CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS316341 Bijlage 1 Ontwerp-bestemmingsplan Brasserskade 2023

Commissie Ruimte 18 april 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Hoorzitting ontwerp-bestemmingsplan Brasserskade34.918 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

49

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

50

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

Hoofdstuk 4 4.1

Wet en Regelgeving

Inleiding

De Wet milieubeheer schaart onder milieu het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat. In de ruimtelijke context gaat het om het fysieke milieu, de fysieke ruimtelijke omgeving. Voor de inkadering van milieu gebruikt men dan vaak de begrippen: 'milieuhygiëne': gericht op het bestrijden van milieuhinder van geluid, lucht, geur, stank, bodemverontreiniging en veiligheidsrisico's; 'ecologische duurzaamheid': bestaat naast milieuhygiëne uit aspecten van aardkunde, hydrologie, cultuurhistorie, natuur en klimaat en energie, die bij aantasting niet of zeer moeilijk te herstellen zijn; In dit hoofdstuk komen aan de orde: de milieueffectrapportage, externe veiligheid, geluid, lucht, natuurbescherming en bodem.

4.2

Milieueffectrapportage

Wijzigingswet Wet milieubeheer De wijzigingen van de m.e.r.-richtlijn zijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wijzigingswet Wet milieubeheer. In deze wet zijn alleen de noodzakelijke wijzigingen vastgelegd. Met name wordt géén gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ondergrenzen voor de m.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten aan te geven. De procedurele en inhoudsvereisten voor de m.e.r.-beoordeling waren al grotendeels vastgelegd in de wetgeving tot nu toe. Zo was al geregeld dat de m.e.r.-beoordelingsbeslissing binnen 6 weken moet plaatsvinden. Nu is in artikel 7.16 een uitgebreide lijst van te overleggen gegevens opgenomen voor initiatiefnemers. Maar deze verschillen niet heel veel van wat gebruikelijk is. Aanpassing van het Besluit m.e.r. Met de aanpassing van het Besluit m.e.r., zoals deze 7 juli 2017 in werking is getreden, gelden deze procedurele en inhoudsvereisten ook voor activiteiten onder de drempelwaarden, dus in het geval van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het belangrijkste verschil met een m.e.r.-beoordeling voor gevallen boven de drempelwaarde is dat het bevoegd gezag geen mededeling hoeft te doen van zijn beslissing omtrent de vraag of een MER moet worden gemaakt door een kennisgeving en ter inzage legging niet nodig is.

De beslissing dat er (g)een MER moet worden gemaakt, maakt uiteindelijk deel uit van het m.e.r.(beoordelings)-plichtige besluit (omgevingsvergunning of bestemmingsplan). Gevolgen voor de bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor afwijking of milieu Voor de formeel m.e.r.-beoordelingsplichtige projecten boven de drempelwaarden is er qua procedure niet zo heel veel veranderd. Hier moest altijd al een m.e.r.-beoordelingsbeslissing worden gepubliceerd. Nieuw is wel dat eventuele mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen bij de beoordeling, maar dat moet dan wel worden vastgelegd in het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning. Voor vormvrije m.e.r.-beoordelingsplichtige projecten geldt nu, net als bij formele m.e.r.- beoordelingsplichtige projecten, dat bij besluiten op aanvraag (aanmeldingsnotitie) er binnen 6 weken moet worden beslist of een MER moet worden gemaakt. Waar het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer is moet nu (net als bij een formele m.e.r.-beoordeling) ook bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbesluit c.q. -plan een m.e.r.-beoordelingsbeslissing zijn genomen. Deze hoeft niet apart te worden gepubliceerd, maar zal in de praktijk wel meegaan bij de terinzagelegging van het ontwerpbesluit c.q. -plan.

Stedelijk e ontwikkelingsprojecten Dat een m.e.r-beoordelingsbeslissing moet worden gemaakt is een aandachtspunt voor een aantal activiteiten die in kolom 1 vallen. Een belangrijk voorbeeld is categorie D 11.2 uit de bijlage van het Besluit m.e.r., stedelijke ontwikkelingsprojecten: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Als de

51

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

gevalsomschrijving (drempelwaarde) niet meer bepalend is voor de noodzaak van een m.e.r.beoordelingsbeslissing valt hier opeens heel veel onder. Samenvatting Uit voorgaande blijkt dat bij veel (meer) plannen een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, bestaand uit een apart besluit in een zo vroeg mogelijke planfase op basis van een zelfstandig document waarin expliciet wordt aangetoond of er sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten nadat er een afweging heeft plaatsgevonden aangaande de volgende drie criteria: - de kenmerken van de projecten; - de plaats van de projecten; - de kenmerken van de potentiële effecten. Ten behoeve van de in dit bestemmingsplan beoorgde ontwikkeling is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld, die als bijlage aan deze toelichting is toegevoegd. Deze beoordeling is onder nr.DSB_SB/2019.3505 vastgesteld. Uit de beoordeling blijkt dat het plangebied niet gelegen is in Natuurnetwerk Nederland of een Natura-2000 gebied. Ook is het plangebied niet gelegen in een kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. De aard en beperkte omvang van het plan leidt niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen mits de genoemde mitigerende maatregelen worden uitgevoerd. Met inachtneming van deze maatregelen is het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk.

Natura 2000 gebieden In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Onder het Westduinpark wordt “Westduinpark & Wapendal inclusief Bosjes van Poot” verstaan. In onderstaande kaart zijn de verschillende deelgebieden op kaart weergegeven. Westduinpark & Wapendal maken deel uit van een aaneenschakeling van Natura-2000 gebieden die in het duinlandschap langs de Noordzeekust zijn gelegen (de aaneenschakeling is hier en daar onderbroken door onder andere bebouwing, zoals steden als Den Haag of Katwijk). Ten noorden van het Westduinpark ligt het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide en ten zuiden ligt het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen.

52

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

deelgebieden in het Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal

Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied of Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Meijendel & Berkheide) ligt op circa 9 km afstand. Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland (NNN) gebied ligt op een afstand van 800 meter.

4.3

Externe veiligheid

Toetsingskader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico's, transportrisico's en risico's die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Risicovolle inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6-contour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen de 10-6-contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR rondom deze inrichtingen. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook LNG- en waterstoftankstations en windturbines. Hierop is het Besluit externe veiligheid inrichtingen niet van toepassing. Voor dergelijke objecten zijn wel rekenmethoden vastgelegd om de veiligheidscontouren te bepalen. Hierbij worden vergelijkbare grenswaarden (PR 10-6) gehanteerd. Voor de opslag van explosieven wordt geen risicobenadering maar een effectbenadering gehanteerd. Op grond van artikel 2.6.6 (veiligheidszones munitieopslag civiele inrichting) van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening worden drie veiligheidszones aangewezen. Voor zowel LPG- als LNG-tankstations heeft het Rijk aanvullend effectgericht beleid geformuleerd door middel van het vaststellen van circulaires.

