CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS313364 Bijlage

Commissie Ruimte 4 december 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Vervolg debat inzake Voorstel van het college inzake Woonvisie Den Haag 2040 - Wonen in een stad in balans, RIS31981225.320 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Ontwikkelingen op de Haagse woningmarkt

77

Tabel 6.3 Potentieel vrijkomend aanbod door verhuisgeneigde ouderenhuishoudens (totale woningaanbod); 2021

Aantal

%

12.800

100%

Koop

6.100

48%

Corporatiehuur

4.900

38%

Private huur

1.800

14%

Koop - Eengezins

2.000

16%

Koop - Appartement

4.000

32%

Huur - Eengezins

1.100

9%

Huur - Appartement

5.600

44%

≤ 325.000

2.200

36%

> 325.000 ≤ 500.000

2.200

36%

> 500.000

1.700

28%

≤ aftoppingsgrens

3.800

57%

≤ liberalisatiegrens

1.400

21%

> liberalisatiegrens

1.500

23%

Totaal Type eigendom

Woningtype

WOZ-waarde koopwoningen

Huurprijs

78

r2022-0018TKL

7

Tevredenheid en woningkwaliteit Kerncijfers* Tevredenheid met woning

Schimmel en veiligheid

Groot onderhoud en woningverbetering

2015

2018

2021

% (zeer) tevreden (koop)

88%

90%

90%

% (zeer) tevreden (corporatiehuur)

70%

60%

64%

% (zeer) tevreden (institutionele beleggers)

77%

56%

57%

% (zeer) tevreden (overige particuliere huur)

72%

66%

68%

% vocht of schimmel (koop)

-

19%

16%

% vocht of schimmel (corporatiehuur)

-

33%

33%

% vocht of schimmel (institutionele beleggers)

-

32%

23%

% vocht of schimmel (overige particuliere huur)

-

32%

29%

% rook- én koolstofmonoxidemelder (koop)

17%

26%

33%

% rook- én koolstofmonoxidemelder (corporatiehuur)

14%

17%

20%

% rook- én koolstofmonoxidemelder (institutionele beleggers)

8%

19%

31%

% rook- én koolstofmonoxidemelder (overige particuliere huur)

17%

22%

25%

% buitenkant (koop)

-

81%

72%

% buitenkant (corporatiehuur)

-

55%

57%

% buitenkant (institutionele beleggers)

-

53%

34%

% buitenkant (overige particuliere huur)

-

54%

44%

% binnenkant (koop)

-

46%

50%

% binnenkant (corporatiehuur)

-

25%

30%

% binnenkant (institutionele beleggers)

-

20%

12%

% binnenkant (overige particuliere huur)

-

30%

28%

Tevredenheid met

% (zeer) tevreden (koop)

79%

84%

82%

woonomgeving

% (zeer) tevreden (corporatiehuur)

68%

65%

66%

% (zeer) tevreden (institutionele beleggers)

72%

71%

74%

% (zeer) tevreden (overige particuliere huur)

76%

81%

75%

Klik in de tabel op het onderwerp van uw interesse en u komt direct terecht bij de paragraaf over het betreffende onderwerp.

Voor de analyses in dit hoofdstuk geldt het volgende: •

De uitkomsten gaan enkel over particuliere huishoudens in zelfstandige woningen. Huishoudens in instellingen als verpleeg- en verzorgingstehuizen en asielzoekerscentra zijn niet meegenomen. Ook onbewoonde woningen blijven buiten beschouwing.

•

De uitkomsten over tevredenheid met de woning en woonomgeving worden op persoonsniveau beschouwd. Voor alle andere analyses wordt gekeken naar huishoudens.

r2022-0018TKL | Ontwikkelingen op de Haagse woningmarkt

79

Belangrijkste bevindingen ■

De tevredenheid met de woning en woonomgeving is het hoogst onder bewoners van een koopwoning. Respectievelijk 90% en 82% van de eigenaar-bewoners is in 2021 (zeer) tevreden met de woning en woonomgeving.

■

De tevredenheid met de woning is het laagst onder huurders bij institutionele beleggers (57% is tevreden of zeer tevreden), terwijl corporatiebewoners het minst tevreden zijn over de woonomgeving (66% is tevreden of zeer tevreden).

■

Het aandeel huishoudens dat last hebben van vocht en/of schimmel in de woning is licht afgenomen in de afgelopen jaren, van 26% in 2018 naar 24% in 2021. De afname vindt vooral plaats onder huurders bij institutionele beleggers. In de corporatiesector en bij overige particuliere verhuurders is er nauwelijks sprake van een afname.

■

Ongeveer een kwart van de huishoudens heeft in 2021 geen rookmelder in de woning. Per 1 juli 2022 wordt dit verplicht in iedere woning op iedere verdieping.

■

In koopwoningen worden beduidend vaker groot onderhoud of woningverbeteringen uitgevoerd dan in huurwoningen. Dat geldt voor zowel de binnen- als de buitenkant van de woning.

7.1

Tevredenheid met de woning

Tevredenheid hoogst onder eigenaar-bewoners Eigenaar-bewoners zijn het meest tevreden met hun woning: negen op de tien eigenaar-bewoners geven aan tevreden of zeer tevreden te zijn. Tussen 2015 en 2018 is er een relatief grote daling te zien in de tevredenheid onder huurders. Met name onder huurders bij institutionele beleggers was de afname in tevredenheid groot: waar in 2015 nog 77% van deze huurders (zeer) tevreden was met de woning, was dit aandeel gedaald tot 56% in 2018. Verderop in deze paragraaf wordt nader ingegaan op de afname in de tevredenheid onder huurders bij institutionele beleggers. Onder huurders in de corporatiesector daalde het aandeel (zeer) tevredenen van 70% in 2015 naar 60% in 2018. Sindsdien is dit aandeel weer iets toegenomen tot 65% in 2021. Figuur 7.1 Percentage personen dat (zeer) tevreden is met hun woning naar eigendom; 2015 t/m 2021

