CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS315227 WMO indicaties zonder einddatum bijlage 2

Commissie Samenleving 14 september 2023, gemeente Den HaagBij agendapunt: Brief van Wethouder van Werk Wijken en Dienstverlening en Wethouder Armoede, Inclusie en Volksgezondheid inzake Jaarrapportage 2022 WMO16.354 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

WMO Maatschappelijke ondersteuning in Den Haag

Leidraad Wmo Gemeente Den Haag

Inhoud Voorwoord3 1. Algemene bepalingen

4

1.1 De wet en de bedoeling

4

1.2 Uitgangspunten maatwerkvoorzieningen

4

1.3 Belangenafweging (en dus géén automatisme!)

8

2. Toegang

10

2.1 Algemeen

10

2.2 Melding

10

2.3 Onderzoek

10

2.4 Spoedvoorziening

12

2.5 Wijze van indiceren

12

2.6 Eigen bijdrage

12

2.7 Schriftelijke verslag (= advies)

13

2.8 Aanvraag

13

2.9 Beschikking

13

3. Algemene voorzieningen

14

3.1 Algemeen

14

3.2 Kleine woonvoorzieningen

14

4. Maatwerkvoorzieningen

15

4.1 Algemeen

15

4.2 Indicatieduur

15

4.3 Persoonsgebonden budget (pgb)

16

4.4 Dagbesteding

16

4.5 Begeleiding

17

4.6 Seksuele ondersteuning

18

4.7 Opvang en Begeleid en Beschermd Wonen

18

4.8 Logeren

19

4.9 Woonvoorzieningen

19

4.10 Hulp bij het huishouden

28

4.11 Vervoersvoorzieningen

30

4.12 Fietsen

34

4.13 Scootmobiel

34

4.14 Aanpassingen aan scootmobiel

35

4.15 Gewenningslessen scootmobiel

35

4.16 Financiële tegemoetkoming stalling scootmobiel

35

4.17 Rolstoelvoorziening

35

4.18 Hulphond

35

2

Voorwoord Iedereen in Den Haag verdient goede, menselijke en betaalbare zorg en indien nodig opvang. Jong of oud, rijk of arm, gezond of ziek: iedere Hagenaar kan rekenen op de zorg of ondersteuning die hij of zij nodig heeft. Dat is en blijft het uitgangspunt waar de gemeente Den Haag voor staat. Tegelijkertijd staan we voor grote financiële uitdagingen. In deze leidraad hebben we nadere regels gesteld voor de Wmo 2015 (Wmo). Deze leidraad vormt een aanvulling op de bestaande gemeentelijke regels (verordening en regeling), procesbeschrijvingen, werkinstructies en andere uitvoeringsvoorschriften. Het document is bedoeld als leidraad voor de medewerkers bij de voorbereiding en tijdens het (keukentafel)gesprek, tijdens het onderzoek en bij de (over)weging en besluitvormingsfase en is dus een intern document. Het biedt medewerkers een richtinggevend kader. Deze leidraad wordt gepubliceerd. Er is daarnaast ook een folder met de publieksversie van de Wmo leidraad. De huidige leidraad levert een uitgebreider kader. Aan de tekst van deze leidraad kunnen geen ongeclausuleerde rechten worden ontleend. Een aanvraag kan nooit worden toegewezen of afgewezen, enkel onder verwijzing naar de tekst van deze leidraad. In alle gevallen is het aan de medewerker om een goede, individuele, afweging (maatwerk) te maken.

Dit houdt in dat de medewerker draagvlak voor het besluit moet creëren door gedegen onderzoek te doen, met behulp van de leidraad en door goed te onderbouwen, motiveren en uitleggen waarom een bepaald besluit wordt genomen. • Hoofdstuk 1 beschrijft algemene bepalingen die voortvloeien uit de wet en rechtspraak. • Hoofdstuk 2 beschrijft hoe het besluit tot stand komt. • Hoofdstuk 3 beschrijft een aantal algemene (= vrij toegankelijk, zonder indicatie en besluitvorming) voorzieningen. • Hoofdstuk 4 beschrijft voor veel maatwerkvoorzieningen een aanvullende normering. Uiteraard is deze lijst is niet-limitatief. Eerder in de leidraad staat een gedachtegang (stappenplan) om met niet-beschreven hulpvragen om te gaan (par. 1.3.).

3

1. Algemene bepalingen 1.1 De wet en de bedoeling Eigen verantwoordelijkheid en de Wmo als hekkensluiter Een belangrijke bedoeling van de Wmo is de eigen verantwoordelijkheid. Hiermee wordt bedoeld dat dat mensen zoveel mogelijk zelf doen en elkaar zoveel mogelijk helpen. Het is ook de bedoeling dat mensen hulp vragen aan hun omgeving: familie en vrienden, voordat zij bij de gemeente aankloppen voor hulp. Zo houden we de zorg betaalbaar. Het is dus niet meer vanzelfsprekend om met elke hulpvraag naar de gemeente te gaan. Uitgangspunt is dat iedereen éérst kijkt wat hij/zij zelf kan doen, wat zijn sociale ­omgeving voor hem kan doen of wat hij zelf voor een ander kan doen.1 Het uitgangspunt van de wetgever is dat de Wmo gezien moet worden als hekkensluiter. Dit betekent dat er alleen een rol is voor de gemeente als iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie.

1.2 Uitgangspunten maatwerkvoorzieningen Een maatwerkvoorziening (artikel 1.1.1 Wmo) is afgestemd op de behoeften, persoonskenmerken en ­mogelijkheden van een persoon ten behoeve van: • de zelfredzaamheid, • participatie, • beschermd wonen en opvang. 1.2.1 Voorzienbaarheid (algemeen) (artikel 3.1, vierde lid, Verordening maatschappelijke ondersteuning 2018, hierna: Verordening) Weet iemand dat hij in de toekomst ondersteuning nodig heeft? Dan verwachten we dat hij daar rekening mee houdt. Bijvoorbeeld door tijdig te zoeken naar een andere woning of het regelen van tijdelijke hulp na een operatie. De gemeente zal hier onderzoek naar doen en de individuele situatie van de burger hierin meewegen en alle stappen van de belangenafweging doorlopen. 1.2.2 Goedkoopst compenserend (artikel 3.1, vierde lid, Verordening) Hiermee wordt bedoeld dat als er voor een beperking meerdere voorzieningen als oplossing mogelijk zijn, er wordt gekozen voor de goedkoopste voorziening.2 1.2.3 Noodzakelijk (artikel 3.1, vierde lid, Verordening) Noodzakelijk betekent dat de burger alleen zelfredzaam -en in staat blijft maatschappelijk te participeren, als hij een voorziening toegekend krijgt. De noodzaak zal vaak een medische noodzaak zijn. Voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen is de voorwaarde dat de medische noodzaak langdurig noodzakelijk blijft.

Dit betekent dat het voor langere tijd geldt. 1.2.4 Gericht op persoon met beperkingen Een maatwerkvoorziening is gericht op de persoon met beperkingen. • Er is altijd één individuele aanvrager die de maatwerkvoorziening aanvraagt, dan wel voor wie de maatwerkvoorziening aangevraagd wordt. • De maatwerkvoorziening wordt alléén verstrekt ten behoeve van de persoon met beperkingen zelf.

1 Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 841, nr. 3 (hierna: MvT Wmo 2015), pag. 25. 2 ECLI:NL:CRVB:2017:504.

4

In principe worden maatwerkvoorzieningen verstrekt waarvan men zelfstandig gebruik kan maken. Wanneer de persoon met beperkingen de voorziening niet zonder hulp kan gebruiken, maar deze wel de enige adequate oplossing biedt voor het probleem, kan deze bij uitzondering worden toegekend. 1.2.5 Persoonskenmerken, behoeften en financiële mogelijkheden Bij het vaststellen van de noodzaak van een maatwerkvoorziening wordt gekeken naar de persoonskenmerken, de behoeften en de financiële mogelijkheden van de Hagenaar. Persoonskenmerken Relevante persoonskenmerken kunnen bijvoorbeeld zijn: leeftijd, gezondheidssituatie, de zelfstandigheid van de persoon, de mate waarin een persoon in staat is om zelf, eventueel met hulp van zijn huisgenoten en sociale netwerk, zaken te organiseren. Behoeften van de aanvrager Er wordt bekeken op welke terreinen de aanvrager belemmeringen ondervindt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Ook wordt onderzocht wat de aanvrager wil met betrekking tot zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en op welke manier hij daarin belemmerd wordt. Vervolgens wordt beoordeeld in hoeverre deze wensen redelijk zijn en gecompenseerd moeten en kunnen worden. Financiële mogelijkheden (zie ook 1.2.11) De financiële mogelijkheden van de aanvrager om zelf een oplossing aan te schaffen of te organiseren komen aan bod tijdens het onderzoek.

