CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS315499 bijlage

Commissie Leefomgeving 1 juni 2023, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken20.280 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

v

Uitspraak 202108180/1/R3 ECLI :

ECLI:NL:RVS:2023:1829

Datum uitspraak :

10 mei 2023

Inhoudsindicatie :

Bij besluit van 13 oktober 2021 hebben provinciale staten van Zuid-Holland het inpassingsplan "Warmtetransportleiding Vlaardingen - Den Haag" vastgesteld. Het inpassingsplan en de uitvoeringsbesluiten maken de aanleg van een warmtetransportleiding tussen Vlaardingen en Den Haag mogelijk. Deze leiding transporteert restwarmte uit de Rotterdamse haven naar potentiële warmtevragers in het stedelijk gebied in de regio Vlaardingen-Den Haag. Het beginpunt van de warmtetransportleiding ligt in Vlaardingen. Daar ligt de zogeheten Leiding over Noord. Deze bestaande leiding transporteert restwarmte uit de Rotterdamse Haven, via Vlaardingen en Schiedam, naar het stadsverwarmingsnet van Rotterdam. De warmtetransportleiding zal aftakken van de Leiding over Noord ter hoogte van de Burgemeester Heusdenslaan in Vlaardingen. Het eindpunt van de warmtetransportleiding is de Uniper-centrale in Den Haag. Daar zal de warmtetransportleiding aansluiten op het bestaande warmtenet van Den Haag. De lengte van het tracé is ongeveer 23,4 kilometer. De leiding kruist zes gemeenten: Vlaardingen, Schiedam, Midden-Delfland, Delft, Rijswijk en Den Haag.

 eerste aanleg - meervoudig

 bouwen

 inpassingsplan

 kapvergunningen

Volledige tekst 202108180/1/R3. Datum uitspraak: 10 mei 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. Het college van burgemeester en wethouders, de raad van de gemeente Den Haag en de Gemeente Den Haag (hierna: de gemeente Den Haag), 2. Stichting ter bevordering van de Fossielvrij-beweging in Den Haag, gevestigd te Den Haag (hierna: Stichting Den Haag Fossielvrij), 3. CMAG B.V., gevestigd te Den Haag,

4. Bomenstichting Den Haag, gevestigd te Den Haag, 5. Stichting Staedion en Heijmans Vastgoed B.V., beide gevestigd te Den Haag, 6. Stichting Gemeente Belangen Energievoorziening, gevestigd te Den Haag, (hierna: Stichting GBE) v appellanten, en 1. provinciale staten van Zuid-Holland, 2. het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Delfland, 3. het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, 4. het college van burgemeester en wethouders van Delft, 5. de Metropoolregio Rotterdam-Den Haag, 6. het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, 7. de minister van Infrastructuur en Waterstaat, 8. het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland, 9. het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, 10. het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen, 11. het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, verweerders. Procesverloop De oorspronkelijke besluiten Bij besluit van 13 oktober 2021 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Warmtetransportleiding Vlaardingen - Den Haag" vastgesteld. Dit besluit is met toepassing van de provinciale coördinatieregeling van artikel 3.33, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met andere besluiten, aangeduid als 'gecoördineerde besluiten cluster 1'.

Deze 'gecoördineerde besluiten cluster 1' zijn genomen door verschillende bestuursorganen die voor verschillende activiteiten vergunningen hebben verleend. Deze besluiten zijn opgesomd in de bijlage bij deze uitspraak. Eén van die besluiten is het besluit van het college van Den Haag van 3 november 2021, waarbij aan LdM C.V. omgevingsvergunning is verleend voor de aanleg van een warmtetransportleiding op het tracé Middachtenweg, Moerweg, De la Reyweg, Wolmaransstraat, Transvaalpark, Kempstraat, Delftselaan, Herman Costerstraat, Uitenhagestraat en Tripstraat, het kappen van 96 bomen en verplanten van vijf bomen langs het tracé en het tijdelijk herinrichten van een deel van deze straten ten behoeve van de uitvoering. Beroep De gemeente Den Haag, Stichting Den Haag Fossielvrij, CMAG, de Bomenstichting, Stichting Staedion en Heijmans Vastgoed en Stichting GBE hebben tegen één of meerdere besluiten beroep ingesteld. Provinciale staten, het college van gedeputeerde staten en het college van Vlaardingen, het college van Den Haag en het college van Schiedam hebben een verweerschrift ingediend. De gewijzigde besluiten Bij besluit van 18 mei 2022 hebben provinciale staten het gewijzigde inpassingsplan vastgesteld. De Stichting Den Haag Fossielvrij heeft gronden naar voren gebracht over dit besluit van provinciale staten.

De gemeente Den Haag en Stichting Staedion en Heijmans Vastgoed hebben een schriftelijke reactie ingediend. Provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend. Er zijn door verschillende bestuursorganen besluiten genomen, waarbij eerder door hen verleende vergunningen zijn gewijzigd. Deze besluiten zijn opgesomd in de bijlage bij deze uitspraak. Eén van die besluiten is het besluit van het college van Den Haag van 10 mei 2022, waarbij aan LdM een omgevingsvergunning is verleend voor het wijzigen van een deel van de route van de warmtetransportleiding ter hoogte van de kruising Middachtenweg met de Guntersteinweg en de Beatrixlaan, het vellen van vier bomen langs het tracé en het tijdelijk herinrichten van een deel van deze straten ten behoeve van de uitvoering.

De Bomenstichting en de Stichting Den Haag Fossielvrij hebben gronden naar voren gebracht over het besluit van het college van Den Haag. LdM heeft een schriftelijke reactie ingediend. Hetvcollege van Den Haag heeft een verweerschrift ingediend. Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de STAB) heeft op verzoek van de Afdeling een deskundigenbericht uitgebracht. De Stichting Den Haag Fossielvrij, de Bomenstichting, de Stichting GBE, LdM, provinciale staten en het college van Den Haag hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht. Nadere stukken Provinciale staten, LdM, Stichting GBE, en Stichting Den Haag-Fossielvrij hebben een nader stuk ingediend. Zitting De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 4 april 2023, waar zijn verschenen: - de gemeente Den Haag, vertegenwoordigd door mr. M. Gayir en mr. M.W. Holtkamp, beiden advocaat te Utrecht, - Stichting Den Haag Fossielvrij, vertegenwoordigd door drs. F. Sleegers, vergezeld van [gemachtigde A], [gemachtigde B] en [gemachtigde C], - CMAG, vertegenwoordigd door [gemachtigde C], bijgestaan door [gemachtigde D], - de Bomenstichting, vertegenwoordigd door drs. C.V. Visser, - Stichting GBE, vertegenwoordigd door mr. C.V. Martini en drs. L.A.

Kanneworff, - provinciale staten, vertegenwoordigd door ing. W. Croes, mr. H.J. Zwalve-Erades en dr. ir. E.W. van der Welle-Koffeman, bijgestaan door mr. R.D. Reinders, mr. M.J.W Timmer en mr. J.K.M. Buitenhuis, allen advocaat te Den Haag, en vergezeld van S. van der Heijden, drs. A.J de Wilde en dr. ir. J.G. van Esch, - het college van Den Haag, vertegenwoordigd door mr. M.M.C. Rosema-van der Helm, mr. M.R. Prins en mr. A.M. Buis, vergezeld van drs. ing. R. Pitlo, P. Spoelstra, C.P.J. Kustermans en ing. A.J. van Heerde, - het college van Delft, vertegenwoordigd door mr. M. de Lange en mr. M.A. Klaver, - het college van Schiedam, vertegenwoordigd door drs. H.J. Solle, - het college van Rijswijk, vertegenwoordigd door M.A. Beke, - het college van Vlaardingen, vertegenwoordigd door M.C. van Paassen, - het college van het Hoogheemraadschap van Delfland, vertegenwoordigd door mr. T.I. Leemans-van Koten, vergezeld van J.H. Berserik, - LdM, vertegenwoordigd door mr. J.E. van Uden en mr. Y.M.C. Pluis, beiden advocaat te Amsterdam, vergezeld van mr. M.G.J. Hogeboom, mr. J. Dekker, ing. R.J. Flecken, ir. H.P. Twisk, [gemachtigde E], drs. B. Boverhoff-van der Meer, ing. M.J.A. van Laarhoven, [gemachtigde F], drs. A.J de Wilde en dr. ir. J.G. van Esch. Overwegingen Inleiding 1.

