RIS315197 Bijlage 5 Armoedemonitor
Tekst van het document
Armoedemonitor
CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Datum
Opdrachtnaam
Status
Najaar 2022
Armoedemonitor
definitief
Versie
Opdrachtgever
1.2
Dienst SZW / afdeling Beleid, onderzoek & projecten
Auteur
Team onderzoek, uitvoering onderzoek door CBS
Opdrachtnummer
nvt
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Inhoudsopgave
1 INLEIDING
6
2 ONTWIKKELINGEN EN ARMOEDE IN DEN HAAG
8
2.1 2.2 2.3
De coronacrisis tot heden Ontwikkeling van armoede tijdens de coronacrisis tot en met 2021 Armoede in 2022 en toekomstverwachtingen
3 HAAGSE MINIMAHUISHOUDENS IN BEELD 3.1
Haagse minimapopulatie als geheel
8 8 10
11 11
3.1.1 Primaire bron van inkomsten
11
3.1.2 Huishoudsamenstelling
12
3.1.3 Leeftijd hoofdkostwinner
13
3.1.4 Migratieachtergrond
14
3.1.5 Toeslagengebruik
14
3.1.6 Problematische schulden
14
3.1.7 Gezondheid
15
3.1.8 Concentraties van armoede
17
3.2
18
Groepen minimahuishoudens nader belicht
3.2.1 Langdurige minimahuishoudens
18
3.2.2 Kinderen in minimahuishoudens
20
3.2.3 Werkende armen
21
4 BEREIK VAN MINIMAREGELINGEN 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8
Verzamelbereik Ooievaarspas Kindpakket Leergeld Den Haag Haagse zorgverzekering Individuele inkomenstoeslag Vergoeding voor langdurig zieken en gehandicapten Bijzondere bijstand Kwijtschelding van gemeentelijke belastingen
22 22 24 25 27 28 30 31 32
Bijlage 1: literatuur
34
Bijlage 2: normbedragen
35
2/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Samenvatting Het CBS stelt voor de gemeente Den Haag jaarlijks vast wat omvang en kenmerken zijn van de Haagse minimapopulatie en wat het bereik is van gemeentelijke minimaregelingen. Minimahuishoudens hebben een laag inkomen en een vermogen onder de gestelde grenzen hiervoor in de Participatiewet. De meest recente beschikbare gegevens over minimahuishoudens gaan over 2020 en geven een beeld van het eerste coronajaar. Bijna 1 op de 5 huishoudens behoort tot de minima In 2020 telt Den Haag 44.100 minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. Hiermee behoort bijna 1 op elke 5 Haagse huishoudens tot de minima. Het aantal minimahuishoudens is gelijk aan dat van 2019; het percentage daalde met enkele tienden. De uitbraak van het coronavirus heeft kortom niet gezorgd voor een toename van minimahuishoudens. De in eerdere jaren ingezette daling stagneerde wel. Van alle minimahuishoudens leeft 70 procent langdurig van een laag inkomen, dat wil zeggen 3 jaar of langer. De meeste minimahuishoudens zijn terug te vinden in de stadsdelen Centrum en Escamp, gevolgd door Laak. De top vijf wijken met het hoogste percentage minimahuishoudens zijn de Schildersbuurt, Moerwijk, Transvaalkwartier, Bouwlust en Vrederust en Morgenstond. In deze wijken behoren 3 tot 4 van elke 10 huishoudens tot de minima. Dit beeld was hetzelfde in de voorgaande jaren.
Eveneens bijna 1 op de 5 kinderen groeit op in een minimahuishouden In de minimahuishoudens wonen 18.600 kinderen van 0 tot 18 jaar. Bijna 1 op elke 5 Haagse kinderen groeit hiermee op in een minimagezin. Minimaregelingen zijn bedoeld voor de 14.300 kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar. Zowel het aantal als het percentage kinderen in deze leeftijdscategorie daalde in 2020 licht ten opzichte van eerdere jaren. Kinderen uit minimahuishoudens groeien vaker dan andere kinderen op in een eenoudergezin, in huishoudens met problematische schulden of met hoge zorgkosten (wijzend op gezondheidsproblemen binnen het gezin). Tot slot zijn kinderen uit minimagezinnen vaker dan andere kinderen bekend bij Jeugdzorg. Hoger armoederisico bij uitkering of pensioen, (veel) lager bij werk Een ruime helft van de 44.100 minimahuishoudens heeft een inkomen uit een uitkering en een kwart vanuit een pensioen. Circa 20 procent ontvangt inkomsten uit werk. Huishoudens met een inkomen uit een uitkering of pensioen behoren (veel) vaker tot de minima dan huishoudens met een inkomen uit werk. Van alle huishoudens met inkomen uit loondienst is 5 procent arm; dit percentage is de laatste jaren stabiel. Het risico op armoede onder ondernemers is met 11 procent groter. Het risico is wel lager dan in 2019. In omvang is de groep minima met werk aanzienlijk.
Het gaat om 6.000 huishoudens met inkomsten uit loondienst en 2.800 huishoudens met inkomsten uit een eigen bedrijf. Voornaamste kenmerken van minima onveranderd Onder minimahuishoudens bevinden zich, net als in voorgaande jaren, relatief veel alleenstaanden en eenoudergezinnen vergeleken met huishoudens met een hoger inkomen. Van alle eenoudergezinnen met kinderen onder de 18 jaar is bijna de helft arm. Minimahuishoudens hebben vaker een hoofdkostwinner met een migratieachtergrond dan huishoudens met een hoger inkomen. Verder zijn onder minimahuishoudens oudere (65+) en jongere (tot 24) hoofdkostwinners licht oververtegenwoordigd. Hoewel het aandeel van de groep huishoudens met een jongere kostwinner met 4 procent beperkt is binnen de minimapopulatie, gaat het in aantallen om 1.600 huishoudens. Ouderen vormen met 11.300 huishoudens ruim een kwart van de minimapopulatie in Den Haag. Hun aandeel stijgt licht door de jaren heen.
3/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
In minimahuishouden worden vaker (langdurig) hoge zorgkosten gemaakt dan in huishoudens met een hoger inkomen. Het gaat dan om kosten voor verzekerde zorg vanuit de basisverzekering. Ook hebben zij vaker een Wmo-indicatie. Onderzoek van de GGD Haaglanden (2022) wijst op grote verschillen in gezondheid tussen Hagenaars die wel en niet in wijken wonen waar minima zijn oververtegenwoordigd en tussen Hagenaars die wel en niet goed kunnen rondkomen. Minima hebben vaker schulden en meer risico op betalingsproblemen Minimahuishoudens hebben vaker problematische schulden dan huishoudens met een hoger inkomen. Circa 20 procent van de minimahuishoudens heeft een betalingsachterstand op de zorgpremie (wanbetaler), is bekend in de schuldsanering, heeft een schuld bij DUO, de Belastingdienst en/of het Centraal Justitieel Incassobureau. Onder huishoudens met een hoger inkomen is dat 8 procent. Het is waarschijnlijk dat een groter deel van de minima schulden heeft als meer registraties van schuldeisers beschikbaar zouden zijn én gelet op het huidige tijdsbeeld. Zo had in 2021 al bijna een derde van de Haagse huishoudens met bijstand schulden, uitgaande van schulden bij een breder palet van instanties (CBS 2022e).
Het CPB berekende in een stresstest naar kosten van levensonderhoud dat, met de genomen maatregelen zoals het prijsplafond voor energie, een derde van de huishoudens met een laag inkomen (tot 120 procent van het sociaal minimum) risico loopt vaste en noodzakelijke kosten niet meer te kunnen betalen (CPB 2022c). In Den Haag zou dit neerkomen op circa 15.000 huishoudens (geen rekening houdend met het vermogen van huishoudens). Ook huishoudens met een hoger inkomen lopen risico. Dat risico is wel lager (CPB 2022c). Verzamelbereik van regelingen voor minimahuishoudens is stabiel In 2020 gebruikt 79 procent van alle minimahuishoudens een of meer gemeentelijke minimaregelingen. Ten opzichte van 2019 is het verzamelbereik stabiel. Bereik minimaregelingen in 2020, afgezet tegen de doelgroep (percentages)
Bron: CBS 2022a *bereik niet gecorrigeerd voor ziekte of handicap
4/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Het bereik van de Ooievaarspas en van Leergeld Den Haag daalde licht ten opzichte van voorgaande jaren. Mogelijk houdt dit verband met het afgelasten van activiteiten en de langdurige sluiting van onder meer sportaccommodaties en cultuurinstellingen als gevolg van de uitbraak van het coronavirus in 2020. Het bereik van de Haagse zorgverzekering en van de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen is vergelijkbaar met 2019. Ten opzichte van eerdere jaren daalde het bereik van de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen wel. Minder minima gebruikten de tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten. Het bereik van de individuele inkomenstoeslag stijgt juist door de jaren heen. Iets meer huishoudens maakten tot slot gebruik van bijzondere bijstand in 2020. Vooruitblik Minimahuishoudens hebben een laag inkomen én weinig vermogen. De meest recente gegevens over Haagse minimahuishoudens gaan, zoals gezegd, over het jaar 2020. Het CBS publiceerde onlangs wel voorlopige gegevens over het aantal huishoudens met een laag inkomen in 2021, ongeacht het vermogen. In 2021 telde Den Haag 52.000 huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum. Dat komt neer op 21 procent van alle Haagse huishoudens. Ten opzichte van 2020 daalden het aantal en het percentage huishoudens met een laag inkomen licht (CBS 2022a).
