RIS315961 Bijlage Strategie Transitieperiode omgevingsplan V2 4
Tekst van het document
Gebiedsgerichte aanvulling Voor alle locaties in Den Haag zijn aanpassingen nodig aan het nieuwe stelsel. Voor sommige gebieden gaat het vooral om het omzetten van bestaande regelgeving, maar voor andere zijn ook inhoudelijke wijzigingen nodig. De complexiteit van het opstellen van gebiedsgerichte omgevingsplanwijzigingen verschilt daardoor per locatie. Vertrouwelijkheid: Intern
24
Na het vaststellen van (een aanzienlijk deel van) de algemene regels voor het permanente omgevingsplan, zal worden gestart met het gebiedsgericht aanvullen. We beginnen daarbij zo eenvoudig mogelijk, met het min of meer beleidsneutrale actualiseren van bestaande gebieden. Naarmate Fase 2 verloopt werken we toe naar het meer complexe, beleidsintensief inregelen van locaties met meer dynamiek (zie ook paragraaf 4.2.1). Welke delen van Den Haag in welke volgorde worden opgepakt zal – in overleg met diverse betrokkenen – nader worden bepaald. Het geniet de voorkeur om te starten met gebieden die beperkt zijn van omvang. Door relatief klein te beginnen doorlopen we het planproces sneller en is opgedane kennis eerder weer toe te passen. Zo krijgen we het proces steeds beter in de vingers. Om verder te prioriteren zal een afwegingskader worden gemaakt om voorkeursgebieden te scoren. Er kan bijvoorbeeld worden gekeken naar de leeftijd van het bestemmingsplan of de beheersverordening die is opgegaan in het tijdelijke omgevingsplan of naar gebieden waar de mate van afwijking van de regels in het tijdelijke omgevingsplan ten opzichte van de doelen uit de omgevingsvisie zeer groot is. Daarnaast zal het waarschijnlijk efficiënt zijn om buurten/bestemmingsplannen met een vergelijkbaar gebiedsprofiel zoveel mogelijk in samenhang met elkaar te bekijken. 4.3.3.
Fase 3: december 2030 – december 2033 Het eind van deze fase – december 2033 – wordt bepaald door het einde van de wettelijke transitieperiode, vermoedelijk 10 jaar na (de verwachte) inwerkingtreding van de wet. Fase 3 is daarmee het laatste tijdsblok waarin we regelgeving vanuit het tijdelijke omgevingsplan en de gemeentelijke verordeningen kunnen verplaatsen naar het permanente omgevingsplan. Regels die voor afloop van deze periode niet zijn omgezet vervallen van rechtswege. We gaan er vanuit dat in Fase 2 de bruidsschat volledig is omgezet en werken in Fase 3 dan ook enkel aan het ruimtelijk spoor en het verordeningenspoor. Resterende regels tijdelijk plan In deze fase richten we ons op het omzetten van regels/gebieden die – om wat voor reden dan ook – nog niet eerder vanuit het tijdelijke omgevingsplan zijn omgezet. Het is op dit moment moeilijk in te schatten om wat voor regels/gebieden dat zou gaan. De verwachting is dat we hier vooral te maken gaan krijgen met gebiedsgerichte omzettingen. Waar nodig kan natuurlijk nog steeds een thematische wijziging worden voorgesteld. Verordeningen Naast de laatste regels uit het tijdelijk omgevingsplan, gaan we ook aan de slag met de gemeentelijke verordeningen. De regels die moeten en kunnen landen in het permanente omgevingsplan, worden daarin opgenomen.
Overblijvende verordeningsregels worden logisch ondergebracht in een zo beperkt mogelijk aantal nieuwe verordeningen. De belangrijkste reden om de gemeentelijke verordeningen niet eerder mee te nemen, is dat het wijzigen van (delen van) een verordening (bijvoorbeeld vanwege een beleidswijziging) kan worden opgepakt via een aanpassing van de betreffende verordening. Dit in tegenstelling tot een ruimtelijke regel uit het tijdelijke omgevingsplan, die daarin ‘bevroren’ is en alleen kan worden gewijzigd via een Vertrouwelijkheid: Intern
25
omzetting naar het permanente omgevingsplan. De prioriterig om verordeningsregels om te zetten naar het permanente omgevingsplan is daarmee dus lager dan het omzetten van regels uit het tijdelijke deel. Ter voorbereiding op het omzetten van de gemeentelijke verordeningen, zal vanaf 2025 richting de diverse verantwoordelijke afdelingen worden gecommuniceerd dat deze overgang er aan zit te komen. Men kan dan starten met de voorbereidende werkzaamheden die onder verantwoordelijkheid van de betreffende afdeling vallen (zie paragraaf 4.2.3). Zo kan het proces tijdens Fase 3 soepel verlopen. In aanloop naar deze fase zal ook worden bepaald met welke verordeningen we starten. Het is logisch eerst diegene op te pakken die regels bevatten die gebaseerd zijn op – of sterk verband houden met – thema’s die al vanuit het ruimtelijke spoor of bruidsschatspoor (gedeeltelijk) zijn geland in het omgevingsplan. Dit om dubbele regelgeving op hetzelfde thema te voorkomen/schrappen. Mocht zich in de periode voor december 2030 de situatie voordoen dat het gewenst is om een bepaalde verordening al om te zetten naar het permanente omgevingsplan, dan kan er – na zorgvuldige weging – een incidentele uitzondering worden gemaakt. Er kunnen zich bijvoorbeeld meekoppelkansen voordoen bij reeds geplande actualisaties van verordeningen.
