RIS314687 Bijlage 1 deel 1 Toelichting
Tekst van het document
71
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
dat deze allemaal gasloos worden uitgevoerd. Er vinden geen directe emissies plaats ten gevolge van het planvoornemen. Er zullen wel indirecte emissies zijn als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van de ontwikkeling. Significante negatieve effecten door stikstofdepositie zijn echter niet waarschijnlijk, waardoor het effect als neutraal (0) is beoordeelt. De ontwikkeling heeft geen effect op het NNN. Het effect wordt beoordeelt als neutraal (0). Op basis van onderzoek en de aanname dat mitigerende maatregelen worden genomen, zijn verstorende effecten van de ontwikkeling op beschermde soorten uitgesloten en is het effect neutraal (0). De ontwikkeling moet voldoen aan de nota 'Haagse Hoogbouw' en het puntensysteem 'groen- en natuurinclusief bouwen'. Bij hoogbouw geldt dat minimaal 100% van de footprint van de stedelijke laag moet worden gecompenseerd en dat minimaal 40% moet worden ingericht met groen dat een bijdrage levert aan de biodiversiteit. Hierdoor bestaat er een positief (+) effect op de biodiversiteit. Stadsklimaat In de huidige situatie zijn de buitenruimte en het dakoppervlak bijna volledig verhard. Gezien de toevoeging van groen oppervlak in de buitenruimte, de daktuinen en groene daken draagt dit bij aan het verminderen van de hittestress in het plangebied. Dit is een positief (+) effect van de voorgenomen ontwikkeling.
In de geplande bebouwingssituatie met geplande begroeiing en de geplande omgevingsbebouwing aan de zuidzijde van het spoor is in het plangebied overwegend sprake van een goed windklimaat voor het criterium doorlopen. Alleen op de Laan van NOI wordt een matig windklimaat voor doorlopen verwacht, maar het windklimaat is hier in de huidige situatie lokaal ook al matig. In de geplande bebouwingsituatie zonder de nieuwbouw aan de zuidzijde van het spoor is het te verwachte windklimaat ook matig voor doorlopen in de doorgang door het plangebied en lokaal aan de zuidwestzijde. Behoudens een beperkt risico op windgevaar onder de overkraging in de situatie met de huidige omgevingsbebouwing is er geen overschrijding van het criterium voor windgevaar of zelfs een beperkt risico op windgevaar te verwachten. Uitgaande van de slechtste situatie is er sprake van een licht negatief effect op het windklimaat door de voorgenomen ontwikkeling (-). Hierbij vindt er geen normoverschrijding plaats. De bezonning voldoet niet aan de bezonningsnorm van 2 uur zon, op toetsingsdatum 19 februari, bij 54 van de 453 onderzochte woningen. Omdat meer dan 10% van de onderzochte woningen niet voldoet aan de bezonningsnorm is de referentiesituatie als matig beoordeeld (-).
Door de voorgenomen ontwikkeling is bij 11 woningen een verdere afname van de bezonning vastgesteld, is er sprake van normoverschrijding van de door de gemeente Den Haag vastgestelde norm ten aanzien van bezonning en heeft de voorgenomen ontwikkeling ten opzichte van de referentiesituatie een sterk negatief effect (- ) op schaduwhinder. Energie Het ontwerp van de voorgenomen ontwikkeling is nog niet in detail uitgewerkt, maar aangenomen wordt dat er een sterke verbetering zal zijn omdat een WKO deel wordt toegevoegd. Daarnaast wordt in het ontwerp op het gebied van energie, koeling en verwarming zo veel mogelijk gebruik gemaakt van bewezen technieken. Voor een hoog comfort en laag energieverbruik wordt gebruik gemaakt van slimme installaties, die niet alleen gestuurd worden op CO2 of aanwezigheid maar ook proactief gekoppeld worden aan bijvoorbeeld de weersverwachting. De verandering in de energieprestatie van de bebouwing wordt zeer positief (++) beoordeeld. Het is onbekend wat in de huidige situatie en in de referentiesituatie de CO2-uitstoot van mobiliteit van bewoners en bezoekers van de huidige bebouwing is. Gezien de slechte huidige situatie van CO2-uitstoot door mobiliteit in Den Haag en de autonome verbetering naar 20% elektrisch vervoer in 2030, wordt de referentiesituatie ten aanzien van CO2-uitstoot door de energieprestatie van mobiliteit als matig beoordeeld.
Op basis van de stelling dat het mobiliteitsconcept de verkeerstoename beperkt en dat vooral duurzame mobiliteitsvormen wordt ingezet, lijkt het aannemelijk dat er geen toename ontstaat
72
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
van C)2-uitstoot door verandering in de energieprestatie van mobiliteit. Het is niet te onderbouwen dat er - aanvullend op de autonome ontwikkeling van elektrische automobiliteit - een afname van CO2-uitstoot door de verandering in de energieprestatie van mobiliteit ontstaat. Daarom wordt het effect neutraal (0) beoordeeld. Er wordt geen effect voorzien op de CO2-uitstoot van energievoorziening voor openbare voorzieningen, omdat de ontwikkeling geen aanpassingen maakt aan openbare voorzieningen (0). Samenvatting beoordeling duurzaamheid en energietransitie In onderstaande tabel wordt de samenvatting van de effecten op het thema duurzaamheid en energietransitie weergegeven.
