CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS315499 bijlage

Commissie Leefomgeving 1 juni 2023, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken20.280 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De Bomenstichting heeft daarnaast ook bezwaren tegen de uitkomst van de berekeningen die met het model zijn gemaakt. De Afdeling gaat hierna, onder 34.1, in op de bezwaren van de Bomenstichting en de Stichting Den Haag Fossielvrij over het gebruik van een model in het algemeen en over het model dat in deze zaak is gebruikt, en daarna, onder 34.2 op de bezwaren van de Bomenstichting tegen de uitkomst van de berekeningen.

- Het model 34.1. De Bomenstichting voert ten eerste aan dat er ten onrechte geen metingen, maar berekeningen metvbehulp van een model zijn uitgevoerd. Zij voert ook aan dat de in het door Deltares gebruikte model gebruikte KNMI-gegevens afkomstig zijn van een KNMI-station buiten stedelijk gebied, zodat de daarvan afkomstige gegevens niet kunnen worden gebruikt voor een onderzoek in een stedelijke omgeving. Zij voert verder aan dat het model alleen de gevolgen van de opwarming door de leidingen heeft berekend, terwijl ook andere factoren, zoals klimaatverandering, leiden tot opwarming van de bodem. Deze hadden volgens haar ook in het model moeten worden meegenomen. De Stichting Den Haag Fossielvrij voert aan dat het gebruikte model niet voldoet, omdat de validatie niet voldoende is. De validatie heeft plaatsgevonden op een locatie die niet dezelfde eigenschappen heeft als de verschillende locaties langs het tracé, waar de bomen staan. Zij wijst daarbij op de grondsoort op de testlocatie, de lagere temperatuur van de warmte in de leiding op de testlocatie en de onbebouwde oppervlakte van de testlocatie. 34.1.1. In het deskundigenverslag van de STAB staat dat Deltares met modelberekeningen heeft onderzocht hoe groot de toename van de temperatuur in de ondergrond is bij het gebruik van de warmteleiding.

Aangezien de leiding nog niet aanwezig is, is het toepassen van een model volgens de STAB een juiste manier om de effecten in beeld te brengen. De thermische en geohydrologische eigenschappen van de verschillende bodemlagen en de grondwaterstanden zijn in het model gebracht. Ook de warmteleiding is ingevoerd met de temperaturen in de aan- en afvoerleiding. De temperatuur in de aanvoerleiding is volgens de STAB het hoogst en daarmee maatgevend. In het verslag staat dat het door Deltares gebruikte computermodel (DgFlow) is gebouwd voor het bepalen van de opwarming van de ondergrond door warmtetransportleidingen. Dit model is door Deltares verder ontwikkeld en gevalideerd met veldmetingen uitgevoerd bij de bestaande Leiding over Noord. Volgens de STAB zijn de omstandigheden bij die leiding, voor zover betrekking hebbend op de temperatuureffecten op de omgeving van een leiding, vergelijkbaar met die in Den Haag. Specifiek voor Den Haag zijn in het model bodemkenmerken als grondwaterstanden en thermische eigenschappen van de grond ingevoerd. De vier onderzochte locaties verschillen van elkaar wat bodemopbouw betreft, zodat met het model een goed beeld wordt gegeven van de effecten van de warmteleiding. De STAB concludeert dat zij geen redenen heeft om te twijfelen aan gehanteerde onderzoeksmethode van Deltares. 34.1.2.

De Afdeling volgt de Bomenstichting niet in haar stelling dat er ten onrechte geen metingen zijn verricht, maar alleen berekeningen met behulp van een model zijn uitgevoerd. Omdat de leiding nog niet is aangelegd, is het toepassen van een model een juiste manier om de gevolgen van de warmtetransportleiding in beeld te brengen. 34.1.3. De Afdeling ziet in wat de Bomenstichting en de Stichting Den Haag Fossielvrij hebben betoogd over de invoergegevens in het model en het uitvoeren van modelberekeningen geen reden om de STAB niet te volgen in haar conclusie dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de gehanteerde onderzoeksmethode. Zij overweegt daartoe als volgt. In het rapport van Deltares staat dat voor de meteorologische gegevens gebruik is gemaakt van informatie van het weerstation in Rotterdam. Dit weerstation ligt bij het vliegveld in Rotterdam. De Bomenstichting heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat niet met die gegevens kon worden gerekend. De Afdeling overweegt verder dat Deltares heeft berekend wat de gevolgen van de warmteleiding zijn voor de bodemtemperatuur. Dat is namelijk het project dat met het inpassingsplan mogelijk wordt gemaakt. Dat, zoals de Bomenstichting aanvoert, ook andere factoren de bodem kunnen opwarmen, kan wel zo zijn, maar die hoefden in het onderzoek van Deltares niet te worden betrokken.

Alleen de omstandigheid dat, zoals de Stichting Den Haag Fossielvrij aanvoert, validatie van het model heeft plaatsgevonden op een locatie die niet dezelfde eigenschappen heeft als de verschillende locaties langs het tracé, betekent niet dat alleen al daarom het model niet voldoet. Provinciale staten hebben tijdens de zitting toegelicht dat in het model rekening is gehouden met de verschillende soorten grond op de onderzochte locaties en ook met de bodembedekking ter plaatse, zoals gras of tegels. Dit staat ook in het STAB-verslag. Daarin staat ook dat de warmteleiding met de temperatuur van de aan- en afvoerleiding in het model is ingevoerd.

- De uitkomst van de modelberekeningen 34.2. De Bomenstichting voert aan dat niet duidelijk is op basis waarvan Deltares de vier onderzochte locaties heeft geselecteerd en dat niet duidelijk is of Deltares beide buizen samen of separaat heeft v onderzocht. Zij voert verder aan dat de onderzoeksresultaten niet duidelijk zijn gepresenteerd en dat belangrijke gegevens ontbreken. Zij wijst er in dit verband op dat de feitelijke toename van de temperatuur niet bekend is, dat de toename van de temperatuur ten onrechte is berekend tot alleen een diepte van 2 m onder maaiveld en dat niet duidelijk is waarom de maand augustus en het jaar 2020 maatgevend zijn geacht. Zij voert ook aan dat Deltares geen onderzoek heeft gedaan naar de achtergrond van de geconstateerde verschillen op de onderzochte locaties. Zij voert tot slot aan dat ook de vochthuishouding een groot effect heeft op het bodemecosysteem. 34.2.1. In het rapport van Deltares is niet vermeld waarom voor de maand augustus en het jaar 2020 is gekozen. In het verweerschrift van provinciale staten is dit toegelicht. Er staat dat het warmteverloop over vijf jaren (2016-2020) in beeld is gebracht, wat blijkt uit bijlage F bij het rapport. Er is voor 2020 als maatgevend jaar gekozen, omdat dat jaar een warm en droog jaar was en er dus in de situatie zonder de leiding al een grote belasting voor de bomen was.

Volgens provinciale staten is de temperatuur van de maand augustus niet gekozen als referentietemperatuur. De beoordeling van het optreden van schade is uitgevoerd aan de hand van berekende temperaturen voor alle maanden. In het verweerschrift is in dit verband verwezen naar bijlage G bij het rapport. Er staat dat in het rapport specifiek de resultaten van de maand augustus zijn gepresenteerd, omdat die maand de hoogste temperaturen heeft en daarmee worst case is. De STAB heeft deze toelichting van provinciale staten niet onjuist bevonden. De Afdeling ziet in wat de Bomenstichting heeft aangevoerd geen reden om daaraan te twijfelen. 34.2.2. In het STAB-verslag plaatst de STAB enkele kanttekeningen bij de wijze waarop de resultaten in het rapport van Deltares zijn gepresenteerd. De STAB wijst erop dat de gerapporteerde uitkomsten in het rapport inderdaad niet verder reiken dan 2 m onder maaiveld. De STAB heeft echter uit de afbeeldingen in het rapport afgeleid dat het gebruikte model de temperaturen tot 10 m onder maaiveld berekent. Uit de uitkomsten van het onderzoek blijkt, zo merkt de STAB op, dat het grootste effect zich voordoet op 1,5 m diepte. De STAB wijst er verder op dat alleen voor de maand augustus en alleen op een afstand van 2 m tot de leiding in het rapport is beschreven wat de temperatuurtoename is.

