartementencomplexen is vaak sprake van een centraal verwarmingssysteem met blokverwarming. In deze woningen worden de kosten voor aardgas in rekening gebracht via de servicekosten aan de verhuurder. In de woonhuizen is vaak sprake van een centrale verwarming/cv-ketel. Hierbij is ook vaker sprake van een contract met een zelfgekozen energieleverancier voor aardgas. Op een uitzondering met een gaskachel na, worden alle woningen verwarmd middels radiatoren. Er zijn geen woningen die zijn voorzien van vloerverwarming. Daarnaast zijn er meerdere bewoners die aangeven dat zij aanvullend gebruik maken van elektrische straalkachels. Het is lastig om de woning op temperatuur te houden Vrijwel iedere bewoner geeft aan dat hun woning koud en tochtig is doordat de woning slecht geïsoleerd is. Hierbij worden o.a. koude muren en vloeren genoemd evenals kieren in de gevel en rondom deuren. Een deel van de bewoners geeft aan dat de kou in hun woning op specifieke plekken zit. Hierbij maken sommige bewoners de keuze om de koude kamers in hun woning niet te gebruiken omdat ze het hebben opgegeven om deze kamers te verwarmen.
"In de winter voel je wind door de woning waaien, als het kouder is dan 22 graden dan is het in mum van tijd koud. Tussen het kozijn en de muur kon je naar buiten kijken. Toen hebben ze gewoon een latje er tegenaan gedaan.”
“Zoals je daar een verwarming hebt, heb je hier [in de vloer] een verkouding. Die straalt kou af. En ik heb ook thermometers, ik heb er daar één hangen, die leg je dan bijvoorbeeld daar op de vloer neer. Ja, en er zit zeker drie graden verschil.” In een aantal gevallen geven bewoners aan dat ook het verwarmingssysteem niet goed functioneert. Soms gaat dit om uitval die op de korte termijn opgelost kan worden maar ook benoemen een aantal bewoners dat de verwarmingssystemen systematisch niet goed werken. Dit uit zich bijvoorbeeld in radiatoren die maar beperkt warm worden. In combinatie met koud weer en slechte isolatie zorgt dit voor het laagste wooncomfort. In deze omstandigheden speelt de afweging van de bewoner om meer of minder energie te verbruiken geen rol meer. Zelfs wanneer een bewoner bereid zou zijn om veel uit te geven aan het verwarmen van de woning dan zouden zij hier nog niet in slagen.
“Ik heb weer een probleem: alleen maar de verwarming, dat systeem is een oud systeem. Dus ik kan het niet goed verwarmen hier.”
TNO Publiek
20/57
TNO Publiek TNO 2023 P11628
“Als het goed weer is, is hier niks aan de hand binnen. Is het slechter weer, buiten veel regenweer, dan komt de vochtigheid omhoog. En dat is een groot probleem. En met vocht en tocht kan je stoken als een idioot, krijg je niks fatsoenlijk warm.” Enkele bewoners geven aan geen probleem te hebben om hun woning op temperatuur te houden maar geven wel aan dat de woning over slechte isolatie beschikt. Het vermoeden is dan ook dat deze bewoners veel stoken maar dat er geen (beperkende) problemen zijn met het verwarmingssysteem. Ook hebben deze bewoners nog bewegingsruimte in het maken van keuzes over hoeveel energie zij bereid zijn te gebruiken.
“Ik zag in mijn omgeving ook mensen met soortgelijke problemen. Zij zetten gewoon heel de verwarming niet aan en waren heel de winter aan het bibberen enzovoort. Eigenlijk moest ik dat ook doen, maar ik vond dat gewoon... Ik wilde dat gewoon absoluut niet doen, dus ik heb het ook gewoon aan laten staan en daardoor is alles opgehoopt (de rekeningen). Ik heb dus niet mijn verwarming uitgezet of zoiets.” Soms noemen bewoners ook dat ze in de zomer last hebben van de hitte in hun woning. Ze noemen dit in de meeste gevallen alleen wanneer hier specifiek naar gevraagd wordt, waardoor het lijkt alsof ze er minder last van hebben dan kou in de winter. Wellicht heeft dit te maken met de tijd van het jaar waarin de interviews afgenomen zijn (voorjaar).
"In de zomer was het bloedheet. Echt benauwd." “In de zomer is het alleen heel erg warm binnen. Als het buiten warm wordt, dan wordt het binnen nog warmer dan buiten. Bewoners uit de interviews van 2022 geven aan niet veel moeite te hebben met het verwarmen van hun woning In tegenstelling tot de interviews van dit jaar, geven bewoners die vorig jaar geïnterviewd zijn aan dat ze niet per se moeite hebben met het verwarmen van de woning.