Een Wmo-melding wordt niet direct afgewezen als iemand genoeg geld heeft. Maar we vragen er wél naar omdat we willen zien wat de financiële situatie van iemand is. 1.2.6 Eigen mogelijkheden ten volle benutten De gemeente beoordeelt wat op dit moment de mogelijkheden van een hulpvrager zijn om de beperkingen te verminderen, en of iemand die die nu ten volle benut. Het gaat er hierbij niet zozeer om wat iemand in het verleden heeft gedaan. 1.2.7 Wens belangrijk, maar niet doorslaggevend Natuurlijk vragen we wat iemand wil en wenst. Vervolgens beoordeelt de gemeente wat we daarvan vinden. We kunnen niet altijd (volledig) rekening houden met de wensen van betrokkenen. In de beoordeling wordt het perspectief van de inwoner meegenomen. Dat gaat over de situatie waar de inwoner naartoe wil, niet over welke voorzieningen hij/zij wenst. Door het perspectief te betrekken, doet de casemanager beroep op de eigen kracht van de inwoner, creëert draagvlak en stimuleert eigenaarschap. 1.2.8 Niet altijd alles compenseren De gemeente hoeft niet alle ondervonden beperkingen te compenseren.

De gemeente heeft namelijk geen compensatieplicht als iemand in staat is om in aanvaardbare of voldoende mate maatschappelijk participeren.3 Aanvaardbaar participeren betekent dat: • er geen sprake is van dreigend isolement of vereenzaming; • iemand zelfredzaam is gebleken; • niet gebleken is dat hulpvrager voor het doorbreken van het sociaal isolement uitsluitend is aangewezen op de gestelde activiteit waarvoor een voorziening is aangevraagd. Dit vraagt dus een afweging van de Wmo-casemanager, specialist of bezwaarmedewerker.

3 ECLI:NL:CRVB:2012:BV5448 en ECLI:NL:CRVB:2012:BV8848

5

1.2.9 Geen terugwerkende kracht In beginsel wordt een maatwerkvoorziening geweigerd als iemand bijvoorbeeld een hulpmiddel al heeft aangeschaft, voordat hij zich meldt bij de gemeente. De aanvrager heeft immers aangetoond dat hij op eigen kracht in staat is een oplossing te bedenken en uit te voeren. Op dit uitgangspunt zijn uitzonderingen mogelijk. 1.2.10 Voorliggende voorziening Een aanvraag kan worden afgewezen als uit het onderzoek (artikel 2.3.5 lid 4 Wmo) blijkt dat de aanvrager op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid en participatie. Hieronder wordt ook verstaan dat cliënt daadwerkelijk een beroep kan doen op andere wetten (zoals de Zvw en Participatiewet (PW)). Het is klantgericht om hulpvragers hiernaar te verwijzen en na enkele weken nog eens contact op te nemen om na te vragen of de hulpvrager verder is geholpen. Als de hulpvrager niet zelf of met zijn eigen netwerk in staat is geweest om verder te komen, kan de casemanager de hulpvrager verwijzen naar een Servicepunt XL, cliëntondersteuning, Helpdesk Geldzaken en dergelijke in het voorliggend veld. 1.2.11 Financiën Inzet eigen financiële middelen en reserveren voor voorziening Het inkomen en vermogen mag bij de Wmo geen rol spelen bij het wel of niet toekennen van een maatwerkvoorziening.

De gemeente mag een aanvraag voor een voorziening ook niet afwijzen omdat een cliënt hiervoor zelf geld had kunnen reserveren. De gemeente mag in het gesprek met financieel draagkrachtige cliënten wel wijzen op de mogelijkheid om de voorziening zelf te financieren. Als de cliënt dat wil en ook in staat is om dat zelf te organiseren (of de cliënt dat niet zelf kan maar hij wel onze hulp accepteert en wij hem daarbij ontzorgen), kan dat de juiste aanpak zijn. Woonlastenconsequenties De gemeente mag dus tijdens het (keukentafel)gesprek of onderzoek financiële vragen stellen. De gemeente zal bijvoorbeeld bij de afweging tussen aanpassen van de huidige woning en verhuizen naar een andere woning (= primaat van verhuizen) ook rekening moéten houden met de woonlasten-consequenties. Daarbij moet een vergelijking worden gemaakt tussen de woonlasten bij het blijven wonen in de huidige woning en het verhuizen naar een andere woning. 1.2.12 Algemeen gebruikelijk Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die normaal in de winkel te koop is, ook door mensen zonder beperkingen wordt gekocht en gebruikt, die niet veel duurder is dan voorzieningen met vergelijkbare functies. Het verstrekken van dergelijke voorzieningen op grond van de Wmo is niet redelijk en strookt niet met de doelstelling van de wet. Er is sprake van algemeen gebruikelijk als de voorziening: 1.

niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; 2. daadwerkelijk beschikbaar is; 3. een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de client tot zelfredzaamheid of participatie in staat is. 4. deze financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.4 Hiervoor wordt aangesloten op de draagkracht-criteria van de bijzondere bijstand.5

4 ECLI:NL:CRVB:2019:3535. 5 ECLI:NL:RBDHA:2021:2084.

6

1.2.13 Letselschade en regresrecht Het is belangrijk om in een gesprek met de aanvrager door te vragen wat de oorzaak is van de beperking in de zelfredzaamheid. Wanneer de oorzaak ligt in een ongeval waarvoor een derde aansprakelijk is (te stellen), dan is een privaatrechtelijke letselschadevergoeding mogelijk een oplossing. Als de aanvrager de kosten voor de maatschappelijke ondersteuning kan verwerken in het letselschadebedrag, dan bestaan er geen beperkingen meer die door de gemeente gecompenseerd moeten worden. Uitgangspunt is dat de procedure van de letselschadeclaim wordt afgewacht, als dat verantwoord is. Als het niet verantwoord is om de procedure af te wachten, kan tijdelijk een Wmo indicatie worden afgegeven. Het is dan belangrijk om een vinger-aan-de-pols te houden en periodiek na te gaan of de schadeverzekeraar inmiddels al iets heeft geregeld. Dat wordt in de gaten gehouden door periodieke herbeoordelingen en een korte indicatietermijn. 1.2.14 Financiële reden alléén geen reden voor Wmo-verstrekking Het niet kunnen betalen van een voorziening is nooit de hoofdreden van een Wmo-verstrekking. De Wmo is immers geen armoederegeling. Draagkracht in inkomen en vermogen is slechts één aspect van het totaal van omstandigheden en mogelijkheden van de hulpvrager. Als iemand in een concrete situatie een algemeen gebruikelijk middel niet kan betalen, is er meer aan de hand.

Bijvoorbeeld dat iemand leeft onder de beslagvrije voet of maakt (nog) geen gebruik van alle inkomensondersteunende regelingen waar hij recht op heeft. We helpen iemand niet verder door het gevraagde middel dan tóch maar via de Wmo te verstrekken. Integendeel, we houden de lastige situatie dan juist in stand. Dat is onwenselijk. Je kunt burgers in dit soort gevallen wel alternatieven bieden. Denk aan doorverwijzen naar de Helpdesk Geldzaken, de hypotheek- en leenmogelijkheden van de Gemeentelijke Kredietbank (GKB), de mogelijkheid voor professionals in het sociaal domein om aanvragen in te dienen bij bijv. Sociale Fondsen Den Haag (SFDH), of de mogelijkheid voor de hulpvrager zelf om bijzondere bijstand en armoederegelingen aan te vragen bij de dienst SZW etc. Het is klantgericht om hulpvragers hierop te wijzen en na enkele weken nog eens contact op te nemen om na te vragen of de hulpvrager via de geschetste route inderdaad verder is geholpen, of dat hij daar nog ondersteuning bij nodig heeft. Als de hulpvrager niet zelf of met zijn eigen netwerk niet in staat is geweest om verder te komen, kan de casemanager de hulpvrager hierin bijstaan.