De STAB heeft echter aan de hand van de beschikbare gegevens in het rapport, waaronder bijlage G met daarin de berekende temperaturen op alle dieptes en alle afstanden tot de leiding in 2020, en het door provinciale staten overgelegde overzicht met de achtergrondtemperaturen in heel 2020, een tabel samengesteld waarin de temperatuurtoenames op alle dieptes en afstanden tot de leiding in 2020 zijn opgenomen. Volgens de STAB blijkt uit die tabel die als bijlage bij het verslag is gevoegd, dat de temperatuurtoename op een diepte van 1,5 m het grootst is. Op een afstand van 5 m is de invloed van de leiding verwaarloosbaar, namelijk 0 tot 1°C. Uit het voorgaande volgt dus dat de STAB kanttekeningen heeft geplaatst bij de wijze van presenteren van de onderzoeksgegevens. Uit het STAB-verslag blijkt echter niet dat de onderzoeksresultaten van Deltares niet juist zijn. De Bomenstichting heeft dat in haar reactie op het STAB-verslag ook niet gesteld, zodat de Afdeling geen aanleiding ziet om in zoverre niet uit te gaan van de bevindingen van de STAB. 34.2.3. Over de verschillen in temperatuurveranderingen op de vier verschillende locaties wijst de STAB erop dat de verschillen verklaarbaar zijn door de verschillen in bodemopbouw. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding om niet van de bevindingen van de STAB uit te gaan. 34.2.4.

Over de invloed van de warmteleiding op het vochtgehalte in de bodem concludeert de STAB dat op basis van de rekenresultaten kan worden opgemaakt dat er nagenoeg geen verandering van het vochtgehalte plaatsvindt als gevolg van de temperatuurverhoging door de warmteleiding. De geringe invloed van de warmteleiding (op alle afstanden tot de leiding) op het vochtgehalte is te verklaren door de dominantie van neerslag en verdamping aan maaiveld en de in beginsel ongewijzigde stroom-mogelijkheid van grondwater in horizontale en verticale richting.

De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding om niet van de bevindingen van de STAB uit te gaan. 34.3. v De Afdeling ziet gelet op wat hiervoor is overwogen geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten het rapport van Deltares niet hebben kunnen gebruiken als uitgangspunt in het onderzoek naar de effecten van de temperatuurtoename op de bomen langs het tracé. Het betoog slaagt niet. De gevolgen van de bodemtemperatuurtoename 35. De Bomenstichting betoogt dat dat er meer onderzoek nodig is naar de permanente effecten van warmteleidingen voor bomen. Zij wijst in dit verband op de opmerkingen van RoyalHaskoningDHV dat meer onderzoek noodzakelijk is. 35.1. In de memo "Effectbeoordeling van de warmteleiding op bomen in Den Haag" van Royal HaskoningDHV van 18 augustus 2021 staat dat RoyalHaskoningDHV geen publicaties over de effecten van warmteleidingen op bomen heeft gevonden. Omdat er in Nederland de komende jaren meer warmteleidingen aangelegd zullen worden, is het volgens RoyalHaskoningDHV wenselijk hierover meer duidelijkheid te hebben. Zij noemt de memo een eerste stap om deze kennislacune te vullen. In deze memo is dat gedaan op basis van de modelberekeningen en interpretatie van algemene literatuur. 35.2. Provinciale staten ontkennen niet dat RoyalHaskoningDHV geen publicaties heeft gevonden over de effecten van warmteleidingen op bomen.

Dit betekent echter naar het oordeel van de Afdeling niet dat provinciale staten zich bij de beoordeling van de effecten van de warmtetransportleiding op bomen niet op de memo van RoyalHaskoningDHV hebben mogen baseren. RoyalHaskoningDHV heeft onderzoek gedaan op basis van modelberekeningen en interpretatie van algemene literatuur. De Afdeling zal hierna aan de hand van de door de Bomenstichting aangevoerde gronden beoordelen of provinciale staten zich op dat onderzoek hebben kunnen baseren. 36. De Bomenstichting betoogt dat de memo van RoyalHaskoningDHV onvoldoende grondslag biedt voor het standpunt van provinciale staten dat het plan wat betreft de effecten van de warmteoverdracht van de leiding op bomen en natuur niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij voert aan dat er in de memo sprake is van een denkfout. Door te beweren dat de temperatuur in augustus op 1,5 m onder maaiveld maar 2°C lager is dan de temperatuur op 0,25 m onder maaiveld, wordt miskend dat het verschil tussen de berekende temperatuur en de achtergrondtemperatuur op een diepte van 1,5 m veel groter is. Zij voert verder aan dat het mogelijk is dat de temperatuurverschillen in de wintermaanden groter zijn dan in de zomermaanden. Zij voert tot slot aan dat in de memo geen rekening wordt gehouden met de effecten van de temperatuurverhoging op bodemecosystemen en bodemprocessen. 36.1.

Provinciale staten hebben in hun verweerschrift toegelicht dat in de memo van RoyalHaskoningDHV geen sprake is van de door de Bomenstichting bedoelde denkfout. Het verschil tussen de berekende temperatuur en de achtergrondtemperatuur op 1,5 m diepte is inderdaad meer dan 2°C. Maar de in de memo gemaakte vergelijking tussen de berekende temperatuur op 1,5 m en op 0,25 m diepte is volgens provinciale staten opgenomen om te laten zien dat op 1,5 m diepte de temperatuur nog steeds 2°C lager is dan op 0,25 m diepte, terwijl zich in die bovenste laag de meeste wortels van grassen en kruiden, en deels ook van bomen en struiken, bevinden. Die kunnen zich daar volgens provinciale staten prima bij ontwikkelen. De strekking van de opmerking in de memo is volgens provinciale staten dat zelfs daar waar de temperatuur op 1,5 m diepte op 0,5 m naast de leiding tot 24°C toeneemt, de bodemtemperatuur zo is dat wortels daar naar verwachting kunnen functioneren. De Afdeling ziet, gelet op deze toelichting op de memo, geen aanleiding voor het oordeel dat in de memo sprake is van een denkfout en die memo om die reden niet aan het standpunt van provinciale staten ten grondslag kon worden gelegd. 36.2.

Over de stelling van de Bomenstichting dat de temperatuurverschillen in de wintermaanden mogelijk groter zijn dan in augustus hebben provinciale staten in hun verweerschrift aangegeven dat dit niet juist is. Zij verwijzen daarbij naar tabel 5.1 van bijlage G bij het rapport van Deltares, waar de

berekende temperaturen in 2020 zijn weergegeven. De Afdeling ziet geen aanleiding om provinciale staten hierin niet te volgen. 36.3. v In het STAB-verslag is ingegaan op de memo van RoyalHaskoningDHV over de gevolgen van de temperatuurtoename op het bodemleven en bodemprocessen. De STAB is uitgegaan van het gestelde in de memo van RoyalHaskoningDHV dat binnen een straal van 0,5 m tot de leiding geen wortelgroei kan plaatsvinden door de warmteafgifte van de leidingen. De STAB heeft verder vastgesteld dat in het inpassingsplan is bepaald dat in de belemmeringenstrook geen diepwortelende beplanting mag worden aangeplant. De strook strekt zich uit tot 4 m vanaf de rand van de leiding. Dat laat onverlet dat in de belemmeringenstrook (buiten de straal van 0,5 m rondom de leidingen) wortels zich wel kunnen ontwikkelen. Het is volgens de STAB niet uitgesloten dat de warmteafgifte van de leidingen ook invloed heeft op de groeimogelijkheden van gewassen waarvan de wortels zich op meer dan 0,5 m van de leidingen bevinden. De STAB heeft de gevolgen van de warmteafgifte bezien aan de hand van een worstcase benadering, te weten een diepte van 1 m op een afstand van 0,5 m van de leiding. Op een diepte van 1 m zal de opwarming van de bodem door de warmteleiding bepalend zijn.

