CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS315227 WMO indicaties zonder einddatum bijlage 2

Commissie Samenleving 14 september 2023, gemeente Den HaagBij agendapunt: Brief van Wethouder van Werk Wijken en Dienstverlening en Wethouder Armoede, Inclusie en Volksgezondheid inzake Jaarrapportage 2022 WMO16.354 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voorbeeld: verbreden van deuren, aanbrengen van een stroeve douchevloer, plaatsen van onderrijdbare keuken), trapliften, vaste patiëntenlift (plafondlift). Ten behoeve van elektrische rolstoelen en/of scootmobielen tevens het aanleggen van een elektriciteitsvoorziening voor het opladen van accu’s en aanpassing van de bestrating. Woonruimteaanpassingen beogen de woonruimte bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar te maken door het wegnemen of aanzienlijk verminderen van de belemmeringen bij het normale gebruik van de woning. In de regel wordt één verdieping aangepast. Als de woonactiviteiten verspreid liggen over meerdere woonlagen, dan doet de gemeente in eerste instantie een appèl op het reorganisatievermogen van de cliënt en diens sociale omgeving. In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn buitenshuis aanpassingen aan te brengen. Bijvoorbeeld het aanpassen van de oprit naar de woning. Deze aanpassing wordt in het kader van de Wmo verricht omdat de aanpassing noodzakelijk is om de beperkingen die de belanghebbende bij het betreden van de woning ondervindt op te heffen of te verminderen. Een aanpassing buitenshuis kan ook noodzakelijk zijn als de aanpassing het gevolg is van een Wmo-verstrekking, zoals het aanbrengen van een oplaadpunt voor een scootmobiel. De woonruimte wordt aangepast overeenkomstig het uitvoeringsniveau van een sociale huurwoning.

Bij aanpassingen die naar verwachting de grens van het bij het primaat verhuizen in het Regeling Maatschappelijke ondersteuning opgenomen bedrag te boven gaan, wordt vanaf de start van de melding het alternatief van verhuizen meegenomen. Traplift Bij het overbruggen van hoogteverschillen bij het betreden van de woning en bij het verplaatsen binnenshuis kan het installeren van een of meer trapliften een adequate oplossing zijn. Uitgangspunt voor toekenning van de voorziening is dezelfde als bij de afweging aanpassen/verhuizen. Bij plaatsing van trapliften in gemeenschappelijke trapportalen moet worden voldaan aan de eisen van de brandveiligheid zoals die door het college zijn vastgesteld. Bedieningselementen Om het normale gebruik van deuren, keukenkastjes en dergelijke mogelijk te maken, kan het noodzakelijk zijn een voorziening te treffen. Bedieningselementen die in relatie staan tot aard- en nagelvaste zaken in de woning worden wel verstrekt, maar als het gaat om de bediening van losse of inrichtingselementen wordt geen voorziening verstrekt (zoals voor speciale knoppen op het gasfornuis of op kasten).Voor het openen en sluiten van gordijnen geldt een uitzondering. Als installeren van een bedieningselement (een motor) de enige oplossing is, is verstrekking hiervan wel mogelijk.

22

Voorwaarden voor verstrekking Op grond van de Verordening is een aanpassing in beginsel enkel mogelijk van een woonruimte waar de belanghebbende daadwerkelijk zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor die gevallen waarin een belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling en het gaat om het bezoekbaar maken van een woonruimte door woningaanpassingen. Bijvoorbeeld in het geval van kinderen die in een Wlz-instelling verblijven om de ouderlijke woning logeerbaar te maken. Als de ouders van een gehandicapt kind gescheiden leven, kan ook de tweede woning worden aangepast en logeerbaar worden gemaakt. Daarbij moet worden gedacht aan de situatie van gehandicapte kinderen die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Het spreekt voor zich dat dit alleen geldt voor woningen in de gemeente Den Haag. Medisch noodzakelijk Aanpassingen in de keuken worden uitsluitend verstrekt indien er sprake is van medische noodzakelijkheid en de beperkingen niet op andere wijze, in eigen kracht of met hulp van het netwerk of door het reorganisatievermogen van de cliënt zelf kunnen worden weggenomen. In beginsel wordt alleen de hoogte van het werkblad aangepast.

Gemeenschappelijke ruimten (entree, trapportaal en portiek van woongebouwen) Een tegemoetkoming voor het aanpassen van gemeenschappelijke ruimten (bijvoorbeeld de aanleg van een hellingbaan vanaf de openbare weg naar de toegang van het woongebouw) wordt alleen dan verstrekt als de cliënt de toegang tot de woonruimte uitsluitend vanuit de gemeenschappelijke ruimten kan bereiken na het realiseren van deze aanpassing. Het aanpassen van een gemeenschappelijke recreatieruimte wordt niet gecompenseerd. Woonwagens, woonschepen en binnenschepen Voor woonwagens met een vaste standplaats, woonschepen met een officiële ligplaats en het woonverblijf van binnenschepen gelden dezelfde regels als voor zelfstandige woningen. Aanpassingen moeten passen in het karakter van woonschepen en woonwagens. Aanvragen voor een overdekte overgang van de woonwagen naar het douche-/toiletgebouw komen bijvoorbeeld niet voor een vergoeding in aanmerking, omdat één van de kenmerken van het wonen in een woonwagen is dat het toilet zich buiten de wagen bevindt. Woonwagens, woonschepen en binnenschepen hebben een kortere levensduur dan woningen. Daarom kan de voorziening slechts worden toegekend indien de kosten van de voorziening in redelijke verhouding staan tot de (technische) levensduur van de woonvorm.

ADL-woningen Een ADL-woning is een woning die deel uitmaakt van een aantal bij elkaar horende rolstoeldoorgankelijke woningen (onder andere bekend als Fokuswoningen). ADL-woningen zijn bedoeld voor mensen met een zware lichamelijke beperking die zijn aangewezen op hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL-assistentie) vanuit een centraal gelegen unit. Individuele woonvoorzieningen in bestaande ADL-woningen worden verstrekt in het kader van de Wmo. Hiermee is het aanspraakniveau van woonvoorzieningen in ADL-woningen gelijk aan dat van alle andere Haagse woningen. Voor de collectieve voorzieningen die behoren tot de standaarduitrusting van de ADL woning (alarmintercomsysteem, sanitair en deurmotoren in de unit) kunnen bewoners niet bij de Wmo terecht.