1.2.15 Wel zelfredzaam, dan geen Wmo-opvang Het college hoeft geen opvang te bieden als iemand geen problemen heeft bij het zich handhaven in de samenleving en met een uitkering in staat moet worden geacht te kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan.6 Het college hoeft ook geen opvang te bieden als iemand niet over woonruimte beschikt doordat hij ondoordacht en niet goed voorbereid naar Nederland kwam. De enkele omstandigheid dat geen woonruimte is gevonden, maakt niet dat het college gehouden is opvang te verstrekken.7 1.2.16 Woonvraag alléén valt niet onder reikwijdte Wmo Wmo is geen oplossing voor schaarste op woningmarkt De Wmo is niet bedoeld om een oplossing te bieden voor schaarste op de woningmarkt. Ook garandeert artikel 8 EVRM geen recht op woonruimte. De maatschappelijke opvang beschikt ook maar over een beperkt aantal plaatsen. Het verstrekken van opvang aan zelfredzame mensen zou betekenen dat andere personen, die niet in staat zijn zichzelf te handhaven in de samenleving, geen gebruik kunnen maken van deze opvang. Er moet een belangenafweging worden gemaakt.

6 ECLI:NL:CRVB:2019:3446. 7 ECLI:NL:RBMNE:2019:5881.

7

Wmo-ondersteuning bij méér dan woonvraag alléén Voor een Wmo-indicatie is bepalend dat er sprake is van een combinatie van: 1. woonvraag in de vorm van dakloosheid; 2. een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen in de zin van de Wmo; 3. geen eigen kracht omdat betrokkene niet zelfredzaam is. Hierbij wordt zowel gekeken naar de samenleving waaruit iemand eventueel is vertrokken, als naar de samenleving waarin hij zich wil vestigen; en 4. geen mogelijkheden (meer) om te verblijven binnen het sociaal netwerk.

1.3 Belangenafweging (en dus géén automatisme!) De Wmo-leidraad is een genormeerd afwegingskader om medewerkers in de uitvoering (zoals Wmo-casemanagers, zorgregelaars en bezwaarmedewerkers) te ondersteunen in hun professionele afwegingen.8 In aanvulling op de bestaande regels (zoals verordening, regeling, handboek MWA, werkinstructies, procesbeschrijvingen en inkoopvoorwaarden) benoemt het de “norm.” Dat is de te volgen richting in een “normale” situatie. Er kunnen altijd uitzonderingen zijn. Beargumenteerd afwijken kan wanneer vanwege bijzondere omstandigheden sprake is van gevolgen die onevenredig zijn in relatie tot het te dienen beleidsdoel. Dit document is niet volledig. Het beschrijft ruim 75 onderwerpen, maar uiteraard is deze lijst nietlimitatief. Het is onmogelijk iedere situatie van tevoren uit te denken en daar een standpunt over in te nemen. Maar wat doe je dan als je een hulpvraag moet beoordelen, en je daarvan niks kunt terugvinden in de gemeentelijke regels, werkinstructies en procesbeschrijvingen? Ook zonder een uitgeschreven beleidsregel is besluitvorming gewoon mogelijk, mits extra acht wordt geslagen op de noodzaak tot individualisering van het onderzoek en onderbouwing van het besluit. Handvatten in Wmo De Wmo is een heel gestructureerde wet die een strak kader schetst.

Gemeenten moeten uitgebreid onderzoek verrichten en een zorgvuldige belangenafweging is altijd noodzakelijk. Als waarborg voor een zorgvuldig onderzoek bepaalt de wet welke onderwerpen in ieder geval in het onderzoek moeten worden meegenomen. Door dit expliciet in de wet op te nemen, worden aan de gemeente handvatten geboden om een zorgvuldige beoordeling en afweging tot stand te brengen.9 Zorgvuldig onderzoek Een zorgvuldig onderzoek is van belang omdat de Wmo niet voorziet in een catalogus van welomschreven voorzieningen waarop aanspraak kan worden gemaakt. Daarmee heeft het college een grote beoordelings­ ruimte en een grote verantwoordelijkheid gekregen voor het vaststellen van de ondersteuning die aan iemand zal worden verstrekt. Het onderzoek moet binnen zes weken worden afgerond. Tijdens het onderzoek moet uiterst zorgvuldig de problematiek en de behoeften en wensen van de aanvrager in kaart worden gebracht. Ook moet worden gekeken wat de aanvrager op eigen kracht of met hulp van personen uit zijn sociale netwerk kan doen om de problematiek te verkleinen of op te lossen en wat het gebruikmaken van algemene voorzieningen daaraan kan bijdragen. Daarmee ontstaat voor betrokkene en het college ook zicht op de aard en omvang van de behoefte aan ondersteuning door middel van een maatwerkvoorziening.

Als dit allemaal zorgvuldig is gebeurd, zal het college tot zijn beslissing kunnen komen. De door het college genomen beslissing moet rusten op een zorgvuldige motivering die inzicht biedt in de door het college gemaakte keuzen en die deze

8 Programmabegroting 2020-2023 (RIS304372), pag. 83. 9 MvT Wmo 2015, pag. 10 en 144.

8

keuzen kan dragen.10 Een zorgvuldig onderzoek is dus het uitgangspunt. Het zal met het oog daarop niet per definitie in het nadeel van de cliënt zijn als hij instemt met een langere duur van het onderzoek. Vereenvoudigd onderzoek Niet in alle gevallen hoeft steeds een onderzoek te worden uitgevoerd zoals hiervoor is aangegeven. Als de cliënt tijdens het onderzoek te kennen geeft dat hij met de aangereikte mogelijkheden uit de voeten kan of geen aanvraag voor een maatwerkvoorziening zal doen, kan het onderzoek als afgerond worden beschouwd.11 De stappen van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) De CRvB heeft in een aantal uitspraken uiteengezet welke stappen het college moet zetten in een Wmo-onderzoek, voordat zij een besluit nemen.12 Die stappen zijn: 1. Vaststellen van de precieze hulpvraag; 2. Vaststellen van de problemen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie (= objectiveren). Hoe verhouden de ondervonden beperkingen en klachten zich tot de hulpvraag? 3. Bepalen welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren (= afwegen).

Waaruit bestaat de gevraagde ondersteuning precies? Wat is noodzakelijk (frequentie) en hoe lang (duur), welk resultaat wordt beoogd? Bij een tijdelijk probleem, bijvoorbeeld na een operatie: welke taken kunnen worden uitgesteld, is het een stationaire toestand of is er sprake van een stijgende lijn (revalidatietraject)? Wat is een passende bijdrage, in welke intensiteit is ondersteuning noodzakelijk? Dit vraagt dus een expliciete afweging van, en stellingname door, de Wmo-casemanager, specialist of bezwaarmedewerker. 4. Onderzoeken in hoeverre eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp vanuit sociaal netwerk, algemene voorzieningen, andere wettelijke voorzieningen hulp en ondersteuning kunnen bieden (= afwegen). Wat is de gezinssituatie en welke contacten heeft aanvrager met familie, vrienden, buren, verenigingen, moskee en kerk etc. Kijk ook naar andere regelingen zoals Wlz en Zvw voor thuishulp of wijkverpleging. Slechts voor zover deze mogelijkheden ontoereikend zijn, kan een maatwerkvoorziening worden verleend.13 Ook dit vraagt een expliciete afweging, en stellingname, van de Wmo-casemanager, specialist of bezwaarmedewerker. 5. Betrekken van (medische) deskundigheid wanneer dat noodzakelijk is (= objectiveren).

Wanneer deze stappen worden gevolgd, en de Wmo-casemanager of bezwaarmedewerker een expliciete afweging heeft gemaakt en dit goed heeft gemotiveerd in het besluit, dan kan de besluitvorming de rechterlijke toets doorstaan. Juist óók wanneer er sprake is van een situatie die niet wordt beschreven in deze leidraad.