100% 80% 60% 40%

20% 0%

Koop

Corporatiehuur 2015

80

r2022-0018TKL

Institutionele beleggers 2018

2021

Overige particuliere huur

Totaal

Om inzicht te krijgen in waarom eigenaar-bewoners over het algemeen tevredener zijn over hun woning dan huurders, is gekeken in hoeverre bewoners het (helemaal) eens zijn met diverse stellingen over de woning per type eigendom. Eigenaar-bewoners vinden duidelijk vaker dat hun woning een geschikte indeling heeft en dat de woning een goede sfeer ademt dan huurders. Ook vinden huurders, met name bij overige particuliere verhuurders, vaker dat hun woning slecht onderhouden is dan eigenaar-bewoners. Huurders vinden hun woning ook vaker te klein dan eigenaar-bewoners; er zijn nauwelijks verschillen tussen de typen eigendom in het aandeel dat de woning te groot vindt. Ten slotte zijn relatief veel bewoners het (helemaal) eens met de stelling dat de woning onvoldoende buitenruimte heeft. Dit is het geval in zowel koop- als huurwoningen, maar het aandeel is met name hoog onder huurders bij institutionele beleggers (52%). Figuur 7.2 Percentage personen dat het (helemaal) eens is met stellingen over de woning, naar type eigendom; 2021

100% 80%

60% 40% 20% 0%

Indeling woning Woning is te is geschikt klein

Koop

Corporatiehuur

Woning is te groot

Woning is Woning ademt Woning heeft slecht een goede onvoldoende onderhouden sfeer buitenruimte

Institutionele beleggers

Overige particuliere huur

Huurders bij institutionele beleggers vinden woning vaker te klein In figuur 7.1 was te zien dat de tevredenheid met de woning vooral was gedaald onder huurders bij institutionele beleggers. Specifiek voor deze huurders wordt daarom gekeken in hoeverre zij het (helemaal) eens zijn met diverse stellingen over de woning voor de jaren 2015, 2018 en 2021. Voor een aantal aspecten, zoals de mate van onderhoud aan de woning, is te zien dat de tevredenheid lager is in 2018 dan in 2015, maar dat in 2021 de tevredenheid weer is toegenomen. Daarnaast zien we een duidelijke toename in de mate waarin huurders bij institutionele beleggers hun woning te klein vinden: in 2015 was 19% het helemaal eens met deze stelling, in vergelijking met 25% in 2021. Nadere analyses (niet in figuur) laten inderdaad zien dat de gebruiksoppervlakte van huurders bij institutionele beleggers fors is gedaald. Waar in 2015 nog 32% van de huurwoningen van institutionele beleggers minder dan 70 m 2 aan gebruiksoppervlakte had, is dit aandeel toegenomen tot 49% in 2021. Dit komt door een combinatie van factoren, zoals nieuwbouw van relatief kleine huurwoningen en het opkopen van vaak relatief kleine appartementen om te verhuren (zgn. ‘buy-to-let’). Het splitsingsbeleid in Den Haag heeft ervoor gezorgd dat woningsplitsing bijna niet meer voorkomt in Den Haag.

Dit is dus geen verklaring van de toename in kleine particuliere huurwoningen.

Ontwikkelingen op de Haagse woningmarkt

81

Figuur 7.3 Percentage huurders bij institutionele beleggers dat het (helemaal) eens is met verschillende stellingen over de woning, 2015 t/m 2021

100% 80% 60% 40% 20% 0%

Indeling woning Woning is te is geschikt klein

Woning is te groot 2015

7.2

2018

Woning is Woning ademt Woning heeft slecht een goede onvoldoende onderhouden sfeer buitenruimte 2021

Schimmel en veiligheid

Aandeel woningen met vocht en/of schimmel licht gedaald Vocht en schimmel in woningen hebben de afgelopen jaren veel aandacht gekregen. Sinds eind 2017 is de website Gezondwonen.nl online, een gezamenlijk initiatief van de GGD Haaglanden en een aantal woningcorporaties in Den Haag. Verder is er in 2019 een landelijke aanpak opgestart om vocht- en schimmelproblemen te voorkomen en verhelpen. De focus in deze aanpak lag op de G4, omdat de vochten schimmeloverlast zich hier het meest voordoet. Ondanks de initiatieven is er in Den Haag geen grote afname te zien in het aandeel huishoudens dat last heeft van vocht of schimmel. Met name in de corporatiesector en bij overige particuliere verhuurders is nauwelijks een afname te zien. Bij institutionele beleggers daalde het percentage huishoudens met vocht of schimmel daarentegen wel aanzienlijk, van 32% in 2018 naar 23% in 2021. Dit komt waarschijnlijk (gedeeltelijk) door het feit dat er door institutionele beleggers relatief veel woningen zijn gebouwd tussen 2018 en 2021. Nadere analyses (niet in figuur) laten zien dat vocht en/of schimmel aanzienlijk minder voorkomen in nieuwe woningen dan in oude woningen. Figuur 7.4 Percentage huishoudens met vocht en/of schimmel in de woning, 2018 en 2021

35% 30% 25% 20% 2018

15%

2021

10% 5% 0%

82

Koop

r2022-0018TKL

Corporatiehuur

Institutionele beleggers

Overige particuliere huur

Totaal

Vooral schimmel in de bad- en slaapkamer Huishoudens die aangaven last te hebben van schimmel in de woning is gevraagd in welk vertrek de schimmel voorkomt. Hierbij waren meerdere antwoorden mogelijk, waardoor de percentages optellen tot boven de 100%. Schimmel komt het meest voor in de badkamer (58%), gevolgd door de slaapkamer (50%) en woonkamer (23%). Schimmel in de badkamer heeft doorgaans minder negatieve effecten op de gezondheid dan schimmel in verblijfsruimten zoals de woon- en slaapkamer. Huishoudens die last hebben van schimmel in de badkamer geven met name aan dat dit veroorzaakt is door ventilatieproblemen. Hierbij kan verder geen onderscheid gemaakt worden naar of dit komt door het gedrag van de bewoner of omdat er gebreken zijn aan de woning, zoals een kapot ventilatiesysteem. In het geval van schimmel in de slaapkamer worden ook relatief vaak doorslaand en/of optrekkend vocht en lekkages als oorzaak benoemd, wat door de bewoner(s) meestal niet te voorkomen is. Figuur 7.5 Vertrekken waar schimmel voorkomt (meerdere antwoorden mogelijk); 2021

70% 60% 50% 40% 30% 20%

10% 0%

Badkamer

Toilet

Keuken

Slaapkamer Woonkamer Hal / gang

Kelder(box)

