RIS313994 Bijllage bij vraag 6
Tekst van het document
BIJLAGE
Onderwerp
Bijlage bij Antwoord van het college op de vragen van het raadslid mevrouw Gerritsen, luidend: 'Den Haag dreigt Natuurnetwerk Nederland gebied te verliezen'
Deze bijlage behoort bij het antwoord van vraag 6 bij het document: antwoord van het college op de vragen van het raadslid mevrouw Gerritsen, luidend: 'Den Haag dreigt Natuurnetwerk Nederland gebied te verliezen'. Deze bijlage is samengesteld uit de volgende rapporten: − − − −
Quickscan Boezemwatergang De Tweede Toevoer Den Haag, Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 1-11-2021. Tweede toevoer bergingsgebied Vlietzone Den Haag, Aanvullend onderzoek vleermuizen, Movares 25 juni 2020 - Versie 1.0. Memo Omwaaien boom met vleermuisverblijf 2 juli 2020, Movares, B85-FSC-KA-2000342. Aanvullend onderzoek vleermuizen, Tweede toevoer bergingsgebied Vlietzone Den Haag, oktober 2022, Tiko Seip Ecologisch Advies.
QUICKSCAN BOEZEMWATERGANG DE TWEEDE TOEVOER DEN HAAG
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 1-11-2021
VERANTWOORDING
Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:
Uitvoering: Adres:
Gemeente Den Haag Projectorganisatie Rotterdamsebaan Dhr. M. Hehenkamp Laan van Hoornwijck 80 2495 AK Den Haag 06-23025447 mattijs.hehenkamp@denhaag.nl
Tel: E-mail:
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 64 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com
Projectleider:
ing. M. Bouma
Auteur: Kwaliteitscontrole:
ing. M. Bouma ing. C.J.M. Groeneveld
Projectcode: Status: Datum:
DENA2109 Definitief 1-11-2021
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.
Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2
SAMENVATTING
De gemeente Den Haag is voornemens de aanleg van een tweede toevoer voor de waterberging Vlietzone uit te voeren. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. In het projectgebied kan de aanwezigheid van een jaarrond beschermd nest van de ransuil niet op voorhand worden uitgesloten. Het projectgebied biedt geschikt habitat voor verblijfplaatsen van boombewonende soorten vleermuizen alsook gebouwbewonende soorten. Het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen is reeds onderzocht. Er is één paarverblijfplaats aanwezig van de rosse vleermuis. Deze bevindt zich in een te behouden boom. Daarnaast is een tweede paarverblijfplaats vastgesteld in 2019, maar deze is verloren gegaan. In de te kappen bomen worden derhalve geen verblijfplaatsen van vleermuizen verwacht voor te komen. Het projectgebied maakt onderdeel uit van foerageergebied van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en de rosse vleermuis. Tevens is een vliegroute van deze soorten aanwezig boven de Kansjesmolensloot. In de bomen, struwelen, opstallen en in de watergangen kunnen algemene broedvogels in het broedseizoen tot broeden overgaan. Algemeen voorkomende soorten amfibieën, vissen en zoogdieren worden in het projectgebied verwacht voor te komen.
Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van nesten van de ransuil in de conifeerhaag. De geplande bomenkap en inrichting op het ten zuiden gelegen terrein heeft hier naar verwachting geen invloed op en kan reeds worden uitgevoerd. Indien een jaarrond beschermd nest van de ransuil aanwezig is en deze niet kan worden behouden is een ontheffing nodig van de Wet natuurbescherming. Hier kunnen voorwaarden aan zitten in de vorm van compenserende en mitigerende maatregelen zoals het werken buiten het broedseizoen en het aanbieden van alternatieve nesten. De werkzaamheden kunnen effecten hebben op een paarverblijfplaats van de rosse vleermuis en foeragerende en passerende vleermuizen. Het is aan te bevelen zorgplichtmaatregelen vast te leggen in een werkprotocol om een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Gelet op het voornemen en de afstand ten opzichte van de Natura2000-gebieden zijn directe effecten op Natura2000-gebied uitgesloten. Indirecte effecten op stikstofgevoelige habitats door de uitstoot van stikstof tijdens de realisatie of in de gebruiksfase worden niet verwacht. Er is geen sprake nieuwbouw. Het gebied blijft een gebied dat bestaat uit water en groen. Een verhoging van de stikstofemissie in de nieuwe situatie is derhalve niet aan de orde. Daarnaast treedt waarschijnlijk vanaf 1 juli 2021 de nieuwe stikstofwet in.
Met de wet kunnen projecten met alleen uitstoot in de realisatiefase vaker doorgaan, omdat geregeld is dat de realisatiefase (bouw-, aanleg- en sloopfase) wordt vrijgesteld van een stikstoftoets. Het projectgebied bevindt zich grotendeels in het NNN. Met de beoogde herinrichting zijn effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden niet op voorhand uit te sluiten. Het is aan te bevelen om contact op te nemen met de Provincie Zuid-Holland om de effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN door de herinrichting van het gebied te bespreken. Effecten op beschermde houtopstanden worden niet verwacht. De te kappen bomen bevinden zich binnen de door de gemeenteraad van Den Haag vastgestelde bebouwde kom.
3
INHOUDSOPGAVE
1 Inleiding............................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ...................................................................................................... 5 1.2.1 Gebiedsbescherming .................................................................................................................. 5 1.2.2 Soortbescherming ...................................................................................................................... 6 1.2.3 Houtopstanden ........................................................................................................................... 7 1.2.4 Ontheffing en gedragscode ........................................................................................................ 7 1.3 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 7 2 2.1 2.2
Projectgebied en ontwikkelingen .................................................................................................... 8 Projectgebied ................................................................................................................................. 8 Ontwikkelingen............................................................................................................................... 8
3 Soortbescherming .......................................................................................................................... 10 3.1 Bronnenonderzoek....................................................................................................................... 10 3.2 Habitatscan .................................................................................................................................. 10 3.2.1 Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................................... 10 3.2.2 Vleermuizen.............................................................................................................................. 11 3.2.3 Vogels ...................................................................................................................................... 14 3.2.4 Amfibieën.................................................................................................................................. 16 3.2.5 Reptielen .................................................................................................................................. 16 3.2.6 Vissen .......................................................................................................................................