10

MvT Wmo 2015, pag. 149.

11

MvT Wmo 2015, pag. 143.

12

ECLI:NL:CRVB:2018:1113 en ECLI:NL:CRVB:2018:2182.

13

ECLI:NL:CRVB:2018:819

9

2. Toegang 2.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt de route beschreven die een Hagenaar doorloopt om tot een oplossing van zijn ondersteuningsvraag te komen. Door deze route te beschrijven wordt een uniforme werkwijze vastgelegd en weet iedere Hagenaar wat hij kan verwachten van de gemeente.

2.2 Melding De Hagenaar kan zich voor zijn ondersteuningsvragen op de volgende plaatsen melden. • Voor hulp bij het huishouden, ambulante ondersteuning, dagbesteding, logeren, woon-voorzieningen, vervoersvoorzieningen, rolstoelvoorzieningen en sporthulpmiddelen kan de Hagenaar zich melden bij het Wmo-wijkteam. • De ingezetene van Nederland, die in Den Haag ondersteuning zoekt voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang, kan zich melden bij het team wonen en/of het daklozenloket. Als er twijfels zijn over de meldplaats, kan de Hagenaar ook binnenlopen bij een Servicepunt XL. Zij gaan in gesprek met de hulpvrager en kunnen adviseren over de juiste route. De Hagenaar kan zijn ondersteuningsvraag op verschillende manieren bij de gemeente melden. Dit kan via het digitale aanvraagformulier op de website14, maar ook persoonlijk, telefonisch, schriftelijk of per mail. De Hagenaar kan hierbij een persoonlijk plan aanleveren, waarin hij aangeeft wat hij denkt nodig te hebben om maatschappelijk te kunnen meedoen en zelfredzaam te zijn. De melding wordt geregistreerd en de medewerker die de melding aanneemt zal in eerste instantie informatie en advies geven. Als er daarna nog een vraag voor ondersteuning is, wordt een onderzoek gestart.

2.3 Onderzoek Vormen van onderzoek Goed onderzoek is de basis voor het vaststellen van de ondersteuningsvraag. Hierbij is maatwerk het uitgangspunt. Wanneer een hulpvrager zich voor het eerst met een vraag bij de gemeente meldt of bij complexere ondersteuningsvragen, ligt het voor de hand dat er één of meerdere gesprekken worden gevoerd en kan een huisbezoek de aangewezen vorm zijn. Simpele aanvragen kunnen ook telefonisch worden afgedaan. Als er een persoonlijk plan is aangeleverd door de hulpvrager, zal dit worden betrokken bij het onderzoek. Het onderzoek wordt in beginsel binnen zes weken uitgevoerd. Vraagverheldering Allereerst richt het onderzoek zich op het verduidelijken van wat de hulpvrager graag wil en waarom, wat goed gaat en wat niet meer lukt. Door middel van vraagverheldering moet duidelijk worden wat de onderliggende reden is dat de hulpvrager of zijn mantelzorger de vraag stelt. De vraagverheldering bestaat uit één of meerdere gesprekken. Het is hierbij zaak om goed te luisteren, te observeren en door te vragen. Inroepen (medische) deskundigheid Soms is het nodig om advies in te winnen van een (medische) deskundige die vertrouwd is met de geschetste problematiek. Als dat aan de orde is, zal de gemeente een dergelijk advies moeten opvragen en afwachten.

Van de cliënt wordt vanzelfsprekend verwacht dat hij meewerkt aan de uitvoering van het noodzakelijke onderzoek en daarvoor ook de noodzakelijke informatie verstrekt.15

14

https://www.denhaag.nl/nl/zorg-en-ondersteuning/wmo-melding-doen.htm

15 Zie ECLI:NL:CRVB:2018:2619 en Werkinstructie “Medisch advies opvragen” op het intranet.

10

Reikwijdte Wmo In het onderzoek wordt vervolgens vastgesteld of de vraag onder de reikwijdte van de Wmo valt: • Is er behoefte aan ondersteuning ten behoeve van de zelfredzaamheid; • Is er behoefte aan ondersteuning ten behoeve van participatie; • Is er behoefte aan beschermd wonen of opvang; • Is er behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger. Resultaat ondersteuning vaststellen Als duidelijk is wat de hulpvraag is en dat deze onder de reikwijdte van de Wmo valt, is het van belang om samen met de hulpvrager of zijn mantelzorger vast te stellen wat het te behalen resultaat is. Oplossingsmogelijkheden Daarna wordt gekeken met welke inzet het resultaat bereikt kan worden. Daarbij wordt eerst gekeken wat iemand zelf kan oplossen: een maatwerkvoorziening wordt alleen ingezet als daar een noodzaak voor is. 1. Eigen kracht De Wmo is bedoeld om de eigen kracht te versterken en alle hulpvragers, met of zonder beperking, te stimuleren om hun talenten en mogelijkheden te zien en in te zetten om ondersteuningsvragen op te lossen. Door hier in het vraagverhelderingsgesprek ruimte en aandacht aan te geven, door bijvoorbeeld oplossingsmogelijkheden aan te reiken of samen te zoeken naar een geschikte oplossing, kunnen mensen hun eigen kracht benutten en vergroten. Probeer dus de cliënt zelf ook in beweging te krijgen. Eigen kracht kan ook betekenen zelf betalen.

Soms kan een ondersteuningsvraag worden opgelost met het aanschaffen van een “algemeen gebruikelijke voorziening” 2. Sociaal netwerk Met het sociale netwerk wordt bedoeld het gezin, familie, vrienden, de buurt waarin iemand woont, zijn werkomgeving en de sociale groepen waartoe hij behoort. Het netwerk is vaak bereid om (een deel van) de ondersteuning te bieden of voor de hulpvrager te organiseren. Deze ondersteuning, geboden vanuit het sociale netwerk, wordt in sommige gevallen ‘mantelzorg’ genoemd. Binnen het sociaal netwerk kan ook gebruikelijke hulp aan de orde zijn. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Er zijn uitzonderingen mogelijk op het uitgangspunt van gebruikelijke hulp, al dan niet tijdelijk. 3. Andere wetgeving Wetten als de Wlz, de Zvw en de Jeugdwet kunnen voorliggend zijn op ondersteuning vanuit de Wmo. Voor ondersteuningsvragen van hulpvragers jonger dan 16 jaar op het gebied van zelfredzaamheid en participatie is de Jeugdwet voorliggend, met uitzondering van woonvoorzieningen, vervoers-voorzieningen en rolstoelvoorzieningen.16 Bij jongeren van 16 tot 23 jaar wordt op basis van het afwegingskader 16-23 gekeken wat het meest passend is voor de jongere: inzet van jeugdhulp of van de Wmo.

Jongeren die vooral nog behoefte hebben aan gezinsgerichte hulp of verblijf in een pedagogische setting worden toegeleid naar jeugdhulp en jongeren die al meer behoefte hebben aan ondersteuning naar zelfstandigheid worden toegeleid naar de Wmo. 4. Voorzieningen sociale basis De sociale basis is het aanbod van activiteiten en voorzieningen in de wijken om de dragende samenleving zo goed mogelijk te laten functioneren ter versterking van de eigen kracht en het netwerk van hulpvragers.

16

Zie afwegingskader “Toegang Wonen.”

11

5. Algemene voorziening Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten, toegankelijk zonder indicatie, gericht op maatschappelijke ondersteuning. De meeste algemene voorzieningen zijn voor de hulpvrager die er gebruik van maakt gratis. Als een hulpvrager met een algemene voorziening kan worden geholpen, komt hij niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor die ondersteuning. 6. Maatwerkvoorziening Een hulpvrager kan voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komen als andere oplossingen niet of niet voldoende tot een oplossing leiden. In hoofdstuk 4 zijn de maatwerkvoorzieningen opgenomen die door de gemeente worden ingezet. 7. Financiële tegemoetkoming meerkosten Een hulpvrager met een chronische ziekte of beperking en met een laag inkomen kan in aanmerking komen voor een vergoeding van meerkosten als gevolg van de beperking.