5.1.5
Inzichten voor de besluitvorming
Uit het projectMER blijkt dat een aantal aspecten een positieve bijdrage levert aan de doelstellingen en ambities van de gemeente Den Haag. Het gaat dan om de aspecten functiemenging, de kwaliteit van de openbare ruimte en de energieprestaties van de bebouwing. Ook op de aspecten verkeersveiligheid, biodiversiteit en hittestress heeft de voorgenomen ontwikkeling een positief effect. Ten aanzien van het aspect geluid heeft de voorgenomen ontwikkeling een (sterk) negatief effect, omdat er sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Door de verkeersaantrekkende werking van de voorgenomen ontwikkeling zal de luchtkwaliteit ter plaatse licht verslechteren. Ten aanzien van het aspect 'hinder tijdens de bouw' is te argumenteren dat de bouw voor hinder zal zorgen, maar omdat het bouwplan nog niet is uitgewerkt is een concrete beoordeling van dit aspect niet mogelijk. Bij de analyse van de verkeersafwikkeling autoverkeer op ontsluitende wegen is de conclusie getrokken dat de voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een minder goede verkeersafwikkeling. Ook zorgt de voorgenomen
73
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
ontwikkeling voor een toename van wind- en schaduwhinder. Een aantal van deze negatieve effecten zijn belangrijk, maar leiden niet zonder meer tot het nemen van maatregelen. Zo is er verslechtering van de luchtkwaliteit, maar omdat de verslechtering niet in betekende mate is, kan onderzoek naar de gevolgen voor luchtkwaliteit achterwege gelaten worden en staat het aspect luchtkwaliteit verdere besluitvorming niet in de weg. Voor het aspect 'hinder tijdens de bouw' zal een BVC-procedure doorlopen moeten worden, waarmee afspraken over bereikbaarheid (B), verkeerveiligheid (V) en communicatie (C) vastgelegd worden. 9 maanden voor uitvoering van de werkzaamheden zal het BVC-plan ingediend moeten worden. Het aspect 'windklimaat' is gebaseerd op een worst-case analyse van het effect op het windklimaat, waarbij er op de Laan van NOI een matig windklimaat voor doorlopen wordt verwacht. De Haagse normen voor windhinder schrijven als ondergrens minimaal een 'matig' windklimaat voor.
Voor het aspect geluid zal het nodig zijn om mitigerende maatregelen te treffen dan wel besluitvorming plaats te laten vinden (het vaststellen van hogeren waarden en het toepassen van dove gevels inzake weg en spoorgeluid, het treffen van maatregelen aan installaties en eventueel door het opleggen van een maatwerkvoorschrift met verruimde geluidswaarden inzake geluid als gevolg van nabij gelegen inrichtingen. Inzake schaduwhinder zal besloten moeten worden in hoeverre de overschrijdingen acceptabel gevonden worden.
5.2
Verkeer en parkeren
5.2.1
Parkeren
Parkeren Het parkeren en stallen van auto's neemt een belangrijke plaats in binnen het verkeer- en vervoerbeleid van de gemeente Den Haag. Het algemene parkeerbeleid is vastgelegd in de Parkeerstrategie 2021 2030 (RIS308711). Dit beleid gaat vooral over het faciliteren van de parkeerbehoefte en het benutten van schaarse ruimte maar moet ook automobilisten prikkelen om meer met het openbaar vervoer te reizen of de fiets te pakken. Hoge stedelijke bebouwingsdichtheden zonder adequate parkeervoorzieningen leiden vaak tot een te zware belasting van de openbare ruimte. Dat geldt zowel voor woon- als werkfuncties maar ook voor locaties die veel bezoekers trekken. Behalve de noodzaak tot de verdeling van schaarse (openbare) parkeergelegenheid in een aantal gebieden in de stad, zijn mobiliteitsoverwegingen gericht op het streven naar een bereikbare en leefbare (woon)omgeving voor de gemeente aanleiding tot het stellen van parkeereisen bij nieuwe ontwikkelingen. Parkeernormen De parkeernormen en het toepassingskader ervan zijn uitgewerkt in de “Regeling Autoparkeernormen Den Haag 2021” (RIS 309547). Deze regeling is niet van toepassing op station Laan van NOI. Daar geldt het parkeerbeleid uit de Nota Parkeernormen CID en Binckhorst (RIS306160). Nieuwbouw- en verbouwplannen worden aan dit beleid getoetst.
Aan de hand van de parkeernormen wordt de parkeerbehoefte berekend en vergeleken met de voorzieningen die in het plan zijn opgenomen. Het kan zijn dat in de visie van de initiatiefnemer de genormeerde parkeerbehoefte van de in het plan opgenomen functies afwijkt van de werkelijke parkeerbehoefte. Het is dan aan de initiatiefnemer om dit aan te tonen en goed te onderbouwen. Uitgangspunt is dat de parkeerbehoefte van een bouwontwikkeling op het eigen terrein wordt opgelost. Soms is dat niet mogelijk en het is ook niet altijd strikt noodzakelijk. De gemeente kan onder andere de parkeerdruk en eventuele beschikbare parkeerruimte binnen loopafstand in de omgeving, meewegen. Dat geldt ook voor functies waarvan de parkeerplaatsen onderling uitwisselbaar zijn. Daarnaast kan de gemeente in afwijkende situaties maatwerk toepassen. Aan de hand van de informatie wordt vastgesteld hoeveel parkeerplekken de initiatiefnemer op eigen terrein moet realiseren.
74
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
Bij woningbouw is het gemiddelde autobezit uitgangspunt voor de hoogte van de parkeernorm. Het gemiddelde autobezit hangt af van de oppervlakte van de woning, de plek in de stad en het type woning. Voor werken, winkels en andere voorzieningen is de functie van het gebouw en de mate van bereikbaarheid met het openbaar vervoer, bepalend voor de parkeernorm. Bij knooppunten van het openbaar vervoer geldt een lagere norm dan op plekken die minder goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer. De parkeernormen worden uitgedrukt in het aantal parkeerplaatsen per woning, en bij de -meeste- overige de functies in het aantal parkeerplaatsen per 100 m2 bruto vloeroppervlak. De stedenbouwkundige regels uit de gemeentelijke bouwverordening zijn in verband met het bepaalde in de Reparatiewet B2K2014 (Stb. 2014, 458) op dit plan niet meer van toepassing. De parkeernormregeling zit volledig in dit bestemmingsplan. Fiets parkeren De aantrekkelijkheid van een reis per fiets wordt mede bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de fietsparkeervoorziening bij herkomst en bestemming. Daarnaast wil de gemeente voorkomen dat de kwaliteit van de buitenruimte onder druk komt te staan doordat fietsen teveel geparkeerd worden op plaatsen met een intensief gebruik van de openbare ruimte.
