RIS316343 bijlage Onderzoek Queer Sensitieve Hulpverlening Jongeren
Tekst van het document
ONDERZOEK QUEER SENSITIEVE HULPVERLENING AAN JONGEREN
ONDERZOEK QUEER SENSITIEVE HULPVERLENING AAN JONGEREN Ervaringen en behoeften onder sociale professionals en queer jongeren Datum
30 september 2022
Auteurs
Fayaaz Joemmanbaks & Afiah Vijlbrief
Fayaaz Joemmanbaks (hen/hun) is kwantitatief onderzoeker binnen Expertisecentrum Seksualiteit Rutgers en onafhankelijk trainer op het gebied van gender en seksuele diversiteit. Hun is tevens de voorzitter van stichting Colored Qollective die zich richt op de veiligheid van queer personen van kleur. Afiah Vijlbrief (zij/haar) is onderzoeker bij Expertisecentrum Seksualiteit Rutgers. Voorheen werkzaam als onderzoeker bij antidiscriminatie voorziening Radar Inc: Radar, IDEM Rotterdam en Art 1, en bij landelijk kennisinstituut Movisie en KIS (Kennisplatform Integratie en Samenleving) op diversiteits- en inclusie vraagstukken.
2
3
SAMENVATTING Hulpverlenende en queer organisaties hebben nog relatief weinig kennis van en ervaring met het ondersteunen van queer jongeren. Dat bleek in 2021 uit een eerste verkenning. Vervolgens is dit onderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de ervaringen en behoeften van queer jongeren en sociale professionals als het gaat om queer sensitief handelen. Het onderzoek is bedoeld om de veiligheid van queer jongeren in de jeugdhulpverlening te vergroten. 88 professionals in het sociale domein hebben in een vragenlijst hun ervaringen met queer-gerelateerde thema’s gedeeld. Met 7 sociale professionals zijn verdiepende interviews gehouden. Thema’s die aan bod kwamen waren de mate van kennis, veiligheid op de werkvloer en (queer) inclusief personeelsbeleid. Daarnaast zijn in 2 focusgroepen de positieve en negatieve ervaringen van queer jongeren binnen de hulpverlening en hun ondersteuningsbehoeften in kaart gebracht. Uit de resultaten blijkt dat sociale professionals zichzelf hoog inschatten in de mate van kennis en comfort rondom queer thema’s, maar dat er in de praktijk weinig sprake is van queer sensitief handelen. Daar waar sociale professionals hun eigen kennis inschatten met een gemiddeld cijfer 7, geven de jongeren hen gemiddeld een 3,5. Verder beschrijven queer jongeren voornamelijk negatieve ervaringen binnen de zorg en heerst er een gevoel van onveiligheid onder hen.
Gelukkig zijn de professionals welwillend om het beter te doen en te leren. Daar liggen kansen voor verbetering. Vrijwel iedere sociale professional (92%) in het onderzoek geeft aan het (heel) belangrijk te vinden om aandacht te hebben voor queer gerelateerde thematiek binnen hun werkveld. Ongeveer twee derde (65%) geeft aan enige behoefte te hebben aan trainingen en voorlichting op het gebied van queer inclusiviteit. Op grond van de uitkomsten bevelen we aan om stevig in te zetten op diversiteit en representatie van hulpverleners, het hulpaanbod al te starten op jonge leeftijd (bijvoorbeeld vanaf de basisschool) en specifieke interventies te richten op sociale professionals.
4
5
VOORWOORD Dit onderzoek rondom queer sensitief handelen is tot stand gekomen na een eerste verkenning onder hulpverlenende en queer organisaties en de toezegging van het college van B&W van de gemeente Den Haag in reactie op de motie ‘Onderzoek naar creëren van meer veiligheid voor queers in de (jeugd)hulpverlening’. De opdracht voor dit onderzoek is verleend door de gemeente Den Haag. In 2021 zijn er meerdere gesprekken over de opzet en uitvoering van dit onderzoek. De noodzaak om een dergelijk onderzoek uit te voeren werd steeds prangender en in de maanden daarna is definitief besloten het onderzoek uit te voeren. Omdat sekse, gender en seksualiteit ons inziens niet bezien kunnen worden zonder ook aandacht te hebben voor kleur, etniciteit, leeftijd en andere identiteitslagen, is een intersectionele benadering gehanteerd in dit onderzoek. Wij, Fayaaz Joemmanbaks en Afiah Vijlbrief, beiden zelf queer personen van kleur, hebben dit onderzoek uitgevoerd vanuit zowel onze onderzoeksexpertise als onze kennis van de praktijk. Wij kennen beide groepen die hebben deelgenomen: de sociale professionals en de queer jongeren, alsmede hun (mogelijke) dagelijkse ervaringen. We hebben met veel enthousiasme dit onderzoek verricht. Het resultaat, dit rapport, biedt het veld allerhande handvatten om beter queer sensitief te kunnen handelen.
Wij danken iedereen die op persoonlijke titel of vanuit queer- en hulpverlenende organisaties heeft bijgedragen aan het succesvol tot stand brengen van dit onderzoek! Fayaaz Joemmanbaks en Afiah Vijlbrief
6
7
INHOUDSOPGAVE
8
QUEER SENSITIEF HANDELEN IN DEN HAAG
3
SAMENVATTING
5
VOORWOORD
7
INHOUDSOPGAVE
8
BEGRIPPENLIJST
10
1. INTRODUCTIE
14
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
14 15 15 16 16
Aanleiding Creëren van meer veiligheid en minder discriminatie Doelstelling Onderzoeksvragen Leeswijzer
2. METHODOLOGIE
18
2.1 2.2 2.3 2.4
18 19 19 20
Mixed method design Wervingskanalen Beschrijving respondenten Analyse
3. RESULTATEN
22
3.1 Resultaten professionals
22
3.1.1 Kennis, bewustzijn en vaardigheden rondom queer thematiek
23
3.1.2 Werkveld
27
3.1.3 Sensitiviteit binnen de organisatie
32
3.1.4 Veiligheid
35
3.1.5 Behoefte aan ondersteuning
37
3.2 Resultaten queer jongeren
39
3.2.1 Kennis van zorgprofessionals
40
3.2.2 Behoefte aan zorg
40
3.2.3 Tekortkomingen in behoeften
40
3.2.4 Voorkeur hulpverlener van kleur
41
3.2.5 Ervaringen binnen de hulpverlening
42
3.2.6 Behoefte aan ondersteuning
44
4. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
48
4.1 4.2 4.3 4.4
48 51 51 53
Conclusies Beperkingen van het onderzoek Aanbevelingen Vervolgonderzoek
5. LITERATUUR
56
6. BIJLAGEN
58
Bijlage 1. Deelnemende organisaties
58
Bijlage 2. Vragenlijst survey
59
BLOK 1:
Achtergrond
60
BLOK 2:
Kennis
61
BLOK 3:
Werkveld
62
BLOK 4:
Sensitiviteit binnen organisatie
65
BLOK 5:
Veiligheid
67
BLOK 6:
Behoefte aan ondersteuning
69
Bijlage 3. Topiclijst – diepte interview
71
9
BEGRIPPENLIJST Queer
Positionaliteit
Queer wordt vandaag de dag veel als label of identiteit voor verschillende personen gebruikt. In dit onderzoek
Manier waarop iemand zich positioneert in de maatschappij, bijvoorbeeld in een machtsrelatie tussen
is queer een parapluterm voor lesbisch, homoseksueel, biseksueel, transgender, non-binair, intersekse en
hulpverlener en cliënt.
aseksueel.
Cisgender
Misgenderen
Persoon die zich identificeert met het toegewezen geboortegeslacht (je bent dan dus niet transgender).
Naar iemand verwijzen met een voornaamwoord dat niet overeenkomt met hun genderidentiteit.
Transgender
Safe(r) & brave(r) space intenties
Persoon die zich niet (helemaal) identificeert met diens toegewezen geboortegeslacht.
Een safe(r) of brave(r) space is een plek die bedoeld is om vrij te zijn van vooroordelen, conflicten en kritiek. Zo’n plek biedt ruimte voor mensen met (een) gemarginaliseerde identiteit(en), zodat zij zich veilig genoeg
Opmerking: gender is een zaak (en proces) van zelfidentificatie. Daarbij impliceert de transidentiteit niets over
voelen om hun verhalen, gedachten en perspectieven te delen. Men maakt bewust ruimte voor de ander.
de seksuele identiteit.
Hierbij is men zich ook bewust van de eigen positie en heeft men een sensitieve houding naar anderen.