De STAB merkt, samengevat, op dat zij niet uitsluit dat als gevolg van de hogere temperatuur op termijn in de bodem een tekort aan nutriënten kan optreden, omdat deze versneld kunnen worden omgezet. Zodoende zijn ze wel vroeg in het groeiseizoen beschikbaar voor opname door de wortels en worden zij vastgelegd in de biomassa van de boom. Omdat de bladeren pas in de herfst afvallen, wordt de voorraad nutriënten in de bodem in verhouding tot het langere groeiseizoen laat aangevuld en kan er dus een tekort optreden. De STAB heeft in dit verband nog opgemerkt dat een tekort (op de langere duur) ook afhankelijk is van de hoeveelheid nutriënten die bij de aanplant van bomen aanwezig is. Met een grotere buffer/voorraad bij de aanplant kan een tekort op termijn worden ingeperkt. Voormeld effect zal op korte afstand van de leidingen sterker optreden, dus op korte horizontale afstand en grotere diepte. Als de afstanden groter worden, dan zal volgens de STAB het effect afvlakken. 36.4. Provinciale staten hebben in reactie op het STAB-verslag een memo van RoyalHaskoningDHV van 29 november 2022 overgelegd. In die memo staat dat de verhoging van de temperatuur op een afstand van meer dan 0,5 m van de leiding geen gevolgen heeft voor het voorkomen van bodemleven.

Het enige gevolg is volgens RoyalHaskoningDHV wellicht dat lokaal sommige biologische processen wat sneller zullen gaan, zoals een snellere omzetting van organisch materiaal wat in het door warmte beïnvloede deel van de bodem kan leiden tot een iets snellere nutriëntencyclus. Dit is volgens RoyalHaskoningDHV op zichzelf niets nieuws, dit gebeurt namelijk ook in de bodem direct onder het maaiveld bij vergelijkbare of zelfs nog hogere temperaturen. De nutriënten komen iets sneller vrij voor de boom om weer op te nemen. Maar dat heeft maar een marginaal effect. Het gaat volgens RoyalHaskoningDHV om een heel klein effect van enige extra warmte op een klein deel van het wortelstelsel. De meeste wortels liggen te ver van de leiding. RoyalHaskoningDHV wijst er verder op dat deze lokale en marginale verandering in de nutriëntenkringloop geheel wegvalt tegen de grote veranderingen in de bodem die als gevolg van de aanleg van de leiding zullen optreden. Dat is met name het geval in de delen van het tracé waar, door een open aanleg, de huidige grond vergraven zal worden. Als gevolg hiervan zijn er geen wortels in de directe omgeving van de leiding en moeten die nog vanuit bomen uit de omgeving of vanuit nieuw aangeplante bomen naar de nieuw aangebrachte grond toegroeien.

Er zal goede boomgrond gebruikt worden, die van veel betere kwaliteit is dan de huidige bodem die vaak verdicht en vervuild is en zeer divers van samenstelling. Deze bomengrond zal volgens RoyalHaskoningDHV daarom sowieso een grote verbetering betekenen voor de nutriëntenbeschikbaarheid voor de bomen. In de memo staat verder dat het groeiseizoen wordt bepaald door verschillende factoren waarvan luchten bodemtemperatuur, daglengte en hoeveelheid zonlicht de belangrijkste zijn. De warmteleiding heeft alleen invloed op de bodemtemperatuur van een klein deel van het wortelstelsel van sommige bomen. Dit is volgens RoyalHaskoningDHV niet voldoende om het groeiseizoen voor een hele boom te beïnvloeden. Zelfs als het groeiseizoen van een boom iets langer zou worden, dan is het niet aannemelijk dat dit zou leiden tot een nutriëntentekort. Dezelfde boomsoorten die in Den Haag en ergens anders zijn aangeplant, komen ook voor buiten Nederland in bijvoorbeeld Frankrijk waar ze inderdaad een langer groeiseizoen hebben. En daar is volgens RoyalHaskoningDHV geen sprake van een nutriëntentekort.

36.5. De Afdeling stelt ten eerste vast dat het volgens de STAB niet vast staat dat er een nutriëntentekort in de bodem zal ontstaan als gevolg van de temperatuurtoename door de warmtetransportleiding. De STAB sluit dat gevolg echter niet uit. Zoals hiervoor staat, hebben v provinciale staten op de conclusie van de STAB gereageerd met een memo van RoyalHaskoningDHV van 29 november 2022. Provinciale staten erkennen onder verwijzing naar die memo dat als gevolg van de temperatuurtoename in de bodem de biologische processen op een afstand tot 0,5 m tot de leiding wat sneller kunnen gaan, waarbij zij wijzen op een iets snellere nutriëntencyclus. Maar het gaat volgens hen alleen maar om een marginaal effect op een klein deel van het wortelstelsel. De Bomenstichting heeft niet aannemelijk dat dit niet juist is. De Bomenstichting heeft ook niet bestreden het standpunt van provinciale staten dat de aanleg van de leiding zelf een groter effect zal hebben, met name daar waar de grond vergraven zal worden. Op die locaties zal echter goede boomgrond worden gebruikt, wat volgens provinciale staten een grote verbetering zal betekenen voor de nutriëntenbeschikbaarheid voor de bomen. Dit heeft de STAB ook opgemerkt.

De Afdeling ziet, gelet op wat hiervoor is overwogen, in wat de Bomenstichting heeft aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet op basis van de memo van RoyalHaskoningDHV op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan wat betreft de effecten van de warmteoverdracht van de leiding op bomen en natuur niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog slaagt niet. 37. De Bomenstichting betoogt dat provinciale staten ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de effecten van het toekomstige distributienetwerk voor de bodem. 37.1. Het inpassingsplan voorziet in de aanleg van de warmtetransportleiding en niet in distributienetwerken. Dat in de toekomst distributienetwerken moeten worden aangelegd om de warmte vanuit de warmtetransportleiding naar de individuele woningen te transporteren en die leidingen, gelet op de warmteoverdracht op de bodem, ook gevolgen kunnen hebben voor bomen langs die tracés, kan bij de beoordeling van het inpassingsplan in deze procedure niet worden betrokken. Het betoog slaagt niet. Andere gevolgen voor de bomen langs het tracé 38. De Bomenstichting betoogt dat provinciale staten ten onrechte hebben nagelaten nader onderzoek te doen naar de bomen langs het tracé die, zoals staat in de Bomen Effect Analyse van Bomenwacht, aanzienlijke invloed van de aanleg van de warmtetransportleiding zullen ondervinden.

Zij voert aan dat provinciale staten ten onrechte geen maatregelen hebben getroffen om die bomen tijdens de werkzaamheden te beschermen. In haar zienswijze op het STAB-verslag en tijdens de zitting heeft de Bomenstichting toegelicht dat zij doelt op maatregelen die op grond van artikel 2:92, tweede lid, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: de Apv) door het college van Den Haag kunnen worden opgelegd. 38.1. De Afdeling stelt vast dat de Bomenstichting vreest dat bomen langs het tracé tijdens de werkzaamheden worden beschadigd en zullen sterven. Dit bezwaar heeft echter geen betrekking op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. 38.2. Wat betreft de verwijzing naar artikel 2:92, tweede lid, van de Apv overweegt de Afdeling als volgt. Dit artikel gaat over aanwijzingen die het college van Den Haag kan geven. De Afdeling zal daarom dit betoog behandelen bij de bespreking van het beroep van de Bomenstichting tegen het besluit van het college van Den Haag van 3 november 2021. Planregels en verbeelding 39. De gemeente Den Haag en Stichting Staedion en Heijmans Vastgoed hebben enkele gronden aangevoerd over hoe het een en ander in het inpassingsplan is geregeld. De Afdeling gaat hieronder op die gronden in. 40.

