CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS314944 Nationaal Park Hollandse Duinen bijlage

Commissie Leefomgeving 31 augustus 2023, gemeente Den HaagBij agendapunt: Brief van wethouder Onderwijs, Jeugd en Sport en wethouder Mobiliteit en Buitenruimte inzake Nationaal Park Hollandse Duinen28.449 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, d.d. 28 augustus 2017

COLOFON

Rapportnummer: Versie rapport: Datum rapport:

20160402/rap01 2 28 augustus 2017

Opdrachtgever:

Provincie Zuid-Holland (PZH) Leefomgeving en bestuur / Water en Groen

Auteur: Projectleider: Kwaliteitscontrole:

S. (Sjoerd) van Donselaar F. (Francine) van der Loop F. (Francine) van der Loop

Foto voorzijde:

Foto Noordse woelmuis, copyright Kees Mostert (PZH) Overige foto’s, copyright Douwe Schut (ATKB)

1 INLEIDING ........................................................................................................................................... 1 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 1 1.2 Doel ................................................................................................................................................ 1 1.3 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 1 2 ACHTERGROND ................................................................................................................................. 2 2.1 Theorie ecologische verbindingen ................................................................................................. 2 2.2 Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) ................................................................................. 3 3 WERKWIJZE ........................................................................................................................................ 6 3.1 Beheertypen ...................................................................................................................................

6 3.2 Doelsoorten .................................................................................................................................... 6 3.3 Opbouw factsheets ........................................................................................................................ 7 4 INRICHTING EN BEHEER VAN ECOLOGISCHE VERBINDINGEN ................................................. 9 4.1 Bepalende factoren bij inrichting .................................................................................................... 9 4.2 Water/moeras/ruigte ...................................................................................................................... 9 4.3 Graslanden (nat schraalland, vochtig hooiland, bloemrijk grasland) ........................................... 10 4.4 Struweel/bos ................................................................................................................................ 12 5 EVALUATIE FUNCTIONEREN ECOLOGISCHE VERBINDINGEN ................................................. 14 5.1 Evaluatie van ontwikkeling beheertypen...................................................................................... 14 5.2 Evaluatie gebruik door doelsoorten .............................................................................................

14 6 OVERZICHT ECOLOGISCHE VERBINDINGEN PER DEELGEBIED ............................................. 17 7 RIJNLAND EN BOLLENSTREEK ..................................................................................................... 19 8 WESTLAND EN DELFLAND ............................................................................................................. 32 9 KRIMPENER- EN LOPIKERWAARD ................................................................................................ 39 10 ALBLASSERWAARD ...................................................................................................................... 44 11 HOEKSCHE WAARD ...................................................................................................................... 51 12 VOORNE-PUTTEN .......................................................................................................................... 61 13 GOEREE-OVERFLAKKEE .............................................................................................................. 71 14 LITERATUUR ................................................................................................................................... 82 Bijlage 1 Overzichtskaart prioritering ecologische verbindingenSECTIE EINDE NIET VERWIJDEREN !!

1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel In Nederland wordt gewerkt aan een robuust natuurnetwerk om natuurgebieden beter met elkaar te verbinden. Het doel is dat flora en fauna zich vrij kunnen verplaatsen door het landschap, waardoor zij nieuwe leefgebieden kunnen bereiken of bestaande populaties kunnen versterken. Het plan wordt Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) genoemd. Ecologische verbindingen zijn de schakels in dit netwerk. Bij de provincie Zuid-Holland is behoefte aan een herziening en actualisering van de stand van zaken omtrent de ecologische verbindingen binnen de provinciegrenzen. Het laatste rapport dateert uit 1997/1998 en sindsdien zijn er verbindingen gerealiseerd, geschrapt, toegevoegd en zijn de ambities soms gewijzigd. 1.2 Doel In dit rapport wordt een beschrijving gegeven van alle ecologische verbindingen in Zuid-Holland. Dit betreffen zowel verbindingen die als afgerond worden beschouwd als nog niet gerealiseerde verbindingen met de prioriteiten 1 en 2 (opgave 2014-2020) én prioriteit 3 (opgave 2021-2027). Per verbinding wordt een korte beschrijving gegeven van het streefbeeld voor de natuur, de doelsoorten en welke gebieden met elkaar worden verbonden.

Naast een beschrijving van de stand van zaken per verbinding zijn de reeds ingerichte (delen van) verbindingen ingetekend op de GIS-natuurbeheerkaart en voorzien van een SNL-beheertype. Voor de nog niet gerealiseerde (delen van) verbindingen is een globale ambitie van de beheertypen gegeven. Deze informatie komt beschikbaar in het digitale Natuurbeheerplan dat is in te zien via het webportaal van de provincie Zuid-Holland (http://pzh.b3p.nl/viewer/app/Natuurbeheerplan). 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de theorie rond het ver- en ontsnipperen van natuurgebieden besproken, ook wordt hier de SNL-regeling toegelicht. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 de gehanteerde werkwijze besproken en volgt een gebruikshandleiding voor de factsheets. Per onderwerp is een toelichting gegeven waarin onder andere is te lezen hoe de gegevens geïnterpreteerd dienen te worden en op basis van welke overwegingen bepaalde keuzes zijn gemaakt. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 aanknopingspunten gegeven voor de inrichting en het beheer van ecologische verbindingen. Gekozen is deze onderwerpen op biotoopniveau te behandelen. Het gaat om de volgende drie biotopen: water/moeras/(natte)ruigte, graslanden en struweel/bos. Een beknopt voorstel voor de evaluatie van het functioneren van ecologische verbindingen is in hoofdstuk 5 gegeven.

In hoofdstuk 6 volgen de beschrijvingen van de ecologische verbindingen in de provincie ZuidHolland. Er is voor gekozen de provincie op te delen in deelgebieden; per deelgebied worden eerst de prioritaire en dan de gerealiseerde verbindingen besproken. Hoofdstuk 6 is een overzicht met alle verbindingen en de bijbehorende pagina waarop de verbinding beschreven wordt. Aan de hand van de coderingen op de overzichtskaart (bijlage 1) kan via dit overzicht de bijbehorende beschrijving opgezocht worden. In de hoofdstukken 7 t/m 13 zijn de beschrijvingen te vinden, hier is een indeling in deelgebieden aangehouden.

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

Blz. 1 van 84

2 ACHTERGROND 2.1 Theorie ecologische verbindingen 2.1.1 Versnipperingsproblematiek Eén van de belangrijkste oorzaken voor de achteruitgang van de biodiversiteit en het lokaal verdwijnen van soorten is versnippering van leefgebied. Door intensivering van de landbouw, de aanleg van (water/spoor)wegen en de uitbreiding van steden worden leefgebieden kleiner, is de kwaliteit afgenomen en raken gebieden geïsoleerd. Geïsoleerde populaties worden door verminderde genetische variatie kwetsbaar voor ziekten en kunnen zich minder snel aanpassen aan veranderende omstandigheden, zoals klimaatverandering of aanpassingen in het landschap. Door het aanleggen van ecologische verbinding, in combinatie met het opheffen of passeerbaar maken van barrières, worden natuurgebieden met elkaar verbonden en worden nieuw te realiseren natuurgebieden aangesloten op bestaande gebieden. Hierdoor kunnen alle soorten zich vrij bewegen tussen de verschillende natuurgebieden en nieuwe gebieden bevolken. 2.1.2 Opbouw ecologische verbinding De verbindingen in Zuid-Holland bestaan uit een langgerekte corridor (vaak langs een watergang) aangevuld met grote en kleine stapstenen (figuur 1)1. De ambitie is dat overal tussen de stapstenen een corridor aanwezig is. De stapstenen zijn van voldoende kwaliteit om te fungeren als foerageeren/of voorplantingsgebied.