4.4 Participatie De wetgever vindt het belangrijk dat burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties invloed kunnen uitoefenen op het omgevingsplan van de gemeente. Daarom zijn er bij het wijzigen van het omgevingsplan een aantal verplichte stappen opgenomen om participatie goed te borgen. Het tijdelijke omgevingsplan ontstaat van rechtswege op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierbij is geen participatie mogelijk. Bij het vullen van het permanente omgevingsplan is wel participatie mogelijk. Het maakt daarbij niet uit vanuit welk spoor (ruimtelijk, bruidsschat of verordeningen) een door te voeren wijziging wordt aangeleverd. Voordat we starten met het wijzigen of maken van het permanente omgevingsplan, moeten we hiervan een kennisgeving doen. We zijn verplicht hierin op te nemen hoe we de participatie zullen gaan vormgeven. Bij vaststellen van (een wijziging van) het omgevingsplan moeten we vervolgens verslag doen van de manier waarop burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties zijn betrokken en wat de resultaten van de participatie zijn (motiveringsplicht). 4.4.1 Wie wordt wanneer betrokken? Participatie speelt een rol bij elke omgevingsplanwijziging.
De participatie richt zich daarbij vooral op het meenemen van de opvattingen en ideeën van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisatie bij het vertalen van beleidsuitgangspunten naar het omgevingsplan. Welke partijen worden betrokken bij de wijziging is afhankelijk van de aard en omvang van de herziening van het omgevingsplan en de invloed die de wijziging heeft op de fysieke leefomgeving. Daarnaast is de omvang van het participatietraject ook sterk afhankelijk van of in een eerder stadium al (recentelijke) participatie heeft plaatsgevonden over het betreffende onderwerp en in hoeverre dit afdoende is voor de voorgenomen wijziging.
Vertrouwelijkheid: Intern
26
4.4.2 Instrumenten Om te beoordelen of voor een bepaalde omgevingsplanwijziging afdoende participatie heeft plaatsgevonden en om – wanneer dat niet het geval is – een passend traject te ontwerpen, maken we gebruik van twee instrumenten die hiervoor binnen Den Haag zijn ontwikkeld: het Haags participatiekompas en de Haagse Participatiewijze. Figuur 8 Het Haags participatiekompas Het Haags participatiekompas toont wat we in Den Haag zien als de zes uitgangspunten om te komen tot goed democratisch samenspel oftewel goede participatie. De Haagse participatiewijze bestaat uit vier stappen met standaardvragen en spelregels, bedoeld om deze uitgangspunten door te vertalen naar de praktijk, participatie te structureren en samenwerking makkelijker te maken.
4.4.3 Leren door te doen Niet alleen het samenstellen van het omgevingsplan is nieuw voor deze organisatie, maar ook het op deze schaal doorlopen van participatietrajecten. Ook hier gaan we de komende jaren dus veel over leren. De instrumenten die nu zijn ontwikkelt, vormen dan ook expliciet een eerste versie. Door aan de slag te gaan, na afloop terug te kijken en te evalueren wat wel en niet werkt, kunnen we de instrumenten de komende jaren aanscherpen en verbeteren. Ook daar zal de input van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties bij worden betrokken.
4.5 Flexibele en wendbare aanpak Het opstellen van het permanente omgevingsplan is veelomvattend en complex. We beogen een transitie die zo efficiënt mogelijk is, maar waarbinnen ook ruimte is om uit te proberen, te leren, fouten te maken, terug te kijken en onszelf op die manier te verbeteren. Door de werkzaamheden en fases die zijn beschreven in paragraaf 4.2 en 4.3 op te delen in kleinere onderdelen, is focus aan te brengen in het geheel. Het is daardoor ook beter te beheersen. Fouten die zich voordoen of zaken die onverwacht anders uitpakken, zijn sneller te herstellen, waardoor we sneller zullen leren en uiteindelijk beter gesteld staan om deze opgave op te pakken. We zullen voor het opstellen van het omgevingsplan dan ook grotendeels een flexibele, wendbare aanpak hanteren. Dit houdt in dat er niet vooraf een uitgebreid projectplan wordt gemaakt, maar dat we op basis van wat globalere opdrachtomschrijvingen aan de slag gaan. In korte tijdframes van 1 tot 4 weken pakken we een deel van het werk op. Na die periode kijken we terug op wat is opgeleverd en bepalen we wat het belangrijkste is om uit te voeren in het volgende tijdframe. Daarbij passen we waar nodig onze werkwijze aan, gebaseerd op de opgedane ervaringen. Zo komen we in een x aantal tijdframes tot een (deel)resultaat. Vertrouwelijkheid: Intern
27
Tijdens de voorbereiding op de komst van het omgevingsplan hebben we al uitgebreid (positieve) ervaring opgedaan met dit zogenaamde agile werken. Het voordeel van deze aanpak is dat resultaten sneller opgeleverd kunnen worden door ‘gewoon te gaan bouwen’, voortschrijdend inzicht continu benut kan worden en er gemakkelijker ingespeeld kan worden op de (nieuwe) wensen van gebruikers. Bovendien is er sprake van een overlegstructuur waarbij laagdrempelig, wekelijks kennis wordt gedeeld. Dit zorgt dat mensen op de hoogte zijn van elkaars werk, wat de samenhang van het geheel sterk ten goede komt.