De gemeente Den Haag betoogt dat, hoewel in de toelichting op het inpassingsplan is vermeld dat niet zonder toestemming van het bevoegd gezag mag worden gegraven in sterk verontreinigde grond, dit verbod in de planregels niet is opgenomen.

40.1. In paragraaf 5.2 van de toelichting op het inpassingsplan komt het aspect bodem aan de orde. In de paragrafen 5.2.1 en 5.2.2 van de toelichting op het inpassingsplan staat dat BK Ingenieurs B.V. een historisch bodemonderzoek heeft uitgevoerd op het tracé van de nog aan te leggen v warmtetransportleiding. Naar aanleiding van dat onderzoek is in Den Haag een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van het verkennend bodemonderzoek zijn neergelegd in het rapport "Verkennend (water)bodem- en asbest-in-grondonderzoek Warmtenettracé Leiding door het Midden (LdM) - LOT E: Den Haag" van BK Ingenieurs B.V. van 27 maart 2020. Dit rapport is als bijlage bij het inpassingsplan gevoegd. In het rapport is geconcludeerd dat op het onderzochte tracé in Den Haag negen locaties zijn aangetroffen waar verontreinigingen zijn aangetroffen waarnaar nader onderzoek moet worden gedaan en/of waar sanerende maatregelen uitgevoerd moeten worden. In de plantoelichting staat hierover onder meer dat er niet zonder toestemming van het bevoegd gezag in sterk verontreinigde grond mag worden gegraven. 40.2. De Afdeling volgt de gemeente Den Haag niet in haar betoog dat in de planregels het verbod had moeten worden opgenomen dat niet zonder toestemming van het bevoegd gezag in sterk verontreinigde grond mag worden gegraven. Dit is namelijk geregeld in specifieke publiekrechtelijke wetgeving.

De Afdeling ziet geen redenen waarom provinciale staten uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening hierover in het plan aanvullende regels hadden moeten opnemen, voor zover dat al mogelijk zou zijn. Het betoog slaagt daarom niet. 41. Het beroep van Stichting Staedion en Heijmans Vastgoed is gericht tegen de toekenning van de dubbelbestemming "Leiding-Warmtetransportleiding" aan haar perceel en de daarmee gepaarde gaande bouwregels. Ook een aantal gronden van de gemeente Den Haag is hiertegen gericht. Zij voeren aan dat er concrete plannen zijn om op deze locatie een wooncomplex en parkeergarage te realiseren. Het inpassingsplan kan in de weg staan aan verlening van de daarvoor gevraagde omgevingsvergunning. 41.1. De gronden van Stichting Staedion en Heijmans Vastgoed liggen aan de Tripstraat in Den Haag. Aan die gronden is de dubbelbestemming "Leiding - Warmtetransportleiding" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - WOS 2" toegekend. 41.2. Uit de stukken van het dossier blijkt het volgende. Om de warmtetransportleiding aan te sluiten op het bestaande lokale warmtedistributienet is een warmteoverdrachtstation nodig. Bij de voorbereiding waren hiervoor twee locaties in beeld, namelijk bij de Uniper-centrale en op een locatie aan de noordzijde van de Tripstraat.

Op de verbeelding zijn ten behoeve daarvan de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - WOS 1" voor de locatie bij de Uniper-centrale en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf WOS 2" voor de locatie aan de Tripstraat opgenomen. 41.3. Na vaststelling van het inpassingsplan is overeengekomen dat het warmteoverdrachtstation zal worden gebouwd op de locatie bij de Uniper-centrale. Hiermee is volgens provinciale staten de noodzaak om de bouw van een warmteoverdrachtstation aan de Tripstraat via de planregels te beschermen, komen te vervallen. Provinciale staten hebben daarom bij besluit van 18 mei 2022 het inpassingsplan herzien in die zin dat de dubbelbestemming "Leiding - Warmtetransportleiding" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - WOS 2" niet langer rust op de gronden van Stichting Staedion en Heijmans Vastgoed aan de Tripstraat. Deze gronden maken niet langer onderdeel van het plangebied. 41.4. Stichting Staedion en Heijmans Vastgoed en de gemeente Den Haag hebben de Afdeling laten weten dat met deze wijziging het inpassingsplan niet langer in de weg staat het beoogde bouwproject. Gelet hierop en op het hierna gegeven oordeel over de beroepen van rechtswege tegen het gewijzigd inpassingsplan hebben Stichting Staedion en Heijmans Vastgoed en de gemeente Den Haag daarom geen belang meer bij een beoordeling van deze beroepsgronden. 42.

De gemeente Den Haag betoogt dat de locatie van een T-stuk niet juist is weergegeven op de verbeelding. Zij voert in dit verband aan dat dit T-stuk op de verbeelding aan het begin van de Middachtenweg is ingetekend, terwijl de juiste locatie ter plaatse van de Middachtenweg 284/296 ligt. 42.1. In het besluit van 18 mei 2022 staat, voor zover van belang, dat bij de vaststelling van het inpassingsplan niet is opgemerkt dat de locatie van een T-stuk niet juist op de verbeelding is opgenomen. Provinciale staten hebben daarom het inpassingsplan herzien in die zin dat de onjuiste locatie van het T-stuk van de verbeelding is verwijderd en dat de juiste locatie, ter hoogte van de Middachtenweg 284/296, op de verbeelding is opgenomen.

42.2. De gemeente Den Haag heeft laten weten dat met deze wijziging van het inpassingsplan aan haar bezwaar is tegemoet gekomen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de gemeente Den Haag daarom en gelet op het hierna gegeven oordeel over de beroepen van rechtswege tegen het gewijzigd v inpassingsplan geen belang meer bij een beoordeling van deze beroepsgrond. Uitvoerbaarheid 43. De Stichting Den Haag Fossielvrij en de gemeente Den Haag betogen om verschillende redenen dat het inpassingsplan niet uitvoerbaar is. De Afdeling zal hierna op die gronden ingaan. Voordat zij dat doet, wijst zij erop dat bij een beroep tegen een inpassingsplan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan alleen kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, als provinciale staten op voorhand redelijkerwijs hadden moeten inzien dat het plan niet uitvoerbaar is. - Economische uitvoerbaarheid 44. De Stichting Den Haag Fossielvrij betoogt dat in het kader van de vaststelling van het inpassingsplan onvoldoende onderzoek is gedaan naar de beschikbaarheid van restwarmte in de toekomst en de aanwezigheid van voldoende afnemers van de warmte die zal worden getransporteerd. Over de beschikbaarheid van warmte voert zij aan dat niet duidelijk is hoeveel restwarmte er beschikbaar is, als de haven in 2050 of in 2040 of zelfs nog eerder nul CO2 mag uitstoten.

Zolang dit onderzoek niet is gedaan, is volgens Stichting Den Haag Fossielvrij onvoldoende vastgesteld dat het plan uitvoerbaar is. Over de aanwezigheid van afnemers voert de Stichting Den Haag Fossielvrij aan dat onvoldoende is onderzocht of er voldoende huizen worden aangesloten en of deze aangesloten blijven. Zij voert ook aan dat in verschillende gemeenten niet (meer) wordt geïnvesteerd in de aanleg van nieuwe distributienetten en dat in andere gemeenten, zoals Den Haag, van andere warmtebronnen gebruik zal worden gemaakt. Volgens Stichting Den Haag Fossielvrij is ook daarom het inpassingsplan niet uitvoerbaar. 44.1. Provinciale staten wijzen erop dat de Stichting Den Haag Fossielvrij aanneemt dat de warmtetransportleiding alleen in staat is om voldoende warmte te leveren, als deze warmte wordt gegenereerd door de fossiele industrie in het Rotterdamse havengebied. Volgens provinciale staten miskent zij hiermee dat ieder (industrieel) proces warmte genereert, ook als bij dat proces geen fossiele brandstoffen worden gebruikt of CO2 wordt geëmitteerd. Als de 'fossiele' bedrijven in het Rotterdamse havengebied verdwijnen, dan blijft staan dat het gebied bestemd en bedoeld is voor zware industrie. Volgens provinciale staten zal dit richting en na 2050 niet veranderen. Provinciale staten wijzen in dit verband op de door de raad van de gemeente Rotterdam vastgestelde Havenvisie.

