CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS314687 Bijlage 1 deel 2 Toelichting Bijlagen

Commissie Ruimte 22 november 2023, gemeente Den HaagBij agendapunt: Hoorzitting (concept) bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 432.623 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

intensiteiten/capaciteiten per lijn station Den Haag Laan van NOI

overwegend goed

0

autobereikbaarheid

verkeersafwikkeling autoverkeer ontsluitende wegen

redelijk

-

verkeersafwikkeling autoverkeer op hoofdwegen in schil rond het plangebied (op basis van resultaten verkeersmodel studie planMER CID)

redelijk

0

mate van concentratie autoverkeer op hoofdwegen

goed

+

oversteekbaarheid omliggende wegen voor voetgangers en fietsers

redelijk

0

verkeersveiligheid

6.3

Duurzaamheid en energietransitie

6.3.1

Bodem

Bodemkwaliteit (verontreinigingen) Antea heeft in opdracht van VORM onderzoek uitgevoerd naar de bodemkwaliteit op locatie van Anna van Hannoverstraat 4 (zie bijlage VI). Op de locatie is in 2015 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn een aantal verdachte locaties geïdentificeerd (zie afbeelding 6.32). Het gaat om twee ondergrondse tanks en drie oliebenzine-afscheiders. Daarnaast is direct ten noordwesten een tankstation aanwezig, waar na sanering nog een restverontreiniging met cyanide en minerale olie is overgebleven. Bodemonderzoek heeft ook matige verontreinigingen met olie in de grond aangetroffen bij de ondergrondse tank ten zuidwesten van het gebouw. Op de andere verdachte deellocaties en in het grondwater zijn geen noemenswaardig verhoogde gehalten gemeten. Op basis van de huidige gegevens concludeert Antea dat de bodem licht tot matig verhoogde gehalten/concentraties bevat waarbij wel enkele locaties aanwezig zijn waarvan de bodemkwaliteit geactualiseerd dient te worden. Op basis van onderzoek uit 2015 worden echter geen omvangrijke verontreinigingen verwacht door Antea (zie bijlage VI). Ontplofbare oorlogsresten Naast een milieuhygiënisch onderzoek heeft AnteaGroup ook een quickscan uitgevoerd naar ontplofbare oorlogsresten (zie bijlage IX), om een eerste indicatie te geven van de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO).

Op basis van de gegevens zoals opgenomen in deze quickscan is duidelijk geworden, dat zich binnen het plangebied een OO verdacht gebied bevindt. Binnen het plangebied kunnen OO aangetroffen worden in de vorm van Klein Kaliber Munitie (13 en 15 mm) en geschutmunitie (2 cm). Daarnaast wordt opgemerkt dat in de nabije omgeving van het plangebied (ten zuidoosten) verdacht gebied is afgebakend betreft afwerpmunitie (maximaal 500 lbs.).

73 | 103 Witteveen+Bos | 119623/22-018.694 | Definitief 05

Afbeelding 6.32 Verdachte spots aan de Anna van Hannoverstraat 4

Beoordeling van het effect op de bodemkwaliteit (verontreinigingen) De bodemkwaliteit ter plaatse vormt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen. Het is ook niet de verwachting dat saneringen noodzakelijk zijn die de kwaliteit ter plaatste zal verbeteren ten opzichte van de referentiesituatie. Mogelijk dat een licht tot maximaal matig verontreinigde grond/grondwater kan worden opgeruimd, maar dit zal geen significante verbetering van de bodemkwaliteit als geheel met zich meebrengen. Het effect van de ontwikkeling op de bodemkwaliteit is als neutraal beoordeeld (0). Voor de voorgenomen ontwikkeling en de bijbehorende de aanleg van een parkeerkelder is wel het noodzakelijk om een bemalingsadvies op te stellen waarbij in ieder geval rekening moet worden gehouden met aanwezige (rest)verontreinigingen bij het BP-tankstation. Afhankelijk van het invloedsgebied van de bemaling dient in het bemalingsadvies ook rekening te worden gehouden met de diverse mobiele verontreinigingen in de noordelijk gelegen wijk Bezuidenhout. Bodemopbouw en zettingen De bovenste 16 m van de grond in het plangebied bestaat uit Holocene afzettingen met een variërende lithologie (zie afbeelding 6.33). In de bovenste 3 m is een veenlaag aanwezig van circa 1 tot 2 m, met direct eronder een dunne kleilaag.

Van 4 tot circa 12 m -mv is er matig grof zand aanwezig met daaronder een 3 m dikke kleilaag, die de basis vormt van de Holocene afzetting. Onder de Holocene afzetting bevindt zich een watervoerende laag, bestaande uit fijn tot overwegend matig grof zand. Deze laag gaat door tot circa 62 m mv en behoort tot de Formatie van Boxtel, Kreftenheye en Urk. Op circa 62 m -mv is een dunne klei laag aanwezig uit Formatie van Waalre (zie afbeelding 6.33). De kleilaag is dermate dun dat deze ter plaatse niet kan voldoen als afsluitende laag. Onder deze dunne kleilaag bevinden zich meerdere watervoerende pakketten die worden onderbroken door relatief dikke kleilagen (zie afbeelding 6.34). Deze afwisselingen van klei- en zandlagen zijn afkomstig uit de Formaties van Peize, Waalre, Maassluis, Oosterhout en Breda.