De woning is erg makkelijk op een aangename temperatuur te houden. Als de zon er op staat blijft het warm, de zon komt op in het oosten en schijnt dan meteen op de woning. Mevrouw is niet veel bezig met de temperatuur (omschrijving gespreksverslag). De slechte gezondheid bij sommige bewoners zorgt er wel voor dat het goed verwarmen van de woning een prioriteit is. Om de woning goed op temperatuur te houden, zijn een aantal bewoners vindingrijk en wordt er gebruik gemaakt van een eigen netwerk. Veel vrienden en kennissen zitten in een soortgelijk situatie, waardoor het uitwisselen van bijvoorbeeld een gaskachel een oplossing kan bieden. Vooral in de avond hebben bewoners het graag warm. In tegenstelling tot de bewoners die de woning vanwege gezondheid op temperatuur moeten houden, blijkt uit een aantal gesprekken dat bewoners ook niet erg bezig zijn met de temperatuur. Zo geeft één bewoner aan dat hij het niet snel koud heeft, terwijl een andere bewoner al 6 jaar de verwarming niet heeft aangezet. Geen van de bewoners heeft moeite met het koelen van de woning. Het verschil tussen de twee jaren zou erop kunnen wijzen dat de keuzeruimte van mensen om een bepaalde hoeveelheid energie te verbruiken om de woning te verwarmen is beperkt door de toegenomen energieprijzen.
Bewoners maken bewuste keuzes in het ventileren van de woning Veel bewoners maken bewuste overwegingen in het wel of niet ventileren van hun woning. Ze geven aan dat de keuze om te ventileren voortkomt uit gezondheidsoverwegingen en overwegingen met betrekking tot het binnenklimaat. Hierbij worden het tegengaan van
TNO Publiek
21/57
TNO Publiek TNO 2023 P11628
vocht en schimmelproblemen, het verhogen van zuurstof in huis en het verkoelen van de woning in de zomermaanden het meest genoemd. Een enkele respondent geeft aan dat zij bewust niet of beperkt ventileert omdat de lucht van buiten minder schoon is dan de lucht in de woning.
"Ook vanwege m’n eigen allergieën, deed ik ramen vaker open. Maar het huis luchtte vanzelf ook wel, het was zo lek." “In de zomer is het heel warm, maar nu kan ik de ramen niet openzetten want dan komt er stof [stof van verbouwingen in de buurt] naar binnen.” Vrijwel alle bewoners zijn voor het ventileren afhankelijk van natuurlijke ventilatie. De manier waarop bewoners hun huis ventileren is meestal door ramen en deuren open te zetten. In de meeste gevallen gaat dit goed maar soms is het aantal ramen dat open kan beperkt. Daarnaast beschikken enkele bewoners over ventilatieroosters. Wanneer deze aanwezig zijn houden bewoners ze vaak bewust dicht omdat deze ook voor extra kou in de woning zorgen. Slechts enkele bewoners beschikken over mechanische ventilatie. Hierbij gaat het alleen om afzuiging in keuken en badkamer maar niet om (balans)ventilatie door de gehele woning.
“Nou, ik moet zeggen dat ik hem [het ventilatierooster] weinig... Misschien moet ik hem meer openzetten. Maar dat komt ook, als die wind erop staat, dan komt... Dan komt de kou binnen. Dus-dus meestal heb ik hem dicht staan.” Ventileren is ook bij de bewoners in de interviews van 2022 de standaard Net als de geïnterviewde bewoners dit jaar, blijken ook de bewoners van vorig jaar goed op de hoogte te zijn van de noodzaak van het ventileren van de woning. Dit gebeurt voornamelijk door de ramen en deuren tegenover elkaar open te zetten. De meeste bewoners zijn zich bewust van de toegevoegde waarde om verschillende ruimtes zoals de badkamer, de zolder en de slaapkamer te ventileren. Het helpt hen bij het voorkomen van schimmel en vochtplekken. Bij een aantal oudere bewoners komt het over alsof dit voor hen een voor de hand liggende maatregel is, ééntje die ze al lang voordat energiebesparing een prioriteit werd toegepast.
“Meneer geeft aan dat het zolderraam altijd op een kiertje staat. Warme lucht met vocht stijgt op en trekt naar boven dus daarom doet hij dat. Op die manier voorkomt hij dat er schimmel ontstaat. Ook in de slaapkamer doet hij een raampje open. De klapraampjes boven de deuren staan op een kiertje (omschrijving gespreksverslag). Veel bewoners ondernemen actie om vocht en schimmel in huis te voorkomen, toch is het niet altijd te voorkomen Zoals eerder genoemd geven veel bewoners aan te ventileren om vocht- en schimmelproblemen te voorkomen. Toch is dit niet in alle gevallen mogelijk. Diverse bewoners geven aan dat zij last hebben van vocht en/of schimmel. De ernst van deze problemen verschilt sterk, van huishoudens met vooral vocht op de (enkelglas) ramen en in de badkamer tot huishoudens met schimmel verspreid door de woning. Vooral de badkamer blijkt gevoelig voor vocht- en schimmelplekken waarbij de indeling van de woning, met een inpandige badkamer, een rol lijkt te spelen. Bewoners die veel last hebben (gehad) van vocht en schimmel geven aan dat dit ook zorgt voor stank in huis. Het tegengaan van schimmel door plekken schoon te maken of te behandelen met speciale verf lijkt weinig effect te hebben.