RIS314082 bijlage 2 Inspiratiedocument
Tekst van het document
Deze wet zou een basis kunnen bieden aan het uitwisselen van gegevens tussen overheidsorganisaties (en private partijen) met betrekking tot criminaliteit. Voor de aanpak van problematisch groepsgedrag van jongeren met een gemeentegrensoverschrijdend karakter zou de wet bijvoorbeeld meer mogelijkheden kunnen bieden voor het RIEC en Zorg- en Veiligheidshuizen. Het Zorg- en Veiligheidshuis Haaglanden stelt deze ontwikkelingen door de heftigheid van de problematiek waarmee zij worden geconfronteerd niet te kunnen afwachten en is daarom recent gestart met een pilot waarin de infrastructuur van het Zorg- en Veiligheidshuis wordt gebruikt om de uitwisseling van informatie tussen gemeenten mogelijk te maken. In een zogenaamd ‘Netwerkoverleg’ – dat onderdeel is van een bredere aanpak Gewelddadige Rivaliserende Jeugdgroepen – wordt niet ingezoomd op persoonsniveau, maar worden onderlinge verbanden, incidenten en trends besproken. Jongeren die onderdeel uitmaken van rivaliserende jeugdgroepen en bepaald delictgedrag vertonen worden aangemeld bij het Zorgen Veiligheidshuis. Aan de hand hiervan kan het Zorg- en Veiligheidshuis inzicht in en overzicht over de verschillende rivaliserende jongeren en groepen in de regio genereren – voorbij de grenzen van specifieke gemeenten.
Deze informatie vormt de basis van het netwerkoverleg en helpt het Zorg- en Veiligheidshuis signalen aan elkaar te verbinden en antwoord te kunnen geven op vragen van deelnemers aan het overleg. Het doel van het Netwerkoverleg is het komen tot een gezamenlijk beeld van de rivaliserende jeugdgroepen in de regio en te beoordelen of het problematisch groepsgedrag en excessief geweld specifieke interventies noodzakelijk maken. Het beeld dat in het overleg gezamenlijk tot stand komt, blijft in het beheer van het Zorg- en Veiligheidshuis.
26
In het vooronderzoek stelden lokale professionals bovendien dat er veel onduidelijkheid bestaat over in hoeverre zij het gedrag van problematische jongeren mogen monitoren en deze informatie ook kunnen gebruiken wanneer zij zich ergens zorgen over maken. Een van de respondenten zei hierover: “Ik denk dat we niet zo goed weten wat we ermee kunnen, moeten of mogen. Want wat mogen we er eigenlijk mee? Sowieso is online monitoring een best lastig vraagstuk. In hoeverre mag je als gemeente jongeren online volgen? Dat is nog iets dat goed uitgezocht moet worden en ook omdat dit vraagstuk zo nieuw is, weten wij niet zo goed wat we daar allemaal mee kunnen én mogen. Ik weet zelf ook niet zo goed of dat aan ons is of dat je dat juist meer bij de politie moet neerleggen.” Meer concreet stelden de professionals uit Delft, Den Haag en Zoetermeer behoefte te hebben aan duidelijke kaders: “Ik heb behoefte aan handvatten en kaders om dat online werken meer richting te geven, zodat buiten de politie andere partners ook echt erin mee kunnen gaan. Dat ze online ook hun werk aan het doen zijn en niet allemaal hetzelfde aan het doen zijn vanuit verschillende perspectieven.” Deze behoefte aan (juridische) kaders voor de inzet van social media binnen de aanpak van problematisch groepsgedrag is niet voorbehouden aan professionals uit de gemeenten die opdracht geven voor dit onderzoek.
Overal in Nederland zoeken gemeenten en andere ketenpartners naar houvast bij het betreden van het online domein3. In het onderzoek “Black Box van gemeentelijke online monitoring”, dat verricht is door Willem Bantema en anderen (2021) – en waarvan ook een factsheet is verschenen – zijn de mogelijkheden, knelpunten en dilemma's van online monitoren door gemeenten verkend4. Op basis van het onderzoek blijkt online monitoring bij veel gemeenten te gebeuren: 95% van de ondervraagde gemeentelijke medewerkers geeft aan dat de gemeente waarvoor zij werkzaam zijn hieraan doet. Met 54% geeft meer dan de helft van de ondervraagden echter aan dat er binnen zijn of haar gemeente geen protocol of beleid bestaat voor deze handelingen. De manier waarop gemeenten op dit moment te werk gaan heeft volgens de onderzoekers onder andere tot gevolg dat er verschillen in werkwijzen tussen gemeenten lijken te ontstaan en er onduidelijkheid bestaat omtrent de juridische grondslagen en regelingen van online monitoring. Deze noodzaak van uniformiteit en juridische grondslag lijkt ook tot de politiek te zijn doorgedrongen. Minister van Justitie en Veiligheid Yeşilgöz heeft toegezegd een juridisch kader op te stellen omtrent online monitoring en hier samen met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) een handreiking voor te schrijven. Op 28 januari 2022 – in een reactie op
3
In het essay Lokaal bestuur in een digitaliserende samenleving proberen Stol en Bantema (2021) te komen tot een handelingskader voor gemeenten, waarvan monitoren een van de taakgebieden is. 4 In paragraaf 2.2 gaan de onderzoekers bovendien uitgebreid in op online monitoring door de politie.
27
kamervragen over een opgelegd zogenaamd ‘online gebiedsverbod5 – stelde de minister daarover het volgende: “Met het handhaven van de openbare orde door inzet van instrumenten in de online omgeving door de burgemeester is nog beperkt ervaring opgedaan. Dit is ook onderkend door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) tijdens het mondelinge vragenuur van 18 mei 2021. Om de onduidelijkheid weg te nemen over wat gemeenten mogen doen op het gebied van online monitoring, werken het ministerie van BZK en mijn ministerie eraan om het juridisch kader voor gemeenten inzichtelijk te maken, mede op basis waarvan vervolgens in de loop van het jaar een handreiking voor gemeenten zal worden opgesteld, met name over bevoegdheden voor het inzetten van online (sociale media) monitoring in het kader van de openbare orde en veiligheid. Uw Kamer wordt hierover binnenkort nader geïnformeerd door de Minister van BZK.” Volgens de VNG laten het juridisch kader en bijbehorende handreiking echter nog wel ‘enige tijd op zich wachten’. Verschillende instanties wachten actie vanuit het ministerie niet af en proberen uit te zoeken wat we al weten met betrekking tot wat gemeenten online wel en niet mogen. Zo is Noord-Holland Samen Veilig – een samenwerkingsverband van 32 gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie binnen de eenheid Noord-Holland – gestart met Project Online Orde.
Binnen dit project worden informatie en ervaringen met betrekking tot online signalering en monitoring verzameld, om gemeenten een handelingskader te bieden voor het geval online aangejaagde ordeverstoringen zich voordoen. In de eerste plaats heeft NH Samen Veilig Willem Bantema en zijn onderzoeksgroep gevraagd een onderzoek uit te voeren naar de regionale aanpak van online aangejaagde ordeverstoringen, waarvan het rapport in april 2022 verscheen. Uit het onderzoek bleken gemeenten uit Noord-Holland geconfronteerd te worden met problematiek de we herkennen uit regio Haaglanden: “Een aantal grotere gemeenten in de eenheid Noord-Holland (en daarbuiten) hebben te maken met het fenomeen drillrap. Uit de focusgroepen kwam naar voren dat hier vaak een hele online geschiedenis aan vooraf gaat. De YouTube-video’s die veel mensen kennen zijn vaak een resultaat van onderlinge ruzies die al langer gaande zijn. Afkomst, stad, wijk en andere verschillen zijn aanjagers voor de video’s waarin de (veelal) jongeren elkaar uitdagen en bedreigen. In enkele gevallen leidde dit tot steekpartijen en andere fysieke incidenten.” De onderzoekers concluderen dat de aanpak van online aangejaagde ordeverstoringen in vrijwel alle gemeenten nog in de kinderschoenen staat, terwijl de incidenten tegelijk ‘steeds meer volwassen vormen aannemen’.