Overig

Figuur 7.6 Oorzaak van schimmel in de badkamer en slaapkamer; 2021

Badkamer

Lekkage

Ventilatieproblemen

Grafiektitel

Slaapkamer

Doorslaand of optrekkend vocht

Andere reden

Ontwikkelingen op de Haagse woningmarkt

83

Steeds meer woningen met rook- én koolstofmonoxidemelder Bewoners zijn gevraagd naar de aanwezigheid van een rook- en koolstofmonoxidemelder in hun woning. Degene die ‘weet niet’ als antwoord kozen zijn hier buiten beschouwing gelaten. In alle segmenten is een duidelijke afname te zien in het aandeel woningen waarbij helemaal geen rook- of koolstofmonoxidemelder geïnstalleerd is. Dit komt vooral door een sterke toename in het aandeel woningen met zowel een rook- als koolstofmonoxidemelder. Bij institutionele beleggers neemt dit zelfs toe van 8% in 2015 naar 31% in 2021. Opnieuw zal deze toename waarschijnlijk (gedeeltelijk) verklaard worden door het feit dat er relatief veel nieuwbouwwoningen zijn bijgekomen van institutionele beleggers. Ongeveer bij een kwart van alle woningen was in 2021 nog geen rookmelder geïnstalleerd. Vanaf 1 juli 2022 is dit echter in iedere woning verplicht. Er resteert wat dat betreft dus nog een aanzienlijke opgave. Figuur 7.7 Aanwezigheid van een rook- en/of koolstofmonoxidemelder in de woning naar eigendom, 2015 en 2021

100% 80% 60% 40% 20% 0%

2015

2021

2015

Koop Alleen rookmelder

7.3

2021

Corporatie

2015

2021

Institutionele beleggers

Alleen koolmonoxidemelder

Beide

2015

2021

Overige particuliere huur Geen

Groot onderhoud en woningverbetering

Vaakst groot onderhoud of woningverbetering bij koopwoningen In het WoON zijn vragen gesteld over onderhoudswerkzaamheden aan de binnen- en buitenkant van de woning in de afgelopen vijf jaar. Huishoudens die nog geen vijf jaar in hun woning woonden ten tijde van de enquête hebben we buiten beschouwing gelaten vanwege verschillende onderhoudsstrategieën in huur- en koopwoningen. In koopwoningen worden juist vaak kort na een bewonerswissel groot onderhoud of woningverbeteringen uitgevoerd door de nieuwe bewoners. Huurwoningen worden juist vaak opgeknapt vlak voor er een nieuwe bewoners komt inwonen. Binnen alle segmenten is te zien dat er vaker groot onderhoud of woningverbeteringen hebben plaatsgevonden aan de buitenkant van de woning dan aan de binnenkant van de woning. Aan de buitenkant is onderhoud ook vaker noodzakelijk, zoals het bijwerken van schilderwerk. In koopwoningen is veel vaker groot onderhoud gepleegd dan in huurwoningen. Met name bij huurwoningen van institutionele beleggers wordt dit relatief weinig gedaan. Zoals eerder vermeld zijn er ook relatief veel nieuwe woningen aan de voorraad toegevoegd door institutionele beleggers, waarbij onderhoud nog niet noodzakelijk is geweest.

84

r2022-0018TKL

Figuur 7.8 Percentage huishoudens waarbij in de afgelopen vijf jaar groot onderhoud en/of woningverbeteringen zijn gedaan naar type eigendom; 2021

80%

70% 60% 50%

40%

Buitenkant

30%

Binnenkant

20%

10% 0%

Koop

Corporatiehuur Institutionele beleggers

Overige particuliere huur

Totaal

Voor wat betreft groot onderhoud of woningverbeteringen aan de buitenkant van de woning zien we dat het houtwerk aan de buitenkant schilderen veruit de meest uitgevoerde maatregel is, ongeacht het type eigendom. Het plaatsen van een uitbouw, serre, dakkapel of dakopbouw komt logischerwijs (bijna) niet voor in huurwoningen. Maar ook bij koopwoningen in dit niet gebruikelijk: slechts 7% van de eigenaar-bewoners heeft een dergelijke verbouwing gedaan in vijf voorafgaande jaren van het WoON 2021. Voor wat betreft groot onderhoud of woningverbeteringen aan de binnenkant van de woning is te zien dat het vernieuwen van de keuken of badkamer de meest genomen maatregel is. Figuur 7.9 Type groot onderhoud of woningverbetering aan de buitenkant en binnenkant van de woning in de afgelopen vijf jaar, naar type eigendom; 2021

Binnenkant

Anders De indeling van de woning aangepast Wanden of plafonds opnieuw gestuukt

Een nieuwe vloer gelegd De keuken of badkamer vernieuwd

Buitenkant

Raamkozijnen gerepareerd of vervangen Het houtwerk aan de buitenkant geschilderd De buitengevel gestuukt, geschilderd of schoongemaakt Uitbouw, serre, dakkapel of dakopbouw Het dak of de dakgoot vervangen of gerepareerd

0% Overige particuliere huur

10%

20%

Institutionele beleggers

30%

40%

50%

Corporatiehuur

Koop

60%

Ontwikkelingen op de Haagse woningmarkt

85

7.4

Tevredenheid met de woonomgeving

Tevredenheid hoogst onder eigenaar-bewoners Net zoals bij de tevredenheid met de woning, is de tevredenheid met de woonomgeving het hoogst onder eigenaar-bewoners. Waar de tevredenheid met de woning onder huurders bij institutionele beleggers is gedaald sinds 2015 (figuur 7.1), is bij de tevredenheid met de woonomgeving zelfs een lichte stijging te zien. Nieuwbouw op aantrekkelijke locaties in de stad zou hierbij een rol kunnen spelen. De tevredenheid met de woonomgeving is het laagst onder bewoners van corporatiewoningen. Figuur 7.10 Percentage dat (zeer) tevreden is met hun woonomgeving naar eigendom; 2015 t/m 2021

100% 80% 60%

2015 2018

40%

2021 20% 0%

Koop

Corporatiehuur

Institutionele beleggers

Overige private huur

Totaal

Om meer zicht te krijgen op waarom eigenaar-bewoners tevredener zijn met hun woonomgeving dan huurders, worden diverse stellingen over de woonomgeving uitgesplitst naar het type eigendom van de woning. Hieruit blijkt echter dat eigenaar-bewoners tevredener zijn over bijna alle aspecten van de woonomgeving dan huurders. Er is dus geen specifieke reden aan te wijzen waarom personen in een koopwoning tevredener zijn over hun woonomgeving. Figuur 7.11 Percentage personen dat het (helemaal) eens is met stellingen over de woonomgeving, naar type eigendom; 2021