2.4 Spoedvoorziening In spoedeisende gevallen kan het college tijdens het onderzoek een passende tijdelijke maatregel nemen. Dat is dus in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van betrokkene. De noodzaak om een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken, zal slechts in bijzondere gevallen aanwezig zijn.

2.5 Wijze van indiceren Indiceren kan zowel door het afleggen van een huisbezoek, dan wel telefonisch. Dit hangt van af van het type van de aanvraag en of de cliënt al bekend is bij de gemeente.

2.6 Eigen bijdrage In 2019 werd een maximumtarief ingevoerd van € 17,50 per vier weken voor huishoudens die gebruikmaakten van maatwerkvoorzieningen. Dit bedrag was even hoog als de minimale eigen bijdrage in 2018. Sinds 1 januari 2020 is het abonnementstarief in de Wmo definitief van kracht. Het abonnementstarief in de Wmo stelt een vaste maximale bijdrage van €19,- per maand voor maatwerkvoorzieningen, persoonsgebonden budgetten en de algemene voorzieningen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan. Wel eigen bijdrage

Geen eigen bijdrage

MWA huishoudelijke hulp

MWA begeleiding

Hulpmiddelen

MWA dagbesteding

Woonvoorzieningen

Actieve rolstoelen

Woningaanpassingen

Transportrolstoelen

Sporthulpmiddelen

Kantelrolstoelen

Maatschappelijke opvang

Elektrische rolstoelen

Collectief aanvullend vervoer/AV 070 (€28,- per jaar)

Logeervoorziening

Beschermd Wonen. Deze eigen bijdrage is gebaseerd op de Wlz en is wél inkomensafhankelijk Sommige algemene voorzieningen. De instelling bepaalt en int de eigen bijdrage

Er geldt geen eigen bijdrage: • als al een eigen bijdrage wordt betaald voor opvang, beschermd wonen of zorg vanuit de Wlz; • bij een aanvraag voor een rolstoel; • voor cliënten die jonger zijn dan 18 jaar • voor cliënten die een partner hebben en één van beide partners de pensioengerechtigde (AOW) leeftijd heeft bereikt.

12

In het coalitieakkoord “Samen voor de stad”(RIS304121) is afgesproken dat Haagse minima tot 130% van de bijstandsnorm vrijgesteld blijven van het betalen van een eigen bijdrage. Ook is ervoor gekozen om cliënten vrij te stellen van de eigen bijdrage bij een woningaanpassing in de algemene ruimte van een wooncomplex die gemeld is bij de gemeente. De eigen bijdrage voor dagbesteding en begeleiding is afgeschaft als gevolg van de aangenomen motie “Niet vragûh om een eigen bijdrage” (RIS296671).

2.7 Schriftelijke verslag (= advies) Ter afsluiting van het onderzoek verstrekt het college de betrokkene of zijn vertegenwoordiger een weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Zo zijn voor beide partijen de gemaakte afspraken aantoonbaar.

2.8 Aanvraag Op de aanvraag zal in beginsel binnen twee weken een besluit (beschikking) genomen moeten worden. Deze termijn is relatief kort omdat het voorwerk al is gebeurd in het onderzoek als hierboven beschreven. Als het in een incidenteel geval toch onmogelijk is om tijdig een beslissing te nemen, dan wordt betrokkene daarover gemotiveerd geïnformeerd.

2.9 Beschikking In de beschikking wordt het recht van de cliënt vastgelegd, evenals daarbij horende voorwaarden en verplichtingen. Als een voorziening voor een bepaalde tijd wordt toegekend wordt dat ook vermeld. In sommige gevallen wordt de verstrekkingsvorm en de omvang van het recht ook vermeld, bijvoorbeeld de hoogte van het toegekende pgb-bedrag. Tegen de beschikking van de gemeente is, als de aanvrager het er niet mee eens is, bezwaar bij de gemeente en beroep bij de rechtbank mogelijk.

13

3. Algemene voorzieningen 3.1 Algemeen Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek of met een beperkte beoordeling, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Kenmerkend hiervoor is dat het gaat om in beginsel vrij toegankelijke diensten, activiteiten of zaken, gericht op zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. Vrij toegankelijk wil zeggen: zonder dat eerst diepgaand onderzoek naar behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers plaatsvindt.

3.2 Kleine woonvoorzieningen Kleine woonvoorzieningen betreffen bijvoorbeeld douchezitjes, wandbeugels, opklapbare beugels, hendel mengkranen, of drempelhulpen. Als de ondersteuningsvraag met een algemeen gebruikelijke voorziening, zoals een losse douchestoel, is op te lossen, is een woningaanpassing niet aan de orde.

14

4. Maatwerkvoorzieningen 4.1 Algemeen Een maatwerkvoorziening is een op behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van zorg en diensten, hulpmiddelen, woningaanpassing en andere maatregelen ten behoeve van onder andere de zelfredzaamheid en participatie. Een cliënt komt hiervoor in aanmerking, voor zover hij deze beperkingen naar het oordeel van het college niet met gebruikelijke ondersteuning kan verminderen of wegnemen. Een maatwerkvoorziening kan zowel in de vorm van ondersteuning in natura (zin), als in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) pgb worden toegekend. Zorg in natura Bij zorg in natura heeft de gemeente afspraken gemaakt met verschillende zorgorganisaties over de ondersteuning. Een inwoner kiest een van de gecontracteerde partijen en maakt afspraken over de manier waarop hij ondersteuning krijgt, zoals bijvoorbeeld op welke dagen de huishoudelijke ondersteuning wordt geleverd. De gemeente regelt de administratie.

4.2 Indicatieduur (artikel 3.3 lid 2, onder c, van de Verordening en artikel 3.1.5 lid 1 van de Regeling) Juridisch kader De Wmo schrijft niet voor dat een indicatie voor een bepaalde tijd moet worden afgegeven. Evenmin wat de duur moet zijn van een te verstrekken voorziening. De wet geeft niet een termijn waarna een herindicatie moet plaatsvinden, maar bepaalt wel dat gemeenten periodiek moeten nagaan of er aanleiding is de gegeven beslissing te heroverwegen (art. 2.3.9 Wmo). Dat betekent dat periodiek beoordeeld moet worden of de voorziening(en) nog altijd “op maat” is (zijn). Hoe vaak dat noodzakelijk zal zijn, bepaalt de gemeente zelf. Dit hangt o.a. af van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en wat ten tijde van het onderzoek is vastgesteld. Gemeentelijk kader Artikel 3.3 lid 2, onder c, Verordening bepaalt dat het (toekennings)besluit de ingangsdatum en duur van de voorziening vermeldt. Dat is een dwingend voorschrift. Artikel 3.1.5 lid 1, Regeling gaat over de geldigheidsduur van de indicatie en bepaalt dat een indicatie wordt afgegeven voor een periode van minimaal 4 weken tot maximaal 5 jaar. Een uitvoerbare praktijk Het is wenselijk om vooral beschikkingen voor huishoudelijke hulp en sommige beschikkingen voor (individuele) begeleiding niet standaard voor korte duur (bijvoorbeeld een jaar) af te geven aan mensen met een niet-tijdelijke, levenslange beperking.