Om die reden gaat de gemeente uit van het faciliteren en sturen op het stallen van fietsen bij belangrijke bestemmingen of bestemmingsgebieden, zoals NS-stations en de binnenstad. Daarnaast hanteert de gemeente fietsparkeernormen bij nieuwbouw en verbouw van kantoren, bedrijven en voorzieningen. Het gemeentelijke beleid ten aanzien van het stallen van fietsen is vastgelegd in de “Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016” (RIS294386). Fietsparkeernormen De gemeente heeft in de “Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016” normen vastgesteld voor de aanwezigheid van fietsparkeerplaatsen bij kantoren, bedrijven en voorzieningen. Deze fietsparkeernormen worden toegepast bij nieuwbouw en verbouw waarvoor een omgevingsvergunning verplicht is. Het hanteren van fietsparkeernormen is nodig om het fietsen in Den Haag te stimuleren en het beslag van het fietsparkeren op de schaarse openbare ruimte te kunnen reguleren. Bij de bepaling van de fietsparkeernormen is het faciliteren van het groeiende fietsgebruik het uitgangspunt geweest. Voor het fietsparkeren bij woningen is de eis uit het bouwbesluit van toepassing, waarin is aangegeven dat bij woningen een berging aanwezig is.
De aanvrager van een omgevingsvergunning voor een woongebouw kan in de aanvraag verzoeken om afwijking van de prestatie-eisen die het Bouwbesluit stelt aan buitenbergingen, anders genoemd verzoeken om toepassing van gelijkwaardigheid. In de “Beleidsregels Bergingen nieuwe woongebouwen Den Haag 2017” (RIS297288) staat aangegeven onder welke voorwaarden collectieve fietsstallingen kunnen worden gebouwd in plaats van afzonderlijke fietsbergingen per woning. De fietsparkeerbehoefte van een ontwikkeling met een niet-woonfunctie wordt berekend aan de hand van het bouwplan en de daarbij behorende parkeernorm. Voor het vaststellen van de fietsparkeereis wordt vervolgens de berekende parkeerbehoefte afgezet tegen de specifieke kenmerken en grootte van het bouwplan en tegen de omgeving van het bouwplan. Indien er concrete aanleiding bestaat om de berekende fietsparkeerbehoefte bij te stellen, is het aan de ontwikkelaar om aan te tonen op grond waarvan dat nodig is. Dubbelgebruik kan daar bijvoorbeeld een aanleiding voor zijn. Aan de parkeereis kan op eigen terrein worden voldaan of door middel van een storting in het fietsparkeerfonds (of een combinatie). Fietsparkeerplaatsen die op eigen terrein worden gerealiseerd dienen goed bereikbaar en comfortabel te zijn.
Bij afkoop van de fietsparkeereis door middel van een storting in het parkeerfonds, dient de gemeente te voorzien in de behoefte van fietsparkeerplaatsen door realisatie en exploitatie van (openbaar toegankelijke) fietsparkeervoorzieningen. Tenslotte worden de afspraken tussen ontwikkelaar en gemeente vastgelegd voor de nieuw- en verbouwplannen waarmee het beoogde gebruik van de fietsparkeeroplossingen, zoals het toepassen van deelfietsen, kan worden bewaakt. Geen parkeervergunningen voor toekomstige bewoners, bezoekers en gebruikers Bewoners en gebruikers van de ontwikkeling komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning. Bezoekers van het gebied komen niet in aanmerking voor een bezoekersparkeervergunning. Dit wordt in
75
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
het vergunningensysteem van de gemeente opgenomen. 5.2.1.1 Onderzoek Autoparkeren Vorm ontwikkeling BV heeft op basis van een realistische uitwerking van het programma een berekening uitgevoerd voor het autoparkeren: Woningen: <40m2 BVO: 240 woningen 40-70 m2 BVO: 360 woningen 70-100 m2 BVO: 588 woningen 100-160 m2 BVO: 12 woningen > 160 m2 BVO: 0 woningen totaal: 1.200 woningen Commercieel 1.000 m2 BVO horeca 1.000 m2 BVO bedrijfsruimte 1.500 m2 BVO sportschool 500 m2 BVO klein buurttheater/ kamer 500 m2 BVO magazijn 1.000 m2 BVO zorg 24.000 m2 BVO kantoor 500 m2 BVO supermarkt totaal 30.000 m2 bvo commercieel Bij het berekenen van het autoparkeren is gerekend met de CID parkeernorm. De parkeerbehoefte op basis van dubbelgebruik is berekend volgens de CROW (aanwezigheidspercentages CROW 317). Uitkomst parkeerberekening autoparkeren Uit de berekening volgt dat de normatieve parkeerbehoefte 391 parkeerplaatsen voor het woonprogramma nodig is en 181 parkeerplaatsen voor het commerciële programma (totaal 573 parkeerplaatsen).
76
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
Dubbelgebruik Aangezien sprake is van verschillende functies met verschillende momenten in piekbehoefte aan parkeren kan dubbelgebruik van parkeerplaatsen worden ingezet. Maatgevend is daarbij de (werkdag)avondsituatie. Op dat moment is de parkeerbehoefte voor het woonprogramma 346 parkeerplaatsen en voor het commerciële programma 46 parkeerplaatsen (totaal 392 parkeerplaatsen, zie tabel hieronder).
77
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
Inzet deelauto's Inzet van deelauto's past bij het mobiliteitsbeleid en kan de benodigde ruimte voor parkeren beperken. Bij inzet van deelauto's moet natuurlijk ook weer worden bezien in hoeverre dubbelgebruik aan de orde kan zijn. Conclusie autoparkeren Op basis van een realistische maatgevende uitwerking van het plan én met toepassing van dubbelgebruik dienen maximaal 392 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Uitgaande van de in bestemmingsplan vastgelegde (maximale) ruimte voor parkeren (15.000 m2, wat ruimte biedt voor zeker 600 plaatsen uitgaande van 25 m2 per plek, inclusief routing) is hiervoor ruim voldoende gelegenheid, zelfs als niet zou worden uitgegaan van dubbelgebruik.