23

Stalling van een scootmobiel22 Voor verstrekking van een scootmobiel geldt als voorwaarde dat er een geschikte stallingsmogelijkheid aanwezig is of te realiseren moet zijn. Het betreft een voorziening die het mogelijk maakt de scootmobiel te stallen en op te laden. Dit kan op twee verschillende manieren: • bij de woning: plaatsen van haak en oplaadpunt of laadpaal en leveren van beschermhoes, onder voorwaarde dat de cliënt de haak, het oplaadpunt en de hoes kan hanteren; • binnen de woning of wooncomplex: aanpassing van bestaande berging, aanpassing binnenruimte van de woning of aanpassing gemeenschappelijke ruimte wooncomplex. Indien er een scootmobielpool is en de cliënt kan hier gebruik van maken is dat een voorliggende oplossing en worden er geen aanpassingen ten behoeve van stalling gedaan. Als er geen geschikte stallingsmogelijkheid aanwezig is en een eventuele scootmobielpool is geen adequate oplossing, dan wordt beoordeeld welke van de twee manieren de goedkoopst adequate oplossing biedt. Proces verstrekking In de Wmo is in artikel 2.3.7 vastgelegd dat, als het college heeft besloten om een woningaanpassing te verstrekken voor een woning waarvan de cliënt niet de eigenaar is, het college dan wel de cliënt met beperkingen, bevoegd is om zonder toestemming van de eigenaar deze woningaanpassing aan te (laten) brengen.

De gemeente dient wel vooraf de woningeigenaar te horen. De medewerking van verhuurders kan worden gestimuleerd door het verlenen van een financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving. Het plaatsen van een of meer trapliften in een gemeenschappelijk trappenhuis is daarnaast onderhevig aan de eisen van brandveiligheid die de gemeente Den Haag hiervoor hanteert. Het is aan de woningeigenaar om medebewoners over de aanpassingen in gemeenschappelijke ruimten te informeren. Uitsluitingen a. Ruimte wordt bestemd voor andere doeleinden Als een ruimte wordt bestemd voor andere doeleinden–bijvoorbeeld een slaapkamer wordt studeerkamer of hobbykamer–beperkt de aanpassing zich tot het toegankelijk en bruikbaar maken van de ruimte voor zover het de oorspronkelijke functie betreft, in dit geval dus van slaapkamer. b. Aanpassingen uit therapeutisch oogpunt Aanpassingen uit therapeutisch oogpunt (bv ligbad) zijn uitgesloten omdat zij geen problemen in het normale gebruik van de woning wegnemen. c. Aanpassingen ten behoeve van derden Aanpassingen ten behoeve van derden zijn niet mogelijk. d. Verhuizing naar ongeschikte woning Bij verhuizing naar een ongeschikte woning komen de noodzakelijke aanpassingen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat bij een dergelijke verhuizing de problemen voorzienbaar waren. e.

Inrichtingselementen Het aanbrengen van inrichtingselementen, zoals kasten, (keramische of inductie) kookplaten, stoffering, zonneschermen, centrale verwarmingsinstallaties en douches komen niet voor vergoeding in aanmerking. Dit zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen die vallen onder woningverbetering en het aanpassen van een woning aan de eisen van de tijd. f. Renovatie en afschrijving Geen woonvoorziening wordt verstrekt indien er sprake is van een algemeen gebruikelijke renovatie of de afschrijvingstermijn van een voorziening verstreken is. Wij sluiten als gemeente daarbij aan op de termijnen uit het “Beleidsboek huurverhoging na woningverbetering” van de Vereniging overleg voorzitters huurcommissies.

22

Zie beleidsmededeling “Stallingsproblemen scootmobielen” en beleidsmededeling “Verstrekken van scootmobielcubes” op het intranet.

24

Eigenaar/bewoner Bij aankoop van een (nieuwbouw)woning worden geen woonvoorzieningen verstrekt als ten tijde van het sluiten van het definitieve koopcontract te voorzien was dat in deze woonruimte aantoonbare beperkingen zouden worden ondervonden. Zou een hoger bedrag dan het in het Financieel besluit vastgelegde bedrag nodig zijn, dan is men voor verstrekking vanuit de Wmo verkeerd verhuisd. Het is dus van belang dat vooraf, in opdracht van het college, een bouwkundige beoordeelt of de woning geschikt is en wat de eventuele kosten van een noodzakelijke woningaanpassing zullen zijn. 4.9.2 Roerende woonvoorzieningen Roerende woonvoorzieningen zijn woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische aard. Het gaat uitsluitend om tilliften en losse sanitaire voorzieningen die niet algemeen gebruikelijk zijn. Tilliften De tillift is een hulpmiddel voor transfers in en uit het bed, naar en van het toilet enzovoort. Er zijn verschillende soorten tilliften, te weten: vaste of plafondliften (deze vallen onder de woonruimteaanpassingen omdat ze aard- en nagelvast zijn aangebracht in de woning) en losse mobiele tilliften. De tillift wordt in bruikleen verstrekt of als Pgb. Uitgangspunt is dat een cliënt niet in staat is zelfstandig in en uit bed te gaan, en ook niet zelfstandig in een rolstoel plaats kan nemen.

De cliënt moet langdurig op het gebruik van deze voorziening zijn aangewezen. De functiebeperkingen van de betrokkene spelen een belangrijke rol. Een mobiele tillift heeft de voorkeur omdat dit doorgaans de goedkoopste oplossing biedt. Of dit mogelijk is hangt af van de bouwkundige situatie ter plekke, de beschikbare ruimte en de noodzakelijke lichaamsondersteuning die de voorziening moet bieden. Als er niet voldoende ruimte is, ligt een vaste plafondlift meer voor de hand. Losse sanitaire voorzieningen Losse sanitaire voorzieningen zijn hulpmiddelen bij het baden, douchen en toiletgebruik. Op grond van de Wmo komen de volgende voorzieningen voor verstrekking in aanmerking: doucherolstoelen, douchebrancards, badliften en de toiletlift. De toiletstoel, douchestoel, douchetoiletstoel, bad- of douchekruk, toiletverhoger, badzitje en badplank worden als algemeen gebruikelijk beschouwd, tenzij het noodzakelijk is dat zij verrijdbaar of kantelbaar zijn of op het individu moeten worden aangepast. De voorziening wordt dan aangemerkt als complex en kan dan wel toegekend worden. Uitgangspunt bij de verstrekking is dat een cliënt niet staande kan douchen of problemen ondervindt bij de toiletgang of bij het gebruik van het bad en een algemeen gebruikelijke voorziening of een algemene voorziening de beperkingen niet (voldoende) opheft.