In de circulaires wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten (bijvoorbeeld een verzorgingstehuis en kindercrèche). Mensen op hoge leeftijd en kleine kinderen zijn beperkt zelfredzaam. Daarom moet voor dergelijke verblijdsobjecten een grotere afstand tot het vulpunt van een LNG- of LPG-installatie aangehouden worden. Aan de effectbenadering wordt verder vormgegeven in het kader van de Omgevingswet. Vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee

53

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In de gemeente Den Haag zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens met Leidschendam-Voorburg, en de A13 basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling).

Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd.

Op 27 juni 2013 heeft de gemeenteraad een routeringsbesluit voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgesteld (raadsvoorstel, RIS258608 en besluitenlijst, RIS260481 onder E.2). Dit routeringsbesluit is gewijzigd (RIS302166) en bij besluit van 16 mei 2019 door de gemeenteraad vastgesteld (besluiten-lijst RIS302538 onder G.10). De wijziging treedt op 1 oktober 2019 in werking. Vanaf die datum zijn de venstertijden voor het vervoer van routeplichtige stoffen (zoals LPG en propaan) op de Utrechtsebaan en de Benoordenhoutseweg komen te vervallen. Doorgaand vervoer van routeplichtige stoffen is dan niet meer mogelijk. Voor het bevoorraden van de LPG-tankstations aan de Prof. B.M. Teldersweg en de Rijksstraat 447 (Wassenaar) is dan een ontheffing vereist. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten.

De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan, kan worden met een beperkte verantwoording: 1.

Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en

54

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

de 1% letaliteitszone van de buisleiding, of 2. Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. Gemeentelijk beleid De Nota externe veiligheid Den Haag is op 27 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld (raadsvoorstel, RIS259485 en besluitenlijst, RIS260481, onder E.1). De belangrijkste uitgangspunten zijn hieronder vermeld: 5. De gemeente richt zich op het vasthouden en bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor de bestaande bedrijvigheid en het ontwikkelen van nieuwe bedrijvigheid. 6. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op vier gebiedstypen: woongebieden, buitengebieden, gemengde gebieden, risicoarme bedrijventerreinen (inclusief buitengebieden) en bedrijventerreinen met risicovolle bedrijven/inrichtingen. 7. Bij nieuwe ontwikkelingen in woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen van betekenis, zoals LPG-tankstations, toegelaten. 8. Op de bedrijventerreinen hanteert de gemeente een minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting (lichtere vorm van risicovolle bedrijven) onder voorwaarden mogelijk. 9. Bij externe veiligheidsknelpunten, besteedt de gemeente eerst aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen.

Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen worden in de nota 3 niveaus onderscheiden met elk hun eigen ambitieniveau: -

Structuurvisieniveau

-

Bestemmingsplanniveau

-

Bouwplanniveau:

- Veiligheidsgeïntegreerd ontwikkelen - Veiligheidsgeïntegreerd ordenen - Veiligheidsgeïntegreerd ontwerpen.

Wanneer beoogde ruimtelijke ontwikkelingen een overschrijding van het groepsrisico tot gevolg kunnen hebben, wordt het gemeentebestuur in een vroeg stadium actief bij het proces betrokken. Er is een expliciet collegebesluit ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico waarbij de kosteneffectiviteit van maatregelen in beschouwing wordt genomen. Onderzoek en conclusie Risicovolle inrichtingen Ten oosten van het plangebied ligt de risicovolle inrichting 'Vuurwerkhandel Auto Ypenburg B.V.' met een veiligheidsafstand van 8 meter. Het plangebied ligt op een afstand van circa 200 meter. Verder liggen geen relevante risicovolle inrichtingen in de omgeving van het plangebied. Vervoer van gevaarlijke stoffen Op circa 500 meter ten noorden van het plangebied ligt de gasleiding W-514-01 met een invloedsgebied van 140 meter waar het plangebied buiten valt. Verder ligt op circa 600 meter ten westen van het gebied de snelweg A12. Hierover worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het plangebied valt buiten het maatgevende invloedsgebied van 355 meter. Verder vindt in de omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het spoor en water. Door de beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico niet relevant toenemen. De beoogde ontwikkeling zelf betreft geen risicobron en zal dan ook geen negatief effect hebben op omliggende (beperkt) kwetsbare objecten.

Risico's op rampen door klimaatverandering De beoogde ontwikkelingen worden gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied. Ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen nemen risico's op rampen door klimaatverandering niet toe. Risico's voor de menselijke gezondheid Uit toetsing van de verschillende milieuthema's op het gebied van leefomgevingskwaliteit en verkeer blijkt dat de beoogde ontwikkelingen niet leiden tot belangrijke toename van risico's voor de menselijke gezondheid. Er wordt voldaan aan de normen voor geluid, externe veiligheid en luchtkwaliteit.

55

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

4.4

Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen met betrekking tot de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten. Het beoogde bedrijfspand is geen geluidgevoelig object. Dat betekent dat het pand niet getoetst hoeft te worden op weg- of industrielawaai. Er worden ook geen nieuwe wegen of inritten gerealiseerd. Reconstructieonderzoek is dus ook niet nodig. Het aspect wegverkeers- en industrielawaai is derhalve niet van toepassing. Inrichtingslawaai De schietbaan wordt volledig inpandig gerealiseerd zodat er geen uitstralingseffecten zijn naar de omgeving, daarbij wordt vanuit het projectgebied niet met sirenes uitgereden. Voor de functie geldt daarom een richtafstand van 10 meter ten opzichte van een 'rustige woonwijk'. Aan de zuid-, oost- en noordzijde van het plangebied ligt een aantal woningen. In het ruimtelijk ontwerp wordt rekening gehouden met een bufferzone tot deze woningen. Met name vanuit visuele optiek. Bovendien wordt hiermee een afstand van minimaal 30 meter tot de woningen Brasserskade 227 en 237 gecreëerd. Daarmee kan een negatief geluidseffect uitgesloten worden. Voor toetsing van het uitstralingseffect bestaat geen wettelijk kader. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat bij een toename van de verkeersomvang met meer dan 40% sprake is van een geluidstoename van meer dan 1,5 dB (wat voor het menselijk oor hoorbaar is).