Fietsparkeren Het volgende programma is gehanteerd: Woningen: <50 m2 GO: 420 woningen 50 - 75 m2 GO: 668 woningen 75-100 m2 GO: 112 woningen totaal: 1200 woningen Commercieel 1000 m2 BVO horeca 1.000 m2 BVO bedrijfsruimte 1.500 m2 BVO sportschool 500 m2 BVO klein buurttheater/ kamer 500 m2 BVO magazijn 1.000 m2 BVO zorg 24.000 m2 BVO kantoor 500 m2 BVO supermarkt Gehanteerde parkeernormen fietsparkeren: < 50 m2 GO 1 plek per woning 50 - 75 m2 GO 3 plekken per woning 75-100m2 GO 4 plekken per woning retail: 4,2 fietsparkeerplek per 100m2 kantoor: 1,5 fietsparkeerplek per 100m2 supermarkt: 3,2 fietsparkeerplek per 100m2 Uitkomst parkeerberekening fietsparkeren Uit de berekening van de fietsparkeerbehoefte volgt het volgende: wonen: 2.872 fietsparkeerplekken (zonder toepassing deelfietsen) wonen: 1.703 fietsparkeerplekken (met toepassing van deelfietsen) commercieel: 573 fietsparkeerplekken (waarvan 360 ten behoeve van kantoor) ruimtebeslag scootmobielen Het ruimtebeslag voor scootmobielen is in het geval van 1.200 woningen 240m2 (1200/15*3m2)
78
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
5.2.2
Verkeer
Inleiding De ontwikkelingen in het CID zorgen voor aanzienlijke wijzigingen in verkeersbewegingen in het gebied en omgeving. In het kader van de structuurvisie is dat onderzocht en zijn ook diverse maatregelen aangegeven. Onderdeel van die maatregelen is een sturend mobiliteitsbeleid, waarbij o.a. door bevordering langzaam verkeer en OV en toepassing van relatief lage (maximale) parkeernormen het autogebruik beperkt wordt. Voor het voorliggende project geldt dit beleid vanzelfsprekend ook en kan bovendien worden gesteld dat door de ligging direct naast het station Laan van NOI uitstekende condities aanwezig zijn om dit beleid ook maximaal in te zetten. Belangrijk daarbij is dat door de combinatie van wonen, voorzieningen en werk, meer dan in de oorspronkelijk situatie met uitsluitend een kantoorprogramma, sprake is van een verdeling van in en uitgaand verkeer over de (spits)momenten gedurende de dag. Dit is vooral van belang voor de verkeersafwikkeling (zie hierna). Verkeersafwikkeling Uit de uitgevoerde kruispuntberekeningen ten behoeve van de MER ontwikkeling SoZa blijkt de capaciteit van het kruispunt Schenkkade - Laan van NOI onvoldoende, zowel in de referentiesituatie als in de plansituatie (beide toekomstjaar 2030). De avondspits is hierbij het maatgevende moment.
Als gevolg van de ontwikkeling SoZa neemt de cyclustijd van het kruispunt in de plansituatie toe en verslechtert de verkeersafwikkeling op het kruispunt. Echter is de toename van verkeer als gevolg van de ontwikkeling beperkt. Daarnaast loopt het kruispunt niet vast als gevolg van de ontwikkeling SoZa, maar door andere ontwikkelingen in de referentiesituatie. Bovendien wordt door de ontwikkeling SoZa minder verkeer gegenereerd in vergelijking tot het oorspronkelijke kantoor van het Ministerie op deze locatie, welke geen onderdeel is van de referentiesituatie. Middels onderstaande berekening wordt aangetoond dat in het maatgevende moment (de avondspits) de verkeersgeneratie van de ontwikkeling SoZa lager is dan de huidige verkeersgeneratie van het ministerie. Bij enkel een vergelijk tussen de huidige situatie en de plansituatie kan aangenomen worden dat de verandering van functie van het projectgebied zorgt voor een afname van het verkeersaandeel van dit gebied en daarmee een verbetering van de doorstroming op het kruispunt Schenkkade - Laan van NOI. Uitgangspunten In de berekening zijn de volgende uitgangspunten uit de notitie ''Kruispuntanalyse Schenkkade - Laan van NOI t.b.v.
ontwikkeling SoZa'' overgenomen: De avondspits is maatgevend voor de capaciteit van het kruispunt; De verkeersgeneratie als gevolg van SoZa is 2465 mvt/etmaal, in de avondspits vertrekken afgerond 100 mvt/uur en arriveren 60 mvt/uur. In de ochtendspits vertrekken afgerond 180 mvt/uur en arriveren 40 mvt/uur. Voor de huidige situatie zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Het huidige ministerie op de projectlocatie bestaat uit 69.000 m2 kantoorruimte met 288 parkeerplaatsen; Van de 288 parkeerplaatsen vertrekt 80 procent in de avondspits, verspreid over twee uur; De omrekenfactor van 2 uur naar 1 uur is 0,55, om het drukste spitsuur te hanteren; In de avondspits komen geen voertuigen aan bij het ministerie. Resultaten In tabel 1 zijn de resultaten van de inschatting van de verkeersgeneratie weergeven. Hieruit blijkt dat dat de verkeersgeneratie in de avondspits hoger is door het ministerie dan door de nieuwe ontwikkeling. De avondspits is voor de capaciteit van het kruispunt maatgevend.
79
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
Tabel 1 verkeersgeneratie parkeergeneratie huidige ministerie in vergelijking tot plansituatie (mvt/uur), afgerond op 10-tallen
Huidig (met Ministerie) Plan
Ochtendspits Vertrekken 0
Arriveren 130
Avondspits Vertrekken 130
Arriveren 0
180
40
100
60
De verklaring van de lagere verkeersgeneratie in de plansituatie is tweeledig. Enerzijds is het aantal parkeerplekken lager, wat resulteert in een lagere verkeersgeneratie in zowel de ochtend- als avondspits. Anderzijds is er een verschuiving van een kantoorfunctie in de huidige situatie met ministerie naar een kantoor- en woonfunctie in de plansituatie. Als gevolg van de woonfunctie is de piek van de verkeersgeneratie in de ochtendspits en niet in de avondspits. In de ochtendspits vertrekt veel verkeer vanaf de parkeergarage, maar deze arriveren in de avond over een meer gespreide periode. Conclusie De plannen voor de Anna van Hannoverstraat 4 bieden een uitstekende kans om in te spelen op het gemeentelijk mobiliteitsbeleid voor het CID. Door de nieuwe functionele invulling wordt de verkeersdruk gespreid, waardoor juist op het meest maatgevende moment (de avondspits) de situatie op het kruispunt “Schenkkade- Laan van NOI” positief wordt beïnvloed.