In de corridor gaat het primair om verspreiding en is de aanwezigheid van bepaalde structuurelementen (natuurlijke oevers, houtwallen) belangrijk. Bij het ontwerp van een ecologische verbinding wordt eerst bekeken welk type natuurgebied met elkaar verbonden moet worden (moeras, heide, duinen) en welke beheertypen daar aanwezig zijn. Op basis hiervan worden doelsoorten gekozen. De eisen van deze soorten bepalen de inrichting. Om zo veel mogelijk soorten te bedienen bestaat een ecologische verbinding vaak uit een schakering van meerdere beheertypen.

Figuur 1: Impressie stapsteen/corridor-verbinding (bron: Plan Argusvlinder, 2000).

1 In het handboek Robuuste Verbindingen van Alterra (Alterra, 2001) worden landelijk vier verschillende typen

verbindingen onderscheiden. Namelijk de corridor-verbinding, de stapsteen-verbinding, de leefgebied-verbinding met sleutelgebieden en de leefgebied-verbinding zonder sleutelgebieden. Omdat de provinciale verbindingen enkel volgens het corridor-principe zijn/worden gerealiseerd worden de overige typen niet nader besproken. Blz. 2 van 84

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

Corridor-verbinding In een corridor-verbinding zijn de stapstenen en leefgebieden verbonden door een dispersie-corridor (figuur 2). Omdat in een dispersie-corridor geen voortplanting hoeft plaats te vinden, hoeft de kwaliteit niet het niveau van de natuurdoeltypen in de leefgebieden en stapstenen te halen. De stapstenen moeten echter wel van voldoende kwaliteit zijn voor voortplanting. Dit type verbinding is geschikt voor alle doelsoort(groepen); voor soort(groep)en met een lage mobiliteit (zoals amfibieën en kleine grondgebonden zoogdieren) is dit tevens de enige geschikte manier (Alterra, 2001).

Figuur 2: Schematische weergave van een corridor-verbinding (bron: Groene Schakels, voorbeeldenboek Provincie Noord-Brabant).

2.1.3 Voorkomen en verhelpen barrières In of langs het tracé van een ecologische verbinding kunnen barrières liggen. Het gaat hier met name om (water)wegen, spoorlijnen, stuwen en gemalen. De gevoeligheid voor dergelijke barrières verschilt per soort(groep). Over het algemeen is immobiele fauna (zoals kleine grondgebonden zoogdieren, amfibieën en reptielen) gevoeliger dan mobiele fauna (zoals vogels en vliegende insecten). Barrières zijn op te delen in drie typen, die voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van de eigenschappen van een soort: 1) Harde barrières: de fysieke eigenschappen maken passeren onmogelijk; 2) Zachte barrières; soorten vermijden de directe omgeving van de barrière door habitatverlies of verstoring (licht, geluid en/of beweging); 3) Sterfte door aanrijding en verdrinking: bijvoorbeeld dassen op wegen en reeën in kanalen. Onder het motto, het is beter te voorkomen dan te genezen, is het bij de tracékeuze van een verbinding belangrijk het aantal kruisingen met infrastructuur te beperken en deze (waar mogelijk) op te heffen. Blijkt het niet mogelijk deze allemaal weg te nemen dan moeten de resterende knelpunten verholpen worden. Om barrières te verhelpen worden zogenoemde faunavoorzieningen aangelegd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van faunapassages: speciale voorzieningen die het voor dieren mogelijk maken om de barrières te passeren.

Daarnaast zijn er voorzieningen die een afschrikkende of geleidende werking hebben, waardoor sterfte door aanrijding of verdrinking verminderd kan worden. Er zijn veel verschillende typen faunavoorzieningen. Er bestaan ecoducten, ecotunnels, hop-overs, looprichels, vispassages, ecoduikers, eekhoornbruggen enz. De keuze voor een type wordt bepaald aan de hand van de eisen van doelsoorten waarvoor de voorziening getroffen wordt. Voor het bepalen van de ambitie en het ontwerp van een faunavoorziening zijn zowel het Handboek Robuuste verbindingen van Alterra als het Leidraad faunavoorziening bij Infrastructuur te gebruiken (Alterra, 2001; Wansink et al, 2013). Na aanleg is monitoring van de effectiviteit van groot belang; eventueel moet bijgestuurd worden op basis van de resultaten hiervan. Op het gebied van de effectiviteit van faunavoorzieningen zijn nog veel kennisleemten; gedegen monitoring draagt bij aan het verminderen hiervan. Als uit de monitoring blijkt dat de verbinding functioneel is voor de beoogde soorten is beheer en onderhoud essentieel om dit zo te houden. 2.2 Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) De provincies zijn in Nederland verantwoordelijk voor het natuurbeleid. Zij voeren het beheer en de inrichting van natuurgebieden en verbindingen echter niet zelf uit maar bepalen in

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

Blz. 3 van 84

natuurbeheerplannen wel het beleidskader (doelen en middelen). In de beheerplannen worden de gebieden begrensd en beschreven waar terreinbeheerders subsidies voor het beheer kunnen krijgen. Deze subsidieverlening loopt via het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). Subsidie voor de verwerving en inrichting ten behoeve van de ontwikkeling van ecologische verbindingen loopt via een andere provinciale subsidieregeling (thans de ‘Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016’). Om de natuurdoelen uit de natuurbeheerplannen uniform, concreet en meetbaar te maken is met de Index Natuur en Landschap (INL) een landelijke “natuurtaal” ontwikkeld. Hierin worden de verschillende typen natuur, agrarische natuur en landschap in Nederland beschreven. Subsidie is alleen mogelijk voor de beheertypen van de Index Natuur en Landschap die in het Natuurbeheerplan zijn begrensd en vastgesteld. Voor de verbindingen zijn alleen de natuurbeheertypen van toepassing; de agrarische natuurtypen en de landschapselementen niet. 2.2.1 SNL-beheertypen Hieronder worden kort de meest voorkomende beheertypen binnen de ecologische verbindingen in Zuid-Holland besproken. De beschrijvingen zijn afkomstig van de website www.portaalnatuurenlandschap.nl. Op deze website is meer informatie te vinden over de beheertypen zoals, afbakening, beheer en kwaliteitsbepaling.

N04.02 Zoete plas Zoete plassen komen vooral voor in het lage deel van Nederland. Het gaat om grote en kleine wateren met voedselrijk, vrij helder, (vrijwel) stilstaand water, waarin waterplanten groeien en verlanding vanaf de oever plaatsvindt. Het kan gaan om meren, plassen, wielen, kolken en dobben, maar ook om relatief smalle trek- of petgaten, vaarten, kanalen en afgekoppelde rivierarmen. N05.01 Moeras Moerassen komen voor op de overgang van zoet water naar land. Moeras ontstaat in stilstaand voedselrijk, zoet water achter de duinen, in overstromingsvlakten van rivieren en beken of in kwelgebieden langs de randen van de zandgronden en in beekdalen. Het beheertype omvat verlandingsvegetaties zoals riet- en biezenvegetaties, natte ruigte en grote zeggenvegetaties. In de verbindingen zijn smalle oevers langs watergangen bij het beheertype zoete plas gerekend en watergangen met brede oevers bij het beheertype moeras. N10.01 Nat schraalland Natte schraallanden zijn zeer soortenrijke graslanden. Agrarische opbrengst van de graslanden is beperkt door de lage productiviteit en doordat de graslanden lastig toegankelijk zijn door de natte bodem. De graslanden kunnen ’s winters onder water staan maar zullen ’s zomers oppervlakkig uitdrogen. Door jaarlijks te hooien blijft het voedselarme karakter behouden. De variatie in de graslanden is groot.