Voor de ontsluiting van het perceel is bewust gekozen voor een aansluiting op de Brasserskade. De verwachtte verkeersgeneratie vanwege deze ontwikkeling bedraagt naar boven afgerond circa 600 motoroertuigen per etmaal. Gezien de ontsluitende functie van de Brasserskade is de verkeerstoename minder dan 40%, waardoor geen sprake is van een significante verkeerstoename. Kortheidshalve wordt verwezen naar Bijlage 5 Vormvrije M.E.R.-beoordeling.

4.5

Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). De luchtkwaliteit in een bepaald gebied wordt bepaald door de achtergrondconcentratie van fijn stof (PM10, deeltjes <10 µm) en stikstofdioxide (NO2) plus de bijdragen van lokale bronnen die bij de achtergrondconcentratie opgeteld worden. Bij de besluitvorming over bouw- en bestemmingsplannen dient te worden onderzocht of een project 'in betekenende' mate van invloed is op de luchtkwaliteit: in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is aangeven dat een bestuursorgaan bevoegdheden kan uitoefenen of wettelijke voorschriften kan toepassen indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de uitoefening of toepassing niet 'in betekenende mate' bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht. De definitie van 'in betekenende mate' is vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur. Projecten die de concentratie NO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In concentraties uitgedrukt betekent dit een verslechtering van 1,2 µg/m3 voor beide stoffen. De 3%-grens geldt sinds 1 augustus 2009, de datum waarop het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht werd.

De 3%-grens is voor een aantal categorieën van projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen. Zo gaat het bij woningbouw om de toevoeging van 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg, of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Om te bepalen of de ontwikkeling leidt tot verslechtering van de luchtkwaliteit, is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. Uit de NIBM-tool blijkt dat bij een dergelijke verkeers generatie de maximale bijdrage NO2 0,44 ìg/m³ bedraagt en de maximale bijdrage voor PM10 0,09 ìg/m³ (figuur 4.2). Dit effect is ruimschoots minder dan 1,2 ìg/m³ (= 3 %). De beoogde ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekende mate' bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen en is vrijgesteld aan het toetsen aan de grenswaarden.

56

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

Voldaan wordt aan de luchtkwaliteitswetgeving. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van realisatie Extra verkeer als gevolg van het plan Extra vervoersbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer Maximale bijdrage extra verkeer NO2 in ug/m3 PM10in ug/m3 3 Grens voor “Niet in Betekenende Mate” in ug/m Conclusie

2023 500 2,0% 0,48 0,08 1,2

De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; Geen nader onderzoek nodig

NIBM tool beoogde ontwikkeling

Ter plaatse van het plangebied wordt een bedrijfspand zonder productie gebouwd. Deze ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtkwaliteit ter plaatse.

4.6

Natuurbescherming

Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering en het bijbehorende besluit in werking getreden. Op 1 juli 2021 is de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Hierbij is vrijstelling gegeven aan bouw-, sloop en eenmalige aanlegactiviteiten. De stikstofemissie tijdens de bouwfase hoeft daarom niet meer doorgerekend te worden. Op 2 november 2022 is deze vrijstelling echter komen te vervallen. Ten behoeve van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is zowel onderzoek als gevolg van het toekomstig gebruik als (aanvullend)naar de stikstofemissie tijdens de bouw verricht. Deze onderzoeken zijn in de bijlagen van deze toelichting opgenomen. Uit deze onderzoeken blijkt dat als gevolg van het gebruik en ook tijdens de bouw er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jaar stikstofdepostiebijdrage op omliggende Natura 2000-gebieden. Hieruit volgt dat, met betrekking tot het aspect stikstofdepositie er geen verplichting bestaat tot het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming.

Wettekst Zie voor de wettekst: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2021-140.html Lees ook deze blog voor meer achtergrond: https://www.omgevingsweb.nl/nieuws/wet-en-besluit-stikstofreductie-en-natuurverbetering-een-verlichting -voor-de-bouwsector/

4.6

Groene waarden

De wet- en regelgeving voor de groene waarden betreft de Wet natuurbescherming, de Wet milieubeheer, de Gemeentewet en de Wet ruimtelijke ordening. De bescherming van de groene waarden kent in de wet- en regelgeving verschillende invalshoeken:

57

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

gebiedsbescherming, soortenbescherming, bomenbescherming areaalbescherming en netwerkbescherming. Op elk wordt ingegaan.

4.6.1

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming (Wnb) is de gebiedsbescherming van bijzondere natuurgebieden, de zogenoemde Natura2000-gebieden, overgenomen uit de Natuurbeschermingswet 1998. Hieraan voorafgaand is in januari 2006 de formele aanwijzingsprocedure van Natura 2000-gebieden gestart. Na deze aanwijzing is de gebiedsbescherming uit de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998 en sinds 1 januari 2017 in de Wet natuurbescherming. Daarmee vervalt de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn in Nederland. In Den Haag dient rekening te worden gehouden met de Natura2000-gebieden: Meijendel & Berkheide (inclusief Harstenhoek, Oostduinen en Vlakte van Waalsdorp), Westduinpark & Wapendal (inclusief Bosjes van Poot) alsmede Solleveld & Kapittelduinen (inclusief landgoed Ockenburgh, Hyacintenbos, van Leydenhof en Westduinen). Dit betreft Habitatrichtlijngebieden. Er zijn geen Vogelrichtlijngebieden in de gemeente Den Haag. Indien ontwikkelingen en activiteiten in het plangebied een significant negatief effect kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, dient een habitattoets uitgevoerd te worden. Is er op grond van de Wet milieubeheer (Wm) sprake van een passende beoordeling dan is een MER nodig. Voor de andere gevallen kent de Wm de vormvrije merbeoordeling.

In het bestemmingsplan dient aangegeven te worden in hoeverre de uitvoering van het plan onder de verplichtingen vanuit deze wet valt. De kortste afstand tussen het plangebied en een Natura2000-gebied bedraagt circa 9 kilometer.