5.3
Externe veiligheid
Toetsingskader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico's, transportrisico's en risico's die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Risicovolle inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR rondom deze inrichtingen. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook LNG- en waterstoftankstations en windturbines. Hierop is het Besluit externe veiligheid inrichtingen niet van toepassing. Voor dergelijke objecten zijn wel rekenmethoden vastgelegd om de veiligheidscontouren te bepalen. Hierbij worden vergelijkbare
80
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
grenswaarden (PR 10-6) gehanteerd. Voor de opslag van explosieven wordt geen risicobenadering maar een effectbenadering gehanteerd. Op grond van artikel 2.6.6 (veiligheidszones munitieopslag civiele inrichting) van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening worden drie veiligheidszones aangewezen. Voor zowel LPG- als LNG-tankstations heeft het Rijk aanvullend effectgericht beleid geformuleerd door middel van het vaststellen van circulaires. In de circulaires wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten (bijvoorbeeld een verzorgingstehuis en een kindercrèche). Mensen op hoge leeftijd en kleine kinderen zijn beperkt zelfredzaam. Daarom moet voor dergelijke verblijfsobjecten een grotere afstand tot het vulpunt van een LNG- of LPG-installatie aangehouden worden tenzij aanvullende maatregelen aan de gebouwen worden getroffen. Vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute.
Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In de gemeente Den Haag zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens met Leidschendam-Voorburg, en de A13 basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling.
Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid).
Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd. Op 27 juni 2013 heeft de gemeenteraad een routeringsbesluit voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgesteld (raadsvoorstel, RIS258608 en besluitenlijst, RIS260481 onder E.2). Dit routeringsbesluit is gewijzigd (RIS302166) en bij besluit van 16 mei 2019 door de gemeenteraad vastgesteld (besluitenlijst RIS302538 onder G.10). De wijziging is op 1 oktober 2019 in werking getreden. Vanaf die datum zijn de
81
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
venstertijden voor het vervoer van routeplichtige stoffen (zoals LPG en propaan) op de Utrechtsebaan en de Benoordenhoutseweg komen te vervallen. Doorgaand vervoer van routeplichtige stoffen is niet meer mogelijk behoudens voor het bevoorraden van de LPG-tankstations aan de Prof. B.M. Teldersweg en de Rijksstraat 447 (Wassenaar) door middel van een ontheffing. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010.
Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan, kan worden met een beperkte verantwoording: 1. Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding, of 2. Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. Gemeentelijk beleid De Nota externe veiligheid Den Haag is op 27 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld (raadsvoorstel, RIS259485 en besluitenlijst, RIS260481, onder E.1). De belangrijkste uitgangspunten zijn hieronder vermeld: 1. De gemeente richt zich op het vasthouden en bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor de bestaande bedrijvigheid en het ontwikkelen van nieuwe bedrijvigheid. 2. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op vier gebiedstypen: woongebieden, buitengebieden, gemengde gebieden, risicoarme bedrijventerreinen (inclusief buitengebieden) en bedrijventerreinen met risicovolle bedrijven/inrichtingen. 3. Bij nieuwe ontwikkelingen in woongebieden staat de veiligheid voorop.
In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen van betekenis, zoals LPG-tankstations, toegelaten. 4. Op de bedrijventerreinen hanteert de gemeente een minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting (lichtere vorm van risicovolle bedrijven) onder voorwaarden mogelijk. 5. Bij externe veiligheidsknelpunten, besteedt de gemeente eerst aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen worden in de nota 3 niveaus onderscheiden met elk hun eigen ambitieniveau: -
Structuurvisieniveau
-
Bestemmingsplanniveau
-
Bouwplanniveau:
-> Veiligheidsgeïntegreerd ontwikkelen -> Veiligheidsgeïntegreerd ordenen -> Veiligheidsgeïntegreerd ontwerpen.
Wanneer beoogde ruimtelijke ontwikkelingen een overschrijding van het groepsrisico tot gevolg kunnen hebben, wordt het gemeentebestuur in een vroeg stadium actief bij het proces betrokken. Er is een expliciet collegebesluit ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico waarbij de
82
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
kosteneffectiviteit van maatregelen in beschouwing wordt genomen. 5.3.1
Onderzoek
5.3.1.1 Nabijgelegen risicobronnen In opdracht van Vorm ontwikkeling B.V. heeft Anteagroup onderzoek naar het aspect externe veiligheid uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage bij deze toelichting opgenomen, zie Bijlage 4. In deze paragraaf wordt een samenvatting van het onderzoek gegeven. De planlocatie wordt niet overlapt door invloedsgebieden van incidenten met gevaarlijke stoffen, zie afbeelding 5.2.1.
Afbeelding 5.2.1: risicocontouren in de nabijheid van het plangebied (bron: Anteagroup) Naast het plangebied ligt een tankstation. Hier wordt geen lpg verkocht, zie ook afbeelding 5.2.2.
83
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
Afbeelding 5.2.2: tankstation naast plangebied. Het brandstofvulpunt is rood omcirkeld (bron: Anteagroup) 5.3.2
Conclusie
Nu de te ontwikkelen locatie niet overlapt wordt door invloedsgebieden van mogelijke incidenten met gevaarlijke stoffen bestaat er geen noodzaak voor het uitvoeren van berekeningen van het plaatsgebonden- en het groepsrisico. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.4
Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). De luchtkwaliteit in een bepaald gebied wordt bepaald door de achtergrondconcentratie van fijn stof (PM10, deeltjes <10 µm) en stikstofdioxide (NO2) plus de bijdragen van lokale bronnen die bij de achtergrondconcentratie opgeteld worden. Bij de besluitvorming over bouw- en bestemmingsplannen dient te worden onderzocht of een project 'in betekenende' mate van invloed is op de luchtkwaliteit: in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is aangeven dat een bestuursorgaan bevoegdheden kan uitoefenen of wettelijke voorschriften kan toepassen indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de uitoefening of toepassing niet 'in betekenende mate' bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht. De definitie van 'in betekenende mate' is vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur. Projecten die de concentratie NO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In concentraties uitgedrukt betekent dit een verslechtering van 1,2 µg/m3 voor beide stoffen. De 3%-grens geldt sinds 1 augustus 2009, de datum waarop het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht werd.
De 3%-grens is voor een aantal categorieën van projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen. Zo gaat het bij woningbouw om de toevoeging van 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg, of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 maakt de ontwikkeling mogelijk van ca. 1200 woningen en voorzieningen, zoals retail, detailhandel en kantoorruimte.
