RIS314311 Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2
Tekst van het document
Bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 Ontwerp
Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
Inhoudsopgave
Samenvatting
5
Toelichting
7
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het bestemmingsplan 1.2 Doel van het bestemmingsplan 1.3 Begrenzing van het plangebied 1.4 Geldende planologische regelingen 1.5 Leeswijzer
9 9 9 10 10 10
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Inleiding 2.2 Inpassing centrale as/ groene drager Vroondaal Zuid II 2.3 Verplaatsen waterkeringen 2.4 Percelen naast Exporteursbaan
11 11 11 12 14
Hoofdstuk 3 Beleidskaders 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid 3.5 Wonen 3.6 Cultureel erfgoed 3.7 Water
17 17 17 18 19 24 25 27
Hoofdstuk 4 Wet- en regelgeving 4.1 m.e.r.-beoordeling 4.2 Geluid 4.3 Geur 4.4 Bodem 4.5 Externe veiligheid 4.6 Soorten- en gebiedsbescherming
31 31 32 39 39 43 44
Hoofdstuk 5 Keuze en verantwoording van bestemmingen en toelichting op de regels 5.1 Het digitale bestemmingsplan 5.2 Keuze en verantwoording van de bestemmingen 5.3 Toelichting op de regels
49 49 49 50
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid 6.1 Algemeen 6.2 Exploitatieplan 6.3 Conclusie
51 51 51 52
Hoofdstuk 7
53
Overleg en inspraak
Bijlagen bij toelichting
55
Bijlage 1
VO Vroondaal Zuid II
56
Bijlage 2
VO van Elswijkbaan
335
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek V4
401
2
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
Bijlage 4
Externe veiligheid aardgasleiding
444
Bijlage 5
Natuuronderzoek 2013
473
Bijlage 6
Natuurtoets Exporteursbaan 300822
529
Bijlage 7
stikstofonderzoek 210722
554
Bijlage 8
AERIUSberekening 210722
567
Bijlage 9
Ecologisch werkprotocol 150421
574
Bijlage 10
Milieukundig onderzoek bp Vroondaal 23012014
595
Regels
637
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
639 639 647
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10
Bestemmingsregels Groen Verkeer - Straat Verkeer - Verblijfsstraat Water Wonen Woongebied - 1 Woongebied - 2 Waterstaat - waterkering
649 649 650 651 652 653 654 655 657
Hoofdstuk 3 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels
659 659 660 661 662 663
Hoofdstuk 4 Artikel 16 Artikel 17
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
665 665 666
Bijlagen bij regels
667
Bijlage 1
668
Deelgebieden
3
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
4
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
Samenvatting Het hoofddoel van bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 is om de ontwikkeling van Zuid II mogelijk te maken. Er zijn hiervoor een aantal wijzigingen ten opzichte van het in 2015 vastgestelde bestemmingsplan Madestein - Vroondaal noodzakelijk. Zo zijn in Zuid II de bestemming van enkele percelen gewijzigd van Wonen-1 en Woongebied 1 in Woongebied-2, en is de waterkering van de boezemdijk verplaatst. Hierdoor wordt de locatiekwaliteit en de verkavelingsmogelijkheden in dit deelgebied verbeterd. Verder maakt het bestemmingsplan de inpassing van de Centrale As (een groen en verkeerszone) in Zuid II mogelijk. De introductie van de Centrale As en de verplaatsing van de waterkering van de boezemdijk zijn onderdeel van het Plan Openbare Ruimte (POR) en borduren voort op het eerder vastgesteld bestemmingplan Madestein Vroondaal 3e herziening.
5
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
6
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
Toelichting
7
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
8
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het bestemmingsplan
In 2014 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan Madestein-Vroondaal vastgesteld. In dit bestemmingsplan is het Stedenbouwkundig plan Vroondaal: Aangenaam Haags vertaald in een juridisch-planologische regeling. Bij de uitwerking van bouwplannen blijkt de planologische regeling op onderdelen aangepast te moeten worden, om de bouwplannen mogelijk te kunnen maken. Daarvoor is op 16 april 2020 het bestemmingsplan Madestein-Vroondaal 3e herziening vastgesteld, gevolgd door een herstelbesluit op 15 april 2021. Met het bestemmingsplan Madestein Vroondaal 3e herziening is slechts een deel van deelplan Zuid II bestemd. Met voorliggend bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening Deel 2, wordt het resterende deel van deelplan Zuid II bestemd. Zie ook onderstaande afbeelding.
Afbeelding 1.1: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Madestein Vroondaal plus deelgebieden 3e herziening & 3e herziening deel 2
1.2
Doel van het bestemmingsplan
Het doel van het bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 is om verdere ontwikkeling van het gebied Madestein-Vroondaal deelplan Zuid II mogelijk te maken. Hiervoor voorziet het bestemmingsplan in de volgende wijzigingen en aanpassingen ten opzichte van het bestemmingsplan Madestein-Vroondaal: het wijzigen van de bestemmingen Groen en Water en Woongebied 1 en Wonen in deelgebied Zuid 2 en aan weerszijden van de Exporteursbaan in Woongebied - 2 (WG-2); het planologisch mogelijk maken dat de boezemkade langs de Nieuwervaart wordt verlegd; het inpassen van de centrale as van Vroondaal Zuid II; het laten vervallen van de geurcontour van de manege aan de Madepolderweg.
9
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
1.3
Begrenzing van het plangebied
Het plangebied ligt in het stadsdeel Loosduinen van de gemeente Den Haag en beslaat een deel van het plangebied van bestemmingsplan Madestein - Vroondaal. Voor de exacte plangrenzen wordt verwezen naar de verbeelding.
1.4
Geldende planologische regelingen
1.4.1
Vigerend bestemmingsplan
Het bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 herziet het volgende bestemmingsplan op onderdelen: bestemmingsplan Madestein - Vroondaal
1.5
vastgesteld 21 mei 2015
onherroepelijk 27 juli 2015
Leeswijzer
In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding en het doel voor het opstellen van een bestemmingsplan voor het plangebied aangegeven. Voor de verduidelijking van een deel van de doelen is in de hoofdstukken 2 en 3 een selectie gemaakt uit de relevante beleidsnota's en regelingen die op dit plangebied van toepassing zijn. Daaruit zijn vervolgens beleidsuitspraken voor het plangebied afgeleid. Hoofdstuk 2 bevat de beleidsuitspraken ten aanzien van ruimtelijk en sectoraal beleid, hoofdstuk 3 ten aanzien van de milieukwaliteitseisen. In hoofdstuk 4 wordt de planherziening uitgebreider beschreven en is aangeven voor welke bestemmingen en bestemmingsregelingen is gekozen. Op de economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt in hoofdstuk 5 ingegaan. In hoofdstuk 6 wordt op de economische uitvoerbaarheid in gegeaan. Hoofdstuk 7 gaat over overleg en inspraak.
10
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Inleiding
Het hoofddoel voor onderhavige herziening van het bestemmingsplan is om de ontwikkeling van het tweede deel van Vroondaal Zuid II mogelijk te maken. Voor de deelgebieden in Vroondaal Zuid II is een Plan Openbare Ruimte (POR) en een Beeldkwaliteitsplan vastgesteld. Voor de realisatie van deze plannen zijn een aantal wijzigingen van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voor Zuid II wordt voorgesteld om de waterkering van de boezemdijk te verplaatsen van de rand naar het midden van het deelgebied. Hierdoor worden de kwaliteit van de locatie en van de verkavelingen verbeterd.