Volgens provinciale staten laat de energietransitie die zich óók in de Rotterdamse havens zal moeten voltrekken, de beschikbaarheid van warmte voor (bijvoorbeeld) de warmtetransportleiding onverlet. Provinciale staten hebben in aansluiting hierop aangegeven dat de fossiele industrie - naar redelijke verwachting, als het gebruik van fossiele brandstoffen wordt uitgefaseerd - op termijn uit het Havengebied zal verdwijnen. Wat daarvoor in de plaats komt, heeft weer eigen onvermijdelijke restwarmte tot gevolg. De grootte van de stroom en ook de kwaliteit van restwarmte uit die processen zal waarschijnlijk kleiner van omvang en lager van kwaliteit zijn ten opzichte van de restwarmte van de huidige fossiele industriële processen, maar daar is volgens provinciale staten rekening mee gehouden. Er is van uitgegaan dat op ter termijn meer andere restwarmteaansluitingen moeten worden gerealiseerd. Er is bovendien rekening mee gehouden dat ook aan die restwarmte een limiet zit - in die zin dat er te weinig volume en/of kwaliteit van die restwarmte vrij komt. Voor die situatie is de beschikbaarheid van nog in de grond gelaten geothermische capaciteit nuttig, zo stellen provinciale staten. Over de aanwezigheid van voldoende afnemers stellen provinciale staten zich op het standpunt dat iedere investering, zeker als het gaat om de energietransitie, risico's met zich brengt.

Het is volgens hen aan de voorkant niet volledig te voorspellen hoe de warmtevraag zich zal ontwikkelen. Provinciale staten wijzen erop dat Gasunie vóór de vaststelling van het inpassingsplan het Integraal Ontwerp Warmtetransport Zuid-Holland heeft opgesteld, waarin onder meer uitgebreid onderzoek is gedaan naar de bestaande en te verwachten toekomstige vraag naar warmte uit de warmtetransportleiding. Uit dat onderzoek is volgens provinciale staten gebleken dat de warmtetransportleiding haalbaar is. Provinciale staten wijzen er in dit verband nog op dat warmtetransportleiding niet uitsluitend is bedoeld om Den Haag van warmte te voorzien, maar een groot deel van Zuid-Holland.

Provinciale staten hebben tijdens de zitting nog opgemerkt dat de investeringsbeslissing al is genomen en dat er inmiddels is begonnen met de aanleg van de leiding. Dit duidt er volgens hen ook op dat niet aan de economische uitvoerbaarheid hoeft te worden getwijfeld. v 44.2. Zoals hiervoor onder 43 is overwogen, gaat het bij de vraag of het inpassingsplan uitvoerbaar is erom of provinciale staten op voorhand redelijkerwijs hadden moeten inzien dat het plan niet uitvoerbaar is. De Afdeling ziet in wat de Stichting Den Haag Fossielvrij heeft aangevoerd, geen aanleiding te twijfelen aan de hiervoor gegeven toelichting van provinciale staten over de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten zich, gegeven deze toelichting, op voorhand redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het gestelde ontbreken van voldoende restwarmte en afnemers niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog slaagt niet. - Bodem 45. De gemeente Den Haag betoogt dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de bodemkwaliteit in een deel van het plangebied. Zij voert aan dat uit onderzoek is gebleken dat er negen locaties zijn met verontreinigingen en dat nader onderzoek nodig is. Volgens de gemeente Den Haag heeft dat onderzoek ten onrechte niet plaatsgevonden.

Dit heeft tot gevolg dat niet kan worden uitgesloten dat de gronden zo verontreinigd zijn dat de warmtetransportleiding niet op die locaties kan worden aangelegd en dat het inpassingsplan niet uitvoerbaar is. Tijdens de zitting merkte de gemeente Den Haag op dat vooral zorgen bestaan over de locatie aan de Tripstraat, waar sprake is van grondwaterverontreinigingen. Het is volgens de gemeente Den Haag de vraag of de problemen op deze locatie opgelost kunnen worden. 45.1. De aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde plaatsen en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Die procedures staan nu niet ter beoordeling. Maar provinciale staten mogen het plan niet vaststellen, als zij op voorhand redelijkerwijs hadden moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. 45.2. Zoals hiervoor onder 40.1 is uiteengezet, is in de plantoelichting op basis van uitgevoerde bodemonderzoeken geconcludeerd dat op negen locaties in Den Haag verontreinigingen zijn aangetroffen. In het hiervoor vermelde rapport van BK Ingenieurs B.V. van 27 maart 2020 staat dat dit locaties zijn waar verontreinigingen zijn aangetroffen waarnaar nader onderzoek gedaan moet worden en/of waar sanerende maatregelen uitgevoerd moeten worden.

45.3. Provinciale staten zijn in hun verweerschrift op de negen locaties ingegaan. Voor drie van die negen locaties kunnen de werkzaamheden met een melding op grond van het Besluit uniforme saneringen worden uitgevoerd en is nader onderzoek daar niet noodzakelijk. Op twee locaties moeten grondwaterverontreinigingen nader worden beschouwd in het kader van het bemalingsadvies en op vier locaties is nader onderzoek nodig, met name om de exacte omvang en precieze uitvoeringsmaatregelen te bepalen. Dat deze nadere beschouwingen en het nadere onderzoek nog niet waren afgerond op het moment van de vaststelling van het inpassingsplan, maakt het plan volgens provinciale staten niet onuitvoerbaar. De aangetroffen verontreinigingen zijn volgens provinciale staten niet zo dat de aanleg van de warmtetransportleiding niet mogelijk is. Daarbij houdt het projectbudget rekening met de worst case te treffen maatregelen, zo brengen provinciale staten naar voren. Tijdens de zitting merkte LdM op dat er overleg wordt gevoerd over de grondwaterverontreinigingen aan de Tripstraat en dat zij erop vertrouwt dat de kwestie kan worden opgelost. Provinciale staten bevestigden dat er overleg wordt gevoerd en wezen erop dat de verontreinigingen ook in beeld zijn bij het Hoogheemraadschap van Delfland.

Er is daarom aan de watervergunning voor deeltracé E, waar de verontreiniging zich voordoet, een voorschrift verbonden, waarin is bepaald dat de vergunninghouder maatregelen moet nemen om verplaatsing van verontreiniging tegen te gaan door middel van retourbemaling en/of contrabemaling. Volgens provinciale staten kunnen die maatregelen worden genomen. Er is daar ook budget voor. 45.4. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten zich op voorhand redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat de aanwezige water- en bodemverontreinigingen niet aan de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan in de weg staat. De Afdeling betrekt daarbij dat de gemeente

Den Haag niet aannemelijk heeft gemaakt dat de conclusie van provinciale staten, te weten dat de aangetroffen verontreinigingen niet zo zijn dat de aanleg van de warmtetransportleiding niet mogelijk is en dat er voldoende financiële middelen zijn om de benodigde sanerende maatregelen te treffen, v onjuist is. Het betoog slaagt niet. - Staatsteun 46. De Stichting Den Haag Fossielvrij betoogt dat het project moet worden onderzocht op staatssteun. CMAG betoogt dat er sprake is van oneigenlijke staatssteun. Zij heeft in dit verband op de zitting toegelicht dat het project alleen mogelijk is met subsidie van de overheid. 46.1. Dat er mogelijk sprake is van ongeoorloofde staatssteun, kan in deze procedure alleen maar indirect aan de orde kan komen. De vraag is dan of staatssteun mogelijk een beletsel is voor de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan. Staatssteun houdt namelijk geen verband met de ruimtelijke effecten van het plan. Zo’n betoog kan daarom alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat provinciale staten op voorhand redelijkerwijs hadden moeten inzien dat de financieel-economische aspecten van het plan aan de uitvoerbaarheid ervan in de weg staan.