74 | 103 Witteveen+Bos | 119623/22-018.694 | Definitief 05

Afbeelding 6.33 Bodemopbouw op projectlocatie op basis van GeoTOP v1.4 123

1

De bovenste afbeelding geeft een dwarsdoorsnede met de geologische eenheid, welke in de onderste figuur is vertaald naar de meest waarschijnlijke lithoklassse.

2

AAOP = Antropogene afzettingen; NASC = Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Schoorl; NAZA = Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Zandvoort; NAWA = Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren; NAWO = Formatie van Naaldwijk, Laagpakket Wormer; EC = Formatie van Echteld; NIBA = Formatie van Nieuwkoop, Basisveen Laag; NXWISICO = Formatie van Boxtel, Laagpakketten van Wierden, Singraven en Kootwijk; BX = Formatie van Boxtel; KRBXDE = Formaties van Kreftenheye en Boxtel, Laagpakket van Delwijnen; UR = Formatie van Urk.

3

a = antropogeen; v = veen; k = klei; kz = ziltige klei; zf = fijn zand; zm = matig grof zand; zg = grof zand; g = grind; she = schelpen.

75 | 103 Witteveen+Bos | 119623/22-018.694 | Definitief 05

Afbeelding 6.34 Bodemopbouw op projectlocatie op basis van REGIS II v2.2 1

Het grondwaterpeil varieert tussen 0,5 en 1,7 m -mv (zie bijlage VI). Het freatisch grondwater heeft een stromingsrichting die lokaal sterk kan verschillen. De stromingsrichting van het freatisch grondwater zal overwegend noordoostelijk gericht zijn door de aanwezigheid van open water (Schenkkade) (zie afbeelding 6.35). De stromingsrichting in het eerste watervoerende pakket is overwegend zuidoostelijk gericht (zie afbeelding 6.36). De locatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied.

Afbeelding 6.35 Isohypsenkaart freatisch grondwater (-1,10 - -16,84 m+ NAP)2

1

HLc = Holocene afzettingen, complexe eenheid; BXzn = Formatie van Boxtel n e zandige eenheid; KRzn = Formatie van Kreftenheye, ne zandige eenheid; URzn = Formatie van Urk, n e zandige eenheid; WAkn = Formatie van Waalre, ne kleiige eenheid; PZWAzn = Formaties van Peize en Waalre, n e zandige eenheid; MSzn = Formatie van Maassluis, n e zandige eenheid; MSkn = Formatie van Maassluis, n e kleiige eenheid; OOkn = Formatie van Oosterhout, ne kleiige eenheid; OOzn = Formatie van Oosterhout, ne zandige eenheid; OOc = Formatie van Oosterhout, complexe eenheid; BRkn = Formatie van Breda, n e kleiige eenheid.

2

Bron: grondwatertools.nl

76 | 103 Witteveen+Bos | 119623/22-018.694 | Definitief 05

Afbeelding 6.36 Isohypsenkaart eerste watervoerend pakket (-19,04 - -34,23 m+ NAP)1

Beoordeling effect op de bodemopbouw en zettingen De bodem heeft momenteel een opbouw bestaande uit een relatief dunne veenlaag op 3 m -mv. Hierdoor is de kans op zettingen gering. Zeker als de beoogde parkeerkelder ertoe noodzaakt om deze veenlaag weg te halen, dan is de kans klein dat grootschalige zettingen optreden als gevolg van de ingreep. Onder de veenlaag bevindt zich een matig grove zandlaag die op het eerste gezicht goed bestand is tegen zettingen. Nader geotechnisch onderzoek dient echter uit te wijzen in hoeverre de bodemopbouw gevoelig is voor zettingen. Vooralsnog is het niet de verwachting dat de beoogde werkzaamheden leiden tot negatieve effecten door bijvoorbeeld (ongelijke) zettingen. De graafwerkzaamheden ten behoeve van de planuitwerking kunnen bodems verstoren en mogelijk ook ecosystemen aantasten. Ook hier is het niet de verwachting dat de ingrepen grote impact op de bodem zullen hebben, aangezien het reeds bebouwd gebied betreft en er geen bodem met essentiële ecosysteemdiensten verloren gaan. Het effect van de ontwikkeling op de bodemgesteldheid is als neutraal beoordeeld (0). Ruimte voor energietransitie in de ondergrond Aanwezige kabels en leidingen Ten zuiden van het spoor loopt een ondergrondse hoogspanningskabel (zie afbeelding 6.37). Deze levert geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen.

Op basis van de energieatlas Nederland kan worden opgemaakt dat de projectlocatie onderdeel uitmaakt van een bestaand warmtenet.

1

Bron: grondwatertools.nl

77 | 103 Witteveen+Bos | 119623/22-018.694 | Definitief 05

Afbeelding 6.37 Ligging hoogspanningskabels (links) en warmtenetten (rechts) rond het projectgebied (Nationale Energieatlas)

Bodemenergiesystemen Op basis van de bodemopbouw kan worden geconcludeerd dat er voldoende watervoerende pakketten aanwezig zijn onder de projectlocatie om een open bodemenergiesysteem (OBES) aan te leggen. Dit wordt bevestigd op basis van data uit de nationale energieatlas. Uiteraard dient voor aanvang van een dergelijk systeem onderzoek te worden verricht naar andere fysisch-chemische factoren. Ook voor gesloten bodemenergiesystemen (GBES) lijkt de locatie geschikt. Er zijn geen verbodsgebieden bekend op deze locatie, maar er zijn wel restrictiegebieden gevonden, wat betekend dat het toepassen van een bodemenergiesysteem onder voorwaarden is toegestaan. Voor een OBES is de provincie bevoegd gezag en dienen zij een vergunning te geven voor de aanleg. Wettelijke eisen aan OBES zijn opgenomen in de Waterwet, Wet milieubeheer en Wet bodembescherming. Toezicht is afhankelijk van het type en grootte van het systeem. Een watervergunning is nodig bij OBES met een debiet groter dan 10 m³/uur; kleinere systemen hebben een meldingsplicht. GBES vallen onder het bevoegd gezag van de gemeenten. Indien het systeem een vermogen van meer dan 70 kW heeft, of binnen een interferentiegebied ligt, is een omgevingsvergunning beperkte milieutoets noodzakelijk. Het project wordt vermoedelijk uitgevoerd onder de Omgevingswet.