84
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
In opdracht van Vorm ontwikkeling B.V. heeft Anteagroup luchtkwaliteitonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als Bijlage 5 bij deze toelichting bijgesloten. Hieronder wordt een samenvatting van de onderzoeksresultaten gegeven. Het beoogde plan maakt de ontwikkeling van woningen, kantoren, winkels en andere voorzieningen mogelijk. Deze ontwikkeling leidt, ten opzichte van de oorspronkelijk bestemde situatie tot een toename van de verkeersintensiteiten op de wegen in de directe nabijheid van het plangebied. Met de NIBM tool is bepaald of een specifiek luchtkwaliteitsonderzoek moet plaatsvinden of dat aannemelijk is gemaakt dat een overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit niet aan de orde is. Bij het invullen van de NIBM tool is va 2 scenario's uitgegaan. Scenario 1: 1320 woningen, 4000m2 retail, 24.000 m2 kantoor en 2.000m2 supermarkt. Scenario 2: 1200 woningen, 1500m2 retail, 28.000m2 kantoor en 500m2 supermarkt. In de huidige situatie (69.000m2 kantoor) is de verkeersgeneratie 1.222 mvt/ etmaal (weekdaggemiddelde). In scenario 1 is de verkeersgeneratie 2.995 mvt/ etmaal (weekdaggemiddelde). In scenario 2 is de verkeersgeneratie 2.465 mvt/ etmaal (weekdaggemiddelde). In scenario 1 is er sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen van 1.773 mvt/ etmaal en in scenario 2 is er sprake van een toename van 1.243 mvt/etmaal.
Voor beide scenario's wordt 2024 als jaar van planrealisatie genomen en is het aandeel vrachtverkeer 1%. Scenario 1
Scenario 2
85
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
Voor beide scenario's geldt dat de maximale bijdrage van het voorgenomen plan aan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 minder is dan 1,2 ug/m3. Het is aannemelijk dat de voorgenomen ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt. Aanvullend onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.
5.5
Bodem
5.5.1
Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (hierna: Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging en de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. 5.5.1.1 Wet bodembescherming De Wbb regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's.
Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet altijd nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak 5.5.1.2 Situatie in het plangebied Het plangebied is gelegen in stadsdeel Bezuidenhout, nabij treinstation Den Haag Laan van NOI. Op de locatie bevindt zich een kantoor en de omgeving bestaat uit bedrijven, woningen en groen. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een benzinetankstation. Het plangebied is niet gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Den Haag blijkt dat het plangebied is gelegen in zone B3 Vroeg bebouwd gebied centrum. De algemene bodemkwaliteit van de boven- en ondergrond zijn beide
86
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
geclassificeerd als klasse Wonen. Binnen het plangebied zijn geen bodembedreigende activiteiten bekend. Nabij het plangebied is ter plaatse van het benzinetankstation een restverontreiniging bekend, waarop nazorg van toepassing is (beschikking op nazorgplan NP2530001 12-01-2010). Binnen het plangebied zijn drie bodemonderzoeken bekend, waarbij niet het gehele plangebied analytisch is onderzocht. Het laatste rapport dateert van 16 november 2015. De rapporten zijn derhalve verouderd (ouder dan vijf jaar). Op basis van de onderzoeken kunnen lichte tot matige verontreinigingen worden verwacht. Voor het plangebied waar de herinrichting plaatsvindt is op basis van bovenstaande onvoldoende actueel bodemonderzoek bekend. Derhalve zal ten behoeve van de aanvraag van een omgevingsvergunning actualiserend en/of verkennend bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd en eventueel gesaneerd moeten worden.
5.6
Bedrijven en Milieuzonering
5.6.1
Algemeen
Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes, waarbij specifiek naar de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar gekeken wordt. Om te beoordelen of woningen en bedrijven op een verantwoorde wijze gesitueerd worden is de handreiking Bedrijven en Milieuzonering opgesteld. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen, die gelden vanaf de grens van een inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen. De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Wanneer er sprake is van een omgevingstype gemengd gebied, kan een richtafstand met een stap worden verlaagd, zie ook tabel 5.5.1.
Tabel 5.5.1: Richtafstanden bedrijven en milieuzonering (bron: VNG) Bij het hanteren van de richtafstanden uit voorgaande tabel wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding. Binnen gebieden met functiemenging, waar milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd, zijn de richtafstanden uit de tabel niet toepasbaar. Er wordt in gebieden met functiemenging gewerkt met drie ruimtelijk relevante milieucategorieën: Categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen; Categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen; Categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg.
87
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
5.6.2
Beoordeling
Anteagroup heeft in opdracht van Vorm ontwikkeling de memo Bedrijven en Milieuzonering SoZA opgesteld. In deze paragraaf wordt een samenvatting van de memo gegeven. De volledige memo is als 5.6 bij deze toelichting opgenomen. Door Anteagroup is onderzocht: 1. in hoeverre er bedrijven in de omgeving zijn die hinder kunnen opleveren voor de beoogde woningen in het plan; 2. leveren de voorzieningen in het plan hinder op voor woningen in de omgeving van het plangebied; 3. leveren de verschillende functies binnen het plangebied hinder op. 1. Hinder in het plangebied van omliggende bedrijven Onderstaande afbeelding en tabel geeft inzicht in de om het plangebied gelegen functies en bedrijven. Direct ten noorden van het plangebied ligt een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg (1). Ten oosten en ten westen van het plangebied liggen kantoren (2 en 6), ten zuidoosten een tankstation met servicedealer (3), ten zuiden het NS-station Laan van NOI (4) en verder ten zuiden bedrijfsruimten met een lage milieucategorie (5). Alleen voor het BP tankstation en het NS-station kan niet aan de richtafstanden voldaan worden.