16 3.2.7 Ongewervelden ........................................................................................................................ 16 3.2.8 Vaatplanten .............................................................................................................................. 16 3.2.9 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies .............................................................. 16 3.3 Effecten ........................................................................................................................................ 16 3.3.1 Effecten ontwikkelingen ............................................................................................................ 17 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming ....................................................... 18 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied ............................................................................... 18 3.4.2 Mitigerende maatregelen .......................................................................................................... 19 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming .......................................................................................... 19 4 Gebiedsbescherming .....................................................................................................................
20 4.1 Natura2000-gebieden .................................................................................................................. 20 4.1.1 effecten ..................................................................................................................................... 20 4.2 Overige NNN................................................................................................................................ 21 4.2.1 Effecten .................................................................................................................................... 21 5
Houtopstanden ............................................................................................................................... 22
6 6.1 6.2
Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................... 23 Conclusies ................................................................................................................................... 23 Aanbevelingen ............................................................................................................................. 23
7
Literatuur......................................................................................................................................... 24
Bijlage 1: Foto-impressie .......................................................................................................................... 25 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten ........................................................................................... 26
4
1
INLEIDING
1.1
AANLEIDING EN DOEL De gemeente Den Haag is voornemens de aanleg van een tweede toevoer voor de waterberging Vlietzone uit te voeren. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er voor zorg te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen.
1.2
NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1
GEBIEDSBESCHERMING
Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het ruimtelijke beleid voor de NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in de NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.
5
1.2.2
SOORTBESCHERMING
Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
6
1.2.3
HOUTOPSTANDEN
Houtopstanden De bepalingen voor wat betreft houtopstanden zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Hieronder zijn de meest relevante onderdelen uit dit hoofdstuk beschreven. De bepalingen in de Wet natuurbescherming kennen een aantal uitzonderingen. De belangrijkste uitzondering betreft dat de bepalingen geen betrekking hebben op houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor het kappen van bomen die wel onder houtopstanden Wnb vallen geldt een meldplicht bij Gedeputeerde Staten en een herplantplicht.
1.2.4
ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE
Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.
1.3
LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden. In hoofdstuk 5 worden de effecten op de onder de Wet natuurbescherming beschermde houtopstanden beschreven waarbij de eventueel te nemen vervolgstappen zijn weergegeven.
7
2
PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN
2.1
PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen aan de Jan Thijssenlaan 10 in de gemeente Den Haag in kilometerhok: X: 83 / Y: 452 (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.
Afbeelding 1: Ligging projectgebied
Het projectgebied bestaat uit voormalige tennisvelden en een bijhorende kantine in vervallen toestand. Aan de oostzijde zijn enkele opstallen aanwezig, waarvan één is voorzien van een pannendak. De overige opstallen zijn van hout gemaakt en worden gebruikt als paardenstal en geitenstal. Naast de stallen is een zandbak voor de paarden aanwezig. Centraal in het projectgebied bevindt zich een weide welke door de paarden wordt begraasd. Voor het grootste deel bestaat het projectgebied uit bos. Het betreft een relatief vochtig bos met soorten als gewone es, gewone esdoorn, grauwe abeel, schietwilg en zomereik. De ondergroei is grotendeels sterk verruigd met braam en brandnetel. Plaatselijk woekert reuzenberenklauw. De bosranden zijn plaatselijk bloemrijk met soorten als bosandoorn en grote kaardenbol. Rondom de verschillende kavels lopen watergangen. Aan de zuidwestzijde loopt een wandelpad, het Molenslootpad. Ten noordoosten van het projectgebied ligt Buitenplaats Vredenoord. Het betreft een Rijksmonument. De buitenplaats is rijk aan oude zomereiken. Ten zuidoosten van het projectgebied bevindt zich het Molenvlietpark. Een nieuw aangelegd park waar veel ruimte is voor water en bloeiende weides, oevers en bermen. Ten zuidwesten bevindt zich een bosrijk landgoed. Ten noordwesten bevindt zich de Jan Thijssenweg welke langs de Zuidvliet loopt.
In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.
2.2
ONTWIKKELINGEN In het projectgebied staat de aanleg van een tweede toevoer voor de waterberging Vlietzone gepland. De perceeleigenaar is voornemens om aansluitend op de aanleg van de waterstaatswerken het gebied in te richten als een landgoed, waarbij ook nieuwbouw wordt gerealiseerd. Hierbij wordt het projectgebied grotendeels heringericht. Alle aanwezige opstallen komen te vervallen met het oog op de herinrichting tot een landgoed. Daarnaast wordt een aanzienlijk deel van de bomen gekapt en worden watergangen vergraven voor de aanleg van de tweede toevoer. De bomen tussen het Molenslootpad en de Kansjesmolenslootpad blijven grotendeels behouden (zie afbeelding 4). Op afbeelding 3 is de geplande aanleg van de tweede toevoer globaal weergegeven. Een definitief ontwerp van de nieuwbouw is niet voorhanden.