Intersectionaliteit
Soms wordt aan safe spaces ook ‘(r)’ toegevoegd: safe(r) spaces. Hiermee tonen organisaties aan dat ze
Intersectionaliteit, ook wel kruispuntdenken genoemd, is een theorie, concept en lens waardoor sociale
beseffen dat ze niet 100% kunnen garanderen dat iedereen veilig is in de ruimte, omdat ieder uniek persoon
relaties en sociale hiërarchie worden blootgelegd. Daarmee wordt ongelijkheid en de verdeling van macht
andere ervaringen en noden heeft. Wat veilig is voor de één, is dat misschien niet voor de ander. Het streefdoel
inzichtelijk(er). Intersectionaliteit gaat over de intersecties van zowel zichtbare als onzichtbare sociale
blijft wel om een safe space te bieden aan iedereen die aanwezig is.
categorieën zoals ras, klasse, sociaal-economische status, seksualiteit, gender, beperking (fysiek en/of mentaal), religie, uiterlijk en fysieke kenmerken, leeftijd enzovoort.
Unconscious bias Met name vooroordelen en stereotypen zijn goede voorspellers en oorzaken voor unconscious bias (onbewuste vooringenomenheid). Denk bijvoorbeeld aan (sociale) media, boeken, kranten, televisie, video’s, beeldmateriaal, verhalen die we elkaar vertellen. Dit zorgt ervoor dat stereotypen en vooroordelen eindeloos worden herhaald en als ‘waarheid’ worden opgeslagen in ons brein.
Gestigmatiseerde groepen en identiteiten Gestigmatiseerde groepen of identiteiten zijn (groepen) mensen die gemarginaliseerd zijn. Bijvoorbeeld mensen van kleur versus witte mensen, queer versus non-queer personen of vrouwen versus mannen. Dat betekent dat zij ondervertegenwoordigd zijn op allerlei domeinen en terreinen zoals in onderzoek, in de politiek, in de media en in taal.
Micro-agressie Micro-agressie is een verzamelterm voor subtiele, vaak onbedoelde, vormen van afwijzing of vooroordelen. Deze boodschappen die mensen meekrijgen in hun dagelijks leven kunnen ervoor zorgen dat zij gaan twijfelen aan hun (queer) identiteit en er negatiever over gaan denken.
10
11
1. INTRODUCTIE 1.1 Aanleiding Ook in Den Haag is het belangrijk dat iedereen, ongeacht seksualiteit, gender, leeftijd, mentale en/of fysieke uitdagingen of kleur, kan rekenen op de nodige zorg of ondersteuning. Een belangrijke groep die hierin niet overgeslagen kan worden is jonge queer personen, met name vanwege hun dubbele kwetsbaarheid1. Uit een eerste verkenning van de gemeente Den Haag onder zowel hulpverlenende als queer organisaties bleek echter dat er nog relatief weinig ervaring is (opgedaan) in het ondersteunen van deze kwetsbare groep. Enerzijds is er geringe kennis over gender- en seksuele diversiteit, en anderzijds weten jeugdinstanties vaak niet hoe ze het onderwerp bespreekbaar kunnen maken onder verschillende groepen en zien zij ook niet de enorme variatie binnen groepen. Door het aannemen van de motie 'Onderzoek naar creëren van meer veiligheid voor queers in de (jeugd)hulpverlening' door de Haagse gemeenteraad is een onderzoek naar het queer sensitief handelen van sociale professionals uitgevoerd.
1 Met ‘dubbele kwetsbaarheid’ verwijzen we naar meerdere gestigmatiseerde identiteiten die iemand kan hebben. Je bent daardoor kwetsbaarder voor bijvoorbeeld uitsluiting, discriminatie, racisme, maar ook voor seksueel risicovol of grensoverschrijdend gedrag, tegenover mensen die deze gestigmatiseerde identiteit(en) niet hebben. In het kader van dit onderzoek kun je denken aan queer én van kleur of transgender met een vluchtelingenachtergrond. Zie bijvoorbeeld: Dubbel kwetsbaar | Movisie.
12
13
1.2 Creëren van meer veiligheid en minder discriminatie
1.4 Onderzoeksvragen
Dit verkennend onderzoek brengt zowel de ervaringen van professionals die met deze groepen werken in kaart, als
Om de bovenstaande doelen te bereiken zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld. De onderzoeksvragen
de ervaringen en behoeften van queer jongeren zelf. Dat betekent dat er op 2 sporen is onderzocht:
zijn opgesplitst in 2 onderzoekssporen, namelijk spoor 1 en spoor 2:
Spoor 1 Sociale professionals SPOOR 1 SOCIALE PROFESSIONALS Binnen dit onderzoeksspoor is gesproken met én over hulpverleners, dienstverleners, zorgverleners,
1. Welke kennis, informatie en expertise hebben sociale professionals in huis als het gaat om queer specifieke hulpverlening?
sociaal-maatschappelijk werkers, jeugdwerkers en andere betaalde en onbetaalde personen die
2. Waar lopen sociale professionals tegen aan in hun hulpaanbod? Wat gaat er goed? En wat ontbreekt er?
binnen het sociale domein potentieel werken met (jonge) queer cliënten. Voor dit brede scala aan
3. Welke ondersteuning hebben sociale p rofessionals nodig als het gaat om kennis, bewustwording en
professionals gebruiken wij in dit rapport de term sociale professionals. Omdat de professionals en het
sensitiviteit van queer problematiek?
sociale domein centraal staan binnen dit onderzoek. Maar het kan dus ook over andere professionals gaan, bijvoorbeeld vrijwilligers die in Den Haag werken.
Spoor 2 Queer jongeren 1. Wat zijn de ervaringen van queer jongeren binnen de (jeugd)hulpverlening? 2. Wat hebben jonge queer personen nodig om makkelijker een beroep te kunnen doen op de (jeugd)hulpverlening, waardoor zij zich veilig en comfortabel voelen?
SPOOR 2 QUEER JONGEREN In dit onderzoeksspoor is gesproken met jonge queer personen in de leeftijd 16 tot en met 27 jaar. We gebruiken ‘queer’ als overkoepelende term voor lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender, intersekse en aseksuele personen.
1.5 Leeswijzer In dit rapport staan de ervaringen en behoeften van zowel professionals als van de queer jongeren centraal. Hoofdstuk 2 beschrijft de methoden van het onderzoek, waaronder de samenstelling van de onderzoeks-
1.3 Doelstelling
groepen en de werving van respondenten. Vervolgens gaat hoofdstuk 3 in op de resultaten. In paragraaf 3.1 worden de ervaringen en behoeften van sociale professionals gepresenteerd in de vorm van
Dit onderzoek heeft de volgende 3 hoofddoelen:
kwantitatieve en kwalitatieve data. De ervaringen van queer jongeren komen aan bod in paragraaf 3.2.
1. In kaart brengen hoe queer sensitief sociale professionals zijn in hun aanbod richting jonge
Tot slot presenteert hoofdstuk 4 de belangrijkste conclusies en aanbevelingen van dit onderzoek.
queer personen. 2. Inventariseren welke behoeften er zijn aan vaardigheids- en deskundigheidsbevordering voor de ondersteuning van jonge queer personen. 3. Inzicht krijgen in de (positieve en negatieve) ervaringen van jonge queer personen binnen de (jeugd)hulpverlening. Aan hand van de uitkomsten van dit onderzoek is een handreiking geschreven die sociale professionals ondersteunt om queer sensitief te handelen en daarmee de veiligheid van queer personen te vergroten.
14
15
2. METHODOLOGIE 2.1 Mixed method design Voor dit onderzoek zijn zowel kwantitatieve als kwalitatieve onderzoeksmethoden ingezet. Het onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een drietrapsraket: 1. Allereerst heeft er een online survey plaatsgevonden in oktober en november 2021 (zie bijlage 2). Deze vragenlijst is uitgezet onder sociale professionals in Den Haag en omgeving. Deze sociale professionals zijn bereikt vanuit het netwerk van de gemeente Den Haag én via het netwerk van de onderzoekers zelf. 2. Als tweede onderzoeksmethode zijn in december 2021 semigestructureerde interviews (zie bijlage 3) afgenomen onder een aantal van deze sociale professionals. De werving van deze respondenten vond plaats via zowel de survey als het warme netwerk van de onderzoekers en de gemeente Den Haag. Deze interviews gelden als verdieping op de vragenlijst. De open vragen voor deze interviews zijn mede gebaseerd op de geanalyseerde uitkomsten van de survey. Aan de hand van deze resultaten is een interviewguide opgesteld voor de kwalitatieve semigestructureerde interviews. De onderwerpen die bij een select aantal sociale professionals zijn uitgevraagd in een-op-een gesprekken, zijn direct te herleiden uit de survey. 3. Tot slot zijn deze resultaten in focusgroepen voorgelegd aan queer jongeren en nader met hen besproken.