In 2021 herstelde de Nederlandse en Haagse economie zich van de coronacrisis. Hoewel 2022 als geheel een hoog groeicijfer laat zien, kantelde het economisch beeld gedurende het jaar. De inflatie liep op tot gemiddeld 10 procent, onder meer als gevolg van sterk gestegen energieprijzen. De inflatie komt bij lagere inkomensgroepen harder aan omdat zij verhoudingsgewijs een groter deel van hun inkomen kwijt zijn aan levensonderhoud (CPB 2022b, 2022c). De Haagse energietoeslag van 1,400 euro vermindert koopkrachtverlies van deze groep. Het SCP verwacht, uitgaande van referentiebudgetten voor uitgaven voor levensonderhoud en sociale participatie, dat armoede in Nederland in 2021 stabiel bleef maar in 2022 sterk is toegenomen. Als gevolg van de maatregelen van het kabinet, waaronder de handhaving van de energietoeslag, verhoging van het minimumloon en daaraan gekoppeld de verhoging van uitkeringen neemt armoede in 2023 naar verwachting weer af, tot onder het niveau van 2017 (SCP 2022). De gemeente Den Haag gaat niet uit van een inkomensgrens gebaseerd op referentiebudgetten maar van een inkomensgrens afgeleid van het sociaal minimum. Het is nog niet bekend hoeveel Haagse huishoudens er zijn in 2022 met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum (en weinig vermogen). Deze gegevens zijn medio 2024 beschikbaar via het CBS.
Tot slot Eind 2023 wordt een nieuwe Armoedemonitor uitgebracht. Met het CBS wordt verkend hoe onderzoek naar de impact van armoedevoorzieningen kan worden vormgegeven, zodat niet alleen inzichtelijk wordt wat het bereik is van de minimaregelingen maar ook wat de mogelijke effecten van de regelingen zijn.
5/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
1 INLEIDING Het CBS stelt voor de gemeente Den Haag periodiek vast wat de omvang en kenmerken zijn van de Haagse minimapopulatie en wat het bereik is van gemeentelijke regelingen voor deze groep. Minimahuishoudens hebben een laag inkomen en weinig vermogen. Het CBS baseert zich op hierbij op gegevens van de Belastingdienst over het kalenderjaar 2020. Dit zijn de meest recente gegevens beschikbaar. Deze Armoedemonitor geeft dus een beeld van het eerste coronajaar. Het CBS heeft wel voorlopige gegevens beschikbaar over huishoudens met een laag inkomen in 2021, ongeacht het vermogen. Deze gegevens komen ook aan de orde. Achtergronden De gemeente Den Haag ondersteunt minimahuishoudens met verschillende regelingen, gericht op het verbeteren van de inkomstenspositie en het stimuleren van maatschappelijke participatie (zie tabel 1). Regelingen zijn bedoeld voor minimahuishoudens met een inkomen rond het sociaal minimum tot 150 procent daarvan. Het vermogen mag niet hoger zijn dan de gestelde grenzen hiervoor in de Participatiewet (zie voor normbedragen bijlage 2). Tabel 1: minimaregelingen in de gemeente Den Haag in 2020 Soort regeling Inkomens- en Omschrijving regeling vermogensgrens* Ooievaarspas 130 procent van het De Ooievaarspas biedt minimaal 50 procent korting op activiteiten sociaal minimum het gebied van sport, cultuur en recreatie om sociale inclusie te bevorderen.
Kinderen kunnen gratis lid worden van een vereniging. Er kan ook aanspraak worden gemaakt op andere voorzieningen, zoals gratis openbaar vervoer voor mensen vanaf de AOW-leeftijd en een cadeaukaart voor de aanschaf van een duurzaam huishoudapparaat. Kindpakket van 130 procent van het Leergeld Den Haag biedt verstrekkingen in natura aan kinderen Leergeld Den Haag sociaal minimum van 4 tot 18 jaar in gezinnen met een laag inkomen. Het gaat Kind in huishouden van 4 onder meer om attributen voor sport en cultuur, de tot 18 schoolspullenpas, winterkledingpas, speelgoedpas, computers, mobiele telefoons, fietsregelingen en HTM abonnementen. Haagse 110 tot 150 procent van Ziektekostenverzekering met mogelijkheid voor uitgebreide zorgverzekering het sociaal minimum aanvullende dekking en dekking van eigen risico (per 2021 alleen VGZ). De gemeente draagt bij aan de premie bij een uitgebreide verzekering (tot 130 procent sm, bijdrage is het hoogst bij 110 procent sm). Individuele 110 procent van het sm Aanvulling op het huishoudinkomen om grote noodzakelijke inkomenstoeslag 36 maanden of langer uitgaven te doen. 21 jaar tot AOW-leeftijd Vergoeding voor 150 procent van het Vergoeding van €125 voor langdurig zieken en mensen met een langdurig zieken en sociaal minimum beperking met een Wmo-beschikking, zorgindicatie van het CIZ gehandicapten of van wijkverpleegkundige.
Bijzondere bijstand Inkomen rond het sociaal Tegemoetkoming voor noodzakelijke en onverwachte kosten, die minimum en hoge niet op een andere manier zijn te betalen. noodzakelijke uitgaven** Vanaf 21 jaar Kwijtschelding Laag inkomen Kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, zoals gemeentelijke Onvoldoende afvalstoffenheffing en hondenbelasting. belastingen betalingscapaciteit Vermogensgrens strikter* Bron: gemeente Den Haag * vermogen tot de gestelde grens in de Participatiewet (strikter bij kwijtscheldingen) ** per aanvraag beoordeeld
6/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Werkwijze Het CBS stelt vast hoeveel Haagse huishoudens een inkomen hebben tot en met 105, 110, 130 en 150 procent van het sociaal minimum en een vermogen tot de gestelde grenzen hiervoor in de Participatiewet. Het CBS baseert zich op inkomens- en vermogensgegevens van de Belastingdienst over het kalenderjaar 2020. Dit zijn zoals gezegd de meest recente gegevens beschikbaar en op het moment van publicatie nog voorlopig. De onderzoekspopulatie bestaat uit alle particuliere huishoudens met een volledig jaarinkomen en kinderen in particuliere huishoudens die op 1 januari 2020 in de gemeente Den Haag woonden. Particuliere huishoudens zonder volledig jaarinkomen, studentenhuishoudens en institutionele huishoudens blijven hier dus buiten beschouwing. De onderzoekspopulatie bestaat hiermee uit 240.800 huishoudens van in totaal 259.300 particuliere huishoudens (CBS 2022f). De minimapopulatie is afgezet tegen deze doelpopulatie. De gemeente levert gegevens aan het CBS over gebruikers van minimaregelingen. Het CBS stelt het bereik van de minimaregelingen vast door het gebruik ervan van binnen minimahuishoudens af te zetten tegen het totaal aantal rechthebbende minimahuishoudens. Hierbij is zoveel mogelijk rekening gehouden met de gemeentelijke uitvoeringspraktijk.