Belangrijke aanpassingen ten opzichte van de huidige wetgeving betreffen het vervallen van een vergunningplicht en de eis voor een omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor GBES (enkel meldingsplicht). Onder het direct naastgelegen perceel bevindt zich reeds een OBES (zie afbeelding 6.38). Voor zover bekend zijn er vanuit het bevoegd gezag geen ordeningsrestricties aanwezig, maar om interferentie met het naastgelegen systeem te voorkomen is het raadzaam om een eventueel aan te leggen bodemenergiesysteem aan te laten sluiten bij deze OBES. Aardwarmte Aardwarmte is een vorm van duurzame energie, die in Nederland goed kan worden geproduceerd door warm water van 45-120 °C op te pompen uit watervoerende aardlagen op 1,5 tot 4 km diepte. Op dit moment is het direct gebruik van geothermie vooral mogelijk voor verwarming. Op termijn kan geothermie ook worden ingezet voor het opwekken van elektriciteit. De projectlocatie is mogelijk geschikt voor aardwarmte. Er is 30 - 50 % kans op het behalen van meer dan 5 MW.

78 | 103 Witteveen+Bos | 119623/22-018.694 | Definitief 05

Afbeelding 6.38 Ligging van reeds aanwezige bodemenergiesystemen en grondwateronttrekkingen nabij het projectgebied12

Beoordeling ruimte voor energietransitie in de ondergrond Conform de informatie uit de nationale energieatlas blijkt dat onder het bestaande gebouw een warmtenet aanwezig is. Mogelijk dat de voorgenomen ontwikkeling gebruik kan maken van dit warmtenet. Los van een hoogspanningskabel ten zuiden het spoor is er vooralsnog geen informatie bekend over de ligging van kabels en leidingen. Verder zijn er qua ondergrondse ruimte wel voldoende dikke aquifers aanwezig om een OBES aan te leggen. Indien hiervoor wordt gekozen is goed om het ontwerp ervan af te stemmen op de reeds aanwezige OBES onder het perceel direct ten zuidwesten. De ondergrond is tevens geschikt voor gesloten systemen (GBES). Aardwarmte is gezien de energievraag ter plaatse geen rendabele oplossing. Het uitgangspunt voor het energiesysteem van de voorgenomen ontwikkeling is een hybride systeem met een WKO-systeem en een aansluiting op het bestaande warmtenet van Eneco. Voor de voorgenomen ontwikkeling wordt dus een nieuw (deel-) systeem in de bodem aangelegd, waarmee de ruimte voor energietransitie in de ondergrond afneemt. Omdat vooralsnog onbekend is of dit wel de meest optimale benutting van de ondergrond is op deze plek, wordt de ruimte voor energietransitie in de ondergrond neutraal (0) beoordeelt.

1

Rond de projectlocatie bevinden zich geen gesloten bodemenergiesystemen (GBES).

2

Bron: WKOtool.

79 | 103 Witteveen+Bos | 119623/22-018.694 | Definitief 05

6.3.2

Water

Wateroverlast (inclusief waterberging bij extreme neerslag of droogte) Op het terrein bevindt zich een vijver die in de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland is opgenomen als secundaire watergang. De vijver is middels een duiker (POL41306960) verbonden met de nabijgelegen Schenk. Na verificatie in het veld door het Hoogheemraadschap Delfland is er geconcludeerd dat er geen peilverschil zit tussen de vijver en de naastgelegen Schenk en daarom onderdeel uitmaakt van het watersysteem. Het watersysteem betreft peilgebied (GPG2008VBP 1; met een zomerpeil van NAP -1,34 m en een winterpeil van NAP -1,40 m) welke grotendeels in de gemeente Voorburg ligt (de gemeentelijke grenzen liggen ten zuiden van het spoor). Het bergend vermogen van de vijver ten opzichte van de huidige bebouwing is bepaald middels het berekenen van de beide oppervlaktes. De bebouwing heeft een oppervlakte van circa 11,570 m2 en de vijver heeft een oppervlak van circa 1,150 m2. De verharding heeft dus een vergelijkbaar bergend vermogen welke gelijk is aan een peilstijging van 60 mm. Voor afbeeldingen en onderbouwing, zie bijlage XIII. Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. Op de wegen rondom het plangebied blijft in geval van een extreme bui enig water staan (zie bijlage XIII) en ook binnen het plangebied zijn een aantal plekken waar het water blijft staan.