Afbeelding 2.1: Stedenbouwkundig plan Vroondaal
2.2
Inpassing centrale as/ groene drager Vroondaal Zuid II
De ruimtelijke hoofdstructuur van Vroondaal bestaat uit het centrale groengebied Park Madestein, de groene dragers van de vier deelgebieden (evenwijdig met het park) en de groene verbindingen tussen de deelgebieden en het park (haaks op het park). De ruimtelijke hoofdstructuur is in het moederplan bestemd als groengebied met daarnaast een verkeers- en verblijfsgebied. In Zuid II is geen hoofdstructuur opgenomen, omdat ten tijde van het moederplan de groene drager binnen de toenmalige eigendomssituatie niet realiseerbaar was. Inmiddels is dat wel het geval. In het Plan Openbare Ruimte Vroondaal Zuid II (POR) en het Beeldkwaliteitsplan Vroondaal Zuid II is een groene drager opgenomen, de Parklaan. De Parklaan ontsluit het hele deelgebied in de lengterichting parallel aan de Madepolderweg. De Parklaan sluit aan de oostelijke zijde aan op de Boomaweg en aan de westelijke zijde op de Madepolderweg. De Parklaan heeft een groene inrichting met boombeplanting en aan één zijde een lang gerekt plantsoen en aan de andere zijde een weg met langsparkeren. De Parklaan heeft geen continu profiel maar varieert in breedte en richting. Dit draagt bij aan de 'tuindorp-achtige' opzet van het deelgebied. De Parklaan heeft een plantsoen variërend in breedte tussen de 4 en 11 meter.
11
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
De groene as/ groene drager is bestemd als Groen en Verkeer- verblijfsgebied.
2.3
Verplaatsen waterkeringen
Voor het deelgebied Zuid II is een Plan Openbare Ruimte gemaakt dat het kader vormt voor de verkavelingsplannen van de ontwikkelaars. Om de gewenste stedenbouwkundige inrichting van Vroondaal Zuid II mogelijk te maken is de boezemkade langs de Boomawatering verlegd. 2.3.1
Verplaatsen waterkering Zuid II
Vroondaal Zuid II ligt in het poldergebied met een boezemkade direct langs de Boomawatering. In de toekomstige situatie komt een groot deel van Vroondaal Zuid II in boezemgebied te liggen. Hierdoor neemt het grondoppervlak dat afwatert op de boezem toe. Het is daardoor wenselijk dat de waterbergingscapaciteit van de boezem vergroot wordt. Dat is het geval bij de Witte Vlek in park Madestein. In Zuid II wordt veel verhard oppervlak aan de polder onttrokken waardoor de waterbergingscapaciteit niet verslechtert. Haaks op de Boomawatering steken drie inprikkers diep het plangebied in. Op en aan de boezemkade mag niet gebouwd worden. Op basis van de Keur Delfland geldt dat het verboden is om zonder vergunning van het bestuur waterstaatswerken (waaronder de boezemkade) te wijzigen (artikel 3.1 lid 1 keur Delfland). Daarnaast is het verboden om zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone, door daarin voorwerpen te laten staan (artikel 3.1 lid 2 Keur Delfland). De boezemkade direct langs de Boomawatering vormt met de inprikkers een barrière in het plangebied. Doordat er niet gebouwd mag worden kan de kwaliteit van wonen aan het water niet benut worden. Door het dijklichaam te verplaatsen naar het midden van het plangebied kan er aan het water gewoond worden en is een efficiëntere verkaveling mogelijk.
De inprikkers kunnen daarbij verbreed worden, wat het water in het plangebied vergroot en het beter ervaarbaar maakt. Bijkomend voordeel is dat de boezemkade aanzienlijk ingekort wordt, wat minder beheer met zich meebrengt. Er heeft hierover afstemming plaatsgevonden met Hoogheemraadschap Delfland, zie ook paragraaf 6.1. In het stedenbouwkundig plan is een centrale as opgenomen van oost naar west, min of meer evenwijdig aan de Boomawatering. Deze as is drager van de groenstructuur en is de tevens buurtontsluitingweg. De as is in maatvoering en ligging een geschikt alternatief voor de huidige boezemkade en kan aangesloten worden op de bestaande waterkering. Zie ook afbeelding 2.2.
12
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
Afbeelding 2.2: Hoofd groen- en verkeersstructuur Vroondaal Zuid II De as is in maatvoering en ligging een geschikt alternatief voor de huidige boezemkade en kan makkelijk aangesloten worden op de bestaande waterkering, zie afbeelding 2.3.
13
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
Afbeelding 2.3: Stedenbouwkundig plan Zuid II (POR) met de huidige en toekomstige ligging van de boezemk ade (bron GEM Vroondaal) De waterkering is (deels) al verplaatst naar aanleiding van de vaststelling van het bestemmingsplan Madestein Vroondaal 3e herziening. Voorliggend bestemmingsplan maakt het mogelijk dat het afgemaakt wordt.
2.4
Percelen naast Exporteursbaan
Naast de Exporteursbaan liggen gronden die op dit moment ingericht zijn als opvanggebieden voor water en als groene bermen.
14
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
Afbeelding 2.4.1: natuur naast de Exporteutsbaan (bron: Aqua-Terre Nova BV) Deze gronden, die in het bestemmingsplan Madestein Vroondaal (2015) een Groen en Water bestemming hebben, worden uitgegeven en in dit bestemmingsplan bestemd voor woningbouw. Ze krijgen de bestemming Woongebied- 2 (WG-2). De reden voor deze omzetting is dat de Exporteursbaan als entree van Vroondaal stedenbouwkundig een belangrijke drager is. Mede door de de omzetting wordt de as stedenbouwkundig optimaal begeleid met woningen langs voorkanten langs de Exporteursbaan. De voorgenomen verkaveling maakt de bouw van woningen in dit deelgebied mogelijk. Hierbij de opmerking dat het totaal aantal te bouwen in Vroondaal hierdoor niet toeneemt. Compensatie van de voorgenomen herinrichting van dit deelgebied heeft al plaatsgevonden. Op de hoek Madesteinweg - Nieuweweg (de Witte Vlek) is nieuw water gegraven en nieuwe natuur aangelegd. De compensatie is in overleg met Hoogheemraadschap Delfland tot stand gekomen.