Het inpassingsplan en de uitvoeringsbesluiten maken de aanleg van een warmtetransportleiding tussen Vlaardingen en Den Haag mogelijk. Deze leiding transporteert restwarmte uit de Rotterdamse haven naar potentiële warmtevragers in het stedelijk gebied in de regio Vlaardingen-Den Haag. Het beginpunt van de warmtetransportleiding ligt in Vlaardingen. Daar ligt de zogeheten Leiding over Noord. Deze bestaande leiding transporteert restwarmte uit de Rotterdamse Haven, via Vlaardingen en Schiedam, naar het stadsverwarmingsnet van Rotterdam. De warmtetransportleiding zal aftakken van de Leiding over Noord ter hoogte van de Burgemeester Heusdenslaan in Vlaardingen. Het eindpunt van de warmtetransportleiding is de Uniper-centrale in Den Haag. Daar zal de warmtetransportleiding aansluiten op het bestaande warmtenet van Den Haag. De lengte van het tracé is ongeveer 23,4 kilometer. De leiding kruist zes gemeenten: Vlaardingen, Schiedam, Midden-Delfland, Delft, Rijswijk en Den Haag. Omvang van het geschil

2. Om de aanleg mogelijk te maken, zijn verschillende vergunningen van verschillende bestuursorganen nodig. Het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland heeft op 18 december 2019 toepassing gegeven aan de provinciale coördinatieregeling van artikel 3.33, eerste lid, v aanhef en onder b, van de Wro. Dat houdt in dat de voorbereiding en bekendmaking van het inpassingsplan is gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van die andere besluiten. De coördinatie heeft plaatsgevonden in vier clusters. Het gaat in deze procedure om het inpassingsplan en de gecoördineerde besluiten van cluster 1 en de wijzigingen van deze besluiten. - De oorspronkelijke besluiten 3. Het inpassingsplan en de gecoördineerde besluiten van cluster 1 zijn, zoals in het procesverloop staat, opgesomd in de bijlage bij deze uitspraak. De gemeente Den Haag, CMAG, Stichting Staedion en Heijmans Vastgoed en de Stichting GBE hebben beroep ingesteld tegen het inpassingsplan. De Bomenstichting heeft beroep ingesteld tegen het inpassingsplan en het besluit van het college van Den Haag van 3 november 2021. De Stichting Den Haag Fossielvrij heeft beroep ingesteld tegen het inpassingsplan en alle gecoördineerde besluiten van cluster 1. De Afdeling stelt vast dat de Stichting Den Haag Fossielvrij alleen gronden heeft aangevoerd over het inpassingsplan en niet over de andere besluiten.

De Stichting Den Haag Fossielvrij heeft dat tijdens de zitting bevestigd. - De gewijzigde besluiten 4.

Provinciale staten hebben op 18 mei 2022 het inpassingsplan voor een deel gewijzigd.

Stichting Staedion en Heijmans Vastgoed hebben de Afdeling laten weten dat met deze wijziging van het inpassingsplan tegemoet is gekomen aan hun beroep. Dat betekent dat voor hen geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is ontstaan waarop nog moet worden beslist. De gemeente Den Haag heeft de Afdeling laten weten dat met het gewijzigde besluit tegemoet is gekomen aan enkele beroepsgronden. Wat betreft de beroepsgronden waaraan niet is tegemoetgekomen, stelt de Afdeling vast dat het besluit van 18 mei 2022 in zoverre het inpassingsplan niet heeft gewijzigd. Met het gewijzigde inpassingsplan wordt niet tegemoet gekomen aan de beroepen van de Stichting Den Haag Fossielvrij, CMAG, de Bomenstichting en de Stichting GBE. Er is daarom sprake van een beroep van rechtswege tegen het wijzigingsbesluit. De Afdeling stelt in dit verband vast dat alleen de Stichting Den Haag Fossielvrij inhoudelijke gronden heeft aangevoerd tegen het gewijzigde inpassingsplan. 5. Het college van Den Haag, het college van Rijswijk, het college van gedeputeerde staten en het college van het Hoogheemraadschap van Delfland hebben de eerder door hen verleende vergunningen gewijzigd.

Met deze gewijzigde besluiten is niet tegemoet gekomen aan het beroep van de Stichting Den Haag Fossielvrij, zodat haar beroep van rechtswege mede betrekking heeft op die besluiten. De Afdeling stelt vast dat de Stichting Den Haag Fossielvrij alleen gronden heeft aangevoerd over het besluit van het college van Den Haag. Met het gewijzigde besluit van het college van Den Haag is ook niet tegemoet gekomen aan het beroep van de Bomenstichting, zodat haar beroep van rechtswege mede betrekking heeft op dat besluit. - Op welke besluiten en welke gronden gaat de Afdeling inhoudelijk in? 6. Het voorgaande betekent dat in deze uitspraken alleen het inpassingsplan en de wijziging daarvan en de omgevingsvergunning van het college van Den Haag en de wijziging daarvan inhoudelijk aan de orde zullen komen. De Afdeling zal deze besluiten beoordelen aan de hand van de daartegen aangevoerde beroepsgronden. 7. Zoals hierna wordt overwogen, is op deze zaak de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) van toepassing. Artikel 1.6a van de Chw bepaalt dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. De Afdeling zal daarom alleen de gronden

bespreken die zijn aangevoerd in de beroepschriften. Nieuwe gronden die daarna, zoals in de zienswijze op het STAB-verslag of tijdens de zitting, zijn aangevoerd, laat de Afdeling buiten beschouwing. Voorv zover provinciale staten de relativiteit hebben aangevoerd tegen beroepsgronden en hierop niet is ingegaan in de overwegingen, is hierover door de Afdeling geen oordeel gegeven. Appellanten 8. De gemeente Den Haag, de Stichting Den Haag Fossielvrij, CMAG en de Stichting GBE zijn om verschillende reden tegen het gebruik van restwarmte afkomstig van fossiele bronnen uit de Rotterdamse haven. De Bomenstichting vreest onder meer dat het plan negatieve gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden in en om Den Haag en dat de verhoging van de bodemtemperatuur gevolgen heeft voor de bomen in de omgeving van het leidingtracé. Stichting Staedion en Heijmans Vastgoed vrezen dat het inpassingsplan gevolgen heeft voor hun eigen project in het plangebied. De gemeente Den Haag vreest dat het inpassingsplan gevolgen heeft voor (toekomstige) lokale warmtenetprojecten in Den Haag. Het inpassingsplan Hoe beoordeelt de Afdeling het inpassingsplan? 9. Bij de vaststelling van een inpassingsplan moeten provinciale staten bestemmingen aanwijzen en regels geven die zij uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten.

Provinciale staten hebben daarbij beleidsruimte en moeten de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. 10. Het inpassingsplan is gericht op het aanleggen en gebruiken van een warmtetransportleiding die warmte vanuit de haven in Rotterdam naar de regio Vlaardingen-Den Haag transporteert. Voordat dat plan is vastgesteld, zijn er op verschillende niveaus politiek-bestuurlijke afwegingen gemaakt over bijvoorbeeld het verduurzamen van de warmtevoorziening, de inzet van restwarmte en de daarvoor benodigde infrastructuur. Er zijn daarnaast feitelijke handelingen verricht en privaatrechtelijke beslissingen genomen. Die hebben soms een direct verband met het inpassingsplan dat in deze procedure voorligt en soms een indirect of verder verwijderd verband. Die afwegingen, handelingen en beslissingen kunnen echter niet worden beoordeeld door de Afdeling, omdat het wettelijk toetsingskader daar geen ruimte voor biedt.