De referentiesituatie ten aanzien van wateroverlast bij extreme neerslag kent dus enkele knelpunten en is daarom matig. Beoordeling wateroverlast Onderdeel van de uitgevoerde milieuonderzoeken is de watertoets (zie bijlage XIII). Van belang voor deze watertoets is dat het planvolume en de bouwhoogte op de planlocatie ten opzichte van de huidige situatie fors toenemen. Voor de voorgenomen ontwikkeling geldt dat het bouwvolume naar maximaal 120.000 m2 bvo gaat en de vijver zal worden gedempt. Doordat het plangebied in de bestaande situatie nagenoeg volledig verhard is heeft de voorgenomen ontwikkeling geen toename in het verhard oppervlak tot gevolg. Daarom dient voor wat betreft de watercompensatie enkel het te dempen oppervlakwater gecompenseerd te worden. Gelet op de omvang van de vijver (circa 1,150 m2) en de opgave die er is om invulling te geven aan de overige functies, past het in het stedenbouwkundig ontwerp niet om oppervlaktewater van minimaal dezelfde omvang te creëren. Bij invulling van de wateropgave binnen de plangrenzen zal dit naar verwachting in een combinatie van technische systemen (water op daken, ondergrondse kratten, een deel in een vijver) vormgegeven moeten worden. De wens van zowel gemeente als waterschap is echter om een zo robuust mogelijke waterberging te realiseren.

Daarom is in samenwerking met zowel de gemeente als het waterschap gezocht wordt naar locaties buiten de plangrenzen om waterberging in de vorm van oppervlaktewater te realiseren. Hiervoor worden momenteel de mogelijkheden nader verkend. Indien het niet mogelijk blijkt om (de gehele) wateropgave in de vorm van nieuw oppervlaktewater buiten de plangrenzen te realiseren worden voor de (rest) opgave technische maatregelen uitgewerkt binnen de plangrenzen. Dit zal in dat geval naar verwachting een combinatie van maatregelen worden. Dit is weliswaar voor alle betrokken partijen en bevoegde gezagen een minder wenselijke route. Zo zullen er door de initiatiefnemer mitigerende maatregelen worden uitgewerkt. Daarom wordt aangenomen dat de watercompensatie geheel opgelost wordt op eigen terrein of gedeeltelijk buiten het plangebied en wordt het effect als neutraal (0) beoordeeld.

6.3.3

Natuur

Op 11 augustus 2021 heeft Econsultancy een veldbezoek gebracht aan de ontwikkellocatie. Het rapport van dit veldbezoek is terug te vinden in bijlage XI. Middels het veldonderzoek en een bureauonderzoek is inzicht verkregen in de huidige situatie van beschermde natuur in en nabij het plangebied en de aanwezigheid van geschikte habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de ontwikkellocatie. Voor de ontwikkeling van de voorgenomen ontwikkeling zal het gehele huidige pand gesloopt worden, bomen en groen gekapt of verwijderd en de vijver verwijderd.

80 | 103 Witteveen+Bos | 119623/22-018.694 | Definitief 05

Natura 2000-gebieden De ontwikkellocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Meijendel en Berkheide, welke tevens stikstofgevoelig is, bevindt zich op circa 3,3 km afstand ten noorden van de ontwikkellocatie. Verder is het Natura 2000-gebied ‘Westduinpark en Wapendal’ gelegen op ongeveer 5,3 km van de ontwikkellocatie. De ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden is weergegeven in afbeelding 6.39.

Afbeelding 6.39 Natura 2000 Den Haag (Gemeente Den Haag, sd)

Stikstofdepositie In de Natura 2000-gebieden zijn stikstofgevoelige habitats aanwezig en geldt dat er sprake is van een overspannen situatie. Dat wil zeggen dat de achtergronddepositie meer bedraagt dan de kritische depositiewaarde (KDW) voor dat habitat. Effecten op Natura 2000-gebieden De ontwikkellocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect door de voorgenomen ontwikkeling, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen zijn, gezien de afstand (± 3,3 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden uitgesloten. Stikstofdepositie Het verdwijnen van de huidige stikstofemissies door sloop van het huidige pand is in het stikstofdepositieonderzoek van de voorgenomen ontwikkeling (zie bijlage X) meegenomen in de berekeningen. De stikstofdeposities van de gebruiksfase en realisatiefase zijn tegen deze referentiesituatie afgezet. Gebruiksfase Voor de functies in de plansituatie geldt dat deze allemaal gasloos worden uitgevoerd. Er vinden dan ook geen directe emissies plaats ten gevolge van het planvoornemen. In de plansituatie is wel sprake van indirecte emissies als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van de ontwikkeling. Bij de maximale uitwerking is er sprake van 2.995 mvt/etmaal.

Voor de verdeling over de voertuigtypen is zowel voor de referentiesituatie als de scenario’s uitgegaan van 98,8 % licht verkeer 1 % middelzwaar verkeer en 0,2 % zwaar verkeer. Voor de gebruiksfase in 2025 berekent AERIUS Calculator (versie 2021) geen toename van stikstofdepositie. De grootste toename bedraagt 0,00 mol N/ha/jaar.

81 | 103 Witteveen+Bos | 119623/22-018.694 | Definitief 05

Realisatiefase Tijdens de realisatiefase rijdt er vrachtverkeer af en naar de bouwlocatie, en zijn er verschillende mobiele werktuigen in gebruik. Voor het maatgevende jaar 2024 binnen de gehele bouwperiode (2023-2029) is, aan de hand van kentallen, een inschatting van de emissies gemaakt die door het vrachtverkeer en mobiele werktuigen veroorzaakt worden. Met een toegepaste emissiereductie van 60 % volgt uit de berekening dat de grootste toename van stikstofdepositie 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Het stikstofonderzoek concludeert daarmee dat, met deze berekende resultaten, significante negatieve effecten met betrekking tot stikstof op voorhand worden uitgesloten. NNN De ontwikkellocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland en ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het NNN. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 1 km ten noordwesten van de ontwikkellocatie. Effecten op het NNN Gelet op artikel 6.24 van de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland uit 2019 worden beperkingen opgelegd vanuit het kader van het Natuurnetwerk Nederland wanneer deze gelegen zijn in het Natuurnetwerk Nederland, of deel uitmaken van de strategische reservering van natuur. Beide vereisten zijn niet van toepassing op de onderhavige ontwikkellocatie. De ontwikkeling heeft dus geen effect op het NNN (0) en vervolgonderzoek is niet nodig.

Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). De 48 bomen in (op de grens van) het plangebied liggen binnen de bebouwde kom, dus vallen hier niet onder. Effecten op houtopstanden De bomen op de ontwikkellocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De bomen zijn gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze bomen geldt geen meldingsplicht of herplantplicht in het kader van de Wnb. Tijdens de inventarisatie van bomen door Koenders & Partners (zie bijlage XV) zijn alle bomen met een omtrek van 20 cm of meer, die in of nabij de ontwikkellocatie staan, ingemeten en beoordeeld. Voor 36 van de 48 bomen is een Omgevingsvergunning voor de activiteit vellen van houtopstanden nodig, volgens de regels van de gemeente Den Haag ten aanzien van het snoeien, verplanten en kappen van bomen. Beschermde soorten Onderstaande tabel toont een overzicht van de soortengroepen waarnaar onderzoek is gedaan door Econsultancy (zie bijlage XI). Tijdens dit onderzoek zijn algemene broedvogels en ook vleermuizen, zoogdieren, amfibieën en vissen in de vijver aangetroffen.

In bijlage XI is het hele onderzoek en overzicht van om welke soorten het specifiek gaat opgenomen. Er zijn dus verschillende soorten aanwezig op de locatie in de referentiesituatie.

Tabel 6.10 Overzicht aangetroffen soorten ontwikkellocatie Soortgroep broedvogels

vleermuizen

82 | 103 Witteveen+Bos | 119623/22-018.694 | Definitief 05

Geschikte habitat algemeen

ja

nesten jaarrond beschermd

nee

verblijfplaatsen

ja

foerageergebied

ja

vliegroutes

ja

Soortgroep

Geschikte habitat

grondgebonden zoogdieren

ja

amfibieën

ja

reptielen

nee

vissen

nee

libellen en vlinders

nee

overige ongewervelden

nee

vaatplanten

nee

Effecten op beschermde soorten In de volgende tabel is voor beschermde soorten samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. Nadere onderbouwing van deze tabel is terug te lezen in bijlage XI. Op basis van dit onderzoek en de aanname dat mitigerende maatregelen worden genomen zoals aangedragen in hoofdstuk 6 van het onderzoek, zijn verstorende effecten van de ontwikkeling uitgesloten en effect dus neutraal (0). Naast effecten op beschermde soorten geldt er voor alle soorten zorgplicht, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen voorkomen dient te worden. In het kader van zorgplicht is het aan te raden een ecologisch werkprotocol op te stellen. In het werkprotocol worden de benodigde maatregelen verwoord en de verantwoordelijkheden van de betrokken partijen vastgelegd.

Tabel 6.11 Overzicht effect van ingrepen op ontwikkellocatie Soortgroep

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

algemeen

nee, indien maatregelen genomen worden

mogelijk

nee

nesten jaarrond beschermd

niet van toepassing

nee

nee

verblijfplaatsen

mogelijk

ja

mogelijk

foerageergebied

nee

nee

nee

vliegroutes

nee, indien maatregelen genomen worden

nee

nee

grondgebonden zoogdieren

nee, indien maatregelen genomen worden

nee

nee

amfibieën

nee, indien maatregelen genomen worden

nee

nee

reptielen

niet van toepassing

nee

nee

vissen

niet van toepassing

nee

nee

libellen en vlinders

niet van toepassing

nee

nee

overige ongewervelden

niet van toepassing

nee

nee

vaatplanten

niet van toepassing

nee

nee

broedvogels

vleermuizen

83 | 103 Witteveen+Bos | 119623/22-018.694 | Definitief 05

Biodiversiteit Afbeelding 6.40 toont de mate van biodiversiteit van de wijken in Den Haag (op basis van informatie uit 2017). Rond de Anna van Hannoverstraat 4 is de biodiversiteit in de referentie situatie gemiddeld, dus redelijk.

Afbeelding 6.40 Biodiversiteit om en nabij de Anna van Hannoverstraat 4 (Gemeente Den Haag, sd)

Effect op biodiversiteit De ontwikkeling moet voldoen aan de ‘Nota Haagse Hoogbouw’ en het puntensysteem ‘groen- en natuurinclusief bouwen’. De behoefte aan groene leefruimte is groot. Hoogbouw biedt kansen om groene, aantrekkelijke buitenruimtes toe te voegen. Bij hoogbouw geldt dat minimaal 100 % van de ‘footprint van de stedelijke laag’ moet worden gecompenseerd als horizontale buitenruimtes, zoals daktuinen. Daarvan moet minimaal 40 % ingericht worden met groen dat een bijdrage levert aan biodiversiteit. Onder de aanname dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de Nota Haagse Hoogbouw, bestaat er dus een positief effect (+) op biodiversiteit.