8
Afbeelding 3: Geplande ontwikkeling (Memo bomenkap tweede toevoer bergingsgebied Molenvlietpark, versie 8.0, 25 augustus 2020)
Afbeelding 4: Te handhaven bomen
9
3
SOORTBESCHERMING
3.1
BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. Naast de bronnen met verspreidingsgegevens zijn rapportages van eerder uitgevoerd ecologisch onderzoek in het projectgebied geraadpleegd. Het betreft de volgende documenten: • • • • • • •
Movares 2015. Nieuw Vredenoord; Quickscan ecologie. Effecten op beschermde soorten en gebieden. 17 november 2015 – Versie 4.0. Movares 2018. Nieuw Vredenoord; Update quickscan ecologie. Effecten op beschermde soorten en gebieden. 12 april 2018 Versie 1.0. Movares 2018. Tweede toevoer bergingsgebied Vlietzone Den Haag. Aanvullende onderzoek vleermuizen. 24 september 2018 – Versie 1.0. Movares 2019. Tweede toevoer bergingsgebied Vlietzone Den Haag. Aanvullende onderzoek vleermuizen. 25 juni 2020 – Versie 1.0. Movares 2020. Nader onderzoek vleermuizen Vlietzone. Aanvullend ecologische onderzoek tweetal te slopen gebouwen. 12 oktober 2020 – Versie 1.0. Movares 2020. Memo omwaaien boom met vleermuisverblijf. 2 juli 2020. Omgevingsdienst Haaglanden, 2020. Verklaring van geen bedenkingen. ODH-2020-00080110.
In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen. Voor de provincie Zuid-Holland zijn middels artikel 8.1 van de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten.
3.2
HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen, de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten en het eerder uitgevoerde onderzoek. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 16 juni 2021 en is uitgevoerd door ing. M. Bouma bij droog weer met een temperatuur van 25°C en een windkracht 2Bft. 3.2.1
GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN
In de omgeving van het projectgebied is de boommarter bekend voor te komen. Deze soort is gebonden aan gebieden met aaneengesloten bos. Het projectgebied biedt geschikt habitat voor vast rust- en verblijfplaatsen van de boommarter. In 2018 is de boommarter niet beoordeeld in de quickscan van Movares. Dit is te verklaren doordat de meeste waarnemingen van boommarter in de omgeving van het projectgebied van na 2018 zijn. De boommarter maakt naast holtes in bomen ook gebruik van ondergrondse holen. Het projectgebied biedt meerdere geschikte holtes in bomen waar de boommarter gebruik van kan maken. Tevens sluit het habitat aan op de
10
wensen van foerageergebied van de boommarter. Het voorkomen van de boommarter kan derhalve niet op voorhand worden uitgesloten. De eekhoorn is in de omgeving van het projectgebied bekend voor te komen, maar deze wordt niet verwacht voor te komen in het projectgebied. Nesten of vraatsporen van de eekhoorn zijn niet waargenomen. De verspreiding van de eekhoorn is in de gemeente Den Haag en de gemeente Rijswijk goed in beeld. De soort is daarnaast niet waargenomen tijdens de habitatscan en ook niet bij de eerder uitgevoerde quickscans van Movares en de aanvullende onderzoeken die in 2018 en 2019 door Movares zijn uitgevoerd. Het projectgebied biedt geschikt habitat voor algemeen voorkomende zoogdieren zoals de bosmuis, bunzing, egel, huisspitsmuis, konijn, mol, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en de woelrat.
3.2.2
VLEERMUIZEN
De bebouwing en de bomen in het projectgebied bieden mogelijkheden voor verblijfplaatsen van beschermde vleermuizen. In 2018 en 2019 is uitgebreid onderzoek gedaan naar het voorkomen van vleermuizen in het projectgebied. In maart 2018 is het projectgebied onderzocht op de aanwezigheid van geschikte locaties voor mogelijke verblijfplaatsen van boombewonende soorten vleermuizen. In het najaar van 2018 zijn deze bomen nogmaals geïnspecteerd op de aanwezigheid van geschikte holten, spleten, boomoksels, takwonden, holle takken, gleuven en loshangend schors die als verblijfplaats kunnen worden gebruikt. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd in de periode dat er geen bladeren aan de bomen zitten (maart en najaar). Hierdoor konden de bomen goed onderzocht worden op aanwezige potentiële verblijfplaatsen. In 2018 is het gebied onderzocht met behulp van boomklimmers die waargenomen holtes hebben onderzocht op geschiktheid voor vleermuizen en de aanwezigheid van vleermuizen. Hierbij zijn geen vleermuizen waargenomen. Bij de habitatscan zijn in meerdere bomen holtes waargenomen. Het betreft bekende holtes (afbeelding 5) die bij eerdere inventarisaties in kaart zijn gebracht, maar ook nieuwe holtes die mogelijk nog niet zijn opgemerkt (afbeelding 6), of zijn ontstaan na de eerder uitgevoerde inventarisaties.
De holtes bevinden zich wel binnen de onderzoeksgrenzen van het eerder uitgevoerde batdetectoronderzoek. Daarnaast zijn er een groot aantal vleermuiskasten waargenomen, waarvan het grootste deel langs het Molenslootpad zijn geplaatst aan bomen. Op afbeelding 8 zijn de waargenomen holtes en vleermuiskasten op kaart weergegeven. In 2019 zijn met batdetectoronderzoek twee paarverblijfplaatsen van de rosse vleermuis waargenomen. Een daarvan bevindt zich in een te kappen boom. Het betreft boom met kenmerk G32 (afbeelding 7). De andere bevindt zich in een te behouden boom. Bij een controle in 2020 is bij boom G32 geconstateerd dat deze is afgebroken en dat de verblijfplaats verloren is gegaan. Hierbij is aangegeven dat er geen verblijfplaats meer in deze boom aanwezig is.
Afbeelding 5: Holte (paarverblijfplaats rosse vleermuis)
Afbeelding 6: Holte
11
Afbeelding 7: Verblijfplaatsen uit onderzoek 2018 (Movares, 2020)
In het projectgebied zijn meerdere vleermuiskasten aangetroffen. Op afbeelding 8 is te zien dat de twee noordwestelijk gelegen vleermuiskasten aan het Molenslootpad aan bomen zijn geplaatst die volgens afbeelding 7 worden verwijderd. In de vleermuiskasten zijn geen vleermuizen waargenomen tijdens de habitatscan.