4.9.3 Tegemoetkoming vrijmaken aangepaste woning Soms blijkt een persoon zonder beperkingen in een (in het verleden) aangepaste woning te wonen die uitermate geschikt is voor een hulpvrager met beperkingen. Momenteel is het vrijwel onmogelijk om die persoon zonder beperkingen te stimuleren vrijwillig naar een andere woning te verhuizen. De wijziging creëert een juridische grondslag dat het college hem een reële verhuiskostenvergoeding kan aanbieden en hem zo te bewegen het huis beschikbaar te stellen voor die hulpvrager met beperkingen. Hierbij geldt de voorwaarde dat de verhuizing verzocht moet zijn door het college. 4.9.4 Gemeenschappelijke ruimten Woonvoorziening voor gemeenschappelijke ruimten in wooncomplexen Voor een woning in een wooncomplex die door de eigenaar bewust in de markt is gezet voor huisvesting van ouderen of personen met een beperking geldt dat een woningvoorziening voor de aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte niet mogelijk is. Het is onwenselijk en onlogisch dat in dit soort gevallen automatisch naar de gemeente wordt verwezen. De mate van toegankelijkheid van de betreffende woning wordt meegewogen in de afweging.

25

Maar ook voor alle andere wooncomplexen geldt dat éérst een beroep moet worden gedaan op de woningeigenaar. Als voorzieningen zoals elektronische liftdeurdrangers en automatische deuropeners in gemeenschappelijke ruimten worden geplaatst, is er doorgaans sprake van een collectieve voorziening, ook andere bewoners van het appartementencomplex profiteren van deze verbeteringen. Uiteraard blijft de gemeente aanspreekbaar en verantwoordelijk voor het verstrekken van woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimten voor zover die bedoeld zijn voor individueel gebruik (traplift in een Haags portiek of verhoging bij de voordeur naar de eigen woning). De Wmo is ook niet bedoeld om (een gevoel van) sociale onveiligheid te verminderen of op te heffen, hier ligt een taak voor de woningeigenaar, politie en handhaving. Dergelijke voorzieningen en kosten worden (in beginsel) niet vergoed 4.9.5 Stroomvoorziening in portiek De Wmo is niet bedoeld om bestaande stroomvoorziening in een portiek om te leggen voor gezamenlijk gebruik van hulpmiddelen (zoals bv traplift). De kosten hiervoor zijn niet proportioneel. Dit kost eenmalig honderden euro’s terwijl de besparing op het elektriciteitsverbruik ca. € 10 per jaar is. Dit valt dan ook onder eigen kracht (regel het onderling, via woningeigenaar, via buurtbemiddeling) en betreft geen medische noodzaak.

4.9.6 Uitraasruimte Dit is een ruimte waarin een cliënt die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. De volgende woonruimteaanpassingen zijn mogelijk: het verwijderen van gevaarlijke onderdelen uit de slaapkamer van de cliënt (omhoog brengen van een radiator, aanbrengen veiligheidsglas), maar ook het omheinen van de tuin en het afsluitbaar maken van andere (slaap)kamers zodat deze niet ongewenst betreden kunnen worden. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling de woning te veranderen in een privékliniek. Voorwaarden voor verstrekking In beginsel komt dit alleen voor vergoeding in aanmerking als er sprake is van het wegnemen of aanzienlijk doen verminderen van aantoonbare beperkingen bij het normale gebruik van de woning. Een uitzondering geldt voor de beperkte groep kinderen met onbeheersbaar en oncontroleerbaar gedrag, waarbij normale oppas- en zorgmaatregelen die je van ouders mag verwachten niet voldoende bescherming bieden. Therapeutische behandeling biedt daarbij geen soelaas. Het is om deze kinderen langer thuis te laten wonen dan noodzakelijk een aantal aanpassingen te verrichten in de sfeer van veiligheid die de bruikbaarheid van de woning vergroten. In sommige gevallen kan een verhuizing naar een grotere woning noodzakelijk zijn zodat het betreffende kind over een eigen kamer kan beschikken.

Een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing behoort dan tot de mogelijkheden. Het maken van een ‘echte’ uitraasruimte (in een aparte kamer) is in Den Haag meestal niet mogelijk vanwege de aard van de woningvoorraad: veel kleine huur(etage)woningen. De uitraasruimte is niet bedoeld om overlast voor huisgenoten en omwonenden te beperken. 4.9.7 Spoelföhn-installatie Voorzieningen die een cliënt met beperkingen in staat kunnen stellen tot lichaamsreiniging zijn bijvoorbeeld een spoel/föhninstallatie op het toilet en een hoog/laag douchestoel met kantelfunctie. Bij de afweging komen de volgende aspecten aan bod. Wenselijkheid • Wensen. Het is goed om te vragen naar de wensen en verwachtingen van de cliënt. Maar vervolgens mogen wij de cliënt ook kritisch bevragen en waar nodig begrenzen. Onder het op eigen kracht in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie (artikel 2.3.5 lid 4 Wmo) wordt óók verstaan dat de cliënt een beroep kan doen op andere wetten (zoals Zvw en Wlz).

26

• Eigenwaarde. Sommige gemeenten stellen dat het voor het gevoel van eigenwaarde goed zou zijn als iemand een deel van de toiletgang zelf kan doen. Hoewel dit goed voorstelbaar is, vinden wij dat dit niet onder het bereik valt van de Wmo.23 • Rituele reinheid. De Wmo is niet bedoeld voor de wens naar rituele schoon- en properheid. Eigen kracht Ervaren beperkingen bij het toiletgebruik kunnen doorgaans met relatief simpele middelen worden verminderd of weggenomen. Denk bijvoorbeeld aan eenvoudige hulpmiddelen zoals een grijptang, toilet handdouche of bidetdouche of een losse douche-wc zitting. Deze hulpmiddelen kunnen zelf worden aangeschaft bij bijvoorbeeld thuiszorgwinkels en worden niet via de Wmo toegekend. Gebruikelijke zorg en mantelzorg Wat hieronder valt wordt bepaald door wat op dat moment naar algemene aanvaarde opvattingen in ­redelijkheid mag worden verwacht. Het is in onze samenleving normaal dat de echtgenoot, ouders, ­inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden. Zeker wanneer sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) zorg in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. Deze boven­ gebruikelijke hulp kan niet verplicht worden via mantelzorg door de huisgenoot te worden verleend.