100% 80%

60% 40% 20% 0%

Bebouwing in deze buurt is aantrekkelijk

Koop

86

r2022-0018TKL

Woningen in Het is vervelend Als het mogelijk Ik ben gehecht deze buurt zijn om in deze buurt is, ga ik uit deze aan deze buurt goed te wonen buurt verhuizen onderhouden

Corporatiehuur

Institutionele beleggers

Ik voel mij thuis in deze buurt

Overige particuliere huur

8

Energie en duurzaamheid Kerncijfers* Energetische kwaliteit

Installaties

Energieverbruik

2015

2018

2021

% geregistreerd label A, B of C (koop)

41%

45%

48%

% geregistreerd label A, B of C (corporatie)

46%

54%

71%

% geregistreerd label A, B of C (institutionele beleggers)

57%

43%

58%

% geregistreerd label A, B of C (overige particuliere huur)

47%

37%

45%

% zonnepanelen (eengezinswoningen)

-

15%

22%

% zonnepanelen (appartementen)

-

1%

4%

% stadsverwarming

-

6%

8%

% warmtepomp

-

2%

2%

Jaarlijks gasverbruik in m (koop)

1.511

1.353

1.070

Jaarlijks gasverbruik in m 3 (corporatie)

1.041

971

704

Jaarlijks gasverbruik in m 3 (institutionele beleggers)

1.143

1.125

756

Jaarlijks gasverbruik in m 3 (overige particuliere huur)

1.280

1.198

888

Energiequote (koop)

4,1%

4,1%

3,3%

Energiequote (corporatie)

5,9%

6,0%

4,5%

Energiequote (institutionele beleggers)

4,6%

5,2%

3,3%

Energiequote (overige particuliere huur)

5,6%

5,6%

4,1% 15%

3

Maatregelen in de

% dubbelglas

-

23%

afgelopen vijf jaar

% isolatie van gevel, dak of vloer

-

13%

8%

% zonnepanelen (eengezinswoningen)

-

9%

14%

% zonnepanelen (appartementen)

-

1%

2%

% cv-ketel vernieuwd

-

31%

29%

% warmtepomp

-

-

1%

% eigenaar-bewoners bereid tot (meer) maatregelen

-

68%

62%

Toekomstige maatregelen

* Klik in de tabel op het onderwerp van uw interesse en u komt direct terecht bij de paragraaf over het betreffende onderwerp.

Voor de analyses in dit hoofdstuk geldt het volgende: •

De uitkomsten gaan enkel over particuliere huishoudens in zelfstandige woningen. Huishoudens in instellingen als verpleeg- en verzorgingstehuizen en asielzoekerscentra zijn niet meegenomen. Ook onbewoonde woningen blijven buiten beschouwing.

•

In de tabellen waarin de energiequotes zijn weergegeven, zijn huishoudens met een negatief inkomen weggelaten. Dit komt bijvoorbeeld voor bij huishoudens met een eigen bedrijf die in een jaar een slecht bedrijfsresultaat hebben gehaald. Ook huurders die geen huur betalen (bijv. kinderen die in een woning van hun ouders wonen) zijn niet meegenomen in de gepresenteerde uitkomsten over de woonlasten. Aanvullend wordt er ook een energiequote berekend voor huishoudens met een inkomen van 90% van het sociaal minimum of hoger.

r2022-0018TKL | Ontwikkelingen op de Haagse woningmarkt

87

Belangrijkste bevindingen ■

Vergelijkingen door de tijd in het aandeel woningen met een gunstig energielabel worden bemoeilijkt door een hoog aandeel onbekende labels, met name in de koopsector en particuliere huursector.

■

In de afgelopen jaren is er een grote toename geweest in het aandeel eengezinswoningen met zonnepanelen, van 15% in 2018 naar 22% in 2021.

■

Warmtepompen komen vooral voor in woningen gebouwd vanaf 2010. Stadsverwarming komt meer voor bij woningen gebouwd tussen 2000-2009, een periode met veel buitenstedelijke uitbreidingen.

■

Ondanks een daling van een gas- en elektriciteitsverbruik van huishoudens in de afgelopen jaren is de energiequote met de huidige energieprijzen voor veel huishoudens hoger dan in 2015.

■

Eigenaar-bewoners met hoge inkomens hebben vaak een beter geïsoleerd huis dan eigenaarbewoners met een laag inkomen. Desondanks zijn eigenaar-bewoners met een hoog inkomen vaker bereid om (verdere) verduurzamingsmaatregelen te nemen in de toekomst.

8.1

Energetische kwaliteit

Sterke toename in geregistreerde energielabels Vanaf 1 januari 2015 moet elke woning die wordt verkocht of opnieuw verhuurd een definitief energielabel hebben. Met name in de koopsector en de particuliere huur is sindsdien een forse toename te zien in het aandeel woningen met een bekend label. Door het grote aandeel woningen met een onbekend energielabel, is het niet mogelijk om een betrouwbare vergelijking door de tijd te maken van energielabels. In de corporatiesector is dit wel redelijk goed mogelijk, omdat in 2015 al veel corporatiewoningen een definitief energielabel hadden (91%). Er is hier een sterke toename te zien in het aandeel woningen met een gunstig energielabel als gevolg van verduurzamingen in de bestaande voorraad en sloop/nieuwbouw: in 2015 had 41% van de corporatiewoningen label A, B of C, in vergelijking met 67% van de corporatiewoningen in 2021. Figuur 8.1 Verdeling van de geregistreerde energielabels (incl. onbekend() naar type eigendom; 2015 t/m 2021

100% 80% 60% 40% 20% 0%

2015

2018

2021

2015

Koop

r2022-0018TKL

2021

Corporatie A

88

2018

B

C

D

2015

2018

2021

2015

2018

2021

Institutionele beleggers Overige particuliere huur E

F

G

Onbekend

Veel meer eengezinswoningen met zonnepanelen Bewoners is gevraagd of er zonnepanelen aanwezig zijn op hun woning (eengezins) of op hun woongebouw (appartementen). Tussen 2018 en 2021 is een grote toename te zien in het aandeel eengezinswoningen met zonnepanelen. In 2021 had meer dan een kwart (26%) van de eengezinskoopwoningen zonnepanelen, in vergelijking met 18% in 2018. In de huursector nam het aandeel eengezinswoningen met zonnepanelen toe van 5% in 2018 naar 12% in 2021. Bij appartementen zijn zonnepanelen veel minder gebruikelijk: in 2021 had 3% van de koopappartementen en 4% van de huurappartementen zonnepanelen. Kanttekening hierbij is wel dat, zeker de respondenten in een huurappartement, wellicht niet altijd op de hoogte zijn van de aanwezigheid van zonnepanelen op het gebouw waarin zij wonen. Het aandeel zonnepanelen wordt hier dus mogelijk enigszins onderschat. Figuur 8.2 Percentage huishoudens met zonnepanelen op de woning (eengezins) of op het gebouw (appartement) naar type eigendom en woningtype; 2018 en 2021