12
Afbeelding 8: Holtes en vleermuiskasten
Afbeelding 9: Keutels huismuis in kantine
Afbeelding 10: Zolder geschikt voor gewone grootoorvleermuis
13
Afbeelding 11: Opstal met houten betimmering
Afbeelding 12: Opstal met houten betimmering
De bebouwing in het projectgebied is geschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Sporen en individuen van vleermuizen zijn niet waargenomen in de opstallen. Wel zijn er keutels van de huismuis waargenomen (afbeelding 9). De stallen waar de dieren in zijn ondergebracht zijn geschikt voor zomer- en paarverblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten. In tegenstelling tot het oordeel van Movares kunnen vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis wegkruipen achter houtbetimmeringen en houten plaatmateriaal en daar verblijfplaatsen hebben (zie afbeelding 11 en 12). In de kantine en het gebouw met het pannen dak kunnen naast paar- en zomerverblijfplaatsen ook kraamverblijfplaatsen niet worden uitgesloten voor te komen. Met name de bebouwing met het pannendak leent zich voor verblijfplaatsen van de gewone grootoorvleermuis (afbeelding 10). De bebouwing is in 2020 door Movares onderzocht op het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen 1. Het betreft batdetector onderzoek dat is uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2017 2. Bij het onderzoek zijn geen beschermde functies waargenomen in de onderzochte bebouwing. Deze worden derhalve niet verwacht voor te komen. De stallen van de dieren lagen niet binnen de onderzoeksgrenzen en zijn zoals aangegeven wel potentieel geschikt voor paar- en zomerverblijfplaatsen.
De stallen bevinden zich vlakbij het pand met het pannendak dat wel is onderzocht waardoor het niet waarschijnlijk is dat verblijfplaatsen zijn gemist. Bij het onderzoek zijn er in de avonduren geen vleermuizen waargenomen vanaf de stallen en bij ochtendrondes zijn er geen zwermende dieren waargenomen bij de stallen (mond. mededeling dhr. T. Seip). Bij de habitatscan zijn de houtbetimmeringen onderzocht op sporen en individuen van vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen. Er worden derhalve geen verblijfplaatsen van vleermuizen in de stallen verwacht. Het projectgebied biedt foerageergelegenheid voor vleermuizen. De watergangen en het bos bieden foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. De door bos omgeven weide biedt specifiek voor de rosse vleermuis en de laatvlieger geschikt foerageergebied. Vliegroutes kunnen verwacht worden boven de Kansjesmolensloot. Tijdens in 2019 door Movares uitgevoerd onderzoek naar vleermuizen zijn hier de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en de ruige dwergvleermuis op vliegroute waargenomen. De watervleermuis en de gewone grootoorvleermuis zijn niet waargenomen. Ter hoogte van het Molenslootpad zijn grote aantallen foeragerende vleermuizen aangetroffen wat impliceert dat dit belangrijk foerageergebied is.
Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied wordt dit in het rapport niet als essentieel foerageergebied beoordeeld. In de nieuwe situatie komt er ook weer foerageergebied voor vleermuizen terug in de vorm van water, natuurvriendelijke oevers en bomen.
3.2.3
VOGELS
In het projectgebied zijn geen nesten waargenomen die in potentie gebruikt kunnen worden door een vogel waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd. Hierbij dient de kanttekening te worden geplaatst dat de bomen slecht waren te overzien. Er zijn tijdens de habitatscan geen waarnemingen gedaan van roofvogels als de buizerd, havik of de sperwer. In het ten zuidwesten gelegen landgoed aan de overzijde van de Kansjesmolensloot is een groot nest waargenomen (afbeelding 13). Hier is een kleine kolonie van de blauwe reiger aanwezig. De nesten van de blauwe reiger zullen derhalve niet zomaar door een buizerd of havik in gebruik worden genomen, maar het is wel bekend van de buizerd dat deze gebruik kan maken van oude nesten van de blauwe reiger. In de 1 Movares 2020. Nader onderzoek vleermuizen Vlietzone. Aanvullend ecologische onderzoek tweetal te slopen gebouwen. 12 oktober 2020 – Versie 1.0 2
Vleermuisprotocol 2017, Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging (2017).
14
landgoederen naast het projectgebied kunnen mogelijk nesten aanwezig zijn van de boomvalk, buizerd, havik en de sperwer. Dit is niet onderzocht in het verleden. Tevens is het gebruik van het projectgebied als foerageergebied door deze soorten niet onderzocht. Gelet op de aanwezigheid van zeer veel foerageergebied in de directe omgeving in de vorm van landgoedbos, golfbanen en bermen langs de rijksweg A4 worden geen essentiële onderdelen van functioneel leefgebied van deze soorten verwacht in het projectgebied. De kantine en het huis met het pannendak zijn ongeschikt voor vogels met jaarrond beschermde nesten. Het huis met het pannendak (afbeelding 14) is overgroeid met bomen waardoor ruimtes onder het pannendak niet te bereiken zijn voor de gierzwaluw. Ook voor de huismus biedt het pand geen geschikte nestlocaties die vrij zijn van predatie. De stallen bieden plaatselijk wel ruimtes voor de huismus om tot broeden te komen, maar het aanbod is vrij beperkt. De huismus is bij de habitatscan niet waargenomen. Tevens wordt hier geen melding van gemaakt in de eerdere onderzoeken van Movares. Het is derhalve niet te verwachten dat de huismus in het projectgebied broedt.
Afbeelding 13: Reigerkolonie buiten projectgrens
Afbeelding 14: Bebouwing niet geschikt voor gierzwaluw en huismus
Langs de sloot parallel aan het pad tussen de kantine en de overige opstallen is een zeer grote conifeerhaag aanwezig (afbeelding 15). Deze is niet geheel te overzien en biedt, zeker in combinatie met de naastgelegen weide en de open ruimtes rond de opstallen geschikt broedbiotoop voor de ransuil. Er zijn geen sporen waargenomen zoals braakballen die hierop wijzen. Er heeft in het verleden geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar het voorkomen van de ransuil in het projectgebied in de broedperiode van de ransuil. Het op voorhand uitsluiten van nesten van de ransuil in deze conifeerhaag is derhalve niet mogelijk.