Zo is uitgegaan van de geldende inkomens- en vermogensgrenzen en andere instroomcriteria (zoals leeftijd van kinderen, duur van armoede). Desondanks zijn er enkele beperkingen. Zo kunnen zich onder de huishoudens die buiten de doelpopulatie vallen gebruikers bevinden en wordt in de uitvoeringspraktijk niet altijd uitgegaan van het inkomen per kalenderjaar. Soms wordt gekeken vanaf het moment van aanvraag, of wordt minder lang teruggekeken. Zo wordt de Ooievaarspas automatisch verstrekt aan mensen met bijstand, ongeacht de duur ervan. Daarnaast telt het CBS het inkomen en vermogen van alle huishoudleden mee, terwijl de gemeente alleen naar het inkomen van de aanvrager en een eventuele partner kijkt. Kort gezegd is waar mogelijk rekening gehouden met geldende criteria voor toekenning van minimaregelingen maar kan het voorkomen dat huishoudens met een minimaregelingen hier buiten beschouwing blijven. Leeswijzer Dit rapport beschrijft de belangrijkste bevindingen van de tabellen van het CBSdie zijn te raadplegen via Armoedemonitor gemeente Den Haag, 2020 (cbs.nl). Daarnaast is een dashboard beschikbaar via Armoedescan (cbs.nl). Bij de opzet van dit rapport en eerdere monitoren heeft de Amsterdamse Armoedemonitor gediend als bron van inspiratie, waarvoor dank (zie o.a. Ahamiame et al. 2019, Ahamiame et al. 2021).
Hoofdstuk 1 beschrijft het aantal huishoudens met een laag inkomen in Den Haag door de jaren heen. In de hoofdstukken erna staan minimahuishoudens centraal. Hoofdstuk 2 beschrijft de omvang en kenmerken van de minimapopulatie en hoofdstuk 3 bespreekt het bereik van de minimaregelingen.
7/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
2 ONTWIKKELINGEN EN ARMOEDE IN DEN HAAG
2.1
De coronacrisis tot heden
Nederland heeft zich sterk hersteld uit de coronacrisis (CBP 2022a). Hoewel er in 2020 er een historische economische krimp van 3,9 procent was als gevolg van de uitbraak van het coronavirus, trad in 2021 herstel op en was een groei te zien van 4,9 procent. In de agglomeratie Den Haag was de economische krimp van in 2020 met 2,9 procent kleiner dan landelijk; 2021 liet een groei van 3,5 procent zien (CBS 2022b). Het CPB rapporteert landelijk over 2022 nog een hoog groeicijfer, hoewel onderliggend het economisch beeld kantelde in de tweede helft van 2022 (CPB 2022a). Tijdens de coronacrisis hebben overheidssteunmaatregelen ervoor gezorgd dat veel bedrijven overeind zijn gebleven en dat er relatief weinig baanverlies is opgetreden (SCP 2022). In Den Haag gebruikte 43 procent van de bedrijfsvestigingen in de periode maart 2020 tot juni 2022 één of meer steunmaatregelen ten opzichte van 37 procent landelijk (CBS 2022c). Het gaat dan om steunmaatregelen als de Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandig Ondernemers (TOZO), maar ook om uitstel van belastingbetaling, de vaste lastenregeling (TOGS of TVL) en de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW). De werkeloosheid in Den Haag liep in 2020 (6,5 procent) licht op ten opzichte van 2019 (6,2 procent). In 2021 trad een daling in (6,2 procent) die verder doorzette in de eerste drie kwartalen van 2022.
In het derde kwartaal van 2022 bedroeg de werkeloosheid 4,7 procent (CBS 2022d). Ook het aantal werkeloosheid- en bijstandsuitkeringen (tot AOW-leeftijd) liep terug in 2021 en 2022 tot onder het niveau van voor de uitbraak van corona (UWV 2022, CBS 2022d). De gevolgen van de coronapandemie op deze vlakken lijken al met al beperkt te zijn gebleven. In de tweede helft van 2022 verslechterde het economische beeld. De oorlog in Oekraïne, de energiecrisis en de verstoringen door de coronacrisis hebben geleid tot een sterk opgelopen inflatie van 10 procent in 2022 (CPB 2022b). De hoge inflatie, daarmee gepaard gaande onzekerheid en renteverhogingen door centrale banken om de inflatie te beteugelen, remmen economische groei. De combinatie van hoge inflatie en gematigde loonstijging leidt tot een daling van de koopkracht van huishoudens (CPB 2022b, 2022c). De inflatie komt bij lagere inkomensgroepen harder aan omdat zij verhoudingsgewijs een groter deel van hun inkomen kwijt zijn aan levensonderhoud (energie, boodschappen et cetera). De energietoeslag, die via gemeenten wordt verstrekt aan huishoudens met een laag inkomen, vermindert koopkrachtverlies bij deze groep (CPB 2022b). In Den Haag was deze toeslag 1,400 euro. In 2023 wordt eveneens een energietoeslag verstrekt.
Andere maatregelen in 2023 zijn een prijsplafond voor energie, verhoging van het minimumloon en daaraan gekoppeld de verhoging van de uitkeringen. De maatregelen leiden tot meer koopkracht en hogere economische groei vergeleken met het scenario zonder maatregelen, ten koste van het begrotingssaldo van de Rijksoverheid. De verwachting is dat de economie in 2023 met een beduidend langzamer tempo groeit (CPB 2022b).
2.2
Ontwikkeling van armoede tijdens de coronacrisis tot en met 2021
Het CBS publiceerde recent gegevens over huishoudens met een laag inkomen in 2021, ongeacht het vermogen. Dit is een grotere groep dan de minimahuishoudens, die naast een laag inkomen óók weinig vermogen hebben. In 2021 telde Den Haag 38.300 tot 52.000 huishoudens met een inkomen van 110 tot 130 procent van het sociaal minimum. Dat komt neer op 15,7 tot 21,4 procent van alle Haagse huishoudens; een marginale daling ten opzichte van 2020. Het percentage huishoudens met een inkomen rond het sociaal minimum bleef gelijk (CBS 2022a, zie figuur 1).
8/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Figuur 1: Haagse huishoudens met een laag inkomen, ongeacht vermogen (diverse inkomensgrenzen in 20112021 (percentages)
Bron: CBS 2022a Haagse minimahuishoudens hebben zoals gezegd naast een laag inkomen óók weinig vermogen. De meest recente cijfers over minimahuishoudens gaan over het jaar 2020. Den Haag telt dan 33.800 tot 44.100 minimahuishoudens. Dat komt neer op 14 tot 18,3 procent van alle huishoudens (110 tot 130 procent van het sociaal minimum). Ten opzichte van 2019 daalde het percentage minimahuishoudens met enkele tienden (zie figuur 2). De coronacrisis heeft kortom niet geleid tot een toename van minimahuishoudens. De eerder ingezette daling stagneerde wel. Figuur 2: Haagse minimapopulatie 2017-2020 (eerdere jaren niet beschikbaar). Links 110 procent sociaal minimum en rechts 130 procent sociaal minimum (aantallen en percentages)
Bron: CBS 2022f, CBS 2021, CBS 2020
9/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
2.3
Armoede in 2022 en toekomstverwachtingen
Het CPB en SCP ramen dat de armoede in 2021 gelijk is aan 2020, maar in 2022 snel is toegenomen als gevolg van de hoge inflatie. Zij gaan hierbij uit van een referentiebudget dat nodig is voor de basisbehoeften en kosten voor sociale participatie van een huishouden. Dit is de zogenoemde niet-veel-maar-toereikend- inkomensgrens. Door de hoge inflatie in 2022 steeg het benodigde budget van huishoudens sneller dan het inkomen, resulterend in een toename van aantal personen in armoede. Door de maatregelen, die in 2023 ingaan, daalt het percentage personen in huishoudens met een inkomen tot de niet-veel-maar-toereikend grens in 2023 naar verwachting tot onder het niveau van 2017 (SCP 2022) 1. In Den Haag wordt niet uitgegaan van een inkomensgrens gebaseerd op benodigd budget, maar van een inkomensgrens afgeleid van het sociaal minimum. Het is nog niet bekend hoeveel personen en huishoudens er zijn in 2022 met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum. Deze gegevens zijn medio 2024 bekend. Het Nibud keek naar de mogelijkheden van verschillende Haagse huishoudtypen om de uitgaven voor het basispakket (vaste lasten, reserverings- en huishoudelijke uitgaven) en voor sociale participatie te bekostigen. Uit hun analyse blijkt dat in 2022 alleenstaanden, paren zonder kinderen en paren met oudere kinderen het basispakket niet kunnen bekostigen zonder gemeentelijke ondersteuning.