Immers, de aard van de beperking en de verwachte ontwikkeling daarvan leidt tot langdurig noodzakelijk gebruik van die voorzieningen. De vanzelfsprekendheid van de korte duur van de indicatie ontbreekt dan. Cliënten ervaren als gevolg van korte indicaties onnodige onzekerheid en extra administratieve lasten. En het verzwaart ook de last van de uitvoeringsorganisatie zelf, die steeds tijdig moet herindiceren. Dit kan voorkomen worden. Vanuit de wet en gemeentelijke regels bestaat namelijk geen (juridische) belemmering om langlopende beschikkingen af te geven. • Voorkeur. Beschikkingen voor mensen met een niet-tijdelijke, levenslange beperking (met onveranderlijke mogelijkheden) worden bij voorkeur meerjarig afgegeven voor max. 5 jaar. • Uitzondering. Tenzij er vanuit het perspectief van de cliënt, de aard van de beperking en het gehouden onderzoek argumenten zijn die tot een andere afweging leiden. Denk aan een situatie waarin nog onduidelijkheid bestaat over de ontwikkeling van een beperking in relatie tot de vraag welke zorg en ondersteuning als passend kan worden aangemerkt. Of denk aan het starten van een indicatieprocedure

15

bij het CIZ met het oog op zorgbehoefte uit de Wlz. Of denk aan het monitoren van het daadwerkelijk behalen van de afgesproken resultaten wanneer een voor de cliënt nieuwe vorm van ondersteuning wordt ingezet. Een kortdurende indicatie kan dus, mits onderbouwd. • Verbetering en vooruitgang. De voorkeur voor langdurige indicatie geldt uiteraard niet voor situaties waarin nog verbetering mogelijk is, of waarin de zelfredzaamheid of participatie nog kan worden vergroot. Dit zal doorgaans gelden voor vormen van individuele begeleiding die gericht zijn op het aanleren en vergroten van vaardigheden. Je kunt dan immers niet spreken van onveranderlijke mogelijkheden. • Heronderzoek bij langdurige indicaties. De Wmo biedt gemeenten de mogelijkheid om, als alternatief voor een kortdurende beschikking, in te zetten op een periodiek onderzoek bij de cliënt om te bezien of zijn ondersteuningsbehoefte nog hetzelfde is als ten tijde van het onderzoek. Dat kan aanleiding zijn de beschikking te herzien. In het toekenningsbesluit kan de (minimale) frequentie van het contact opgenomen worden. Bijvoorbeeld elke twee jaar. Het is belangrijk dat dan ook echt te doen.

De persoonlijke situatie en huishoudsituatie kan veranderen, er kunnen (vroeg)tijdig nieuwe hulpvragen worden gesignaleerd, en de cliënt kan bevraagd worden over zijn ervaringen met de dienstverlening met gecontracteerde of pgb-aanbieder. Zo zorgen we ervoor dat niemand uit beeld raakt.

4.3 Persoonsgebonden budget (pgb) Een geïndiceerde maatwerkvoorziening kan, op verzoek van de aanvrager, worden toegekend in de vorm van een pgb. Het college toetst de aanvrager op doelmatigheid, bekwaamheid en motivatie.17 Als een cliënt meerdere maatwerkvoorzieningen nodig heeft, is het mogelijk dat hij de ene voorziening in natura ontvangt en de andere voorziening met een pgb zelf regelt. Voorwaarden pgb De budgethouder komt in aanmerking voor een pgb als kan worden voldaan aan de voorwaarden voor het beheren van een pgb. Heeft de budgethouder niet de competenties, dan kan een vertegenwoordiger ingezet worden. Deze vertegenwoordiger dient aan dezelfde voorwaarden te voldoen. De budgethouder blijft verantwoordelijk voor een juiste besteding van het pgb. Als de budgethouder of vertegenwoordiger niet aan de voorwaarden kan voldoen, wordt het pgb geweigerd. Het advies is de zorg te leveren in natura. De budgethouder en eventuele vertegenwoordiger dient te voldoen aan de volgende tien voorwaarden:18 1. Een goed overzicht van de eigen situatie houden. 2. Weten welke regels er horen bij een pgb. 3. Een overzichtelijke pgb-administratie bijhouden. 4. De budgethouder moet kunnen communiceren met de gemeente. 5. Zelfstandig handelen en zelf voor zorgverleners kiezen. 6. Zelf afspraken maken en deze afspraken bijhouden. En zich hier aan houden. 7.

Beoordelen of de zorg uit het pgb bij de budgethouder past. 8. Zelf de zorg regelen met 1 of meer zorgverleners. 9. Zorgen dat de zorgverleners die voor de budgethouder werken weten wat ze moeten doen. 10. De budgethouder weet wat te doen als werkgever of opdrachtgever van een zorgverlener

4.4 Dagbesteding Dagbesteding is een Wmo-voorziening die geboden wordt aan cliënten die als gevolg van een beperking of specifieke omstandigheid onvoldoende zelfredzaam zijn op het gebied van een zinvolle invulling van de dag, het hebben van sociale contacten en maatschappelijke deelname. Dagbesteding biedt begeleiding

17

Zie beleidsmededeling “Pgb-vaardigheid” op het intranet.

18

Zie infographic-met-toelichting—-toetsing-10-punten-pgb-vaardigheid.

16

in een groep bij het bevorderen en behouden van zelfredzaamheid en biedt begeleiding bij achteruitgang van zelfredzaamheid. Gezien het karakter van dit resultaat is verstrekking als informeel pgb niet mogelijk. Een cliënt kan ook in aanmerking komen voor dagbesteding als overbelasting van mantelzorgers daarmee wordt voorkomen. In bepaalde gevallen is een financiële tegemoetkoming voor vervoer van en naar dagbesteding mogelijk. Bij dagbesteding wordt eerst gekeken naar wat de cliënt zelf kan en welke ondersteuning zijn sociale netwerk kan bieden. De mate van zelfredzaamheid van de cliënt wordt onderzocht en gestimuleerd. Op basis daarvan wordt vastgesteld welke ondersteuning vanuit de gemeente aanvullend noodzakelijk is. Haags ontmoeten als voorliggende voorziening Haags ontmoeten combineert welzijn en zorg en is daarmee een voorziening, die tussen het reguliere welzijnswerk en buurtinitiatieven aan de ene kant, en de geïndiceerde dagbesteding aan de andere kant, in staat. Haags ontmoeten locaties zijn gericht op ouderen die kwetsbaar zijn door regieverlies. Haags ontmoeten is voorliggend op een MWA Dagbesteding voor ouderen. Het is bedoeld voor cliënten met een lichte ondersteuningsbehoefte bij de activiteiten en zij kunnen hier één of meerdere dagen per week gebruik van maken. Afbakening dagbesteding met ambulante ondersteuning 1.

Ambulante ondersteuning en dagbesteding onderscheiden zich in de te behalen resultaten en de aard van de begeleiding. Daar waar ambulante ondersteuning zich richt op de beperkingen bij het zelfstandig functioneren van de cliënt die zonder ondersteuning risico loopt om de zelfredzaamheid te verliezen, richt dagbesteding zich op het hebben van sociale contacten en zinvolle activiteiten. Daarbij vindt de begeleiding bij ambulante ondersteuning individueel plaats en bij dagbesteding in groepsverband of in ieder geval in contact met anderen. Afbakening dagbesteding Wmo en dagbesteding Wlz en Zvw Als de cliënt een Wlz-indicatie heeft, dan is de daaruit gefinancierde dagbesteding voorliggend op dagbesteding uit de Wmo. Na of tijdens Zvw-behandeling kan de Hagenaar behoefte hebben aan dagbesteding. Als de zelfredzaamheid van de cliënt naar verwachting onvoldoende blijft, dan is ondersteuning vanuit de Wmo een mogelijkheid. Het betreft dan ondersteuning bij sociale en maatschappelijke participatie van de cliënt, als het gaat om toepassen, ondersteunen bij inslijten of behouden van vaardigheden/handelingen.

4.5 Begeleiding Afbakening begeleiding en maatschappelijke dienstverlening Maatschappelijke dienstverlening is een voorliggende voorziening op ambulante ondersteuning (= begeleiding). Bij de maatschappelijke dienstverlening in de wijken kunnen cliënten met kortdurende problemen op een laagdrempelige manier terecht, bijvoorbeeld bij problemen met het omgaan met geld of omgaan met conflictsituaties. Cliënten worden geholpen deze te ordenen en op te lossen zodat ze het voortaan zelf weer kunnen. Als taken overgenomen moeten worden, onder begeleiding uitgevoerd of thuis getraind moeten worden, dan is begeleiding passender. Afbakening begeleiding en hulp bij het huishouden Hulp bij het huishouden betreft het overnemen van huishoudelijke activiteiten die de cliënt niet meer zelf kan uitvoeren, al dan niet in combinatie met de regievoering over deze activiteiten. Regievoering over het huishouden kan inhouden dat de huishoudelijke hulp de cliënt actief stimuleert huishoudelijke activiteiten uit te voeren waarbij toezicht nodig is. Bij de cliënt die uitsluitend beperkingen ervaart ten aanzien van het doen van het huishouden wordt de voorziening hulp bij het huishouden ingezet. Als de cliënt alleen regie over huishoudelijke taken nodig heeft, wordt ambulante ondersteuning ingezet.