Afbeelding: 15: Conifeerhaag geschikt voor ransuil
Soorten van categorie 5 van de aangepaste lijst van vogels met jaarrond beschermde nesten die mogelijk kunnen voorkomen in het projectgebied zijn de boomklever, boomkruiper, groene specht, grote bonte specht, koolmees, pimpelmees en de spreeuw. Nesten van de ekster zijn niet waargenomen. Van de te verwachten soorten heeft alleen de spreeuw een matig ongunstige staat van instandhouding (SOVON, 2021). Of de soort broedt in het projectgebied en met hoeveel nesten is onbekend. In de rapportage van Movares wordt de soort niet specifiek benoemd met een broedgeval. Wel wordt van de halsbandparkiet gemeld dat deze gebruik maakt van de aanwezige boomholtes. Dit is een holenbroeder en daarmee een directe concurrent van de spreeuw voor wat betreft de aanwezig nestholtes. 15
3.2.4
AMFIBIEËN
De Alpenwatersalamander is bekend uit de omgeving van het projectgebied. De natuurlijke verspreiding van deze soort reikt van Zuid-Limburg tot Noord-Brabant. Ook de vuursalamander komt van nature niet in de omgeving van het projectgebied voor. In de omgeving van het projectgebied betreft het uitgezette populaties die zichzelf weten te handhaven. De soorten zijn in de regio rond Den Haag niet strikt beschermd. Ook ontbreken deze soorten op de lijst 3 met beschermde soorten in Zuid-Holland, opgesteld door de Omgevingsdienst Haaglanden. Algemene soorten als de bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en de meerkikker kunnen mogelijk voorkomen in het projectgebied.
3.2.5
REPTIELEN
In de omgeving van het projectgebied zijn geen beschermde reptielen bekend voor te komen. Deze worden ook niet verwacht in het projectgebied voor te komen.
3.2.6
VISSEN
In de omgeving van het projectgebied zijn geen beschermde soorten vissen bekend voor te komen. De watergangen in het projectgebied bieden geen geschikt habitat voor beschermde soorten vissen. Beschermde vissen worden derhalve niet verwacht voor te komen in het projectgebied.
3.2.7
ONGEWERVELDEN
Het projectgebied biedt geen geschikt habitat voor beschermde ongewervelden anders dan de grote vos. Deze soort wordt sporadisch aangetroffen in Zuid-Holland maar er zijn nog geen vaste populaties bekend. De soort is voor de voortplanting gebonden aan bomen als iep, zoete kers en enkele wilgen. De soort wordt op basis van verspreiding en de minimale aanwezigheid van geschikte waardplanten niet verwacht in het projectgebied.
3.2.8
VAATPLANTEN
Het projectgebied bestaat uit vochtig loofbos met enkele bloemrijke bosranden. De oevers bij het Molenvlietpark bieden geschikt habitat voor wat meer bijzondere soorten. Beschermde soorten als de bokkenorchis zouden zich hier op den duur mogelijk kunnen vestigen. De soort is tijdens de habitatscan niet waargenomen en wordt nu niet verwacht voor te komen. Overige soorten beschermde vaatplanten worden tevens niet verwacht voor te komen. Het projectgebied betreft hoofdzakelijk een vochtig voedselrijk bos met een zeer ruige ondergroei.
3.2.9
MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES
Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep
Functies
Bescherming Wnb
(Mogelijk) aanwezig in:
Broedvogels
Nesten
Artikel 3.1 (VR)
Struweel en bomen
Ransuil
Nesten
Artikel 3.1 (VR)
Conifeerhaag
Vleermuizen
Paarverblijfplaats
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)
In wilg
Foerageergebied
Boven water, weide en in het bos
Vliegroutes
Boven Kansjesmolensloot
3.3
EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn.
3 https://omgevingsdiensthaaglanden.nl/files/wnb/Indicatieve-lijst%20beschermde%20soorten%20Wnb.pdf
16
3.3.1
EFFECTEN ONTWIKKELINGEN
De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Geen effecten De vliegroute van vleermuizen die, op basis van het onderzoek van Movares uit 2019, wordt gebruikt door de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en de ruige dwergvleermuis blijft behouden. De bomenrij langs het water, evenals de watergang zelf blijven behouden. Een beschutte donkere vliegroute blijft hierdoor aanwezig. Effecten op de vliegroute worden niet verwacht, mits rekening wordt gehouden met verlichting tijdens en na de realisatie. De watergang dient hierbij niet te worden verlicht. De huidige lichtniveaus mogen niet worden overschreden. In het noordoostelijke deel van het gebied, waar geen bomen worden gekapt voor de aanleg van waterstaatswerken, staat een wilg met een verblijfplaats van de rosse vleermuis. Deze holte was bij de habitatscan van 16 juni 2021 nog aanwezig. De boomholte wordt niet aangetast door de werkzaamheden, maar het gebied erom heen wordt grootschalig heringericht. De Omgevingsdienst Haaglanden heeft middels een verklaring van geen bedenkingen uitgesproken dat verblijfplaatsen van de rosse vleermuis niet aanwezig zijn en dat een overtreding van de Wet natuurbescherming niet aan de orde is. Wel geven ze aan dat bij nieuwe inzichten een nieuwe verklaring noodzakelijk is.