Ook lukt het dan minder huishoudens om de kosten voor het basispakket én sociale participatie te betalen. Gemeentelijke ondersteuning is in 2022 voor veel huishoudens dus noodzakelijk om te kunnen rondkomen (Warnaar en Van Gaalen 2022). Een doorkijk naar 2023 laat zien dat Haagse huishoudens met een laag inkomen meer bestedingsruimte hebben dan in 2022 als gevolg van de maatregelen die per 2023 ingaan (Van Gaalen en Lamers 2022). Waar sprake is van bijvoorbeeld niet-gebruik van inkomensondersteuning of als er schulden zijn in het huishouden geldt echter dat de bestedingsruimte minder groot zal zijn. Uit gegevens van het CBS blijkt dat voor de energiecrisis ruim een kwart van de Haagse huishoudens met een laag inkomen2 problematische schulden had. Onder huishoudens met inkomen uit bijstand is dat een bijna een derde (CBS 2022e). Het CPB raamt dat, met de genomen maatregelen én het prijsplafond voor energie, bijna een derde van de huishoudens met een inkomen tot 120 procent van het sociaal minimum in 2023 alsnog risico loopt de vaste en noodzakelijke kosten niet meer te kunnen betalen (CPB 2022c). In Den Haag zou dat neerkomen op bijna 15.000 huishoudens. Ook huishoudens met een hoger inkomen lopen risico, maar dat risico is met 2 (vanaf modaal) tot 6 procent (> 120 procent sociaal minimum tot modaal) wel lager (CPB 2022c).
Hoewel de maatregelen de financiële positie van veel huishoudens verbetert, blijven kwetsbare groepen bestaan. Daarnaast blijven energieprijzen naar verwachting hoger, ook na het beëindigen van het prijsplafond na 2023 (CPB 2022c). Het positieve effect van de maatregelen op de financiële positie van huishoudens zal hiermee mogelijk alleen tijdelijk zijn. Armoede is bovendien niet alleen een kwestie van financieel niet kunnen rondkomen. Armoede leidt tot stress en is onder meer gerelateerd aan gezondheidsklachten, een verminderd welzijn en sociaal isolement (SCP 2022, Plantinga et al. 2018). Daarnaast veroorzaak armoede kansenongelijkheid en kan het worden doorgegeven aan volgende generaties. Kinderen die opgroeien in armoede hebben een grotere kans om als volwassene in armoede te leven (CPB 2022b). Onder andere het SCP geeft in dit licht aan dat er meer aandacht nodig is voor de sociaal maatschappelijke effecten van armoede (SCP 2022).
1 Prijsplafond voor energie is hier nog niet in meegenomen. 2 Lage inkomensgrens van het CBS, die ligt voor de meeste huishoudtypen iets onder de 110% sm
10/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
3 HAAGSE MINIMAHUISHOUDENS IN BEELD Dit hoofdstuk beschrijft de kenmerken van de Haagse minimahuishoudens en maakt een onderscheid tussen huishoudens met een inkomen tot 110 procent (33.800 huishoudens), tot 130 procent (44.100 huishoudens) en meer dan 130 procent van het sociaal minimum (196.700 huishoudens). De aantallen huishoudens kunnen niet bij elkaar opgeteld worden omdat er overlap zit in de groepen huishoudens met een inkomen tot 110 en tot 130 procent van het sociaal minimum. De huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en daarboven tellen samen op tot het totaal aantal Haagse huishoudens in de doelpopulatie.
3.1 3.1.1
Haagse minimapopulatie als geheel Primaire bron van inkomsten
Het merendeel van de minimahuishoudens ontvangt een inkomen uit een uitkering en ongeveer een kwart leeft van een pensioen. Minimahuishoudens met inkomen uit werk of een eigen bedrijf vormen samen 14 tot 20 procent van de minima (110 tot 130 procent van het sociaal minimum). Bij huishoudens met een inkomen boven de 130 procent van het sociaal minimum heeft 73 procent inkomsten uit werk. Figuur 3: voornaamste inkomensbron van minimahuishoudens en huishoudens met een hoger inkomen in 2020 (percentages)
Bron: CBS 2022f Huishoudens met bijstand hebben verreweg de hoogste kans op armoede, gevolgd door huishoudens met een andere uitkering of een pensioen (zie figuur 4). Het armoederisico van huishoudens met werk ligt veel lager. Van alle Haagse huishoudens met inkomen uit loondienst is 2 tot 5 procent arm en deze percentages zijn de laatste jaren stabiel. Bij
11/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
ondernemers is het risico met 9 tot 11 procent groter (110 tot 130 procent van het sociaal minimum). Het risico van de groep met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum daalde ten opzichte van vorig jaar met 2 procentpunt. Figuur 4: armoederisico naar inkomstenbron in 2020 (percentages)
Bron: CBS 2022f 3.1.2
Huishoudsamenstelling
Eenpersoonshuishoudens zijn de grootste groep in de minimapopulatie (zie figuur 5). Ten opzichte van Haagse huishoudens met een hoger inkomen zijn eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen oververtegenwoordigd en paren met en zonder kinderen ondervertegenwoordigd. Figuur 5: huishoudsamenstelling van minimahuishoudens en huishoudens met een hoger inkomen in 2020 (percentages)
Bron: CBS 2022f
12/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Van alle Haagse eenoudergezinnen is 22 tot 30 procent arm (110 tot 130 procent van het sociaal minimum, zie figuur 6). Onder eenoudergezinnen met alleen kinderen onder de achttien jaar is dat zelfs 35 tot 45 procent (gegevens niet in figuur). Het armoederisico van andere huishoudtypen is aanmerkelijk lager. Figuur 6: armoederisico naar huishoudtype in 2020 (percentages)
Bron: CBS 2022f 3.1.3
Leeftijd hoofdkostwinner
Ten opzichte van de huishouden met een hoger inkomen, zien we bij de minima iets meer huishoudens met een jongere (tot 24 jaar) en oudere kostwinner (> 65 jaar) en minder huishoudens met een hoofdkostwinners van 24 tot 45 jaar (zie figuur 7). Figuur 7: leeftijd van hoofdkostwinners van minimahuishoudens en huishoudens met een hoger inkomen in 2020 (percentages)
Bron: CBS 2022f
13/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Huishoudens met een jongere hoofdkostwinner (tot 24 jaar) lopen het grootste risico op armoede (zie figuur 8). Hoewel de groep verhoudingsgewijs klein is, gaat het in aantallen om 1.100 tot 1.600 huishoudens (110 tot 130 procent van het sociaal minimum). Figuur 8: armoederisico naar leeftijd van hoofdkostwinner in 2020 (percentages)
Bron: CBS 2022f
3.1.4
Migratieachtergrond
Van alle minimahuishoudens heeft bij 40 tot 42 procent de hoofdkostwinner een Nederlandse achtergrond (110-130 procent van het sociaal minimum). De meerderheid van hen heeft dus een migratieachtergrond. Het beeld is omgedraaid bij huishoudens met een hoger inkomen. Van hen heeft 66 procent een Nederlandse achtergrond en de resterende 34 procent een migratieachtergrond3 (CBS 2022f). Het armoederisico onder huishoudens met een hoofdwinner met een migratieachtergrond is ruim twee keer groter dan onder huishoudens met een hoofdkostwinner met een Nederlandse migratieachtergrond. 3.1.5
Toeslagengebruik
Ruim 80 procent van de minimahuishoudens ontvangt huurtoeslag en vrijwel alle minimahuishoudens ontvangen zorgtoeslag. 3.1.6
Problematische schulden
In Den Haag heeft 3 procent van de huishoudens met een inkomen boven de 130 procent van het sociaal minimum een betalingsachterstand op de zorgpremie: een of meer leden van het huishouden zijn geregistreerd als wanbetaler bij het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Bij de minimahuishoudens is dat 7 procent (CBS 2021l). Circa 20 procent van de minima heeft problematische schulden, uitgaande van een registratie als wanbetaler bij het CAK én op basis van gegevens van het CJIB, de WSNP, DUO en de Belastingdienst. Bij Haagse huishoudens met een hoger inkomen is dat 8 procent (CBS 2022f).