Alleen wanneer er daadwerkelijk mantelzorg beschikbaar is, kan bij het bepalen van de ondersteuning hiermee rekening worden houden. Compenseren: niet altijd alles De gevraagde ondersteuning dient in een redelijke verhouding te staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had. Of een spoel-föhn-installatie wordt toegekend is ook afhankelijk van de mate waarin de beperkingen in de zelfredzaamheid door de voorziening worden verminderd of weggenomen. Let erop of deze voorziening wel gericht is op het behouden of bevorderen van de zelfredzaamheid. Voorliggende voorziening: persoonlijke verzorging Wanneer iemand aangeeft een spoel-föhn-installatie nodig te hebben, dan zal er sprake zijn van veel beperkingen. En dus een behoefte aan langdurige zorg. Het is de vraag of een enkele Wmo-voorziening dan wel een adequate oplossing is. Vraag ook door naar in hoeverre op andere onderdelen van de dagelijkse levensverrichtingen ondersteuning of zorg wordt ontvangen of nodig is. Persoonlijke verzorging kan bijvoorbeeld onder de verpleging in de wijk vallen. Dat kan een goedkopere compensatie bieden dan een dure spoel-föhn-installatie. Goedkoopst compenserend Een spoel-föhn-installatie verstrekken via de Wmo zal dus alleen bij hoge uitzondering noodzakelijk blijken.

Er zijn immers veel mogelijkheden op het gebied van eigen kracht, gebruikelijke hulp / mantelzorg, en persoonlijke verzorging via bijvoorbeeld wijkverpleging. Uitzonderlijke situaties waarin een Wmo-verstrekking wél noodzakelijk kan zijn, zijn bijvoorbeeld een ernstige darmaandoening (ziekte van Crohn) of een ernstig verstoorde handfunctie. Uit de praktijk blijkt dat sommige bedrijven de hoofdprijs vragen voor een spoel-föhn-installatie. Bekijk offertes altijd kritisch! Een indicatie van redelijke kosten voor het leveren en plaatsen van een spoel-föhn-installatie (incl. aanleggen water) ligt tussen de € 1.200 en € 1.600.24

23

https://www.schulinck.nl/Opinie-wmo-lichaamsreiniging-in-de-wmo

24

Ontleend aan SCIOPENG, “De limitatieve lijst – prijslijst standaard woonvoorzieningen in het kader van de Wmo,” april 2018.

27

4.9.8 Hoog-laag-keuken Het verstrekken van een hoog-laag-keuken is alleen in heel bijzondere omstandigheden noodzakelijk. Als iemand beperkt is en in een rolstoel zit, dan is het goedkoopst compenserend om te kiezen voor een lage keuken. Dan hoeft alleen een oplossing te worden gevonden voor de hoogte van het werkblad, niet voor de bovenkant en kastjes. Nieuwe apparatuur wordt evenmin verstrekt.

4.10 Hulp bij het huishouden De noodzakelijke inzet van de huishoudelijke hulp (en kindzorg) wordt bepaald in overleg met de cliënt en betreft altijd individueel maatwerk. In het ondersteuningsplan worden door de aanbieder in samenspraak met de cliënt afspraken vastgelegd over de te behalen doelen, resultaten, activiteiten en de duur en frequentie van de ondersteuning. Hulp bij het huishouden wordt pas verstrekt als er geen alternatieve basis- of algemene voorzieningen in de wijk of buurt voorhanden zijn, van waaruit activiteiten worden georganiseerd en diensten worden aangeboden. Zo zijn bijvoorbeeld eettafels, het doen van boodschappen met ondersteuning van een (vrijwilligers)organisatie of het verzorgen van een maaltijd voorliggende activiteiten op ondersteuning voor boodschappen of maaltijden vanuit de Wmo. Het komt voor dat flexibiliteit bij een nadere invulling van de hulp in het huishouden wordt gevragd, maar onduidelijk is welke handelingen wel of niet tot deze Wmo-voorziening behoren. Flexibiliteit kan als voldaan is aan de volgende voorwaarden: het in het ondersteunings- of pgb-plan afgesproken resultaat wordt behaald, er overeenstemming over is tussen de cliënt en de zorgverlener, de kwaliteit en veiligheid van de zorgverlener is gewaarborgd, en de flexibele inzet binnen de afgegeven intensiteit blijft.

Een schoon en leefbaar huis Om het resultaat van een schoon en leefbaar huis te kunnen behalen kan (gedeeltelijke) overname van schoonmaakactiviteiten nodig zijn. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Beschikken over schone was Elke cliënt moet kunnen beschikken over schone was. Hieronder wordt verstaan dat de normale, dagelijkse kleding van de Haagse inwoner, inclusief textiel zoals handdoeken en beddengoed, gewassen en gedroogd wordt. In beginsel wordt ervan uitgegaan dat iedereen kan beschikken over strijkvrije bovenkleding, zodat strijken alleen bij uitzondering deel uit maakt van het resultaat “schone was.” Beschikken over boodschappen Dit resultaat heeft betrekking op de boodschappen die voor elke cliënt nodig zijn voor de dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen. Beschikken over maaltijden Het klaarzetten van brood- en/of warme maaltijden valt ook onder hulp bij het huishouden. Het uitgangspunt bij broodmaaltijden is dat deze 1x per dag gemaakt worden. Broodmaaltijden die in de ochtend gemaakt zijn kunnen tot ‘s avonds in de koelkast bewaard worden. Als dat nodig is, wordt de cliënt één keer per dag ondersteund bij het opwarmen van een maaltijd. Het bereiden van warme maaltijden is gezien het aanbod van kant en klaar maaltijden in beginsel niet noodzakelijk.

Kant en klaar maaltijden zijn voorliggend op het bereiden van maaltijden. Kindzorg Het gaat hierbij om het tijdelijk opvangen van en/of overnemen van de gebruikelijke zorg voor gezonde kinderen tot 12 jaar bij uitval van de ouder(s) en de afwezigheid van informele zorg en algemeen gebruikelijke voorliggende voorzieningen zoals crèche, opvang op school, buitenschoolse opvang, gastouder etc. Met gebruikelijke zorg bedoelen we wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken,

28

maaltijd voorbereiden, sfeer scheppen, spelen en opvoedingsactiviteiten. De verzorging van de kinderen wordt tijdelijk overgenomen om de ouder(s) in de gelegenheid te stellen om een andere oplossing te vinden. Kindzorg wordt voor maximaal 3 maanden afgegeven. Dit wordt alleen ingezet bij ontwrichting of calamiteiten, bijvoorbeeld bij het acuut wegvallen van één of beide ouders/verzorgers. De Wmo is aanvullend op de eigen mogelijkheden en heeft vooral een taak in het bijspringen, zodat voor het gezin ruimte ontstaat om zelf een al dan niet tijdelijke oplossing te vinden. Gebruikelijke hulp en werk Als gebruikelijke hulp geleverd wordt door (fulltime) werkenden, wordt met het werk, in beginsel, geen rekening gehouden. Stofzuigen of de badkamer schoonmaken kan ook in het weekend of vrije tijd verricht worden door werkenden. Dit zijn immers uitstelbare taken, taken die op een later moment kunnen gebeuren. Uitzonderingen zijn personen die op grond van hun beroep langdurig van huis moeten zijn zoals zeevarenden of (internationale) vrachtwagenchauffeurs en daarmee vergelijkbare beroepen. Er is geen sprake van een gezamenlijk huishouden en daarmee niet van gebruikelijke hulp: als sprake is van kamerverhuur op basis van een huurovereenkomst. Voorwaarden voor verstrekking Per huishouden worden alleen de huiskamer, de ruimtes die als slaapvertrek in gebruik zijn, sanitaire ruimten (max.