30% 25% 20% 15%

2018 2021

10% 5% 0%

Koop

Corporatie

Particulier

Koop

Eengezins

Corporatie

Particulier

Appartementen

Aandeel duurzame warmtebron hoogst bij institutionele beleggers en eigenaar-bewoners Volgens het Klimaatakkoord van Parijs moet de CO2-uitstoot van de gebouwde omgeving in 2050 met 95% zijn afgenomen ten opzichte van 1990. Meer concreet betekent dit dat alle woningen binnen 30 jaar aardgasvrij moeten zijn en voorzien moeten zijn van een duurzame warmtebron, zoals een warmtepomp. Ook stadsverwarming typeren we als een duurzame warmtebron, omdat hiervoor doorgaans gebruik wordt gemaakt van aardwarmte (geothermie) of restwarmte. Bij blok- of wijkverwarming wordt een heel huizencomplex voorzien van warmte via een collectieve, vaak gasgestookte installatie en is in het algemeen dus geen duurzame warmtebron. Tussen 2018 en 2021 is in de meeste sectoren een toename te zien in het aandeel duurzame warmtebronnen. Het aandeel met warmtepomp of stadsverwarming in 2021 is het hoogst bij institutionele beleggers (12%) en koopwoningen (11%).

Ontwikkelingen op de Haagse woningmarkt

89

Figuur 8.3 Type warmtebron voor verwarmen van woning (excl. individueel gasgestookt) naar type eigendom; 2018 en 2021

30% 25% 20% 15% 10% 5% 0%

2018

2021

Koop

2018

2021

Corporatiehuur

Warmtepomp

2018

2021

Institutionele beleggers

Stadsverwarming

2018

2021

2018

Overige particuliere huur

Blok- of wijkverwarming

2021

Totaal Overig

Voor het plaatsen van een warmtepomp is het cruciaal dat de woning goed geïsoleerd is, omdat anders niet de gewenste temperatuur kan worden bereikt op koude dagen. Er is duidelijk te zien dat warmtepompen bijna uitsluitend voorkomen in relatief moderne woningen: van de woningen gebouwd in 2010 of later heeft 17% een warmtepomp, in vergelijking met 7% van de woningen gebouwd tussen 2000 en 2009 en minder dan 1% in de woningen van vóór 2000. Verder valt op dat het aandeel woningen met stadsverwarming veel hoger is onder woningen gebouwd tussen 2000 en 2009 (30%) dan onder woningen gebouwd in 2010 of later (17%). De oorzaak hiervan is waarschijnlijk dat Den Haag begin van de eeuw meer buitenstedelijk is uitgebreid met (Vinex)wijken zoals Ypenburg dan in de periode na 2010. Opvallend detail is ten slotte het hoge aandeel (34%) blok- of wijkverwarming bij woningen uit de jaren ’60 en ’70, wat destijds een gebruikelijke warmtebron was, met name in grote steden. Figuur 8.4 Type warmtebron voor verwarmen van woning (excl. individueel gasgestookt) naar bouwperiode; 2021

50% 40% 30% 20% 10% 0%

Voor 1945

1945-1959

Warmtepomp

90

r2022-0018TKL

1960-1979

Stadsverwarming

1980-1999

2000-2009

Blok- of wijkverwarming

2010 en later Overig

Eigenaar-bewoners met hoge inkomens hebben vaker goed geïsoleerde woning In het WoON2021 zijn vragen toegevoegd over isolatie in gevel, dak, vloer en het type glas in de woning. Bij bewoners van appartementen is gevraagd naar de isolatie van het gebouw waarin zij wonen, omdat appartementen vanzelfsprekend een vloer en/of dak hebben dat niet aan de buitenlucht grenst. De vragen zijn door corporatiebewoners (bijna) niet beantwoord en ook onder huurders in de particuliere sector zijn er veel missings op deze variabelen. We focussen ons hier daarom uitsluitend op eigenaar-bewoners. Er zijn duidelijke verschillen tussen inkomensgroepen voor wat betreft isolatie van de woning: binnen de groep met de laagste inkomens geeft meer dan de helft (53%) van de eigenaar-bewoners aan dat er helemaal geen isolatie is aangebracht bij de gevels, dak en vloer, in vergelijking met 25% onder de hoogste inkomens. Gevelisolatie komt het vaakst voor en vloerisolatie het minst vaak. Vloerisolatie levert doorgaans ook minder besparing op de energierekening dan gevel- en dakisolatie. Figuur 8.5 Percentage eigenaar-bewoners met gevel-, dak- en/of vloerisolatie naar inkomen; 2021

80%

60% Gevel Dak

40%

Vloer Geen 20%

0%

Laag

Midden 1

Midden 2

Hoog

Eigenaar-bewoners zijn ook gevraagd naar het soort glas in hun woning. We laten de respondenten die aangaven niet te weten wat voor soort glas er in hun woning zit buiten beschouwing, zodat de verschillende inkomensgroepen beter met elkaar vergeleken kunnen worden. Opnieuw zien we duidelijke verschillen tussen de inkomensgroepen: 12% van de eigenaar-bewoners met een laag inkomen geeft aan nog enkel glas te hebben in de woonkamer in vergelijking met 7% onder de eigenaar-bewoners met een hoog inkomen. De meest eigenaar-bewoners met een laag inkomen hebben gewoon dubbel glas (67%) en 21% heeft HR+ of HR++ glas. Triple glas komt niet voor bij de laagste inkomens. Onder de hoge inkomens heeft 45% gewoon dubbelglas, 40% HR+ of HR++ glas en 6% triple glas. Alle aspecten van de woning zijn dus beter geïsoleerd onder eigenaar-bewoners met een hoog inkomen. De combinatie van een laag inkomen en een minder goed geïsoleerde woning wordt extra problematisch in de huidige energiecrisis. In de volgende sectie besteden we aandacht aan de invloed van de recente stijging van de energieprijzen.