6.3.4

Stadsklimaat

Hittestress als gevolg van de stedenbouwkundige inrichting Door de huidige inrichting van het plangebied is er sprake van een sterk stedelijk hitte-eiland effect, zoals getoond in afbeelding 6.41. De Schenk biedt verkoeling op warme dagen, maar doordat het omringt wordt door bebouwing en verharding is zelfs daar het temperatuurverschil tussen de stad en het platteland in Nederland meer dan 1.2 ºC. In het plangebied zelf kan dat zelf oplopen tot meer dan 2 graden.

84 | 103 Witteveen+Bos | 119623/22-018.694 | Definitief 05

Afbeelding 6.41 Hittekaart - gevoelstemperatuur op een zomerse dag (Klimaateffectatlas, 2020) (Atlas Natuurlijk Kapitaal, sd)

Beoordeling beïnvloeding van hittestress als gevolg van de stedenbouwkundige inrichting Bij de inrichting van de buitenruimte wordt uitgegaan van een klimaatbestendige inrichting en ontwikkeling. Als aanvullende bijdrage is vergroening van de buitenruimte langs, tussen en aan/op de bebouwing het uitgangspunt. Zo dragen de daktuinen bij aan opvang en retentie van hemelwater en het bieden van verkoeling. De buitenruimte moet nog ontworpen worden. Om een beoordeling te geven aan de mate waarin de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op hittestress wordt uitgegaan van de volgende indicaties verhard oppervlak in de buitenruimte zoals weergeven in tabel 6.12 (zie ook afbeelding 6.42). Het verkoelen van een gebouw mag niet leiden tot opwarming van de omgeving. Voor het ontwerp van het gebouw wordt voorkeur gegeven aan een warmte-koude opslagsysteem waarmee ook gekoeld kan worden. Ook kan de koelingsvraag beperkt worden door (buiten)zonwering, balkons en overstekken. Deze ontwerpprincipes beperken de opwarming van de omgeving door koeling van het gebouw en moeten in een volgende fase verder uitgewerkt worden. In de huidige situatie zijn bijna de volledige buitenruimte en dakoppervlak verhard. Gezien de toevoeging van groen oppervlak in de buitenruimte, de daktuinen en groene daken draagt dit bij aan het verminderen van de hittestress in het plangebied.

Dit is een positief (+) effect van de voorgenomen ontwikkeling.

Tabel 6.12 Indicaties % verharding en % groen buitenruimte Anna van Hannoverstraat 4 Element

m2

% verhard

% groen

context

4.663

20

80

fase 1 (rechts) dak

4.730

70

30

fase 1 (rechts) daktuin

1.176

5

95

fase 2 (links) dak

4.095

65

35

fase 2 (links) daktuin

1.076

5

95

85 | 103 Witteveen+Bos | 119623/22-018.694 | Definitief 05

Afbeelding 6.42 Concept demarcatie buitenruimte

Windhinder als gevolg van de stedenbouwkundige inrichting Het windklimaat is door Peutz beoordeeld op basis van de uitgevoerde Computational Fluid Dynamics (CFD) berekeningen, de windstatistiek op basis van de NPR 6097:2006 van de betreffende locatie en de grenswaarden betreffende windhinder en windgevaar op basis van de NEN 8100. Het onderzoeksrapport is als bijlage XVIII toegevoegd aan dit MER. In deze bijlage zijn de hierna getoonde afbeelding in groter formaat te bekijken. Voor windhinder wordt een drempelwaarde vDR;H aangehouden van 5 m/s uurgemiddelde windsnelheid op loop- of verblijfsniveau. Bij deze windsnelheid gaan mechanische effecten bij de ervaring van het windklimaat een rol spelen zoals bijvoorbeeld het omslaan van paraplu’s, in de ogen waaien van stof en in meer extreme vorm het dichtwaaien van een autoportier en dergelijke. Bij de beoordeling van het windklimaat is onderscheid gemaakt tussen de categorieën doorlopen, slenteren en langdurig verblijven. De gehanteerde beoordelingsschaal voor windhinder wordt getoond in tabel 6.13.

Tabel 6.13 Criteria windhinder volgens NEN 8100 Overschrijdingskans [ p(vlok>vDR;H) in procenten van het aantal uren per jaar]

Kwaliteitsklasse

Doorlopen

Slenteren

Langdurig stilzitten

< 2,5

A

goed

goed

goed

2,5 - 5

B

goed

goed

matig

5 -10

C

goed

matig

slecht

10 -20

D

matig

slecht

slecht

≥ 20

E

slecht

slecht

slecht

86 | 103 Witteveen+Bos | 119623/22-018.694 | Definitief 05

In het onderzoeksrapport is het criterium voor slenteren van toepassing bij de gebouwentrees. Bij alle andere situaties wordt het criterium voor doorlopen gehanteerd. Voor slenteren wordt een hinderkans van minder dan 5 %, overeenkomend met een beoordeling goed, nagestreefd. Het criterium voor langdurig zitten is niet toegepast en het aspect windgevaar is alleen tekstueel beoordeeld. Uit de resultaten blijkt dat in de huidige situatie in het plangebied overwegend sprake is van een goed windklimaat (zie afbeelding 6.43). Op basis van de berekeningen is in het plangebied geen sprake van een overschrijding van het gevaarcriterium. Plaatselijk, met name aan de oostzijde en ten zuidwesten van het plangebied is sprake van een matig windklimaat. Verder is op de afbeelding te zien dat op de perrons, ten zuidoosten van het plangebied, plaatselijk sprake van een matig windklimaat op basis van het criterium voor doorlopen of slecht voor slenteren (geel). Dit valt echter buiten het plangebied.