1 badkamer en 2 toiletten), de keuken en de hal (inclusief trap) structureel schoongemaakt. Overige en niet in gebruik zijnde ruimtes worden incidenteel of niet schoongemaakt. Het type woning, de grootte van de woning of het aantal inwoners van de woning heeft geen invloed op het aantal te behalen resultaten binnen het huishouden. De grootte van de woning en het aantal bewoners kan wel invloed hebben op de frequentie van ondersteuning. Het schoonhouden of schoonmaken van de buitenkant van het huis, zoals het ramen lappen aan de buitenkant, maakt geen deel uit van hulp bij het huishouden. Ook het onderhouden van de tuin, het uitlaten van huisdieren, vallen buiten de reikwijdte van hulp bij het huishouden. Dit is ook van toepassing op hand- en spandiensten zoals het vervangen van een lamp of ophangen van een plank. Hiervoor geldt overigens wel de eerder genoemde flexibiliteit bij nadere invulling van de hulp in de huishouding en de voorwaarden hiervoor. Van de cliënt wordt medewerking gevraagd om deze ondersteuning zo efficiënt mogelijk te kunnen organiseren. Dit betekent dat van de cliënt wordt verwacht dat hij de woning ergonomisch verantwoord inricht en in ieder geval de woning opruimt, zodat het schoonmaken efficiënter gebeurt. Het schoonmaken van verzamelingen valt niet onder hulp bij het huishouden.

Naast bovenstaande wordt bij hulp bij het huishouden gekeken naar wat de Haagse inwoner zelf kan en welke ondersteuning zijn sociale netwerk kan bieden. De mate van zelfredzaamheid van de Haagse inwoner wordt onderzocht en gestimuleerd. Er wordt gekeken welke ondersteuning vanuit de gemeente aanvullend noodzakelijk is.

• Het inzetten van eigen kracht: Ter versterking van de zelfredzaamheid wordt allereerst gekeken naar de mogelijkheden en vaardigheden van de cliënt zelf om het huishouden op eigen kracht te organiseren en uit te voeren. Denk hierbij aan: het aanschaffen van algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals een uitschuifbare ramenlapper, een wringmechanisme voor een dweil of strijkvrije kleding, een strijkservice, het anders organiseren van de boodschappen of de maaltijden of het inzetten van vormen van opvang, zoals een crèche, kinderopvang of buitenschoolse opvang. Een droger of afwasmachine hoeft niet verplicht aangeschaft te worden. Maar als deze aanwezig zijn, is het gebruik ervan voorliggend op de inzet van hulp bij het huishouden.

29

In situaties waarin men al langere tijd op eigen kosten iemand inhuurt voor huishoudelijke taken of gebruik maakt van een wasservice, en er geen aantoonbare meerkosten zijn in relatie tot de beperking, is het probleem al opgelost en wordt geen hulp bij het huishouden ingezet, tenzij er een wijziging in het inkomen heeft plaatsgevonden of de beperkingen zijn toegenomen en er meer hulp nodig is. Om de eigen kracht en vaardigheden van de cliënt te vergroten kan tijdelijk (extra) hulp ingezet worden ter ondersteuning van de cliënt bij de ontwikkeling van zijn of haar vaardigheden. • Het vergroten van de inzet van het eigen sociale netwerk Gebruikelijke hulp Bij het eigen sociaal netwerk gaat het allereerst om de zogenoemde gebruikelijke hulp. De gemeente gaat ervan uit dat volwassen huisgenoten een bijdrage leveren aan het huishouden. Van kinderen wordt geen bijdrage verwacht. Bij gebruikelijke hulp wordt rekening gehouden met de belastbaarheid van de volwassen huisgenoot. Huisgenoten van 18 tot en met 22 jaar gelden als volwassen huisgenoten en kunnen een eenpersoonshuishouden voeren. Taken die hierbij horen zijn: schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en een kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Indien nodig kan ook de opvang en/of verzorging van jongere gezinsleden tot hun taken behoren.

Huisgenoten vanaf 23 jaar kunnen alle huishoudelijke taken volledig overnemen.

4.11 Vervoersvoorzieningen Wanneer een cliënt in overwegende mate en langdurig niet kan deelnemen aan het leven van alledag kan een vervoersvoorziening worden verstrekt, gericht op sociaal vervoer. Dit wordt ook wel vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving genoemd. Het gaat in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn of haar directe woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen. De directe woon- of leefomgeving is de wijk of het stadsdeel waarin de cliënt woont. Sociale bestemmingen buiten het eigen stadsdeel maar binnen Den Haag kunnen ook in de directe woon- of leefomgeving vallen als deze bestemmingen dichterbij niet voorkomen en voor de aanvrager aantoonbaar van belang zijn voor het leven van alledag. Vervoer naar nog verder weggelegen bestemmingen valt onder verantwoordelijkheid van het Rijk en wordt uitgevoerd door Valys. Een verstrekking hoeft niet geheel tegemoet te komen aan de vervoersbehoefte van de aanvrager. Door het uitblijven van een verstrekking mag de aanvrager echter niet in een sociaal isolement terecht komen. Bij het vaststellen of iemand in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening wordt rekening gehouden met: a.

de beperkingen van de aanvrager (de beperking, blijvend of langdurig, moet de aanleiding zijn voor vervoersprobleem) b. de mogelijkheid van de aanvrager om op een verantwoorde wijze gebruik te maken van de vervoersvoorziening (problemen in bv waarneming of motoriek kunnen van invloed zijn op rijgeschiktheid, waardoor toekenning van een voorziening niet verantwoord is); c. de individuele vervoersbehoefte van de aanvrager (er wordt gekeken naar vervoersdoelen, af te leggen afstanden en frequentie); d. de mogelijkheid om op andere wijze geheel of gedeeltelijk in die vervoersbehoefte te voorzien (de voorliggende voorzieningen in andere wet en regelgeving of algemeen gebruikelijke voorzieningen). Als na de weging van voorliggende oplossingen een sociale vervoersbehoefte resteert waarin niet wordt voorzien dan biedt het college hiervoor compensatie door het verstrekken van de goedkoopst adequate voorziening.