Blauwgraslanden en kleine zeggenvegetaties worden tot nat schraalland gerekend. Hiermee in mozaïek voorkomende dotterbloemhooilanden en veldrusschraallanden worden ook tot nat schraalland gerekend. N10.02 Vochtig hooiland Vochtig hooiland is ontstaan door de ontginning van moerassen of natte bossen en door langdurig gebruik als hooiland. Vochtig hooiland komt voor op natte veen- en kleibodems met een redelijke draagkracht. Het gaat om bloemrijke graslanden, vaak geel van soorten als ratelaar, gewone rolklaver, moerasrolklaver, geel walstro, scherpe boterbloem, kruipende boterbloem of dotterbloem. Vochtig hooiland is minder zeggenrijk dan nat schraalland en de groeiplaats is meestal iets voedselrijker en minder nat. N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland Kruiden- en faunarijk grasland omvat graslanden die kruidenrijk zijn, maar niet tot de schraallanden, vochtig hooiland, zilt grasland en overstromingsgrasland of glanshaverhooiland behoren. Als afbakeningseis is meegegeven dat grassen dominant zijn, maar kruiden en mossen een oppervlakte aandeel hebben van tenminste 20%. De vegetatie kan behoren tot allerlei verbonden

Blz. 4 van 84

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

van graslandvegetaties. Voor de fauna is het eveneens belangrijk dat er voldoende structuurvariatie is, zoals de aanwezigheid van enkele bomen, struweel en watergangen. Het grasland wordt meestal extensief beweid of gehooid en niet of slechts licht bemest. N12.06 Ruigteveld Dit beheertype bestaat voornamelijk uit (hoog opschietende) ruigtekruiden met plaatselijk opslag van struweel (bijvoorbeeld wilg of vlier). Ook kunnen er meer grazige plekken voorkomen, zeker bij begrazing Meestal ontstaat dit beheertype na grootschalige ingrepen, zoals na drooglegging of plotselinge sterke extensivering na een intensief grasland- of akkerbeheer. In de droge ruigte kan ook riet domineren, maar natte groeiplaatsen worden bij het beheertype moeras gerekend. N14.02 Hoogveen- en laagveenbos Hoog- en laagveenbos is bos op natte standplaatsen op venige bodem met dominerende soorten als zwarte els, zachte berk en grauwe wilg. Soms zijn deze bossen heel structuurrijk, soms vrij uniform. Hoog- en laagveenbos omvat bossen en struwelen en komt in vrijwel alle landschapstypen voor, waarbij hoogveenbossen tot de meest zeldzame broekbossen behoren. Op open plekken domineren moerasplanten. N14.03 Haagbeuken- en essenbos Haagbeuken- en essenbos wordt gedomineerd door diverse boomsoorten zoals haagbeuk, gewone es, esdoorn en gladde iep.

Het betreft rijke bossen op klei- of leemgrond en/of op bodems waar aanrijking plaatsvindt met basen door periodiek hoge grondwaterstanden buiten de invloed van beek of rivier. De bijbehorende struwelen maken ook onderdeel uit van dit type. Het bostype is vaak rijk in structuur en kent op sommige locaties een opvallende voorjaarsflora. Haagbeuken- en essenbos komt op verschillende bodemtypen voor met een basisch en vochtig tot vrij nat karakter. Het meeste bos wat tot het beheertype behoort is aangeplant. Ook aangeplante wilgen- en populierenbossen in polders behoren hiertoe.

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

Blz. 5 van 84

3 WERKWIJZE 3.1 Beheertypen De benodigde informatie voor het bepalen van de beheertypen in de huidige en toekomstige (ambities en streefbeelden) situatie is afkomstig uit: - overleg met beleidsmedewerkers van de provincie Zuid-Holland (Joop Kooijman en Rob ter Horst); - kaart prioritering ecologische verbindingen Zuid-Holland, versie 20160906; - werkdocument (UPG Biodiversiteit en Ecologische verbindingen) met beschrijving stand van zaken realisatie ecologische verbindingen; - factsheets van verbindingen met prioriteit 1 t.b.v. uitwerking van de realisatiestrategie NNN; - bestaande inrichtingsplannen, natuurbeheerplannen, schetsontwerpen en subsidieaanvragen; - luchtfoto’s (o.a. Google earth, Google maps en/of Bing maps); - veldbezoeken (enkel indien bovenstaande niet toereikend was; niet alle verbindingen zijn bezocht). De beschikbare informatie is geanalyseerd en samen met een expert-oordeel gebruikt als input voor de volgende onderwerpen: - ambities en streefbeelden (bij prioritaire verbindingen); - kenschets (bij gerealiseerde verbindingen); - doelsoorten; - intekening op GIS-kaart. 3.2 Doelsoorten Bij de inrichting van ecologische verbindingen wordt gedacht vanuit de eisen en wensen van doelsoorten.

Enerzijds bepalen de eigenschappen (onder andere dispersiekracht en habitatvoorkeur) van deze soorten de inrichting en anderzijds kunnen de soorten gebruikt worden om de genomen maatregelen te evalueren. De keuze van de doelsoorten richt zich op: - het behalen van de internationale natuurdoelen (soorten en habitats als genoemd in de Wet natuurbescherming, waarvoor binnen Zuid-Holland geen vrijstellingsbesluit is); - de doelen binnen het Natuurnetwerk Nederland (de kwalificerende SNL-soorten van de te verbinden beheertypen). Daarnaast zijn er (in overleg met de provincie) enkele soorten toegevoegd die niet op deze lijsten staan, maar die wel redelijk zeldzaam geworden zijn in Zuid-Holland en die de verbindingen nodig hebben voor een goede verspreiding. Dit betreffen de volgende soorten: dwergspitsmuis, dwergmuis, rosse woelmuis, oranjetipje, wekkertje, mos- en zandhommel. Voor enkele, via de Wet natuurbescherming beschermde soorten, geldt een vrijstelling binnen de provincie. Bij ruimtelijke ingrepen (en bestendig beheer en onderhoud) zijn deze soorten niet specifiek beschermd. Echter de verbindingen zijn wel van belang voor deze soorten en enkele van deze soorten zijn als doelsoort opgenomen. De binnen de provincie Zuid-Holland vrijstelde doelsoorten betreffen onder meer bunzing, hermelijn en wezel.

Met name de minder mobiele fauna is gebaat bij ecologische verbindingen, daarom ligt de focus op de soortgroepen amfibieën, reptielen, grondgebonden zoogdieren, vlinders, sprinkhanen en libellen. Ook voor vissen zijn verbindingen belangrijk. Hiervoor is het met name essentieel dat er een doorlopende watergang aanwezig is, maar de natuurvriendelijke oevers hebben ook een positieve invloed op deze soortgroep. Tevens zijn soort(groep)en opgenomen die meeliften op de ontwikkeling, maar hier niet afhankelijk van zijn voor hun dispersie (zoals broedvogels en vleermuizen). Per verbinding is een selectie gemaakt van de meest representatieve doelsoorten. De meest kritische soorten, die gebruik moeten kunnen maken van de verbinding, zijn in ieder geval opgenomen.

Blz. 6 van 84

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

3.3 Opbouw factsheets Per ecologische verbinding is één factsheet opgesteld. In dit hoofdstuk wordt de opbouw hiervan besproken en worden de verschillende onderwerpen toegelicht. Code, naam en status Alle verbindingen zijn op te delen in vier categorieën (of statussen), namelijk: gerealiseerd, prioriteit 1 (opgave 2014-2020), prioriteit 2 (opgave 2014-2020) en prioriteit 3 (opgave 2021-2027). Per status hanteert de provincie een andere codering. De prioritaire verbindingen zijn respectievelijk gecodeerd van 1 t/m 9, A t/m P en a t/m n. De gerealiseerde verbindingen worden aangeduid met G1G25. De codering, naamgeving en status van de prioritaire verbindingen is overgenomen uit de kaart en het overzicht van de stand van zaken van de provincie Zuid-Holland. De naamgeving van de gerealiseerde verbindingen is overgenomen van het rapport uit 1997 (Provincie Zuid-Holland, kenmerk RGG/AG/139078A, d.d. 4 december 1997). Over het algemeen bestaat de naam uit de twee gebieden die met elkaar verbonden worden, bijvoorbeeld Kleine Gat-Vuile Gat. Type verbinding Hier wordt het globale karakteristiek van de verbinding gegeven. Dit kan een combinatie van biotopen zijn, bijvoorbeeld moeras- en schraallandverbinding.