In de focusgroepen is uitgevraagd wat de ervaringen en behoeften onder deze jongeren zijn binnen de (jeugd)hulpverlening. Omdat uit onderzoek 2 + 3, bekend is dat mensen van kleur in het algemeen andere ervaringen en behoeften hebben dan witte mensen is gekozen om 2 aparte focusgroepen te organiseren.
STAP
METHODE
BEREIK
1
Online survey
n=88
2
Verdiepende interviews
n=7
3
Focusgroepen
Focusgroep 1: n=9
2 Goh, K. (2018). Safe cities and queer spaces: The urban politics of radical LGBT activism. Annals of the American Association of Geographers, 108(2), 463-477. 3 Bowman, L. (2021). Black queer and transgendered adult learners in the era of the Black Lives Matter movement: A call for safe spaces. New Directions for Adult and Continuing Education, 2021(170), 45-53.
16
17
2.2 Wervingskanalen
focusgroepen kan de respons ook in positieve zin beïnvloeden. Jongeren kunnen zich meer op hun gemak
In eerste instantie is voor zowel de survey als voor de verdiepende interviews geworven via de gemeente
opgenomen in het kader van anonimiteit.
voelen om hun ervaringen te delen. In tabel 7 en 8 in paragraaf 3.2 is dan ook alleen algemene informatie
Den Haag. Sleutelfiguren in dit netwerk zijn cruciaal geweest om de werving te boosten. Deze sleutelfiguren zijn ook personen die actief zijn bij het COC Haaglanden en The Hang-Out 070. Deze zijn actief benaderd en betrokken bij dit onderzoek. Daarnaast is geworven via de zogeheten ‘sneeuwbalmethode’, dat wil zeggen de huidige respondenten hebben weer nieuwe respondenten binnen hun netwerk aangeleverd. Hierbij waren de warme contacten van collega’s en sociale professionals van groot belang. Ook sociale media zijn aangeboord via advertenties op Facebook en Instagram.
2.4 Analyse Voor de survey geldt dat deze online is afgenomen onder sociale professionals. De resultaten uit de vragenlijst zijn in SPSS opgeschoond en geanalyseerd. Voor de analyses is gebruikgemaakt van frequentietabellen, kruistabellen en gemiddelde schattingen.
2.3 Beschrijving respondenten
Aan de hand van een topiclijst zijn in totaal 7 semigestructureerde interviews afgenomen.
Om tot een zo compleet mogelijk beeld te komen van ervaringen en behoeften van zowel sociale professionals
en Ondersteuningsbehoeften. De interviewverslagen zijn daarna gecodeerd en geanalyseerd.
De h oofdtopics zijn: Basiskennis, Werkveld, Sensitiviteit binnen de organisatie, Veiligheid en werksfeer
als queer jongeren (aanbieders en afnemers), hebben we een zo divers mogelijke groep gesproken. Divers in functie en organisatie, maar ook in individuele identiteitskenmerken als genderidentiteit seksuele voorkeur,
Als laatste stap zijn de focusgroepen per groep geanalyseerd. Hier komen belangrijke thema’s en behoeften uit
opleidingsniveau, ras/etniciteit en leeftijd.
die onder de jongeren spelen. Deze zijn geanalyseerd en opgenomen bij de resultaten en aanbevelingen. Input van zowel de survey als van de interviews is gebruikt voor de vragen aan de focusgroepen.
Voor de dataverzameling onder sociale professionals is het enige criterium dat zij werkzaam zijn in regio Haaglanden. Het is geen vereiste dat ze direct cliëntcontact hebben. We spreken sociale professionals op verschillende niveaus om de mate van kennis en bewustzijn over queer sensitiviteit in kaart te brengen, inclusief aandacht voor veiligheid op de werkvloer en queer inclusief personeelsbeleid. Voor de dataverzameling onder queer jongeren gelden de volgende criteria: queer4 identificerend, tussen de 16 en 27 jaar oud, en wonend in de omgeving Den Haag. Ervaring met de (jeugd)hulpverlening in Den Haag was een pré, maar geen vereiste. Om een onderscheid te maken tussen de 2 groepen spreken we in dit rapport consistent van sociale professionals en jongeren. Samen vormen zij de totale groep respondenten die heeft deelgenomen aan dit onderzoek. We verwijzen in de tekst naar jongeren met de voornaamwoorden die zij zelf hebben aangegeven. Bijvoorbeeld bij non-binaire jongeren gebruiken we hen/hun. Voor wat betreft de focusgroepen is er een bewuste keuze gemaakt om er 2 te organiseren: één met queer jongeren van kleur en één met witte queer jongeren. Dit heeft verschillende redenen. Allereerst is deze keuze gemaakt om veiligheidsreden. Vaak hebben jongeren van kleur door meer gelaagdheid in (gestigmatiseerde) identiteiten andere geleefde ervaringen dan witte jongeren.
Op basis van hun identiteitslagen kunnen zij andere, unieke ervaringen hebben. In dit onderzoek houden we hier bewust rekening mee. Een tweede reden om de focusgroepen apart te organiseren heeft te maken met cultuursensitiviteit, hetgeen aansluit op de eerdergenoemde reden. De gemeente Den Haag heeft binnen deze opdracht namelijk specifiek verzocht dit element mee te nemen in het onderzoek. Het op een intersectionele wijze organiseren van de
4 Queer is deze context een parapluterm waar LHBTIA+ deel van uitmaakt.
18
19
3. RESULTATEN 3.1 Resultaten professionals Het eerste gedeelte van dit hoofdstuk beschrijft de resultaten van de data die zijn verzameld onder de sociale professionals. In het tweede gedeelte volgen de data die zijn opgehaald uit de focusgroepen onder queer jongeren.
Vragenlijstonderzoek Aan het vragenlijstonderzoek hebben in totaal 88 respondenten deelgenomen. Zoals te zien in tabel 1 is bijna iedereen (93%) werkzaam in Den Haag, identificeert iets meer dan driekwart zich als vrouw (77%) en zijn de meeste personen tussen de 31-60 jaar (77%). De sociale professionals in dit onderzoek vertegenwoordigen 31 verschillende organisaties, waaronder Youz, Centrum Jeugd & Gezin (CJG), Jeugdbescherming West, Leger des Heils, SHOP, maar ook stichting Rainbow, Queer aan Zee, PsyQ, GGD Haaglanden en nog vele anderen (zie bijlage 1). Het onderzoek bestaat voornamelijk uit (jeugd)hulpverleners (18%), verpleegkundigen (11%), maatschappelijk werkers (9%) en andere diverse functies, zoals coördinatoren, MT-leden en adviseurs.
20
21
Werkplaats*
N
%
Den Haag
83
93%
Delft
13
15%
Pijnacker-Nootdorp
13
15%
Rijswijk
18
20%
Leidschendam-Voorburg
19
21%
Wassenaar
14
16%
Westland
13
15%
Zoetermeer
16
18%
Anders
5
6%
Leeftijd
N
%
18-30 jaar
16
18%
31-45 jaar
37
42%
46-60 jaar
31
35%
61+
4
5%
Gender
N
%
Man
15
17%
Vrouw
68
77%
Anders
1
1%
Wil niet zeggen
4
5%
* Aangezien personen werkzaam zijn in meer dan één gemeente, hadden ze de mogelijkheid om meerdere antwoorden in te vullen. De reacties van de gemeente Midden-Delfland zijn verwerkt in de optie Anders.
seksuele diversiteit. Over het algemeen wordt het kennisniveau als voldoende beoordeeld, het kennisniveau over seksuele diversiteit krijgt het hoogste gemiddelde cijfer (M = 7.2).
Tabel 2 Inschatting kennisniveau gender-, sekse- en seksuele diversiteit Kennisniveau
M
Seksuele diversiteit
7,2
Genderdiversiteit
6,72
Seksediversiteit
6,74
* Cijfers op een schaal van 1-10.