30

Leven van alledag: de weging van verschillende vervoersdoelen a. Doen van boodschappen Als een cliënt problemen heeft met het doen van boodschappen zijn er binnen de Wmo voorzieningen van de verordening twee oplossingsrichtingen: hulp bij het huishouden of een vervoersvoorziening. Een vervoersvoorziening als oplossingsrichting komt in beeld als er sprake is van langdurige noodzaak en het doen van boodschappen voor de cliënt belangrijk is voor zijn sociale participatie. b. Recreatief vervoer en buiten zijn Als recreatief vervoer of het buiten zijn voor de cliënt deel uitmaakt van het leven van alledag, wordt hier rekening mee gehouden in de afweging voor een Wmo vervoersvoorziening. c. Zorg voor kinderen Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen aan ouders met een beperking wordt rekening gehouden met de zorg voor kinderen. Dit kan aanleiding zijn voor het verstrekken van een individueel vervoermiddel. Er worden echter ook alternatieven betrokken die de ouders zelf voor dat vervoer kunnen organiseren. Als dergelijke alternatieven voorhanden zijn, wordt geen individueel vervoermiddel verstrekt.

Intramuraal verblijf Er worden geen individuele vervoersvoorzieningen en vervoer naar dagbesteding verstrekt aan bewoners van Wlz-instellingen.25 Uitsluitingen Als mensen een vervoersprobleem hebben dat zij met een algemeen gebruikelijk middel (openbaar vervoer, lopen, fietsen, meerijden in auto) kunnen oplossen, dan is er geen aanleiding om op grond van de Wmo in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening. Er wordt geen rekening gehouden met vervoersbehoefte in verband met werk. Voor werkgerelateerde voorzieningen zijn andere regelingen (UVW of PW) voorliggend. Vervoer van en naar dagbehandeling of dagbesteding, gefinancierd vanuit de Wlz of de Zvw, valt niet onder de Wmo. Voor vervoer van en naar medische behandelaars is er voor bepaalde situaties een voorliggende voorziening vanuit de Zvw. Vervoer in verband met onderwijs valt evenmin onder de Wmo. Er zijn voorliggende voorzieningen, zoals het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving, en voorzieningen die via het UWV worden verstrekt, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en de PW. De individuele Wmo vervoersvoorzieningen kunnen worden verstrekt in natura of in de vorm van een pgb of financiële tegemoetkoming. a. Verstrekkingen in natura of als persoonsgebonden budget Onder naturaverstrekkingen vallen goederen en diensten die aan de cliënt in bruikleen worden toegekend.

Het onderhoud, de reparatie en verzekering van vanuit de Wmo verstrekte vervoermiddelen komen ten laste van de gemeente.

25

Er zijn in 2019 bestuurlijke afspraken gemaakt tussen de VNG en het ministerie van VWS over de verstrekking van hulpmiddelen en roerende

voorzieningen aan cliënten in een Wlz-instelling. Vanaf 2020 geldt een overgangsregeling waarbij voor cliënten die een roerende woonvoorziening of een individuele vervoersvoorziening uit de Wmo ontvangen geldt, dat pas bij vervanging van het Wmo-middel verstrekking vanuit de Wlz plaatsvindt. Tot de vervanging door de Wlz-instelling heeft plaatsgevonden, blijft de gemeente verantwoordelijk voor de huur, het onderhoud en reparatie van de voorzieningen.

31

Een aantal vervoersvoorzieningen wordt enkel als persoonsgebonden budget verstrekt, te weten aanpassingen aan een eigen vervoermiddel, gebruik (rolstoel) taxi of vervoer door derden en gebruik (rolstoel) taxi of vervoer door derden naast fiets, scootmobiel of (elektrische) rolstoel. b. PGB/Financiële tegemoetkomingen vervoer26 (artikel 1.1.1 van de wmo) Dit zijn vergoedingen voor het gebruik van een vanuit de Wmo verstrekt of eigen vervoermiddel, of een geldbedrag bedoeld voor zelf te regelen vervoer. De hoogte is gebaseerd op een aantal aflegbare kilometers in het kader van het leven van alledag of op de kosten van het gebruik van het vervoermiddel dat nodig is om de afstand te overbruggen. Het verschil met een pgb is dat daar vereist is dat het bedrag toereikend is om de noodzakelijke voorziening in te kunnen kopen. Een forfaitaire vergoeding hoeft niet per se kostendekkend te zijn. Ook hoeft de cliënt niet pgb-vaardig te zijn. De vergoeding wordt toegekend voor één jaar; daarna volgt een verlenging met mogelijk een herbeoordeling. Als binnen een huishouden de cliënt samen reist met een ander lid van het huishouden, dan zijn er geen of minder meerkosten dan in de situatie dat de cliënt alleen reist. Daarom wordt met samenvallende vervoersbehoeften rekening gehouden bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding. c.

Financiële tegemoetkoming meerkosten sportvoorziening De financiële tegemoetkoming in de meerkosten van een sportvoorziening is een geldbedrag als tegemoetkoming in de (meer)kosten van de aanschaf en het onderhoud van een, door de cliënt zelf te bepalen, sportvoorziening of aanpassing op een sportvoorziening. Individuele vervoersvoorzieningen Een cliënt kan hiervoor in aanmerking komen als hij/zij door aantoonbare beperkingen onvoldoende gebruik kan maken van het openbaar vervoer. Het gaat alleen om aantoonbare beperkingen in relatie tot de individuele vervoersbehoefte van de cliënt. Is een bus of tram voor iemand met een beperking niet toegankelijk, dan kan men recht hebben op verstrekking van een vervoersvoorziening. Als er een voorliggende voorziening mogelijk is, wordt geen individuele vervoersvoorziening verstrekt. Als blijkt dat het probleem niet (meer) door behandeling opgelost kan worden dan is wel een langdurige noodzaak aanwezig en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden. Voorwaarden voor verstrekking Men komt in aanmerking voor pgb vervoer als men voldoet aan de voorwaarden voor verstrekking van een scootmobiel of elektrische rolstoel op grond van de Wmo, men beschikt over een scootmobiel of elektrische rolstoel, en er een aantoonbare vervoersbehoefte is op de langere afstand waarin niet kan worden voorzien.