Afbeelding 5.5.1: Bedrijven en functie in de nabijheid van het plangebied (bron: Anteagroup)
Tabel 5.5.2: omliggende bedrijven in de nabijheid van het plangebied (bron: Anteagroup) NS-station Laan van NOI
88
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
Een spoorwegstation heeft in de VNG-publicatie een milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid. Het plangebied ligt op een afstand van circa 20 meter, waardoor er niet aan de richtafstand voldaan wordt. Via aanvullend akoestisch onderzoek moet beoordeeld worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In paragraaf 5.8 Geluid wordt hier nader op ingegaan. BP tankstation Direct ten noorden van het plangebied ligt het BP tankstation. Een verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg heeft een richtafstand van 10 meter voor de aspecten geur en geluid. Het verkooppunt motorbrandstoffen grenst direct aan de te realiseren bebouwing. Middels aanvullend geur en geluidsonderzoek moet beoordeeld worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In de paragrafen 5.8 Geluid en 5.9 Geur wordt hier nader op ingegaan. 2. Hinder van voorzieningen in het plangebied voor woningen in de omgeving In onderstaande afbeelding zijn de bestemmingen in en nabij het plangebied weergegeven. Ook is door middel van een stippellijn de richtafstand van 10 meter weergegeven (voor de voorzieningen in het plan geldt dat deze ten hoogste categorie 2 mogen zijn). Binnen 10 meter rondom de ontwikkeling zijn geen gevoelige functies gelegen.
Als gevolg van de voorziene ontwikkeling in het plangebied wordt geen hinder verwacht ter plaatse van nabijgelegen gevoelige objecten.
Afbeelding 5.5.2: plangebied inclusief 10 meter contour (bron: Anteagroup) 3. Hinder door functiemenging Het bestemmingsplan staats bedrijven en functies toe die gemengd kunnen worden met andere functies. Dit zijn bedrijven categorie A (bedrijven met een milieucategorie 1 en 2) en bedrijven categorie B, voor zover deze bouwkundig gescheiden zijn, dan wel qua aard, omvang en belasting vergelijkbaar aan categorie A, conform de staat van functiemenging van de VNG. De categorie A bedrijven kunnen aanpandig aan woningen worden gerealiseerd. De eisen uit het bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B bedrijven, voor zover niet vergelijkbaar met een categorie A bedrijf, dienen bouwkundig van woningen en andere gevoelige functies te worden afgescheiden. De regels van dit bestemmingsplan voorzien hierin.
89
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
5.7
Natuurbescherming
5.7.1
Algemeen
De Wet natuurbescherming is gericht op: het beschermen en ontwikkelen van natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit: het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming kent verbodsbepalingen en een zorgplicht. Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht.
Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men bepaalde handelingen wil verrichten die gevolgen voor natuurwaarden kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijk gevolgen daarvoor door het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijden van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld. De Wet natuurbescherming kent verbodsbepalingen gericht op de bescherming van soorten, gebieden en gericht op de bescherming van houtopstanden. 5.7.1.1 Soortenbescherming Er wordt bij de bescherming van soorten onderscheid gemaakt via soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden Het gaat om de volgende drie soorten: 1. soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1) 2. soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5) 3. andere soorten (artikel 3.10) 1. Soorten van de Vogelrichtlijn, artikel 3.1
90
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
2. Soorten van de Habitatirichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn
91
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
3. Andere soorten
92
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
5.7.1.2 Gebiedsbescherming De Wet natuurbeheer benoemd verschillende soorten natuurgebieden die bescherming behoeven: de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en overige gebieden. Natura 2000-gebieden Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Activiteiten en ontwikkelingen die een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen hebben, zijn verboden. In een toetsing wordt bepaald of er negatieve effecten kunnen optreden. Een eerste toetsing (voortoets) geeft aan of er negatieve effecten kunnen optreden en zo ja of deze van dien aard kunnen zijn dat de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen komen. Indien dat het geval is, wordt een tweede toetsing verricht welke dieper ingaat op de mate van effect (passende beoordeling). Nationaal Natuurnetwerk Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Gedeputeerde Staten stellen de NNN vast in een provinciale verordening. Natura 2000-gebieden maken veelal deel uit van de NNN. In provinciale verordeningen is vastgelegd wat de ‘wezenlijke kenmerken en waarden’ of ‘kernkwaliteiten’ zijn van de NNN-gebieden.
De verordeningen geven ook aan of en onder welke voorwaarden plannen of projecten mogelijk zijn binnen of nabij de NNN-gebieden. Voor de Natura 2000-gebieden gelden de voorwaarden zoals eerder beschreven. Overige gebieden Gedeputeerde staten kunnen gebieden gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland aanwijzen die van provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarden of landschappelijke waarden, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken. Deze gebieden zijn in de Wet natuurbescherming aangeduid als ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’, of ‘bijzondere provinciale landschappen’. In provinciale verordeningen is vastgelegd wat de ‘wezenlijke kenmerken en waarden’ of ‘kernkwaliteiten’ zijn van de overige gebieden. De verordeningen geven ook aan of en onder welke voorwaarden plannen of projecten mogelijk zijn binnen of nabij de overige gebieden.
5.7.1.3 Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden.
93
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
5.7.1.4 Bevoegd gezag De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) en voor Natura 2000-gebieden (de gebiedsbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincie. 5.7.2
Betekenis natuurbescherming voor dit plangebied
Econsultancy heeft in opdracht van Vorm ontwikkeling B.V. een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd, met als doel in te schatten of er op de planlocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Ook is beoordeeld of de voorgenomen ontwikkeling invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. In deze paragraaf is een samenvatting van het onderzoek opgenomen. Het volledige onderzoek is als Bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen.
94
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
5.7.2.1 Huidige gebruik onderzoekslocatie en omgeving De Anna van Hannoverstraat 4 (onderzoekslocatie), aangegeven op onderstaande afbeelding, heeft een afmeting van ongeveer 1,6 hectare, is een stedelijk gebied gelegen locatie en is bebouwd met het kantoorpand van het voormalige Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Afbeelding 5.6.1: ligging onderzoekslocatie (bron: Econsultancy) Het pand is vier tot zeven etages hoog, is opgetrokken uit betonblokken en heeft een plat dak. Er is een inpandige fietsenstalling aanwezig aan de noordoostzijde van het gebouw. Direct grenzend aan het pand bevinden zich parkeerplaatsen, plantsoenen met een haag en twee populieren en een vijver welke niet in verbinding staat met overige watergangen. Aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie bevindt zich een spoorlijn met het treinstation Laan van NOI. Aan de oost en west kant bevinden zich vergelijkbare en hogere kantoorpanden. Verder bevindt zich aan de noordwestkant een groenzone met een watergang en daarachter woningbouw. Aan de noordoostkant is een tankstation gelegen. In de ruimere omgeving is op 400 meter ten zuidwesten van de onderzoekslocatie de snelweg A12 gelegen. Op 1 kilometer ten noordwesten ligt het Haagse Bos. In Den Haag dient rekening te worden gehouden met de Natura2000-gebieden: Meijendel & Berkheide (inclusief Harstenhoek, Oostduinen en Vlakte van Waalsdorp), Westduinpark & Wapendal (inclusief Bosjes van Poot) alsmede Solleveld & Kapittelduinen (inclusief landgoed Ockenburgh, Hyacintenbos, van Leydenhof en Westduinen). Dit betreft Habitatrichtlijngebieden. Er zijn geen Vogelrichtlijngebieden in de gemeente Den Haag.