Hieraan is nog niet voldaan als CMAG en de Stichting Den Haag Fossielvrij aannemelijk maken dat de staatssteun die wordt of is verleend, kan worden teruggevorderd. Zij moeten ook aannemelijk maken dat provinciale staten op voorhand redelijkerwijs hadden moeten inzien dat als gevolg daarvan het plan niet kan worden uitgevoerd zonder dat ongeoorloofde staatssteun wordt verleend. 46.2. De Stichting Den Haag Fossielvrij heeft alleen aangevoerd dat onderzocht moet worden of er sprake is van ongeoorloofde staatssteun. CMAG heeft aangevoerd dat er subsidie is verleend. De Stichting Den Haag Fossielvrij en CMAG hebben hiermee niet onderbouwd dat er sprake is van staatssteun die kan worden teruggevorderd. Zij hebben ook niet onderbouwd waarom eventuele terugvordering in de weg staat aan de aanleg van de warmtetransportleiding of dat de warmtetransportleiding niet kan worden aangelegd zonder dat eventueel ongeoorloofde staatssteun wordt verleend. Het betoog slaagt niet. - Mededinging 47. CMAG betoogt dat er strijd bestaat met de Wet Markt en Overheid. Zij voert aan dat zij over onvoldoende informatie beschikt om de concurrentiepositie van Gasunie te kunnen beoordelen. De Stichting Den Haag Fossielvrij betoogt dat moet worden onderzocht of er sprake is van strijd met mededingingswetgeving. 47.1.

Met de wet Markt en Overheid is hoofdstuk 4b aan de Mededingingswet toegevoegd waarin regels voor overheden en overheidsbedrijven zijn opgenomen. CMAG en de Stichting Den Haag Fossielvrij hebben niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van de warmtetransportleiding alleen uitvoerbaar is zonder aan de Mededingingswet te voldoen. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat provinciale staten op voorhand redelijkerwijs hadden moeten inzien dat de Mededingingswet aan de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan in de weg staat. Het betoog slaagt niet. - Richtlijn 2018/2011 en de herziening van de richtlijn van het Europees parlement en de raad betreffende de energieprestatie van gebouwen 48. CMAG betoogt dat het inpassingsplan, gelet op richtlijn 2018/2011 en de herziening van de richtlijn inzake de energieprestaties van gebouwen, niet uitvoerbaar is. Op de zitting heeft zij erop gewezen dat in de richtlijnen een definitie is opgenomen van restwarmte, die is overgenomen in de Nederlandse bouwregelgeving. De warmtetransportleiding brengt warmte, die niet aan die definitie voldoet naar de gebouwde omgeving.

48.1. De Afdeling begrijpt het betoog van CMAG zo dat het inpassingsplan volgens haar niet uitvoerbaar is, omdat voor nieuwe gebouwen geen omgevingsvergunning kan worden verleend, omdat niet zal kunnen worden voldaan aan de bouwregelgeving. Maar dat wat CMAG aanvoert, heeft geen v betrekking op het inpassingsplan zelf. Het kan aan de orde komen in een procedure op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). In deze procedure kan alleen aan de orde komen of provinciale staten op voorhand redelijkerwijs hadden moeten inzien dat het plan om de door CMAG gestelde reden niet uitvoerbaar is. De Afdeling is van oordeel dat dat niet het geval is, alleen al omdat provinciale staten hebben aangegeven dat de warmtetransportleiding niet alleen geschikt om warmte afkomstig van fossiele industrie te transporteren en dat woningen ook gebruik kunnen maken van warmte afkomstig van lokale hernieuwbare bronnen. Het betoog slaagt niet. Het gewijzigd inpassingsplan 49. Bij besluit van 18 mei 2022 is het inpassingsplan op twee punten gewijzigd. De locatie voor een warmteoverdrachtstation aan de Tripstraat maakt niet langer onderdeel uit van het plan. Daarnaast zijn de locatie van een zogeheten T-stuk en de locatie van een expansielus gewijzigd. 50. Zoals onder 4 is overwogen, is dit een besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.

Het beroep van de Stichting Den Haag Fossielvrij, CMAG, de Bomenstichting en de Stichting GBE tegen het inpassingsplan heeft van rechtswege betrekking op dit besluit. Alleen de Stichting Den Haag Fossielvrij heeft inhoudelijke gronden aangevoerd tegen het gewijzigde inpassingsplan. 51. De Stichting Den Haag Fossielvrij betoogt dat het besluit om de locatie voor een warmtetransportstation aan de Tripstraat uit het inpassingsplan te verwijderen, een bewuste keuze is van de provincie en de gemeente Den Haag om een open warmtetransportleiding te bemoeilijken of onmogelijk te maken. Het is ook een bewuste keuze om gebruikers van de warmtetransportleiding afhankelijk te maken van Eneco. De Stichting Den Haag Fossielvrij wijst er in dit verband op dat deze wijziging van het inpassingsplan tot gevolg heeft dat er een gesloten warmtetransportsysteem ontstaat, dat onder controle van Eneco staat. Het gebruik van het warmteoverdrachtstation van Eneco betekent volgens haar dat elke andere potentiële gebruiker van de warmtetransportleiding afhankelijk is van de dominante speler in Den Haag. 51.1. Een warmteoverdrachtstation is ingevolge artikel 1.19 van de regels van het inpassingsplan een voorziening waarmee warmte wordt overgedragen van een warmtetransportleiding naar een warmtedistributienet en eventuele bijbehorende voorzieningen. 51.2.

In het inpassingsplan zijn, zoals hiervoor onder 41.2 is overwogen, twee mogelijke locaties opgenomen, waar zo'n warmteoverdrachtstation mocht worden gerealiseerd. Deze locaties zijn op de verbeelding aangeduid met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - WOS 1" en "specifieke vorm van bedrijf - WOS 2". Hoewel met het besluit van 18 mei 2022 één locatie voor een warmteoverdracht uit het inpassingsplan is verwijderd, verandert er feitelijk niets. De Afdeling wijst in dit verband naar artikel 4.4, onder a, van de regels van het inpassingsplan. Daarin is namelijk geregeld dat het warmteoverdrachtstation uitsluitend ter plaatse van één van deze beide aanduidingen mag worden gerealiseerd. Het is volgens die bepaling niet toegestaan om het warmteoverdrachtstation ter plaatse van beide aanduidingen te realiseren. Dat warmteoverdrachtstation kon overigens ook van Eneco zijn. De Stichting Den Haag Fossielvrij had haar bezwaar dat het inpassingsplan ten onrechte maar één warmteoverdrachtstation mogelijk maakt, kunnen en moeten aanvoeren tegen het besluit waarbij het inpassingsplan is vastgesteld. Het betoog slaagt daarom niet. 52. Stichting Den Haag Fossielvrij betoogt dat provinciale staten het gewijzigde besluit hadden moeten voorbereiden met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb.