Ontwikkelingen op de Haagse woningmarkt

91

Figuur 8.6 Type glas in de woonkamer van eigenaar-bewoners naar inkomen (excl. ‘weet niet’); 2021

100% 80% Tripleglas / HR+++ glas

60%

HR(+/++) dubbel glas

Gewoon dubbel glas

40%

Enkel glas 20% 0%

8.2

Laag

Midden 1

Midden 2

Hoog

Energieverbruik

Duidelijke afname in gasverbruik van huishoudens in afgelopen decennium In 2021 is het gemiddelde gasverbruik per huishouden in Den Haag flink gedaald ten opzichte van 1986, vooral in de afgelopen 10 jaar. Hierbij spelen een aantal factoren een rol, zoals meer alleenstaanden, minder koude winters, maar ook zeker betere isolatie van woningen en meer woningen die worden verwarmd door een aardgasvrije installatie (zie paragraaf 8.1). Het elektriciteitsverbruik per huishouden laat in eerste instantie een toename zien en piekt in 2006. De toename in het verbruik hangt samen met een toename in elektronische apparatuur in huishoudens. Sinds 2006 is er een daling te zien in het elektriciteitsverbruik van huishoudens en in 2021 is het verbruik weer ongeveer op hetzelfde niveau als in 1986. Belangrijk om hierbij te realiseren is dat het elektriciteitsverbruik is gesaldeerd (afgenomen minus teruggeleverde stroom), waardoor de toename in zonnepanelen (zie paragraaf 8.1) bijdraagt aan de afname in het gemiddelde elektriciteitsverbruik van huishoudens. Figuur 8.7 Gemiddeld gas- en elektriciteitsverbruik per huishouden per jaar; 1986 t/m 2021

3.000 2.500 2.000 Gas (m3/jaar)

1.500

Elektriciteit (kWh/jaar) 1.000

500 0

92

1986 1990 1994 1998 2002 2006 2009 2012 2015 2018 2021

r2022-0018TKL

De afname in het gasverbruik van huishoudens in de afgelopen jaren is terug te zien in alle segmenten. Zoals gezegd liggen hier diverse oorzaken aan ten grondslag. Zeker in de particuliere huursector speelt mee dat er relatief veel kleine woningen aan de voorraad zijn toegevoegd (niet in figuur). In het figuur is goed te zien dat de afname tussen 2018 en 2021 groter is dan de afname tussen 2015 en 2018. Een gedeeltelijke verklaring hiervoor is een relatief grote toename in het aandeel woningen met een warmtepomp in de afgelopen jaren (zie figuur 8.4). Figuur 8.8 Gemiddeld gasverbruik in m3 per huishouden per jaar naar eigendom; 2015 t/m 2021

1.600 1.400 1.200

1.000 2015

800

2018

600

2021

400

200 0

Koop

Corporatiehuur

Institutionele beleggers

Overige particuliere huur

Afname gasverbruik leidt tot lagere energiequote In deze paragraaf richten we ons op de energiequote: het aandeel van het besteedbaar inkomen dat huishoudens uitgeven aan energielasten (gas en elektriciteit). In eerdere hoofdstukken is reeds gekeken naar de huur-, koop- en woonquote. Hierbij zijn huishoudens met een negatief inkomen buiten beschouwing gelaten, omdat een negatief besteedbaar inkomen als onrealistisch wordt beschouwd. Voor de berekening van de energiequote is eenzelfde selectie gemaakt. Daarnaast presenteren we ook de energiequote waarbij we huishoudens met een inkomen lager dan 90% van het sociaal minimum buiten beschouwing laten, omdat de resultaten dan minder beïnvloed worden door inkomensontwikkelingen door de tijd. Hierbij worden ook huishoudens met een positief, maar erg laag inkomen niet meegenomen in de analyses. Ten slotte is van belang dat er in het WoON geen informatie is over de werkelijke energielasten van huishoudens. De energielasten zijn gebaseerd op het energieverbruik van huishoudens waar een gemiddeld tarief per m3 en kWh op wordt toegepast. Er wordt geen rekening gehouden met het type energiecontract (vast of variabel). Door de iets hogere energieprijzen en het iets lagere verbruik in 2018 ten opzichte van 2015, blijft de energiequote ongeveer gelijk wanneer we kijken naar de huishoudens met een inkomen boven 90% van het sociaal minimum.

Wanneer we enkel de huishoudens met een negatief inkomen buiten beschouwing laten, zien we de energiequote duidelijk dalen bij institutionele beleggers. Tussen 2018 en 2021 is een forse afname te zien in gasverbruik (figuur 8.8) en dus ook in de energiequote in alle segmenten (tabel 8.1). Ten slotte wordt in de tabel ook een energiequote voor 2022 getoond. Deze is gebaseerd op hetzelfde gas- en elektriciteitsverbruik en dezelfde inkomens als de energiequote van 2021, maar hier is gerekend met de energieprijzen van 1 januari 2022. Er is goed te zien dat de huidige energieprijzen zorgen voor een flinke toename in de energiequote. De quote ligt in alle segmenten aanzienlijk hoger dan in 2015.

Ontwikkelingen op de Haagse woningmarkt

93

Tabel 8.1 Gemiddelde energiequote naar type eigendom; 2015 t/m 2021

2015

2018

2021

2022*

Koop

4,1%

4,1%

3,3%

6,2%

Corporatiehuur

5,9%

6,0%

4,5%

8,3%

Institutionele beleggers

4,6%

5,2%

3,3%

6,0%

Overige private huur

5,6%

5,6%

4,1%

7,5%

Totaal

4,9%

5,0%

3,8%

7,0%

Koop

5,0%

4,6%

3,8%

6,9%

Corporatiehuur

7,7%

7,6%

5,8%

9,7%

Institutionele beleggers

6,9%

5,4%

4,6%

7,5%

Overige private huur

7,5%

9,1%

5,0%

9,1%

Totaal

6,4%

6,3%

4,7%

8,2%

Excl. inkomens <90% sociaal minimum

Excl. negatieve inkomens

* De energiequote voor 2022 is gebaseerd op dezelfde inkomens en hetzelfde verbruik als in 2021, maar dan met de gas- en stroomprijs van 1 januari 2022

8.3

Verduurzamingsmaatregelen in afgelopen vijf jaar

Vooral cv-ketel vernieuwd vanwege noodzakelijk onderhoud Het vernieuwen van de cv-ketel is veruit de meest genomen verduurzamingsmaatregel binnen alle segmenten. Bij institutionele beleggers zijn het minst vaak verduurzamingsmaatregelen genomen, maar dit is ook het segment met relatief de meeste nieuwbouwwoningen. Het plaatsen van een warmtepomp is een zeer ongebruikelijke maatregel binnen alle segmenten. Het aandeel woningen waarbij zonnepanelen zijn geplaatst of vervangen is relatief laag, maar dit komt mede door het feit dat een groot deel van de bewoonde Haagse voorraad uit appartementen bestaat (76%). Zonnepanelen komen beduidend vaker voor op daken van eengezinswoningen (zie figuur 8.2). Figuur 8.9 Uitgevoerde verduurzamingsmaatregelen in afgelopen vijf jaar naar eigendom; 2021