Er zijn geen nieuwe inzichten ten opzichte van de eerder aangeleverd informatie. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd in 2019. Vleermuisonderzoek is in de regel drie jaar geldig tenzij er veranderingen in de omgeving hebben plaatsgevonden die aanleiding kunnen geven om deze periode te verkorten. Een aanleiding zou het afbreken van de boom met de holte kunnen zijn, waardoor de rosse vleermuis naar een andere locatie in het projectgebied is verhuisd. De omgevingsdienst heeft dit al meegenomen bij het besluit en het niet als aanleiding gezien om tot een ander besluit te komen. Derhalve is het besluit van de Omgevingsdienst Haaglanden leidend in het oordeel dat er geen effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen zijn te verwachten binnen de begrenzing van het projectgebied. Tijdelijke effecten In het rapport van het aanvullend vleermuisonderzoek uit 2019 4 van Movares wordt beoordeeld dat er geen sprake is van effecten op essentieel foerageergebied. Wel wordt er gesproken over een groot aantal foeragerende vleermuizen boven het Molenslootpad. Er wordt een aanzienlijk deel van de bomen gekapt naast het Molenslootpad. Bomen die voorzien in de aanwezigheid van insecten en luwtes waardoor hier waarschijnlijk zoveel vleermuizen foerageren.
Door aan één zijde van het Molenslootpad alle bomen te verwijderen is het niet uit te sluiten dat dit tijdelijk negatieve effecten heeft op het aanwezige foerageergebied en hieraan verbonden vaste rust- en verblijfplaatsen en lokale populaties vleermuizen. De naastgelegen watergang en een rij bomen hiernaast blijven wel behouden. Omdat er weer bomen worden aangeplant en water met natuurvriendelijke oevers worden gerealiseerd, zal het effect van tijdelijk aard zijn en niet significant. Er is immers geen essentieel foerageergebied in het projectgebied aanwezig. Gelet op het besluit van ODH 5 wordt een overtreding door het bevoegd gezag niet verwacht ten aanzien van vleermuizen. Indien tijdens de werkzaamheden geen nesten van de te verwachten broedvogels uit categorie 5 van de aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten worden vernield, worden enkel tijdelijke effecten op deze soorten verwacht. De staat van instandhouding van deze soorten is gunstig (SOVON.nl) en / of deze hebben voldoende uitwijkmogelijkheden. Zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden ontbreken om de nesten van deze soorten een jaarronde bescherming te geven. De nesten van deze soorten zijn derhalve niet jaarrond beschermd, maar alleen beschermd indien de nesten in gebruik zijn.
Bij het kappen van de boom met, of bomen rondom de paarverblijfplaats van de rosse vleermuis kunnen individuen van de rosse vleermuis worden verstoord.
4
Movares 2019. Tweede toevoer bergingsgebied Vlietzone Den Haag. Aanvullende onderzoek vleermuizen. 25 juni 2020 –
Versie 1.0. 5 Omgevingsdienst Haaglanden. Verklaring van geen bedenkingen. ODH-2020-00080110
17
Bij het gebruik van nachtelijke verlichting tijdens de realisatiefase kunnen foeragerende en passerende vleermuizen tijdelijk worden verstoord. Tevens kunnen verblijfplaatsen tijdelijk in onbruik raken door het aanlichten van de boomholtes of de directe omgeving. Permanente effecten Bij de werkzaamheden kunnen nesten van algemene broedvogels worden beschadigd en vernield, individuen kunnen worden gedood. Bij de werkzaamheden kunnen jaarrond beschermde nesten van de ransuil worden beschadigd en vernield. Individuen kunnen worden gedood. Bij het kappen van de boom met de paarverblijfplaats van de rosse vleermuis wordt de verblijfplaats vernield en kunnen individuen worden gedood. Bij het plaatsen van verlichting langs de Kansjesmolensloot welke uitstraalt op het water of het naastgelegen groen kunnen vliegroutes van vleermuizen worden beschadigd en foerageergebied worden aangetast. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden kunnen algemene amfibieën, vissen en zoogdieren worden gedood. Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep
Effect
Verbodsbepaling
Broedvogels
Opzettelijk doden
Artikel 3.1 (VR) Lid 1
Opzettelijk vernielen / beschadigen nest
Artikel 3.1 (VR) Lid 2
Opzettelijk verstoren
Artikel 3.1 (VR) Lid 4
Opzettelijk doden
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1
Opzettelijk verstoren
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2
Vleermuizen
Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4
Algemene
Opzettelijk doden
Artikel 3.10 Lid 1, a
amfibieën, vissen en
Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats
Artikel 3.10 Lid 1, b
zoogdieren
3.4
AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE WET NATUURBESCHERMING
3.4.1
AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED
In het projectgebied komen mogelijk beschermde functies van broedvogels met jaarrond beschermde nesten voor. Of en waar deze aanwezig zijn is nog onbekend. Om hier inzicht in te krijgen is aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van de ransuil noodzakelijk. Er heeft reeds vleermuisonderzoek plaatsgevonden in 2019 en 2020. Het onderzoek is conform het Vleermuisprotocol 2017 uitgevoerd en is derhalve juridisch en ecologisch gezien goed uitgevoerd. Daarnaast is een Verklaring van geen bedenkingen afgegeven waarin een overtreding wordt uitgesloten. Hierbij dient de wilg met de paarverblijfplaats wel te worden behouden. In tabel 3 zijn de uitgevoerde onderzoeken en nog uit te voeren onderzoeken weergegeven. Tabel 3: Uitgevoerd en uit te voeren onderzoek Onderzoek
Jaar
Advies
Holtes onderzocht met
2018
Verjaard eind 2021, maar er heeft ook detectoronderzoek plaatsgevonden.
2019
Het is aan te bevelen nader onderzoek naar de aanwezigheid van nesten van de
klimmers Jaarrond
beschermde
nesten Vleermuisonderzoek
ransuil uit te voeren in de conifeerhaag. 2019
Verjaard eind 2022, werkzaamheden dienen hiervoor te zijn gestart of het
2020
Geen
bomen Vleermuisonderzoek
onderzoek dient te worden ge-update.
opstallen
18
3.4.2
MITIGERENDE MAATREGELEN
Om overtreding op de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen de volgende maatregelen te worden genomen. -
De ransuil komt mogelijk voor in het projectgebied. Na aanvullend onderzoek dienen mogelijk mitigerende maatregelen te worden getroffen indien de soort aanwezig blijkt.