Ter beoordeling staat of de door provinciale staten gemaakte ruimtelijke afweging op juiste gegevens berust, is gebaseerd op een evenwichtige afweging van de betrokken belangen en of zij redelijkerwijs hebben kunnen komen tot de keuze die is neergelegd in hun besluit. Dit betekent dat, zoals ook tijdens de zitting met appellanten is besproken, gronden over bijvoorbeeld de beslissing van de minister van Economische Zaken en Klimaat om Gasunie de warmtetransportleiding te laten ontwikkelen en als netbeheerder te laten optreden en de rol van Gasunie en Eneco in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. De toepasselijkheid van de Crisis- en Herstelwet 11. De Stichting Den Haag Fossielvrij, de Bomenstichting en CMAG betogen dat de Chw niet van toepassing is. Zij voeren aan dat er geen sprake is van transport of levering van duurzame energie, als bedoeld in categorie 1, onder 1.6, van bijlage I van de Chw. De Stichting Den Haag Fossielvrij betoogt daarnaast dat het feit dat er verschillende wijzigingsbesluiten genomen moesten worden, aantoont dat de voorbereiding niet zorgvuldig is geweest. Het kiezen voor het gebruiken van de mogelijkheden van de Chw vereist dat de voorbereiding van de besluiten door de betrokken bestuursorganen vlekkeloos zou moeten zijn. Omdat dat niet het geval is, had de Chw niet mogen worden toegepast. 11.1.

Artikel 1.1, eerste lid, van de Chw luidt: "Afdeling 2 is van toepassing op: a. alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten [...];

[...]." Bijlage I, categorie 1 (duurzame energie), onder 1.6, luidt: v "ontwikkeling of verwezenlijking van overige ruimtelijke en infrastructurele projecten ten behoeve van het leveren van duurzame energie" Bijlage I, categorie 2 (gebiedsontwikkeling en werken van provinciaal of nationaal belang), onder 2.1 luidt: "ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.5 van de Wet ruimtelijke ordening" 11.2. Het inpassingsplan is vastgesteld krachtens afdeling 3.5 van de Wro. Dit betekent dat ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Chw, gelezen in samenhang met bijlage I, categorie 2, onder 2.1, van de Chw, toepassing moet worden gegeven aan afdeling 2 van de Chw. Omdat de wet hiertoe verplicht, hebben provinciale staten dus terecht toepassing gegeven aan de Chw. Het betoog van de Stichting Den Haag Fossielvrij, CMAG en de Bomenstichting slaagt alleen al hierom niet. Inspraak 12. De Bomenstichting betoogt dat de bewoners niet geïnformeerd zijn. De Bomenstichting heeft op de zitting toegelicht dat zij gesproken heeft met bewoners van woningen langs het tracé en dat zij haar hebben verteld niet op de hoogte te zijn van de aanleg van de warmtetransportleiding. 12.1. De Bomenstichting bestrijdt niet dat er is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpinpassingsplan.

In de Wro of in een ander wettelijk voorschrift valt geen bepaling aan te wijzen op grond waarvan het in een geval als hier aan de orde verplicht is om eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerpplan. Het betoog slaagt niet. Provinciaal belang en regierol van gemeenten 13. Stichting Den Haag Fossielvrij betoogt dat provinciale staten niet bevoegd waren een inpassingsplan voor de warmtetransportleiding vast te stellen. Zij voert in dit verband aan dat er geen sprake is van een provinciaal belang. 13.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat met het inpassingsplan provinciale belangen zijn gemoeid. Zij wijzen er in dit verband als eerste op dat er sprake is van een bovengemeentelijk belang, omdat de warmtetransportleiding zes gemeenten doorkruist. Zij wijzen er verder op dat het Klimaatakkoord het provinciaal belang van de warmtetransportleiding onderstreept. In het Klimaatakkoord staat namelijk dat provincies een belangrijke rol spelen bij de ruimtelijke inpassing van infrastructuur en in hun ruimtelijke afweging het belang van een goede infrastructurele aansluiting van de Nederlandse industrie betrekken.

Provinciale staten wijzen er ook op dat de warmtetransportleiding al sinds 2014 is opgenomen in het provinciaal beleid, eerst in de Visie Ruimte en Mobiliteit en daarna in de huidige Omgevingsvisie Zuid-Holland 2019. In de Omgevingsvisie staat dat de provincie zich inzet voor de realisatie van een bovenregionaal warmte-infrastructuur, als essentieel onderdeel van een goed functionerende warmtemarkt, waarin de vraag naar warmte kan worden vervuld door een betaalbare, betrouwbare en duurzame warmtevoorziening. Volgens provinciale staten is er in Zuid-Holland veel restwarmte beschikbaar, maar is het bestaande transportnet nog onvoldoende robuust om vraag en aanbod bij elkaar te brengen. De warmtemarkt overstijgt volgens provinciale staten gemeentegrenzen, waardoor er noodzaak is om bovenlokale keuzes te maken. 13.2. In artikel 3.26, eerste lid, van de Wro is bepaald dat als sprake is van provinciale belangen, provinciale staten voor de daarbij betrokken gronden een inpassingsplan kunnen vaststellen. 13.3. Bij de vraag of sprake is van een provinciaal belang moet worden beoordeeld of provinciale staten zich het belang waarvoor het inpassingsplan is vastgesteld als provinciaal belang hebben kunnen aantrekken. Bij de beantwoording van die vraag is bepalend of het belang zich leent voor behartiging op provinciaal niveau vanwege de daaraan klevende bovengemeentelijke aspecten.

Provinciale staten hebben beoordelingsruimte, omdat de wetgever niet heeft vastgelegd wat de provinciale belangen zijn.

13.4. De Afdeling stelt vast het gaat om een warmtetransportleiding die al sinds 2014 in het provinciaal beleid is genoemd. Het tracé van de leiding doorkruist zes gemeenten. De Afdeling is, gelet op de door provinciale staten gegeven toelichting, van oordeel dat provinciale staten zich de met het plan v gemoeide belangen als provinciaal belang hebben mogen aantrekken. Dat, zoals de Stichting Den Haag Fossielvrij aanvoert, de provincie niet betrokken is bij de hele keten van, kort gezegd, warmteproducent tot individuele afnemer doet aan het bestaan van een provinciaal belang niet af. Dat geldt ook voor haar stelling dat een regionaal warmtenet ook op andere manieren en met gebruikmaking van andere bronnen kan worden gerealiseerd. Provinciale staten waren daarom op grond van artikel 3.26, eerste lid, van de Wro bevoegd om het inpassingsplan vast te stellen. Het betoog slaagt niet. 14. De Stichting Den Haag Fossielvrij, CMAG, de Bomenstichting en de Stichting GBE betogen dat provinciale staten niet hebben onderkend dat de warmtetransportleiding de regierol van de gemeenten bij de warmtetransitie belemmert. Stichting Den Haag Fossielvrij en de Stichting GBE wijzen in dit verband op het Klimaatakkoord, waarin de regiefunctie voor energietransitie bij de gemeenten is gelegd. De Bomenstichting wijst erop dat de gemeente Den Haag geen zeggenschap heeft gehad over het tracé. 14.1.

Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat met het inpassingsplan de regierol van de gemeenten niet wordt aangetast en dat het inpassingsplan de lokale visievorming niet belemmert. Zij wijzen erop dat uit het Klimaatakkoord blijkt dat voor de warmtetransitie op gemeentelijk niveau Transitievisies warmte en uitvoeringsplannen op wijkniveau worden vastgesteld. In de Transitievisie warmte wordt door de gemeente per wijk vastgelegd wanneer deze "van het gas af gaat". De Transitievisie wordt geconcretiseerd in uitvoeringsplannen op wijkniveau. In de uitvoeringsplannen wordt een definitieve keuze gemaakt wanneer, en hoe de wijk van het aardgas gaat én welk alternatief voor aardgas wordt gekozen. Volgens provinciale staten kunnen gemeenten in het Transitievisie warmte en uitvoeringsplannen op wijkniveau kiezen voor restwarmte, die via de warmtetransportleiding op lokale warmtenetten wordt ingevoed. Maar het staat gemeenten ook vrij om te kiezen voor andere warmtebronnen en -infrastructuur. De uiteindelijke keuze wordt dus op lokaal niveau gemaakt. De warmtetransportleiding stelt voor gemeenten een extra CO2-vrije en betaalbare warmte-oplossing beschikbaar. Er zijn volgens provinciale staten geen afnamegaranties afgegeven, zodat deze ook niet aan de vrije gemeentelijke keuze in de weg staan. 14.2.

Uit het voorgaande blijkt dat provinciale staten de rol van gemeenten in de energietransitie bij de besluitvorming heeft betrokken. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de rol van de gemeente zo wordt belemmerd dat het inpassingsplan daarom niet vastgesteld had kunnen worden. Het betoog slaagt niet. Nut en noodzaak 15. De Stichting Den Haag Fossielvrij, CMAG, de Bomenstichting en de Stichting GBE betwisten nut en noodzaak van het inpassingsplan. Hieronder zal de Afdeling de door deze appellanten hierover naar voren gebrachte betogen bespreken. 16. De Afdeling overweegt over het betoog van de Stichting Den Haag Fossielvrij over het voorzorgsbeginsel het volgende. Hoewel de stichting het voorzorgsbeginsel noemt, komt haar betoog er in de kern op neer dat provinciale staten om maatregelen tegen klimaatverandering te nemen juist niet dit inpassingsplan, dat uitgaat van gebruik van fossiele warmte, moeten vaststellen. Met dit betoog bestrijdt de Stichting Den Haag Fossielvrij in feite nut en noodzaak van het inpassingsplan. De Afdeling overweegt over dit betoog van de Stichting Den Haag Fossielvrij dat, zoals hiervoor onder 10 is uiteengezet, voordat een inpassingsplanprocedure is gestart politiek-bestuurlijke keuzes zijn gemaakt over onder meer het gebruik van restwarmte uit de haven om in de regionale warmtevoorziening te voorzien.

De Afdeling kan niet treden in de beoordeling van die politiek-bestuurlijke afwegingen en beslissingen. De Afdeling zal hierna wel ingaan op de andere argumenten van de Stichting Den Haag Fossielvrij en de argumenten van de andere appellanten over nut en noodzaak van het inpassingsplan. 17. De Bomenstichting, CMAG en de Stichting GBE betogen dat met het inpassingsplan voorbij wordt gegaan aan de wens van de gemeente Den Haag en haar inwoners om geen gebruik te maken van restwarmte uit de haven. CMAG en de Bomenstichting wijzen erop dat de gemeente Den Haag de

Regionale Energie Strategie 1.0 weliswaar heeft vastgesteld, maar zonder de daarin opgenomen bepalingen en passages over de warmtetransportleiding. 17.1.v De Afdeling wijst erop dat er geen wettelijke regel is die bepaalt dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen mogelijk is als daarvoor voldoende draagvlak in de omgeving bestaat. Bij projecten zoals deze moet een afweging worden gemaakt tussen het provinciale belang van een regionale energievoorziening en andere belangen, zoals die van de gemeente Den Haag en de inwoners van Den Haag. Het ontbreken van draagvlak op lokaal niveau is in die belangenafweging niet zonder meer het meest zwaarwegend. Het bestaan van draagvlak is dan ook niet beslissend voor de rechtmatigheid van het besluit van provinciale staten. De Afdeling zal hierna aan de hand van de beroepsgronden die hierover zijn aangevoerd, beoordelen of provinciale staten zich op het standpunt hebben kunnen stellen dat de warmtetransportleiding nuttig en noodzakelijk is. 18. De gemeente Den Haag, de Stichting Den Haag Fossielvrij, CMAG en de Stichting GBE betogen dat het inpassingsplan lokale initiatieven belemmert. Zij voeren ten eerste aan dat er sprake is van technische belemmeringen. Lokale bronnen hebben een lagere voorkeurstemperatuur, zodat de lokale netwerken met warmte uit die bronnen, en de warmtetransportleiding niet complementair zijn.

De gemeente Den Haag voert aan dat de warmtetransportleiding lokale initiatieven ook fysiek belemmert. Zij wijst in dit verband op ontwikkelingen aan het De Constant Rebecqueplein. De Stichting Den Haag Fossielvrij voert verder aan dat de warmtetransportleiding voor economische belemmeringen zorgt. Zij voert aan dat er, zoals blijkt uit het rapport 'Hybride warmtenetten, Kansen voor Den Haag' uit maart 2019 van CE Delft, voldoende lokale bronnen kunnen worden ontwikkeld. Maar deze bronnen zullen uit financieel oogpunt niet worden ontwikkeld, als de warmtetransportleiding, die de basiswarmte levert, voorrang krijgt bij het leveren van die basiswarmte. Dat is namelijk de eenvoudigst te leveren warmte. 18.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat lokale initiatieven niet worden belemmerd door de aanleg van de warmtetransportleiding. Volgens provinciale staten is van een economische belemmering geen sprake. De warmtetransportleiding ontsluit een grote hoeveelheid warmte vanuit Vlaardingen naar Den Haag. Omdat exploitanten van lokale warmtenetten zich verzekerd weten van warmte, wordt het voor hen aantrekkelijker en veiliger om nieuwe lokale warmtenetten aan te leggen en/of bestaande lokale warmtenetten uit te breiden.

Dit stimuleert vervolgens de ontwikkeling van lokale bronnen, als daarmee efficiënter en goedkoper warmte aan die lokale warmtenetten kan worden geleverd. Provinciale staten wijzen er ook nog op dat het inpassingsplan niets zegt over de vraag welke warmtebron 'voorrang' heeft bij de warmtevoorziening in Den Haag. Het is de gemeente die door middel van een warmteplan bepaalt wat de temperatuur is van de warmte die met een nieuw aan te leggen warmtenet wordt geleverd. Als een lokaal warmtenet is gebaseerd op de lagere temperaturen waarin lokale bronnen kunnen voorzien, dan ligt het volgens provinciale staten in de lijn der verwachting dat deze lokale bronnen ook als eerste door de warmtenet-exploitant worden aangesproken. De warmte uit de warmtetransportleiding kan dan worden gebruikt om in hogere temperatuurbehoeften te voorzien, waar de lokale bronnen minder geschikt voor zijn. Er zijn volgens provinciale staten ook geen technische blokkades. Een lokale bron die een lagere temperatuur heeft dan de warmte in de warmtetransportleiding, hoeft niet in te voeden op de warmtetransportleiding. Lokale bronnen kunnen, zoals ook nu gebeurt, rechtstreeks op het lokale warmtenet leveren. Daarnaast kan de warmtetransportleiding technisch gezien ook warmte met een lagere temperatuur leveren aan lokale warmtenetten.

De warmtetransportleiding zorgt er volgens provinciale staten ook niet voor dat het fysiek niet meer mogelijk is dat een lokale bron wordt ontwikkeld. Zij wijzen er, in reactie op het betoog van de gemeente Den Haag, op dat Gasunie juist afspraken heeft gemaakt over de realisatie van een warmteoverdrachtstation voor de door de gemeente Den Haag bedoelde geothermie-boring op het Uniper-terrein aan het De Constant Rebecqueplein. De warmtetransportleiding en de ontwikkeling van een lokale bron gaan dus fysiek wel samen volgens provinciale staten.