Gemeenten zouden door praktische en juridische belemmeringen achter de feiten aanlopen, een constatering die resoneert met de uitspraken die professionals uit Delft, Den Haag en Zoetermeer in het vooronderzoek deden.
5
Zie ook hoofdstuk 6.
28
Naast het onderzoek van Bantema en collega’s omvat Project Online Orde ook sessies waarin professionals – onder aanvoering van deskundigen – met elkaar in gesprek gaan over urgente thema’s. In het kader hiervan vond op 8 juli 2021 een zogenaamde Online Orde-sessie plaats waarin de juridische mogelijkheden van vroegsignalering zijn verkend en waarvan later een samenvatting is verschenen. Tot slot heeft Samen Veilig NH een ‘Interventiekaart online orde’ opgesteld om overzicht te scheppen omtrent de (on)mogelijkheden van gemeenten in het geval van online aangejaagde openbare ordeverstoringen. Deze kaart is ook te vinden in het uitgebreide dossier Online aangejaagde openbare ordeverstoringen dat het CCV op haar website bijhoudt. Naast de interventiekaart zijn in dit dossier een Verkenning naar nietjuridische instrumenten voor gemeenten bij online oproepen tot rellen, maar ook maatregelen, mediaberichtgeving en documenten opgenomen. Het dossier van het CCV biedt veel concrete en toegankelijke informatie met betrekking tot online monitoring en het aanpakken van online aangejaagde openbare ordeverstoringen. Tot slot organiseert het CCV periodiek een Leerkring online openbare orde, die bedoeld is voor jongerenwerkers, OOV-medewerkers van de gemeente en politie.
In februari 2022 organiseerde het CCV de eerste van deze leerkringen, waarbij de inzet van het online gebiedsverbod en de dwangsom besproken werden – en waarvan een verslag is verschenen. Op verschillende plekken gaan gemeenten zelf aan de slag om duidelijkheid te scheppen. In Amsterdam wordt op dit moment – in lijn met aanbevelingen uit het Black Box-onderzoek – toegewerkt naar een ‘Handleiding online werkmethodiek’, waarvan een conceptversie door de onderzoekers is ingezien. De handleiding betreft een werkdocument waarvoor nog geen juridisch of bestuurlijk akkoord is afgegeven. In het document staat beschreven welke bronnen door gemeentemedewerkers gebruikt zouden kunnen worden, op welke manier met eventuele zorgelijke signalen zou moeten worden omgegaan en langs welk stappenplan online monitoring zou moeten gebeuren. Medio 2022 heeft de gemeente collega’s en ketenpartners uitgenodigd om het document gezamenlijk te bespreken en van feedback te voorzien, waarop het op dit moment verder wordt bijgeschaafd. Niet alleen vanuit het werkveld, maar ook vanuit de juridische wereld wordt getracht professionals handvatten te bieden met betrekking tot online monitoring.
Zo publiceert advocatenkantoor AKD een blogreeks over monitoring door gemeenten, waarin onder andere de inzet van nepaccounts en privacyaspecten aan de orde komen, maar waarin zij ook wijzen op het onderscheid tussen toezicht houden en het inwinnen van informatie. Al met al blijkt nog veel onduidelijk met betrekking tot de juridische kaders voor gegevensuitwisseling tussen gemeenten en voor het monitoren van het online domein. Dit bemoeilijkt de aanpak van problematisch groepsgedrag in het digitale tijdperk. Voor wat betreft de uitwisseling van gegevens lijkt het pionierswerk van Zorg- en Veiligheidshuis Haaglanden veelbelovend voor de lokale aanpak van rivaliserend groepsgedrag met een gemeentegrensoverschrijdend karakter, waarmee regio Haaglanden bovendien een landelijke voortrekkersrol kan innemen. Met betrekking tot het gebrek aan duidelijkheid omtrent online monitoring is het door het ministerie aangekondigde juridisch kader – en de meer praktische 29
handreiking – hoopgevend. In de tussentijd lijken Delft, Den Haag en Zoetermeer zich voor de mogelijkheden met betrekking tot het monitoren van online problematisch groepsgedrag – dat heeft bewezen de potentie te hebben te resulteren in openbare ordeverstoringen – te moeten richten tot de hierboven beschreven bronnen, waarbij met name het online dossier van het CCV houvast lijkt te kunnen bieden.
30
6.
CONCRETE TOOLS
Uit het vooronderzoek kwam ten slotte naar voren dat professionals naast digitale bekwaamheid, kennis van de cultuur van jongeren en juridische kaders soms simpelweg concrete tools missen om online problematisch groepsgedrag te kunnen aanpakken. Het gaat hierbij om zowel preventieve als repressieve interventies. Vanuit de opdrachtgever werd bovendien aangegeven dat er vanuit gemeenten niet altijd even goed zicht is op de mogelijkheden van bestuurlijke en strafrechtelijke interventies. In dit hoofdstuk richten we ons daarom op de verschillende concrete tools om problematisch en rivaliserend groepsgedrag waarbij het online domein een belangrijke rol speelt te kunnen aanpakken
Social media en strafrecht Het strafrecht biedt concrete handvatten voor het aanpakken van problematisch groepsgedrag dat zich deels in het online domein afspeelt. In het kader van het voorkomen van recidive, hebben de rechter en het Openbaar Ministerie verschillende mogelijkheden om maatregelen op te leggen die zijn toegespitst op het social mediagebruik van de verdachte. Grofweg zijn er vijf manieren waarop deze zogenaamde voorwaarden in het strafrecht naar voren komen. In de eerste plaats kan de rechter schorsende voorwaarden opleggen bij een voorlopige hechtenis. Dit betekent dat een jongere vrijkomt onder specifieke voorwaarden waaraan hij zich moet houden. Het overtreden van deze voorwaarden betekent in veel gevallen dat de verdachte opnieuw wordt opgepakt en een nieuwe straf tegemoet kan zien. In de tweede plaats kan een rechter bijzondere voorwaarden opleggen bij een voorwaardelijke straf. Als een jongere zich niet aan deze voorwaarden houdt, wordt zijn straf – die kan bestaan uit detentie, een geldboete of een werkstraf – alsnog tenuitvoergelegd. Naast de rechter, heeft ook het Openbaar Ministerie de mogelijkheid tot het opleggen van maatregelen. De derde mogelijkheid is namelijk dat het OM een strafbeschikking (ook wel “OM-afdoening”) oplegt waaraan
voorwaarden
“gedragsaanwijzingen”
zijn
verbonden.
genoemd.
Indien
Deze een
voorwaarden
jongere
de
worden
ook
wel
voorwaarden
van
een
gedragsaanwijzing overtreedt, kan hij door het OM worden gedagvaard. De OM-afdoening is volgens twee officieren van justitie die wij interviewden daarmee soms minder effectief van de hiervoor genoemde schorsende of bijzondere voorwaarden: “Dit staat ook in de nieuwe aanwijzing OM strafbeschikking van maart 2022: Als er meer aan de hand is op het gebied van veiligheid, dan kan het OM niet zoveel met die strafbeschikking. Die is niet zo geschikt, vanwege het ontbreken van slagkracht.” Ten vierde kan het OM een gedragsaanwijzing opleggen vooruitlopend op een inhoudelijke zitting. Dit kan bijvoorbeeld wanneer een jongere wordt veroordeeld voor een geweldsincident op straat en de situatie – in afwachting van de zitting – steeds dreigt te escaleren door hoe jongeren online met elkaar communiceren. In zo’n geval kan het OM zonder tussenkomst van 31
de rechter een gedragsaanwijzing geven waarin bijvoorbeeld staat dat een verdachte zich dient te onthouden van het gebruik van (bepaalde) social media. Als een jongere een dergelijke gedragsaanwijzing overtreedt, zou het Openbaar Ministerie kunnen overgaan tot aanhouding, omdat dit een nieuw strafbaar feit oplevert waarvoor iemand ook in voorlopige hechtenis kan worden genomen. Tot slot kunnen ook aan een voorwaardelijke invrijheidsstelling – in de volksmond bekend als ‘strafvermindering’ – voorwaarden worden verbonden. Het OM neemt voor gedetineerden de beslissing of deze invrijheidsstelling aan de orde is en aan welke voorwaarden een veroordeelde zich heeft te houden. Hoewel het strafrecht volgens de geïnterviewde professionals aan de hand van bovenstaande voorbeelden voldoende mogelijkheden biedt om in te spelen op de digitalisering van problematisch groepsgedrag, blijkt het in de praktijk vaak nog zoeken naar de juiste manier. Een belangrijk obstakel hierbij blijken de controle en de uiteindelijke handhaving van opgelegde aanwijzingen: “We zijn aan het experimenteren in het strafrecht. Officieren van justitie willen er graag iets mee, maar er is nog geen eenduidig antwoord op hoe dit het beste kan. Het is echt nog zoeken.