De karakteristiek is bepaald aan de hand van de aanwezige natuurwaarden in de te verbinden gebieden en de fysisch-geografische eigenschappen van de percelen die in het beoogde tracé gelegen zijn. Lengte en breedte Hier wordt de totale lengte in kilometers na realisatie gegeven; dit is inclusief natuurgebieden die in de verbinding liggen. De breedte van de verbinding wordt aangeven in meters en is inclusief eventuele watergangen die aanwezig zijn. Omdat de breedte van gerealiseerde verbindingen nogal kan variëren is gekozen zowel de breedte van het smalste deel als de breedte van het breedste deel weer te geven. Voor prioritaire verbindingen betreft het een ambitie voor de corridor en wordt gesproken over een beoogde breedte; er wordt geen breedte van de stapstenen gegeven. Beheertypen Hier worden de SNL-beheertypen genoemd die in de verbinding voor komen. Bij de nog niet gerealiseerde verbindingen wordt aan de hand van een procentuele verdeling een globale ambitie meegegeven. Deze ambitie is niet in beton gegoten en kan afhankelijk van de plaatselijke (on)mogelijkheden anders uitvallen. Kaartje Op een topografische ondergrond (J.W. van Aalst, www.opentopo.nl) is de verbinding weergegeven met de bijbehorende code. Niet alleen de betreffende verbinding is zichtbaar, maar ook de verbindingen in de omgeving en natuur- en recreatiegebieden.

De legenda van de overzichtskaart (bijlage 1) is ook van toepassing op de kaartjes bij de beschrijvingen. Kenschets/ambitie en streefbeeld Onder dit kopje wordt bij gerealiseerde verbindingen een kenschets gegeven met hierin beknopt de inrichting, de ligging en het doel. Voor prioritaire verbindingen wordt hetzelfde gedaan, maar wordt gesproken over de ambitie en het streefbeeld. Doelsoorten Hier staan de doelsoorten waarvoor de verbinding gerealiseerd is/wordt. Het betreft een selectie van de meest kenmerkende en kritische soorten en niet een complete lijst met alle mogelijke doelsoorten. Hier is voor gekozen omdat de lijst, door de kwalificerende SNL-soorten, anders erg lang zou worden. Broedvogels en vleermuizen zijn opgenomen als meeliftende soort(groep)en, omdat ze voor hun dispersie niet direct afhankelijk zijn van provinciale ecologische verbindingen. Voor broedvogels is een selectie gemaakt van soorten die kunnen broeden in de verbindingen. De vleermuizen worden als soortgroep genoemd indien de verbinding geschikt is als vliegroute. (Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

Blz. 7 van 84

Knelpunten Onder dit kopje worden eventuele barrières die in de verbinding liggen genoemd. Hierbij ligt de focus op grote barrières als de provinciale- en snelwegen, spoorlijnen, bruggen, brede lijnvormige wateren met steile oevers en gemalen. Indien een barrière reeds ontsnipperd is of er concrete ontsnipperingsplannen zijn wordt dit benoemd. Lokale wegen zijn niet opgenomen als knelpunt. Knelpunten voor vismigratie zijn afkomstig uit de landelijke database vismigratie, versie 2015.

Blz. 8 van 84

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

4 INRICHTING EN BEHEER VAN ECOLOGISCHE VERBINDINGEN 4.1 Bepalende factoren bij inrichting Om van een ambitie tot de daadwerkelijke ruimtelijke inpassing van een ecologische verbinding te komen zijn een aantal sleutelfactoren van belang. Deze factoren bepalen de lokale (on)mogelijkheden en het uiteindelijke succes van de verbinding; een goede inventarisatie hiervan is dus belangrijk. Het gaat hierbij om zowel abiotische als ruimtelijke factoren. Deze factoren beïnvloeden elkaar ook. Abiotische factoren  bodemeigenschappen (type, voedselrijkdom, buffercapaciteit, zoutgehalte);  waterpeil;  waterkwaliteit;  oriëntatie (zon en wind).

Overige factoren  beschikbare ruimte;  aanwezige barrières;  aansluiting op faunavoorzieningen.

De gevoeligheid voor versnippering verschilt per soort(groep) en is afhankelijk van meerdere eigenschappen zoals het dispersievermogen, plaatstrouwheid, specialisatie voor voedsel of habitat en de oppervlaktebehoefte. Om een verbinding voor zo veel mogelijk verschillende doelsoort(groep)en te laten functioneren is het creëren van variatie in biotopen (zowel door aanleg als door beheer) en geleidelijke overgangen hiertussen belangrijk. De beheertypen in de verbindingen binnen de provincie Zuid-Holland zijn globaal in te delen in de volgende drie biotopen:  water/moeras/(natte) ruigte;  grasland;  bos/struweel. In de volgende paragrafen worden per biotoop richtlijnen gegeven voor de inrichting en het beheer. Onderstaande informatie is afkomstige uit diverse bronnen (Bal et al, 2001; Uchelen, 2006; Provincie Zuid-Holland, 1998; Schippers, 2012) en verder aangevuld met praktijkervaringen van beheerders. Het zijn aandachtspunten waar tijdens de inrichting en het beheer rekening mee moet worden gehouden. Voor iedere verbinding is het noodzakelijk een inrichtingsplan op te stellen. 4.2 Water/moeras/ruigte In Zuid-Holland zijn veel moerasverbindingen aanwezig of worden in de toekomst gerealiseerd. Om tot een gevarieerde natte verbinding met geleidelijke overgangen te komen en deze te behouden zijn meerdere inrichtings- en beheermaatregelen te treffen.

Inrichting Bij de inrichting van moeras is het aan te raden om, indien mogelijk, gebruik te maken van bestaande wateren met een goede waterkwaliteit en een ontwikkelde water- en oevervegetatie. Deze kunnen fungeren als brongebied, waardoor de ontwikkeling wordt versneld. Andersom is het raadzaam wateren met een slechte kwaliteit niet te koppelen, maar juist te isoleren (of eerst te verbeteren). Bij de inrichting moet rekening worden gehouden met het beheer (baggeren, maaien) wat in de toekomst moet gaan plaatsvinden. Dit onderhoud wordt vaak met zware kranen uitgevoerd; wanneer deze door de vochtige moerasgebieden rijden wordt de bodem verdicht of ontstaat spoorvorming. Een (verhard) schouwpad biedt hier een oplossing voor. Op hoofdlijnen zijn de volgende inrichtingsmaatregelen, meestal in combinatie, te treffen: - Graven van wateren met eilandjes en variatie in waterdiepte; - verlagen van maaiveld; - herstellen hydrologie (verhogen grondwaterpeil, opheffen drainage); - realiseren van brede natuurvriendelijke oevers (talud 1:10), bij voorkeur gericht op het zuiden;

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

Blz. 9 van 84

-

-

plas- of drasbermen (indien er te weinig plek is voor natuurvriendelijke oevers). Dit zijn zones langs de watergang die op of onder het waterpeil zijn gerealiseerd. In dwarsdoorsnede loopt de steile oever tot 0-20 cm onder het waterniveau door en gaat over in een horizontaal vlak; graven van poelen (o.a. voor amfibieën); creëren van broeihopen met snoeiafval voor ringslangen; voor overwintering van vissen is het van belang om plaatselijk een waterdiepte te creëren (of te behouden) van meer dan 2 meter.

Belangrijke doelsoort voor moerasverbindingen is de noordse woelmuis. Deze soort profiteert van de aanleg van (natte) eilandjes en brede oevers met riet en moerasachtige vegetatie (zie figuur 3). De noordse woelmuis kan goed zwemmen. In het Handboek Robuuste Verbindingen wordt genoemd dat de soort ten hoogste een onderbreking van 50 meter in de corridor kan passeren. Verbindingen in Zuid-Holland worden grotendeels langs bestaande watergangen gerealiseerd. In de praktijk komt het niet vaak voor dat er over meer dan 50 meter geen enkele begeleidende begroeiing is; meestal is er een smalle zoom aanwezig waardoor de corridor geschikt blijft.