18.2. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten de gevolgen van het plan voor lokale initiatieven zorgvuldig in kaart gebracht en gemotiveerd toegelicht waarom volgens hen de warmtetransportleiding die initiatieven niet belemmert. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd, geen v grond voor het oordeel dat provinciale staten nut en noodzaak niet aanwezig hebben mogen achten vanwege de gestelde belemmeringen van lokale initiatieven en om die reden van vaststelling van het plan hadden moeten afzien. Het betoog slaagt niet. 19. De Stichting GBE betoogt verder dat restwarmte uit de haven ertoe zal leiden dat het tarief voor warmte voor bewoners van Den Haag veel hoger zal worden. Voor een betaalbare en duurzame warmte is het volgens haar noodzakelijk dat er geen havenwarmte naar Den Haag komt. 19.1. De Afdeling volgt provinciale staten in hun standpunt dat de betaalbaarheid van warmte buiten de reikwijdte van het inpassingsplan valt. De tarieven die voor warmte in rekening kunnen en mogen worden gebracht, zijn gereguleerd in de Warmtewet. De autoriteit Consument en Markt houdt toezicht op de naleving hiervan. Het betoog slaagt niet. 20. De Stichting Den Haag Fossielvrij betoogt dat het inpassingsplan ook betrekking had moeten hebben op de leiding Vondelingenplaat.

Zij voert in dit verband aan dat het inpassingsplan alleen zinvol is wanneer de leiding van bron tot distributienet loopt. Zij wijst er daarbij ook op dat gebruikmaking van de leiding Vondelingenplaat het voor andere warmteproducenten mogelijk maakt om zelfstandig, zonder tussenkomst van een monopolist als Eneco, aan te sluiten op de warmtetransportleiding. 20.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat het inpassingsplan alleen ziet op het traject Vlaardingen-Den Haag. Dit gedeelte van het tracé kan worden gevoed door de al bestaande Leiding over Noord. Zij wijzen erop dat uit het 'Integraal Ontwerp Warmtetransport Zuid-Holland' van Gasunie blijkt dat de ontwikkeling van de warmtetransportleiding is gebaseerd op het principe van 'stepping stones'. Dit betekent volgens provinciale staten dat het netwerk steeds verder zal worden uitgebreid om nieuwe afnemers en warmtebronnen aan te takken. Volgens provinciale staten heeft de leiding Vondelingenplaat dus wel een samenhang met het warmtetransportnetwerk als geheel, maar is het tracé Vlaardingen-Den Haag onverminderd een zelfstandig uitvoerbaar project. Er bestaat volgens hen geen noodzaak of verplichting om de leiding Vondelingenplaat al bij het besluit over het inpassingsplan te betrekken. 20.2.

De Afdeling ziet, gelet op deze motivering van provinciale staten, geen aanleiding voor het oordeel dat de warmtetransportleiding zonder de leiding Vondelingenplaat geen nut heeft. Voor zover de Stichting Den Haag Fossielvrij in dit verband nog aanvoert dat zonder de leiding Vondelingenplaat de warmtetransportleiding niet onafhankelijk kan functioneren, overweegt de Afdeling dat provinciale staten erop hebben gewezen dat het niet Eneco is die bepaalt wiens warmte door de warmtetransportleiding wordt getransporteerd. Gasunie zal als onafhankelijke leidingbeheerder optreden en moet zich in dat verband non-discriminatoir gedragen. Dat betekent dat andere warmtebronnen tegen gelijke en non-discriminatoire voorwaarden kunnen aansluiten op de warmtetransportleiding. De Afdeling ziet geen aanleiding om provinciale staten hierin niet te volgen. Het betoog slaagt niet. 21. CMAG en de Stichting Den Haag Fossielvrij betogen dat de warmte die met de warmtetransportleiding wordt getransporteerd, geen duurzame restwarmte is. Er is volgens hen geen sprake van duurzame warmte, want het is warmte die op basis van fossiele brandstoffen is ontstaan. CMAG voert aan dat ook geen sprake is van restwarmte, omdat het geen warmte is die onvermijdelijk vrijkomt bij productieprocessen en die anders alleen aan lucht of water kan worden geloosd.

Zij wijzen in dit verband op de definities van "energie uit hernieuwbare energiebronnen" en "afvalwarmte" in richtlijn 2018/2001 van het Europees parlement en de raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen betreffende hernieuwbare energie (hierna: richtlijn 2018/2001). CMAG wijst daarnaast ook op de definities in NTA 8800, die een methode geeft voor de bepaling van de getalswaarde van de energieprestatie van een gebouw. Aan die definities wordt volgens hen niet voldaan.

21.1. Provinciale staten onderkennen dat de warmte die wordt getransporteerd niet afkomstig is van hernieuwbare bronnen en dat daarom geen sprake is van hernieuwbare warmte. Volgens provinciale staten is het begrip 'duurzaam' breder bedoeld. Het gaat volgens hen ook over circulariteit en het zuinig v gebruik van grondstoffen. In die bredere betekenis is het hergebruiken van fossiele restwarmte volgens hen wel duurzaam. Met het inpassingsplan wordt het mogelijk dat de restwarmte die vrijkomt bij de productieprocessen nuttig kan worden ingezet in plaats van dat deze verloren gaat. 21.2. De richtlijn en NTA 8800 verplichten het provinciale staten niet om een inpassingsplan vast te stellen, waarbij voor de begrippen duurzaam en restwarmte wordt aangesloten bij de daarin opgenomen definities. De Afdeling ziet, gelet op de door provinciale staten gegeven motivering, in wat is aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat provinciale staten nut en noodzaak niet aanwezig hebben mogen achten, alleen omdat geen sprake zou zijn van restwarmte uit hernieuwbare energiebronnen in de zin van de genoemde richtlijn en NTA 8800. Dat CMAG en de Stichting Den Haag Fossielvrij een andere keuze voor duurzame warmte voorstaan, is onvoldoende voor dat oordeel. Het betoog slaagt niet. 22.

De Afdeling ziet, gelet op wat hiervoor is overwogen, in wat is aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet op het standpunt hebben kunnen stellen dat de warmtetransportleiding vanuit het oogpunt van ruimtelijke ordening nuttig en noodzakelijk is voor de levering van warmte aan de regio Vlaardingen-Den Haag. De betogen slagen niet. Milieueffectrapport 23. In de toelichting op het inpassingsplan staat dat op grond van categorie 8.4, onderdeel D, en categorie 15.2, onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: het Besluit m.e.r.) het inpassingsplan voor de aanleg van de warmtetransportleiding en de watervergunning voor de grondwateronttrekking m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Omdat echter op voorhand niet kan worden uitgesloten dat het project significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden, moet, zo staat in de toelichting, voor het inpassingsplan een milieueffectrapport (hierna: MER) worden opgesteld. In de toelichting op het inpassingsplan staat dat de provincie, de overige bevoegde bestuursorganen en Gasunie gezamenlijk hebben besloten dat voor het project een gecombineerd plan- en besluit-MER wordt opgesteld. Procedure 24.

Voorafgaand aan het opstellen van het MER is de 'Notitie Reikwijdte en Detailniveau' opgesteld, waarin de voorgenomen activiteit en verschillende alternatieven nader zijn toegelicht en is beschreven welke milieueffecten in het MER zullen worden onderzocht, op welke wijze en met welk detailniveau. 25. Over het betoog van de Stichting Den Haag Fossielvrij dat in de 'Notitie Reikwijdte en Detailniveau' ten onrechte is vermeld dat, gelet op de van toepassing zijnde categorieën 8.4 en 15.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.beoordeling, overweegt de Afdeling dat dit betoog geen bespreking behoeft. Er is namelijk een MER opgesteld. 26. De Stichting Den Haag Fossielvrij betoogt dat haar zienswijze tegen de 'Notitie Reikwijdte en Detailniveau' ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Zij betoogt verder dat provinciale staten niet hebben onderkend dat, zoals uit haar zienswijze over de Notitie volgt, in het milieueffectrapport meer onderzoeken hadden moeten worden uitgevoerd en dat, omdat dat niet is gebeurd, het MER niet voldoet. 26.1. Provinciale staten hebben in januari 2020 met inachtneming van artikel 7.9, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: de Wm) kennis gegeven van het voornemen tot het voorbereiden van een inpassingsplan.