4.6.2

Natuurnetwerk Nederland

Om de nationale ruimtelijke beleid te borgen in bestemmingsplannen is op grond van de Wet ruimtelijke ordening door het Rijk het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (BARRO) van kracht. Daarin wordt de mogelijkheid geboden om stelsels van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang aan te wijzen dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten - het natuurnetwerk Nederland. Deze gebieden moeten bij provinciale verordening worden aangewezen en hun ligging geometrisch vastgelegd. Ook de Wnb kent een gelijke bepaling voor dit netwerk. De door Provinciale Staten van Zuid-Holland vastgestelde Verordening Ruimte 2014 vervult deze functie. In artikel 2.3.2.1 van deze verordening wordt gesteld dat een bestemmingsplan voor gronden binnen dit netwerk, met bestaande natuur, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op Kaart 8 , geen bestemmingen aanwijst die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Het plangebied is niet aangewezen tot onderdeel van het natuurnetwerk Nederland.

4.6.3

Soortenbescherming

Verder heeft de Wnb de bescherming van planten- en diersoorten uit de Flora- en faunawet overgenomen. De wet gaat ervan uit dat zonder uitdrukkelijke toestemming geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. Dit betekent dat het gaat om het effect van een handeling op beschermde soorten. De wet kent een drie aparte beschermingsregimes voor: 1. soorten van de Vogelrichtlijn;

58

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

2. soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn; 3. andere soorten' die vanuit nationaal oogpunt zijn beschermd. Hierbij hebben enkele wijzigingen plaatsgevonden in de soorten die beschermd zijn. De wet legt een zorgplicht op voor alle dieren en planten in Nederland, bijvoorbeeld door eisen te stellen aan de wijze en het tijdstip van uitvoering van bouwplannen waarbij men rekening houdt met het voortplantingsseizoen en met winterverblijfplaatsen en waardoor dieren niet onnodig worden verontrust. Ook legt de wet een beschermingsplicht op voor een groot aantal met name genoemde soorten. De wet bevat verbodsbepalingen voor het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde diersoorten en het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor de algemene beschermde soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een algemene vrijstelling, voor andere soorten die strenger zijn beschermd (vleermuizen, vogels, eekhoorns) kan onder voorwaarden een ontheffing worden aangevraagd. 4.6.4

Bescherming bossen

De Wnb beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Waar de grens van de bebouwde kom ligt, wordt bepaald door de gemeenteraad. Anders dan de naam wellicht doet vermoeden, gaat het hier niet om de grens van de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet. Aangezien de gemeente op 1 januari 2017 nog geen (nieuwe) komgrens op grond van deze wet heeft vastgesteld geldt volgens artikel 9.9 van de Wnb de komgrens zoals die door de gemeenteraad op 5 maart 1998 is vastgesteld onder de Boswet (RIS 021312). Deze gebieden vallen per 1 januari 2017 onder de werking van de Wnb. Dit betekent dat duurzame instandhouding van het bos is verzekerd en wat bos is ook bos moet blijven. Financiële tegemoetkomingen (subsidies) van Rijk en Provincie zijn mogelijk. Bescherming vindt plaats door middel van een meldings- en herplantingsplicht. 4.6.5

De Wet natuurbescherming: meld- en herplantingsplicht

De Wnb kent voor de meld- en herplantingsplicht voor het vellen van houtopstanden. Houtopstanden die onder de werking van de Wet natuurbescherming vallen, mogen alleen worden gekapt als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Allereerst moet de kap van te voren worden gemeld. Voor dunningen is de meldings- en herplantingsplicht niet van toepassing. Anders dan onder de Boswet moet de kap vanaf 1 januari 2017 worden gemeld bij Gedeputeerde Staten van de provincie. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen over de melding en bepalen welke gegevens moeten worden verstrekt, de termijn en de wijze waarop moet worden gemeld en over de wijze waarop moet worden herbeplant. Na de (gemelde) kap dient de eigenaar van het bos ervoor te zorgen dat drie jaar na het kappen van het bos, hetzelfde areaal bos aanwezig is in de vorm van jonge beplanting. Het herbeplanten van het perceel kan plaatsvinden door aanplant, bezaaiing, natuurlijke verjonging of op andere wijze realiseren van een nieuwe houtopstand.

4.6.6

Houtopstanden

Ook voor de reikwijdte van te beschermen houtopstanden is in de Wnb grotendeels aangesloten op de Boswet. Wederom geldt de meld- en herplantingsplicht voor houtopstanden van 10 are en groter en een bomenrij van 20 bomen. De term 'houtopstand' is gedefinieerd als een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Niet voor alle houtopstanden die aan deze vereisten voldoen, geldt de meld- en herplantingsplicht. Net zoals onder de werking van de Boswet zijn bomen op erven en tuinen en een rij wilgen of populieren op of langs landbouwgronden uitgezonderd. Ook is in de Wet natuurbescherming gedacht aan de praktische problemen bij de productie van hout als biomassa. Populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie als houtige biomassa zijn uitgezonderd van de meld- en herplantingsplicht indien ten minste eens per tien jaar wordt geoogst, de

59

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

beplanting na 1 januari 2013 is aangelegd en aan bepaalde beplantingseisen is voldaan. Italiaanse populieren, linden, paardenkastanjes en treurwilgen worden vanaf 1 januari 2017 -in tegenstelling tot voorheen onder de Boswet - wél beschermd. 4.6.7

Bomenbescherming

In de op grond van de Gemeentewet door de gemeenteraad vastgestelde Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is de bescherming van bomen vastgelegd. Volgens de APV van Den Haag, artikel 2.80 e.v., is voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig (RIS 174540). Door deze bescherming kunnen belangen zorgvuldig worden afgewogen voordat een omgevingsvergunning wordt afgegeven dan wel geweigerd. Daarnaast is een mogelijkheid opgenomen om monumentale bomen aan te wijzen. Monumentale bomen hebben een hogere beschermingsstatus. Voor een volledig overzicht van de monumentale bomen in Den Haag is op de website van de gemeente Den Haag de meest actuele lijst en kaart terug te vinden.

4.7

Bodem

Op 1 januari 2006 is de wijziging van de Wet bodembescherming (Wbb) in werking getreden. Vertrekpunt van de nieuwe Wbb is dat in het meerendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is voortaan functiegericht. Vroeger moesten alle functies van de bodem worden hersteld maar dit bleek in de praktijk lastig haalbaar. Hoge kosten en langdurige saneringen zorgden van stagnatie. De gewijzigde wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. De uitvoering van deze verplichte saneringen wordt een stuk flexibeler. Het is niet meer altijd nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. Wanneer economische of maatschappelijke omstandigheden rond de vervuilde locatie uitstel vragen, kunnen tijdelijke maatregelen worden genomen, op voorwaarde dat risico's voldoende worden beheerst.