Anders CV-ketel vernieuwd Warmtepomp geïnstalleerd of vervangen

Overige private huur

Zonnepanelen geïnstalleerd of vervangen

Corporatiehuur

Institutionele beleggers Koop

Isolatie van gevel, dak, vloer verbeterd Dubbel glas of glasisolatie aangebracht 0%

94

r2022-0018TKL

5% 10% 15% 20% 25% 30% 35%

Specifiek aan eigenaar-bewoners die aangaven één of meerdere verduurzamingsmaatregelen genomen te hebben is gevraagd wat de belangrijkste reden hiervoor was. De motivatie hiervoor is erg verschillend naargelang het soort maatregel dat genomen is. Het vernieuwen van de cv-ketel is vooral gedaan (55%) omdat dit toch al nodig was vanwege onderhoud. Zonnepanelen installeren en/of vervangen wordt vooral gedaan omdat de investering zich terugverdient in een lagere energierekening (40%) en vanwege het milieu (32%). Het verbeteren van de isolatie van vloer, dak, gevel of glas wordt vooral gedaan om de woning aangenamer te maken en ook vanwege noodzakelijk onderhoud. Figuur 8.10 Belangrijkste reden van eigenaar-bewoners waarom verduurzamingsmaatregelen genomen zijn naar soort maatregel; 2021

Anders

CV-ketel vernieuwd

Zonnepanelen geïnstalleerd of vervangen

Isolatie van gevel, dak, vloer verbeterd

Dubbel glas of glasisolatie aangebracht 0%

20%

40%

60%

80%

100%

Dit was toch al nodig vanwege onderhoud De investering verdient zich terug door een lagere energierekening Om mijn woning aangenamer te maken Vanwege het milieu

Dit was afgesproken in de VvE De woning is zo beter verkoopbaar Andere reden

Redenen om wel of niet te verduurzamen zijn afhankelijk van inkomen Er zijn aanzienlijke verschillen tussen inkomensgroepen in de redenen om wel of niet de woning te verduurzamen. Zo nemen eigenaar-bewoners met een laag inkomen vaker verduurzamingsmaatregelen vanwege noodzakelijk onderhoud dan eigenaar-bewoners met een midden- of hoog inkomen. Desalniettemin is dit onder alle inkomensgroepen veruit de meest genoemde reden om te verduurzamen. Verder is goed te zien dat de eigenaar-bewoners met hoge inkomens vaker verduurzamen vanwege het milieu.

Ontwikkelingen op de Haagse woningmarkt

95

Figuur 8.11 Belangrijkste reden van eigenaar-bewoners waarom verduurzamingsmaatregelen genomen zijn naar inkomensgroepen; 2021

100% Andere reden

80% De woning is zo beter verkoopbaar Dit was afgesproken in de VvE

60%

Vanwege het milieu

40%

Om mijn woning aangenamer te maken De investering verdient zich terug door een lagere energierekening

20%

Dit was toch al nodig vanwege onderhoud

0%

Laag

Midden

Hoog

Aan eigenaar-bewoners die géén verduurzamingsmaatregelen hadden genomen, is gevraagd waarom zij dit niet hebben gedaan. Hier waren meerdere antwoorden mogelijk, waardoor de percentages optellen tot boven de 100%. Ook bij redenen om niet te verduurzamen zien we duidelijke verschillen tussen inkomensgroepen. Huishoudens met een hoog inkomen namen vaker geen maatregelen omdat hun woning al energiezuinig was. Huishoudens met een laag inkomen geven vanzelfsprekend vaker aan dat zij geen maatregelen hebben genomen omdat zij het niet konden betalen, terwijl hogere inkomens vaker vinden dat de verduurzaming niet genoeg besparing oplevert. Ook zijn lage inkomens minder vaak bekend met de mogelijkheden voor verduurzaming dan hogere inkomens. Ten slotte valt op dat de hoogste inkomens vaker niet verduurzaamd hebben omdat ze er nog niet aan toe zijn gekomen. Figuur 8.12 Reden(en) voor eigenaar-bewoners waarom zij geen verduurzamingsmaatregelen hebben genomen in de afgelopen vijf jaar; 2021

Andere reden Verhuisplannen Nog niet aan toegekomen

VvE wil dit niet

Hoog

Wil geen verbouwing

Midden

Weet niet wat mogelijkheden zijn

Laag

Levert niet genoeg besparing op Kan dit niet betalen

Niet nodig: woning is al energiezuinig 0%

96

r2022-0018TKL

10%

20%

30%

40%

50%

60%

8.4

Verduurzamingsmaatregelen in de toekomst

Ouderen minst geneigd tot (verdere) verduurzamingsmaatregelen Aan alle eigenaar-bewoners is gevraagd of zij in de toekomst nog (meer) verduurzamingsmaatregelen willen nemen. De ruime meerderheid geeft aan hiertoe bereid te zijn, maar wel meestal onder de voorwaarde dat de investeringskosten terugverdiend kunnen worden (via een lagere energierekening). We splitsen de resultaten uit naar type huishouden en leeftijd (figuur 8.13), inkomensgroepen (figuur 8.14) en bouwperiode van de woning (figuur 8.15). In lijn met wat men zou verwachten, is te zien dat ouderen veel minder vaak geneigd zijn om hun woning nog (verder) te verduurzamen dan jongeren. Bijvoorbeeld, 68% van de alleenstaanden onder de 35 jaar geven aan energiebesparende maatregelen te willen nemen in de toekomst, in vergelijking met 35% van de alleenstaande 65-plussers. Paren zijn daarnaast vaker bereid om verduurzamingsmaatregelen te nemen dan alleenstaanden, ook wanneer de kosten ervan niet terug te verdienen zijn. Dit hangt waarschijnlijk samen met het feit dat paren over het algemeen een hoger huishoudensinkomen hebben dan alleenstaanden. Zoals te zien is in het figuur eronder, zijn de hoogste inkomens het meest bereid om verduurzamingsmaatregelen te nemen in de toekomst. Opvallend is dat de middeninkomens minder bereid zijn dan de laagste inkomens. Dit hangt mogelijk weer samen met leeftijd.