Zij voert aan dat er sprake is van een ingrijpende wijziging van het inpassingsplan, omdat er nu niet langer sprake is van een open warmtetransportleiding. 52.1. Een bestuursorgaan moet een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb dat strekt tot wijziging van een besluit tot vaststelling van een inpassingsplan in beginsel voorbereiden met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, als het oorspronkelijke besluit met toepassing van die afdeling is voorbereid. Hierop zijn naar het oordeel van de Afdeling uitzonderingen mogelijk. Provinciale staten

kunnen na de vaststelling van het inpassingsplan alsnog besluiten tot een aanpassing van het plan zonder dat afdeling 3.4 opnieuw behoeft te worden toegepast, mits deze aanpassing naar aard en omvang niet zo groot is dat een wezenlijk ander plan wordt vastgesteld. v 52.2. Het inpassingsplan is, zoals hiervoor onder 49 is omschreven, op twee punten gewijzigd. Naar het oordeel van de Afdeling is door deze wijzigingen, ook gelet op wat hiervoor onder 51.2 is overwogen, geen wezenlijk ander plan ontstaan. Provinciale staten hoefden daarom afdeling 3.4 van de Awb niet toe te passen op de voorbereiding van het gewijzigde besluit. Het betoog slaagt niet. 53. De Stichting Den Haag Fossielvrij verwijst voor het overige naar de gronden die zij tegen het oorspronkelijke inpassingsplan heeft aangevoerd. Op die gronden is de Afdeling hiervoor al ingegaan. Die gronden slagen niet. Conclusie over het inpassingsplan en het gewijzigd inpassingsplan 54. Het beroep van Stichting Staedion en Heijmans Vastgoed B.V. tegen het besluit van provinciale staten van 13 oktober 2021 is, gelet op wat hiervoor onder 41.4 is overwogen, niet-ontvankelijk. De beroepen van de gemeente Den Haag, de Stichting Den Haag Fossielvrij, CMAG, de Bomenstichting en Stichting GBE tegen het besluit van 13 oktober 2021 zijn ongegrond.

De van rechtswege tegen het besluit van 18 mei 2021 ontstane beroepen van de Stichting Den Haag Fossielvrij, CMAG, de Bomenstichting en Stichting GBE zijn ook ongegrond. De omgevingsvergunning van het college van Den Haag 55. Bij besluit van 3 november 2021 heeft het college van Den Haag een omgevingsvergunning verleend voor de aanleg van de warmtetransportleiding en het kappen van bomen. 56. Zoals hiervoor onder 3 staat, heeft de Stichting Den Haag Fossielvrij geen inhoudelijk gronden aangevoerd tegen het besluit. Haar beroepsgronden zijn gericht tegen het inpassingsplan. 57. De Bomenstichting betoogt dat het college van Den Haag geen maatwerk heeft geleverd ten behoeve van de bomen die niet gekapt hoeven te worden, maar die wel aanzienlijke invloed van de werkzaamheden zullen ondervinden. Volgens de Bomenstichting zal er ernstige schade optreden en had het college aanwijzingen moeten geven waardoor de bedreigingen zouden worden weggenomen. Zij wijst in dit verband op artikel 2:92, tweede lid, van de Apv. 57.1.

Artikel 2:87, eerste lid, van de Apv luidt: "Het is verboden een houtopstand zonder vergunning of, indien de houtopstand is vermeld op de lijst van monumentale bomen zonder ontheffing, van het bevoegd gezag te vellen of te doen vellen." Artikel 2:88, eerste lid, luidt: "Het bevoegd gezag kan de vergunning of ontheffing, als bedoeld in artikel 2:87, eerste lid, weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van: - natuur-, educatieve en milieuwaarden; - belevings- en gebruikswaarden." Artikel 2:92, tweede lid, luidt: "Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, is de eigenaar of de publiekrechtelijk bevoegde van de grond waarop de houtopstand zich bevindt, verplicht om overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen binnen een door haar te stellen termijn maatregelen te nemen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen." 57.2. Uit dit artikel 2:92, tweede lid, blijkt weliswaar dat het college van Den Haag de door de Bomenstichting bedoelde aanwijzingen kan geven, maar dit artikel maakt geen onderdeel uit van het toetsingskader in deze zaak. Het gaat in deze zaak namelijk om de vraag of het college van Den Haag een omgevingsvergunning mocht verlenen voor het kappen van bomen.

Het toetsingskader daarvoor volgt uit artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 2:87 van de Apv. De Bomenstichting kan, zoals dat tijdens de zitting is besproken, als zij dat wenst, aan het college van Den Haag vragen de door haar gewenste aanwijzingen te geven.

Het betoog slaagt niet. De gewijzigde omgevingsvergunning van het college van Den Haag v 58. Het college van Den Haag heeft bij besluit van 10 mei 2022 een omgevingsvergunning verleend voor een wijziging van het tracé van de warmtetransportleiding. In het oorspronkelijke project kruiste de warmtetransportleiding het kruispunt Gunstersteinweg/Prinses Beatrixlaan over een lengte van 160 m. De leiding zou met een GFT-boring worden aangelegd. Uit nader onderzoek is echter gebleken dat een GFT-boring op deze locatie niet mogelijk is vanwege de aanwezigheid van andere leidingen. De leiding zal op die locatie worden aangelegd in een open ontgraving. Dit heeft onder meer tot gevolg dat vijf bomen, met de nummers 593, 594, 595, 596 en 597, waarvoor eerder een omgevingsvergunning voor de activiteit 'kappen' was verleend, behouden kunnen worden en dat vier andere bomen, met de nummers 2200, 2201, 2205 en 2206 gekapt moeten worden. 59. Zoals onder 5 is overwogen, is dit een besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Het beroep van de Stichting Den Haag Fossielvrij en het beroep van de Bomenstichting tegen het besluit van 3 november 2021 hebben van rechtswege betrekking op het besluit van 10 mei 2022. De Afdeling gaat hieronder in op de gronden die de Bomenstichting en de Stichting Den Haag Fossielvrij tegen dit besluit hebben aangevoerd.

De Afdeling merkt in dit verband op dat de Stichting Den Haag Fossielvrij in haar reactie op het besluit van 10 mei 2022 heeft verwezen naar de gronden van de Bomenstichting. 60. De Bomenstichting betoogt dat het gewijzigde besluit aantoont dat het doel van de gecoördineerde besluitvorming niet is gehaald. Er zijn verschillende wijzigingsbesluiten genomen, waaronder het besluit van 10 mei 2022. Dit toont volgens de Bomenstichting aan dat de voorbereidingen in het besluitvormingsproces te wensen overlaten. 60.1. Alleen de omstandigheid dat het besluit van 3 november 2021 is gewijzigd, maakt niet dat geen toepassing had mogen worden gegeven aan artikel 3.33, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro. Die omstandigheid betekent ook niet dat het besluit van 10 mei 2022 alleen al daarom onzorgvuldig tot stand is gekomen en moet worden vernietigd. De Afdeling zal het besluit van 10 mei 2022 bespreken aan de hand van de daartegen aangevoerde gronden. 61. De Bomenstichting betoogt dat het college ten onrechte niet op grond van artikel 2:91 tweede lid, aanhef en onder c, van de Apv aan de omgevingsvergunning het voorschrift heeft verbonden dat pas tot vellen van de bomen mag worden overgegaan als de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden. Zij wijst er in dit verband op dat de kap van bomen leidt tot onherstelbare schade. 62.

De Afdeling stelt vast dat het door de Bomenstichting bedoelde voorschrift niet aan de gewijzigde omgevingsvergunning is verbonden. Aan de vergunning is echter wel het voorschrift verbonden dat pas van de vergunning gebruik mag worden gemaakt, als het inpassingsplan onherroepelijk is geworden. Met dit voorschrift wordt materieel hetzelfde bereikt als met het voorschrift dat volgens de Bomenstichting aan de vergunning zou moeten worden verbonden. Het betoog slaagt niet. 63. De Bomenstichting betoogt dat in het besluit van 10 mei 2022 wordt gesproken over verschillende stukken, maar dat zij van die stukken geen kennis heeft kunnen nemen. De Bomenstichting wijst in dit verband op de aanvraag - die onder andere een beschrijving en foto's van de te kappen bomen moet bevatten -, de verrichtte natuuronderzoeken, de Bomen Effect Analyse en een herinrichtingsplan. 63.1. In het Provinciaal Blad is kennis gegeven van het besluit van 10 mei 2022. In de kennisgeving is ook vermeld dat en waar het besluit en de daarop betrekking hebbende stukken ter inzage liggen. De Bomenstichting heeft niet gesteld dat het besluit en de daarbij behorende stukken niet of niet volledig ter inzage hebben gelegen.

