RIS313198 Bijlage
Tekst van het document
De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag Nynke Piepers & Oberon Nauta
Contactgegevens Amsterdam, 1 juni 2022.
Nynke Piepers npiepers@dsp-groep.nl
Oberon Nauta onauta@dsp-groep.nl
Met medewerking van: Maud Pluijm, Annelijn Remmelink en Aline Petersen. Daarnaast heeft Bastiaan Leeuw, analist bij de gemeente Den Haag in het bijzonder een waardevolle bijdrage geleverd aan de cijfermatige analyse.
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
2
Inhoud
1
Inleiding
4
1.1
Aanleiding
4
2
Groepsaanpak midden risicogroepen
8
2.1
Betrokken partijen
8
2.2
De aanpak
9
3
De praktijk
12
3.1
Uitvoering van het 7-stappenmodel
12
3.2
Samenwerking
16
3.3
Slotbeschouwing
19
4
De effectiviteit van de aanpak
20
4.1
Globaal beeld jeugdoverlast
20
4.2
Effectiviteit in focusgebieden
25
4.3
Inzet van straatcoaches
29
4.4
Slotbeschouwing
30
5
Doorontwikkeling
31
6
Conclusie
34
Bijlagen Bijlage 1: vergelijking andere gemeenten
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
38
3
1
Inleiding
1.1
Aanleiding In Den Haag wordt jeugdoverlast door groepen jongeren aangepakt middels een groepsaanpak. De directie Veiligheid van de gemeente Den Haag, waar de groepsaanpak onder valt, is voortdurend bezig om de groepsaanpak verder te ontwikkelen. Daarbij viel op dat het aantal meldingen van jeugdoverlast de afgelopen jaren hard is gestegen, wat aanleiding gaf tot een evaluatie van de aanpak. Vanuit de Haagse gemeenteraad zijn hier tevens vragen over gesteld en ook raadsleden wilden meer inzicht in de oorzaken van de stijging.1 Op verzoek van de directie Veiligheid van de gemeente heeft DSP-groep daarom tussen januari en april 2022 een evaluatie uitgevoerd. Daarbij is de volgende centrale vraagstelling gehanteerd:
“Hoe effectief is de Haagse aanpak van problematische (jeugd) groepen in het tegengaan van jeugdoverlast en welke verbeterpunten zijn er te onderscheiden?”
De centrale vraagstelling is verder uitgewerkt in de volgende deelvragen: 1.
Welke factoren vergroten de effectiviteit van de aanpak? En welke factoren belemmeren de effectiviteit van de aanpak?
2.
Welke invloed hebben de coronamaatregelen op de jeugdoverlast en de effectiviteit van de aanpak?
3.
Hoe verloopt de samenwerking met de ketenpartners?
4.
Welke verbeterpunten worden gesignaleerd?
Aanpak jeugdoverlast Jeugdoverlast is een centraal thema van deze evaluatie. Maar wat houdt dat precies in? Onder jeugdoverlast wordt binnen dit onderzoek verstaan iedere melding die bij de politie binnenkomt over overlast door jeugd(groepen), bijvoorbeeld hangjeugd of geluidsoverlast door jeugd. Misdrijven en delicten door jeugd(groepen) vallen hier niet onder. De aanpak van jeugdoverlast wordt in Den Haag afgestemd op de ernst van de overlast. Binnen de groepsaanpak die de gemeente Den Haag hanteert worden drie risiconiveaus van groepen onderscheiden. Naarmate er sprake is van ernstigere feiten en problematiek wordt er opgeschaald en verschuift de regie op de groepsaanpak. Bij laag risicogroepen ligt de regie bij het stadsdeel (DPZ). Als er sprake is van zwaarder overlast, al dan niet in combinatie met lichte strafrechtelijke vergrijpen, is er sprake van een midden risicogroep en ligt de regie bij de accounthouder van de directie Veiligheid. Als er sprake is van zwaardere strafrechtelijke vergrijpen, zwaarder overlast en meer problematiek wordt opgeschaald naar de driehoek en
1
Motie HvDH/GdM, RIS310498, 4 november 2021, zie https://denhaag.raadsinformatie.nl/document/10768021/1/HvDH_GdM_1+GEWIJZIGD+Haagse+aanpak+tegen+jeugdoverlast
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
4
ligt de regie bij het cluster PGA van de directie Veiligheid en wordt de persoons gerichte aanpak onder regie van de directie Veiligheid in het Zorg- en Veiligheidshuis besproken.