Figuur 3. Ruig begroeide oevers in de Meijgraslanden bij de Nieuwkoopse plassen waar noordse woelmuis zich heeft gevestigd (bron: ATKB).

Instandhoudingsbeheer Het is afhankelijk van de lokale omstandigheden of de eerste jaren na inrichting beheer nodig is. Indien massale opslag van bijvoorbeeld wilg is te verwachten, moet direct na inrichting hier op beheerd worden. Wordt dit niet gedaan, dan is het mogelijk dat binnen de kortste keren een monotoon wilgenstruweel ontstaat, waar weinig moerassoorten bij gebaat zijn. Het beheer moet gericht zijn op het in stand houden en doorontwikkelen van diverse beheertypen en de geleidelijke overgangen hiertussen. De volgende beheermaatregelen (waarbij de benodigde frequentie afhankelijk is van de lokale omstandigheden) kunnen getroffen worden: - Twee- tot vierjaarlijks gefaseerd maaien om houtopslag tegen te gaan en ruigte te behouden (vaker als massale opslag verwacht wordt); - periodiek schonen van watergang, gefaseerd in ruimte en tijd, om verlanding tegen te gaan; - extensieve begrazing van ruigte is mogelijk om structuurvariatie te bevorderen (echter niet in de natuurvriendelijke oevers). 4.3 Graslanden (nat schraalland, vochtig hooiland, bloemrijk grasland) Afhankelijk van de lokale sleutelfactoren worden binnen de verbindingen in Zuid-Holland meestal drie typen grasland gerealiseerd. In volgorde van meest naar minst kritisch zijn dit N10.01 Nat schraalland, N10.02 Vochtig hooiland en N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland.

Met name vlinders en andere insecten hebben baat bij dergelijke, in de regel bloemrijke, vegetaties. Lokaal zijn er soms mogelijkheden voor andere beheertypen, zoals zilt- en overstromingsgrasland. De belangrijkste sturende factoren voor graslanden zijn de bodem (voedselrijkdom en buffering) en het waterpeil.

Blz. 10 van 84

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

4.3.1 Inrichting/omvorming Er zijn een aantal strategieën om van een bepaalde ongewenste uitgangspositie tot een goed ontwikkelde grazige vegetatie te komen. N10.01 Nat schraalland Dit type komt van nature voor op voedselarme, natte en slappe bodems. Omdat gronden waarop de verbindingen gerealiseerd worden bijna altijd in agrarisch gebruik zijn, moeten de volgende maatregelen (vaak in combinatie) genomen worden om tot ontwikkeling van dit type te komen: -

Herstellen hydrobiologie (stoppen drainage, instellen natuurlijk peilbeheer); verwijderen (voedselrijke) toplaag; instellen verschralingsbeheer door (vroeg) maaien en het maaisel af te voeren; vers maaisel (of, indien beschikbaar, plaggen) uit goed ontwikkelde natuurgebieden aanbrengen.

N10.02 Vochtig hooiland Dit type komt voor op voedselarme tot matig voedselrijke, natte tot vochtige en matig draagkrachtige bodems. De omvormingsmaatregelen zijn overeenkomstig met die van N10.01. Voor de realisatie van vochtig hooiland is een iets minder hoog waterpeil noodzakelijk en mag de bodem iets voedselijker zijn. In de praktijk ontstaat vaak eerst een vochtig hooiland; dit kan zich daarna soms ontwikkelen tot nat schraalland. N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland De graslanden die niet tot de twee voorgenoemde typen gerekend kunnen worden behoren meestal tot kruiden- en faunarijk grasland. De noodzakelijke inrichtingsmaatregelen zijn iets minder ingrijpend. Afhankelijk van de lokale omstandigheden zijn de volgende maatregelen te treffen: -

-

Uitmijnen voedingstoffen door maaien en afvoeren te combineren met een specifieke mestgift (meestal N en K) om fosfaat sneller af te voeren; twee tot drie keer per jaar maaien. De eerste keer in het voorjaar (april–mei) om dominantie van witbol te voorkomen en de laatste keer laat in het najaar (om overmatige ontwikkeling van mos te voorkomen). Zie ook figuur 4 en 5; verflauwen van de oevers van sloten; vers maaisel uit goed ontwikkelde natuurgebieden aanbrengen; de eerste jaren is begrazing (door vee) niet gewenst; eventueel verhogen van het waterpeil, voor soorten als echte koekoeksbloem en ratelaar.

Figuur 4. Voorbeeld van een grasland dat te laat wordt gemaaid en daarom in een witbolstadium blijft hangen.

Figuur 5. Voorbeeld van een structuur en bloemrijk kruiden- en faunarijkgrasland.

4.3.2 Instandhoudingsbeheer Als een gewenste situatie eenmaal bereikt is moeten beheermaatregelen worden getroffen om deze te behouden of verder te ontwikkelen.

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

Blz. 11 van 84

N10.01 Nat schraalland - Jaarlijks gefaseerd in ruimte en tijd maaien met licht materieel (i.v.m. slappe bodem) en maaisel afvoeren (niet maaien in het reguliere broedseizoen, van 15 maart tot 15 juli); - waterpeil in winter en voorjaar op of rond maaiveld, in de zomer lager; - extensieve begrazing is mogelijk. N10.02 Vochtig hooiland Om vochtig hooiland in stand te houden zijn de volgende beheermaatregelen, eventueel in combinatie, mogelijk. Bij de keuze voor een beheermethode is de ecologie van de doelsoorten leidend. - Jaarlijks gefaseerd in ruimte en tijd maaien en maaisel afvoeren (niet in regulier broedseizoen, van 15 maart tot 15 juli); - waterpeil in winter en voorjaar op of rond maaiveld, in de zomer lager; - extensieve begrazing is mogelijk; - opbrengen ruige stalmest (max. 20 ton per ha. per jaar); - opbrengen kalk om zuurgraad omhoog te brengen. N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland Om dit type in stand te houden zijn de volgende beheermethoden toepasbaar: - Jaarlijks gefaseerd in ruimte en tijd maaien en maaisel afvoeren. Let op, voor de ontwikkeling van dit type is het belangrijk de eerste jaren wel tijdens het broedseizoen te maaien. In de navolgende jaren dient echter niet in het broedseizoen (15 maart-15 juli) te worden gemaaid; - de aanwezigheid van hoge overjarige kruiden in combinatie met pioniersituaties zorgt voor structuurvariatie.

De meeste soorten zijn hierbij gebaat; ze schuilen bijvoorbeeld in de hoge vegetatie en foerageren in meer open begroeiing. Structuurvariatie kan gerealiseerd worden door brede stroken (bijvoorbeeld langs de oevers) minder vaak te maaien; - extensieve begrazing is mogelijk, nadat zich een bloemrijk grasland (vanaf 20% kruiden) heeft ontwikkeld; - opbrengen ruige stalmest (max. 20 ton per ha. per jaar); - opbrengen kalk om zuurgraad omhoog te brengen. 4.4 Struweel/bos 4.4.1 Inrichting Binnen de SNL-systematiek worden meerdere bostypen onderscheiden. Op hoofdlijnen zijn de volgende punten belangrijk bij het inrichten en beheren van bos en struweel: - Verwijderen uitheemse en ongewenste boom- en struiksoorten; - inheems plantmateriaal gebruiken bij aanplant; - tijdens het aanplanten al variatie in soorten en leeftijd aanbrengen; - creëren van geleidelijke overgangen van bos, struweel, ruigte en open plekken. Ruigte en struweel zoveel mogelijk aan zuidzijde van bos creëren; hier is door hogere lichtinval een grotere verscheidenheid aan soorten te verwachten; - gebruik van besdragende struiken is aantrekkelijk voor vogels; - bestaande bomen laten staan en opnemen bij inrichting. Daarnaast is het bij het aanplanten van bomen belangrijk om rekening te houden met bestaande weidevogelkernen.

Rondom weidevogelgebieden dient opgaande begroeiing zoveel mogelijk voorkomen te worden; dit in verband met predatie door roofvogels en kraaien.