Ten slotte is opvallend dat eigenaar-bewoners in relatief nieuwe woningen (gebouwd na 2010) vaker aangeven duurzaamheidmaatregelen te willen nemen dan eigenaar-bewoners in woningen gebouwd tussen 1960 en 2000. De bevinding is opvallend omdat woningen gebouwd in 2010 of later allemaal energielabel A hebben en dus een goede energetische kwaliteit. Mogelijk gaat het hier om maatregelen als zonnepanelen (die altijd rendement opleveren) of het plaatsen van een warmtepomp (wat juist in modernere woningen goed mogelijk is). Figuur 8.13 Bereidheid onder eigenaar-bewoners om in de toekomst verduurzamingsmaatregelen te nemen naar type huishouden en leeftijd

Totaal Eenoudergezin Gezin Paar 65+ jr Paar 35-64 jr

Paar < 35 jr Alleenstaand 65+ jr Alleenstaand 35-64 jr Alleenstaand < 35 jr

0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

90%

100%

Alleen als kosten terugverdiennd kunnen worden Ook als kosten zich niet terugverdienen Nee Weet niet

Ontwikkelingen op de Haagse woningmarkt

97

Figuur 8.14 Bereidheid onder eigenaar-bewoners om in de toekomst verduurzamingsmaatregelen te nemen naar inkomensgroep

Hoog Midden 2 Midden 1

Laag 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

90%

100%

Alleen als kosten terugverdiennd kunnen worden Ook als kosten zich niet terugverdienen Nee Weet niet Figuur 8.15 Bereidheid onder eigenaar-bewoners om in de toekomst verduurzamingsmaatregelen te nemen naar bouwperiode van de woning

2010 en later 2000-2009 1980-1999 1960-1979 1945-1959 Voor 1945

0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

Alleen als kosten terugverdiennd kunnen worden Ook als kosten zich niet terugverdienen Nee Weet niet

98

r2022-0018TKL

80%

90%

100%

Begrippenlijst Aftoppingsgrens Dit is een begrip uit de huurtoeslag. Het deel van de huurprijs tussen de kwaliteitskortingsgrens en de aftoppingsgrens wordt voor 65% vergoed door huurtoeslag. De huurprijs boven de aftoppingsgrens en onder de

liberalisatiegrens

wordt

bij

eenpersoons-,

mindervalide

meerpersoons-

en

oudere

meerpersoonshuishoudens voor 40% vergoed door huurtoeslag en bij overige meerpersoons- huishoudens voor 0%. Er zijn twee aftoppingsgrenzen die jaarlijks per 1 januari worden vastgesteld. Voor de in het WoON gehanteerde aftoppingsgrenzen zie Huurprijsgrenzen. Appartement Ook wel aangeduid als gestapelde woning of meergezinswoning. Een woning in een gebouw met meerdere woningen, zoals een flatwoning, luxe appartement, galerijflat, etagewoning, boven- en benedenwoning, portiekwoning of maisonnette. Belastingeffect eigen woning Belastingeffect voor eigenaren-bewoners als gevolg van het saldo van de hypotheekrenteaftrek en het eigenwoningforfait. Bijkomende koopuitgaven De

uitgaven

voor

de

opstalverzekering,

het

eigenaarsgedeelte

OZB,

het

eigenaarsgedeelte

waterschapslasten en de (eventuele) erfpacht. Bijkomende woonuitgaven De uitgaven voor energie en water en de uitgaven voor heffingen en belastingen van de Openbaar Publiekrechtelijke Lichamen (OPL). Het gaat hierbij om alle heffingen van gemeente en waterschap, maar exclusief het eigenaarsgedeelte OZB en het eigenaarsgedeelte waterschapslasten. Deze laatste twee posten vallen onder de bijkomende koopuitgaven. Bruto huur Zie Huur. Bruto hypotheekuitgaven De totale hypotheekuitgaven aan rente, aflossing en/of premie per maand. Bruto koopuitgaven De maandelijkse hypotheekuitgaven vermeerderd met de bijkomende koopuitgaven en de reservering groot onderhoud.

r2022-0018TKL | Ontwikkelingen op de Haagse woningmarkt

99

Corporatiehuur Huurwoningen van woningcorporaties. Woningcorporaties zijn privaatrechtelijke instellingen (stichting of vereniging) die zich ten doel stellen op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam te zijn en als zodanig door de Kroon is toegelaten. De term toegelaten instelling, waarmee corporaties ook aangeduid worden, verwijst hiernaar. Corporatiedoelgroep De corporatiedoelgroep bestaat uit huishoudens met een belastbaar jaarinkomen onder de onderstaande inkomensgrenzen.

Grens sociale

2015

2018

2021

€ 34.678

€ 36.165

€ 39.055

toewijzing Omdat de in het WoON opgenomen inkomensgegevens betrekking hebben op het voorgaande jaar, zijn de in deze tabel opgenomen inkomensgrenzen ook steeds de grenzen die golden voor het voorgaande jaar. Doelgroep passend toewijzen De doelgroep passend toewijzen bestaat uit huishoudens met een belastbaar jaarinkomen onder de onderstaande inkomensgrenzen van passend toewijzen. Het inkomen van thuiswonende kinderen telt hierbij niet mee.

Eenpersoonshuishouden

2015

2018

2021

€ 21.600

€ 22.200

€ 23.225

€ 21.600

€ 22.200

€ 23.175

€ 29.325

€ 30.150

€ 31.550

€ 29.400

€ 30.175

€ 31.475

tot AOW Eenpersoonshuishouden vanaf AOW Meerpersoonshuishouden tot AOW Meerpersoonshuishouden vanaf AOW Omdat de in het WoON opgenomen inkomensgegevens betrekking hebben op het voorgaande jaar, zijn de in deze tabel opgenomen inkomensgrenzen ook steeds de grenzen die golden voor het voorgaande jaar. Doorstromer Een binnen Nederland verhuizend huishouden. Voor en na de verhuizing is het huishouden de hoofdbewoner van een woning. De vorige woning is na de verhuizing volledig beschikbaar voor nieuwe bewoners. Dure scheefheid Huishoudens die behoren tot de doelgroep huurtoeslag, en wonen in een huurwoning met een huur boven de aftoppingsgrens. Met de doelgroep huurtoeslag wordt bedoeld de groep huishoudens die qua inkomen

100

r2022-0018TKL

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11942592/1