Het gaat vooral om de handhaving, want hoe ga je dit in godsnaam handhaven?” De geïnterviewde professionals geven aan dat het opleggen van aanwijzingen veel vraagt van ketenpartners als de reclassering (voor het controleren) en de politie (voor de handhaving), die hier vaak niet de tijd en middelen voor hebben. In sommige gevallen worden de ouders van de jongeren nu ingezet om toe te zien op de naleving van de maatregelen door hun zoon of dochter. Het slagen van dergelijke maatregelen is daarmee erg afhankelijk van de belangrijke personen om een verdachte heen en lijkt niet bepaald “een waterdicht plan”: “We kunnen van alles bedenken, de rechter kan van alles opleggen als strikte voorwaarden, maar er moet wel ook een waterdicht plan zijn om het te kunnen controleren. En als zij zich er niet aan houden moeten wij ook heel consequent en snel reageren. Dus dat die jeugdreclasseerder korte lijntjes heeft om een terugmelding te doen, dat de politieagent een jongen kan aanhouden of een waarschuwend gesprek kan voeren.” Volgens de geïnterviewde professionals wordt er op dit moment vanuit Straatkracht gewerkt aan de mogelijkheid om “Intensief Jeugdreclasseringstoezicht” in te zetten, waarmee de jeugdreclasseerder veel meer tijd, ruimte en middelen beschikbaar krijgt om zicht en grip te blijven houden.
Het huidige systeem is volgens de professionals niet geschikt om social media op een gedegen manier te monitoren: “Er is meer nodig. Het is nu lastig om het intensiever in te vullen. Zeker bij jongeren die net uit de JJI stromen lijkt het ons verstandig het toezicht de eerste drie maanden veel intensiever in te vullen. Daar kun je social media dan ook in meenemen. Intensiever jeugdreclasseringstoezicht zou hiervoor meer ruimte bieden en zou dan aangevuld 32
moeten worden met betere tools en handvatten voor deze professionals om ook online toezicht te kunnen houden.” Het gebrek aan mogelijkheden tot controle en handhaving van opgelegde maatregelen, maakt niet dat er binnen het strafrecht geen bewegingen te zien zijn met betrekking tot het betrekken van het online domein. Sterker nog: er wordt volop geëxperimenteerd: “Het belangrijkste is dat je nu ziet dat alle professionals zien van hee: ‘die online wereld is belangrijk’. Ze worden creatief in hun mogelijkheden. En dat zie je dus bij het OM gebeuren, want officieren gaan daar echt mee aan de slag. Je ziet het bij rechters gebeuren. Die denken ook: ‘daar moeten we iets mee’. Je ziet het bij de Raad voor de Kinderbescherming die het adviseert, je ziet het bij de jeugdbescherming. Weet je, iedereen wil. En daar hoort ook een experimenteerfase bij waarin we gewoon gaan kijken wat werkt. En dat is nu actief aan de gang.” Deze experimenteerfase heeft een aantal concrete manieren opgeleverd waarop binnen het strafrecht kan worden ingespeeld op het social mediagebruik van verdachten. Hieronder worden een aantal voorbeelden besproken die van waarde kunnen zijn voor de aanpak van problematisch groepsgedrag.
Omdat de OM-afdoening, de gedragsaanwijzing en de voorwaardelijke invrijheidsstelling niet publiek inzichtelijk zijn, behandelen we uitsluitend voorbeelden van bijzondere voorwaarden die door de rechter zijn opgelegd (en die via rechtspraak.nl zijn in te zien). Deze maatregelen kunnen echter ook door het OM in bovengenoemde gevallen worden opgelegd. In de eerste plaats wordt in sommige gevallen een social media-verbod opgelegd. Hoewel de rechtbank een dergelijk verbod een aantal jaar geleden – ondanks het nadrukkelijke advies van een gezondheidspsycholoog in deze zaak – niet wilde opleggen omdat dit ‘onmogelijk gecontroleerd kan worden’, gebeurt dit inmiddels regelmatig. In een vonnis van oktober 2021 staat te lezen dat als gedragsvoorwaarde wordt opgelegd dat ‘verdachte wordt verboden om zich op social media kanalen zoals Twitter, Instagram en Facebook te begeven, indien en zolang de reclassering nodig acht’. Ook in een vonnis van maart 2022 wordt een social media-verbod opgelegd, in combinatie met een terbeschikkingstelling (TBS): “De veroordeelde verleent haar medewerking aan de controle van digitale gegevensdragers. Hiertoe verstrekt de veroordeelde wachtwoorden of toegangscodes aan de reclassering, de kliniek en/of de politie. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken rondom haar internet- en social media gebruik, nader te bepalen door de reclassering en/of kliniek.
Tevens zal de veroordeelde zich, zo lang de reclassering en/of kliniek dat nodig acht, volledig onthouden van social media.” Hoewel in bovenstaande zaken een social media-verbod voor onbepaalde tijd wordt opgelegd, geven de geïnterviewde professionals aan dat met de tijdsduur van de maatregel normaal gesproken terughoudend wordt omgesprongen. Het totaal verbieden van toegang tot social media is – door de manier waarop online en offline vandaag de dag met elkaar verbonden zijn 33
– een ingrijpende maatregel en staat op gespannen voet met grondrechten als de vrijheid van meningsuiting. In sommige gevallen kiest de rechter er wanneer sprake is van grensoverschrijdend gedrag via social media niet voor een social media-verbod op te leggen, maar krijgt de verdachte als voorwaarde een contactverbod opgelegd. Een contactverbod verbiedt een verdachte namelijk om op wat voor wijze dan ook – direct of indirect – contact te onderhouden met specifieke aangewezen personen. Hieronder valt zodoende ook contact via social media. In een vonnis van oktober 2021 besluit de rechter een dergelijk contactverbod op te leggen nadat de verdachte het slachtoffer via social media ‘via meerdere anonieme accounts op Instagram verschillende dreigende berichten, foto’s en een video’ had gestuurd. Dit biedt aanknopingspunten voor de aanpak van problematisch groepsgedrag waarin jongeren elkaar online bedreigen en uitdagen. Wanneer enkel een contactverbod in de ogen van de rechter niet voldoende soelaas biedt, kan hij of zij besluiten hier bovenop een verbod om over bepaalde personen te spreken op te leggen.