4.4.2 Instandhoudingsbeheer Beheer in bos en struweel is er met name op gericht een gevarieerd en structuurrijke begroeiing te krijgen en behouden: - In de eerste jaren na inrichting zal het beheer bestaan uit selectief dunnen;

Blz. 12 van 84

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

-

de randen worden ééns per 5 ä 10 jaar teruggezet om de ontwikkeling van struweel te stimuleren; stimuleren verjonging door kappen van open plekken.

Snoeiafval kan verwerkt worden tot broeihopen en takkenrillen. Dit is maatwerk en vaak handwerk. Broeihopen en rillen verteren geleidelijk en kunnen extra leefgebied opleveren vooral allerlei soorten. Zo staan ringslangen er om bekend dat ze hun eieren in broeihopen leggen.

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

Blz. 13 van 84

5 EVALUATIE FUNCTIONEREN ECOLOGISCHE VERBINDINGEN Met het inrichten van een ecologische verbinding is het doel of de ambitie niet direct bereikt. Het duurt over het algemeen even voordat het leefgebied van dusdanig goede kwaliteit is dat de verbinding geschikt is voor (vaak kritische) doelsoorten. Het is belangrijk deze ontwikkeling te volgen en de functionaliteit vast te stellen; hier komt inventarisatie en monitoring bij kijken. De gegevens die hierbij verzameld worden vormen de basis voor het evalueren van de functionaliteit. Voor de inventarisatie en monitoring van ecologische verbindingen is (landelijk) geen gestandaardiseerde methode ontwikkeld. In deze paragraaf doen we een beknopt voorstel voor toetsing van de ontwikkeling en de functionaliteit van individuele ecologische verbindingen. Monitoring naar het effect van verbindingen op populatieniveau is buiten beschouwing gelaten. Dit zou idealiter op een ander schaalniveau (interprovinciaal) onderzocht moeten worden, waarbij het lastig is om onderscheid te maken tussen de verschillende factoren die van invloed zijn op de populatieomvang van een soort. Voor evaluatie van de effectiviteit van de ecologische verbindingen worden twee typen monitoring voorgesteld.

Evaluatie van de ontwikkeling (ontwikkelen de beheertypen zich in de juiste richting?) en evaluatie van het gebruik (maken de doelsoorten gebruik van de verbinding?). Dit wordt in de volgende paragrafen toegelicht. 5.1 Evaluatie van ontwikkeling beheertypen Binnen drie jaar na de inrichting wordt bij iedere verbinding een biotoopinventarisatie uitgevoerd. Het doel hiervan is om de ontwikkeling van het leefgebied te bepalen en eventueel tijdig bij te sturen in beheer of inrichting. Tijdens dit onderzoek wordt onder andere gekeken naar de ontwikkeling van de gewenste begroeiing, de structuurvariatie en de structuurovergangen. Ook wordt hierbij beoordeeld of de faunavoorzieningen nog voldoen (dus niet dichtgegroeid, ondergelopen of kapot). Aan de hand van de biotoopmonitoring zijn drie uitkomsten mogelijk: 1) Verbinding is geschikt voor doelsoorten: beheer voortzetten; 2) Nog niet geschikt voor doelsoorten, maar bij voortzetten beheer op termijn wel; 3) Niet geschikt voor doelsoorten: bijsturen in beheer of inrichting is noodzakelijk. Deze leefgebied-evaluatie wordt iedere zes jaar herhaald. 5.2 Evaluatie gebruik door doelsoorten Om te bepalen of een verbinding gebruikt wordt door de doelsoorten zijn gerichte inventarisaties nodig. Iedere soort(groep) wordt op een specifieke manier onderzocht (overdag, in het donker, op basis van geluid, zicht, vangen, etc).

Globaal is het onderzoek in te delen in drie hoofdcategorieën, namelijk soort(groep)gericht onderzoek, cameravalmonitoring en onderzoek aan faunapassages. Deze onderzoeken worden alleen uitgevoerd in verbindingen waarvan tijdens de evaluatie is vastgesteld dat de kwaliteit van de beheertypen reeds voldoet. Hierdoor worden kosten van soortgericht onderzoek beperkt. Er kan voor gekozen worden niet bij iedere verbinding alle onderzoeken uit te voeren. Wel is het belangrijk om van alle type verbindingen (moeras, nat schraalland en bos) een representatieve steekproef te hebben. De meetpunten moeten zowel in de stapstenen als in de corridor gelegd worden.

Blz. 14 van 84

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

5.2.1 Soort(groep)gericht onderzoek Om van enkele verbindingen een totaalbeeld van de ontwikkeling en het gebruik te verkrijgen wordt aangeraden om aansluitend op de biotoopmonitoring bij ongeveer één derde van de verbindingen, eens in de drie jaar, onderzoek te verrichten naar: - muizen (specifiek gericht op noordse woelmuis en waterspitsmuis) Onderzoek naar muizen gebeurt meestal met inlooploopvallen met lokvoer. Hiermee worden ze levend gevangen en kunnen voorzichtig gedetermineerd worden. Er zijn ook andere technieken zoals het gebruik van eDNA (environmental DNA) en lok(sporen)buizen. - Amfibieën (specifiek gericht op rugstreeppad, heikikker, kamsalamander) Onderzoek naar het voorkomen van heikikker en rugstreeppad kan worden uitgevoerd door het gebied een paar keer te bezoeken tijdens de koorperiode, in combinatie met een schepnetbemonstering in het larvale stadium. De geschikte periode van beide onderzoeken is afhankelijk van de betreffende soort (bijvoorbeeld: heikikker eerder in het jaar onderzoeken dan rugstreeppad). Het voorkomen van de kamsalamander kan middels speciale amfibieënfuikjes, schepnetbemonstering en ’s nachts met zaklamp onderzocht worden. - Reptielen (specifiek gericht op ringslang) Reptielen worden over het algemeen onderzocht op basis van zichtwaarnemingen.

Op warme dagen wordt in de ochtend (voordat ze opgewarmd zijn) op geschikte plekken gekeken of zonnende ringslangen aanwezig zijn. Als broeihopen voor ringslangen aangelegd zijn kunnen deze tussen midden april en eind mei onderzocht worden op de aanwezigheid van oude eischalen. Op die manier worden legsels en overwinterende dieren niet beschadigd of gestoord. - Vlinders Onderzoek naar vlinders wordt meestal op zicht gedaan. Aangezien de vliegtijden van vlinders verschillen moet op meerdere momenten onderzoek plaatsvinden. Het heeft hierbij de voorkeur een vast traject te onderzoeken. - Libellen en juffers De aanwezigheid van libellen kan op meerdere manieren vastgesteld worden. Het is met name interessant om te onderzoeken of voorplanting plaatsvindt in de verbinding. Onderzoek naar volwassen exemplaren (imago’s) is daarvoor niet per se nodig. Middels een schepnetbemonstering kan onderzocht worden van welke soorten de larven aanwezig zijn in het water. Aanvullend wordt gezocht naar libellenhuidjes die, nadat ze zijn uitgeslopen, achterblijven op de (oever)vegetatie. De uitsluiplocaties zijn soortafhankelijk en niet altijd makkelijk te vinden (sommige soorten vrij hoog in vegetatie). - Sprinkhanen Sprinkhanen zijn het best te onderzoeken op basis van het geluid dat ze produceren.