4.11.1 Collectief aanvullend vervoer Dit is een voor pashouders toegankelijk vervoerssysteem waarbij mensen op afroep zittend worden vervoerd. De chauffeur biedt de cliënt de benodigde begeleiding, welke kan variëren van licht tot intensief. De cliënt betaalt jaarlijks een eigen bijdrage die is vastgesteld in de Regeling. Het collectief aanvullend vervoer maakt vervoer over alle afstanden mogelijk in de directe woon- en leefomgeving en biedt een actieradius van 25 kilometer hemelsbreed gerekend vanaf woonadres volgens de BRP, of zoveel meer dan nodig om vanaf het woonadres een bestemming binnen Den Haag te bereiken. Het vervoer wordt uitgevoerd in personenauto’s of rolstoelbusjes. Het materieel biedt de mogelijkheid om loophulpmiddelen, rolstoelen en scootmobielen te vervoeren.

26

Zie Werkinstructie Wmo vervoersvoorzieningen PGB op het intranet.

32

Iedere reiziger in het collectief aanvullend vervoer kan op aanvraag gratis één reisgenoot meenemen. De reisgenoot (die geen begeleiding nodig heeft van de chauffeur) maakt exact dezelfde rit als de pashouder. Hulphonden en blindengeleidehonden mogen gratis meereizen. Groepsvervoer Groepsvervoer is vervoer van meer dan twee personen (cliënten en reisgenoten) van en/of naar hetzelfde adres. De rit wordt uitgevoerd door de vervoerder van de cliënt met het zwaarste vervoersproduct. Indien personen vanwege aantoonbare beperkingen niet of onvoldoende gebruik kunnen maken van eigen of openbaar vervoer, kunnen zij in aanmerking komen voor het collectief aanvullend vervoer. Voor cliënten jonger dan 75 jaar geldt in principe dat er voldoende algemene voorzieningen voor handen zijn, zie hiervoor de Richtlijn Vervoer adviseren. 27 Een cliënt komt bijvoorbeeld in aanmerking voor collectief aanvullend vervoer als hij/zij: • een afstand van 400 meter niet zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, kan afleggen; • niet kan wachten bij een halte van het openbaar vervoer; • niet in- en/of uit kan stappen in bus, tram, of RandstadRail; • niet zelf de regie kan voeren voor, tijdens of na de reis, en er niet altijd iemand is die begeleiding kan bieden; of • een vervoermiddel niet met anderen kan delen dan de chauffeur.

Het collectief aanvullend vervoer kan om verschillende redenen niet of niet volledig adequaat zijn: • Als de persoon vanwege zijn of haar beperkingen niet met het collectief aanvullend vervoer kan reizen; • vanwege zeer frequente vervoersbehoeftes, bijvoorbeeld als een belangrijk onderdeel van het dagelijks vervoerspatroon is dat een gehandicapte ouder kinderen van en naar school brengt, en in dit vervoersprobleem niet op een andere wijze kan worden voorzien; • Als het gaat om vervoer van een gehandicapte ouder die niet in staat is toezicht/begeleiding te bieden aan meereizende kinderen jonger dan 12 jaar, en geen reisgenoot voor begeleiding van deze kinderen beschikbaar is. In Den Haag bestaan twee vormen van collectief aanvullend vervoer voor personen met een beperking: ‘Deur tot deur vervoer’ en ‘Kamer tot kamer vervoer’. Deze vormen onderscheiden zich van elkaar in de dienstverlening. 4.11.2 Deur tot deur vervoer Dit is vervoer vanaf de deur van de woning of vanaf de ingang van het wooncomplex, tot aan de deur van het bestemmingsadres of de ingang van het wooncomplex en vice versa, met–zo nodig – begeleiding door of ondersteuning van de chauffeur bij het bereiken van het voertuig, het bestemmingsadres en bij het in- en uitstappen. Dit is voor cliënten die als gevolg van een beperking niet met eigen of openbaar vervoer kunnen reizen.

4.11.3 Kamer tot kamer vervoer Dit is vervoer waarbij de cliënt binnen (thuis of in een ander gebouw) wordt opgehaald of gebracht, en vice versa. Cliënten krijgen van de chauffeur begeleiding of ondersteuning bij het verlaten of betreden van het woon- of bestemmingsadres, en bij het in- en uitstappen.

27

Zie richtlijn “Vervoer adviseren.”

33

Voorwaarde is dat cliënten, als gevolg van een beperking, niet met eigen of openbaar vervoer kunnen reizen en niet zelfstandig de eigen woning in en uitgaan of niet zelf de regie voeren over het verlaten of betreden van het woon en/of bestemmingsadres. Zij moeten zittend vervoerd kunnen worden. 4.11.4 Dagbestedingsvervoer Dit betreft collectief vervoer van en naar een locatie waar de cliënt aan dagbesteding deelneemt en kan aan de orde zijn wanneer de cliënt zich niet zelfstandig of met behulp van het netwerk kan verplaatsen naar de dagbesteding.

4.12 Fietsen Hieronder worden verstaan een driewielfiets, een loopfiets en voor rolstoelgebruikers een rolstoelfiets of een handbike. Het gaat om een vervoermiddel dat voorziet in de vervoersbehoefte in de eigen wijk of stadsdeel (met een maximum van 8 kilometer vanaf de voordeur). Als er zich ook buiten het bereik van de fiets een vervoersprobleem voordoet, dan kan de fiets worden gecombineerd met collectief aanvullend vervoer of met een vervoerskostenvergoeding. De fiets kan niet worden gecombineerd met een andere voorziening voor de zeer korte en korte afstand. De cliënt moet objectief aangetoonde ernstige belemmeringen hebben in de sta-en loopfunctie en problemen ondervinden bij het verplaatsen buitenshuis op afstanden tot 500 meter. Er is een dagelijkse vervoersbehoefte in het gebruiksgebied van de fiets in de eigen wijk of stadsdeel waarin niet of niet volledig op andere wijze voorzien kan worden. Uitgesloten zijn algemeen gebruikelijke fietsen, zoals een tweewielfiets al dan niet met hulpmotor, lage instapfiets, bromfiets, snorfiets, tandem of bakfiets. Voor de loopfiets geldt dat deze alleen kan worden verstrekt als verplaatsingsmiddel voor buiten. Als deze fiets uitsluitend bestemd is voor gebruik binnen, dan kan verstrekking plaatsvinden op grond van de Zvw en valt verstrekking dus niet onder de Wmo.