In een vonnis van februari 2022 besluit de rechter hiertoe nadat verdachte via social media onder andere dreigende berichten op social media plaatste als ‘wie wil er snel geld verdienen en vermoord de familie [naam familie] en verdiend 25k?” met daarbij een foto van een van de beoogde doelwitten. Dergelijke uitingen doen sterk denken aan de manier waarop rivaliserende jeugdgroepen elkaar via social media in sommige gevallen benaderen (Roks en Van den Broek, 2020: 92). De rechter legt de verdachte uiteindelijk via een maatregel op dat hij ‘zich via internet en social media of anderszins op geen enkele wijze, direct of indirect uitlaat’ over een geselecteerd aantal personen die hij eerder heeft bedreigd. Ook in een iets ouder vonnis wordt een verbod om over specifieke personen te spreken opgelegd, naar aanleiding van zogenaamde ‘digitale belaging’. In deze zaak doet de verdachte zich online voor als zijn slachtoffer en maakt hij hierbij persoonlijke gegevens en foto’s van laatstgenoemde openbaar. Ook deze gedragingen zien we binnen rivaliserend groepsgedrag in het online domein veelvuldig terug (Roks en Van den Broek, 2020: 93-100).
Uiteindelijk besluit de rechter dat de verdachte een uitgebreide maatregel krijgt opgelegd: “de veroordeelde zal gedurende de proeftijd op geen enkele wijze de naam van de aangeefster vermelden of afbeeldingen plaatsen van de aangeefster op internet of social media (onder meer Twitter, Facebook en Instagram), op geen enkele wijze afbeeldingen van de aangeefster kopiëren van sites of social media van vrienden, bekenden of familie van de aangeefster, op geen enkele wijze afbeeldingen van de aangeefster vervaardigen of doen vervaardigen, alsmede zal de verdachte niet langer op naam van de aangeefster accounts/profielen/websites aanmaken/aanvragen of op die sites gegevens of afbeeldingen plaatsen van de aangeefster. Dit geldt ook voor eigen accounts/profielen/websites van de veroordeelde, voor WhatsApp of andere communicatiemiddelen en voor afbeeldingen van verdachte”
34
Net als het contactverbod lijkt ook deze maatregel – mede door de reikwijdte ervan – geschikt om te interveniëren in problematisch groepsgedrag waarbij het online domein een belangrijke plaats inneemt. In sommige gevallen besluit de rechter dat verdachten zich niet alleen moeten onthouden van specifieke uitingen of het hebben van contact met bepaalde personen, maar wordt als maatregel opgelegd dat zij specifieke content en accounts verwijderen. In een zaak waarin een verdachte voor het uiten van beledigingen en bedreigingen onder andere gebruikmaakte van een Instagram-, Facebook- en YouTube-account, gebiedt de rechter hem deze accounts uiterlijk twee dagen na het wijzen van het vonnis te verwijderen. De maatregel bevat daarbovenop het verbod om de grensoverschrijdende content die op zijn pagina’s te vinden was opnieuw op andere pagina’s, accounts of websites te plaatsen. Ook deze maatregel lijkt aanknopingspunten te bieden voor de aanpak van problematisch groepsgedrag, omdat content vaak opnieuw wordt gedeeld en zodoende de (online) dynamiek nog lang kan blijven beïnvloeden. Daarbij dient te worden aangetekend dat content – wanneer het eenmaal viral is gegaan – vaak moeilijk helemaal van het internet te verwijderen valt. De rechter kan er ook toe besluiten iemand niet zelf te verplichten zijn of haar social media te verwijderen, maar deze accounts in beslag te nemen.
In een vonnis van november 2021 besluit de rechtbank dat een YouTube-account (en het daaraan gekoppelde Gmail-account) en een zogenaamde YouTube-trofee verbeurd worden verklaard omdat dit volgens de rechtbank ‘voorwerpen betreft die uit misdrijven afkomstig zijn’. Omdat de verdachten in video’s op het YouTubekanaal strafbare feiten pleegden – in casu het afsteken van illegaal vuurwerk – konden volgens de rechter het kanaal en de bijbehorende trofee worden gezien als een baten uit strafbare misdrijven. Hoewel over de vraag of een account kan worden beschouwd als een voorwerp nog volop discussie bestaat, lijkt ook deze interventie bruikbaar met betrekking tot de aanpak van problematisch groepsgedrag. Het in beslag nemen van accounts en eventuele verdiensten kan interessant zijn wanneer jongeren bijvoorbeeld aan de hand van geweld of het tonen van vuurwapens proberen hun online populariteit te vergroten – iets dat binnen rivaliserend groepsgedrag voortdurend gebeurt (Roks en Van den Broek, 2020). Al met al kan worden gesteld dat het strafrecht interessante aanknopingspunten biedt voor de aanpak van problematisch groepsgedrag waarbij social media een belangrijke rol spelen.
Aan de hand van onder andere een social media-verbod, een contactverbod, een verbod om over specifieke personen te spreken, het verplicht verwijderen van content en accounts of het in beslag nemen van accounts kan vanuit het strafrecht in potentie een positieve of deescalerende invloed worden uitgeoefend op de dynamiek van rivaliserend groepsgedrag. Een belangrijke voorwaarde voor de doeltreffendheid hiervan is echter wel de mogelijkheden van met name de reclassering en politie om hierop te kunnen monitoren en handhaven. Het handhaven van online maatregelen is op zichzelf al bijzonder complex, maar lijkt aan de hand van de beperkte mogelijkheden en middelen van reclassering en politie op dit moment niet reëel.
35
Drillrap en strafrecht Uit het vooronderzoek kwam naar voren dat lokale professionals zich specifiek zorgen maken over de invloed van drillrap(cultuur) op het problematische groepsgedrag waarmee zij geconfronteerd worden. Uit onderzoek van Roks en Van den Broek (2020) blijkt de relatie tussen rivaliserend groepsgedrag en drill complexer te liggen dan soms in de media wordt gesuggereerd. De auteurs pleiten er onder andere voor een contextuele kijk te hebben op drill en ervoor te waken de muziekvorm als geheel te criminaliseren. Veel van de uitspattingen in drillmuziek dienen namelijk overduidelijk te worden gezien als de communicatie van geweld en bovendien blijken er grote verschillen te bestaan tussen de mate waarin drillers zich bezighouden met geweld en criminaliteit. Hoewel drill eerder een vehikel lijkt waarlangs jongeren hun gewelddadigheid en rivaliteit vormgeven dan de oorzaak van het geweld tussen groepen, lijkt de muziekvorm en de bijbehorende cultuur wel degelijk een aantal risico’s in zich te dragen. Een van de aanbevelingen van Roks en Van den Broek (2020: 138-139) is daarom om – hoe moeilijk dit soms ook is – met betrekking tot drill een onderscheid te maken tussen ‘stoerdoenerij’ en daadwerkelijk strafbaar gedrag, en te handhaven op deze laatste categorie.
Langs deze weg worden niet alle jongeren die zich met drill bezighouden gecriminaliseerd, maar wordt tegelijk recht gedaan aan de risico’s die drillrap wel degelijk met zich mee kan brengen. Voordat ingegaan wordt op de manieren waarop het strafrecht opties biedt om bepaalde strafbare uitingen in drill aan te pakken, is het de moeite om kort te bespreken hoe de politie en het Openbaar Ministerie in februari 2021 geprobeerd hebben een gewapend conflict tussen twee rivaliserende rappers te voorkomen. Het roven van elkaars halskettingen zou aanleiding zijn voor het conflict tussen twee rappers uit Amsterdam. Over en weer brachten zij muziekvideoclips uit en plaatsten zij posts op social media waardoor bij politie en justitie de verdenking rees dat het conflict op een gewelddadige manier zou worden beslecht. In het persbericht op de website van het Openbaar Ministerie valt te lezen dat dit conflict gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving kan bewerkstellingen, in het bijzonder omdat het conflict zich zichtbaar op social media afspeelt. Door de drie mannen die prominent bij dit conflict betrokken waren aan te houden op verdenking van diefstal met geweld, bedreiging en wapenbezit is volgens politie en justitie mogelijkerwijs een snel oplopend conflict voorkomen.