15
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
Afbeelding 2.4.2: ligging compensatiemaatregelen (bron: Webgis, gemeente Den Haag)
16
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskaders
Inleiding
Het bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 vindt zijn basis in ruimtelijk beleid zoals dat in nota's en plannen van het rijk, provincie, stadsgewest en gemeente is vastgelegd. Dit hoofdstuk geeft het beleidskader dat op dit bestemmingsplan van toepassing is weer. De eerste paragraaf gaat in op het ruimtelijke beleid op rijks-, provinciaal-, regionaal-, gemeentelijk niveau. Daarna wordt het specifieke beleid voor een aantal relevante thema's uiteen gezet.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Nationale omgevingsvisie (NOVI)
Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet (naar verwachting 1 juli 2023) hoort een rijksbrede visie op de leefomgeving; de Nationale Omgevingvisie (NOVI), die de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012 vervangt. De ontwerp-NOVI heeft ter inzage gelegen van 20 augustus tot en met 30 september 2019. Op 11 september 2020 is de NOVI vastgesteld. In de NOVI zijn 21 nationale belangen en opgaven benoemd, waarbij de volgende 4 prioriteiten worden onderscheiden: Ruimte voor Klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Bij het kiezen tussen strijdige ruimtelijke belangen worden drie afwegingsprincipes gehanteerd: combinatie van functies gaat voor enkelvoudige functies; kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; afwentelen wordt voorkomen. Bij vaststelling zal de NOVI ook een uitvoeringsagenda bevatten. Samen met de regio's wil het rijk samenwerkingsafspraken opnemen in Gebiedsagenda's. De NOVI raakt geen van de belangen die in het bestemmingsplan "Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2" worden afgewogen. 3.2.2
Toetsing beoogde ontwikkeling
De NOVI kent een hoog abstractieniveau en bevat geen concreet beleid ten aanzien van de voorgenomen herziening van het bestemmingsplan. Er is geen strijdigheid met de NOVI. 3.2.3
Barro
De Wet ruimtelijke ordening geeft aan de regering de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur (AmvB) regels te geven waarmee gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening moeten houden. Het gaat daarbij niet alleen om procedureregels maar ook om de inhoud van bestemmingsplannen. Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden (Stb. 2011, 391). Bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigings- of uitwerkingsplannen maar ook bij projectuitvoeringsbesluiten (Crisis- en herstelwet) moeten gemeenten rekening houden met het Barro. Een aantal projecten dat de regering van Rijksbelang vindt, wordt met het Barro dwingend geborgd in bestemmingsplannen of in andere ruimtelijke plannen van lagere overheden. De projecten worden benoemd en middels digitale kaarten ingekaderd. Per project worden regels gegeven waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Voor Den Haag zijn de binnen de gemeente gelegen militaire terreinen met de daarbij behorende zend en ontvangstinstallaties, en het Kustfundament van belang. In 2016 is een Besluit tot wijziging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening in verband met de herziening van de Beleidslijn kust en
17
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
enige andere wijzigingen van kracht geworden. Volgens het Barro zijn er in het bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 geen projecten van Rijksbelang aanwezig waarmee bij de vaststelling van dit plan rekening moet worden gehouden. 3.2.4
Ladder voor duurzame verstedelijking
In artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat voor bestemmingsplannen die een stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, de treden van de ladder doorlopen moet worden, met als doel een goede ruimtelijke ordening in de vorm van optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. 3.2.4.1 Toetsing beoogde ontwikkeling Deze herziening van het bestemmingsplan voorziet in de volgende aanpassingen: het wijzigen van de bestemmingen Groen en Water en Woongebied 1 en Wonen in deelgebied Zuid 2 en aan weerszijden van de Exporteursbaan in Woongebied - 2 (WG-2); het planologisch mogelijk maken dat de boezemkade langs de Nieuwervaart wordt verlegd; het inpassen van de centrale as van Vroondaal Zuid; het laten vervallen van de geurcontour van de manege aan de Madepolderweg. De voorgestelde wijzigingen die met de herziening mogelijk gemaakt worden, zijn niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Verdere toetsing aan de ladder is niet noodzakelijk.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1
Verordening ruimte
In samenhang met de structuurvisie is de Verordening ruimte opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend. Doordat er geen sprake is van de een nieuwe stedelijke ontwikkeling (er wordt geen nieuwe woningbouwlocaties mogelijk gemaakt, het bestemmingsplan wordt voornamelijk opgesteld om de gebiedsuitwerking en stedenbouwkundige uitgangspunten vast te leggen) is artikel 2.1.1 lid 1 (ladder voor duurzame verstedelijking) niet van toepassing. Artikel 2.2.1. lid 1 is wel relevant voor dit bestemmingsplan. Artikel 2.2.1 Lid 1 Ruimtelijk e kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard of schaal niet past binnen het gebied (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; c.
als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard en schaal niet past binnen het gebied (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied ook aandacht is besteed aan de overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, 2. alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid. Het bestemmingsplan voldoet aan de uitgangspunten voor ruimtelijke kwaliteit. De voorgenomen woningbouw die binnen het plangebied mogelijk wordt gemaakt past binnen de aard en schaal van het gebied. Het betreft voornamelijk de bouw van eengezinswoningen van twee lagen met kap.
18
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Structuurvisie Den Haag 2020
De Structuurvisie Den Haag 2020 'Wereldstad aan Zee' (vastgesteld 17 november 2005) legt de ambitie vast om van Den Haag een 'Wereldstad aan Zee' te maken. De ambitie is om van Den Haag een 'Wereldstad aan Zee' te maken door de sterke kwaliteiten van Den Haag te benutten: een internationale stad, een stad aan zee, een multiculturele stad en een monumentale residentie. Ter versterking van de positie van Den Haag als internationale stad wordt er in de structuurvisie van uit gegaan dat in het Haagse deel van de Westlandse Zoom woonmilieus in het hoge marktsegment en in lage dichtheden moeten worden toegevoegd. Vooruitlopend op de Omgevingsvisie heeft de gemeente Den Haag de Agenda Ruimte voor de Stad als onderlegger opgesteld (RIS 295016). De ruimtelijke opgaven in de Zuidwestflank zijn onder andere de ontwikkeling van een doorgaand landschapspark met groen wonen en een sterke verweving tussen het landschapspark en de bestaande stad. De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt passen hierbinnen. 3.4.2
Stedenbouwkundig plan Vroondaal: Aangenaam Haags
In 2012 is het stedenbouwkundig plan vastgesteld voor Vroondaal: Aangenaam Haags. Doelstelling van dit plan is om een verruiming van het woningbouwprogramma (kwalitatief en kwantitatief) mogelijk te maken, een nieuwe ruimtelijke hoofdstructuur vast te stellen en flexibiliteit in de planontwikkeling mogelijk te maken. 3.4.3
Visie ruimte en mobiliteit
Den Haag groeit, er komen meer inwoners, meer banen en ook meer bezoekers. Dit zorgt voor een toename van het verkeer van, naar en in de stad. Bovendien reizen mensen steeds meer en over langere afstanden. Het verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Den Haag voor de periode 2010 tot 2020 met een doorkijk tot 2030, is vervat in de “Haagse Nota Mobiliteit” (Rv 115 - 2011; RIS 180762). De visie in de nota is er op gericht van Den Haag een duurzaam bereikbare en een leefbare stad te maken door er voor te zorgen dat reizigers een bewuste keuze kunnen maken voor de vervoerwijze en de route die het beste bij hen past. Gerichte investeringen in het openbaar vervoer en de fiets, goede voorzieningen voor voetgangers, en bundeling en ordening van het autoverkeer moeten er voor zorgen dat reizigers de juiste keuzes kunnen maken. 3.4.3.1 Gemotoriseerd verkeer Het gemotoriseerde verkeer dient zo veel als mogelijk geordend en geconcentreerd te worden op een stelsel van goed ingepaste stedelijke en regionale hoofdwegen. Goed functionerende hoofdwegen zorgen ervoor dat het verkeer als vanzelf deze hoofdwegen kiest, waardoor de verkeersdruk op de woonwijken vermindert. De hoofdwegen zorgen voor een goede bereikbaarheid van de grote concentraties van werkgelegenheid en voorzieningen in de stad, vanuit de regio en verder.