In deze kennisgeving is vermeld dat is besloten dat voor het project een gecombineerd plan- en project-m.e.r. zal worden doorlopen en dat een gecombineerd plan- en besluit-MER zal worden opgesteld. Ter voorbereiding daarop is volgens de kennisgeving een 'Notitie Reikwijdte en detailniveau' opgesteld. In de kennisgeving staat dat van 17 januari 2020 tot en met 27 februari 2020 een zienswijze kan worden ingediend over het voornemen en de Notitie. 26.2. Provinciale staten hebben de zienswijze van de Stichting Den Haag Fossielvrij tegen de 'Notitie Reikwijdte en Detailniveau' niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze niet tijdig was ingediend. Provinciale staten zijn echter in een afzonderlijke brief van 15 september 2020 inhoudelijk op de zienswijze van de

Stichting Den Haag Fossielvrij ingegaan. Zij hebben deze zienswijze in hun besluitvorming betrokken en geconcludeerd dat de zienswijze geen aanleiding gaf tot aanpassing van de Notitie. De Afdeling ziet gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat de procedure om te komen tot een MER onzorgvuldig v is doorlopen. Of, zoals de Stichting Den Haag Fossielvrij betoogt, het MER gebreken bevat, zal de Afdeling hierna aan de hand van de door de Stichting Den Haag Fossielvrij aangevoerde beroepsgronden beoordelen. Opdrachtgever 27. Over het betoog van de Stichting Den Haag Fossielvrij en CMAG dat het MER is opgesteld in opdracht van Gasunie, overweegt de Afdeling dat provinciale staten in die omstandigheid geen aanleiding hoefden te zien de opstellers van het MER als niet onafhankelijk of partijdig aan te merken en het MER op die grond buiten beschouwing te laten. De Afdeling verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9083, overweging 13. Alternatieven 28. In hoofdstuk 3 van het MER zijn de te beschouwen strategische alternatieven beschreven en beoordeeld. In dat hoofdstuk zijn ook de tracéalternatieven benoemd. In hoofdstuk 4 zijn deze tracéalternatieven vergeleken met de referentiesituatie. Dit is gedaan om de alternatieven per milieuaspect te kunnen vergelijken. 29.

De Stichting Den Haag Fossielvrij betoogt dat er in hoofdstuk 4 van het MER van een onjuiste definitie van het begrip 'autonome ontwikkeling' is uitgegaan. Zij voert in dit verband aan dat niet is onderkend dat er, sinds de warmtetransportleiding in het provinciaal beleid is opgenomen, niet is gewerkt aan andere ontwikkelingen. Zij betoogt verder dat in dat hoofdstuk van het MER een onjuiste vergelijking is gemaakt. Onder verwijzing naar de in het MER opgenomen definitie van de referentiesituatie voert zij aan dat de warmtetransportleiding niet had moeten worden vergeleken met de referentiesituatie, maar met de situatie waarin andere ontwikkelingen op het gebied van energietransitie hebben plaatsgevonden. Zij wijst er in dit verband op dat elk voorstel op dat gebied goed zou scoren ten opzichte van de situatie, waarin geen enkele ontwikkeling op het gebied van energietransitie zou plaatsvinden. 29.1. Uit artikel 7.7 en 7.23 van de Wm volgt dat het MER een beschrijving moet bevatten van de bestaande toestand van het milieu en de autonome ontwikkelingen. Volgens vaste rechtspraak worden tot de autonome ontwikkelingen gerekend die ontwikkelingen die in voldoende concrete mate planologisch zijn voorzien of over de uitvoering waarvan voldoende zekerheid bestaat.

Zie in dit verband bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 29 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO9217, overweging 2.93, en 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4198, overweging 25.1. 29.2. De referentiesituatie is in het MER omschreven als de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen van de onderzochte aspecten in het studiegebied, ervan uitgaande dat de warmtetransportleiding niet gerealiseerd wordt. In het MER zijn per milieuaspect de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen beschreven. De Stichting Den Haag Fossielvrij heeft niet aangevoerd dat niet alle autonome ontwikkelingen zijn beschreven. Dat er vanaf het moment dat de warmtetransportleiding in het provinciaal beleid is opgenomen, niet is gewerkt aan andere ontwikkelingen, zoals zij stelt, kan wellicht zo zijn, maar maakt niet dat daarom geen juiste referentiesituatie is gebruikt. Naar het oordeel van de Afdeling voldoet het MER wat betreft de beschrijving van de referentiesituatie aan de artikelen 7.7 en 7.23 van de Wm. 29.3. In hoofdstuk 4 van het MER zijn per milieuaspect de verwachte milieueffecten van de referentiesituatie vergeleken met die van een aantal mogelijke tracés voor de warmtetransportleiding. De Stichting Den Haag Fossielvrij voert in beroep aan dat de gemaakte vergelijking te beperkt is.

Zij wil dat de warmtetransportleiding ook wordt vergeleken met andere ontwikkelingen op het gebied van energietransitie. De Afdeling wijst erop dat die vergelijking ook is gemaakt, maar niet in hoofdstuk 4 van het MER, maar in hoofdstuk 3. Daar zijn vier opties om duurzame warmte te leveren besproken. Het betoog slaagt daarom niet. 30. De Stichting Den Haag Fossielvrij, CMAG, de Bomenstichting en de Stichting GBE betogen dat het onderzoek naar alternatieven in het MER onvolledig is.

De Stichting Den Haag Fossielvrij, CMAG en de Stichting GBE voeren in dit verband, kort gezegd, aan dat onderzoek had moeten worden gedaan naar een ander gebruik van de restwarmte uit het havengebied. Zij wijzen erop dat de restwarmte kan worden gebruikt in de industrie in het Rotterdamse v havengebied of in de stad Rotterdam. De Stichting Den Haag Fossielvrij, de Bomenstichting en CMAG voeren aan dat onderzoek had moeten worden gedaan naar een alternatief tracé. Zij wijzen in dit verband op een leiding zonder aansluiting in Den Haag. De Stichting Den Haag Fossielvrij wijst daarnaast op een leiding die begint in dunbevolkt en laag vraaggebied en loopt naar dichtbevolkt en hoog vraaggebied, op een leiding die begint bij de bestaande Uniper-leiding in het Rotterdamse havengebied en op een leiding die alleen loopt naar gebieden waar geen lokale bronnen beschikbaar zijn. De Stichting Den Haag Fossielvrij voert aan dat gekozen kon worden voor een kleinere/smallere leiding. De Stichting Den Haag Fossielvrij voert verder aan dat onderzoek had moeten worden gedaan naar een andere manier van transport van de warmte, namelijk via schepen en met gebruikmaking van warmteterminals op zee en in havens. De Stichting Den Haag Fossielvrij en CMAG voeren aan dat de warmtevoorziening moet plaatsvinden met gebruik van lokale warmtebronnen. 30.1.