3 Percentages wijken af van eerdere jaren als gevolg van definitiewijzigingen van het CBS
14/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Het percentage huishoudens met schulden zal hoger liggen als ook schulden bij andere partijen meegenomen worden. Het CBS heeft in het dashboard problematische schulden een indicator voor schulden waarin naast registraties van eerdergenoemde partijen ook registraties van het BKR zijn meegenomen (Schuldenproblematiek in beeld (cbs.nl)). Hieruit blijkt dat in totaal 35.880 Haagse huishoudens problematische schulden hadden in 2021. Dat komt neer op 13 procent van alle Haagse huishoudens. Onder bepaalde groepen komen problematische schulden veel vaker voor, zoals onder huishoudens met een laag inkomen (26 procent), huishoudens met bijstand (31 procent) en bijvoorbeeld bij zelfstandigen met een laag huishoudinkomen (29 procent) (CBS 2022e). 3.1.7
Gezondheid
Onderzoek laat verschillen zien in gezondheid en zorggebruik tussen mensen met een lage en hoge sociaal economische positie, waarbij iemands positie wordt afgeleid uit bijvoorbeeld opleiding of inkomen. Mensen met een lagere sociaaleconomische positie hebben gemiddeld bezien een lagere gezonde levensverwachting en een slechtere (ervaren) gezondheid dan mensen met een hogere sociaal economische positie (zie o.a. Boonen et al. 2022, Pharos 2022, GGD Haaglanden 2022). Het verband tussen sociaaleconomische positie en gezondheid laat zich in de literatuur verklaren via mechanismen van selectie en causatie. Het selectiemechanisme houdt in dat (on)gezondheid het te bereiken sociaaleconomisch niveau bepaalt. Gezondheid op een bepaalde leeftijd heeft invloed op de opleidingsloopbaan, de arbeidsmarktpositie, het inkomen en vermogen op latere leeftijd (Kunst 2010). Een minder goede gezondheid is hier kortom de oorzaak van een lagere sociaaleconomische positie. Volgens het causatiemechanisme beïnvloedt de sociaaleconomische positie op een bepaalde leeftijd de gezondheid in latere levensfasen. Dit gaat via intermediërende factoren, als leefstijl, woonen financiële omstandigheden (Kunst 2010). Mensen met een lagere sociaal economische positie hebben bijvoorbeeld vaker te maken met chronische (financiële) stress en onzekerheid, onder meer als gevolg van een hoger risico op werkeloosheid.
Mensen met een lagere sociaal economische positie leven vaker in buurten met een lagere levensstandaard en slechter onderhouden woningen. Verder is er bij mensen met een lagere sociaal economische positie vaker sprake van beperktere gezondheidsvaardigheden en een ongezondere leefstijl. Al dit soort factoren kunnen een negatieve uitwerking hebben op gezondheid (Hudson 2005, Kok 2022). De precieze werking en effecten van het selectie- en causatiemechanisme kunnen sterk variëren naar leeftijd en type aandoening (Kunst 2010). In Den Haag zien we verschillen in zorggebruik en gezondheid tussen huishoudens met een inkomen onder of boven de armoedegrens, en tussen huishoudens die wel en niet goed kunnen rondkomen. Minimahuishoudens hebben een hoger zorggebruik en/of vaker hogere zorgkosten dan huishoudens met een hoger inkomen. Dit is een indicatie voor een slechtere gezondheid onder deze groep. Van de minimahuishoudens heeft bijvoorbeeld (bijna) een derde een Wmo-voorziening. Onder huishoudens met een hoger inkomen is dat 9 procent (zie figuur 9). Van de minimahuishoudens heeft (ruim) 25 procent hoge zorgkosten, tegenover 17 procent van Haagse huishoudens met een hoger inkomen. Het percentage Haagse minimahuishoudens met langdurig hoge zorgkosten is met 8 procent twee keer zo hoog als onder andere Haagse huishoudens. NB: het gaat om zorgkosten die binnen de basisverzekering vallen. 4
4 Zorgkosten: gekeken is of ten minste een persoon uit een Haags huishouden behoort tot het deciel4 met de landelijk hoogste
zorgkosten, in peiljaar 2019. Het gaat dan om kosten voor zorg uit de basisverzekering; het eigen risico voor de gebruikte zorg hierbij is niet bekend. Langdurig hoge zorgkosten hebben betrekking op de jaren 2015-2019.
15/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Figuur 9: zorggebruik en zorgkosten van de minimahuishoudens en huishoudens met een hoger inkomen (percentages)
Bron: CBS 2022f, 2021 Huishoudens waar gezondheidsproblemen spelen (afgeleid uit onder meer zorgkosten), hebben een hoger risico op armoede dan huishoudens waar deze problemen niet spelen. Van alle huishoudens met een Wmo-voorziening behoort 45 procent tot de minima met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum. Dat is een veel hoger percentage dan te verwachten op basis hun aandeel binnen van alle Haagse huishoudens (18 procent). Onder huishoudens met (langdurig) hoge zorgkosten zijn ook verhoudingsgewijs veel minimahuishoudens te vinden (zie figuur 10). Figuur 10: armoederisico naar zorggebruik in 2020 (percentages)
Bron: CBS 2022f, 2021
16/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
De GGD Haaglanden rapporteert over de (gezonde) levensverwachting van Hagenaars in aandachtswijken en over diverse maten van gezondheid naar mate van rondkomen (zie tabel 2 en 3). Aandachtswijken zijn de wijken Stationsbuurt, Schildersbuurt, Transvaalkwartier, Bouwlust en Vrederust, Morgenstond, Moerwijk, Groente- en Fruitmarkt, Laakkwartier en Spoorwijk. Dit zijn wijken waarin we veel minimahuishoudens terugzien. De gezonde levensverwachting van mensen in aandachtswijken is circa tien jaar lager dan van mensen die elders wonen (GGD Haaglanden 2022). Tabel 2: (gezonde) levensverwachting en levensverwachting bij 65 jaar in jaren (periode 2017-2020) Levensverwachting Aandachtswijk Geen aandachtswijk Mannen Levensverwachting 76,4 78,9 Gezonde levensverwachting 56,1 65,6 Gezonde levensverwachting 65 jaar 8 10,9 Vrouwen Levensverwachting 81,6 82 Gezonde levensverwachting 55,8 66,3 Gezonde levensverwachting 65 jaar 7,7 12 Bron: gezondheidsgids GGD Haaglanden 2022
Verschillen in gezondheid naar mate van rondkomen zijn weergegeven in tabel 3. Mensen die moeite hebben met rondkomen ervaren minder vaak een (zeer) goede gezondheid, hebben vaker chronische aandoeningen en vaker functionele beperkingen. Verder ervaren ze vaker stress en hebben ze een hoger risico op angstgevoelens en depressie. Mensen die moeite hebben met rondkomen voelen zich bovendien veel vaker sociaal uitgesloten: maar liefst 8 keer vaker dan mensen zonder moeite met rondkomen (zie tabel 3, GGD Haaglanden 2022). Tabel 3: gezondheid naar mate van rondkomen onder Hagenaars van 18 jaar en ouder (2020, percentages) Gezondheid Moeite rondkomen Geen moeite rondkomen Lichamelijke gezondheid (Zeer) goede ervaren gezondheid 59 80 Chronische aandoeningen 42 29 Functionele beperkingen 33 16 Psychische gezondheid (Heel) veel chronische stress 42 20 Matig-hoog risico angst depressie 76 45 Sociale gezondheid Matig-sterk gevoel sociale uitsluiting 40 5 Matig-veel regie eigen leven 77 93 Matig-zeer sterk eenzaam 76 53 Bron: Gezondheidsgids GGD Haaglanden 2022 3.1.8
Concentraties van armoede
Tabel 4 geeft weer hoe minimahuishoudens en huishoudens met een hoger inkomen zijn verspreid over Den Haag. In de stadsdelen Centrum en Escamp wonen de meeste minima (zie tabel 4). Dit was in voorgaande jaren ook zo. De top vijf wijken met het hoogste percentage minimahuishoudens zijn de Schilderbuurt (42 procent), Moerwijk (37 procent),
17/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Transvaalkwartier (34 procent), Bouwlust en Vrederust (31 procent) en Morgenstond (29 procent). Tabel 4: Verdeling van minimahuishoudens en huishoudens met een hoger inkomen over stadsdelen (aantallen (x1000) en percentages) 110% 130% > 130% Stadsdeel n % n % n % Centrum 10,5 31 13,2 30 33,3 17 Escamp 10,1 30 13,2 30 43,3 22 Laak 3,5 10 4,6 10 14,1 7 Loosduinen 2,2 7 3 7 20,6 10 Segbroek 2,4 7 3,2 7 26,1 13 Scheveningen 2 6 2,8 6 23,5 12 Haagse Hout 2 6 2,6 6 20,1 10 Leidschenveen-Ypenburg 1,1 3 1,5 3 15,6 8 Totaal 33,8 100 44,1 100 196,7 100 Bron: CBS 2022f
3.2
Groepen minimahuishoudens nader belicht
3.2.1
Langdurige minimahuishoudens
In 2020 telt Den Haag 22.600 tot 31.000 huishoudens die 3 jaar of langer tot de minima behoren. Dat komt neer op 67 tot 70 procent binnen de totale groep minimahuishoudens (110 tot 130 procent sociaal minimum). Sinds 2017 groeit het aantal langdurige minima in Den Haag, al lijkt dit zich vanaf 2019 iets te stabiliseren. (zie figuur 11). Figuur 11: langdurige minimahuishoudens 2017-2020 Links: 110 procent sociaal minimum en rechts 130 procent sociaal minimum (aantallen en percentages)
Bron: CBS 2022f, 2021, 2020
18/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Tabel 5 beschrijft de kenmerken van de groep langdurige minimahuishoudens in vergelijking met de groep die minder lang in armoede verkeert. Het beeld is vergelijkbaar met dat in eerdere jaren. Langdurig arme minimahuishoudens komen relatief vaak rond van een bijstandsuitkering of een pensioen en hebben minder vaak een inkomen uit arbeid of een eigen onderneming. Ze zijn vaker alleenstaand ten opzichte van kortdurende minima en hebben vaker een oudere kostwinner. Verder valt op dat langdurig arme minimahuishoudens minder vaak wanbetaler zijn en minder vaak problematische schulden hebben. Hun zorggebruik en/of zorgkosten liggen daarentegen hoger dan bij de kortdurende minimahuishoudens (zie tabel 5).