Tevens verbinden de hoofdwegen de stadsdelen en wijken onderling met elkaar. De vormgeving en inpassing van hoofdwegen zijn overeenkomstig de vigerende leefbaarheidseisen en milieunormen. In de woonwijken is doorgaand autoverkeer ongewenst. De wijkontsluitingswegen transformeren daarom naar verloop van tijd steeds meer naar een inrichting als “stadslaan”: wegen met een minder dominante positie voor autoverkeer en prioriteit voor langzaam verkeer en openbaar vervoer. De erftoegangswegen krijgen een inrichting overeenkomstig 30km/h-zones. De “Nota Straten, Wegen en Lanen (SWL)” (rv 10-2017, RIS 280303_150224) bevat inrichtingsvoorschriften voor de wegen in de gemeente. Deze nota schrijft de functionele eisen voor van de wegenstructuur, gebaseerd op een duidelijke hiërarchie en de ambitie om voldoende afwikkeling van de verschillende verkeerssoorten te garanderen. De wegbeelden betreffen niet alleen het verkeer, maar hebben ook te maken met de ruimtelijke inpassing van wegen. Daarbij gaat het ook om groen, water, openbare ruimte en stedenbouwkundige structuur van de stad.
19
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
Plangebied De plangebieden worden door wijkontsluitingswegen Oorberlaan, Madepolderweg, Exporteursbaan (voorheen Van Elswijkbaan) ontsloten. De Exporteursbaan ligt op Haags grondgebied en gaat over in de Van Elswijklaan uit de gemeente Westland die uiteindelijk aansluit op de regionale hoofdweg N211. De N211 heeft een directe aansluiting op de A4. De woonbuurten worden ontsloten door erftoegangswegen die aan de randen aansluiten op de wijkontsluitingswegen. Reconstructie Madepolderweg De Madepolderweg tussen de Exporteursbaan en de Madesteinweg wordt afgewaardeerd naar een erftoegangsweg 30km/uur. Reconstructie Vroonhoevelaan en Nederhoflaan De Vroonhoevelaan en Nederhoflaan worden afgewaardeerd naar een erftoegangsweg 30km/uur en heringericht. 3.4.3.2 Openbaar vervoer Het openbaar vervoer speelt een belangrijke rol als drager van ruimtelijke ontwikkelingen. Het dient te zorgen voor aantrekkelijke en snelle vervoerstromen tussen woon- en werklocaties, naar het centrum en andere belangrijke attractiepunten. De komende jaren staan binnen de gemeente Den Haag ingrijpende verbeteringen van het openbaar vervoer op stapel. Dat gebeurt aan de hand van de toekomstplannen van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) voor het openbaar vervoer.
Deze ambitieuze plannen onder de naam 'Netwerk RandstadRail' gaan onder meer over het geschikt maken van bestaande tramlijnen voor breder trammaterieel en de aanleg van Parkeer+Reis-terreinen bij diverse stations. Dienstregeling en lijnvoering van tram en bus worden jaarlijks vastgesteld door de Vervoersautoriteit van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag. Over de doorgaande wegen ten noorden en ten zuiden van Vroondaal rijden de buslijnen 35/36 en 31 van Connexxion. In de vervoerplannen 2019 van Connexxion wordt voor deze buslijnen voorgesteld, om tijdens de spitsuren de frequenties zo te verhogen, dat aan weerszijden van de wijk elke tien minuten een bus beschikbaar is. Om de gebruiksmogelijkheden van deze lijnen te verbeteren zal in samenwerking met de MRDH worden besproken op welke wijze de bereikbaarheid van de halten voor fietsers en voetgangers vanuit Vroondaal kan worden verbeterd en hoe de voorzieningen voor het stallen van fietsen op de halten uitgebreid kunnen worden. Daarnaast zal MRDH bezien hoe de OV-bereikbaarheid van Vroondaal verder kan worden verbeterd. Onderstaande kaart over het openbaar vervoer laat het streefbeeld zien van het openbaarvervoer netwerk volgens de Haagse Nota Mobiliteit (RIS 180762).
20
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
3.4.3.3 Langzaam verkeer Er is in De Haag een herkenbaar stelsel van (hoofd)fietsroutes. Deze fietsroutes sluiten buiten de wijk aan op fietsroutes richting belangrijke bestemmingen in Den Haag. De fietsroutes zijn of worden geschikt gemaakt voor het fietsverkeer soms door fietsstroken langs de doorgaande wegen of door vrijliggende fietspaden aan te leggen. De fietsroutes binnen dit plangebied zijn: Een hoofdfietsroute van west naar oost via Madepolderweg; Een hoofdfietsroute van west naar oost via Westmadeweg (erftoegangsweg); Onderstaande kaart over het fietsnetwerk laat het streefbeeld zien van het fietsnetwerk volgens de Haagse Nota Mobiliteit.
21
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
In de Nota Kiezen voor verkeersveiligheid (RIS 305029) worden de fietsers en voetgangers centraal gesteld in het verkeersveiligheidsbeleid. De gemeentelijke verkeersveiligheidsstrategie ondersteunt die transitie. In het nieuwe denken over mobiliteit krijgen fietsers en voetgangers voorrang in de stad. Daarna komen openbaar vervoer en de auto. Door fietsers en voetgangers de ruimte te geven gaan ze zich veilger voelen. 3.4.3.4 Parkeren Mede vanwege de ligging van het plangebied in Vroondaal, aan de rand van de stad, is het autobezit relatief hoog. Parkeren is daarmee een aandachtspunt. Binnen de ontwikkelvelden vindt het parkeren grotendeels plaats op eigen terrein. Alle vrijstaande woningen, 2-onder-1 kapwoningen en hoekwoningen realiseren de parkeerplaatsen op eigen terrein. Afhankelijk van de kavelbreedte worden deze parkeerplaatsen, indien mogelijk naast elkaar gerealiseerd. In Vroondaal Zuid II geldt een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsper woning, inclusief 0,3 parkeerplaats voor het bezoekersparkeren. De 0,3 parkeerplaats voor bezoekersparkeren moet gerealiseerd worden in de openbare ruimte. Een deel van het parkeren is voorzien in de hoofdstructuur. Langs de gehele hoofdstructuur is eenzijdig langsparkeren gesitueerd. De overige parkeerplaatsen worden gerealiseerd in parkeerhoven of in
22
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
parkeerkoffers in uitgeefbaar gebied. Het parkeren wordt verder uitgewerkt bij het opstellen van verkavelingsplannen voor ontwikkelvelden. Fietspark eren De aantrekkelijkheid van een reis per fiets wordt mede bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de fietsparkeervoorziening bij herkomst en bestemming. Daarnaast wil de gemeente voorkomen dat de kwaliteit van de buitenruimte onder druk komt te staan doordat fietsen teveel geparkeerd worden op plaatsen met een intensief gebruik van de openbare ruimte. Om die reden gaat de gemeente uit van het faciliteren en sturen op het stallen van fietsen bij belangrijke bestemmingen of bestemmingsgebieden, zoals NS-stations en de binnenstad. Daarnaast hanteert de gemeente fietsparkeernormen bij nieuwbouw en verbouw van kantoren, bedrijven en voorzieningen. Het gemeentelijke beleid ten aanzien van het stallen van fietsen is vastgelegd in de “Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016” (RIS 294386). Fietspark eernormen De gemeente Den Haag heeft in de “Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016” normen vastgesteld voor de aanwezigheid van fietsparkeerplaatsen bij kantoren, bedrijven en voorzieningen. Deze fietsparkeernormen worden toegepast bij nieuwbouw en verbouw waarvoor een omgevingsvergunning verplicht is.