Vertrouwelijkheid: Intern
28
5. De winkel blijft open De transitie van tijdelijk naar permanent omgevingsplan is een omvangrijke opgave die jaren zal duren. Het is van het grootste belang om deze opgave gestructureerd op te pakken. De stad zal zich echter blijven ontwikkelen. Er zullen zich dus zaken aandienen die geen onderdeel vormen van deze strategie. Het is belangrijk om te bepalen hoe de gestructureerde ontwikkeling van het permanente omgevingsplan kan worden gecombineerd met onze doorlopende planologische functie en met de politieke realiteit. Er zijn twee soorten zaken die aanleiding kunnen geven tot een omgevingsplanwijziging die afwijkt van de strategie die in dit stuk wordt beschreven: ruimtelijke initiatieven die afwijken van het (tijdelijke) omgevingsplan en beleidsontwikkeling. Wanneer een ruimtelijk initiatief afwijkt van het (tijdelijke) omgevingsplan, maar wel gewenst is, is het belangrijk dat we hier toch adequaat aan mee kunnen werken. Wanneer ontwikkelingen in de stad (en daarbuiten) leiden tot nieuwe (politieke) wensen die moeten worden vertaald naar beleid, is het omgevingsplan in een aantal gevallen de onmisbare schakel om een en ander in de praktijk tot uitvoering te kunnen brengen.
Figuur 9 Schematische weergave van de samenhang tussen de ‘gestructureerde’ totstandkoming van het permanente omgevingsplan en de aanvoer van wijzigingen voortkomend uit de dynamiek van de zich continu ontwikkelende stad.
5.1 Faciliteren ruimtelijke initiatieven 5.1.1 Toetsingskader omgevingsvergunning Een aanvraag om een omgevingsvergunning die tot 31 december 2023 wordt ingediend wordt getoetst aan het bestemmingsplan en eventueel relevante gemeentelijke verordeningen. Voor het beoordelen van deze aanvragen (tot en met het onherroepelijk worden) blijft het huidige recht en ruimtelijke regime gelden. Direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet, zullen aanvragen worden ingediend die via het nieuwe recht en de bijbehorende procedures worden doorlopen. We
Vertrouwelijkheid: Intern
29
krijgen dus te maken met een periode direct na inwerkingtreding, waarin procedures volgens het oude en het nieuwe recht naast elkaar lopen. Aanvragen die vanaf inwerkingtreding van de wet worden ingediend voor een locatie waar nog geen sprake is van een permanent omgevingsplan, worden getoetst aan het tijdelijke omgevingsplan. Op die manier worden ze dus getoetst aan dan vigerende (in het tijdelijke omgevingsplan ‘bevroren’) ruimtelijke regime en aan de regels in de bruidsschat. Daarnaast wordt de aanvraag getoetst aan eventueel relevante gemeentelijke verordeningen. Aanvragen die vanaf inwerkingtreding van de wet worden ingediend voor een locatie waar al sprake is van een permanent omgevingsplan, worden – wederom op basis van de Omgevingswet – getoetst aan het permanente omgevingsplan. Indien de gemeentelijke verordeningen daarin nog niet geïntegreerd zijn, wordt de aanvraag ook daar aan getoetst. Zijn ze wel geïntegreerd, dan vervalt dit. 5.1.2 Faciliteren afwijking tijdelijk omgevingsplan Aan een initiatief dat in strijd is met het tijdelijke omgevingsplan, maar wel gewenst is omdat het bijdraagt aan de ambities en doelen voor Den Haag, kan op twee manieren medewerking worden verleend:
Via een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Via een wijziging van het tijdelijke omgevingsplan: het (versneld) omzetten van het betreffende gebied naar het permanente omgevingsplan.
5.1.3 Initiatief faciliteren via een BOPA Afwijking middels een BOPA is de meest eenvoudige methode van afwijken. Deze procedure is redelijke vergelijkbaar met de huidige buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan. Het heeft de voorkeur om relevante initiatieven zoveel mogelijk te faciliteren via een BOPA. Deze procedure is aanzienlijk sneller (in principe 8 weken) dan een omgevingsplanwijziging (vele maanden) en daarmee dus het meest klantvriendelijk. Een ander belangrijk argument om zoveel mogelijk te faciliteren via een BOPA, is dat bij een gebiedsgerichte wijziging van het omgevingsplan zogenaamde ‘nieuwe thema’s’ moeten worden betrokken waarvoor we als Den Haag nog geen beleid hebben geformuleerd (zie hoofdstuk 4). Onder andere op basis van ervaringen in de Binckhorst kunnen we stellen dat dit het zeer lastig maakt om een en ander goed te reguleren in het omgevingsplan, wat vervolgens aan de uitvoerende kant de nodige uitdagingen met zich meebrengt. Een laatste argument is dat via het zoveel mogelijk faciliteren met een BOPA wordt voorkomen dat de ambtelijke capaciteit die beschikbaar is voor het maken van het permanente omgevingsplan (structureel) moet worden ingezet voor het faciliteren van initiatieven.