Tabel 5: kenmerken van minimahuishoudens die langer en korter dan 3 jaar tot de minimagroep behoren in 2020 (aantallen (x 1000) en percentages) > 3 jaar < 3 jaar > 3 jaar < 3 jaar 110% 130% n=22,6 n=11,2 n=31,0 n=13,1 Totaal 67 33 70 30 Primaire inkomstenbron Inkomen uit arbeid 4 18 8 27 Inkomen uit eigen onderneming 2 14 3 15 Bijstandsuitkering 47 34 40 25 Pensioen 31 13 32 11 Overig en onbekend 0 1 0 1 Andere uitkering 16 21 18 22 Huishoudsamenstelling Eenpersoonshuishouden 69 60 64 61 Paar zonder kinderen 10 11 11 11 Paar met kinderen 7 11 9 11 Eenoudergezin 14 16 15 15 Overig huishouden 0 3 1 2 Leeftijd hoofdkostwinner 24 jaar of jonger 1 8 1 10 25 tot 45 jaar 27 46 27 48 45 tot 65 jaar 41 33 39 32 65 jaar of ouder 32 13 33 10 Herkomst Nederlandse achtergrond 41 38 43 40 Met migratieachtergrond 59 62 57 60 Financiële situatie Problematische schulden 17 29 17 27 Zorggebruik Wmo 39 21 37 18 Hoge zorgkosten 28 21 28 19 Langdurig hoge zorgkosten 10 4 10 4 Toeslagen Huurtoeslag 92 64 91 59 Zorgtoeslag 99 90 99 89 Bron: CBS 2022f. Percentages tellen soms op tot 101 procent door afronding
19/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
3.2.2
Kinderen in minimahuishoudens
In bijna een kwart van de minimahuishoudens groeien kinderen op. In deze gezinnen wonen 13.200 tot 18.600 kinderen in de leeftijd van 0 tot 18 jaar (110 tot 130 procent van het sociaal minimum). Dat zijn er in aantal minder dan in 2019, toen het om respectievelijk 13.800 tot 19.200 kinderen ging. Bijna een vijfde van alle kinderen groeit hiermee op in een minimahuishouden (uitgaande van een inkomensgrens van 130 procent van het sociaal minimum). Minimavoorzieningen zijn bedoeld voor kinderen van 4 tot 18 jaar. Zowel het aantal als het percentage kinderen in deze leeftijdscategorie in minimahuishoudens daalde in 2020 ten opzichte van eerdere jaren (zie figuur 12). Figuur 12: kinderen van 4-18 jaar in minimahuishoudens in Den Haag in 2017-2020 Links: 110 procent sociaal minimum en rechts 130 procent sociaal minimum (aantallen en percentages)
Bron: CBS 2022f, 2021, 2020 Uit onderzoek blijkt dat kinderen uit gezinnen met een geldgebrek zich vaker angstig, afhankelijk en ongelukkig voelen dan andere kinderen. Het risico op sociale uitsluiting is groter omdat er minder geld beschikbaar is voor nieuwe kleren, uitstapje en vakantie. Toch zijn veel kinderen uit arme gezinnen tevreden over hun thuissituatie. Armoede zorgt ook niet automatisch voor problemen bij kinderen op de langere termijn. Bijvoorbeeld als armoede tijdelijk is, er geen andere problemen zijn in het gezin er voldoende beschermende factoren zijn, zoals een ondersteunend gezinsklimaat en de beschikbaarheid van een sociaal netwerk. Er is een grotere kans op ontwikkelingsproblemen bij kinderen als armoede langdurig is en er andere risicofactoren of problemen aanwezig zijn. Risicofactoren bij ouders zijn bijvoorbeeld een lage opleiding, werkeloosheid, alleenstaand ouderschap, ziekte, een gebrek aan veerkracht, weinig sociale en steun en financiële zorgen. Risicofactoren in de omgeving zijn bijvoorbeeld een slechte woonsituatie en onveiligheid in de buurt (NJI 2020). De situatie van Haagse kinderen is op een aantal punten kwetsbaar te noemen. Van de minimahuishoudens met kinderen leeft ongeveer twee derde 3 jaar of langer van een laag inkomen (110 en 130 procent sociaal minimum).
Verder is bij een aanzienlijk deel ten minste een van de bovengenoemde risicofactoren aanwezig. Kinderen uit minimahuishoudens groeien veel vaker op in een eenoudergezin dan kinderen uit huishoudens met een hoger inkomen (zie tabel 6). In de minimahuishoudens waar de kinderen wonen, worden verder relatief vaak hoge zorgkosten gemaakt. Dit kan wijzen op gezondheidsproblemen in het gezin. Ook zijn er veel vaker problematische schulden in het gezin dan bij andere kinderen.
20/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Tabel 6: kenmerken van Haagse kinderen van 4-18 in minimahuishoudens en in huishoudens met een hoger inkomen in 2020 (aantallen (x 1000) en percentages). 110% 130% <130% n % n % n % Leeftijd kinderen 4 tot 8 3,3 33 4,4 31 19 29 8 tot 12 3,1 31 4,2 29 19,5 29 12 tot 18 3,6 36 5,7 40 28 42 Huishoudsamenstelling paar met kinderen 3,9 39 5,9 41 53,3 80 eenoudergezin 5,9 59 7,8 55 10,2 15 overig 0,3 3 0,5 3 3,1 5 Jeugdzorg in huishouden ja 3,2 32 4,3 30 13 20 Hoge zorgkosten in huishouden ja 2,5 25 3,4 24 10,2 15 langdurig 0,4 4 0,6 4 1,7 3 Financiële situatie Problematische schulden 3,2 32 4,4 31 7,3 11 Bron: CBS 2022f 3.2.3
Werkende armen
In 2020 hebben 4.900 tot 8.800 minimahuishoudens een inkomen uit werk of een eigen onderneming; dit komt neer op 15 tot 20 procent van de totale groep minimahuishoudens (110 tot 130 procent sociaal minimum). Zowel het aantal als percentage minimahuishoudens met primair inkomsten uit werk daalden ten opzichte van 2019. Toen ging het om 5.600 tot 9.500 huishoudens, oftewel 17 tot 22 procent van alle minimahuishoudens. De daling is het sterkst onder ondernemers, mogelijk als gevolg van de coronasteun voor deze groep. Het armoederisico onder huishoudens met primair inkomsten uit loondienst ligt al enige jaren rond de 2 tot 5 procent (110 tot 130 procent van het sociaal minimum). Het armoederisico onder huishoudens met inkomen uit een onderneming is hoger en lag in 2020 op 8 tot 11 procent (110 tot 130 procent van het sociaal minimum). Dat is iets lager dan in de voorgaande jaren (CBS 2022, CBS 2021). Planbureaus zoals het CBS en het SCP rapporteren doorgaans over werkend arme personen en niet over huishoudens. De meest recente gegevens over werkende arme Hagenaars gaan over 2019. Toen telde Den Haag 14.300 werkend arme personen in de leeftijd van 18 tot 65 jaar, uitgaande van een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en een vermogen tot de gestelde grenzen hiervoor in de Participatiewet.