De drie verdachten zijn voorgeleid bij de rechter-commissaris, maar werden heengezonden omdat er onvoldoende ernstige bezwaren waren om de drie mannen langer vast te houden. Dergelijke interventies kunnen – wanneer de spanning aan de hand van social media en muziek hoog oplopen – helpen de angel uit een conflict te halen of dit in ieder geval tijdelijk tot bedaren te brengen. Dit voorbeeld raakt wel aan de problematiek van drill in relatie tot het strafrecht, maar betreft geen echte strafrechtelijke aanpak. De afgelopen jaren zijn er echter ook een aantal ontwikkelingen geweest waaruit blijkt dat het strafrecht diverse mogelijkheden biedt om de strafbare gedragingen binnen drillrap aan te pakken en dat de context van drillrap bovendien 36
kan worden meegewogen bij het bepalen van de strafmaat (Groothoff, Bakker en Bosma, 2022). Hoewel het bij de veroordeling van rappers op basis van hun teksten of videoclips belangrijk is niet voorbij te gaan aan artistieke vrijheid van de muzikanten, stellen Groothoff, Bakker en Bosma (2022: 445) dat deze niet absoluut is: “Het feit dat iets het resultaat is van vrije, scheppende vormgeving betekent nog niet dat kunstenaars – of drillrappers – te allen tijde strafrechtelijk vrijuit gaan. Ook kunstenaars kunnen zich schuldig maken aan strafbare feiten en daarvoor worden veroordeeld.” Bovendien staat volgens de juristen ‘‘het karakter van drillrap en de gedragingen die kenmerkend zijn in de scene in moeizame verhouding tot de eisen die in de rechtspraak zijn gesteld aan een geslaagd beroep op de vrijheid van meningsuiting” (Groothoff, Bakker en Bosma, 2022: 446). Met andere woorden: drillrappers maken over het algemeen maar weinig kans wanneer zij zich op hun artistieke vrijheid beroepen. Er vallen in ieder geval vier strafbare gedragingen te onderscheiden waarvoor rappers kunnen worden veroordeeld op basis van uitingen die zij in hun muziek – in beeld of geluid – tentoonspreiden. In de eerste plaats is sprake van overschrijding van de grens van het recht op de vrijheid van artistieke vrijheid wanneer de kunstenaar die vrijheid misbruikt om beledigingen te uiten.
Een bekend voorbeeld van een zaak waarin een rapper werd veroordeeld voor (kennelijke) beledigingen in zijn muziek is de rechtszaak tegen rapper Ismo. Deze Bredase rapper werd veroordeeld omdat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het beledigen van Joden (“ik haat die fucking Joden nog veel meer dan de Nazi’s”) en homo’s (“flikkers geef ik geen hand”). Hoewel uit het vonnis weinig straatculturele sensitiviteit (vgl. Ilan, 2020) blijkt – de term ‘flikker’ wordt binnen straatcultuur namelijk vaak niet gebruikt om aan homoseksuelen te refereren – viel er in de beslissing van het Hof een interessante passage te lezen die belangrijk lijkt in het kader van de strafbaarheid van drillrappers: “Hoewel kenmerkend is voor rap dat grove bewoordingen niet worden geschuwd, is de enkele omstandigheid dat de uitlatingen rijmen met de rest van de tekst van de rap, niet voldoende om van functionaliteit in het kader van artistieke expressie te kunnen spreken, terwijl ook anderszins niet van zo'n functioneel verband met de rest van die tekst is gebleken. Op grond van dit een en ander heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte zijn artistieke vrijheid heeft misbruikt om de beledigingen te uiten.” Hoewel de raps van Ismo niet kunnen worden aangemerkt als drillrap, biedt de uitspraak aanknopingspunten voor het aanpakken van beledigende teksten van drillrappers.
Naast beledigingen blijken ook bedreigingen in rapnummers strafbaar te kunnen zijn. De bekendste zaken waarin rappers zijn veroordeeld voor bedreigingen in hun teksten betreffen twee verschillende zaken waarin Geert Wilders met de dood werd bedreigd (zie ook Bakker en van de Wetering, 2015). Het kan interessant zijn om te bekijken hoe de expliciete en expressieve (doods)bedreigingen die drillrappers elkaar met grote regelmaat toewerpen zich verhouden
37
tot de uitspraken waarvoor rappers Hozny en Mo$heb uiteindelijk zijn veroordeeld tot taakstraffen en voorwaardelijke celstraffen. In de derde plaats zijn recentelijk ook twee rappers veroordeeld voor opruiing – al loopt het hoger beroep in deze zaak nog. In het vonnis staat te lezen dat deze drillrappers zich volgens de rechtbank schuldig maakten aan opruiing door het maken van specifieke handgebaren (zoals een “afmaak-gebaar”), de titel van de video (“Intensive Care”), teksten als “Richt op die opps ze doen hands in de air, ik wil mn opps in de intensive care” en het tonen van nepvuurwapens. Zij zouden hiermee aanzetten tot het plegen van levensdelicten aan zogenaamde “opps” (tegenstanders). Opvallend is dat de teksten van het nummer – in tegenstelling tot veel andere drillrapnummers – weinig expliciet en expressief zijn. Wanneer bovenstaande zaak in hoger beroep standhoudt, zou het Openbaar Ministerie in potentie tientallen – zo niet honderden – Nederlandse drillrapnummers kunnen aanmerken als opruiend en de verantwoordelijke rappers kunnen hiervoor kunnen proberen te veroordelen. Interessante ontwikkeling is dat recentelijk ook een producer is gearresteerd op verdenking van opruiing, omdat hij drillrapvideo’s zou faciliteren.
In het persbericht van het OM staat te lezen dat het Openbaar Ministerie en politie willen dat er ‘een grens wordt gesteld aan het posten van video’s met een opruiend karakter die geweld en wapenbezit verheerlijken’. De instanties stellen dat het oppakken van de producer past bij de gedeelde verantwoordelijkheid die makers hebben: “Het gaat niet alleen om degenen die een rol hebben in een drillrapvideo. Ook de makers van drillrapvideo’s – zoals videoproducers en cameramensen – én de sociale media platforms waar de video’s worden gepubliceerd, hebben een verantwoordelijkheid om het plegen van strafbare feiten tegen te gaan. Videoproducers kunnen hun invloed laten gelden en sociale media platforms kunnen vaker dan nu gebeurt besluiten een bepaalde video van hun platform te verwijderen als die niet voldoet aan hun eigen richtlijnen of de grenzen die de wet stelt.” Tot slot kunnen rappers ook worden veroordeeld voor verboden wapenbezit omdat zij in videoclips (nep)vuurwapens laten zien. Bij een veroordeling voor wapenbezit in een videoclip hoeft dit wapen niet daadwerkelijk te worden aangetroffen. Verdachten kunnen worden veroordeeld op basis van het feit dat het wapen in de video te zien is.
Bovendien wordt uit het vonnis in onder andere deze zaak duidelijk dat het niet uitmaakt of het gaat om een echt of een nepvuurwapen: “Verdachte heeft de beschikking gehad over twee voorwerpen die grote gelijkenis vertoonden met echte vuurwapens. De aanwezigheid van (nep) vuurwapens vormt een groot gevaar in de samenleving. In het dossier bevindt zich geen bewijs dat het ging om echte wapens maar uit de verslaglegging door de verbalisanten, die de voorwerpen op de foto en in de video hebben bekeken, concludeert de rechtbank dat de vuurwapens niet van echt te onderscheiden zijn. Met een voorwerp dat op een echt wapen lijkt, kan een ander ook angst aangejaagd worden en dergelijke voorwerpen kunnen dan ook gebruikt 38
worden bij het plegen van verdere strafbare feiten. De rechtbank rekent verdachte het voorhanden hebben van die nepwapens dan ook aan.” De rechter zegt het de verdachte bovendien aan te rekenen dat hij geen afstand neemt van het maken van video’s met wapens en zich niet realiseert dat hij daarmee bijdraagt aan het normaliseren of verheerlijken van wapenbezit. Ook in een andere zaak wordt een drillrapper veroordeeld voor het gebruik van (nep)vuurwapens bij het opnemen van een videoclip. In het vonnis gaat de rechter specifiek in op de context van drillrap: “Het gaat hier om een videoclip waarin zogeheten drillrap te horen is. De verheerlijking van geweld en het tonen van wapens alsof dat normaal is, zoals dat in drillrap wordt gedaan, is onacceptabel. Er zijn veel geweldsdelicten rondom drillrap, met name schieten steekpartijen, vooral als gevolg van de geweldsverheerlijking in deze videoclips. Wat in drillrap wordt aangekondigd, wordt vaak ook uitgevoerd. Daarom is het van belang dat hier stevig tegen wordt opgetreden.” In sommige gevallen vormt het tonen van vuurwapens niet zozeer een reden om iemand te veroordelen, maar wordt het door de rechter gezien als een strafverzwarende omstandigheid, zoals in een vonnis van februari 2021.