De verdiepende interviews bieden hetzelfde beeld. Verreweg de meeste kennis die er is gaat over seksuele diversiteit. Er wordt door alle sociale professionals in meer of mindere mate gezegd dat “queer thema’s gaan over alles wat buiten de hetero-norm valt”. Verder kijken dan seksualiteit doet maar een klein aantal professionals. Dat geldt voor hen die gespecialiseerd zijn in een onderwerp als gender. Zoals deze sociale professional uitlegt: “Ja ik ben me heel bewust van het transgender stuk, misschien nog meer dan het seksualiteitsstuk. Dat iemand ook gay of lesbisch kan zijn bijvoorbeeld. Dat komt omdat wij in ons vakgebied vaker te maken krijgen met transgender personen en de issues waar zij tegenaan lopen.” Op de vragen rondom betekenis van queer en verwante thema’s geeft men aan dat er voldoende kennis is, maar dat deze zich wel vaak beperkt tot de basis. De meeste professionals geven aan er behoefte aan te hebben hun kennis te vergroten. “Ik vind dat ik gematigd kennis heb. Het kan altijd beter ondanks dat ik queer ben. Wat beter kan: alle definities en termen. Het is een beetje zoeken. En als je het zelf niet helemaal weet, is het moeilijk om uit te leggen. Voor de doelgroep is het prettig om dit eenvoudig uit te leggen. Dus ook voor onszelf.”
Bewustzijn De meerderheid van de sociale professionals geeft aan zich er altijd (50%) of vaak (23%) bewust van te zijn dat er personen of cliënten binnen hun werk zijn die zich niet als heteroseksueel identificeren. Een klein deel geeft aan dat ze zich er nooit (1%) of soms (6%) bewust van zijn.
3.1.1 Kennis, bewustzijn en vaardigheden rondom queer thematiek We hebben ook gevraagd in hoeverre sociale professionals zich er bewust van zijn dat er personen of collega’s
Kennis
op de werkvloer kunnen zijn die zich geen man of geen vrouw voelen. Hier zien we dat een kleiner deel, maar
De sociale professionals zijn gevraagd naar de mate van kennis die zij bezitten als het gaat om queer
nog steeds de meerderheid, aangeeft zich hier altijd (34%) of vaak (23%) bewust van te zijn. Opvallend is dat
thema’s. Dit deel van het onderzoek laat zien dat bijna de helft (45%) aangeeft het er (volledig) mee eens
het percentage professionals dat zich soms (22%) bewust is van personen die zich geen man of geen vrouw
te zijn voldoende kennis te hebben over queer thema’s. Een kwart (25%) van de sociale professionals zegt
voelen een stuk hoger ligt dan het percentage dat zich soms bewust is van heteroseksualiteit (6%) (zie figuur 1).
onvoldoende kennis te bezitten. Het overige deel (30%) staat er neutraal in. Tabel 2 laat zien met welk gemiddeld cijfer sociale professionals hun eigen kennis inschatten als het gaat om gender-, sekse-, en
22
23
Figuur 1 Bewustzijn heteroseksualiteit en genderidentiteit
Figuur 2 Vaardigheden gender-, sekse- en seksuele diversiteit
Vergelijkbare antwoorden worden gegeven tijdens de verdiepende interviews. Nagenoeg zijn alle sociale
Uit de interviews blijkt eveneens dat het gros van de sociale professionals over meer kennis, comfort en
professionals zich bewust van queer thema’s die kunnen spelen bij cliënten en dan met name die met
vaardigheden beschikt als het gaat over lesbische, homoseksuele en biseksuele jongeren/personen.
betrekking tot seksualiteit. Gender blijft voor een groot deel van de sociale professionals iets waar niet altijd
Over transgenderthematiek wordt nauwelijks gesproken en over intersekse of seksediversiteit helemaal niet.
direct aan gedacht wordt. Uit de interviews wordt duidelijk dat, ondanks dat ze zich ervan bewust zijn, niet
Wat betreft transgender jongeren ligt dit wel anders wanneer mensen gespecialiseerd zijn op gender binnen
iedereen altijd vraagt naar queer thema’s bij cliënten. Men geeft aan dat de drempel vaak te hoog is om
hun vakgebied. Dit geldt bijvoorbeeld voor degenen die in de GGZ of met de genderpoli werken, omdat een
hierover te beginnen en/of dat jongeren niet met queer issues bij hen komen en zij dus veronderstellen dat
groot deel van hun cliënten bestaat uit transgender jongeren. Bij deze sociale professional is er juist minder
het daar niet mee te maken heeft. Zo blijkt ook uit één van de interviews:
oog en aandacht voor seksualiteit.
“Zolang dat ze er niet naar vragen of iets over vertellen, begin ik er zelf ook niet over. Als een jongere binnenkomt met een vraag over een woning of geld, dan vraag ik er niet naar. Het zit dan niet voldoende in de top
Figuur 3 laat zien dat veruit de meest sociale professionals aangeven heel erg comfortabel te zijn in hun
of my mind.”
omgang met queer personen binnen hun werk. We zien ook een daling in de mate van comfort als het gaat om transgender, non-binaire, intersekse en aseksuele personen. Het valt op dat bij deze 4 groepen relatief veel
Vaardigheden en comfort
mensen het niet weten, geen mening hebben of neutraal zijn. Zo geeft 10% aan geen mening te hebben of
Vaardigheden om gender-, sekse- en/of seksuele diversiteit in de praktijk bespreekbaar te maken worden door
niet te weten hoe comfortabel zij zich voelen in de omgang met non-binaire en aseksuele personen, terwijl
de sociale professionals over het algemeen als voldoende tot goed ingeschat. Met name bij lesbische (48%),
13% dat aangeeft bij intersekse personen.
homoseksuele (49%) en biseksuele (47%) personen worden de eigen vaardigheden als goed ingeschat. Het valt op dat bij transgender, non-binaire, intersekse en aseksuele personen een lager percentage p rofessionals hun vaardigheden als goed of uitstekend inschat. We zien dat bij deze 4 groepen de vaardigheden vaker als slecht
Figuur 3 Comfortabel in omgang
of matig worden ingeschat dan bij de eerste 3 groepen. Zo geeft bijvoorbeeld 32% aan dat ze hun v aardigheden om gender-, sekse- en/of seksuele diversiteit bespreekbaar te maken met intersekse en a seksuele personen als matig inschatten (zie figuur 2).
24
25
3.1.2 Werkveld
Tabel 4 laat zien dat de cliënten met een queer achtergrond die begeleid zijn door de sociale professionals voornamelijk pubers (52%) en adolescenten (49%) waren.
Vrijwel iedere sociale professional (92%) in het onderzoek geeft aan het (heel) belangrijk te vinden om aandacht te hebben voor queer gerelateerde thematiek binnen hun werkveld. Dit gegeven biedt kansen om onder meer vaardigheden en deskundigheid te verbeteren. Sociale professionals lijken hiermee namelijk zelf
Tabel 4 Levensfase cliënten met een queer achtergrond
aan te geven dat er groot draagvlak is voor deze thematiek. Levensfase
%
Tabel 3 laat zien dat 16% van de sociale professionals met directe cliëntcontacten in de afgelopen
Kleuter (3-5 jaar)
0%
12 maanden geen enkele casus had van personen met een queer achtergrond. Bij ongeveer de helft (50%)
Basisschoolkind (6-12 jaar)
8%
Puber (13-17 jaar)
52%
Adolescentie (18-24 jaar)
49%
Volwassenen (25-64 jaar)
40%
Oudere (65+)
13%
Begeleiding van queer jongeren
van de respondenten ligt dit aantal tussen de 1-5 personen met een queer achtergrond.
Tabel 3 Aantal casussen met een queer achtergrond Aantal casussen
%
0
16%
1 tot 5
51%
6 tot 10
13%
11 tot 15
9%
>15
11%
Respondenten hebben meerdere opties ingevuld, aangezien de meesten meer dan 1 persoon met een queer achtergrond begeleid hebben.
Sociale professionals geven nogal verschillende verklaringen voor het feit dat zij geen enkele persoon met een queer achtergrond begeleid hebben. Zo zijn er sociale professionals die aangeven vooral met jongere kinderen te maken te hebben gehad, anderen vragen er niet (direct) naar en weer bij anderen is het ‘toevallig’ niet aan de orde: “Ik vraag er nooit direct naar, het is geen issue in mijn werk.” Het komt ook voor dat personen nog niet zo lang werkzaam zijn in hun huidige functie, of simpelweg geen verklaring hebben.