Het hanteren van fietsparkeernormen is nodig om het fietsen in Den Haag te stimuleren en het beslag van het fietsparkeren op de schaarse openbare ruimte te kunnen reguleren. Bij de bepaling van de fietsparkeernormen is het faciliteren van het groeiende fietsgebruik het uitgangspunt geweest. Voor het fietsparkeren bij woningen is de eis uit het bouwbesluit van toepassing, waarin is aangegeven dat bij woningen een berging aanwezig is. De aanvrager van een omgevingsvergunning voor een woongebouw kan in de aanvraag verzoeken om afwijking van de prestatie-eisen die het Bouwbesluit stelt aan buitenbergingen, anders genoemd verzoeken om toepassing van gelijkwaardigheid. In de “Beleidsregels Bergingen nieuwe woongebouwen Den Haag 2017” (RIS297288) staat aangegeven onder welke voorwaarden collectieve fietsstallingen kunnen worden gebouwd in plaats van afzonderlijke fietsbergingen per woning. De fietsparkeerbehoefte van een ontwikkeling met een niet-woonfunctie wordt berekend aan de hand van het bouwplan en de daarbij behorende parkeernorm. Voor het vaststellen van de fietsparkeereis wordt vervolgens de berekende parkeerbehoefte afgezet tegen de specifieke kenmerken en grootte van het bouwplan en tegen de omgeving van het bouwplan.
Indien er concrete aanleiding bestaat om de berekende fietsparkeerbehoefte bij te stellen, is het aan de ontwikkelaar om aan te tonen op grond waarvan dat nodig is. Dubbelgebruik kan daar bijvoorbeeld een aanleiding voor zijn. Aan de parkeereis kan op eigen terrein worden voldaan of door middel van een storting in het fietsparkeerfonds (of een combinatie). Fietsparkeerplaatsen die op eigen terrein worden gerealiseerd dienen goed bereikbaar en comfortabel te zijn. Bij afkoop van de fietsparkeereis door middel van een storting in het parkeerfonds, dient de gemeente te voorzien in de behoefte van fietsparkeerplaatsen door realisatie en exploitatie van (openbaar toegankelijke) fietsparkeervoorzieningen.Tenslotte worden de afspraken tussen ontwikkelaar en gemeente vastgelegd voor de nieuw- en verbouwplannen waarmee het beoogde gebruik van de fietsparkeeroplossingen kan worden bewaakt.
23
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
3.5
Wonen
3.5.1
Regionale woonvisie
De metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) is in 2015 van start gegaan. De MRDH bestaat uit twee pijlers, de Vervoersautoriteit en het Economisch Vestigingsklimaat. In de Metropolitan Review Rotterdam The Hague (OESO) wordt gesteld dat er kansen liggen voor een betere samenwerking op het gebied van wonen in de regio. Hierdoor lijkt het voor de hand liggend om een woonvisie op te stellen voor dit grotere gebied. Wonen behoort op dit moment echter nog niet tot het takenpakket van de MRDH. De regio Rotterdam-Rijnmond heeft in 2014 een regionale woonstrategie opgesteld, die geldig is tot 2020. Wegens bovenstaande reden is het opportuun om met de Haaglandengemeenten een eigen regionale woonvisie op te stellen. De Haaglandgemeenten hebben de Woonvisie woningmarktregio Haaglanden 2017-2021 opgesteld. Daarin zijn verschillende uitdagingen en opgaven beschreven. De regionale ambities zijn het opstellen van een regionaal woningbouwprogramma, voeldoende betaalbare wonignen aanbieden, duurzaam bouwen, levensloopgeschikt bouwen en het werken aan leefbare en prettige woonwijken. Het bestemmingsplan is niet in strijd met ambities uit de regionale woonvisie. 3.5.2
Woonvisie Den Haag 2017 - 2030
Het woonbeleid is vastgelegd in de Woonvisie Den Haag 2017-2030 (RIS296833, 29 juni 2017). Den Haag is een groeiende stad in een tijd waarin veranderingen steeds sneller gaan en die de maatschappelijke en economische verhoudingen blijvend veranderen. Het is een uitdaging om mensen, bedrijven en banen aan de stad te blijven binden. Om een fijne, leefbare en groene woonstad te blijven moeten we zorgen dat de sociaaleconomische verschillen niet te groot worden en moeten we overstappen op een nieuwe vorm van energievoorziening. Den Haag heeft een gunstige uitgangspositie als aantrekkelijke woonstad. De unieke ligging aan zee, het levendige centrumgebied, prettige woonwijken en een sterk internationaal profiel. Om deze positie nog verder te versterken zet de woonvisie in op een 'stedelijke, attractieve en inclusieve stad in 2030'. Dit betekent dat Den Haag meer onderscheidende en aantrekkelijke stedelijke woonmilieus biedt, dat wonen in de stad betaalbaar is voor iedereen én wijken op de toekomst zijn voorbereid en meer gemengd zijn. Het (sloop-)nieuwbouw, transformatie- en verbeterprogramma geeft ruim baan aan deze ambitie en volgt de groei van de stad. De gemeente Den Haag gaat voor de langere termijn uit van een jaarlijks netto bouwprogramma van 2000-2500 woningen. De ruimte om te groeien is beperkt.