Toetsing. In 2019 is de grond gesaneerd en de grond schoon verklaard. De schone grond verklaring is in de bijlagen bij deze toelichting opgenomen

4.8

Windhinder en bezonning

Onderdeel van de toetsing voor stedenbouwkundige plannen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen worden de door de gemeenteraad vastgestelde normen voor windhinder en bezonning gehanteerd (RIS 170509).

60

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

4.8.1

Algemeen

Indien het project niet voldoet aan de normen dan kan het project worden geweigerd dan wel desalniettemin worden besloten dat onder voorwaarden met de planontwikkeling wordt ingestemd. Naast bezonning en wind weegt de gemeente immers nog vele andere aspecten af zoals architectonische vormgeving, functies, verkeer, parkeren, financiën, volkshuisvesting, sociale veiligheid et cetera. Onderdeel van de afweging is ook dat er voorwaarden (financieel en materieel) kunnen worden opgelegd aan de initiatiefnemer om maatregelen te nemen aan de vormgeving van het project en/of in de openbare ruimte met het oog op de reductie van windhinder. Overeenkomstig de nieuwe Wet ruimtelijke ordening kunnen deze eisen worden vastgelegd in een grondexploitatieplan of in een overeenkomst met de initiatiefnemer. De gemeente heeft als taak om al deze aspecten op een evenwichtige wijze tot gelding te laten komen. Het spreekt voor zich dat het aspect veiligheid/gevaar en een slecht klimaat bij wind een hard punt moet zijn. Indien hiervan toch wordt afgeweken dan moeten daarvoor zwaarwegende redenen zijn. De overige aspecten t.a.v. wind en bezonning maken deel uit van de genoemde bredere afweging. Afwijking van die normen is in concrete gevallen mogelijk als de totale belangenafweging daartoe noopt. 4.8.2

Windhinder

Van windhinder is sprake als gedurende een te groot aantal uren per jaar een bepaalde windsnelheid wordt overschreden. Dit treedt op rond hoge gebouwen wanneer er sprake is verhoogde windsnelheden, die het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk maken. In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving ter voorkoming van windhinder. Over het algemeen wordt gesteld dat voor gebouwen hoger dan 30 meter windonderzoek noodzakelijk is. De gemeente Den Haag sluit zich wat betreft beleid ten aanzien van windhinder aan op de NEN 8100. Hierin wordt aangegeven wanneer onderzoek naar wind bij bouwwerken nodig is, hoe het onderzoek moet worden uitgevoerd, aan welke eisen moet worden getoetst en hoe rapportage moet plaatsvinden. De gemeente Den Haag hanteert als ondergrens een 'matig' windklimaat. Een 'slecht' windklimaat wordt slechts bij hoge uitzondering en onder nadere voorwaarden toegestaan Door de situering en hoogte van het te realiseren kantoorgebouw is van een windhinderonderzoek afgezien. 4.8.3

Bezonning

De realisatie bouwwerken kunnen gevolgen hebben voor de schaduwwerking in de omgeving. Binnen Nederland worden er geen formele eisen gesteld aan de bezonning van woningen of andere bouwwerken. Gemeenten zijn dus vrij om hun eigen eisen te stellen aan de bezonning. Gemeente Den Haag sluit grotendeels aan op de 'lichte TNO-norm'. De Haagse bezonningsnorm gaat er vanuit dat de ondergrens op tenminste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober, uitgaande van een zonhoogte van meer dan 10 graden, moet liggen. In afwijking van de lichte TNO-norm is in de Haagse norm de bezonning van gevels maatgevend, onafhankelijk van de plaats van de ramen. De Haagse bezonningsnorm is van toepassing op de omgeving van de te realiseren nieuwbouw en geldt voor bouwwerken vanaf een hoogte van 25 meter of indien de nieuwbouw tenminste 1,5 maal hoger is dan de gemiddelde hoogte van de omgeving. Uit een verricht bezonningsonderzoek is gebleken dat aan de Haagse bezonningsnorm wordt voldaan. Dit onderzoek is als Bijlage 17 bij deze toelichting opgenomen.

61

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

62

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

Hoofdstuk 5 5.1

Planbeschrijving

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken zijn de bestaande situatie (hoofdstuk 2), het beleidskader (hoofdstuk 3) en de milieukwaliteitseisen (hoofdstuk 4) uiteengezet. Dit diende ertoe om de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen voor het bestemmingsplan. In paragraaf 5.2 en 5.3 wordt het plan en de ontwikkelingen beschreven en in paragraaf 5.4 worden de duurzaamheidsaspecten beschreven. Aan de hand hiervan wordt in paragraaf 5.5. een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen gemaakt. Met deze keuze kan de opzet van het bestemmingsplan in paragraaf 5.6 en de bestemmingen globaal beschreven worden.

5.2

Beschrijving van het plan

Het bestemmingsplan is ontwikkelend van aard. De ontwikkelingen worden in paragraaf 5.3 beschreven.

5.3

Ontwikkelingen

5.3.1

Beschrijving van het programma

Het initiatief betreft een bedrijfspand voor de politie. waarin meerdere voorzieningen zijn opgenomen die direct verband houden met de taken van de te vestigen eenheid van de Nationale Politie. Daarnaast wordt op open terrein een parkeergelegenheid gerealiseerd.

5.3.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Dit bestemmingsplan omvat een nieuwe ontwikkeling van een bedrijfspand op een locatie die nu nog niet bebouwd is waardoor verantwoord dient te worden dat er behoefte is aan nieuwe ruimte voor dit bedrijfspand op deze locatie. Het bedrijfspand voor de nationale politie heeft een specifieke functie. Belangrijke voorwaarde voor het bedrijfspand is dat het centraal in het verzorgingsgebied (de veiligheidsregio Den Haag) ligt, en dat de aanrijtijden klein zijn. Op deze manier kan de inzet van de politie in de regio goed worden gefaciliteerd en kan een bijdrage worden geleverd aan de veiligheid. Een ligging dichtbij de afslag van de snelweg A13 is daarom van belang voor het goed functioneren van deze eenheid van de Nationale politie. Ook is een goede beveiliging van de locatie van belang. Doordat de beoogde locatie deel uit maakt van een bestaand defensieterrein is al voor een belangrijk deel voorzien in de voorwaarden voor een adequate beveiliging van het terrein.