26
27
Hulpvragen
Figuur 5 Queer achtergrond
Queer cliënten komen voornamelijk met hulpvragen over mentale gezondheid (81%) en familieproblematiek (71%) voor een consult. Bij ongeveer de helft van de queer cliënten gaat het om queer-gerelateerde problematiek (57%) (bijvoorbeeld coming-out, zelfacceptatie of genderdysforie), interculturele problematiek (49%) of seksuele gezondheid (46%). En bij ongeveer een derde gaat het om suïcidaliteit (33%), middelengebruik/verslavingszorg (33%) of discriminatie en racisme (30%). Uit de interviews blijkt ook dat vragen naar sekse, seksuele of genderidentiteit vaak niet een standaard onderdeel is van een protocol of intake. Professionals zeggen dat queer thema’s bespreekbaar zijn op de werkvloer, maar dat ze hier zelf niet actief naar vragen. Tegelijkertijd geven de meeste sociale p rofessionals wel aan dat zij 1 of meer queer casussen hebben meegemaakt in het afgelopen jaar. Een aantal van de geïnterviewden geeft aan dat zij heel specifiek ook met queer jongeren werken. Zo vertelt een sociale professional over diens cliënten en hun verschillende gestigmatiseerde identiteiten het volgende: “Wat je vaak ziet is dat de GGZ tegen de doelgroep [transjongeren en volwassenen in dit geval] zegt dat zij moeten stoppen met sekswerk. Maar daar zit het probleem niet. Vaak heeft het te maken met discriminatie rondom hun identiteit [met name transgender vrouwen].
Ze kunnen geen werk krijgen door het dubbele stigma.
Bespreekbaar maken seksuele voorkeur
Of er zijn problemen in de relationele sfeer of thuis. Tsja, dan zien ze sekswerk als enige optie. Vaak hebben ze ook
Figuur 6 laat zien dat er de meeste sociale professionals soms tot nooit vragen naar de seksuele voorkeur
nog een vluchtelingenstatus of zijn ze migranten.”
van cliënten en dat deze voorkeur ook niet geregistreerd wordt. Zo geeft bijna de helft (45%) aan dat seksuele voorkeur nooit geregistreerd wordt en ongeveer een derde (29%) vraagt er nooit naar aan hun cliënten. Het percentage dat seksuele voorkeur soms registreert of ernaar vraagt is respectievelijk 37% en 43%.
Figuur 4 Hulpvragen Figuur 6 Vragen en registreren van seksuele voorkeur
Bespreekbaar maken queer thematiek Er wordt verschillend gereageerd op de vraag of er wordt nagegaan of de queer achtergrond een rol speelt
Bespreekbaar maken genderidentiteit
bij de situatie/hulpvraag van de cliënt. Zo geeft 21% aan dat zij dit regelmatig, vaak of altijd doet, terwijl een
Figuur 7 laat zien dat ook de meeste sociale professionals aangeven soms of nooit te vragen naar
derde (32%) aangeeft dat zij dit soms doet (zie figuur 5). Volgens de meeste sociale professionals is het ook
genderidentiteit of voornaamwoorden (hij/zij/hen/die) van cliënten. Zo geeft bijna de helft aan dat zij nooit
vaak (36%) of altijd (21%) voor cliënten duidelijk (concreet merkbaar of zichtbaar) dat gender-, sekse- en/of
naar genderidentiteit (45%) en voornaamwoorden (47%) van hun cliënten vragen.
seksuele diversiteit bespreekbaar is met hen.
28
29
Figuur 7 Vragen naar genderidentiteit en voornaamwoorden
“Wat betreft doorverwijzen is er gewoon best weinig in Den Haag. Het is het een of het ander. Om een voorbeeld te geven: ik had een moslim jongen in de groep die closeted [in de kast] was. Naar een witte organisatie wilde hij niet, want hij is moslim. Waar moet ik dan aankloppen? Ik ben uiteindelijk naar een landelijke organisatie gegaan, Maruf. Maar in Den Haag moeten we ook zoiets hebben.” Een andere professional zegt in dit kader het volgende: “COC geeft begeleiding, The Hang-Out 070 biedt alleen lotgenotencontact. Het zou misschien goed zijn iets ertussenin te kunnen aanbieden. Er moet iets laagdrempelig zijn. The Hang-Out 070 is interessant, maar minder professioneel. Dus qua professionele organisatie is er niks tussen in. Dat mis ik.”
3.1.3 Sensitiviteit binnen de organisatie Specialisatie gender-, sekse- en/of seksuele diversiteit Iets meer dan de helft (56%) geeft aan dat er een of meer personen binnen hun team en/of afdeling We hebben nagevraagd in hoeverre genderidentiteit wordt geregistreerd, en indien van toepassing,
gespecialiseerd zijn in gender-, sekse- en/of seksuele diversiteit. Ongeveer een derde (34%) geeft aan dat er
op welke manier dat gebeurt. Tabel 5 laat zien dat iets meer dan een kwart (28%) van de sociale p rofessionals
geen enkel persoon gespecialiseerd is en het overige deel (9%) weet het niet. Iets meer dan twee derde (69%)
gender helemaal niet registreert. Het overige deel registreert het wel, maar dan voornamelijk (47%) met
geeft aan het (heel erg) belangrijk te vinden om een aandachtsfunctionaris ‘gender-, sekse- en/of seksuele
binaire (man-vrouw) gendercategorieën. Degenen die wel meerdere categorieën voor gender r egistreren,
diversiteit’ binnen hun team, afdeling of gehele organisatie te hebben. Opvallend is dat vooral degenen die
maken vooral gebruik van de labels ‘transgender’ en ‘non-binair’.
geen aangewezen specialist hebben binnen hun team en/of afdeling, ook degenen zijn die het niet belangrijk vinden om een aandachtsfunctionaris te hebben.
Tabel 5 Registratie van genderidentiteit
Uit de interviews komen verschillende reacties op het aanstellen van iemand als aandachtsfunctionaris. De één vindt dit zeer belangrijk en voelt de noodzaak, een ander zegt dat je hiermee verantwoordelijkheid
Gender registratie
%
Ja, binair (man-vrouw)
46,7%
Ja, meerdere genders
25,3%
Nee, gender wordt niet geregistreerd
28%
wegneemt bij andere collega’s door het juist bij één persoon te beleggen. Sommigen zien voor- en nadelen aan een aandachtsfunctionaris: “Ik vind het wel Interessant want het voordeel is dat er meer kennis, agendering en begrip zal zijn. Maar ik ben niet zo voor één speciaal persoon. Dit wordt een excuus voor anderen om zich hier niet in te verdiepen. Dan blijft het belegd bij één persoon. Iedereen moet getraind zijn in sensitiviteit, en dan misschien nog een paar collega’s extra. Mijn ervaring is: één expert, dan doet niemand het meer.”
Queer Inclusief (personeels)beleid Doorverwijsmogelijkheden
In ongeveer een derde van de gevallen is genderdiversiteit (38%), seksediversiteit (27) en seksuele diversiteit
Ongeveer een derde (34%) van de sociale professionals weet niet waar ze naar moeten doorverwijzen indien
(32%) opgenomen als aandachtsgebied in het beleid van de organisaties. De helft (49%) van de sociale
er sprake is van een queer-gerelateerde casus. Het overige deel dat hiervan wel op de hoogte is, geeft in de
professionals geeft aan niet te weten of dit het geval is. Ongeveer een derde van de sociale professionals
meeste gevallen aan door te verwijzen naar COC Haaglanden, maar ook naar Youz, VU-polikliniek en andere
geeft aan dat er binnen hun organisatie (heel) weinig (31%) rekening wordt gehouden met queer inclusief
zorginstellingen. Ongeveer een derde (35%) van hen is tevreden over de doorverwijsmogelijkheden voor
personeelsbeleid. Een opvallend deel (35%) weet niet of er hier rekening mee gehouden wordt (zie figuur 8).
specifieke vragen van queer cliënten en een derde (33%) is neutraal. Alle sociale professionals vertellen tijdens de interviews dat binnen hun organisatie geen expliciet beleid is
30
Sociale professionals geven in de interviews aan dat zij met name doorverwijzen naar COC Haaglanden.
geformuleerd op sekse-, gender- of seksuele diversiteit. Wel geeft een groot deel aan dat zijzelf (en ook hun
Af en toe wordt een andere organisatie genoemd zoals The Hang-Out 070 of Youz en zijn zij op de hoogte van
collega’s) de noodzaak voelen dit een speciaal aandachtsgebied te maken binnen hun organisatie. Sommige
lotgenotencontactgroepen. Tegelijkertijd ziet het deel van de sociale professionals dat tevreden is met het
organisaties zijn op dit moment bezig met het ontwikkelen van queer sensitief beleid. Een deel van de sociale
huidige aanbod graag een uitbreiding van ondersteuning/begeleiding van queer jongeren.
professionals zegt het niet nodig te vinden hier expliciet beleid op te maken. Een van deze organisaties stelt:
31
“Wat betreft ons beleid geldt dat eenieder van welke leeftijdsgroep, achtergrond of cultuur dan ook welkom is
Figuur 9 Zichtbaarheid van queer inclusiviteit
binnen onze organisatie als cliënt of als nieuwe collega. Wat betreft het aannamebeleid van (nieuw) personeel is het belangrijk een mix van mensen te hebben. Dat betekent ook dat de queer groep hiertoe behoort. Het apart benoemen van deze groep zien wij juist als discriminerend.”