Enkele soorten (zoals de blauwvleugelsprinkhaan) produceren geen geluid; hiervoor moeten geschikte biotopen afgezocht worden. Ook kan het vangen van soorten nodig zijn voor determinatie. - Vissen Wat betreft soortgericht onderzoek is alleen de grote modderkruiper interessant. Deze soort is erg kritisch; aanwezigheid in een ecologische verbinding kan daarom direct gekoppeld worden aan genomen maatregelen en de kwaliteit hiervan. Dit onderzoek wordt over het algemeen uitgevoerd met een RAVON-schepnet of met een elektrisch visapparaat. Voor de overige vissoorten geldt veelal dat individuele waarnemingen niet heel veel zeggen over de kwaliteit van een verbinding. Dit komt omdat de meeste soorten vaak al voor de inrichting voorkomen in een waterlichaam. De verhoudingen van bepaalde soorten (snoek, zeelt, kroeskarper) tot het totale visbestand zeggen echter wel wat over de kwaliteit van de visstand. Hiervoor kan het best aangesloten worden bij KRW-visstandbemonsteringen. Hierbij worden KRW-waterlichamen op een gestandaardiseerde methode (STOWA) onderzocht op het voorkomen van vissoorten. Als blijkt dat de

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

Blz. 15 van 84

verbinding niet in een KRW-waterlichaam ligt kan de visstand op vergelijkbare manier onderzocht worden. - Broedvogels Onderzoek naar broedvogels gebeurt op basis van territorium-indicerend gedrag; dit is zowel op basis van geluid (zang mannetjes) als zicht (vliegen met nestmateriaal of aanwezigheid jonge vogels). Het is in het kader van kostenbesparing mogelijk om de onderzoeken van meerdere soortgroepen te combineren en gelijktijdig uit de voeren. Daarnaast is het wellicht mogelijk om verbindingen in te brengen bij monitoringsprogramma’s van Particuliere Gegevensbeherende Organisaties (PGO’s) en de bestaande NEM-meetnetten (Netwerk Ecologische Monitoring). PGO’s zijn organisaties als RAVON, SOVON, de Zoogdiervereniging en de Vlinderstichting.

5.2.2 Cameravalmonitoring Voor een aantal doelsoorten (zoals otter, bever, boommarter en kleine marterachtigen) is het mogelijk middels cameravaltechniek hun aanwezigheid vast te stellen. Bij een selectie van relevante verbindingen kan hier (aansluitend op de biotoopmonitoring) mee gestart worden. Dergelijk onderzoek kan plaatsvinden middels een nieuw initiatief, genaamd ‘Wildspotter’ (www.wildspotter.nl). Hierbij wordt het publiek ingezet bij de determinatie van soorten die met een cameraval zijn vastgelegd. Voordeel hiervan is een reductie in de monitoringskosten en het vergroten van het maatschappelijk draagvlak voor het aanleggen van ecologische verbindingen.

5.2.3 Faunavoorzieningen Faunavoorzieningen worden aangelegd om knelpunten zoals (vaar)wegen, spoorlijnen, gemalen, stuwen te overbruggen of af te schermen. Hiermee vormen ze belangrijke en kwetsbare delen in ecologische verbindingen. Het is daarom raadzaam aangelegde faunavoorzieningen te toetsen. Meer informatie over faunavoorzieningen is te lezen in paragraaf 2.1.3. Afhankelijk van de beoogde doelsoorten en de eigenschappen van de faunavoorziening zijn meerdere onderzoekstechnieken mogelijk, namelijk: - Onderzoek naar faunasterfte op wegen; - sporenonderzoek (zand- of inktbed); - foto- en videoregistratie (infraroodcamera, zie verdere toelichting bij paragraaf cameravalmonitoring); - reptielenplaatjes; - fuikmonitoring om passeerbaarheid gemalen en stuwen voor vissen te onderzoeken. Op basis van de verzamelde data wordt bepaald of maatregelen getroffen moeten worden om de functionaliteit te herstellen of te verhogen.

Blz. 16 van 84

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

6 OVERZICHT ECOLOGISCHE VERBINDINGEN PER DEELGEBIED code

naam

oude nr.

Paginanr.

Hoofdstuk 6 Rijnland en Bollenstreek 2

Elfenbaan

-

19

5

Nieuwkoopse Plassen - polders Kamerik en Zegveld

16

20

A

Haarlemmer Trekvaart, Leidsche Trekvaart, Maandaghse Watering

1, 1a, 3ged

21

B

Noordduinen - Leeuwenhorst - Offem

2, 4

M

Lentevreugd – De Horsten

114

J

Elfenbaan – Bodegraven-noord

20 ged

a

De Vlietlanden – Polderpark Cronesteyn

-

b

Starrevaart – Zoetermeerse Meerpolder

25

g

Noord-Aa – Oude Rijn

17 ged., 18 ged.

h

Oude Rijn - Mijdrecht

-

j

Krimpenerwaard – Bentwoud

34, 35A,B

G1

Lageveense Polder – Leeuwenhorst

-

G3

Westergouwe

-

22 24 25 26 27 28 29 30 23 31

Hoofdstuk 7 Westland en Delfland 8

Vlaardingse Vlietlanden – Ackerdijkse Plassen

72

I

Staelduinse Bos – Oranjeplassen

71

c

Stadslandschap Rijswijk – Naaldwijk

29

d

Solleveld / Westduinpark – Stadslandschap Rijswijk

28, 112

e

Kapittelduinen – Maasdijk

109

n

Vlinderstrik - Rottemeren

-

G2

Poelzone

-

32 33 34 35 36 37 38

Hoofdstuk 8 Krimpener- en Lopikerwaard 1

Boezem van Bergambacht – Buitenlanden langs de Lek

40

3

Slingerkade, Reekade

41A, 42A ged.

9

Slingerkade - Kattendijksblok

-

f

Boezem van Haastrecht / Dovegat - Hoonaard

-

G4

Bergvliet

40

39 40 41 42 43

Hoofdstuk 9 Alblasserwaard 4

49, 50, 51

44

C

Zijdeweg, Achterwaterschap, Ammersche Boezem, Ottolandsche Vliet, Dwarsgang Alblasserbos - Slingeland

52

45

K

Alblasserbos - Achterwaterschap

-

46

i

Smoutjesvliet, Schoonhoven / Nieuwpoort – Gorinchem

54, 54B

47

G5

Smoutjesvliet

-

48

G6

Elzenweg

-

49

G7

Ecozone Polder Nieuwland – Park Noordhoekse Wiel

-

50

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

Blz. 17 van 84

code

naam

oude nr.

Paginanr.

Hoofdstuk 10 Hoeksche waard D

Piershilse Gat

81

G8

Maasdam - Oude Maas

87 ged.

G9

Oude Maas - Hollandsch Diep

89

G10

Klein Kooidiep - Dortsche Kil

90

G11

Strijense Haven - Dortsche Kil

G12

Keen - Strijensas

91

G13

Hollands Diep –Oude Maas

86

G14

Oude Diep

85

G15

Groote Gat - Oude Maas

83

G16

Kleine Gat - Vuile Gat

84

51 52 53 54 55 56 57 58 59 60

Hoofdstuk 11 Voorne - Putten 7

Strypse Wetering - Brielse Meer

74 ged.

F

Gotezoom – Lint van Nieuwenhoorn

75 ged.

G

Vliegerwetering

76

H

Bernisse – Beninger Slikken

78

N

Groot Voorne Oost

O

Perceel Strypse Wetering

74 ged.

k

Lint van Nieuwenhoorn – Holle Mare

75 ged.

l

Molendijkse Zoom

77 ged.

m

Strypse Wetering – Duinen van Voorne / Quackjeswater

73

G17

Lint van Oudenhoorn

77 ged.

61 62 63 64 65 66 67 68 69 70

Hoofdstuk 12 Goeree-Overflakkee 6

Breede Gooi - Oude Dee - Paardengat -

94, 95

L

Bierkreek - Deur den Tille

100A

E

Stekelbaarsroute

P+ G18 G19

Salamanderroute (duingedeelte)

G20

Koudenhoek-Polder Oud Westerloo-Polder Nieuw Westerloo

G21

Manezee, Zwarte Gat en Boomvliet

93, 96

G22

97 ged.

G23

Van Pallandtpolder - De Vlieger – gorzen Stad aan t ’Haringvliet – Den Bommel Kleine Kreek

G24

Den Bommel – De Langstraat – Krammer-Volkerak

100 ged.