Afbeelding 6.43 Aanzicht oppervlakte grid rekenmodel (links) en het te verwachten windklimaat (rechts) van de huidige situatie

Beoordeling beïnvloeding van windhinder als gevolg van de stedenbouwkundige inrichting Het onderzoek is windonderzoek is uitgevoerd voor verschillende situaties: 1 geplande situatie zonder geplande begroeiing en zonder de toekomstige omgevingsbebouwing aan andere zijde van het spoor (afbeelding 6.44); 2 geplande situatie zonder geplande begroeiing maar met de toekomstige omgevingsbebouwing aan andere zijde van het spoor (afbeelding 6.45); 3 geplande situatie met geplande begroeiing en toekomstige omgevingsbebouwing aan andere zijde van het spoor (afbeelding 6.46); 4 aangepast model (met een kleine wijziging in de geometrie) zonder geplande begroeiing en zonder de toekomstige omgevingsbebouwing aan andere zijde van het spoor (afbeelding 6.47).

Afbeelding 6.44 Aanzicht oppervlakte grid rekenmodel (links) en verwacht windklimaat (rechts) van de geplande situatie zonder geplande begroeiing en zonder de toekomstige omgevingsbebouwing aan andere zijde van het spoor

87 | 103 Witteveen+Bos | 119623/22-018.694 | Definitief 05

Afbeelding 6.45 Aanzicht oppervlakte grid rekenmodel (links) en verwacht windklimaat (rechts) van de geplande situatie zonder geplande begroeiing maar met de toekomstige omgevingsbebouwing aan andere zijde van het spoor

Afbeelding 6.46 Aanzicht oppervlakte grid rekenmodel (links) en verwacht windklimaat (rechts) van de geplande situatie met geplande begroeiing en toekomstige omgevingsbebouwing aan andere zijde van het spoor

Afbeelding 6.47 Aanzicht oppervlakte grid rekenmodel (links) en verwacht windklimaat (rechts) van het aangepast model zonder geplande begroeiing en zonder de toekomstige omgevingsbebouwing aan andere zijde van het spoor

Tabel 6.14 Samenvatting resultaten onderzoek windhinder door Peutz (zie bijlage XVIII) Situatie

Beoordeling windklimaat

Beoordeling ten opzichte van huidige situatie

Beoordeling windgevaar

huidige situatie

goed matig (oostzijde/ten zuidwesten van het plangebied)

niet van toepassing

geen windgevaar

1

goed matig (doorgang tussen nieuwbouw/zuidwest zijde/Laan van NOI) slecht (lokaal onder de overkraging)

slechter

beperkt risico op windgevaar onder de overkraging

2

goed

gelijkwaardig

geen windgevaar

88 | 103 Witteveen+Bos | 119623/22-018.694 | Definitief 05

Situatie

Beoordeling windklimaat

Beoordeling ten opzichte van huidige situatie

Beoordeling windgevaar

matig (doorgang tussen nieuwbouw/Laan van NOI) 3

goed matig (Laan van NOI)

gunstiger

geen windgevaar

4

goed matig (doorgang tussen nieuwbouw/zuidwest zijde/Laan van NOI)

slechter

geen windgevaar

In de geplande bebouwingssituatie met geplande begroeiing en de geplande omgevingsbebouwing aan de zuidzijde van het spoor is in het plangebied overwegend sprake van een goed windklimaat voor het criterium doorlopen. Alleen op de Laan van NOI wordt een matig windklimaat voor doorlopen verwacht, maar het windklimaat is hier in de huidige bebouwingssituatie lokaal ook al matig. In de geplande bebouwingssituatie zonder de nieuwbouw aan de zuidzijde van het spoor is het te verwachten windklimaat ook matig voor doorlopen in de doorgang door het plangebied en lokaal aan de zuidwestzijde. Behoudens een beperkt risico op windgevaar onder de overkraging in de situatie met de huidige omgevingsbebouwing is er geen overschrijding van het criterium voor windgevaar of zelfs een beperkt risico op windgevaar te verwachten. Uitgaande van de slechtste situatie in deze beoordeling, is er dus sprake van een licht negatief effect op het windklimaat door de voorgenomen ontwikkeling (-). Hierbij vindt geen normoverschrijding plaats. Schaduwhinder als gevolg van de stedenbouwkundige inrichting Binnen Nederland worden geen formele eisen gesteld aan de bezonning van woningen of andere bouwwerken.

De bezonningsnorm van de gemeente Den Haag is gebaseerd op de lichte TNO-norm en vastgelegd in de hoogbouwvisie ‘Eyeline en Skyline’, die verwijst naar de door de gemeenteraad vastgestelde normen voor ‘Windhinder en bezonning rond nieuwbouw’ (RIS 170509), gebaseerd op NENnorm 8100. Deze norm geldt voor bouwwerken vanaf een hoogte van 25 m of indien de nieuwbouw ten minste 1,5 keer hoger is dan de gemiddelde hoogte van de omgeving. De norm bevat de volgende kenmerken: - toetsingsdatum 19 februari (overeenkomend met 21 oktober); - minimale zonshoogte 10 ̊; - minimale potentiële bezonningsduur 2 uur; - meetpunt 0,75 m hoogte in het midden van de gevel van de onderste woonlaag; - bezonningsduur ter plaatse van de voor- en achtergevel bij elkaar optellen; - geen verdere verslechtering in bestaande situaties met minder dan 2 mogelijke zonuren; - bij dakopbouw: maximale afname bezonningsduur 50 % (excessenregeling); - weergave bezonningsduur en afname in tabelvorm; - de norm is van toepassing bij de onderste woonlaag van bestaande woningen (de gevels van nieuwbouw behoeven niet onderzocht te worden); - de norm is van toepassing op openbare en semi-openbare ruimten met een recreatieve functie alsmede bij buitenruimten bij scholend en kindercentra.