In ieder geval biedt het tonen van vuurwapens in videoclips – waarbij niet per se hoeft te worden aangetoond dat dit een echt wapen betreft en waarbij het wapen bovendien niet hoeft worden aangetroffen – mogelijkheden voor het aanpakken van gewelddadige (drillrap)video’s die een rol spelen binnen problematisch groepsgedrag. De onderzoekers vonden geen zaken waarbij rappers op basis van het tonen van een steekwapen – wat binnen drillrap niet zelden voorkomt – zijn veroordeeld. Wel zijn er voorbeelden bekend van jongeren die worden opgepakt met een wapen dat zij bij zich droegen voor het opnemen van een (drillrap)videoclip. Het loont de moeite om te verkennen of het veroordelen van jongeren voor het tonen van steekwapens in videoclips opportuun is.
Volgens Groothoff, Bakker en Bosma (2022: 450) kan de specifieke dynamiek omtrent drillrap door rechters ook worden meegewogen in het bepalen van de op te leggen straf: “De context van de drillrapscene en daaraan gerelateerde gedragingen worden betrokken bij het inschatten van de kans op recidive en worden overtuigend ingezet om de straffen en maatregelen optimaal toe te snijden op de persoon van de verdachte.” In de praktijk kan dit betekenen dat jongeren die bijvoorbeeld in drillraps door henzelf gepleegd geweld verheerlijken strenger worden gestraft, zoals bijvoorbeeld gebeurde in de zaak naar aanleiding van de steek- en schietpartij in Scheveningen (Groothooff, Bakker en Bosma, 2022: 450). Bovendien schat de rechter de kans op recidive over het algemeen hoger in wanneer de verdachte zich (actief) binnen de drillrapscene begeeft. Groothoff, Bakker en Bosma (2022: 450) stellen dat de rechter andersom ook kan besluiten tot een minder ingrijpende straf wanneer de verdachte zich juist heeft afgekeerd van deze zelfde context. Zij noemen als voorbeeld een zaak waarin een verdachte van het medeplegen van poging tot
39
moord – in wat door de rechtbank wordt omschreven als “drillrap-gerelateerd geweld” – om deze reden geen jeugddetentie krijgt opgelegd. Al met al lijkt het strafrecht voldoende mogelijkheden te bieden om op te treden tegen de strafbare gedragingen die soms binnen drillrap aanwezig zijn. Concreet kunnen langs deze weg in ieder geval belediging, bedreiging, opruiing en verboden wapenbezit die zich binnen de teksten of videoclips van drillrap manifesteren worden aangepakt. Bovendien kan de context van drillrap door rechters worden meegewogen in het toesnijden van straffen en maatregelen. Aan dit laatste kleeft het gevaar dat de context van drillrap door rechters onvoldoende wordt begrepen en de betrokkenheid van jongeren bij deze scene mogelijk onnodig wordt gezien als iets dat de kans op recidive verhoogt en daarmee de strafmaat zou moeten beïnvloeden.
Social media en bestuursrecht Naast het strafrecht biedt mogelijk ook het bestuursrecht aanknopingspunten voor de aanpak van problematisch groepsgedrag waarbij social media een belangrijke rol spelen. Uit het onderzoek met de veelzeggende titel “Niet bevoegd, wel verantwoordelijk?” blijken gemeenten bij online aangejaagde ordeverstoringen door het ontbreken van formele bevoegdheden hiervoor met name gebruik te maken van de gebruikelijke (offline) interventies als een gesprek, het verwijzen naar de APV of het toepassen van een offline dwangsom6. Hoewel ook uit ander onderzoek van Bantema en collega’s (2018) blijkt dat burgemeesters online geen bevoegdheden kunnen gebruiken, experimenteren gemeenten de afgelopen jaren wel degelijk met bestuurlijke online maatregelen om openbare ordeverstoringen met een belangrijke digitale component te kunnen voorkomen. In het bijzonder hebben verschillende gemeenten de afgelopen jaren geëxperimenteerd met het digitale of online gebiedsverbod. Deze bestuurlijke maatregel heeft tot doel om opruiende content in het online domein een halt toe te roepen. Degene die ervan wordt verdacht online uitingen te hebben gedaan die zouden kunnen leiden tot verstoringen van de openbare orde, krijgen van de burgemeester een last onder dwangsom opgelegd.
Dit betekent dat als diegene zich in het vervolg niet onthoudt van het delen van opruiende online uitingen, hij of zij een dwangsom van € 2.500 dient te betalen. Deze last onder dwangsom is de afgelopen jaren een aantal keer opgelegd, bijvoorbeeld in Utrecht, Gouda en Haarlem. In dit laatste geval kreeg een jongeman – omdat hij weigerde zijn opruiende content te verwijderen – zelfs daadwerkelijk een dwangsom opgelegd. De bestuurlijke maatregel leidt tot veel discussie. Verschillende juristen spreken van “holle retoriek” en stellen dat het online gebiedsverbod juridisch onhoudbaar is. Het opleggen van het gebiedsverbod in Utrecht eind 2021 leidde zelfs tot kamervragen.
6
Het vermelden waard hierbij is een zaak waarin de Burgemeester besluit een woning te sluiten omdat er dreiging was “vanuit de drillrapscene”: de dochter van de eigenaar van de woning werd via social media bedreigd, waarbij ook haar foto en adres werden gedeeld. Bovendien werd online een beloning uitgeloofd om de dochter iets aan te doen. De betrokkenheid van de dochter (en met name haar vriend) bij de drillrapscene werden door de voorzieningenrechter meegewogen in de beoordeling van de ernst van de dreiging.
40
In een recent artikel van Buitenhuis (2022) worden de juridische mogelijkheden van een online gebiedsverbod verkend. De auteur stelt dat een lichte bevelsbevoegdheid, het noodbevel en de APV in potentie kunnen dienen als wettelijke grondslag voor een internetverbod, maar dat het daadwerkelijk opleggen hiervan in de praktijk ‘zeer lastig’ zal zijn (Buitenhuis, 2022: 238). De auteur acht het nuttig en wenselijk te onderzoeken of het internetverbod kan worden opgenomen in de gemeentelijke APV. In een artikel van Vuik en Bantema (2021) wordt aandacht besteed aan de vraag of een digitale versie van het fysieke gebiedsverbod kan bijdragen aan openbare ordeverstoringen die sterk worden aangejaagd vanuit de online wereld. In de conclusie laten de auteurs zich expliciet uit over het rivaliserende groepsgedrag dat in dit document centraal staat: “Een digitaal gebiedsverbod zou, complementair aan het strafrecht, een bijdrage kunnen leveren: bijvoorbeeld bij die groeperingen die elkaar via socialemediakanalen uitdagen door beledigende en dreigende teksten die kunnen leiden tot escalatie in de openbare ruimte.” (Vuik en Bantema, 2021: 107). Al met al lijkt een digitaal of online gebiedsverbod bruikbaar in de aanpak van rivaliserend groepsgedrag omdat aan de hand van deze bestuurlijke maatregel de escalatie van conflicten kan worden voorkomen.
Er zijn echter nog veel onduidelijkheden omtrent de maatregel en een juridische grondslag voor een online gebiedsverbod lijkt tot op dit moment te ontbreken.