Hierbij valt te denken aan het plannen en voorbespreken van huishoudelijke activiteiten waarna de cliënt deze zelfstandig kan uitvoeren.

17

Afbakening persoonlijke verzorging Wmo en persoonlijke verzorging Zvw Persoonlijke verzorging betreft meestal het overnemen van zelfzorg die de Hagenaar niet meer zelf kan doen, al dan niet in combinatie met de regievoering over deze activiteiten. Het gaat bijvoorbeeld om in- en uit bed gaan, wassen, lichamelijke verzorging, bewegen, toiletgang, eten/drinken, aan- en uitkleden. Als er sprake is van het structureren, organiseren of aansporen van persoonlijke verzorging door een regieprobleem kan dit onderdeel uitmaken van de begeleiding binnen de Wmo. In dit geval heeft de cliënt naar verwachting ook beperkingen bij de uitvoering en regievoering van andere dagelijkse activiteiten waarvoor ambulante ondersteuning nodig is. In alle andere situaties valt persoonlijke verzorging onder de Zvw. Inname, attenderen op, aanreiken en toedienen van medicatie zijn altijd handelingen binnen de persoonlijke verzorging onder de Zvw. Het toekennen van alléén persoonlijke verzorging is vanuit de Wmo niet mogelijk. Afbakening ambulante ondersteuning Wmo en behandeling Zvw Behandeling binnen de Zvw betreft werken aan geformuleerde verbeterdoelen op een gestructureerde en methodische manier. Hiervoor is specifieke (para)medische deskundigheid vereist van bijvoorbeeld een fysio- of ergotherapeut, psycholoog of psychiater.

Behandeling kan gericht zijn op herstel van ziekte, aandoening of beperking, maar ook op het voorkomen van verergering. Onder behandeling valt ook het leren omgaan met (de gevolgen van) een ziekte, aandoening of beperking en het aanleren van nieuw gedrag. Als het gaat om oefenen, ondersteuning bij inslijten van vaardigheden, handelingen, gedrag en ondersteuning bij het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, kan dit ook onder ambulante ondersteuning vallen. De vaardigheden, handelingen en gedrag kunnen in een (para)medisch voortraject als onderdeel van behandeling al aangeleerd zijn. Behandeling en ambulante ondersteuning kunnen naast elkaar bestaan en elkaar versterken. Behandeling kan invloed hebben op de intensiteit en duur van de ambulante ondersteuning. Van de cliënt wordt verwacht dat hij zo optimaal mogelijk gebruik maakt van bestaande behandelmogelijkheden. Bij twijfel of er nog behandeling mogelijk is, kan een medisch advies worden opgevraagd.

4.6 Seksuele ondersteuning Soms kan iemand als gevolg van lichamelijke beperkingen niet in staat zijn zichzelf seksueel te bevredigen. De wettekst en de wetsgeschiedenis bevatten geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de wetgever het vervullen van seksuele behoeften beschouwt als noodzakelijke algemeen dagelijkse levensverrichtingen waarvoor het college maatschappelijke ondersteuning moet verstrekken. Ook uit rechtspraak volgt dat seksuele ondersteuning niet kan worden aangemerkt als maatschappelijke ondersteuning van de zelfredzaamheid als bedoeld in de Wmo.19

4.7 Opvang en Begeleid en Beschermd Wonen Begeleid en beschermd wonen wordt in Den Haag vormgegeven vanuit het resultaatgebied Wonen met bijbehorende ondersteuning vanuit andere resultaatgebieden, zoals Bereik- & beschikbaarheid. Het resultaatgebied Wonen draagt eraan bij dat cliënten geclusterd in een gereguleerde en gestructureerde omgeving kunnen wonen. Dit is alleen bedoeld voor cliënten zonder woonvaardigheden en/of cliënten die in een begeleide of beschermde woonvorm bepaalde vaardigheden kunnen opbouwen die niet haalbaar zijn bij zelfstandig wonen. Dit komt voor bij cliënten met psychische, verstandelijke en/of verslavingsproblemen en bij cliënten die kwetsbaar zijn als gevolg van het opgroeien in een onveilige en instabiele thuissituatie en het doorbrengen van een jeugd in de residentiële jeugdhulp in combinatie met een gebrekkig sociaal netwerk.

19

ECLI:NL:CRVB:2019:1776.

18

Er moet sprake zijn van een cliënt: 1. die een psychiatrische aandoening heeft en/of een verstandelijke beperking; en 2. waarbij er voor hem sprake is van noodzaak tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de psychiatrische aandoening en/of de verstandelijke beperking; en 3. Die niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen op kunnen heffen. 4. Die geen 24 uurs-toezicht nodig heeft. Melding van buiten de regio De beleidsregels van de landelijk toegang beschermd wonen20 worden toegepast bij de vaststelling of iemand van buiten de regio in aanmerking komt voor beschermd wonen in de regio Den Haag. Wanneer iemand van buiten de regio zich meldt voor beschermd wonen wordt deze melder eerst gescreend op basis van de beleidsregels landelijk toegang, hierover wordt bij de melder aanvullende informatie opgevraagd. De bindingscommissie neemt vervolgens al deze meldingen met aanvullende informatie van buiten de regio in behandeling en toetst of iemand in aanmerking komt voor het doen van een aanvraag voor beschermd wonen in de regio Den Haag. Primair wordt er door de commissie vastgesteld in welke plaats de aanvrager de meeste kans heeft op een succesvol traject. Het kan hierbij gaan om: • Regiobinding; • Reeds succesvol opgestart hulpverleningstraject; • Sociaal netwerk.

Wanneer er door de bindingscommissie wordt bepaald dat de cliënt – op basis van de landelijke toegang – een terechte melding doet in de regio Den Haag, dan wordt vervolgens bepaald of de melder ook daadwerkelijk in aanmerking komt voor beschermd wonen.

4.8 Logeren Bij logeren verblijft de cliënt kortdurend bij de aanbieder zodat de mantelzorger wordt ontlast (respijtzorg). De aanbieder neemt de zorg voor de cliënt tijdelijk over van de mantelzorger. Inwoners met een beperking of handicap die thuis wonen en toezicht, permanente zorg of ongeregelde zorg nodig hebben, kunnen gebruik maken van Logeren. De gemeente doet altijd eerst onderzoek naar de eigen mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale omgeving. Logeren wordt alleen ingezet als de mantelzorger tijdelijk ontlast moet worden en de inwoner niet in zijn sociale omgeving kan logeren. Ook is de zorgverzekering voorliggend als deze logeren vergoedt. De gemeente bekostigt alleen logeren, niet de persoonlijke verzorging en verpleging die onder de zorgverzekering van de cliënt valt.

4.9 Woonvoorzieningen Woonvoorzieningen worden verstrekt om beperkingen bij het normale gebruik van de woning te compenseren. Het normale gebruik van de woonruimte omvat activiteiten die de gemiddelde bewoner in zijn woning in elk geval verricht. Denk bijvoorbeeld aan eten bereiden en consumeren, slapen, toiletgang, lichaamsreiniging, essentiële huishoudelijke werkzaamheden (bijvoorbeeld kleding wassen), aan- en uitkleden en het wassen en verschonen van een geheel van zijn verzorger(s) afhankelijk kind. Voor een kind valt spelen zonder gevaar voor de eigen gezondheid hier ook onder. Problemen die een cliënt ondervindt bij het normale gebruik van de woonruimte moeten door de verstrekking van woonvoorzieningen worden opgelost. Het streven zal in beginsel erop gericht zijn de problemen geheel weg te nemen of aanzienlijk te verminderen.