De bezonning voldoet door de huidige bebouwing niet aan de bezonningsnorm van 2 uur zon, op toetsingsdatum 19 februari, bij 54 van de 453 onderzochte woningen (zie bijlage XIX). Omdat meer dan 10 % van de onderzochte woningen niet voldoet aan de bezonningsnorm is de referentiesituatie matig beoordeeld.

89 | 103 Witteveen+Bos | 119623/22-018.694 | Definitief 05

Beïnvloeding van schaduwhinder als gevolg van de stedenbouwkundige inrichting Zoals eerder beschreven zal bij de voorgenomen ontwikkeling de bestaande bebouwing gesloopt worden en omvat het plan vier torens van 75 m. De bouwhoogte van de torens van de voorgenomen ontwikkeling heeft aanleiding gegeven tot het uitvoeren van een bezonningsonderzoek. Dit onderzoek is uitgevoerd door Peutz en bijgevoegd als bijlage XIX bij dit MER. Voor het onderzoek is onder andere gebruik gemaakt van een 3Dmodel van de nieuwbouw en de stedenbouwkundige omgeving. De toetsing heeft plaatsgevonden in het 3D-model. Begroeiing is niet meegenomen in het onderzoek. Bij 11 woningen is, ten opzichte van de referentiesituatie, een verdere afname van de bezonning op de toetsingsdatum (19 februari) vastgesteld. Hiermee voldoen die woningen niet aan de norm (geen verdere verslechtering in bestaande situaties met minder dan 2 mogelijke zonuren) die door de gemeente vastgesteld is. Bij de woningen die niet aan de norm voldoen gaat het veelal om losse woningen of kleine groepjes woningen die in de huidige bebouwingssituatie al weinig zon hebben. Uit een gevoeligheidsanalyse met toetsing op 7 maart blijkt dat deze woningen maar een beperkt deel van het jaar niet aan de norm van de gemeente voldoen: op 7 maart voldoet nog een woning niet aan de gestelde norm.

Er zijn geen woningen die in de huidige bebouwingssituatie wel minstens 2 uur zon krijgen, maar die door de voorgenomen ontwikkeling niet meer aan deze eis voldoen. Omdat door de voorgenomen ontwikkeling bij 11 woningen een verdere afname van bezonning is vastgesteld, is sprake van normoverschrijding van de door de gemeente Den Haag vastgestelde norm ten aanzien van bezonning en heeft de voorgenomen ontwikkeling ten opzichte van de referentiesituatie een sterk negatief effect (--) op schaduwhinder.

6.3.5

Energie

CO2‐uitstoot door de energieprestatie van bebouwing Op afbeelding 6.48 staan de geregistreerde energielabels van de huidige bebouwing. De gegevens zijn bijgewerkt tot en met 1 februari 2021. Een energielabel geeft aan hoe energiezuinig een gebouw is. Op de kaart zijn de zeer zuinige woningen groen (klasse A++++) en de zeer onzuinige woningen rood (klasse G). De huidige bebouwing aan de Anna van Hannoverstraat valt volgens deze kaart in klasse C. In het coalitieakkoord (Gemeente Den Haag, 2019b) is het volgende opgenomen ten aanzien van de energietransitie: ‘Elk nieuw gebouw wordt klimaatneutraal en dus zonder aardgas opgeleverd. Bij grootschalige renovaties is aardgasvrij het uitgangspunt. De ambitie is daarnaast om in deze periode 25 duizend tot 30 duizend bestaande woningen van duurzame energie te voorzien. We gaan aan de slag met tien Groene Energie Wijken: Mariahoeve, Den Haag Zuidwest, Binckhorst/CID, het Koningsplein en omgeving, Molenwijk en Moerwijk-Oost, de Vruchtenbuurt, de Vogelwijk, Ypenburg, Noordpolderbuurt en het Statenkwartier/ Scheveningen. In deze gebieden staan bijna 100 duizend woningen en veel kantoren en bedrijfspanden. De ambitie is om deze gebouwen binnen tien jaar van duurzame stroom en warmte te voorzien, waarvan 25 % tot 30 % in deze periode. Onze prioriteit ligt hierbij op de woningen die in slechte staat zijn.

In 2021 heeft Den Haag voor elke wijk en elke buurt een concreet plan waarin staat hoe de overstap wordt gemaakt naar duurzame energie en warmte.’ Voor de buurt waar de Anna van Hannoverstaat onder valt (Bezuidenhout) is nog geen plan opgesteld, dus het is niet duidelijk of de huidige bebouwing in de referentiesituatie verduurzaamd zou worden, terwijl vanaf 1 januari 2023 een kantoorpand minimaal energielabel C moet hebben en vanaf 2030 is op z'n minst label A. Deze eis geldt voor panden die groter zijn dan 100 m2, die in z'n geheel als kantoor dienen. Het huidige pand is niet in zijn geheel als kantoor in gebruik, maar heeft wel die bestemming. Het zichtjaar van de referentiesituatie is 2032. Dat betekent dat het gebouw in de referentiesituatie niet aan de duurzaamheidseis voldoet. De energieprestatie van de huidige bebouwing in de referentiesituatie is daarom als slecht beoordeeld.

90 | 103 Witteveen+Bos | 119623/22-018.694 | Definitief 05

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12507866/1