Binnen de groep Haagse werkenden hebben ze een aandeel van 6 procent, terwijl ze een kwart van de totale groep minima vertegenwoordigen. Van de 14.300 werkend arme personen hadden er 8.000 een inkomen uit loondienst, 4.800 uit een eigen onderneming en 1.500 uit beiden. De afgelopen jaren fluctueerde het aantal werkend arme personen enigszins, tussen de 15.600 personen (2015) en 13.600 personen (2018). Werkend arme personen in loondienst werken relatief minder vaak fulltime en hebben vaker een flexibel arbeidscontract dan niet arme werkenden. Van de Haagse werkende armen in loondienst werkt ruim een kwart in de horeca of handel, bijna een kwart in de zakelijke dienstverlening (inclusief uitzendbureaus) en 11 procent werkt in de gezondheids- en welzijnszorg. Zelfstandigen werken relatief vaker in de landbouw, industrie en de culturele en recreatieve sector (CBS 2019, 2020).
21/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
4 BEREIK VAN MINIMAREGELINGEN Dit hoofdstuk beschrijft het bereik van de gemeentelijke minimaregelingen. In de komende paragrafen komen de Ooievaarspas, de Haagse zorgverzekering, het kindpakket (voorzieningen verstrekt door Leergeld Den Haag), de individuele inkomenstoeslag, de tegemoetkoming voor langdurig zieken en gehandicapten, bijzondere bijstand en de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen aan de orde.
4.1
Verzamelbereik
In 2020 gebruikt 83 of 79 procent een of meer gemeentelijke minimaregelingen (110 of 130 procent van het sociaal minimum, zie tabel 7). Dit verzamelbereik daalde licht onder de meeste inkomensgroepen. Tabel 7: omvang minimapopulatie (aantallen) en verzamelbereik in 2017-2020 per inkomensgroep (aantallen (x 1000) en percentages) Omvang (n) Bereik (%) 2017 2018 2019 2020 2017 2018 2019 Totale groep minimahuishoudens 105% sm 30,3 29,7 29,5 29,5 86 85 84 110% sm 35 34,1 33,7 33,8 85 85 84 130% sm 45,9 44,9 44,1 44,1 81 81 80 150% sm 54,5 53,6 52,6 52.5 76 76 75 Langdurige minimahuishoudens 105% sm 18 18,5 18,7 18,8 94 94 94 110% sm 21,8 22,2 22,5 22,6 93 93 93 130% sm 30,8 31,1 31,2 31 90 90 90 150% sm 38 38,1 38,1 37,8 84 85 85 Bron: CBS 2021l, CBS 2020b
2020 84 83 79 73 94 93 89 84
Het verzamelbereik is met (ruim) 90 procent het hoogst onder eenoudergezinnen (zie tabel 8). Het bereik onder minima met een pensioen is eveneens hoog. Verder valt op dat het bereik onder kwetsbare minima, zoals minima met hoge zorgkosten en minima met schulden, hoog is. Alle minimahuishoudens met bijstand als voornaamste bron van inkomen gebruiken ten minste één regeling. Dat heeft vooral met de Ooievaarspas te maken, omdat de pas automatisch wordt toegekend aan alle Haagse bijstandsgerechtigden. Van de minima die rondkomen van andere uitkering gebruikt 71 procent 1 of meer minimaregelingen. In 2019 was het bereik onder deze groep nog een stuk hoger. Het bereik onder minima met een jongere kostwinner (tot 24 jaar) is laag en daalde ook ten opzichte van 2019. Hetzelfde geldt voor minimahuishoudens met inkomsten uit werk of een eigen onderneming. Van deze laatste groep maakte wel een groter deel gebruik van de Tozo-regeling of een andere regeling voor ondernemers; naar schatting bijna de helft (CBS 2020).
22/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Tabel 8: verzamelbereik in 2017-2020 van minimaregelingen onder minimahuishoudens naar achtergrondkenmerken (110 en 130 procent sociaal minimum, percentages) 110% 130% 2017 2018 2019 2020 2017 2018 2019 Totaal bereik Soort huishouden Eenpersoonshuishouden Paar zonder kinderen Paar met kinderen Eenoudergezin Overig huishouden Leeftijd hoofdkostwinner 24 jaar of jonger 25 tot 45 jaar 45 tot 65 jaar 65 jaar of ouder Bron van inkomen Inkomen uit arbeid Inkomen onderneming Bijstandsuitkering Pensioen Andere uitkering Financiële situatie Problematische schulden Zorggebruik Hoge zorgkosten Langdurig hoge kosten Wmo indicatie
2020
85
85
84
83
81
81
80
79
85 80 81 93 71
85 80 81 92 76
84 79 80 92 73
83 78 81 92 73
80 75 80 92 73
80 74 80 91 76
79 74 79 90 73
77 71 78 90 71
66 80 89 92
60 79 89 92
56 77 88 91
51 76 87 91
60 76 86 87
55 75 86 87
50 73 85 87
45 71 84 86
51 22 100 92 82
51 20 100 92 83
49 19 100 91 82
47 14 100 91 75
53 22 100 87 79
54 20 100 87 76
52 19 100 86 79
48 14 100 86 71
-
-
-
81
-
-
-
77
97
93 95 97
92 95 97
92 95 96
95
89 92 95
89 93 94
88 92 94
Bron: CBS 2022f, 2021, 2020 Bereik per stadsdeel Tabel 9 geeft het verzamelbereik weer per stadsdeel. Het bereik in stadsdelen Centrum, Escamp en Loosduinen is relatief hoog. Het bereik in de andere stadsdelen is lager (zie tabel 9). Het verzamelbereik is het laagst onder minimahuishoudens in stadsdeel Segbroek. Dit was in 2019 ook het geval.
23/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Tabel 9: omvang minimapopulatie per stadsdeel (in aantallen (x1000)) en verzamelbereik (percentage) van minimaregelingen per stadsdeel in 2020 (110 en 130 procent sociaal minimum) 110% 130% Stadsdeel Omvang (n) Bereik (%) Omvang (n) Bereik (%) Centrum 10,5 85 13,2 81 Escamp 10,1 86 13,2 82 Laak 3,5 79 4,6 74 Loosduinen 2,2 86 3 81 Segbroek 2,4 74 3,2 67 Scheveningen 2 79 2,8 73 Haagse Hout 2 82 2,6 78 Leidschenveen-Ypenburg 1,1 81 1,5 76 Den Haag 33,8 83 44,1 79 Bron: CBS 2022f, 2021, 2020
4.2
Ooievaarspas
De Ooievaarspas is bedoeld voor minima met een huishoudinkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. In totaal heeft 70 procent van deze groep in 2020 een Ooievaarspas. Het bereik daalde licht ten opzichte van eerdere jaren, in lijn met een daling van het aantal verstrekte passen. In 2020 waren tijdens het eerste COVID jaar veel activiteiten gesloten of afgelast. Hierdoor was de noodzaak om een Ooievaarspas aan te vragen mogelijk lager. Vooral onder eenoudergezinnen, huishoudens met een oudere kostwinner, huishoudens met inkomen uit bijstand of een pensioen en langdurige minimahuishoudens is het bereik hoog. Dat geldt ook voor huishoudens met problematische schulden en (langdurig) hoge zorgkosten (zie tabel 10). Andere huishoudens worden minder goed bereikt. Zo is het gebruik van onder huishoudens met een jongere hoofdkostwinner (tot 24 jaar), inkomen uit werk en inkomen uit een andere uitkering veel lager dan gemiddeld onder de minimapopulatie. Bovendien daalde het bereik onder deze groepen ten opzichte van voorgaande jaren.