G25

Groote Kreek – Tweede Hamerd

99 ged., 101

71 72 73 74

Salamanderroute (moerasgedeelte)

Blz. 18 van 84

75 76 77 78 79 80 81

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

7 RIJNLAND EN BOLLENSTREEK

2. Elfenbaan Status: prioriteit 1 Type: moeras- en schraallandverbinding.

Lengte: ca. 3 kilometer. Beoogde breedte: 25-50 meter.

Beheertypen (de procentuele verdeling geeft globaal de ambitie weer) N05.01 Moeras (30%), N04.02 Zoete plas (30%), N10.01 Nat schraalland (20%), N10.02 Vochtig hooiland (10%), N12.06 Ruigteveld (10%)

Ambitie en streefbeeld Deze moeras- en schraallandverbinding komt tot stand door bestaande watergangen te verbreden, de oevers te verflauwen en (on)diepten te realiseren. Verspreid langs het traject worden daarnaast meerdere agrarische percelen omgevormd naar natuur. Op verschillende plekken wordt het maaiveld verlaagd door de voedselrijke toplaag af te graven; hierdoor ontstaan schrale vochtige omstandigheden. Ook is ruimte voor drogere bloemrijke graslanden en meer ruige stukken met struweel en opslag van onder andere wilg. Deze omgevormde percelen fungeren als stapstenen voor een verscheidenheid aan soort(groep)en, waaronder ook meer kritische soorten. Zo zijn de schrale en meer voedselrijke bloemrijke graslanden geschikt voor insecten, de moerassige zones voor onder andere ringslang, noordse woelmuis en waterspitsmuis en de riet- en ruigtezones voor veel verschillende broedvogels. Deze verbinding ligt parallel aan de N11 ten westen en zuiden van Alphen aan de Rijn en vormt een belangrijke schakel in het natuurcompensatiegebied De Elfenbaan. Dit natuurcompensatiegebied loopt van Leiden naar Bodegraven en ligt tussen de N11 en het spoortraject Leiden-Alphen. Het nog te realiseren tracé is momenteel opgedeeld in 7 deelgebieden, het doel is om hier stapstenen te realiseren. De vordering van de planvorming verschilt sterk per deelgebied.

Ten zuiden van Spookverlaat is in 2016 een deelgebied gerealiseerd, voor een ander deel is al grond aangekocht en een conceptontwerp gemaakt; hier zal realisatie niet lang duren. Voor andere delen is nog niet concreets gedaan. Doelsoorten Zoogdieren: otter, noordse woelmuis, dwergmuis, waterspitsmuis, hermelijn, wezel. Reptielen: ringslang. Amfibieën: rugstreeppad. Libellen: vroege glazenmaker, vuurjuffer, glassnijder. Vlinders: oranjetipje, argusvlinder, zwartsprietdikkopje, grootdikkopje. Sprinkhanen: moerassprinkhaan, wekkertje. Vissen: bittervoorn, kleine modderkruiper, snoek, kroeskarper, vetje, zeelt, paling. Overige ongewervelden: platte schijfhoren, zeggekorfslak. Vogels die deze verbinding als broedbiotoop (kunnen) benutten zijn: struweel-, moeras- en watervogels als slobeend, dodaars, fuut, zwarte stern, blauwborst, rietzanger, grasmus, putter. Knelpunten - Riviertje De Gouwe, N207 en N11 (ter hoogte van afslag naar Leidsche Schouw is geen passage aanwezig).

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

Blz. 19 van 84

5. Nieuwkoopse Plassen – Polders Kamerik en Zegveld (16) Status: prioriteit 1 Type: moeras- en schraallandverbinding.

Lengte: ca. 3 kilometer. Beoogde breedte: 25-50 meter.

Beheertypen (de procentuele verdeling geeft globaal de ambitie weer) N05.01 Moeras (30%), N04.02 Zoete plas (40%), N10.01 Nat schraalland (20%), N12.06 Ruigteveld (10%).

! loopt door in provincie Utrecht, dit is echter niet zichtbaar op de kaart.

Ambitie en streefbeeld Deze moeras- en schraallandverbinding ligt ten zuiden van het dorpje Achtienhoven en loopt van west naar oost door de gelijknamige polder. Met de realisatie wordt een aansluiting beoogd van de Nieuwkoopse Plassen op het Natuurnetwerk in de provincie Utrecht. Langs de bestaande waterloop van de Oude Meije worden de oevers flauw afgegraven. Van verschillende aangrenzende percelen wordt het maaiveld verlaagd, waardoor natte schrale omstandigheden ontstaan. De vegetatie in de watergang en in de oeverzone is soortenrijk. In bijzonder is het voorkomen van krabbenscheer van belang (groene glazenmaker). Deze omgevormde percelen fungeren als stapstenen voor een verscheidenheid aan soort(groep)en, waaronder ook meer kritische soorten. Zo zijn de schrale en meer voedselrijke bloemrijke graslanden geschikt voor insecten, de moerassige zones voor onder andere ringslang, noordse woelmuis en waterspitsmuis en de riet- en ruigtezones voor veel verschillende broedvogels. De verbinding is gelegen in een belangrijk weidevogelgebied. Om predatie door roofvogels op de nesten en jongen van weidevogels te voorkomen mogen er geen hoge bomen in de verbinding groeien. Doelsoorten Zoogdieren: otter, noordse woelmuis, dwergmuis, waterspitsmuis, hermelijn, wezel. Reptielen: ringslang. Amfibieën: rugstreeppad, heikikker.

Libellen: groene glazenmaker, vroege glazenmaker, bruine korenbout, glassnijder, vuurjuffer. Vlinders: zilveren maan, oranjetipje, argusvlinder, zwartsprietdikkopje, grootdikkopje. Sprinkhanen: moerassprinkhaan, wekkertje. Vissen: bittervoorn, kleine modderkruiper, snoek, kroeskarper, vetje, zeelt, paling. Overige ongewervelden: platte schijfhoren, zeggekorfslak, gestreepte waterroofkever. Vogels die deze verbinding als broedbiotoop (kunnen) benutten zijn: struweel-, moeras- en watervogels als slobeend, dodaars, fuut, blauwborst, rietzanger, snor, kneu, grasmus, putter. Knelpunten Geen. Blz. 20 van 84

(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland Kenmerk: 20160402/rap01, versie 2, 28 augustus 2017

A. Haarlemmertrekvaart, Leidsche Trekvaart, Maandaghse Watering (1, 1a, 3 ged) Status: prioriteit 2 Type: moerasverbinding.

Lengte: ca. 15 kilometer. Beoogde breedte: 25-50 meter.

Beheertypen (de procentuele verdeling geeft globaal de ambitie weer) N05.01 Moeras (30%), N04.02 Zoete plas (40%), N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland (20%), N12.06 Ruigteveld (10%). Ambitie en streefbeeld Deze moerasverbinding is na afronding 15 kilometer lang en geschikt voor verschillende soortgroepen. Het beoogde traject loopt langs bestaande vaarten met steile oevers; door de oevers af te vlakken en poelen en plassen te graven wordt een meer natuurlijke inrichting verkregen. In de oeverzone zullen snel opwarmende en rijk begroeide ondiepten ontstaan waar vissen kunnen paaien, libellen en verschillende amfibieën profiteren hier ook van. De begroeiing in de oever zal deels bestaan uit riet waar rietvogels kunnen broeden en deels uit gevarieerde moerasvegetatie. Binnen de verbinding moet ruimte worden gezocht voor bloemrijk grasland (insecten) en voor een meer ruigere begroeiing van struweel met enkele hogere bomen. De verbinding loopt globaal van Lisse in zuidelijke richting langs de Leidse Vaart, Haarlemmer Trekvaart en de Maandaghse Wetering tot Noordwijk. Tussen Lisse en Noordwijkerhout is de inrichting over een traject van 4,5 kilometer al gereed. Na realisatie van het gehele tracé worden meerdere geïsoleerde polder- en bosgebieden zoals de Lageveense Polder, Landgoed Leeuwenhorst en de Hoogewegpolder met elkaar verbonden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12557238/1