Zo wordt de entree van het terrein van de Nationale Politie gedeeld met de entree van het defensieterrein. Ook heeft het bedrijfspand voor de politie, vanwege de aard van de werkzaamheden, een grote stallingbehoefte en moet voldoende ruimte aanwezig zijn voor het realiseren van een 50 meter schietbaan. Alternatieve locaties die in deze mate voorzien in deze specifieke voorwaarden van het bedrijfspand zijn niet beschikbaar in het verzorgingsgebied.

5.3.3

Stedenbouwkundige opzet van het plan

Het plan is zo opgezet dat het nieuw in te richten terrein van de politie in ruimtelijk opzicht samenhang vertoond met het naastgelegen defensieterrein. Zo wordt voorkomen dat de langgerekte strook tussen Brasserskade en Henricuskade versnipperd raakt.

63

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

Het programma is centraal op het plot gesitueerd waardoor er aan de buitenranden van het perceel ruimte overblijft voor een robuuste groene rand waardoor het terrein de groene uitstraling naar buiten toe behoudt. Het 'interieur' van deze groene kamer wordt gevormd door het bedrijfspand en een parkeerterrein. Het gebouw is aan de oostzijde van het plangebied gesitueerd. Voor de ontsluiting wordt gebruik gemaakt van de bestaande interne ontsluitingsroute welke centraal over het defensieterrein loopt. Het nieuwe bedrijfspand is gepositioneerd op het einde van deze route waardoor het gebouw een beëindiging vormt van het defensieterrein. Het gebouw heeft een heldere, eenvoudige volumeopbouw dat bestaat uit een samengesteld volume; een inpandige stalling voor het materieel en verder een schietbaan en trainingsruimten, alsmede slaapgelegenheid en in ondergeschikte mate vergader- en ingeval van calamiteiten coördinatieruimtes, alsmede administratieve werkplekken ten behoeve van de medewerkers van de eenheid die niet onderweg zijn. Het bouwplan is alzijdig ontworpen, waarbij alle zijden worden beschouwd als voorkanten. Het basement wordt aan de zijde van het parkeerterrein voorzien van transparante plint met daarin de entree van de andere functies.

5.3.4

Ontsluiting en parkeren

Voor de ontsluiting van het bedrijfspand wordt gebruik gemaakt van de bestaande ontsluitingsroute van het defensieterrein. Deze route sluit direct aan op de aansluitingsweg van de Ypenburgse ringweg op de A13. De twee bestaande calamiteiteningangen van het defensieterrein aan de Brasserskade en Henricuskade worden gehandhaafd. Het stedenbouwkundige plan is zo opgezet dat het niet onmogelijk wordt gemaakt dat de locatie in de toekomst een eigen entree kan krijgen door de calamiteiteningang aan de Brasserskade op te waarderen tot ingang van het terrein. In het bedrijfspand is een stallingsruimte opgenomen ten behoeve van het materieel, benodigd voor de uitvoering van de werkzaamheden. Daarnaast is bij het bedrijfspand een open terrein voor reguliere motorvoertuigen voorzien.

5.3.5

Groen

Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet beplanting deels worden verwijderd waardoor bestaande groene waarden aangetast worden. Om het groene karakter van het plangebied te behouden is het bouwvlak zo gepositioneerd dat de randen van het terrein groen blijven. Het bouwvlak is dusdanig gepositioneerd het zich deels bevindt ter plaatse van een op de locatie aanwezige tennisbaan en dat de centraal op het terrein staande bomen welke in de bomeninventarisatie (zie bijlage) als behoudenswaardig zijn aangewezen buiten het bouwvlak staan. Een viertal bomen zal op het terrein worden verplaatst. Ten behoeve van een robuuste groenstructuur, welke zowel in de winter als in de zomer een robuuste groene uitstraling heeft, worden waar mogelijk bestaande bomen gehandhaafd en aangevuld met nieuwe aanplant zodat een dicht beplante groenstructuur ontstaat, bestaande uit diverse soorten. De soorten worden dusdanig gekozen dat deze een bijdrage leveren aan de biodiversiteit. Inzicht van buitenaf op het terrein kan voorkomen worden door het toepassen van groenblijvende beplanting. De naar de Henricuskade gekeerde zijwand van de te realiseren schietbaan en oefencentrum zal als een groene wand worden uitgevoerd.

64

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

5.3.6

Water

Het plangebied ligt ingeklemd tussen twee waterlopen. Het bouwvlak is op afstand van deze waterlopen geprojecteerd zodat de continuïteit van de waterlopen geborgd wordt. Behoudens twee tennisbanen en een parkeerterrein is het plangebied onverhard. De realisatie van een bedrijfspand met bijbehorend parkeerterrein betekent dat de verharding toeneemt waardoor er maatregelen getroffen moeten worden om het verlies aan infiltratiemogelijkheden te compenseren. Op 26-07-2019 heeft over het bouwplan overleg plaatsgevonden met het Hoogheemraadschap van Delfland. Het Hoogheemraadschap kan met de voorgenomen ontwikkeling instemmen indien aan de volgende eisen en voorwaarden wordt voldaan: 1. De werkzaamheden (o.a. funderingsbalk en ophogen polderkade) liggen volgens de leggerkaart Delfland in het waterstaatswerk (roze gedeelte) en beschermingszone (lichtgroene gedeelte)van de langs liggende polderkade van de Lage Broekpolder. Het leggen van de funderingsbalk in het waterstaatswerk is akkoord indien het binnentalud van het waterstaatswerk niet wordt doorsneden met de betreffende funderingsbalk.

(Heipalen mogen deze wel doorsnijden) Aan deze voorwaarden wordt als volgt voldaan: Er dient een aanvraag voor een watervergunning te worden gedaan via omgevingsloket met de volgende documenten: - Een overzichtstekening met waar de werkzaamheden plaatsvinden; - Een dwarsprofiel met daarop de fundering met eventueel relevante details(waterkering relatie). - Eventueel een stabiliteitsberekening van de polderkade indien dit nodig is .

5.3.7

Projectbesluiten en omgevingsvergunningen

In het plangebied zijn in het verleden geen projectbesluiten en (ontwerp)omgevingsvergunningen verleend. 5.3.8

Functiewijzigingen

In het plangebied hebben zich geen functiewijzigingen voorgedaan.