4.13 Scootmobiel Een scootmobiel is een open voertuig, aangedreven door een elektromotor en bestuurd met een mechanisch stuur. Het gaat hier om een–in principe–éénpersoons vervoermiddel dat voorziet in de vervoersbehoefte op de zeer korte afstand tot en met de middellange afstand in de eigen wijk of stadsdeel (met een maximum van 8 kilometer per uur). De cliënt moet objectief aangetoonde ernstige belemmeringen hebben in de sta-en loopfunctie en als gevolg hiervan problemen hebben bij het verplaatsen buitenshuis tot 500 meter. Ook kan de cliënt geen gebruik maken van het openbaar vervoer, fiets, rolstoel, rollator, stok etc. Evenmin is in de vervoersbehoefte volledig te voorzien met collectief vervoer en dergelijke. Uitgangspunt is dat met de scootmobiel de dagelijkse vervoersbehoeften op de (zeer)korte en middellange afstanden kunnen worden ingevuld. Voor toekenning van een individuele scootmobiel is van belang dat er een geschikte stallingsmogelijkheid aanwezig moet zijn met aansluitpunt voor opladen, of die mogelijkheid moet gerealiseerd kunnen worden. Als dit niet het geval is, wordt geen scootmobiel verstrekt en vindt opnieuw onderzoek plaats naar alternatieve vormen van ondersteuning.

28 Als er zich ook buiten het bereik van de scootmobiel een vervoersprobleem voordoet, dan kan de voorziening worden gecombineerd met collectief aanvullend vervoer of met een vervoerskostenvergoeding. Als er een scootmobielpool is waarmee de cliënt voldoende wordt gecompenseerd, is deze voorliggend.

28

Zie beleidsmededeling “Stallingsproblemen scootmobielen” op het intranet.

34

4.14 Aanpassingen aan scootmobiel In bepaalde gevallen is het noodzakelijk vanuit de beperkingen en fysieke gesteldheid van de cliënt om aanpassingen te maken aan een scootmobiel. De aanpassingen kunnen onder meer betrekking hebben op bediening, stoel en vering, zithouding of meenemen van een loopmiddel of een kinderzitje op de scootmobiel. De noodzaak van de aanpassing moet medisch zijn aangetoond. Een kinderzitje op een scootmobiel wordt geplaatst als algemeen gebruikelijke oplossingen niet mogelijk zijn en er een noodzaak bestaat om een kind mee te nemen bij verplaatsingen in het kader van het leven van alledag.

4.15 Gewenningslessen scootmobiel Dit is theoretisch en praktisch onderwijs (in principe maximaal 3 lessen) in de bediening van de scootmobiel, het rijden en manoeuvreren met de scootmobiel en de kennis en toepassing van de verkeersregels. Dit kan worden toegekend als blijkt dat de cliënt nog onvoldoende vaardigheid heeft om de scootmobiel te bedienen en/of onvoldoende rijvaardig is om zelfstandig aan het verkeer deel te nemen. Als de cliënt na gewenningslessen niet om kan gaan met de scootmobiel, dan wordt de scootmobiel niet verstrekt, dan wel weer ingenomen. De voorziening blijkt dan niet adequaat te zijn. De gewenningslessen worden meestal gevolgd na verstrekking van de scootmobiel, dus met het eigen hulpmiddel. Wanneer er twijfel bestaat aan de leerbaarheid, dan kunnen gewenningslessen ook plaatsvinden voordat de scootmobiel is verstrekt.

4.16 Financiële tegemoetkoming stalling scootmobiel Dit is een vergoeding die het mogelijk maakt een scootmobiel veilig te stallen en op te laden in een openbare stalling. Het bedrag dat in uitzonderingsgevallen eenmalig verstrekt wordt, is gelijk aan het bedrag van de werkelijk gemaakte kosten. Als voorwaarde geldt dat er een geschikte stallingsmogelijkheid aanwezig is, of te realiseren moet zijn.

4.17 Rolstoelvoorziening In het kader van de Wmo kunnen voor verplaatsingen binnen- en buitenshuis handbewogen rolstoelen of elektrische rolstoelen worden verstrekt. Vereiste is dat er voor de cliënt een medische noodzaak is om zich in belangrijke mate zittend te verplaatsen. Loopmiddelen, zoals rollator of trippelstoel die op grond van de Zvw worden verstrekt bieden onvoldoende oplossing. Bij elektrische rolstoelen moet daarnaast blijken dat een handbewogen rolstoel niet geschikt of toepasbaar is (bijvoorbeeld als gevolg van een beperkte arm- of handfunctie, of energetische problemen waardoor niet meer dan een aantal meters met een handbewogen rolstoel gereden kan worden). Voor de duwwandelwagen geldt aanvullend dat de cliënt zich niet zelfstandig kan verplaatsen, en er een partner, huisgenoot, mantelzorger of hulpverlener beschikbaar is die de rolstoel kan duwen. Voor rolstoelen geldt het compensatiebeginsel voor alle personen met beperkingen die woonachtig zijn in Den Haag, met uitzondering van mensen die een Wlz-indicatie kunnen krijgen. Deze mensen krijgen de rolstoel verstrekt vanuit de Wlz. Hagenaars met een Wlz-indicatie die thuis wonen vormen hierop een uitzondering.

4.18 Hulphond De assistentiehond (ook wel ADL-hond), signaal-hond en (blinde)geleidehond worden vanuit de Zvw. vergoed. Voor alle andere typen (autisme-, seizure-, PTSS-, diabetes-) hulphonden geldt dat er onvoldoende (medisch) wetenschappelijk bewijs is dat een hulphond echt een bijdrage levert aan de zelfredzaamheid

35

en participatie.29 De gemeente stelt zich daarom op het standpunt dat de aanschaf en opleiding van een hulphond niet onder de compensatieplicht van de gemeente valt. Bovendien zijn de beoogde doelen van die laatste typen hulphond primair gericht op de behandeling van psychische stoornissen. Zij hebben dus een medische of therapeutische functie. Dat de voorziening daarnaast ook bijdraagt aan zelfredzaamheid en participatie is geen reden om de voorziening alsnog toe te kennen vanuit de Wmo.30 Ook is een hulphond vaak niet de goedkoopst compenserende voorziening. Therapie is dat doorgaans wel. Voor zover een hulphond (nog) niet in het basispakket van de Zvw valt, leidt dat niet tot een ander oordeel omdat alle hulpmiddelenzorg onder de reikwijdte van de Zvw valt en het aan de wetgever is om te bepalen welke hulpmiddelen voor vergoeding in aanmerking komen (zie par. 1.2.10).31

29

ECLI:NL:RBZWB:2018:6484 en ECLI:NL:CRVB:2018:2785

30

ECLI:NL:RBGEL:2018:5165

31

ECLI:NL:RBGEL:2019:217

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12624055/1