Midden risicogroepen Binnen het onderhavige onderzoek is gekeken naar de aanpak voor de zogenaamde midden risicogroepen. Deze groep veroorzaken veel overlast, maar maken zich doorgaans niet schuldig aan strafbare feiten. Deze groep is relevant omdat verondersteld wordt dat zonder ingrijpen bij de leden een groot risico bestaat van doorgroei in zware (georganiseerde) criminaliteit. De aanpak is gericht op jongeren tot en met 23 jaar oud, al geldt leeftijd niet als een harde grens en kan het zijn dat er ook oudere leden tot een groep behoren. 2 Specifiek wordt het gedrag van de midden risicogroep als volgt beschreven: “Deze groep is wat nadrukkelijker aanwezig. Ze kunnen af en toe provocerend optreden, vallen omstanders wel eens lastig (uitschelden of zelfs intimideren), vernielen regelmatig allerlei zaken en laten zich veel minder gelegen liggen aan andere mensen. Ze zijn ook minder goed te corrigeren. Ook de lichtere vormen van criminaliteit waar ze zich aan schuldig maken, worden doelbewuster gepleegd en ze zijn ook meer bezig om te zorgen dat ze niet gepakt worden.”3
Onderzoeksaanpak Om deze onderzoeksvragen te beantwoorden is proces- en effectevaluatie uitgevoerd.
Procesevaluatie Voor de procesevaluatie is een formele opzet van het werkproces gemaakt op basis van documentatie en interviews met drie medewerkers van de directie Veiligheid. Vervolgens zijn semigestructureerde gesprekken gevoerd met 13 professionals van 7 verschillende organisaties en afdelingen: 1.
Gemeente: directie Veiligheid, Dienst OCW (afdeling Leerlingzaken), Dienst Publiekszaken, Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid
2.
Geerlings en Benard Jongeren coaching
3.
Welzijn Scheveningen Jongerenwerk
4.
Jeugdbescherming West
5.
Reclassering Nederland
6.
MEION straatcoaches
7.
Politie-eenheid Den Haag
In deze gesprekken is besproken in hoeverre het formele werkproces overeenkomt met de werkelijkheid, wat de succesfactoren zijn van de aanpak en waar betrokkenen tegenaan lopen.
DSP-groep
2
Politie-eenheid Den Haag (2018). Integrale aanpak problematische jeugdgroepen.
3
Politie-eenheid Den Haag (2018). Integrale aanpak problematische jeugdgroepen.
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
5
Effectevaluatie Idealiter wordt voor een effectmeting gebruikgemaakt van een experimentele onderzoeksopzet, waarbij gewerkt wordt met een voor- en nameting en een experimentele groep (die wel de groepsaanpak krijgt) en een controlegroep (waar geen sprake is van een groepsaanpak). Het behoeft weinig toelichting dat een dergelijke onderzoeksopzet in dit geval niet mogelijk – en verantwoord – is. Op basis van politiedata was het wel mogelijk om de ontwikkelingen in kaart te brengen en daarbij een aantal mogelijke verklarende oorzaken voor bepaalde ontwikkelingen mee te nemen. De cijfermatige analyses bestaan uit beschrijvende en evaluerende onderdelen.