-
De boom, evenals de directe omgeving van de paarverblijfplaats van de rosse vleermuis in de wilg dient niet te worden aangetast.
-
Er zijn vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen aanwezig binnen het projectgebied. Het is noodzakelijk nachtelijke verlichting tot een minimum te beperken en uitstraling richting de watergangen en opgaand groen geheel te voorkomen in de periode april t/m oktober.
-
Tijdens de kap van bomen is het wenselijk vanuit de zorgplicht om een ecoloog de bomen te laten controleren na het omhalen. Hoewel uit de onderzoeken geen verblijfplaatsen in de bomen zijn waargenomen, kan door zorgvuldigheid schade aan soorten worden voorkomen indien deze toch aanwezig blijken.
-
Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zullen bomen en struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart - 15 juli) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen.
-
Het verwijderen van groen dient in een rustig tempo, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten.
3.4.3
ONTHEFFING WET NATUURBESCHERMING
De noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming kan op voorhand niet worden uitgesloten. Uit aanvullend onderzoek naar de ransuil zal moeten blijken of er beschermde functies of dieren in het projectgebied voorkomen en welke negatieve effecten met de werkzaamheden mogelijk gepaard gaan. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor beschermde soorten en verstoring niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Hier kunnen voorwaarden in de vorm van mitigerende maatregelen aan verbonden zijn.
19
4
GEBIEDSBESCHERMING
4.1
NATURA2000-GEBIEDEN Binnen het projectgebied zijn geen beschermde natura2000- gebieden aanwezig (afbeelding 16). De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden liggen op circa 6,1 kilometer van het projectgebied. Het betreft Meijendel & Berkheide en Westduinpark & Wapenveld.
Afbeelding 16: Projectgebied ten opzichte van Natura2000-gebied (pzh.maps.arcgis.com)
4.1.1
EFFECTEN
Gelet op het voornemen en de afstand ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn directe effecten op Natura2000-gebieden uitgesloten voor wat betreft de uitvoering van de waterstaatswerken. Indirecte effecten op stikstofgevoelige habitats door de uitstoot van stikstof bij tijdens de realisatie of in de gebruiksfase worden niet verwacht. Vanaf 1 juli 2021 is de nieuwe Wet stikstofreductie en natuurverbetering ingetreden. De wet maakt een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk van de natuurvergunningplicht met betrekking tot stikstof. De vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten waarvan de emissies tijdelijk en beperkt zijn. In de nieuwe situatie wordt er woningbouw gerealiseerd. In de gebruiksfase kan hierdoor een verhoging van de stikstofemissie worden verwacht ten opzichte van de huidige situatie. Dit kan indirect leiden tot effecten op stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden Meijendel & Berkheide en Westduinpark & Wapenveld.
20
4.2
OVERIGE NNN Het projectgebied ligt m.u.v. de noordoever van het Molenvlietpark volledig in het NNN (zie afbeelding 17).
Afbeelding 17: NNN t.o.v. het projectgebied
Haagbeuken- en essenbos Kruiden- en faunarijk grasland Afbeelding 18: Wezenlijke kenmerken en waarden
4.2.1
EFFECTEN
Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. De bescherming van deze waarden vindt plaats door toepassing van een specifiek afwegingskader: het zogenaamde 'nee, tenzij'-regime. Dat betekent dat nieuwe plannen en projecten niet zijn toegestaan als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN zijn gekoppeld aan de natuurdoelen voor een gebied. Deze zijn te vinden in het 'Natuurbeheerplan Zuid-Holland'. Voor het projectgebied betreft het N14.03 Haagbeuken- en essenbos en N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Gelet op de grootschalige werkzaamheden waarbij het gebied een ander karakter krijgt, met meer ruimte voor water en minder bos en ruimte voor kruiden- en faunarijk grasland zijn effecten op de wezenlijk kenmerken en waarden niet op voorhand uit te sluiten. Het aandeel aan Haagbeuken-essenbos en het aandeel Kruiden-en faunarijk grasland nemen beiden in omvang af.
Hierover vindt overleg met provincie Zuid-Holland plaats, waarbij ook de ontwikkeling van het landgoed wordt meegenomen. 21
5
HOUTOPSTANDEN
De bomen in het projectgebied vallen binnen de door de gemeenteraad van Den Haag vastgestelde bebouwde kom (zie afbeelding 19). De bepalingen ten aanzien van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming zijn dan ook niet van toepassing voor het kappen van de bomen.
Afbeelding 19: Bebouwde kom grens in het kader van de Wnb (geo.ozhz.nl, 2021)
22
6
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
6.1
CONCLUSIES In het projectgebied kan de aanwezigheid van een jaarrond beschermd nest van de ransuil niet op voorhand worden uitgesloten. Het projectgebied biedt geschikt habitat voor verblijfplaatsen van boombewonende soorten vleermuizen alsook gebouwbewonende soorten. Het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen is reeds onderzocht. Er is één paarverblijfplaats aanwezig van de rosse vleermuis. Deze bevindt zich in een te behouden boom. Daarnaast is een tweede paarverblijfplaats vastgesteld in 2019, maar deze is verloren gegaan. In de te kappen bomen worden derhalve geen verblijfplaatsen van vleermuizen verwacht voor te komen. Het projectgebied maakt onderdeel uit van foerageergebied van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en de rosse vleermuis. Het betreft geen essentieel foerageergebied. Tevens is een niet essentiële vliegroute van deze soorten aanwezig boven de Kansjesmolensloot. In de bomen, struwelen, opstallen en in de watergangen kunnen algemene broedvogels in het broedseizoen tot broeden overgaan. Algemeen voorkomende soorten amfibieën, vissen en zoogdieren worden in het projectgebied verwacht voor te komen. Gelet op het voornemen en de afstand ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn directe effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten.