Figuur 8 Rekening houden met queer inclusief personeelsbeleid
Aandacht op de werkvloer
Vergelijkbare antwoorden volgen in de interviews. Het zichtbaar uitdragen van queer thema’s gebeurt soms Ongeveer de helft van de sociale professionals (46%) vindt dat er binnen hun team en/of afdeling meer
niet, soms wel, soms expliciet en soms impliciet. Hier is kritiek op:
aandacht besteed mag worden aan gender-, sekse- en/of seksuele diversiteit. Ongeveer een vijfde (20%) vindt
“Anders dan de LHBT+ vlag die hier op kantoor hangt doen we nog niks. Tenminste niet dat ik weet, niet in
dat hier ruim voldoende aandacht voor is en het overige deel zegt dat er niet voldoende (24%) aandacht aan
beleid en niet zichtbaar… De [organisatie] wordt ook wel beschuldigd van pinkwashing5. Het is soms een beetje
besteed wordt, of heeft er geen mening over (10%).
gedwongen, symbolisch. Het moet vanuit de overheid, dus doen we het. Eerlijk gezegd vind ik dat ook wel. Want het is dus wel zichtbaar. Maar we zijn er wel voor queer poc [queer mensen van kleur]? En hoe is het dan?
Sociale professionals geven in meer dan de helft (55%) van de gevallen aan dat ze momenteel niks doen om
Want wat betekent het?”
gender-, sekse- en/of seksuele diversiteit (meer) op de agenda te krijgen binnen hun team of afdeling. De redenen hiervoor zijn dat er al genoeg aandacht besteed wordt, dat personen er geen tijd voor hebben, zin
“Als ik kijk naar ons materiaal, voorheen was dat heteroseksualiteit zowel in afbeeldingen, tekst, voorbeelden
in hebben of prioriteit aan geven, dat het volgens enkelen ‘niet voorkomt’ of er niet eerder over is nagedacht
waren het mannen of vrouwen en zagen we vooral veel witte mensen. Nu is dat veel intersectioneler, maar
en dat professionals het niet nodig vinden:
het mag meer. Wat betreft transgender personen doen we nog niks volgens mij. Maar de aandacht die er is,
“Ik hou me er niet mee bezig, voor mij is iedereen gelijk. Het heeft absoluut geen invloed op het werk dat ik doe.”
is vooral klinisch en plat. We praten over anticonceptie, soa’s, ook in de voorlichtingen aan jongeren. Maar ik vind seksualiteit groter dan dat en dan heteroseks. Volgens mij moet je ook praten over liefde. En ook over de
De andere helft (45%) geeft wel aan momenteel iets te doen om de betreffende thema’s (meer) op de agenda
Genderkoek [een (les)methode waarmee gender, sekse en seksualiteit wordt uitgelegd].”
te krijgen. Zij doen dit voornamelijk door het bespreekbaar maken van deze thema’s tijdens (team)overleggen en bijeenkomsten, maar ook door het ontvangen, verzorgen of ontwikkelingen van trainingen en middels deskundigheidsbevordering. Anderen doen het weer door te lobbyen of door posters, flyers en ander materiaal zichtbaar te maken en te verspreiden.
Hoe is queer inclusiviteit merkbaar? Gevraagd is op welke manier(en) organisaties laten zien hoe queer inclusief ze zijn. Figuur 9 laat zien dat de meeste organisaties dit doen door bijvoorbeeld deel te nemen aan queer specifieke dagen, zoals Coming-Out dag of Paarse Vrijdag. Ook wordt aandacht besteed aan queer inclusie via sociale media (25%), in een nieuwsbrief (24%) of op andere manieren (24%), zoals het ophangen van de regenboogvlag, foldermateriaal te verspreiden en activiteiten te organiseren of ondersteunen. Ongeveer een derde (34%) laat weten dat hun organisatie queer inclusiviteit niet openlijk laat zien.
32
5 Pinkwashing, oftewel ‘rainbowwashing’ of ‘regenboogkapitalisme’, staat voor de (politieke) verborgen agenda die multinationals of andere organisaties inzetten als marketingstrategie. Een organisatie profileert zich als een queer friendly organisatie, terwijl de praktijk niet zo is en het louter een symbolische manier met als doel meer geld te verdienen. Zie ook: Pinkwashing: een roze missie met een verborgen agenda - OneWorld
33
3.1.4 Veiligheid
Figuur 11 laat zien dat een deel aangeeft dat hun team en/of afdeling vaak (36%) of altijd (38%) een veilige omgeving voor queer personen biedt om ‘uit de kast’ te komen. Het begrip ‘uit de kast komen’ (of coming-out)
Vertrouwenspersoon
betekent openlijk aan anderen (kunnen) vertellen wat diens seksuele voorkeur en/of genderidentiteit is.
Van de sociale professionals geeft 8% aan een vertrouwenspersoon binnen de organisatie te hebben die gespecialiseerd is in queer thema’s. Een kwart (26%) geeft aan dat er geen queer gespecialiseerde vertrouwenspersoon is en ongeveer twee derde (66%) weet het niet.
Figuur 11 Veilige omgeving voor coming-out
Vervelende en discriminerende reacties Zoals te zien in figuur 10 geeft de meerderheid aan dat er nooit vervelende grappen (67%) of discriminerende opmerkingen (77%) over queer personen gemaakt worden binnen hun team en/of afdeling. Een kwart geeft aan dat er soms vervelende grappen of discriminerende opmerkingen worden gemaakt (respectievelijk 28% en 21%) en een kleiner deel zegt regelmatig (5% om 2%). Van degenen die aangeven dat er wel eens discriminatie plaatsvindt, vindt een ruime meerderheid (65%) dat er meer gedaan mag worden om discriminatie en/of uitsluiting op de werkvloer tegen te gaan.
Figuur 10 Vervelende grappen en discriminerende opmerkingen
Queer personen op de werkvloer In tabel 6 zien we het aantal queer personen (waarvan bekend) dat werkzaam is binnen het team of de afdeling van de sociale professionals. Ongeveer een derde (34%) van de sociale professionals geeft aan dat er geen enkel queer persoon werkzaam is hun team en/of afdeling. Meer dan de helft (52%) van de respondenten geeft aan dat er tussen 1-5 queer personen binnen het team of de afdeling werkzaam zijn. Wat opvalt is dat het aantal personen met een queer achtergrond zich gelijkwaardig verhoudt ten opzichte van de verschillende organisaties. Dat betekent dat ongeacht de grootte van de organisatie (in aantal werknemers), het aantal queer persoon ongeveer gelijk is en niet groter (of kleiner) wordt. Oftewel: het is niet zo dat hoe groter de organisatie er ook automatisch meer queer personen werken, dit getal (1 tot 5 queer personen) blijft gelijk.
Tabel 6 Aantal queer personen op de werkvloer Aantal
34
%
0
34%
1-5
52%
6-10
1%
Meer dan 10
6%
Wil niet zeggen
7%
35
3.1.5 Behoefte aan ondersteuning
Figuur 13 Vraagstukken
Zoals te zien in figuur 12 geeft bijna elke (91%) sociale professional aan behoefte te hebben aan enige vorm van deskundigheidsbevordering in relatie tot gender-, sekse- en/of seksuele diversiteit. De meeste sociale professionals hebben behoefte aan een training of bijscholing (65%) op dit thema. Daarnaast geeft iets minder dan de helft aan behoefte te hebben aan advies of consultatie (47%) of aan informatiemateriaal, zoals folders en flyers (39%). Slechts een klein deel heeft helemaal geen behoefte aan ondersteuning (9%). Dezelfde antwoorden worden gegeven tijdens de kwalitatieve interviews. Men geeft zelfs aan ‘eager’ te zijn om meer te willen leren: “Ik wacht met smart op nieuwe kennis rondom queer thema’s. Ik schrijf me altijd in voor cursussen, kennisateliers, lezingen rondom dit thema. Ik wil meer, want ik mis praktische handvatten.”