5.4

Duurzaamheid

5.4.1

Duurzaamheid in dit bestemmingsplan

De ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld aan de ladder van duurzame verstedelijking. In de stedenbouwkundige configuratie van het plan is rekening gehouden met de duurzaamheidsambities zoals verwoord in het duurzaamheidsbeleid in hoofdstuk 3 van deze toelichting. Conform Agenda Ruimte voor de Stad dient verdichting van de stad gepaard te gaan met vergroening en verduurzaming. Omdat de oprichting van een politiekantoor op deze locatie een verdichting is, is bij de opzet van het stedenbouwkundig plan rekening gehouden met duurzaamheidsaspecten en vergroening. Concreet zijn de volgende maatregelen getroffen: 1. De oppervlakte van het bouwvlak is beperkt zodat het beoogde programma gestapeld uitgevoerd moet worden in plaats van dat het programma uitgesmeerd wordt over het gehele plangebied. Hierdoor is er ruimte overgebleven voor een groenstructuur rondom. 2. Het bouwvlak en bijbehorend parkeerterrein zijn gepositioneerd op een open plek midden in het bomenrijke plangebied. Hierdoor blijft het aantal te kappen bomen enigszins beperkt.

65

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

3. Het bouwvlak en het parkeerterrein zijn in het midden van het plangebied gepositioneerd waardoor de waterlopen aan weerszijden van het plangebied onbebouwde groene oevers houden. Daarnaast zijn voorwaarden geformuleerd welke bijdragen aan een vergroening en verduurzaming van het plangebied. Het betreft de volgende maatregelen: Het buitenterrein moet klimaatbestendig ingericht worden waarbij de waterbergingsopgave moet worden meegenomen in het buitenruimteontwerp. De zijgevels en achtergevel van het basement worden landschappelijk ingepast door toepassing van groene gevels zodat het gebouw zich harmonieus in de groene omgeving voegt. In de groene rand rondom het politiekantoor worden bestaande waardevolle bomen gehandhaafd en aangevuld met nieuwe aanplant zodat een stevige groenstructuur ontstaat, bestaande uit diverse soorten. De soorten worden dusdanig gekozen dat deze een bijdrage leveren aan de biodiversiteit. 5.4.2

Gebiedsgericht milieubeleid

Handleiding Gebiedsgericht Milieubeleid Een belangrijk instrument bij samenwerking tussen ruimtelijke ordening en milieu is het Gebiedsgericht Milieubeleid (2005). Het gebiedsgericht milieubeleid maakt onderscheid tussen drie verschillende ambitieniveaus: Milieu Basis: ambities die aansluiten bij de bestaande wet- en regelgeving en het bestaande gemeentelijk beleid. Milieu Extra: ambities die een stuk verder gaan dan het wettelijke minimum. Milieu Maximaal: de maximaal haalbare ambitie voor een thema. Het plangebied Brasserskade behoort tot het gebiedstype Wonen. Bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied zijn de bovengenoemde milieuambities richtinggevend. Thema

Welk ambitietype?

Bodem

Extra

Wordt de ambitie in het plangebied gerealiseerd? gedeeltelijk

Externe veiligheid

Maximaal

ja

Geluid

Maximaal

ja

Lucht

Maximaal

ja

Mobiliteit Schoon

Extra ExtraExtra

ja nee/ja

Kwalitatieve uitwerking

bijvoorbeeld: Voor die delen van het plangebied waar herinrichting en/of nieuwbouw plaatsvindt en waar nog geen onderzoek en/of sanering heeft plaatsgevonden, zal bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd en eventueel gesaneerd moeten worden. Vanuit het aspect bodem is er geen verschil in het gebruik van een gebied voor defensiedoeleinden of politiedoeleinden Er vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. Bedrijven met een extern veiligheidsrisico mogen niet worden gevestigd. Het plangebied wordt niet omsloten door drukke doorgaande wegen. De ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, dragen niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Parkeernorm volgens de Nota Parkeernormen Het plangebied is privaat terrein. De eigenaar van het terrein moet het terrein schoon houden conform de bestaande wet- en regelgeving en het bestaande gemeentelijk beleid.

66

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

Water

Ambities per ja poldereenheid

Natuur

Extra

ja

Klimaat

Maximaal

ja

Binnen het thema water zijn de volgende onderwerpen voor het plangebied van belang: waterkwantiteit, waterkwaliteit en ecologie, veiligheid en waterkering en afvalwater en riolering. Het plan heeft geen nadelige effecten op de waterkwaliteit. In of op korte afstand van het plangebied is geen Natura-2000 gebied gelegen. De stedelijke ecologische verbindingszones zijn voor het grootste deel beschermd met een groen bestemming. De rijksoverheid en de bouwpartijen in Nederland hebben afgesproken uiterlijk in 2020 alle nieuwbouw CO2-neutraal te bouwen, met een tussenstap van 50% CO2-reductie in 2015.

5.5

Keuze en verantwoording van bestemmingen

5.5.1

Het digitale bestemmingsplan

Een belangrijk onderdeel van Wet ruimtelijke ordening (Wro) vormt de digitaliseringsverplichting. De Wro bepaalt dat een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar en uitwisselbaar moet zijn. Dit heeft onder meer geleid tot de introductie van twee nieuwe begrippen: 'digitale verbeelding' en de 'analoge verbeelding'. Het bestemmingsplan bestaat uit een digitale verbeelding (plankaart), regels en een toelichting en is digitaal raadpleegbaar. De eerste twee onderdelen zijn juridisch bindend, de toelichting is juridisch niet bindend maar helpt bij de interpretatie van de kaart en de regels. De 'digitale verbeelding' is een interactieve raadpleegomgeving die o.a. via het internet (www.ruimtelijkeplannen.nl) die de gehele inhoud van het bestemmingsplan ontsluit overeenkomstig de SVBP2012: Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Door een muisklik op een bepaalde plek verschijnen de bijbehorende regels voor die locatie in een nieuw tabblad in beeld. Onder de term digitale verbeelding wordt dan ook niet alleen het ruimtelijk beeld, maar ook de daarbij behorende juridische informatie (regels) verstaan. Indien de digitale en de analoge verbeelding tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale verbeelding beslissend. Onder analoge verbeelding wordt verstaan: alle te verbeelden informatie van een ruimtelijk plan op papier.