Indirecte effecten op stikstofgevoelige habitats door de uitstoot van stikstof tijdens de realisatie of in de gebruiksfase worden niet verwacht voor wat betreft de waterstaatswerken. Bij nieuwbouw kunnen indirecte effecten niet op voorhand worden uitgesloten. Het projectgebied bevindt zich grotendeels in het NNN. Met de beoogde herinrichting zijn effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden niet op voorhand uit te sluiten. De bepalingen uit de Wet natuurbescherming met betrekking tot houtopstanden zijn niet van toepassing. De te kappen bomen bevinden zich binnen de door de gemeenteraad van Den Haag vastgestelde bebouwde kom.
6.2
AANBEVELINGEN Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van nesten van de ransuil in de conifeerhaag. De geplande bomenkap en inrichting op het ten zuiden gelegen terrein heeft hier naar verwachting geen invloed op en kan reeds worden uitgevoerd. In tabel 4 zijn de uit te voeren onderzoeken en onderzoeksperiodes weergegeven. Indien een jaarrond beschermd nest van de ransuil aanwezig is en deze niet kan worden behouden is een ontheffing nodig van de Wet natuurbescherming. Hier kunnen voorwaarden aan zitten in de vorm van compenserende en mitigerende maatregelen zoals het werken buiten het broedseizoen en het aanbieden van alternatieve nesten. Tabel 4: Te verwachten beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep
Aanvullend onderzoek
Onderzoeksperiode
Algemene broedvogels
Nesten, indien niet buiten het broedseizoen
Binnen de periode 1 maart t/m 15 juli
gewerkt wordt Ransuil
Nesten
Maart t/m juni
De werkzaamheden kunnen effecten hebben op een paarverblijfplaats van de rosse vleermuis en foeragerende en passerende vleermuizen. Het is aan te bevelen zorgplichtmaatregelen vast te leggen in een werkprotocol om een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Het is aan te bevelen een stikstofberekening in AERIUS Calculator te maken voor de gebruiksfase van de nieuwe situatie indien nieuwbouw wordt gerealiseerd. Het is aan te bevelen om contact op te nemen met de Provincie Zuid-Holland om de effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN door de herinrichting van het gebied te bespreken.
23
7
LITERATUUR
BIJ12 2017, Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 2017, Kennisdocument gierzwaluw, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 2017, Kennisdocument huismus, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011, Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. Movares 2015. Nieuw Vredenoord; Quickscan ecologie. Effecten op beschermde soorten en gebieden. 17 november 2015 – Versie 4.0. Movares 2018. Nieuw Vredenoord; Update quickscan ecologie. Effecten op beschermde soorten en gebieden. 12 april 2018 Versie 1.0. Movares 2018. Tweede toevoer bergingsgebied Vlietzone Den Haag. Aanvullende onderzoek vleermuizen. 24 september 2018 – Versie 1.0. Movares 2019. Tweede toevoer bergingsgebied Vlietzone Den Haag. Aanvullende onderzoek vleermuizen. 25 juni 2020 – Versie 1.0. Movares 2020. Nader onderzoek vleermuizen Vlietzone. Aanvullend ecologische onderzoek tweetal te slopen gebouwen. 12 oktober 2020 – Versie 1.0. Movares 2020. Memo omwaaien boom met vleermuisverblijf. 2 juli 2020. NGB, Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, juli 2017. Omgevingsdienst Haaglanden, 2020. Verklaring van geen bedenkingen. ODH-2020-00080110. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2020). Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020.
Internet NDFF www.gbif.org www.piscaria.nl www.pzh.maps.arcgis.com www.provinciaalgeoregister.nl/georegister/ www.ravon.nl www.stowa.nl (limnodata neerlandica) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl
24
Bijlage 1: Foto-impressie
25
Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten Tabel 1: Overzicht beschermde soorten in omgeving projectgebied Soortgroep Naam Bescherming
Afstand
Amfibieën
Alpenwatersalamander
Wnb A
< 5km
Amfibieën
bastaardkikker1
Wnb A
< 5km
Amfibieën
bruine kikker1
Wnb A
< 1km
Amfibieën
gewone pad1
Wnb A
< 1km*
Amfibieën
kleine watersalamander1
Wnb A
< 5km
Amfibieën
meerkikker1
Wnb A
< 5km
Amfibieën
vuursalamander
Wnb A
< 5km
Vaatplanten
bokkenorchis
Wnb B
< 5km
Vaatplanten
schubvaren
Wnb B
< 5km
Vleermuizen
gewone dwergvleermuis
HR IV
< 1km*
Vleermuizen
gewone grootoorvleermuis
HR IV & Bern II
< 5km
Vleermuizen
kleine dwergvleermuis
HR IV & Bern II
< 5km*
Vleermuizen
laatvlieger
HR IV & Bern II
< 1km*
Vleermuizen
meervleermuis
HR IV & Bern II
< 3km*
Vleermuizen
rosse vleermuis
HR IV & Bern II
< 1km*
Vleermuizen
ruige dwergvleermuis
HR IV & Bern II
< 1km*
Vleermuizen
tweekleurige vleermuis
HR IV & Bern II
< 5km
Vleermuizen
watervleermuis
HR IV & Bern II
< 1km*
Vogels
blauwe reiger
Cat. 5
< 1km*
Vogels
boerenzwaluw
Cat. 5
< 1km*
Vogels
boomklever
Cat. 5
< 2km*
Vogels
boomkruiper
Cat. 5
< 4km*
Vogels
boomvalk
Cat. 4
< 5km
Vogels
bosuil
Cat. 5
< 4km*
Vogels
buizerd
Cat. 4
< 2km*
Vogels
ekster
Cat. 5
< 2km*
Vogels
gierzwaluw
Cat. 2
< 1km*
Vogels
glanskop
Cat. 5
< 5km
Vogels
groene specht
Cat. 5
< 1km*
Vogels
grote bonte specht
Cat. 5
< 1km*
Vogels
grote gele kwikstaart
Cat. 3
< 5km