Meldpunt Openbare Orde Content (MOOC) Het Meldpunt Openbare Orde Content (MOOC) is een ontwikkeling die het vermelden waard is in context van de thematiek rondom problematische groepsgedrag in het digitale tijdperk, met name waar het gaat om de rol van de overheid. Het MOOC betreft een meldpunt waar burgemeesters melding kunnen doen “om onrechtmatige of strafbare content op het internet, die een acuut gevaar oplevert voor de openbare orde, te laten verwijderen” (NL Confidential, 2021: 4). Met zogenoemde online aangejaagde openbare ordeverstoringen is nog maar weinig ervaring. Het MOOC zal in eerste instantie worden opgezet als een pilot, gefinancierd door het ministerie van Justitie en Veiligheid. Door
Confidential
NL
is
onderzocht
aan
welke
politiek-bestuurlijke,
juridische,
organisatorische, technische en financiële eisen het MOOC moet voldoen. De conclusie is dat er nadrukkelijk politiek-bestuurlijke behoefte is aan een dergelijk meldpunt, in het bijzonder omdat burgemeesters zich verantwoordelijk voelen op te treden tegen zogenaamde online aangejaagde verstoringen van de openbare orde – waar de problematiek rondom rivaliserende groepen op social media in sommige gevallen ook aan voldoet. Burgemeesters en gemeenten hebben, zo komt naar voren in het onderzoek van Confidential NL, geen of maar beperkte bevoegdheden om zelf op te treden tegen openbare ordeverstoringen die online worden aangejaagd. Uit het onderzoek wordt duidelijk dat burgemeesters behoefte hebben aan een 41
centrale partij met directe of nauwe contacten met platformen als Facebook en Google om content te melden die verwijderd moet worden. Met name snelheid is van eminent belang in dit geval: binnen 24 uur na de melding door de gemeente bij het MOOC, moet het verzoek worden beoordeeld en doorgegeven aan de social media platformen. Dit snelle handelingen vereist echter een duidelijk handelings- en toetsingskader. Uit het haalbaarheidsonderzoek van Confidential NL is eveneens gebleken dat het vraagstuk van strafbare of onrechtmatige content integraal benaderd moet worden. Het MOOC richt zich niet alleen op de verwijderverzoeken, maar verzamelt ook kennis en expertise. Hiermee voorziet het MOOC in een (bestuurlijke) behoefte. Het MOOC moet uitgroeien tot een kennisplatform dat advies geeft en handelingsperspectieven biedt en is daarom de moeite om in de gaten te houden.
Experiment preventieve interventie op social media Bovengenoemde juridische voorbeelden hebben in eerste instantie een meer repressieve insteek, ondanks het feit dat er van bepaalde interventiess ook een preventieve werking uit kan gaan. Een noemenswaardige interventie die volledig te typeren valt als een preventieve aanpak kan gevonden worden in het onderzoek van Schiks, Bekkers en Leukfeldt (2021). In opdracht van de gemeente Haarlem hebben zij via Instagram een preventieve interventie ontwikkeld gericht op zogenoemde ‘geldezels’: jongeren die hun bankpas tegen betaling afstaan aan anderen. Het achterliggende idee van deze interventie was dat er gebruik kan worden gemaakt van een vergelijkbare modus operandi waarmee jongeren op social media worden geronseld, maar dan om hen bewust te maken van de strafbaarheid van het gedrag en hen hulp en informatie te geven over het hebben van schulden (Schiks, Bekkers en Leukfeldt, 2021: 4). In het onderzoek is geëxperimenteerd met het plaatsen van drie soorten advertenties, in het bijzonder om te zien welke advertenties op Instagram het meeste effect zouden sorteren. Daarvoor is intensief samengewerkt met een marketingbureau dat gespecialiseerd is in het bereiken van jongeren. De onderzoekers hebben samen met het marketingbureau de vorm en inhoud van de advertenties samengesteld.
Uiteindelijk zijn de advertenties negen dagen online geweest en werden zij specifiek gericht op jongeren van 13 tot en met 24 jaar die gekoppeld konden worden aan postcodes van de gemeente Haarlem (Schiks, Bekkers en Leukfeldt, 2021: 5-7). Er kon in het onderzoek niet direct worden bepaald hoe groot het bereik van de advertenties was, maar door de onderzoekers wordt geconcludeerd dat het een relatief snelle en goedkope manier is om specifieke doelgroepen te bereiken. In het bijzonder illustreert de studie van Schiks, Bekkers en Leukfeldt (2021) dat social mediaplatformen – en in dit geval Instagram in het bijzonder – gebruikt kunnen worden om specifieke doelgroepen te bereiken, ook met het oog op bewustwording en preventie van criminaliteit. Ook voor de problematiek rondom 42
problematisch groepsgedrag in het digitale tijdperk biedt dit mogelijkheden, bijvoorbeeld door jongeren bewust te maken van de katalyserende werking van social media als het gaat om het delen van gewelddadige content. Belangrijk om te realiseren is dat het uitgevoerde experiment een pilot was, met specifiek als doel om te bepalen of en hoe een interventie op de juiste manier kan worden ingezet. De onderzoekers trekken de volgende lessen uit de pilot. Om allereerst iets te kunnen zeggen over het bereik en de impact van dergelijke interventies, is het belangrijk “dat er data beschikbaar is over individuele gebruikers, in de vorm van het unieke aantal weergaven en unieke aantal kliks. Deze unieke aantallen dienen uitgesplitst te zijn per advertentie” (Schiks, Bekkers en Leukfeldt, 2021: 11). Ten tweede beschrijven de onderzoekers dat Facebook de advertenties 3 keer heeft geblokkeerd en stellen zij dat het belangrijk is om de juiste mensen te betrekken bij het uitvoeren van een dergelijke interventie via specifieke social mediaplatformen. Ze noemen daarbij de politie of Facebook en Instagram (Schiks, Bekkers en Leukfeldt, 2021: 11).
Voor het ontwerp van de advertenties en de zogenaamde landingspagina’s – de pagina’s waar jongeren op terechtkomen als ze op de link in de advertentie drukken – geven de onderzoekers mee dat dit niet uitbesteed zou moeten worden aan een marketingbureau. Om de omstandigheden van het experiment gelijk te houden, zouden onderzoekers die een vergelijkbare interventie uitvoeren dit zelf moeten doen. Het compacte onderzoeksrapport met de werkwijze en de belangrijkste resultaten van deze interventie kan hier gevonden worden.
43
7.
OVERKOEPELENDE LESSEN
Aan het einde van dit rapport is het tijd om de balans op te maken. Wat zijn de overkoepelende lessen die kunnen worden getrokken uit de diverse good practices in dit inspiratiedocument?
Ga aan de slag Als een rode draad door de diverse beschrijvingen loopt dat deze good practices het product zijn van gemotiveerde professionals die naar aanleiding van een bepaalde vraag of behoefte aan de slag zijn gegaan. Dat is dan ook de eerste les: ga aan de slag. In het verlengde hiervan is het belangrijk om te benoemen dat dergelijke bottom-up initiatieven ook voldoende gefaciliteerd dienen te worden. Vertaald naar het onderwerp van dit onderzoek betekent dit dat wanneer er gemotiveerde professionals een suggestie of ambitie hebben om met het vraagstuk van problematisch groepsgedrag op social media aan de slag te gaan, dat zij binnen hun organisatie ook voldoende ruimte en middelen krijgen om dit op een veilige en verantwoorde manier te doen.