Tabel 10: bereik Ooievaarspas in 2017-2020 onder minimahuishoudens met een Inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en onder minimahuishoudens met een lager en hoger inkomen (percentages) 2017 2018 2019 2020 Bereik (130%) 73 73 72 70 Soort huishouden Eenpersoonshuishouden 70 70 69 67 Paar zonder kinderen 63 64 63 61 Paar met kinderen 75 75 75 74 Eenoudergezin 88 88 87 86 Leeftijd hoofdkostwinner < 24 jaar 50 44 40 36 25-45 jaar 69 69 67 65 45-65 jaar 75 75 75 73 65 + 80 79 79 78
24/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Tabel 10: vervolg Ooievaarspas Bron van inkomen Inkomen uit arbeid Inkomen uit eigen onderneming Bijstandsuitkering Andere uitkering Pensioen Financiële situatie Problematische schulden Zorggebruik Hoge zorgkosten Langdurig hoge zorgkosten Wmo Alle minimahuishoudens 105% sm 110% sm 130% sm 150% sm Langdurige minima 105% sm 110% sm 130% sm 150% sm Bron: CBS 2022f, 2021, 2020
4.3
2017
2018
2019
2020
42 16 100 51 79
45 16 100 53 78
43 15 100 52 78
39 11 100 48 77
-
-
-
70
85
79 79 85
79 81 84
78 80 84
79 77 73 67
78 77 73 67
77 76 72 66
77 75 70 65
87 85 81 76
88 85 82 76
87 85 81 76
87 85 80 75
Kindpakket Leergeld Den Haag
Leergeld Den Haag biedt namens de gemeente Den Haag verschillende voorzieningen aan kinderen uit minimahuishoudens zoals de schoolspullenpas, de winterkledingpas, squlathuisabonnement, computers en fietsen. De voorzieningen zijn bedoeld voor kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar uit minimahuishouden met een huishoudinkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. Het bereik onder de minimahuishoudens met kinderen van 4 tot 18 jaar is 78 procent. Dat is lager dan in de voorgaande jaren, ook in lijn met een daling van het totale aantal verstrekkingen vanuit Leergeld Den Haag in 2020 ten opzichte van 2019 (Leergeld 2021). Onder eenoudergezinnen, minima met inkomen uit bijstand, minima met schulden en hoge zorgkosten is het bereik relatief hoog. Dat geldt ook voor het bereik onder langdurige minima. Onder minima met inkomsten uit werk en onder huishoudens met een jongere hoofdkostwinner (tot 24 jaar) is het bereik lager.
25/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Tabel 11: bereik Kindpakket Leergeld Den Haag in 2017-2020 onder minimahuishoudens met kinderen van 4-18 en een inkomen tot 130 procent sm én onder minimahuishoudens met een lager en hoger inkomen (percentages) 2017 2018 2019 2020 Bereik (130%) 83 81 80 78 Soort huishouden Paar met kinderen 79 77 76 74 Eenoudergezin 88 85 84 82 Leeftijd hoofdkostwinner < 24 jaar 74 64 25-45 jaar 84 81 80 78 45-65 jaar 83 82 82 80 65 + 73 70 Bron van inkomen Inkomen uit arbeid 73 70 69 65 Inkomen uit eigen onderneming 35 28 27 24 Bijstandsuitkering 96 94 94 94 Andere uitkering 81 75 80 71 Financiële situatie Problematische schulden 75 Zorggebruik Hoge zorgkosten 83 85 81 Langdurig hoge zorgkosten 83 86 83 Wmo 92 89 88 88 Alle minimahuishoudens 105% sm 86 84 82 82 110% sm 86 84 82 81 130% sm 83 81 80 78 150% sm 80 77 76 74 Langdurige minima 105% sm 92 90 90 90 110% sm 91 90 90 89 130% sm 89 87 88 86 150% sm 86 84 84 81 Bron: CBS 2022f, 2021, 2020 Het gebruik is ook afgezet tegen de potentiële doelgroep van kinderen uit minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum. Ruim 8 van de 10 kinderen uit de doelgroep wordt bereikt, al zien we hier eveneens een daling ten opzichte van voorgaande jaren (zie tabel 12).
26/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Tabel 12: bereik kindpakket in 2017-2020 onder kinderen uit minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent sociaal minimum in 2017-2020, naar leeftijd en huishoudinkomen (percentages) 2017 2018 2019 2020 Bereik (130%) 86 83 83 81 Leeftijd 4 tot 8 85 82 81 80 8 tot 12 89 86 85 83 12 tot 18 85 84 84 81 Alle minimahuishoudens 105% sm 88 86 84 84 110% sm 88 86 85 84 130% sm 86 83 83 81 150% sm 83 80 79 77 Bron: CBS 2021l, CBS 2020b
4.4
Haagse zorgverzekering
De Haagse zorgverzekering is bedoeld voor minima met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum en weinig vermogen. De gemeentelijke bijdrage is het hoogst voor minimahuishoudens met een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum (uitgaande van een pakket met een uitgebreide dekking). Van deze groep maakt 54 procent gebruik van de Haagse zorgverzekering. Dat is vergelijkbaar met voorgaande jaren (zie tabel 13). Het bereik is verhoudingsgewijs hoog onder minimahuishoudens met een wat oudere hoofdkostwinner (45 jaar en ouder, vooral 65 jaar en ouder), onder minima met bijstand of een pensioen. Dat geldt ook voor minimahuishoudens waar (langdurig) hoge zorgkosten worden gemaakt, of waar iemand een Wmo-indicatie heeft (peiljaar 2019). Onder huishoudens met een jonge hoofdkostwinner (jonger dan 24), inkomen uit werk of eigen onderneming en onder huishoudens met problematische schulden is het gebruik lager.
27/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Tabel 13: bereik Haagse zorgverzekering in 2017-2020 onder minimahuishoudens met een inkomen tot 110 procent sociaal minimum én onder minimahuishoudens met een lager en hoger inkomen (percentages) 2017 2018 2019 2020 Bereik (110%) 53 54 55 54 Soort huishouden Eenpersoonshuishouden 52 53 54 53 Paar zonder kinderen 59 60 61 60 Paar met kinderen 53 57 58 58 Eenoudergezin 51 52 52 52 Leeftijd hoofdkostwinner < 24 jaar 33 27 23 18 25-45 jaar 39 40 41 39 45-65 jaar 58 59 60 60 65 + 69 70 70 69 Bron van inkomen Inkomen uit arbeid 21 22 24 19 Inkomen uit eigen onderneming 9 9 9 6 Bijstandsuitkering 60 61 63 62 Andere uitkering 47 48 49 45 Pensioen 68 70 70 69 Financiële situatie Problematische schulden 28 Zorggebruik Hoge zorgkosten 58 63 62 Langdurig hoge zorgkosten 61 68 68 Wmo 67 68 69 68 Alle minimahuishoudens 105% sm 53 54 55 54 110% sm 53 54 55 54 130% sm 49 50 51 49 150% sm 45 44 47 45 Langdurige minima 105% sm 64 65 66 66 110% sm 63 64 65 65 130% sm 58 59 60 60 150% sm 53 55 56 55 Bron: CBS 2022f, 2021, 2020
4.5
Individuele inkomenstoeslag
Individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor minima tussen de 21 jaar en AOW-leeftijd met gedurende een periode van 36 maanden een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum hebben en weinig vermogen. Studenten zijn uitgesloten. In totaal vraagt 72 procent van de doelgroep de toeslag aan (zie tabel 14). Dat is een toename ten opzichte van eerdere jaren.
28/35
Armoedemonitor CBS onderzoek naar kenmerken van de Haagse minima en het bereik van minimaregelingen
Het bereik is verhoudingsgewijs hoog onder eenpersoonshuishoudens en eenoudergezinnen en onder minima met bijstand. Ook onder minimahuishoudens waar (langdurig) hoge zorgkosten worden gemaakt is het gebruik hoog. Het gebruik is lager onder paren zonder kinderen en onder minima met inkomen uit werk of een andere uitkering. Het lage bereik onder minimahuishoudens met een kostwinner van 65 jaar of ouder heeft te maken met de leeftijdsgrens van deze regeling (tot AOW-leeftijd). Tabel 14: bereik individuele inkomenstoeslag in 2017-2020 onder minimahuishoudens met 3 of meer drie kalenderjaren een inkomen tot 110 procent sm én onder minimahuishoudens met een lager en hoger inkomen (percentages) 2017 2018 2019 2020 Bereik (110% & > 3 jaar arm) 66 70 71 72 Soort huishouden Eenpersoonshuishouden 68 72 74 75 Paar zonder kinderen 41 42 41 42 Paar met kinderen 62 65 66 69 Eenoudergezin 73 76 77 78 Leeftijd hoofdkostwinner < 24 jaar 37 56 61 44 25-45 jaar 64 67 69 70 45-65 jaar 72 75 77 78 65 + 18 26 34 34 Bron van inkomen Inkomen uit arbeid 30 32 34 32 Inkomen uit eigen onderneming 3 5 4 5 Bijstandsuitkering 84 87 90 90 Andere uitkering 50 53 49 49 Pensioen 21 21 22 20 Financiële situatie Problematische schulden 70 Zorggebruik Hoge zorgkosten 72 73 74 Langdurig hoge zorgkosten 73 75 74 Wmo 74 76 77 77 Alle minimahuishoudens 105% Sm 70 73 75 76 110% Sm 66 70 71 72 130% Sm 59 61 63 63 150%