De focus binnen de transitie zou hiermee verschuiven naar ‘de waan van de dag’, met als gevolg dat het omzetten van de huidige regelgeving naar het permanente omgevingsplan zal worden vertraagd. Dit brengt het risico met zich mee dat we niet klaar zijn voordat de transitieperiode is afgelopen, waardoor regelgeving van rechtswege komt te vervallen en we een stuk regie op de stad kwijtraken. Bij het faciliteren via een BOPA, worden verleende vergunningen in de loop van de transitieperiode verwerkt in het omgevingsplan. Ze worden gebiedsgericht meegenomen in het ruimtelijke spoor (zie paragraaf
Vertrouwelijkheid: Intern
30
4.2.1), conform de fase-planning (zie paragraaf 4.3) en staan op die manier de gestructureerde ontwikkeling van het permanente omgevingsplan niet in de weg. 5.1.4 Initiatief faciliteren via een omgevingsplanwijziging Ondanks dat afwijken van het tijdelijke omgevingsplan via een BOPA de voorkeur heeft, zal dit niet in alle gevallen mogelijk zijn. Deze procedure is bijvoorbeeld geen optie wanneer regels van omliggende percelen moeten worden aangepast om een initiatief te faciliteren (bijvoorbeeld wanneer een geurcontour van een bedrijf over de kavel ligt waar de initiatiefnemer een woning wil bouwen). Of omdat bij een ontwikkeling een bepaalde mate van flexibiliteit in programma of bouwregels wenselijk is. Afwijking is dan alleen mogelijk via een omgevingsplanwijziging. Ook kan niet op voorhand worden gesteld dat alle initiatiefnemers de voorkeur geven aan een BOPA. Er zullen dus gevallen zijn waarin een tussentijdse wijziging van het omgevingsplan onvermijdelijk is. Het gaat dan om een wijziging van het omgevingsplan binnen het ruimtelijk spoor (paragraaf 4.2.1), waarvoor zal worden afgeweken van de planning (paragraaf 4.3). Gelet op de hierboven beschreven bezwaren dient het besluit om een initiatief te faciliteren via een omgevingsplanwijziging uiterst zorgvuldig te worden gewogen.
De ambtelijke organisatie bereid zich al enkele jaren voor op het kunnen wijzigen van het tijdelijke omgevingsplan. We weten/kunnen al veel, maar moeten ook nog veel leren. De set aan uniforme basisregels die wordt samengesteld om bij de diverse omgevingsplanwijzigingen een mate van uniformiteit te garanderen (zie paragraaf 4.1.3) is een belangrijk instrument bij het doorvoeren en in routing brengen van wijzigingen ten behoeve van het faciliteren van initiatieven. Wanneer deze regelbibliotheek gevuld is met standaardregels voor ten minste de meest voorkomende thema’s, beschikken we als het ware over een omgevingsplan op hoofdlijnen. Aan de hand hiervan kan een omgevingsplanwijziging relatief snel worden opgesteld en in routing worden gebracht.
5.2 Faciliteren politieke wens of beleidswijziging Deze strategie betreft het in het permanente omgevingsplan opnemen van het huidige ruimtelijk beleid (bestemmingsplannen, beheersverordeningen), diverse nieuwe beleidsthema’s (voortkomend uit de omgevingsvisie en bruidsschat) en de gemeentelijke verordeningen (die voordat ze worden omgezet nog inhoudelijke kunnen worden gewijzigd), zowel thematisch als gebiedsgericht. Deze strategie voorziet niet in het doorvoeren van diverse losse (sectorale) politieke wensen of de daarbij behorende beleidswijzigingen die tijdens de overgangsperiode zullen ontstaan. Net als bij de ruimtelijke initiatieven, speelt ook hier het argument dat de ambtelijke capaciteit voor het maken van het permanente omgevingsplan beperkt is en we er dus voor moeten waken dat de focus verschuift naar de waan van de dag. Belangrijker is echter dat het verwerken van beleidswensen op kleinschalige, sectorale onderwerpen indruist tegen de uitgangspunten van de Omgevingswet en daardoor de beoogde integraliteit in gevaar brengt. Een dergelijke gang van zaken is niet wenselijk en moet dan ook zoveel mogelijk worden voorkomen. Onder de Omgevingswet staat het bepalen van doelen en ambities op thema-overstijgend niveau centraal.