Bepaal een stip op de horizon Veel van de professionals die wij in het kader van dit onderzoek hebben geïnterviewd gaven aan dat hun interventies nadrukkelijk van tijdelijke aard zijn. Deze zijn bedoeld als vehikel, als breekijzer om iets te forceren, maar zullen uiteindelijk niet in deze vorm overeind blijven. Deze vehikels zijn belangrijk om social media op de agenda te krijgen en zouden in onze ogen daarom zo goed mogelijk moeten worden gefaciliteerd door de directies van de verschillende organisaties waarin deze ontstaan. De initiatieven zouden mensen op meer strategische posities binnen organisaties echter ook bewust moeten maken van de noodzaak na te denken over een passend vervolg en over een meer structurele inpassing van het online domein binnen de organisatie. Wat is er binnen vijf jaar binnen de gemeente of in de bredere integrale aanpak nodig om het online domein tot een volwaardig en bestendig onderdeel te maken? Wat betekent dit voor het selectiebeleid en de deskundigheidsbevordering van het personeel? In hoeverre zijn er specifieke functies – zoals de netwerkmakelaar – nodig binnen bepaalde organisaties? En wat betekenen de huidige ontwikkelingen onder jongeren ook meer in het algemeen voor de manier waarop de aanpak is georganiseerd?
Wees bewust van de wildgroei In het onderhavige onderzoek wordt zonneklaar dat er in Nederland reeds het nodige gebeurt op het gebied van initiatieven en aanpakken met betrekking tot problematisch groepsgedrag, het online domein, of een combinatie hiervan. Sterker nog, er lijkt sprake van een wildgroei van interventies en initiatieven die in sommige gevallen sterk op elkaar lijken. Bantema en collega’s (2021: 116) komen in hun onderzoek naar de black box van gemeentelijke online monitoring tot een vergelijkbare conclusie. Zij werpen de vraag op of gemeenten en politie 44
wel voldoende van elkaar leren en spreken het vermoeden uit dat dit te weinig gebeurt: er wordt veel dubbel werk verricht. Een vergelijkbare constatering lijkt van toepassing in het onderhavige onderzoek. De gemeenten uit dit onderzoek hoeven niet zelf het wiel volledig opnieuw uit te vinden, maar kunnen vooral ook veel leren van de good practices die in dit rapport de revue passeren. We spreken de hoop uit dat het onderhavige inspiratiedocument zal resulteren in meer uitwisseling en samenwerking. Daarvoor is met name ook coördinatie vereist, bijvoorbeeld in de vorm van mensen die binnen organisaties verantwoordelijk worden gemaakt voor het zicht houden op ontwikkelingen in het land rondom dit thema. Een goed startpunt hiervoor is het periodiek bekijken van het dossier op de website van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid.
Is het gras wel echt groener bij de buren? Aan het voorgaande kunnen twee specifiekere lessen worden gekoppeld. We hopen dat het lezen van de verschillende good practices in dit rapport niet resulteert in een gevoel dat anderen in het werkveld al een stuk verder zijn. Deze aanname blijkt vaak niet te kloppen en daarmee onnodig verlammend te werken. In sommige gevallen zijn andere partijen wellicht wel daadwerkelijk verder, maar dat zou niet noodzakelijkerwijs iets moeten zijn dat in de weg staat aan het aan de slag gaan in een bepaalde organisatie of gemeente. We hopen dat de per good practices beschreven lessen en werkzame bestanddelen tot gevolg hebben dat er optimaal geprofiteerd kan worden van de ervaringen van anderen. Een aandachtspunt dat op dit vlak op de loer ligt, is de reflex dat de context in een andere gemeente of deel van het land dermate anders is dat de besproken good practices voor een van de gemeenten in de regio Haaglanden niet van waarde zouden zijn. Dit rapport is nadrukkelijk bedoeld als inspiratiedocument; het is geen beschrijving van verschillende one-size-fits-all-interventies die zonder reflectie kunnen worden toegepast en overgenomen. Het zou professionals vooral inspiratie moeten geven en handvatten om zelf in de eigen lokale context (verder) aan de slag te gaan.
De problematiek in de lokale context kan verschillen, maar dat laat onverlet dat de werkzame bestanddelen die per good practice worden benoemd hun waarde (kunnen) hebben in andere organisaties en gemeenten.
Het loslaten van (en aanhaken bij) bestaande kaders Als het gaat om de aanpak van problematisch groepsgedrag in het digitale tijdperk dan vereist dit aan de ene kant dat overheidsorganisaties durven om hun bestaande kaders los te laten. In een van onze eerdere onderzoeken (Roks en Van den Broek, 2020: 140-141) benoemden wij drie van dergelijke bestaande kaders: de focus op groepen, het onderscheid tussen online en offline en de nadruk op het gebiedsgericht werken. Het laatstgenoemde kader was in het onderhavige onderzoek een uitdaging, omdat de gemeenten geconfronteerd worden met een fenomeen dat zich uitstrekt over meerdere gemeenten. Positief is dat de gemeenten in kwestie het door dit onderzoek heel nadrukkelijk hebben aangedurfd om dat kader los te laten en 45
intensief samen te werken. Dat is op zichzelf een bijzondere good practices die we niet onbenoemd wilden laten. We hopen dan ook dat deze samenwerking zich doorzet en de good practices in dit rapport kunnen helpen om de aanpak van problematisch groepsgedrag nader vorm te geven. Het aanpassen van de bestaande kaders om het hoofd te bieden aan de veranderende leef- en belevingswereld van jongeren is een proces dat niet van de ene op de andere dag is gerealiseerd. Toch lijken er wel degelijk mogelijkheden om ook in de tussentijd binnen de aanpak recht te doen aan de belangrijke plaats die de online wereld vandaag de dag inneemt in de levens van jonge mensen. Hiervoor kan het bestaande werkproces integrale aanpak problematische jeugdgroepen houvast bieden. Dit zogenoemde ‘zeven-stappen-model’ biedt verschillende mogelijkheden om de good practices uit dit rapport onder te brengen. Hoewel in onze ogen de volledige integratie van de online wereld binnen de aanpak van problematisch groepsgedrag meer fundamentele veranderingen vraagt, kunnen de interventies uit dit document in verschillende stappen van het werkproces ook los hiervan van meerwaarde zijn. De normale manier van werken gaat hierbij niet zozeer op de schop, maar wordt vooral verrijkt met informatie van social media en tools die inspelen op het online domein.
Zo zal bijvoorbeeld in stap 1 – bij het in beeld brengen van jeugdgroepen – meer digitale bekwaamheid onder professionals een beter beeld opleveren van de groep(en) en met name ook hun online activiteiten. De good practices over de kennis over online straat- en jeugdculturen kunnen bijdragen aan een betere duiding van de informatie die online verzameld wordt. Welke partner in de integrale aanpak verantwoordelijk is voor welk deel van de eerste stap zou in onderling overleg afgestemd moeten worden. De concrete tools die in hoofdstuk 6 van dit rapport aan bod komen kunnen in stap 5 en 6 de mogelijkheden binnen de aanpak verrijken. Zolang meer fundamentele veranderingen van de aanpak op zich laten wachten, kunnen initiatieven met betrekking tot het online domein via het 7-stappen-model op een natuurlijke manier worden geïntegreerd in de aanpak van problematisch groepsgedrag.
Het belang van vertrouwen tussen partners in de aanpak De resultaten uit het vooronderzoek wierpen de vraag op of is er voldoende vertrouwen is tussen de ketenpartners als het gaat om het delen van informatie. Op basis van dit onderzoek kan geconstateerd worden dat veel hangt op persoonlijke contacten tussen mensen uit verschillende organisaties die elkaar weten te vinden en elkaar vertrouwen. Het gaat hier om een thema waar niet direct een makkelijke oplossing voor te geven valt, maar dat vooral afhankelijk is van de communicatie tussen de ketenpartners. Wel laten de beschreven good practices zien dat het hebben van een gezamenlijk doel – op basis van oprecht ervaren urgentie om iets te veranderen of aan te pakken – een belangrijke bijdrage kan leveren aan het vergemakkelijken van het opbouwen van een vertrouwensrelatie tussen partners en het delen van informatie. Dit gezamenlijke doel wordt binnen het jeugdveiligheidsdomein vaak verondersteld (“we handelen allemaal in het belang van de jongere”), maar blijkt in de praktijk lang niet zo vanzelfsprekend. 46