Volgens vaste rechtspraak moeten redelijkerwijs in aanmerking te nemen alternatieven worden beschreven en beoordeeld rekening houdend met het doel en de geografische werking van het plan. De gekozen alternatieven moeten realistisch zijn. Welke alternatieven in een MER redelijkerwijs in beschouwing moeten worden genomen is, zo heeft de Afdeling vaker geoordeeld, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. 30.2. Volgens het MER is het doel van het project de verduurzaming van zowel de bestaande als toekomstige warmtelevering in Den Haag en het aanbieden van duurzame warmte aan nieuwe warmtenetten in de gemeenten Vlaardingen, Schiedam, Midden-Delfland, Delft en Rijswijk. In hoofdstuk 3 zijn, zoals gezegd, de strategische alternatieven beschreven en beoordeeld. Er staat dat in samenspraak met de provincie een aantal afwegingscriteria is geformuleerd waar een goed alternatief van aardgas als warmtebron aan moet voldoen. De geformuleerde doelstellingen zijn duurzaam warmtegebruik, haalbaarheid, waarborgen van leveringszekerheid en toepasbaarheid in stedelijk gebied. Er zijn vervolgens vier strategische alternatieven onderzocht die invulling kunnen geven aan de warmtevraag in de regio tussen Vlaardingen en Den Haag. Deze alternatieven zijn All-Electric, collectieve warmte, groen gas en biomassa.

In hoofdstuk 3 staat over de tracéalternatieven dat in de 'Notitie Reikwijdte en Detailniveau' het trechteringsproces om te komen tot een tracé is toegelicht. In het MER zijn twee alternatieven onderzocht. De effecten van alternatief 1, het voorlopige voorkeursalternatief, is per deelgebied vergeleken met alternatief 2. 30.3. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat de door appellanten voorgestelde alternatieven geen alternatieven zijn die redelijkerwijs in beschouwing hadden moeten worden genomen. Dit is in het verweerschrift en tijdens de zitting als volgt toegelicht. Over het alternatief van appellanten waarbij de warmte wordt ingezet in de bebouwde omgeving van Rotterdam, hebben provinciale staten opgemerkt dat de restwarmte uit het havengebied al lokaal wordt ingezet in Rotterdam, maar dat er meer dan voldoende restwarmte beschikbaar is om de regio Vlaardingen-Den Haag van restwarmte te voorzien. Over het alternatief dat warmte met behulp van schepen kan worden getransporteerd, merken provinciale staten op dat dit alternatief niet realistisch is en door de Stichting Den Haag Fossielvrij niet is onderbouwd dat dit alternatief wel haalbaar zou zijn. Over het genoemde alternatief om lokale hernieuwbare bronnen te gebruiken, merken provinciale staten op dat een lokale hernieuwbare bron geen alternatief is voor de warmtetransportleiding.

Deze warmtebronnen zijn juist complementair aan elkaar. De realisatie van de warmtetransportleiding zal de aanleg van nieuwe warmtenetten aanjagen, waar lokale bronnen gebruik van kunnen maken. Daardoor versterken zij gezamenlijk een duurzame warmtetransitie.

Over het alternatief met een kleinere leiding hebben provinciale staten opgemerkt dat de leiding is ontworpen om de basislast te faciliteren. Het onderzoeken van een variant met een kleinere leidingdiameter is volgens provinciale staten niet realistisch. Op de zitting hebben provinciale staten v erop gewezen dat hoe kleiner de leiding is, hoe minder warmte kan worden getransporteerd. De leiding is zo efficiënt mogelijk ontworpen, waarbij wel rekening is gehouden met de toekomstbestendigheid van de leiding. De overige voorstelde alternatieven voldoen volgens provinciale staten niet aan de doelstelling van de initiatiefnemer en de geografische afbakening van het project. Zij hebben dat als volgt toegelicht. Over het alternatief dat de restwarmte wordt gebruikt in het productieproces van de industrie in de haven van Rotterdam merken provinciale staten op dat door de inzet van onbenutte warmte in het productieproces van de industrie de warmte niet toepasbaar zal zijn voor het stedelijk gebied van de regio Vlaardingen-Den Haag en de warmtevoorziening van dat stedelijk gebied niet zal verduurzamen.

Over het alternatief waarbij de warmtetransportleiding geen aansluiting vindt in Den Haag, merken provinciale staten op dat het verkleinen van het geografische zoekgebied ertoe zou leiden dat minder restwarmte wordt benut, het tekort aan duurzame/hernieuwbare energie verder oploopt en de kosten voor de warmtetransitie toenemen. Een ander beginpunt van het tracé, dat niet aansluit op de Leiding over Noord, past volgens provinciale staten ook niet in het provinciale beleid, dat uitgaat van de realisatie van een bovenregionaal warmtetransportnetwerk. Een ander beginpunt zal bovendien tot hogere kosten leiden, omdat de restwarmte uit de Rotterdamse haven de warmtetransportleiding dan op een andere wijze moet bereiken. 30.4. Zoals hiervoor onder 30.2 staat, is het doel van de initiatiefnemer om de stedelijke omgeving in de regio Vlaardingen-Den Haag van warmte te voorzien. Dat betekent dat alternatieven waarbij de warmte in het havengebied van Rotterdam zelf of in de stad Rotterdam wordt gebruikt of waarbij de leiding een ander begin- of eindpunt heeft naar het oordeel van de Afdeling geen alternatieven zijn die in het MER redelijkerwijs in beschouwing hadden moeten worden genomen.

Daarbij betrekt de Afdeling nog dat provinciale staten hebben aangegeven dat een deel van de warmte al wordt ingezet in de bebouwde omgeving van Rotterdam, maar dat er voldoende restwarmte is om ook de regio Vlaardingen-Den Haag van warmte te voorzien. De Afdeling is verder van oordeel dat provinciale staten het alternatief om warmte over water te vervoeren als niet realistisch hebben kunnen aanmerken. Datzelfde geldt voor het voorgedragen alternatief dat ook een kleinere leiding had kunnen worden ontworpen. De Afdeling ziet namelijk geen aanleiding om provinciale staten niet te volgen in hun standpunt dat de leiding zo efficiënt mogelijk is ontworpen. De Afdeling overweegt tot slot dat provinciale staten het gebruik van lokale bronnen niet als een alternatief voor de aanleg van de warmtetransportleiding hoefden aan te merken, aangezien lokale bronnen, zoals ook volgt uit wat hiervoor onder 18.2 is overwogen, ook los van de warmtetransportleiding kunnen worden ontwikkeld en worden ingezet. 30.5. Gelet op het vorenstaande hebben provinciale staten zich op het standpunt kunnen stellen dat er, rekening houdend met de doelstellingen en de geografische afbakening van het project, geen aanleiding bestond de aangedragen alternatieven van appellanten in het MER in beschouwing te nemen. Het betoog slaagt niet. Gebiedsbescherming/stikstof 31.

De Stichting Den Haag Fossielvrij en de Bomenstichting betogen dat het inpassingsplan in strijd met de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) vanwege de toename van de stikstofdepositie zal leiden tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Hun betoog richt zich tegen het standpunt van provinciale staten over de zogeheten partiële bouwvrijstelling. Zij voeren aan dat provinciale staten zich daar ten onrechte op beroepen. Provinciale staten konden volgens hen in reactie op het toetsingsadvies van de Commissie voor de milieueffectrapportage niet volstaan met een verwijzing naar die bouwvrijstelling. De Bomenstichting heeft ook gronden aangevoerd over de opgestelde passende beoordeling. Zij voert aan dat in de passende beoordeling geen rekening is gehouden met het feit dat oude bomen meer stikstof opnemen dan jonge bomen, terwijl die oude bomen nu worden gekapt. Het kappen van bomen heeft een permanent negatief effect op de Natura 2000-gebieden in en rond Den Haag. Zij voert ook aan dat in de passende beoordeling geen rekening is gehouden met cumulatie met andere plannen en

projecten. Zij voert tot slot aan dat de provincie twee petten op heeft. Zij wijst erop dat de provincie beheerplannen opstelt voor de Natura 2000-gebieden, waarin maatregelen worden beschreven om de instandhoudingsdoelstellingen van die gebieden te halen. Die doelen worden in de Natura 2000v gebieden in en rond Den Haag volgens de Bomenstichting niet gehaald, maar toch is het inpassingsplan, dat negatieve gevolgen heeft voor die gebieden, vastgesteld. Volgens de Bomenstichting zitten de twee petten van de provincie elkaar in deze procedure in de weg. - Partiële bouwvrijstelling 31.1. In artikel 2.9a van de Wnb en artikel 2.5 van het Besluit natuurbescherming was de partiële bouwvrijstelling geregeld. De regeling kwam erop neer dat de stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door een aantal specifiek aangewezen activiteiten van de bouwsector niet meer afzonderlijk hoeft te worden onderzocht en beoordeeld. In de uitspraak van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3159, heeft de Afdeling overwogen dat de partiële bouwvrijstelling is gebaseerd op een niet toereikende generieke voortoets en daarom niet toegepast had mogen worden. 31.2. Hoewel provinciale staten in de toelichting op het inpassingsplan verwezen hebben naar de partiële bouwvrijstelling, is voor het project wel een passende beoordeling gemaakt.