Gebruikte data Voor de cijfermatige inzichten van dit onderzoek is geput uit open data afkomstig van het dataportal van de politie (data.politie.nl). Op dit dataportal worden maandelijkse gegevens gepubliceerd over verschillende vormen van misdrijven en overlast, zo ook jeugdoverlast. Deze categorie wordt gedefinieerd als ‘iedere melding waarbij wordt geklaagd over jeugd, bijvoorbeeld: hangjeugd, geluidsoverlast door jeugd, etc. […] Onder overlast van/door jeugd wordt niet begrepen baldadigheid en vernieling’. Het voordeel van deze dataset is dat gegevens consistent per maand en jaar beschikbaar zijn voor alle gemeenten, wijken en buurten. Hierdoor kunnen niet alleen vergelijkingen binnen de gemeente gemaakt worden maar ook tussen gemeenten, ook kan op transparante wijze gecommuniceerd worden over deze gegevens. Deze dataset staat het echter niet toe om analyses te doen op een lager schaalniveau dan buurt, terwijl jeugdoverlast zich vaak in nog kleinere geografische eenheden manifesteert. Dat is een inherente beperking van deze dataset.
De gegevens van het dataportal zijn gebruikt om een algemeen cijfermatig beeld te schetsen van de ontwikkeling van het aantal overlastmeldingen in Den Haag, op G4-niveau en landelijk. Daarnaast zijn deze gegevens gebruikt om uitspraken te kunnen doen over gebieden waar de gemeente extra geïnvesteerd heeft in de aanpak van jeugdoverlast via een langdurige inzet van groepsaanpakken en specifiek door de inzet van straatcoaches.
Naast data afkomstig van de politie is ook gewerkt met data uit de Veiligheidsmonitor 2021. Dit is een landelijk bevolkingsonderzoek naar veiligheid, leefbaarheid en slachtofferschap. Deze geeft inzicht in de subjectieve beleving van jeugdoverlast van inwoners in Den Haag. Check of in het rapport hier ook naar verwezen wordt, anders kan dit eruit want kan tot verwarring leiden.
Het beschrijvende onderdeel ziet op verschillende tijdreeksen die gemaakt zijn om de ontwikkeling van jeugdoverlast in Den Haag inzichtelijk te maken. Daarbij wordt de Haagse ontwikkeling afgezet tegen de ontwikkeling in andere G4-steden en de ontwikkeling op landelijk niveau. Vervolgens zijn gedetailleerde tijdreeksen gemaakt om het mogelijke effect van de covid-19 pandemie en de bijbehorende maatregelen inzichtelijk te maken, omdat een belangrijke hypothese was dat een deel van de geconstateerde toenames in jeugdoverlast daar een relatie mee hebben. Om deze hypothese te toetsen zijn gegevens op maandelijkse basis bestudeerd en in relatie gebracht tot bepalende momenten van de pandemie (lockdowns, versoepelen en andere momenten).
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
6
Verdiepende analyse Om een beeld te krijgen van de effectiviteit van de interventies is zowel voor de gebieden waar de reguliere (langdurige) groepsaanpak heeft plaatsgevonden als voor de gebieden waar specifiek inzet is geweest van straatcoaches een verdiepende analyse uitgevoerd. Hiervoor is de ontwikkeling van het aantal geregistreerde overlastmeldingen voor, tijdens en na implementatie van de aanpak gemeten. Om uitspraken te kunnen doen of veranderingen in het aantal overlastmeldingen (mogelijk) het gevolg zijn van deze aanpak, is voor elk analysegebied een vergelijkbaar (in sociaal-demografische en sociaaleconomische zin) controlegebied geselecteerd waar geen aanpak van kracht was. Door de (relatieve) ontwikkelingen in het aantal overlastmeldingen in beide gebieden te vergelijken kan, met een flinke slag om de arm, een uitspraak gedaan worden over de effectiviteit. Indien blijkt dat in het gebied waar de aanpak geïmplementeerd is de aantallen registraties van jeugdoverlast zich relatief gunstiger hebben ontwikkeld ten opzichte van het controlegebied dan is dit een indicatie voor een positief effect.