20

Landelijke toegang beschermd wonen

19

Bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar De woonruimte moet bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar zijn en mag geen aantoonbare problemen in het normale gebruik opleveren. Met bereikbaar wordt bedoeld dat de cliënt desnoods met hulp van anderen vanaf de openbare weg tot de toegangsdeur van de woonruimte kan komen. Toegankelijk betekent dat de cliënt desnoods met hulp van anderen in de woonruimte kan komen. Als de woning meerdere in- en uitgangen heeft, dan volstaat het om er één toegankelijk te maken. Met bruikbaar wordt bedoeld dat de cliënt zelfstandig alle binnen de woonruimte gebruikelijke activiteiten kan verrichten, zonder problemen te ondervinden veroorzaakt door de bouwkundige aard van de woning. Geluids- of geuroverlast, problemen met buren, onveiligheidsgevoelens en allergie als gevolge van omgevingsfactoren buiten de woning zijn in principe geen redenen voor verstrekking van een woonvoorziening. Er worden ook geen voorzieningen verstrekt met het doel overlast voor derden te beperken. De woonruimte Onder woonruimte wordt verstaan een woning, met uitzondering van kamers die zelfstandig verhuurd worden, een woonwagen, een woonschip, een verblijf van een binnenschip als verblijfplaats is gekozen in Den Haag.

Bij de woonruimte horen ook de toegang tot de woonruimte zelf, tot de tuin en tot het balkon (alleen indien echt noodzakelijk), voor zover daarbij daadwerkelijk problemen worden ondervonden op het gebied van de toegankelijkheid. Er wordt maar 1 toegang aangepast. Ook kan worden voorzien in een stalling voor een vervoersvoorziening. Reguliere parkeerplaatsen vallen niet onder het begrip ‘woning’; de toegang tot de stoep evenmin. Hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en kamerverhuur zijn uitgesloten om in aanmerking te komen voor een woonvoorziening. Er worden geen woonvoorzieningen verstrekt aan inwoners die in een Wlz-instelling verblijven. Hierop wordt een uitzondering gemaakt, namelijk het logeer- en bezoekbaar maken van een andere woonruimte dan de instelling waar de inwoner woont (zie verder onder 4.7.1). Aan bewoners van sloopwoningen en (anti)kraakpanden worden alleen eenvoudige, losse, her te gebruiken woonvoorzieningen verstrekt, aangezien het hier gaat om woningen, waarbij de verdere woonduur op losse schroeven staat.

Bij verhuizing naar een onzelfstandige woonruimte is het alleen mogelijk voor woonvoorzieningen in aanmerking te komen, als de woonruimte deel uitmaakt van een woongebouw of een woning, geheel of gedeeltelijk verhuurd ten behoeve van groepswonen door ouderen, personen met beperkingen of een daarmee vergelijkbare woonvorm. De bewoners dienen te beschikken over een individueel huurcontract of (mede)eigenaar te zijn. Voor specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen zijn voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige extra kosten kunnen worden meegenomen uitgesloten. Achterstallig onderhoud De gemeente verstrekt geen voorziening als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud, dan wel het gevolg zijn van het feit dat de woning niet voldoet aan de op dat gebied geldende wettelijke voorschriften.

20

Integrale beoordeling Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal beoordeeld of hulp bij het huishouden, begeleiding of compensatie vanuit de Wlz of Zvw kunnen voorzien in compensatie en oplossing van de ondervonden woonproblematiek. Verder wordt beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost door redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten, inclusief het treffen van redelijkerwijs te vergen oppasmaatregelen van ouders of verzorgers. Ook wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke oplossingen als een andere organisatie van taken en een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de opstelling van inrichtingselementen in de woning. Bij de indicatie voor woonruimteaanpassingen wordt beoordeeld welke aanpassingen noodzakelijk zijn om de gehele woonruimte langdurig geschikt te maken. Ook wordt beoordeeld of de aanpassingen technisch uitvoerbaar zijn. Primaat verhuizen21 Onder woonvoorzieningen vallen naast aanpassingen in de woning ook een aantal vergoedingen, waaronder een financiële tegemoetkoming bij een verhuizing. Als vast is komen te staan dat compensatie geboden moet worden, dan wel een voorziening moet worden toegekend dan biedt het college deze door de goedkoopst adequate voorziening te verstrekken.

Voorwaarde om voor subsidiëring van een woonruimteaanpassing in aanmerking te komen is dan ook dat er geen goedkoper alternatief realiseerbaar is door verhuizing of aangepaste inrichting. Uitgangspunt is dat verhuizen het primaat heeft. Het primaat verhuizen houdt in dat verhuizen naar een geschikte woonruimte voorrang heeft boven woonruimteaanpassingen, wanneer de kosten van de aanpassingen naar verwachting hoger zijn dan € 10.000. Als een meer geschikte woonruimte beschikbaar is, bestaat de mogelijkheid dat in die woonruimte aanpassing nog steeds noodzakelijk is, maar dat de kosten van de aanpassing aanzienlijk lager zijn dan wanneer de cliënt niet zou verhuizen. Of een woning aangepast wordt, is mede afhankelijk van de vraag of aangepaste of geschikte woningen beschikbaar zijn, van de sociale omstandigheden maar ook van de beoordeling of aanpassingen technisch uitvoerbaar zijn en welke voorziening de goedkoopst adequate is. Geschikte woning beschikbaar Een verhuizing is adequaat als op redelijke termijn een woning beschikbaar komt. Ligt het in de verwachting dat de cliënt binnen een redelijke termijn in aanmerking komt voor een geschiktere woning, dan is het ondoelmatig om zijn woning aan te passen. Het kan echter enige tijd duren voordat een meer geschikte woonruimte vrijkomt die eventueel aanzienlijk goedkoper kan worden aangepast.

Als redelijke termijn wordt een periode van twee jaar beschouwd. Een meer geschikte woning is een woning die niet of beperkt moet worden aangepast, dan wel met aanmerkelijk lagere investeringen kan worden aangepast. Verhuiskostenvergoeding Het normbedrag ten behoeve van woonvoorzieningen voor verhuis- en inrichtingskosten bedraagt minimaal € 1.250,- en maximaal € 4.500,-. De hoogte van het bedrag is afhankelijk van de afstand waarover wordt verhuisd en de grootte van het huishouden. In uitzonderlijke gevallen waarin de huishoudgrootte meer dan 6 personen bedraagt kan voor iedere extra persoon € 200,- beschikbaar worden gesteld. Afwijkingen van primaat verhuizen a. Sociale participatie en maatschappelijke activering Van het primaat verhuizen kan worden afgeweken als een verhuizing zal leiden tot een aanmerkelijke verschraling van het leven, bijvoorbeeld door het verlies van de sociale infrastructuur van de cliënt. Het sociale netwerk speelt bij de afweging een belangrijke rol. Hierbij wordt betrokken: de aanwezigheid van mantelzorg in de directe woonomgeving (bijvoorbeeld familieleden die in de buurt wonen); de aanwezigheid van verschillende voorzieningen; de binding met het stadsdeel. Als dit netwerk een essentiële bijdrage levert aan het langer zelfstandig kunnen blijven wonen van de cliënt dan kán dit een

21

Zie beleidsmededeling “Primaat van verhuizen” op het intranet.

21

aanleiding zijn om van het primaat verhuizen af te wijken. Als 65-plussers gebruik kunnen maken van de voorrangsregeling van hoog naar laag is er geen reden om af te wijken van het primaat verhuizen. b. Medische contra-indicatie Als er een (sociaal-)medische contra-indicatie is voor verhuizing van de aanvrager en/of de partner vervalt het primaat verhuizen. c. Eigenaar/bewoner Voor een eigenaar/bewoner van een woonruimte zal verhuizing andere gevolgen hebben dan wanneer men een woning huurt. Voor een eigenaar/bewoner heeft een verhuizing, behalve het vinden van een geschikte woning, tot gevolg dat moet worden overgegaan tot verkoop van het huis. Indien de kosten van de aanpassingen hoger zijn dan het in de Regeling Maatschappelijke Ondersteuning Den Haag 2018 vastgestelde bedrag, dan kan de gemeente eigenaar/bewoners de keuze bieden tussen maximaal het bedrag genoemd bij het primaat verhuizen en als zodanig vastgelegd in de Regeling, of een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing. 4.9.1 Woonruimteaanpassingen Woonruimteaanpassingen zijn voorzieningen die bestaan uit een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan de woonruimte. Ze worden aard- en nagelvast aangebracht. Dat betekent dat deze voorzieningen niet uit de woning zijn te verwijderen zonder daarbij gebruik te maken van gereedschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12624055/1