De term analoge verbeelding is dus een synoniem voor de tot nu toe altijd gebruikte term plankaart. Op de bij het onderhavige bestemmingsplan Brasserskade behorende verbeelding zijn alle noodzakelijke en op grond van het Besluit ruimtelijke ordening vereiste gegevens ingetekend. Er is daarbij onderscheid gemaakt in bestemmingen en aanduidingen op de verbeelding. De bestemmingen zijn de belangrijkste elementen. Elk stuk grond van het plangebied heeft een bestemming. Deze wordt zichtbaar gemaakt door middel van een kleur, op de digitale verbeelding wordt de informatie in een aparte deel van het scherm zichtbaar, op de analoge verbeelding al dan niet in combinatie met een letter, ter aanduiding van de bestemming en een getal dat de maximale toegestane (goot- en nok)hoogte en/of het bebouwingspercentage aangeeft. Op deze wijze is het mogelijk om te zien welke bestemmingen zijn gegeven aan de gronden en opstallen binnen het plangebied. Elke op de verbeelding aangegeven bestemming is gekoppeld aan een bestemmingsartikel in de regels. De regels laten vervolgens bij elke bestemming zien op welke wijze gronden binnen de desbetreffende bestemming gebruikt mogen worden. Daarbij wordt onder meer verwezen naar aanduidingen op de plankaart. Aanduidingen geven dientengevolge, in samenhang met de regels, duidelijkheid over wat binnen een bestemmingsvlak al dan niet is toegestaan.

Op de digitale en analoge verbeelding van de plankaart zijn bouwhoogten aangegeven. Gekoppeld aan bouwvlakken is een maatvoering voor (goot- en nok)hoogte, afgerond in meters en conform de Standaard

67

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012, opgenomen. De waarde op de plankaart geeft de maximaal toegelaten (goot- en nok)hoogte van een gebouw aan. Daarnaast wordt ook in de bouwregels van het bestemmingsplan een en ander bepaald over bouwhoogten. Bij het bepalen van de daadwerkelijke hoogte van gebouwen is gebruik gemaakt van stereokartering met behulp van luchtfoto's. De maximaal toegelaten bouwhoogte kan afwijken van de daadwerkelijke hoogte van een gebouw: aan het vaststellen van een maximale bouwhoogte liggen stedenbouwkundige overwegingen ten grondslag. Voorts wordt de opzet van het bestemmingsplan ingegeven door de relevante beleidskaders en omgevingsfactoren. In onderstaande tabellen (beslissingstabel) is aangegeven op welke onderdelen de in dit bestemmingsplan beschreven beleidskaders en omgevingsfactoren hun vertaling hebben gevonden in het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze paragraaf vormt dan ook als het ware de schakel tussen de toelichting van het bestemmingsplan en de daarbij behorende regels en plankaart. De analoge verbeelding wordt, gelet op de aard en omvang van het plangebied, afgedrukt op een topografische ondergrond met een schaal van 1:1000. 5.5.2

Keuze en verantwoording van de bestemmingen

Beleidskader Ruimtelijk beleid

Vertaling in het bestemmingsplan

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. De ladder voor duurzame verstedelijking is kaderstellend voor alle juridisch bindende ruimtelijke plannen van de decentrale overheden.

Deze politievestiging betreft een specifieke functie, die niet te vergelijken is met bijvoorbeeld een kantoor. Belangrijke voorwaarde is dat de vestiging centraal in het verzorgingsgebied (de veiligheidsregio Den Haag) ligt. Op deze manier kan de inzet van de politie in de regio goed worden gefaciliteerd en kan een bijdrage worden geleverd aan de veiligheid. Bovendien heeft deze speciale eenheid behoefte aan een bepaalde mate van beveiliging. Er is vanuit de maatschappij behoefte aan een goede bereikbaarheid, om de inzet van deze eenheid goed te kunnen faciliteren. Deze locatie voldoet daaraan. Derhalve voldoet de ontwikkeling aan het gestelde in de ladder voor duurzame verstedelijking. Het plangebied ligt in het gebied 'Beter benutten bebouwde ruimte' en wordt gezien als onderdeel van de bestaande stad. Het toevoegen van bebouwing past binnen het gevoerde beleid.

De Provinciale Structuurvisie "Visie op Zuid-Holland" en de provinciale "Verordening Ruimte" zet in op een samenhangend stedelijk en landschappelijk netwerk, goede bereikbaarheid, een divers aanbod van woon- en werkmilieus in een aantrekkelijk landschap met ruimte voor water, landbouw en natuur. De Verordening Ruimte laat uitbreiding van Niet van toepassing op het plangebied. detailhandel slechts toe op plekken die gelegen zijn binnen bestaande winkelconcentraties en kantoren binnen de bestaande haltes van het Zuidvleugelnet. De Structuurvisie / Haagse Verdichting / Agenda Ruimte voor de Stad houdt voor toelichting Bestemmingsplan Brasserskade in dat invulling wordt gegeven aan: dat langs doorgaande wegen en groen wordt uitgegaan van minimaal vijf bouwlagen.

Niet van toepassing op het plangebied.

68

bestemmingsplan Brasserskade 2023 (concept)

optoppen (dakopbouwen) verruiming van mogelijkheden voor bouwen van aan- en bijgebouwen; functiewijziging (ombouwen van kantoorgebouwen naar woningbouw); dubbel grondgebruik. Plangebied toelichting Brasserskade

Niet van toepassing op het plangebied. Niet van toepassing op het plangebied.

Masterplan

Masterplan Ypenburg

Stedenbouwkundig plan

Stedenbouwkundige randvoorwaarden nieuwbouw Nationale Politie, Brasserskade'

Niet van toepassing op het plangebied. Niet van toepassing op het plangebied.

Verkeer en parkeren De Haagse Nota Mobiliteit hanteert een rangorde Voor de ontsluiting van de locatie wordt in haar wegenstructuur. Naast de hoofdwegen gebruik gemaakt van de bestaande voor het doorgaande verkeer zijn er de wegen van ontsluitingsroute van het defensieterrein welke een lagere orde die het verkeer tussen wijken en direct aantakt op de aansluitingsweg van de het buurtgebonden verkeer moeten afwikkelen: Ypenburgse ringweg op de A13. buurtontsluitingswegen (straten) en erfontsluitingswegen (verblijfs- en woonstraten). Verblijfsgebied ten slotte is openbare ruimte waar geen autoverkeer is toegestaan en waar de verkeersfunctie ondergeschikt is aan de verblijfsfunctie De nota “Parkeerkader Den Haag 2010-2020” In het plangebied wordt uitgegaan van parkeren gaat mede in op het faciliteren van de op eigen terrein met een parkeerbehoefte volgens parkeerbehoefte en het benutten van schaarse de Nota Parkeernormen. ruimte Wonen De kern van de Woonvisie 2009-2020 is als Den Niet van toepassing op het plangebied. Haag zich meer op de kaart wil zetten als woonstad, moet de stad zich versterken door meer differentiatie in woonmilieus en woonsferen te creëren en de woonkwaliteit verhogen Economie Bedrijven

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13075999/1