In die passende beoordeling staat dat een toename van de stikstofdepositie alleen plaatsvindt tijdens de aanlegfase. Vervolgens is de stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase berekend en beoordeeld. Op basis van die passende beoordeling hebben provinciale staten zich in paragraaf 5.5.2 van de toelichting op het standpunt gesteld dat het project met zekerheid niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden en uitgevoerd kan worden in overeenstemming met de Wnb. Het betoog van de Bomenstichting en de Stichting Den Haag Fossielvrij over de partiële bouwvrijstelling kan daarom niet leiden tot het ermee beoogde doel. De Afdeling zal hierna ingaan op de gronden die de Bomenstichting tegen de passende beoordeling heeft aangevoerd. - Passende beoordeling 31.3. De Afdeling overweegt ten eerste dat het betoog van de Bomenstichting over de twee petten van de provincie, wat daar van zij, niet leidt tot de conclusie dat alleen al daarom de passende beoordeling ondeugdelijk is. De Afdeling zal hierna aan de hand van de overige gronden van de Bomenstichting beoordelen of provinciale staten zich op basis van de passende beoordeling op het standpunt hebben kunnen stellen dat het project met zekerheid niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. 31.4.

De gevolgen van het project voor de depositie van stikstof in Natura 2000-gebieden zijn berekend met het rekenprogramma AERIUS Calculator, versie 2020. In de passende beoordeling staat dat alleen in de aanlegfase van de leidingen een geringe toename van stikstofdepositie te verwachten is op Natura 2000-gebieden. De zeer geringe toenames van de stikstofdepositie leiden, zo staat in de passende beoordeling, niet tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura-2000 gebieden, ook niet als rekening wordt gehouden met cumulatieve effecten. 31.5. Provinciale staten hebben zich in reactie op het betoog van de Bomenstichting dat de kap van bomen langs het tracé een permanent negatief effect heeft op Natura 2000-gebieden in en rond Den Haag, op het standpunt gesteld dat het effect van de kap van bomen op de achtergrondconcentraties stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden niet meetbaar of merkbaar is. De Bomenstichting heeft volgens hen ook niet aannemelijk gemaakt dat de kap zal leiden tot extra stikstofdepositie op enig Natura 2000-gebied. De Afdeling ziet in wat de Bomenstichting heeft aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet op dit standpunt hebben mogen stellen.

De Afdeling acht daarbij de opmerking van de STAB in haar verslag van belang dat in het rekenmodel van de Aerius Calculator een ruwheidsfactor wordt toegepast, waarin de aanwezigheid van bomen en andere vegetaties is geduid. De Afdeling begrijpt hieruit dat de aanwezigheid van bomen in het algemeen in het model is verdisconteerd. Een verdere verfijning naar bijvoorbeeld de leeftijd van bomen, zit niet in het model en hoeft daar naar het oordeel van de Afdeling ook niet in te zitten. Daarbij betrekt de Afdeling dat modellen naar hun aard noodzakelijkerwijs een abstractie van de te verwachten werkelijkheid weergeven.

31.6. In paragraaf 5.7 van de passende beoordeling is ingegaan op de cumulatieve effecten, waarbij aandacht is besteed aan projecten waarvoor al onherroepelijke natuurvergunningen zijn verstrekt. Volgens de Bomenstichting had, zo volgt uit onder meer haar toelichting tijdens de zitting, in de v cumulatietoets ook rekening moeten worden gehouden met de vele sloop-, bouw- en aanlegprojecten in Den Haag waarvoor de stikstofdepositie niet in kaart is gebracht of waarvan, om verschillende redenen, wordt gesteld dat geen natuurvergunning nodig is. Zij wijst daarbij op de in september 2021 verleende omgevingsvergunningen voor het kappen van bomen ten behoeve van de vervanging van tramsporen in Den Haag, een in november 2022 vastgesteld bestemmingsplan voor de herontwikkeling van een deel van De Zichten en recent gepresenteerde plannen voor nieuwbouw aan de Treublaan. 31.7. Over de ontwikkelingen in De Zichten en aan de Treublaan overweegt de Afdeling als volgt. De cumulatietoets mocht worden beperkt tot een beoordeling van de plannen en projecten die op het moment van de vaststelling van het inpassingsplan voldoende concreet waren. Niet is gebleken dat het bij de door de Bomenstichting genoemde ontwikkelingen in De Zichten en aan de Treublaan gaat om concrete plannen waarover op het moment van de vaststelling van het plan al besluiten waren genomen.

Deze ontwikkelingen hoefden daarom niet te worden betrokken in het onderzoek naar cumulatieve effecten. Voor de door de Bomenstichting bedoelde kapwerkzaamheden ten behoeve van het gereedmaken van het spoornetwerk van het traject van tramlijn 16 waren op het moment van de vaststelling van het inpassingsplan omgevingsvergunningen verleend en, zo blijkt uit de door de Bomenstichting overgelegde stukken, was geen natuurvergunning nodig. Bij de beoordeling van de cumulatieve effecten van de warmtetransportleiding mochten provinciale staten daarom die gevolgen buiten beschouwing laten. 32. Uit het voorgaande volgt dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat provinciale staten zich niet op basis van de passende beoordeling op het standpunt hebben mogen stellen dat het project met zekerheid niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. Het betoog slaagt niet. De gevolgen voor bomen langs het tracé door warmteoverdracht 33. In de toelichting op het inpassingsplan wordt ingegaan op de gevolgen van de aanwezigheid van de warmtetransportleiding in de bodem voor de natuur en bomen langs het tracé. In paragraaf 5.2.4 van de toelichting staat dat Deltares verschillende onderzoeken heeft gedaan naar de gevolgen van de warmtetransportleiding voor de bodemtemperatuur op diverse locaties langs het tracé.

De onderzoeken geven volgens de toelichting inzicht in de globaal te verwachten temperatuurtoename in de bodem rondom de leidingen in het tracé. Eén van die onderzoeken is het onderzoek naar de warmteoverdracht in de stedelijke omgeving. In paragraaf 5.5.3 van de toelichting is ingegaan op de gevolgen van de toename van de bodemtemperatuur op de natuur en bomen. Er wordt daar verwezen naar het onderzoek van RoyalHaskoningDHV - dat is uitgevoerd op basis van de warmteonderzoeken van Deltares - over de vraag in hoeverre de warmteoverdracht in de bodem leidt tot mogelijke negatieve effecten voor de flora en fauna. Op basis van deze rapporten hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat het inpassingsplan wat betreft de effecten van de warmteoverdracht van de leiding op bomen en natuur niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De berekening van de toename van de bodemtemperatuur 34. De Bomenstichting en Stichting Den Haag Fossielvrij betogen dat provinciale staten het rapport "Warmteoverdracht stedelijke omgeving" van Deltares van 17 augustus 2021 niet aan hun standpunt ten grondslag hebben kunnen leggen. De Bomenstichting en de Stichting Den Haag Fossielvrij hebben bezwaren tegen het gebruik van een model op zichzelf en tegen het in deze zaak door Deltares gebruikte model.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12763805/1