Door zaken vervolgens in onderlinge samenhang te beschouwen en integraal te wegen, wordt duidelijk waar we als stad op gaan inzetten en waar we er voor kiezen minder prioriteit te geven. Dit biedt een kader voor het maken van integrale afwegingen in (onder andere) het omgevingsplan. Als we als organisatie te veel blijven denken vanuit het willen doorvoeren van Vertrouwelijkheid: Intern
31
‘kleine’ sectorale beleidswensen ontnemen we onszelf de mogelijkheid om opgavegericht, met een brede blik, keuzes te maken voor de lange termijn die de juiste impact zullen hebben. Ondank dat het aantal gevallen tot een minimum beperkt zou moeten worden, zal het in de praktijk voorkomen dat het nodig/zeer wenselijk is om een (kleinschalige) sectorale politieke wens of beleidswijziging te vertalen naar de uitvoeringspraktijk. Dit zal af en toe nodig zijn om adequaat in te kunnen spelen op (onwenselijke) ontwikkelingen in de stad. Indien uit onderling overleg blijkt dat het omgevingsplan hiervoor het beste middel is, zal een omgevingsplanwijziging worden opgepakt om dit nieuwe beleid door te voeren. Per geval moet hierbij een benadering worden gekozen die zo goed mogelijk aansluit bij (of tenminste zo min mogelijk interfereert met) de strategie zoals die in dit stuk uiteen wordt gezet.
5.3 Aandachtspunt Zoals blijkt uit het bovenstaande is het van belang dat de capaciteit die wordt vrijgespeeld om op een gestructureerde wijze het permanente omgevingsplan te ontwikkelen daar ook zoveel mogelijk voor beschikbaar is. Wanneer het wenselijk is een omgevingsplanwijziging op te pakken die afwijkt van deze strategie, zal de capaciteit daarvoor dan ook zoveel mogelijk elders moeten worden gevonden. Het is van belang om een knip aan te brengen in capaciteit die beschikbaar is voor de gestructureerde ontwikkeling van het permanente omgevingsplan en capaciteit die zich zal richten op de te verwachten losse vraagstukken. Vanzelfsprekend is afstemming over en weer met betrekking tot inhoudelijke keuzes, te volgen werkwijzen, etc. daarbij essentieel. Om één en ander overzichtelijk en beheersbaar te houden is een vorm van centrale regie van belang.
Vertrouwelijkheid: Intern
32
6. Uitvoering Het opstellen van het permanente omgevingsplan voor Den Haag is veelomvattend en complex. Er moeten (tien)duizenden bepalingen worden omgezet, waarbij continu afgestemd moet worden met diverse (interne en externe) partijen over een grote hoeveelheid onderwerpen. Dit vraagt om inzet vanuit een groot deel van de gemeentelijke organisatie. Tijdens de opbouw van het permanente omgevingsplan moet bovendien ruimte zijn voor participatie en zal vele malen politieke besluitvorming plaatsvinden. Voor de doorlooptijd betekent dit dat we de gehele transitieperiode nodig zullen hebben.
6.1 Organisatie 6.1.1 Procesverantwoordelijke De procesverantwoordelijkheid voor het omgevingsplan is belegd bij de afdeling Juridische Planvorming en Omgevingsrecht (JPO) binnen de Dienst Stedelijke Ontwikkeling (DSO). Deze afdeling fungeert als kartrekker voor het uitvoeren van de beschreven strategie. JPO draagt de verantwoordelijkheid voor het omgevingsplan echter niet alleen. Het instrument is – vanwege haar integrale karakter – in de basis een samenwerkingsproduct, waarvoor diverse afdelingen gezamenlijk aan de lat staan. Dit wordt verder versterkt door de nauwe samenhang met andere (nieuwe) kerninstrumenten waarvoor de procesverantwoordelijkheid elders in de organisatie is belegd. 6.1.2. Vaste kern met flexibele schil De inzet voor het opstellen van het permanente omgevingsplan wordt georganiseerd via een vaste kern van medewerkers, met daaromheen een flexibele schil. De vaste kern wordt gevormd door medewerkers van de afdelingen JPO, Stedenbouw & Planologie (S&P) en Geo-informatie. Deze drie afdelingen kunnen worden gezien als de ‘hoofdleveranciers’ aan het omgevingsplan die bij alle stappen in het traject intensief betrokken zullen zijn. De flexibele schil rond deze vaste kern wordt gevormd door interne specialisten vanuit diverse afdelingen en ketenpartners, zoals de ODH en GGD.
Het gaat daarbij niet alleen om beleidsafdelingen, maar ook om afdelingen waar een stuk uitvoering is belegd. Medewerkers uit de flexibele schil sluiten aan wanneer zaken worden opgepakt die betrekking hebben op hun kennis en ervaring. Het is wenselijk dat de flexibele schil daarbij geen puur afwachtende houding heeft, maar ook actief zelf aandachtspunten inbrengt. 6.1.3 Benodigde capaciteit en organisatieonderdelen Omdat het maken van het omgevingsplan nieuw is voor onze organisatie, beschikken we nog over weinig informatie om de benodigde capaciteit en organisatieonderdelen in te schatten. Op basis van de opgedane ervaringen van de afgelopen jaren, kunnen we een grove schatting maken van wat we verwachten nodig te hebben om het werk in Fase 1 goed en met het juiste tempo op te kunnen pakken. Tijdens het werken aan het omgevingsplan zal meer inzicht ontstaan. Hiermee kan niet alleen de capaciteitsvraag beter worden beetgepakt, maar zal ook steeds duidelijker worden welke afdelingen moeten worden aangehaakt bij welke delen van het proces. Hieruit zal een beter beeld ontstaan van wat er nodig is voor Fase 2 en 3.