Vergelijking met andere gemeenten Er is een vergelijking gemaakt met de groepsaanpak van jeugdoverlast in vijf andere grote gemeenten. Er zijn gesprekken gevoerd met de beleidsmedewerkers OOV/ directie Veiligheid van de vijf gemeenten die zich vanuit hun functie bezig houden met de groepsaanpak binnen hun gemeente. Het doel van deze gesprekken was om zicht te krijgen in de uitvoeringspraktijk in andere gemeenten, inzicht te krijgen in hoe wordt ingezet op knelpunten die ook in de Haagse aanpak worden ervaren en lessen te trekken uit de groepsaanpakken voor de Haagse groepsaanpak. De informatie over de groepsaanpak in deze gemeente wordt op niet herleidbare wijze in dit rapport verwerkt.
Leerbijeenkomst Het onderzoek is afgerond met een leerbijeenkomst met de betrokken professionals die tevens in het kader van de procesevaluatie gesproken zijn. Tijdens deze leerbijeenkomst werd ingezoomd op de cijfermatige ontwikkelingen van de registraties van jeugdoverlast in Den Haag en reflecteerden we op de belangrijkste succesfactoren en knelpunten.
Leeswijzer In hoofdstuk 2 geven we een beknopte beschrijving van het proces van de groepsaanpak, zoals deze formeel is vastgelegd. Vervolgens gaan we in hoofdstuk 3 in op hoe de uitvoering in de praktijk verloopt. Wat gaat er goed en waar lopen de ketenpartners tegenaan? In hoofdstuk 4 zoomen we in op de effectiviteit van de groepsaanpak op basis van politiecijfers. In hoofdstuk 5 lichten we de belangrijkste knelpunten en verbeterpunten uit en benoemen we suggesties voor verbetering, mede gebaseerd op ervaringen uit andere gemeenten. We sluiten het rapport af met een concluderend hoofdstuk.
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
7
2
Groepsaanpak midden risicogroepen Om uitspraken te kunnen doen over hoe de uitvoering van de groepsaanpak van midden risicogroepen in de praktijk werkt, is het van belang eerst zicht te krijgen op wat het werkproces formeel is. In dit hoofdstuk geven we op basis van beleidsstukken een beknopte samenvatting van de groepsaanpak en welke professionals daarbij betrokken zijn.
2.1
Betrokken partijen De groepsaanpak kent drie pijlers: een persoonsgerichte aanpak, een gebiedsgerichte aanpak en een groepsgerichte aanpak. De samenwerkingspartners die deelnemen aan de persoonsgerichte aanpak van de jongeren die behoren tot een midden risicogroep, zijn vastgelegd in het Convenant PGA Lokaal4 van de gemeente. Naast de diverse afdelingen van de gemeente behoren de volgende partijen tot dit samenwerkingsverband: Politie Reclassering Nederland Leger des Heils (Jeugdbescherming en Reclassering) Fivoor Jeugdbescherming West Halt Middin Parnassia Groep William Schrikker Stichting Geerlings en Benard
Incidenteel sluiten andere partners aan, afhankelijk van de problematiek. 5 De regie van de casus voor de persoonsgerichte aanpak ligt bij de PGA-regisseur van de directie Veiligheid. De stad is ingedeeld in drie politiedistricten met meerdere basisteams van politie en per district is er één PGA-regisseur. Voor de groepsen gebiedsgerichte aanpak ligt de regie bij de accounthouder van de directie Veiligheid. De accounthouder werken op politiebureaus en staat daardoor in nauw contact met de teamchef van het betreffende bureau en met de andere partners die actief zijn in de wijken. Naast de PGA-regisseur en de accounthouder zijn verschillende partners van andere gemeentelijke diensten betrokken zoals Leerlingzaken (OCW), social casemanagement, Bureau Nazorg, Daklozenloket (OCW), Maatschappelijke Opvang (OCW), stadsdeel (DPZ).6 Welke partners aansluiten hangt af van de problematiek van de jongere.