Den Haag zal zich voor groei moeten richten op binnenstedelijke locaties (de zogenaamde inbreidingslocaties), transformatie van bestaande gebouwen en gemengde woon-werkgebieden. Daarbij wordt ingezet op differentiatie in architectuur en woningtypen. Het is van belang om hierbij zorgvuldig om te gaan met bestaand groen en bestaand wijken. Een andere uitdaging is het verkleinen van de sociaaleconomische verschillen tussen wijken. De woonvisie zet in op: 1. Een meer sociaal-inclusieve stad; 2. Het verder uitbouwen van Den Haag als aantrekkelijke en gastvrije woonstad; 3. Een meer toekomstbestendige woningvoorraad. Dit heeft zowel betrekking op de duurzaamheid van woningen als op de levensloopbestendigheid van woningen. Ad 1) Een meer sociaal-inclusieve stad: Een aantrekkelijke en gastvrije stad is sociaal inclusief: een stad zonder te grote sociaaleconomische verschillen. De aanwezigheid en spreiding van voldoende betaalbare woningen in de stad voor minder financieel draagkrachtige huishoudens is hierin een belangrijke opgave. Daarbij sturen we op een meer evenwichtige spreiding van de sociale woningbouw over de stad. Ook wordt ingezet op het borgen van voldoende betaalbare woningen voor kwetsbare groepen en wordt gestuurd op de verbetering en vernieuwing van kwetsbare wijken, o.a. via de aanpak 'Nieuwe Generatie
24
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
Stadswijken'. Streven is meer differentiatie in de woningvoorraad aan te brengen. Eventuele afname van de sociale voorraad in wijken dient elders in de stad, maar ook in de regio te worden gecompenseerd. Ad 2) Het verder uitbouwen van Den Haag als aantrekkelijke en gastvrije woonstad: Dit is een voorwaarde voor het vasthouden en aantrekken van stedelijk talent. Doel is om voor deze groepen die bijdragen aan het internationale, gastvrije, levendige en economische profiel van Den Haag nog meer onderscheidende stedelijke woon(werk)milieus te ontwikkelen. In het bouwprogramma wordt daarom nadrukkelijk rekening gehouden met de woonvoorkeuren van stedelijke doelgroepen young urban professionals, stedelijke gezinnen, studenten, empty-nesters en expats. Ad 3) Een meer toekomstbestendige woningvoorraad: Het streven is dat in 2030 de woningvoorraad voldoet aan de duurzame en woontechnische eisen. Dit betekent dat het onderhoud van woningen op orde is en dat in 2030 tenminste 50% van de woningen wordt verwarmd met een niet-fossiele warmtebron. Voor nieuwbouw betekent dit dat woningen niet langer zijn aangesloten op het gasnet. Verder wordt ingezet op een groter en gevarieerder aanbod aan geschikte woningen en woonzorgvormen voor (langer) zelfstandig thuis wonen. De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is in lijn met deze uitgangspunten.
3.6
Cultureel erfgoed
3.6.1
Cultuurhistorische waarde
Cultuurhistorie is van groot belang voor de leefomgeving in Zuid-Holland. Tientallen eeuwen ontginnen en bouwen, wonen en werken hebben deze provincie gemaakt tot een cultuurlandschap bij uitstek. Niet alleen oude molens, boerderijlinten of stadsgezichten maar ook dijken, verkavelingspatronen en archeologische vindplaatsen getuigen daarvan. Deze cultuurhistorische waarden bepalen in sterke mate de identiteit en kwaliteit van een gebied of plek, en op die manier dus ook de leefbaarheid en het welbevinden van bewoners en bezoekers. Het beleid voor cultureel erfgoed van provinciaal belang is vastgelegd in de provinciale Visie Ruimte en Mobiliteit (paragraaf 3.5 Instandhouding en versterking van het cultureel erfgoed) en uitgewerkt in de Verordening Ruimte. Daarnaast is het cultureel erfgoed ook opgenomen in de provinciale kwaliteitskaart van de Visie Ruimte en Mobiliteit (thema Identiteitsdragers en Landschap). Het cultureel erfgoed van Zuid-Holland is een belangrijke drager van ruimtelijke kwaliteit. Zeker in combinatie met groen en water verhoogt het erfgoed de variëteit en daarmee de aantrekkelijkheid van stad en landschap.
Deze toegevoegde waarde van erfgoed bevordert de provincie op diverse manieren: behoud en versterking van cultuurhistorisch waardevolle structuren en ensembles die van bijzonder provinciaal belang zijn, via bescherming én passende ruimtelijke ontwikkeling, cultureel erfgoed vormt een integraal onderdeel van het provinciaal ruimtelijk kwaliteitsbeleid via de kwaliteitskaart en de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit. De cultuurhistorische,aardkundige en archeologische waarden zijn gebundeld in de cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS), die de basis vormt voor het provinciaal erfgoedbeleid. Het beschermende ruimtelijk beleid richt zich met name op een selectie van de CHS: cultuurhistorische kroonjuwelen, molen- en landgoedbiotopen, werelderfgoed (bestaand en potentieel); archeologie. Voor dit bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 is geen van de aspecten van belang. Met deze herziening wordt langs de exporteursbaan een wijziging van de bestemming Water en Groen in Woongebied - 2 mogelijk gemaakt.
25
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
3.6.2
Gemeentelijke beleid
Op de gemeentedekkende AWVK komen drie eenheden voor waaraan de gemeente beleid heeft gekoppeld: 1. Terreinen met een archeologische waarde, dat wil zeggen: waarvan is vastgesteld dat er zich belangrijke archeologische sporen en resten bevinden. In het kader van de archeologische monumentenzorg stelt de gemeente hier voorwaarden aan bodemverstorende activiteiten dieper dan 50 cm onder maaiveld; 2. Gebieden waar archeologische resten en sporen kunnen worden verwacht (op basis van de bodemopbouw en/of historische kaarten). Bij activiteiten met een bodemverstoring groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm onder maaiveld stelt de gemeente hier voorwaarden voor onderzoek en bescherming van mogelijk aanwezige sporen en resten; 3. Gebieden waar geen archeologische sporen/resten (meer) worden verwacht. Hier verbindt de gemeente op het gebied van de archeologie geen voorwaarden aan bodemverstorende activiteiten. In heel Madestein - Vroondaal komen drie zones met een archeologische verwachting voor. Het eerste is het gebied ingesloten tussen de Oorberlaan, Monsterseweg, Madesteinweg en de sloot tussen Vroondaal en het terrein van Parnassia. Het tweede gebied bevindt zich tussen de Monsterseweg, Lozerlaan, Nieuweweg en Madesteinweg. Tenslotte heeft een relatief klein gebied tussen de Madepolderweg, Boomaweg, Boomawatering en Madeweg een archeologische verwachting.
Deze gebieden, voor zover gelegen binnen het plangebied van dit bestemmingsplan zijn onderzocht. Gebied 49-51 kende geen vindplaatsen. In opdracht van Gem Vroondaal is in de gebieden 41-43 en 45 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, met als doel een uitspraak te doen over de behoudenswaardigheid van vindplaatsen. In gebied 53 is in 2011 archeologisch onderzoek uitgevoerd. Gebied 55-57, is eveneens onderzocht, maar ligt buiten het plangebied, waardoor dit gebied hier verder buiten beschouwing wordt gelaten.
26
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
De locaties 41-43 (brieven 8 juni 2021 en 8 augustus 2021) en 45 (brief 6 mei 2019) zijn door de afdeling Archeologie van de gemeente Den Haag vrijgegeven voor verdere bodemingrepen. Voor gebied 53 is geconcludeerd dat archeologische indicatoren, vegetatie-horizonten, vuile lagen of sporen van bodemvorming volledig ontbreken. Het uitvoeren van vervolgonderzoek werd niet noodzakelijk gevonden. Het opnemen van een dubbelbestemming Waarde - Archeologie is gelet op het voorgaande niet noodzakelijk.
3.7
Water
Deze waterparagraaf bevat een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. 3.7.1
Beleidskader
Diverse beleidsstukken zijn van belang voor het thema water. De belangrijkste worden hieronder behandeld. Europees en Rijksbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is december 2000 in werking getreden. De richtlijn heeft tot doel de chemische en ecologische kwaliteit van al het oppervlakte- en grondwater in Europa te verbeteren. De richtlijn stelt daartoe eisen aan het waterbeheer in alle lidstaten. Streefdatum voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit is 2015, met eventueel uitstel tot 2027. De doelstellingen worden uitgewerkt in (deel)stroomgebiedsbeheerplannen. In deze plannen staan de ambities en maatregelen beschreven. De Europese Kaderrichtlijn heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid (inrichting van watergangen en oevers). Het nationaal waterbeleid is vastgelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2). Dit plan vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 inclusief alle tussentijdse wijzigingen. Het NWP2 geeft het integrale kader voor het waterbeleid van het Rijk voor de komende zes jaar en geeft uitvoering aan de Europese richtlijnen voor waterkwaliteit, de mariene strategie en de overstromingsrisico's.