Indien ontwikkelingen en activiteiten in het plangebied een significant negatief effect kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, dient een habitattoets uitgevoerd te worden. Is er op grond van de Wet
95
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
milieubeheer (Wm) sprake van een passende beoordeling dan is een MER nodig. Voor de andere gevallen kent de Wm de vormvrije merbeoordeling. In het bestemmingsplan dient aangegeven te worden in hoeverre de uitvoering van het plan onder de verplichtingen vanuit deze wet valt. De kortste afstand tussen het plangebied en een Natura2000-gebied Meijendel & Berkheide bedraagt 3,3 kilometer. 5.7.2.2 Toekomstig gebruik onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen Initiatiefnemer is voornemens het gehele pand te slopen en nieuwbouw te realiseren in de vorm van woningen. Bomen en groen worden mogelijk gekapt of verwijderd en de vijver wordt mogelijk verwijderd. 5.7.2.3 Onderzoeksopzet Er is onderzoek verricht middels een veldbezoek en het uitvoeren van bureauonderzoek. Het veldbezoek is afgelegd op 11 augustus 2021. Tijdens het veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van 'expert judgement' is nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie. Bij de provincie Zuid-Holland zijn gegevens over gebiedsbescherming opgevraagd.
5.7.2.4 Aangetroffen en te verwachten beschermde soorten Vogels Op de onderzoekslocatie ontbreekt geschikte bebouwing voor de huismus en gierzwaluw: het pand heeft een plat dak zonder dakpannen of dakgoten en de aanwezige kieren zijn niet ruim genoeg voor deze soorten. Nestlocaties van deze soorten worden op voorhand uitgesloten. Het groen op de onderzoekslocatie dient niet als essentieel leefgebied voor in de wijdere omgeving nestelende huismussen. In de wijdere omgeving is meer geschikt leefgebied aanwezig, zoals groene achtertuinen en binnenplaatsen in de ten noorden gelegen woonwijk. Nader onderzoek naar huismus en gierzwaluw is niet noodzakelijk. De onderzoekslocatie vormt door de geringe hoogte (maximaal 7 etages, +/- 20 meter hoog) en de afwezigheid van een slechtvalkkast geen geschikte broedlocatie voor de slechtvalk. Het wordt niet aannemelijk geacht dat een slechtvalk de onderzoekslocatie als broedlocatie gebruikt. Nader onderzoek naar de slechtvalk wordt niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie is vanwege het urbane karakter niet geschikt voor de boomvalk, buizerd, havik, kerkuil, ransuil, roek, sperwer, wespendief en ooievaar. Nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. De grote gele kwikstaart nestelt graag bij een nis in de muur bij stromend water, bij boomwortels in natuurlijke oevers en onder bruggen of in rioolwaterzuiveringen.
Dergelijke locaties zijn niet aanwezig in het onderzoeksgebied. Nader onderzoek naar de grote gele kwikstaart wordt niet noodzakelijk geacht. Overige broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is, zijn voornamelijk holenbroeders zoals spechten, mezen of makers van grote nesten zoals ekster en zwarte kraai. Op de onderzoekslocatie zijn twee bomen aanwezig, waarin geen nesten van deze soorten zijn aangetoond. De bebouwing en beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel, houtduif, wilde eend en zilvermeeuw. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze in gebruik zijn. Tijdens het veldbezoek is een klein nest van een vogelsoort aangetroffen, waarschijnlijk van een houtduif. Vleermuizen De onderzoekslocatie is gelegen in gebied waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis.
96
bestemmingsplan Anna van Hannoverstraat 4 (ontwerp)
De bebouwing op de onderzoekslocatie is geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen in de vorm van open stootvoegen die toegang verlenen tot de spouwmuren. De gehele bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor kleine tot middelgrote vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleemuis en gewone grootoorvleermuis. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, kraamverblijf, baltsverblijf en (massa)winterverblijf. De bebouwing is niet geschikt voor grote soorten vleermuizen, zoals laatvlieger en meervleermuis, omdat de open stootvoegen daarvoor te smal zijn. Er zijn geen andere ruimere openingen in de bebouwing aanwezig. Hierdoor hebben grote vleermuissoorten geen toegang tot de spouwmuur. De aanwezige bomen zijn onderzocht en niet geschikt geacht voor verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen, zoals rosse vleermuis en watervleermuis. Door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving is het niet aannemelijk dat er in de directe invloedsfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden.
Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal gelet op het aanwezige habitat (de vijver en het plantsoen) gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis om te foerageren. Het betreft matig foerageergebied, waardoor er door de voorgenomen ingreep het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding zal komen. In de directe omgeving is meer geschikt foerageergebied voor vleermuizen aanwezig (de groenstrook/ Schenk en het Haagse Bos). In afbeelding 5.6.2 is te zien dat de Schenkzone bij d gemeente Den Haag bekend staat als foerageergebied van vleermuizen.
Afbeelding 5.6.2: ligging onderzoekslocatie ten opzichte van bij de gemeente bekende vleermuisgebieden (bron: gemeente Den Haag) Vliegroutes In het onderzoeksgebied zijn geen lijnvormige landschapselementen als houtsingels, beken en lanen aanwezig, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. Wel kan de groenstrook/ Schenk als vliegroute fungeren. Wanneer tijdens de werkzaamheden rekening wordt gehouden, middels vleermuisvriendelijke verlichting, wordt deze niet aangetast.