4 Convenant PGA Lokaal, zie RIS307090_Bijlagen (raadsinformatie.nl)
DSP-groep
5
Convenant PGA Lokaal, zie RIS307090_Bijlagen (raadsinformatie.nl)
6
Convenant PGA Lokaal, zie RIS307090_Bijlagen (raadsinformatie.nl)
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
8
Voor de groepsgerichte- en gebiedsgerichte aanpak wordt een regiegroep opgericht. Aan de regiegroep nemen naast een PGA-regisseur en de accounthouder, lokale partijen zoals jongerenwerk, stadsdeel en politie deel. Daarnaast kunnen afhankelijk van de problematiek ook partijen aansluiten zoals woningbouwcorporaties of een school.
Straatcoaches Sinds augustus 2021 zijn in negen gebieden in Den Haag straatcoaches actief die ambulant jongerenwerk+ verzorgen. De gemeente wijst hotspots aan waar doorgaans groepen actief zijn die via het reguliere jongerenwerk moeilijk te bereiken zijn. De straatcoaches gaan met deze groepen in gesprek en werken samen met andere partijen om de jongeren hulp te bieden bij bijvoorbeeld school, het zoeken van een bijbaantje of hun schuldenproblematiek.
2.2
De aanpak De aanpak van een midden risicogroep wordt uitgevoerd aan de hand van het 7-stappenmodel dat in meerdere Nederlandse gemeenten als leidraad voor de aanpak van jeugdoverlast wordt gehanteerd.7 Deze stappen kunnen grofweg in drie fasen ingedeeld worden. Fase 1 heeft betrekking op het signaleren van groepsoverlast. Fasen 2 en 3 zijn erop gericht om de jeugdgroep verder in beeld te brengen. Met stap 4 wordt bepaald of en hoe de jeugdgroep aangepakt gaat worden. In stappen 5 tot en met 7 de groep daadwerkelijk aangepakt. We lichten de fasen en stappen kort toe:
Signaleren Stap 1: signalen delen van overlast Deze fase gaat van start als een signaal wordt gedeeld met de accounthouder. De aanmelder, de accounthouder en PGA-regisseur bespreken de signalen. 8 In deze stap wordt bepaald of er sprake is van overlast en of er regie nodig is of dat met een gerichte actie het probleem aangepakt kan worden. Tijdens deze fase worden alleen gegevens over de groep gedeeld en niet over individuele leden van de groep.
Duiden Stap 2: Informatie verzamelen en verbindingen De accounthouder vraagt in deze fase de politie om een groepsscan in te vullen. In deze scan wordt in kaart gebracht uit welke leden de groep bestaat en wat er over hen bekend is in de politiesystemen. De groepsscan bestaat uit informatie uit de politiesystemen en ‘zachte’ input van de wijkagent. 9
DSP-groep
7
Zie https://wegwijzerjeugdenveiligheid.nl/onderwerpen/jeugdgroepen/7-stappenmodel.
8
Convenant PGA Lokaal, zie RIS307090_Bijlagen (raadsinformatie.nl)
9
Convenant PGA Lokaal, zie RIS307090_Bijlagen (raadsinformatie.nl)
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
9
Stap 3: Integraal beeld en plan van aanpak maken In deze fase wordt de verzamelende informatie uit de vorige fase geanalyseerd en wordt aanvullende informatie bij de ketenpartners verzameld. Vervolgens wordt de informatie besproken in een veiligheids- en leefbaarheidsoverleg met de accounthouder en politie en wordt bepaald in hoeverre er sprake is van een laag, midden of hoog risicogroep, waarmee bepaald wordt op welk niveau de groep aangepakt wordt en wie worden uitgenodigd om deel te nemen aan de overkoepelende regiegroep.