Figuur 12 Ondersteuningsbehoeften
In de interviews wordt niet gesproken over gelieerde vraagstukken, maar uit de gesprekken blijkt wel dat de behoeften vooral bestaan rondom praktische deskundigheidsbevordering en scholing. Denk aan het vergroten van kennis (kennisoverdracht en actuele informatie, bijvoorbeeld over taal en identiteitsvormen, worden het vaakst genoemd), handelingsbekwaamheid, gesprekstechnieken en -vaardigheden. Een andere behoefte die naar voren komt in de interviews is het bouwen aan een steviger netwerk in Den Haag, waarbij men elkaar en de organisaties beter kent en gemakkelijker kan bereiken. Aanvullend daarop is er behoefte aan een goede sociale kaart waar informatie en aanbod centraal belegd is. Door een aantal geïnterviewden wordt ook bewustwording genoemd, waarbij 3 sociale professionals letterlijk zeggen meer inzicht in en reflectie op ‘unconscious bias’ te willen hebben. Dezelfde personen geven aan dat er ook een stuk bewustwording en handvatten moeten komen in relatie tot cultuursensitief werken.
Van degenen die aangeven ondersteuningsbehoeften te hebben, geeft ongeveer driekwart aan dat ze behoefte hebben aan ondersteuning bij het signaleren van veelvoorkomende problematiek onder queer jongeren (73%) en het vraagstuk intersectionaliteit (70%). Dat is uitgevraagd als queer zijn in combinatie met andere identiteiten, waaronder ras/etniciteit, leeftijd en beperking. Verder geeft ongeveer twee derde van de professionals aan dat ze ook behoefte hebben aan ondersteuning bij gelieerde queer vraagstukken, zoals verslavingszorg en dak- en thuislozenzorg (65%) of aan ondersteuning gericht op queer jongeren (61%). Tot slot geeft ongeveer de helft aan dat zij ook behoefte hebben aan het bespreekbaar maken van queer thema’s (54%) en algemene kennis over queer zijn (45%) (zie figuur 13).
36
37
3.2 Resultaten queer jongeren
3.2.1 Kennis van zorgprofessionals
Queer jongeren zijn gevraagd naar hun positieve en negatieve ervaringen binnen de zorg. In de focusgroepen
Aan de queer jongeren van kleur is gevraagd met welk cijfer (van 1 tot 10) zij de kennis van sociale
is gesproken over 3 thema’s: drempel naar de zorg, ervaringen binnen de hulpverlening en behoefte aan zorg
professionals inschatten rondom gender- en seksuele diversiteit. Daar waar sociale professionals hun eigen
en ondersteuning (zie bijlage 3). Aan de eerste focusgroep deden 9 queer jongeren van kleur mee (tabel 7)
kennis inschatten met een gemiddeld cijfer van 7, geven de jongeren gemiddeld een cijfer van 3,5. Aan de
en aan de tweede focusgroep hebben 5 witte jongeren deelgenomen (tabel 8).
groep witte queer jongeren is dezelfde vraag gesteld. Zij geven sociale professionals gemiddeld het cijfer 6. Aanvullend zeggen de jongeren dat de ene sociale professional de ander niet is en zij gemengde ervaringen
Wij hebben aan alle deelnemers gevraagd hoe zij zichzelf identificeren. De genoemde identiteit is dan ook op
hebben in kennis over queer thema’s.
basis van zelfbenoeming. In dit hoofdstuk wordt omschreven waar jongeren tegenaan lopen in de zorg, welke
“De een weet daar meer over dan de ander, maar het is vaak heel basic.”
behoeften zij hebben en wat ze nodig hebben om hen zo goed mogelijk te kunnen begeleiden.
3.2.2 Behoefte aan zorg Tabel 7 Samenstelling focusgroep 1: queer jongeren van kleur In overeenstemming met wat de sociale professionals hebben aangegeven, komt ook onder de queer jongeren Queer identiteit
Opleidingsniveau
terug dat zij behoefte hebben aan zorg. Zo zijn er jongeren die aangeven behoefte te hebben aan hormoon-
23
Homoseksuele cisgender man
hbo – social work
thema terug onder queer jongeren, bijvoorbeeld persoonlijkheidsstoornissen, posttraumatische stressstoornis
2
17
Transgender – non-binair, queer
vwo
(PTSS) of traumaverwerking als gevolg van seksueel geweld. Andere queer jongeren hebben behoefte aan
3
18
Transgender man
grafisch lyceum
geven jongeren aan dat zorg voor hen breder is dan medische of klinische zorg. Er is namelijk ook behoefte
4
20
Lesbische cisgender vrouw
hbo
aan ‘zorg’ in termen van lotgenotencontactgroepen, zoals deze wordt aangeboden door COC Haaglanden en
5
26
Queer
wo – culturele antropologie
zorg of steun des te belangrijker volgens hen. Een enkeling noemde ook behoefte te hebben aan zorg in de
6
27
Queer
wo – culturele antropologie
vorm van educatieve ondersteuning, zoals het aangeven van grenzen.
7
24
Queer
hbo – social work
8
21
Biseksuele cisgender vrouw
docent Koninklijke Conservatorium
9
?
Queer
wo – sociologie
Respondent
Leeftijd
1
behandeling, maar al 2 jaar op de wachtlijst staan. Daarnaast komt mentale gezondheid als veelvoorkomend
informatie over veilige seks, seksuele grenzen (consent) en PrEP-gebruik (hiv-preventiemiddel). Bovendien,
The Hang-Out 070. Met name wanneer je door je omgeving niet (direct) wordt geaccepteerd is deze vorm van
3.2.3 Tekortkomingen in behoeften Vrijwel elke queer jongere omschrijft tekortkomingen in hun behoefte aan zorg. Zo geven meerdere jongeren aan dat hun huisarts onwetend en/of niet vaardig is met betrekking tot queer-gerelateerde thema’s: “De huisarts heeft eerlijk toegegeven dat die er niets van weet, maar durft geen duidelijk advies of informatie
Tabel 8 Samenstelling focusgroep 2: witte queer jongeren Respondent
Leeftijd
1
te verschaffen.”
Queer identiteit
Opleidingsniveau
17
Biseksuele cisgender man
vwo
2
18
Transgender non-binair
vmbo
3
17
Transgender non-binair
hbo
4
26
Queer
wo – bachelor of arts
5
19
Biseksuele cisgender man
vmbo
Het gevolg is dat de jongeren het vertrouwen verliezen in de huisarts en niet meer weten wat ze moeten doen: “Huisartsen weten niet wat ze moeten doen. Dus hoe moeten wij het doen?” Queer jongeren missen ook vaak empathie. “Ik wil dat iemand mij begrijpt. Als iemand zelf ook queer is, kan dat helpen, maar dat hoeft niet per se. Ik wil gewoon dat iemand mij ziet en naast mij gaat staan.” Anderen in de groep beamen dat zij gelijkwaardigheid behoeven, maar dat dit er vaak niet is. Bovendien vinden de jongeren de drempel hoog naar andere zorgverleners; zij geven aan dat de huisarts als primair aanspreekpunt fungeert.
38
39
“Iedereen heeft natuurlijk behoefte aan zorg. Ook merk ik wel dat mijn vrienden minder naar zorg snakken,
De meeste lopen ertegenaan dat ze niet de juiste psycholoog kunnen vinden, wat vervolgens ten koste gaat
dan mijn queer vrienden. Vooral bij mijn transgender vrienden merk ik dat de drempel heel hoog is. Zij hebben
van de kwaliteit van de zorg en ook negatieve gevolgen heeft voor de lange wachttijden. Voor queer jongeren
namelijk een brief nodig, voor de zorg. Maar sommigen weten niet eens hoe ze zich precies identificeren en
van kleur geldt dat de etnische identiteit zwaarder weegt dan de seksuele identiteit van de hulpverlener.
vinden het moeilijk om daarover te praten.”
Het liefst spreken ze echter een queer hulpverlener van kleur.
Tot slot zijn er ook jongeren die gedemotiveerd zijn door de lange wachtlijsten in de zorg. Het gevolg is dat zij stoppen met het zoeken naar hulp, terwijl de hulpvraag blijft bestaan.