Bij de aanvraag zijn diverse stukken overgelegd, waaronder een herinrichtingsplan, overzichtstekeningen, een memo met een natuurtoets en een Bomen Effect Analyse, waarin een beschrijving, foto's, de locatie en de stamomtrek van de te kappen bomen zijn opgenomen. De Bomenstichting had dus kennis kunnen nemen van de door haar genoemde stukken.

Het betoog slaagt niet. 64. De Bomenstichting betoogt dat het voor haar niet duidelijk is welke vier bomen worden gekapt. Zij voert in dit verband aan dat de nummers van de bomen niet overeen komen met de nummers die v worden gebruikt in de zogeheten Haagse bomenapp. 64.1. De aanvraag heeft betrekking op de kap van vier bomen met de nummers 2200, 2201, 2205 en 2206. Deze nummers komen, zoals de Bomenstichting ook heeft geconstateerd, niet overeen met de nummers die in de door de Bomenstichting genoemde Haagse Bomenapp worden gehanteerd. De Afdeling is echter van oordeel dat dit niet betekent dat de aanvraag daarom onduidelijk is. LdM was namelijk niet verplicht om de gemeentelijke bomennummers te hanteren. Bij de aanvraag is, zoals gezegd, een Bomen Effect Analyse gevoegd, waarin onder meer informatie is opgenomen over de te kappen bomen. Uit die Bomen Effect Analyse blijkt naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk op welke bomen de gewijzigde aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft. Het betoog slaagt niet. 65. De Bomenstichting betoogt dat de verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met het gemeentelijk beleid. Zij voert aan dat de Bomen Effect Analyse in strijd met de Nota Stadsbomen niet is goedgekeurd door de raad van de gemeente.

Zij voert verder aan dat de Nota Stadsnatuur voorschrijft dat bij de herinrichting van een gebied een natuurkansenscan wordt gemaakt, die wordt beoordeeld door de Adviescommissie Openbare Ruimte. Zij wijst erop dat de natuurkansenscan moet worden opgemaakt om de aanwezige ecologische waarden van een gebied te bepalen en moet dienen als input voor de herinrichting van het gebied. Dat is volgens haar hier niet gebeurd. 65.1. Zoals hiervoor is uiteengezet, volgt het toetsingskader voor aanvragen om verlening van een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand uit artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 2:87 van Apv. In artikel 2:88, eerste lid, van de Apv is vermeld op welke gronden de vergunning kan worden geweigerd. 65.2. Over de gestelde strijd met de Nota Stadsbomen overweegt de Afdeling als volgt. De verlening van een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen is een bevoegdheid van het college. In artikel 2:88, eerste lid, van de Apv is niet vermeld dat een omgevingsvergunning pas mag worden verleend als de gemeenteraad de opgestelde Bomen Effect Analyse heeft goedgekeurd. In de Nota Stadsbomen is dat ook niet bepaald. 65.3. Over de gestelde strijd met de Nota Stadsnatuur overweegt de Afdeling als volgt.

Volgens de Nota Stadsnatuur is een natuurkansenscan een eenvoudige scan van een projectgebied waarmee de aanwezige ecologische waarden van dat gebied worden bepaald. Het resultaat van deze scan dient als input voor het ontwerp van het gebied. De scan is bedoeld voor kleinschalige (her)inrichtingen van stedelijk gebied buiten de Stedelijke Groene Hoofdstructuur. Ontwerpen die ter beoordeling worden voorgelegd aan de Adviescommissie Openbare Ruimte worden van nu af aan, zo staat in de Nota, mede op basis van de natuurkansenscan, ook beoordeeld op het gebied van stadsnatuur. Het college van Den Haag heeft er in zijn verweerschrift en op de zitting op gewezen dat het ontbreken van een natuurkansenscan bij de aanvraag niet als weigeringsgrond is genoemd in artikel 2:88 van de Apv en dat uit de Nota Stadsnatuur niet blijkt dat het opstellen van een natuurkansenscan in deze zaak verplicht is. Er is volgens hem in deze zaak echter wel op een vergelijkbare manier invulling gegeven aan de natuurkansenscan. Er zijn diverse ecologische onderzoeken verricht en bij het opstellen van het herinrichtingsplan is specifiek gekeken naar de kansen voor natuur. In het herinrichtingsplan is benoemd dat een belangrijk doel is om de biodiversiteit te optimaliseren.

Er is in dat verband niet alleen gekeken naar het terugbrengen naar wat er is, maar ook hoe de leefkwaliteit voor natuur kan worden verhoogd. Volgens het college van Den Haag ligt aan de vergunning onder andere een ecologisch onderzoek, een memo ten aanzien van effecten op natuurwaarden en een advies van de stadsecoloog ten grondslag. De natuurwaarden zijn dan ook zorgvuldig in kaart gebracht, zo stelt het college van Den Haag. De Afdeling volgt de Bomenstichting niet in haar stelling dat in deze zaak een natuurkansenscan als bedoeld in de Nota Stadsnatuur had moeten worden opgesteld. Zij overweegt verder dat het college de natuurwaarden met de uitgevoerde onderzoeken voldoende in kaart gebracht. De Afdeling ziet in het

betoog van de Bomenstichting geen grond voor het oordeel dat het besluit in zoverre niet zorgvuldig tot stand is komen. 65.4. v Gelet op het voorgaande slaagt het betoog van de Bomenstichting dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met het gemeentelijk beleid niet. 66. De Bomenstichting betoogt dat de vier bomen behoren tot de ecologische verbindingszone en daarmee tot de Stedelijke Groene Hoofdstructuur. De kap van de vier bomen tast volgens haar deze hoofdstructuur aan. 66.1. Het college is in het besluit ingegaan op het betoog van de Bomenstichting dat de te kappen bomen deel uit maken van de Stedelijke Groene Hoofdstructuur en dat de kap leidt tot een blijvende aantasting van deze hoofdstructuur. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het, na afweging van alle relevante belangen, geen bezwaar heeft tegen de verlening van de omgevingsvergunning. In zijn verweerschrift heeft het college de gemaakte belangenafweging nader toegelicht. Er staat dat de warmtetransportleiding bedoeld is voor het transport van restwarmte naar lokale warmtenetten, zodat daarmee woningen duurzaam kunnen worden verwarmd. Dit is volgens het college zo belangrijk voor het behalen van de klimaatdoelen dat enige overlast, of tijdelijke aantasting van groen tijdens de aanlegfase worden geaccepteerd. Waar bomen bespaard kunnen blijven, zal dit ook gebeuren.

Het college heeft erop gewezen dat ten opzichte van de oorspronkelijke vergunning vier andere bomen worden gekapt. Tegelijk kunnen door de tracéwijziging ook vijf bomen worden behouden. Wat betreft het aantal te kappen bomen verslechtert de situatie per saldo niet. Het college heeft er daarbij op gewezen dat onnodige aantasting van groen zoveel mogelijk zal worden voorkomen. 66.2. De Afdeling ziet in wat de Bomenstichting heeft aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat het college de relevante belangen niet op een deugdelijke wijze heeft afgewogen. Daarbij betrekt de Afdeling ook de opmerking van LdM tijdens de zitting dat in het herinrichtingsplan per locatie is bezien welke natuurwaarden er gerealiseerd kunnen worden. Ter illustratie wees zij erop dat aan de Middachtenweg in de huidige situatie geen natuurvriendelijke oevers zijn aangelegd, maar dat dit bij de herinrichting van het gebied wel zal gebeuren. Het betoog slaagt niet. 67. Voor zover de Bomenstichting betoogt dat, hoewel de gewijzigde omgevingsvergunning ervan uitgaat dat er een zinker wordt aangebracht in de watergang, daar geen instemming of vergunning van het college van het Hoogheemraadschap Delfland voor is verkregen, overweegt de Afdeling dat dit betoog feitelijke grondslag mist.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12763805/1