Vertrouwelijkheid: Intern
33
Organisatieonderdelen Om te komen tot de inhoudelijke invulling van het permanente omgevingsplan, is inzet nodig van diverse afdelingen die vallen onder de Dienst Stedelijke Ontwikkeling (DSO), Dienst Stadsbeheer (DSB), Onderwijs, Cultuur & Welzijn (OCW) en Dienst Bedrijfsvoering (specifiek informatisering & automatisering). Zoals beschreven in paragraaf 6.1.2, zal de vaste kern voor het werken aan het omgevingsplan worden gevormd door de afdelingen JPO, S&P en Geo-informatie (allen DSO). Omdat het omgevingsplan een zeer sterke digitale component kent – die de komende jaren bovendien nog volop in ontwikkeling zal zijn – zal deze vaste kern op regelmatige basis behoefte hebben aan ondersteuning vanuit Informatisering & Automatisering. Ten aanzien van de flexibele schil van benodigde specialisten, baseren we ons voorlopig op de landelijk gebruikte lijst van standaardonderwerpen die opgenomen zullen worden in het omgevingsplan (zie figuur 10). Op basis daarvan kunnen we stellen dat met name de Beleidsafdeling Stadsbeheer (DSB) een groot aantal verschillende onderwerpen vertegenwoordigt. Ook zijn er diverse afdelingen die verantwoordelijk zijn voor veelomvattende onderwerpen, zoals Wonen, Energietransitie of Mobiliteit (allen bij DSO).
De verschillende uitvoerende afdelingen spelen bij alle onderwerpen een rol, omdat zij zullen adviseren ten aanzien van de uitvoerbaarheid/ handhaafbaarheid van voorgestelde regels, meldingsplichten, etc. Voorlopig moeten we ook constateren dat nog niet voor alle onderwerpen op de lijst geheel duidelijk is welke afdelingen hierbij een rol zullen spelen. Het gaat daarbij met name om onderwerpen die momenteel geen (expliciet) onderdeel zijn van bestemmingsplannen, zoals Maatschappelijke Opgaven en Gezonde fysieke leefomgeving (veelal het domein van de dienst OCW). Meer dan bij onderwerpen die wél onderdeel zijn van bestemmingsplannen, moet voor deze thema’s nog veel duidelijk worden ten aanzien van hoe een en ander kan landen in het omgevingsplan en wie daarover in welk stadium mee moet/kan denken.
Afval Asbest Bodem Bouw Energiebesparing Energietransitie Erfgoed Externe veiligheid Geluid Geur
Gezonde fysieke leefomgeving Klimaat Landschappelijke kwaliteit Licht Lucht Maatschappelijke opgaven Mobiliteit en parkeren Natuur Participatie Ruimtelijke ontwikkelingen
Stedenbouwkundige kwaliteit Toegankelijkheid voor personen Trillingen Verkeersveiligheid Water Windhinder Wonen Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS)
Figuur 10 Standaardlijst van omgevingsplan-onderwerpen
Capaciteit Qua benodigde capaciteit zien we een zwaartepunt bij de afdelingen JPO, S&P en Geo-informatie. De inschatting voor Fase 1 is dat ten minste nodig is:
Afdeling JPO: doorlopend 6 FTE (omgevingsplanjurist, regelanalist, projectleiding/ondersteuning). Afdeling S&P: doorlopend 3 FTE (planoloog)
Vertrouwelijkheid: Intern
34
Afdeling Geo-informatie: doorlopend 1.5 FTE (plantekenaar, adviseur) Afdeling I&A: doorlopend 0.5 FTE (adviseur) Diverse beleidsafdelingen DSO, DSB, OCW: 0.5 FTE per onderwerp uit figuur 10. In te zetten wanneer specifieke onderwerpen worden behandeld en bij incidentele vragen. Afdelingen Vergunningen & Toezicht, Haagse Pandbrigade en Handhavingsorganisatie (afhankelijk van het betreffende onderwerp en de mogelijkheden om vraagstukken te combineren): 0.5 FTE in te zetten wanneer specifieke onderwerpen worden behandeld en bij incidentele vragen.
Deze capaciteit moet puur gericht zijn op het behalen van de doelen die zijn beschreven in deze strategie. Zoals aangegeven hebben we nog weinig informatie om deze inschatting op te baseren. Deze moet dan ook worden gezien als een voorlopige inschatting. Indien er vertraging in de planning wordt gesignaleerd die het gevolg is van te lage capaciteitsclaim, zal dit worden aangegeven bij de betreffende afdelingen. Bijsturing kan dan plaatsvinden via de reguliere cyclus van planning & control.