3.2.5 Ervaringen binnen de hulpverlening Ook zijn er jongeren die aangeven dat ze zich niet serieus genomen voelen en dat hun ervaringen gekleineerd
3.2.4 Voorkeur hulpverlener van kleur
worden door uitspraken als “Waarschijnlijk is het niet zo”. Daarnaast ervaart deze groep jongeren een gebrek aan cultuursensitiviteit binnen de zorg. Dit laatste geldt specifiek voor de groep jongeren van kleur. Zo zeggen
Met name queer jongeren van kleur geven aan de voorkeur te hebben voor een hulpverlener van kleur, met
zij (in hun eigen woorden) dat er wordt uitgegaan van een individualistisch denkkader, waardoor er over het
name omdat zij zich door hen sneller begrepen voelen:
hoofd gezien wordt waar jongeren met andere normen en waarden tegenaan lopen. Jongeren benoemen
“Iemand van kleur kan sneller de persoon zijn die je begrijpt.”
bijvoorbeeld vaker een sterkere band met familieleden en dat zij niet altijd alleen vanuit zichzelf handelen. Ook geeft een queer jongere van kleur aan dat er niet voldoende rekening wordt gehouden met haar
Ook komt ter sprake dat een queer hulpverlener meer zou afweten van de ‘struggles’ [worstelingen] van
biculturele achtergrond en collectivistische aard, doordat het ‘westers denken’ bij haar werd opgelegd.
queer personen. Het liefst zien de jongeren een queer hulpverlener van kleur die vanuit een intersectioneel perspectief spreekt.
Negatieve ervaringen seksuele en genderidentiteit Verder omschrijven jongeren persoonlijke negatieve ervaringen die direct gelinkt zijn aan hun seksuele
Dit is voor velen echter ver van de realiteit, aangezien de urgentie hoog is en de meeste hulpverleners volgens
en genderidentiteit. Zo zijn er bijvoorbeeld hulpverleners geweest die een verband hebben gelegd tussen
de jongeren wit zijn. Van het relatief kleine aantal hulpverleners van kleur zijn de meesten niet beschikbaar
jongeren hun seksuele voorkeur of genderidentiteit en seksuele trauma. Hulpverleners zouden impliceren dat
op korte termijn. Meerdere jongeren lopen tegen dit dilemma aan: enerzijds hebben zij specifieke behoeften
(seksueel) trauma een oorzaak is van de queer identiteit van jongeren. Ook wordt er geïmpliceerd dat jongeren
waardoor zij beter geholpen kunnen worden door een hulpverlener van kleur, maar anderzijds kunnen ze niet
niet zouden afweten van hun eigen seksuele voorkeur doordat ze te jong zijn:
langer wachten vanwege de hoge urgentie. Het gevolg is dat de jongeren van kleur vooralsnog terechtkomen
“De psycholoog zei: ben je niet te jong om dat [je eigen seksuele voorkeur] te weten?”
bij een witte hulpverlener, die niet voldoet aan hun behoeften: “Je vraagt niet per se naar iets specifieks, omdat je al blij bent dat je door de wachtlijst bent en eindelijk aan de
Dit resultaat komt overeen met één van de verklaringen van professionals, die aangaf in de afgelopen
beurt bent.”
12 maanden geen enkele queer persoon begeleid te hebben “omdat hun cliënten te jong waren” (zie h oofdstuk 3 resultaten). Tot slot beschrijven jongeren dat ze misgendered worden binnen de
Daarnaast geven de queer jongeren van kleur aan dat het hen extra energie kost om te vragen naar hulp.
hulpverlening, of dat ze vragenlijsten niet kunnen invullen, omdat die niet gericht zijn op transgender
Omdat ze het al zwaar hebben in de maatschappij, maar ook omdat ze zich niet begrepen voelen door (witte)
of non-binaire personen. Tevens geeft een van de jongeren aan dat hen ook moet ‘passen’ [passeren] als
hulpverleners:
non-binair en zich steeds moet bewijzen:
“Het besef dat er andere ervaringen zijn, is iets wat veel witte mensen zich niet realiseren.”
“Ik ben hen/hun [voornaamwoorden] gaan gebruiken. Want kennelijk hadden ze er geen probleem mee dat ik lesbisch ben, maar met dit dan wel weer. Ze zien mij als vrouw omdat ik ‘vrouwelijk’ ben en make-up draag
De jongeren van kleur geven zelf aan dat zij het gevoel hebben ‘verslagen’ te zijn, omdat er naar het minimale
enzo. Ik merk dat het daar heel erg in zit. Je moet er genderneutraal uitzien voordat ze je daarop respecteren.
gevraagd wordt binnen de zorg, maar ze dat niet eens kunnen krijgen. Het voelt eerder als een strijd voor hen
Daarbij heb ik ook een seksueel trauma vanwege mijn ex, dat is een man. Dus dan trekken ze mijn seksualiteit in
en ze voelen zich niet gehoord:
twijfel, dat zal wel zijn waarom ik niet op mannen val.”
“Wij zijn er ook en we hebben ook recht op de zorg.” Als gevolg van dit fenomeen, zijn er dus jongeren die hun genderexpressie zodanig aanpassen om tot de Bovendien zijn sommige psychologen veel te duur, waardoor het voor jongeren onmogelijk wordt om
heteroseksuele en binaire norm te horen. Zij voelen zich anders niet serieus genomen en hebben de angst om
zorg te verkrijgen. Daarnaast geven sommige jongeren ook aan voorkeur te hebben voor een ‘queer
veroordeeld te worden door de hulpverlener bij het tonen van gender-non conform gedrag.
specifieke’ psycholoog: “Als ik een queer psycholoog kende, dan zou ik er onmiddellijk heen gaan.”
40
41
Met name queer jongeren van kleur omschrijven ook te maken hebben gehad met verschillende vormen van
3.2.6 Behoefte aan ondersteuning
stereotypes en vooroordelen: “Als je in therapie zit, neem je maar genoegen met micro-agressies en stereotypen, je accepteert het maar.”
Aan queer jongeren is gevraagd welke behoeften zij hebben als het gaat om (het vinden van) de juiste zorg, maar vooral ook wat er nodig is om zich veilig te voelen binnen de zorg. Het centrale thema dat hieruit
De jongeren in dit onderzoek geven aan dit soms op kleine schaal gebeurt, middels subtiele vormen van
voortkwam is intersectionaliteit. Voor met name queer jongeren van kleur is het van belang dat er gehandeld
discriminatie die makkelijk worden weggewuifd als ze ter sprake worden gebracht, meer bekend als
wordt vanuit een intersectioneel perspectief, waarin hulpverleners niet alleen rekening houden met hun
‘micro-agressies’ . Maar ook met meer expliciete vormen van discriminatie krijgen jongeren van kleur te
queer identiteit, maar vooral ook zien hoe die identiteit overeen te stemmen is met andere identiteiten, zoals
maken, bijvoorbeeld racistische opmerkingen van hulpverleners over de etnische achtergrond van hun dader
culturele achtergrond.
6
of van een familielid. In sommige gevallen werd de etnische achtergrond van familieleden gezien als oorzaak van een negatieve gebeurtenis of als reden van onderdrukking.
Daarnaast geven de queer jongeren de volgende concrete tips waar hulpverleners op kunnen letten:
Onder de witte queer jongeren wordt het culturele aspect niet genoemd. Wel spreken de jongeren meermaals
1) Beschik tenminste over (basis)kennis
over aannames die ze signaleren op allerlei terreinen. Bij hun peers en docenten op school, bij de sportvereniging,
Het is voor queer jongeren fijn als hulpverleners in ieder geval basiskennis hebben over gender- en seksuele
maar ook binnen de zorg en hulpverlening:
diversiteit. Volgens jongeren is de kennis momenteel onvoldoende. Daarnaast hebben enkele jongeren
“Het lijkt mij heel fijn dat er een goede training is voor hulpverleners, die voorbij die eerste aanname gaat. Ik loop
behoefte aan meer gespecialiseerde kennis vanuit de hulpverlener, zoals kennis over thema’s rondom
ertegenaan dat die er toch snel van uitgaan dat ik hetero ben. Ik heb een relatie met een man, dat helpt daar
transgenderidentiteiten of het samenbrengen van queerness en etniciteit. Meer kennis zorgt ook voor meer
ook niet bij. Het is best wel een stap om iemands ongelijk te gaan bewijzen, anders dan zij verwachten. Ik kan mij
veiligheid, zo geven de jongeren aan. Enkel kennis is echter niet voldoende, maar moet samengaan met een
voorstellen dat het met genderidentiteiten ook voorkomt. Ik denk dat het heel fijn is om goed te kijken: hoe kom
bepaalde geleefde ervaring als queer persoon en/of persoon van kleur. In het laatste geval gaat het specifiek
je nou voorbij die aannames.”
over de culturele of etnische achtergrond van de hulpverlener.
Als jongeren zelf geen ervaring hebben met vooroordelen en stereotypes van hulpverleners, dan geven ze aan
2) Geef voldoende tijd en ruimte aan de cliënt
andere queer jongeren in hun naaste omgeving te kennen die wel dergelijke ervaringen hebben. Kortom, het
Queer jongeren vinden het niet alleen onprettig, ze voelen het ook aan wanneer hulpverleners niet de tijd