De Stroomgebiedbeheerplannen, het Programma van maatregelen mariene strategie, de Beleidsnota Noordzee en de Overstromingsrisicobeheerplannen maken onderdeel uit van het NWP2. Tegelijk met het NWP2 is het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2021(Bprw) vastgesteld met daarin de operationele uitwerking van het NWP2 voor de rijkswateren:de rollen en taken van Rijkswaterstaat en de hoofdlijnen van het beheer en onderhoud. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 wordt een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van het landelijke watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij wordt gestreefd naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.
Provinciaal beleid Het beleid van de Provincie Zuid Holland is gebaseerd op het besluit van 29 juni 2016 waarin is aangegeven dat het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016 - 2021 bestaat uit: de onderdelen van de Visie Ruimte en Mobiliteit voor wat betreft de onderdelen die behoren tot het regionale waterbeleid, waaronder specifiek paragraaf 4.2: 'Water: versterking van de samenhang in identiteit, kwaliteit, en veiligheid', inclusief de kaarten 11 (Waterveiligheid) en 12
27
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
(Zoetwater-voorziening en oppervlaktewater); inclusief bijbehorende bijlagen.; de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2015 inclusief bijlagen, vastgesteld door PS van Zuid-Holland d.d. 14 oktober 2015 en het provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015, op de onderdelen: Waarborgen waterveiligheid, Regionale keringen (Normen compartimenteringdijken en voorlandkeringen(paragraaf 4.4.3 doelstelling 4) en Realiseren mooi en schoon water: het thema 'Water en natuur': opstelling beheerplannen voor Natura2000 gebieden, inclusief aanpak van verdroging (paragraaf 5.4.3, doelstelling 1) en het thema 'Vismigratie': opheffen vismigratieknelpunten (paragraaf 5.6.3). Hoogheemraadschap van Delfland: Waterbeheerplan 2016-2021 In het Waterbeheerplan 5 (WBP 5) 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap' heeft het Hoogheemraadschap van Delfland de strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021 waarin de zorg voor water en veiligheid, een integrale aanpak en de toekomstbestendigheid van het watersysteem centraal staat. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: de waterveiligheid, het waterbeheer, de waterkwaliteit en het zuiveren van afvalwater.
Klimaatverandering, zeespiegelstijging verzilting en nieuwe wetten en regels veranderen het waterbeheer de komende decennia ingrijpend. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van het Hoogheemraadschap Delfland in de komende planperiode. Bovendien dwingen de complexiteit van het gebied en de omvang van de noodzakelijke investeringen tot het stellen van prioriteiten. In het Waterbeheerplan wordt op hoofdlijnen het algemene beleidskader aangegeven voor het beheer van de waterkeringen. Met beheer wordt bedoeld 'alle activiteiten die nodig zijn om de waterkeringen op het vereiste veiligheidsniveau te houden, nu en in de toekomst. De veiligheid is hierbij altijd een harde randvoorwaarde. Hierbij wordt ook rekening gehouden met onzekerheden in klimaat en bodemdaling. Er zijn verder ook criteria gesteld voor medegebruik van de waterkeringen, bijvoorbeeld voor recreatie. Delfland participeert voorts actief in toegepast onderzoek en stimuleert innovaties. Het hoogheemraadschap draagt zorg voor het kwantiteits- en kwaliteitsbeheer van het oppervlaktewater, het beheer van de waterkeringen en het kwantiteitsbeheer van het grondwater. De doelen voor de komende planperiode onderscheiden zich in twee hoofdrichtingen. Allereerst is er een bestaand fysiek systeem met een uitgebreide infrastructuur.
Deze infrastructuur moet zo efficiënt en effectief mogelijk in stand worden gehouden. Daarnaast moeten delen van dit fysieke systeem worden aangepast en verder ontwikkeld. Naast samenwerking in beheer en uitvoering van projecten, werkt het Hoogheemraadschap van Delfland ook op strategisch en bestuurlijk niveau samen met andere overheden. De bestuurlijke en ambtelijke Watertafel tussen het hoogheemraadschap en gemeenten zijn daar een voorbeeld van. Voor Delfland is de watertoets hét instrument om aan de voorkant van de planprocessen met gemeenten de waterbelangen af te wegen. Door in het watertoetsproces pro-actiefer te handelen wordt eerder aangeven welke alternatieven vanuit het water de voorkeur genieten, ook bij grote (infrastructurele) projecten. In de steden is de nadruk steeds meer op het beheer van de openbare ruimte komen te liggen. Delfland ziet daarin kansen voor de uitoefening van zijn taken. Vooral bij reconstructies, wegonderhoud en rioolvervangingen worden hele buurten aangepakt waar de gemeente vroeger de situatie per straat bekeek. Er zijn voorbeelden van rioolvervangingsprojecten, waarbij gemeenten klimaatadaptatiemaatregelen en vergroeningsambities hebben meegenomen. Gemeenten en Delfland werken samen aan een werkwijze om bij beheer- en onderhoudsprojecten systeemverbeteringen mee te
28
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
nemen. Voor de lange termijn moet de waterveiligheid en het optimaal functioneren van het watersysteem gewaarborgd blijven. De doelen in dit kader zijn: de bestaande waterkeringen op orde houden; het systeem in stand houden en optimaal laten functioneren, zowel vanuit het oogpunt van kwaliteit als van kwantiteit; zorgen voor water van de juiste kwaliteit op de juiste plek; de ecologische waarde van het watersysteem te behouden en te versterken. Watertoets Eén van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is de watertoets. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Delfland heeft de Handreiking Watertoets voor gemeenten opgesteld. In de Handreiking Watertoets (07-07-2016 www.hhdelfland.nl/watertoets) worden de randvoorwaarden en uitgangspunten voor een plan per thema toegelicht en op welke wijze deze in het plan dienen te worden verwerkt.
Wateragenda en Toekomstbestendig Haags water! De gemeente Den Haag en het Hoogheemraadschap van Delfland werken aan een goed waterbeheer door middel van een gezamenlijke Wateragenda Den Haag 2021-2025 (RIS 311901) In de visie 'Toekomstbestendig Haags water!' is aangeven hoe het watersysteem in Den Haag anno 2014 functioneert, welke knelpunten er zijn en hoe het systeem robuust te houden. Het Haagse watersysteem is op dit moment grotendeels op orde. Door kansen te benutten die zorgen voor een robuuster watersysteem en die ook bijdragen aan de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de stad, wordt het stedelijke gebied bestand tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte. In het stedelijke gebied is beperkte ruimte voor de traditionele opvang van water. Daarom is inzetten op onderzoek naar meer creatieve en innovatieve maatregelen belangrijk. Samenwerking tussen gemeente Den Haag en Delfland is daarvoor essentieel. De ambitie is het realiseren van een duurzaam, schoon, veilig, klimaatbestendig en gezond watersysteem, dat nu, en in de toekomst bijdraagt aan een aantrekkelijke (leef)omgeving, waar bewoners, bedrijven en bezoekers van Den Haag op een bewuste manier mee omgaan. Samengevat zijn de vier belangrijkste strategische pijlers om te komen tot een toekomstbestendig Haags watersysteem: 1.
Klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem: veilige waterkeringen langs de kust en goed doorstroombare boezemkanalen houden overtollig water 'van de straat'. Daarbij kijken we ook naar de langere termijn. Voor hemelwater kijken we naar alle fases in de weg van het water: vasthouden/gebruiken van hemelwater, bergen en afvoeren om het watersysteem te ontlasten. We zorgen er voor dat de benodigde hoeveelheid waterberging waar nodig mee groeit met de klimaatverandering zodat het gehele watersysteem even goed blijft functioneren. We zoeken actief naar de mogelijkheden om de doorstroming te verbeteren. 2. Duurzaam schoon en gezond water: Het Haagse watersysteem is uiterlijk in 2027 (doeljaar voor het KRW) chemisch schoon en gezond en ecologisch robuust ingericht. 3. Aantrekkelijk water: het Haagse watersysteem is zodanig ingericht dat de burgers en bezoekers van Den Haag de stad een aantrekkelijke woon-, werk en leefomgeving vinden. De wateropgave wordt daarom in samenhang met andere maatschappelijke opgaven als ruimtelijke ordening, recreatie, cultuurhistorie, ecologie en economie uitgewerkt. 4. Bewust van Haags water: Haagse burgers waarderen het water in hun directe leefomgeving. Burgers en bezoekers van de stad weten welke bijdragen zijn kunnen leveren aan het bereiken en in stand houden van een duurzaam schoon, gezond en veilig Haags watersysteem.
29
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
Stedelijke Ecologische Verbindingszones Den Haag 2008-2018 Den Haag zet zich al jaren in om de ecologie in en om de stad te verbeteren en te behouden. In 2006 en 2007 heeft Den Haag daarom een inventarisatie uitgevoerd, waarin voor alle ecologische verbindingszones is bekeken of deze voldoen aan de gewenste natuurvriendelijke inrichting. Dit bleek niet het geval te zijn; de inventarisatie resulteerde in een opsomming van 300 knelpunten. In de nota Stedelijke Ecologische Verbindingszones worden op hoofdlijnen alle gewenste maatregelen op het vlak van ecologie (inrichting en beheer) voor de komende tien jaar benoemd. Het uitvoeren van deze maatregelen wordt waar mogelijk gecombineerd met maatregelen vanuit het waterbeheer zoals verbreding van watergangen en aanleg van natuurvriendelijke oevers.
30
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
Hoofdstuk 4
Wet- en regelgeving
4.1
m.e.r.-beoordeling
4.1.1
Inleiding
Op grond van de Wet milieubeheer is het voor projecten die mogelijk grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu verplicht om een procedure voor de milieueffectrapportage (m.e.r.-procedure) te doorlopen. De m.e.r.-procedure is bedoeld om ten aanzien van bepaalde plannen en besluiten de milieubelangen expliciet mee te wegen bij besluitvorming. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen "m.e.r.-plichtige activiteiten" waarvoor een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en "m.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten" waarbij in de vorm van een m.e.r.-beoordeling moet worden afgewogen of significante negatieve gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien deze niet kunnen worden uitgesloten dan dient alsnog een MER opgesteld te worden. 4.1.2
Besluit m.e.r.
In het Besluit m.e.r. is opgenomen voor welke plannen en projecten het doorlopen van een m.e.r.(beoordelings)-procedure verplicht is. Conform wet en regelgeving en jurisprudentie dient bij de beoordeling of sprake is van een plan-m.e.r.-plicht ook rekening te worden gehouden met eventuele afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden die in de bestemmingsplannen worden opgenomen. Op 7 juli 2017 is een gewijzigde versie van het Besluit m.e.r. in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is van toepassing op alle ruimtelijke ontwikkelingen die genoemd worden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet m.e.r-plichtig zijn). Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld. Sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. moet voor activiteiten onder de drempelwaarde nader gemotiveerd worden dat geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk is. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij de m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. In het gewijzigde Besluit m.e.r.
wordt de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet allereerst door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld. Vervolgens dient het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. In het geval er geconcludeerd wordt dat er geen MER benodigd is zijn er geen verdere procedurele verplichtingen. In de toelichting bij het bestemmingsplan dient het feit dat er geen MER nodig is gemotiveerd te worden. 4.1.3
Voornemen
Met bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die genoemd worden in Onderdeel C en D van de bijlagen Besluit m.e.r. Het bestemmingsplan maakt langs de Exporteursbaan het wijzigen van de bestemming Groen en Water in Woongebied 2 (WG-2) mogelijk en voorziet in het verleggen van een waterkering. Het bestemmingsplan voorziet hiermee in een juridisch kader waarbinnen de gebiedsuitwerking voor Vroondaal Noord II en Zuid past. Er wordt niet meer woningbouw mogelijk gemaakt dan al was toegestaan op basis van het moederplan. Dit bestemmingsplan voorziet dan ook niet in ontwikkelingen waarvoor afgewogen dient te worden of er sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht.
31
bestemmingsplan Madestein - Vroondaal, 3e herziening - Deel 2 (ontwerp)
4.2
Geluid
Met voorliggend bestemmingsplan wijzigt aan weerszijden van de Exporteursbaan de bestemming van gronden met de bestemming Groen en Water in Woongebied 2 om zo woningbouw mogelijk te maken.
Afbeelding 4.1: te wijzigen gronden Door DGMR is onderzoek gedaan naar de geluidbelasting van de omliggende wegen. In deze paragraaf wordt een samenvatting van het onderzoek gegeven. Het volledige onderzoek is als Bijlage 3 opgenomen. 4.2.1
Juridisch kader
Wanneeer geluidsgevoelige gebouwen zoals woningen langs een weg mogelijk gemaakt worden is onderzoek nodig naar de geluidbelastingen ten gevolge van deze weg. De berekende waarden worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. In de berekening hoeven alleen wegen meegenomen te worden als de ontwikkeling in het invloedsgebied van die wegen ligt, en de snelheid van de weg 50 km/u of hoger bedraagt. De ontwikkeling aan weerzijde van de Exporteursbaan ligt binnen het invloedsgebied van de Exporteursbaan en de Madepolderweg. Geluidebelastingen tot de voorkeursgrenswaarde (48 dB) zijn zonder meer toegestaan. Als er sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde maar geen overschrijding van de maximale ontheffingswaard (63 dB) is een hogere waarde procedure noodzakelijk om een ontheffing mogelijk te maken. Voor het afgeven van een hogere waarde is het gemeentelijk beleid van belang. De voornaamste voorwaarden uit het beleid zijn: woningen dienen te beschikken over een geluidluwe gevel (53 dB na aftrek); de maximale cumulatieve geluidbelasting bedraagt 69,5 dB (zonder aftrek). Er moet altijd sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Hiervoor vindt naast de toetsing van wegen