6.2 Randvoorwaarden De capaciteit die wordt toegezegd voor de gestructureerde ontwikkeling van het permanente omgevingsplan (zoals uiteen gezet in dit document) dient daar ook daadwerkelijk voor te worden vrijgespeeld. Indien dat niet het geval is, kan de voortgang niet worden gegarandeerd en ontstaat het gevaar dat we niet op tijd klaar zijn. Dit heeft weer tot gevolg dat regelgeving ongewenst komt te vervallen waarmee we een stuk regie op de stad verliezen. Het (opstellen van en werken met het) omgevingsplan vraagt een andere manier van (samen)werken, communiceren, informatie delen, etc. Er dient aandacht en commitment te zijn voor verandermanagement als blijkt dat de organisatie te veel blijft vasthouden aan de bestaande manier van werken. Betrokkenheid en een actieve houding vanuit de relevante afdelingen en ketenpartners is essentieel voor een soepel verloop van het proces. Ook spelen college en raad een belangrijke rol bij de totstandkoming van het permanente omgevingsplan. Ze dienen dan ook nauw betrokken te worden gedurende het hele proces. Beginnend met het vaststellen van deze strategie en bijbehorende uitgangspunten. De omvang van de opgave (zowel in tijd als bereik) maakt dat deze samenhangt met een groot aantal zaken.
Diverse werkzaamheden/processen die spelen binnen het fysieke domein en binnen de implementatie van de Omgevingswet kunnen van invloed zijn op deze transitie en omgekeerd. Om één en ander beheersbaar te houden, is heldere afstemming essentieel ten aanzien van doelen, (on)mogelijkheden, werkwijzen, tijdspaden, etc. Dat geldt ook voor afstemming voordat toezeggingen worden gedaan, zowel intern als extern, zowel ambtelijk als politiek.
6.3 Afhankelijkheden 6.3.1 Inwerkingtreding Omgevingswet De Omgevingswet is al diverse malen uitgesteld. Het meest recente uitstel (bekend gemaakt op 27 januari 2023) heeft vooralsnog geleid tot een beoogde invoeringsdatum van 1 januari 2024. Op dit moment is niet te zeggen in hoeverre deze datum overeind zal blijven. Ondanks dat dat wel wordt Vertrouwelijkheid: Intern
35
verwacht, is momenteel nog onduidelijk in hoeverre de beoogde einddatum van de overgangsperiode mee zal schuiven met de startdatum. 6.3.2 Functionaliteit Digitaal Stelsel Omgevingswet Het niet afdoende functioneren van het Digitaal Stelsel Omgevingswet Landelijke Voorziening (DSOLV) is de belangrijkste reden voor het continue uitstel van de wet. Ten aanzien van het omgevingsplan is de functionaliteit van het DSO-LV op dit moment niet afdoende om omgevingsplanwijzigingen door te kunnen voeren. Het Rijk zal de komende maanden diverse verbeterslagen moeten doorvoeren om een en ander op orde te krijgen. De leverancier van de gemeentelijke omgevingsplansoftware moet vervolgens de benodigde koppelingen maken. Zij kunnen daar pas echt mee aan de slag als duidelijk is welke technische eisen het DSO-LV stelt. 6.3.3. Vaststelling gemeentelijke omgevingsvisie Om te komen tot een permanent omgevingsplan dat voldoet aan de eisen van de Omgevingswet, waarin nieuwe thema’s zijn opgenomen en dat recht doet aan actuele vraagstukken en de dynamiek in de stad, is een integraal toetsingskader onontbeerlijk. Hierin zal in grote mate worden voorzien met de omgevingsvisie voor Den Haag. De huidige planning is dat deze omgevingsvisie eind 2024 zal worden vastgesteld. De start van Fase 2 is afgestemd op deze planning.
Indien deze planning niet wordt gehaald, zal moeten worden bekeken wat dit voor gevolgen heeft voor de beschreven strategie.
6.4. Financiële gevolgen Om te komen tot een permanent omgevingsplan zijn veel mensen en middelen nodig. Een deel van deze mensen en middelen wordt momenteel al ingezet voor het maken van bestemmingsplannen. Het omgevingsplan is echter in veel opzichten omvangrijker en zal dus meer vereisen dan de optelsom van de huidige bestemmingsplannen. Omdat het werken aan en met het omgevingsplan nieuw is, is momenteel niet goed te schatten hoe groot de extra inspanning vanuit en impact op de verschillende lagen van de gemeentelijke organisatie en onze ketenpartners zal zijn. De financiële effecten van deze transitie zijn dan ook niet meegenomen in dit Plan van Aanpak. Dat geldt ook voor de eventuele financiële effecten van inhoudelijke keuzes die kunnen worden gemaakt in het omgevingsplan (zoals het opnemen van meer vergunningvrije activiteiten). We zullen hier de komende jaren steeds beter inzicht in krijgen.
6.5 Onvoorziene zaken In dit Plan van Aanpak staan diverse uitgangs- en aandachtspunten beschreven die een rol spelen bij het ontwikkelen van het permanente omgevingsplan. De komende tijd zullen deze worden verfijnd en vertaald in opdrachten die door de ambtelijke organisatie worden uitgevoerd. Daarbij zullen ongetwijfeld nieuwe aandachtspunten naar voren komen, die we op dit moment niet voorzien. Eventuele keuzes die daaruit voortvloeien zullen ambtelijk worden afgestemd en indien noodzakelijk of wenselijk vervolgens worden voorgelegd aan het college en de raad.
Vertrouwelijkheid: Intern
36
7. Gerelateerde besluiten In het kader van de invoering van de Omgevingswet heeft de gemeenteraad diverse besluiten te nemen. Een aantal daarvan hangt in meer of mindere mate samen met het opstellen van/werken met het omgevingsplan. Deze besluiten vormen geen onderdeel van dit Plan van Aanpak. Ze zijn wel in voorbereiding en volgen daarbij elk een eigen traject. Omdat er nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden, zijn deze onderwerpen nog niet vertaald in de uitgangspunten voor het omgevingsplan zoals ze in dit Pan van Aanpak zijn beschreven. Waar relevant, zal dit worden opgepakt wanneer dit Plan van Aanpak wordt verfijnd en wanneer opdrachten etc. worden geformuleerd die een afgeleide zijn van dit document. Voor nu beperken we ons tot een korte beschrijving van de betreffende besluiten.
7.1 Delegatiebesluit Het vaststellen van het omgevingsplan is een taak van de gemeenteraad. Het vaststellen van delen van het omgevingsplan kan echter worden gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. Via een delegatiebesluit kan de raad bepalen binnen welke grenzen en onder welke voorwaarden het college delen van het omgevingsplan kan vaststellen. Er is een ambtelijke werkgroep opgericht om een delegatiebesluit voor te bereiden. De insteek daarbij was het versimpelen en versnellen van procedures rondom het omgevingsplan, door het delegeren van praktische zaken van hoofdzakelijk technische of procedurele aard. Daarbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het verwerken van omgevingsvergunningen die reeds onherroepelijk zijn. Mettertijd zal meer inzicht ontstaan in het dagelijks werken met het omgevingsplan. Uit het samenspel tussen raad, college en initiatiefnemers zal gaan blijken of het wenselijk is om wijzigingen aan te brengen in het delegatiebesluit. Daarom is voorgesteld om het delegatiebesluit één jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet te evalueren.
7.2 Bindend advies Het vaststellen van het omgevingsplan is een bevoegdheid van de gemeenteraad. Besluiten over het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning is een bevoegdheid van het college. Het college kan daarbij ook – en dus zonder tussenkomst van de raad – besluiten om (via een BOPA) af te wijken van het omgevingsplan. Op basis van de Omgevingswet kan de raad echter vooraf situaties aanwijzen waarbij de raad een bindend advies uitbrengt aan het college bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In deze aangewezen situaties kan het college dus niet zonder tussenkomst van de raad besluiten om af te wijken van het omgevingsplan. Raad en college hebben een duale werkgroep opgericht, waarin het bindend advies onderwerp van gesprek was. Vanuit de groep is een voorstel gedaan richting de gemeenteraad voor aan te wijzen situaties.
Vertrouwelijkheid: Intern
37
7.3 Verplichte participatie Participatie is belangrijk onder de Omgevingswet. Voor omgevingsvergunning is de verantwoordelijkheid voor participatie neergelegd bij de initiatiefnemer. Deze moet bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning aangeven of – en zo ja, hoe – de omgeving is betrokken bij het voorbereiden van het initiatief en wat de resultaten daarvan zijn. Deze participatie is echter niet verplicht, waardoor een initiatiefnemer ook kan besluiten om belanghebbenden niet te betrekken. De Omgevingswet maakt het mogelijk dat de gemeenteraad op voorhand bepaalde gevallen aanwijst waarin participatie verplicht is voor initiatiefnemers die een vergunningaanvraag indienen. Als niet wordt voldaan aan de participatie-eis, is de aanvraag niet compleet en kan het college besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dit is overigens alleen mogelijk bij aanvragen die niet passen binnen het (tijdelijke) omgevingsplan en die vergund (kunnen) worden via een BOPA. De gemeenteraad van Den Haag hecht veel waarde aan participatie en zal dus ook gebruik maken van de mogelijkheid om gevallen aan te wijzen waarin participatie verplicht is. Ook dit is onderwerp van de in paragraaf 7.2 benoemde duale werkgroep.
7.4 Verordening nadeelcompensatie De overheid kan rechtmatig handelen en toch schade veroorzaken. In bepaalde gevallen moet die schade worden vergoed. De hoogte van deze zogeheten nadeelcompensatie moet redelijk zijn, maar dekt dus niet de volledige schade. Onder de Omgevingswet gaat nadeelcompensatie over besluiten of maatregelen:
die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen bevatten voor burgers en bedrijven en die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.
De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in de Omgevingswet, er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de wet staan. Schadeoorzaken zijn bijvoorbeeld een omgevingsvergunning of het weigeren daarvan, een regel in een omgevingsplan of een maatwerkvoorschrift. De omvorming van het huidige ruimtelijke regime naar het (permanente) omgevingsplan, betekent dat we met een andere systematiek gaan werken. We krijgen bovendien te maken met nieuwe wettelijke eisen, instructieregels en thema’s. Daardoor bestaat een reële kans op het bewust of onbewust wegbestemmen van bestaande rechten. Zowel onder de huidige wetgeving als straks onder de Omgevingswet kan dit tot claims leiden. Om onder de Omgevingswet op een goede manier planschadeclaims af te kunnen handelen, is het van belang een verordening nadeelcompensatie vast te stellen. Hiervoor zal vanuit het ambtelijk apparaat een voorstel worden gedaan. Deze verordening zal enige tijd bestaan naast de huidige planschadeverordening; deze blijft van kracht zolang er nog ruimtelijke procedures onder het huidige recht worden afgehandeld.
Vertrouwelijkheid: Intern
38