In deze fase wordt voor een midden risicogroep met de partners van de PGA lokaal een concept plan van aanpak opgesteld voor de groep met prioriteiten. Hierin wordt bepaald waar op ingezet moet worden.
Stap 4: adviseren over en prioriteren van de aanpak In deze fase wordt een beknopte memo opgesteld door de PGA-regisseur en de accounthouder waarin de uitkomsten van de groepsscan worden besproken en de groepsaanpak wordt toegelicht.10 Deze memo wordt voorgelegd aan de Driehoek ter goedkeuring om met de groepsaanpak te starten.
Uitvoeren en afronden Fase 5: maken plan van aanpak Op basis van informatie die in fase 4 is verzameld, wordt op drie niveaus (persoon, groep en gebied) bepaald welke interventies ingezet gaan worden en een integraal plan van aanpak opgesteld. Persoonsniveau Er wordt per individueel lid van de midden risicogroep in beeld gebracht welke zorgen er zijn, hoe het systeem eruit zijn etc. Per individueel lid wordt een integraal plan van aanpak gemaakt. Groepsniveau Er wordt gekeken naar de dynamiek binnen de groep, welke personen een belangrijke rol hebben binnen de groep en of er een gemene deler binnen de groep is (bijvoorbeeld verslaving of dakloos) waar op kan worden ingezet. Gebiedsniveau Er wordt gekeken of er factoren zijn in de fysieke omgeving die samenhangen met de overlast en waarmee met de aanpak de overlast voor de wijk kan worden verminderd.
Stap 6: uitvoeren en monitoren plan van aanpak In deze fase worden de integrale plannen van aanpak op de drie niveaus uitgevoerd. Deze stap loopt parallel aan stap 5. De PGA-regisseur zorgt voor de voortgang, bijsturing en eventuele beëindiging van de aanpak op persoonsniveau.11 Eventueel kan in deze fase ook een nieuwe groepsscan worden uitgevoerd en wordt nieuwe informatie van betrokken ketenpartners aangeleverd bij de PGA-regisseur.12 De accounthouder zorgt voor
DSP-groep
10
Politie-eenheid Den Haag (2018). Integrale aanpak problematische jeugdgroepen.
11
Politie-eenheid Den Haag (2018). Integrale aanpak problematische jeugdgroepen.
12
Politie-eenheid Den Haag (2018). Integrale aanpak problematische jeugdgroepen.
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
10
voortgang op groeps- en gebiedsniveau. In de overkoepelende regiegroep wordt periodiek de voortgang over de geheel aanpak besproken met de kernketenpartners (monitoring). In deze fase worden de personen van de midden risicogroep ook genotificeerd dat informatie over hen verzameld wordt en dat zij worden besproken. 13
Stap 7: afronden en evalueren In deze fase wordt door de regiegroep bepaald of de midden risicogroep afgeschaald kan worden en de aanpak kan stoppen. De Driehoek wordt middels een memo geïnformeerd.
13
DSP-groep
Convenant PGA Lokaal, zie RIS307090_Bijlagen (raadsinformatie.nl)
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
11
3
De praktijk In het vorige hoofdstuk is beschreven hoe de groepsaanpak van de midden risicogroep er op papier uitziet. In dit hoofdstuk gaan we in op hoe de groepsaanpak jeugdoverlast in de praktijk verloopt. Wat gaat er goed en wat kan er beter? Dit doen we aan de hand van de drie fasen (signaleren, duiden en uitvoeren) die in het vorige hoofdstuk werden toegelicht. We sluiten dit hoofdstuk af door specifiek in te zoomen op wat er goed gaat in de samenwerking en wat er beter kan.
3.1
Uitvoering van het 7-stappenmodel Signaleren Wat gaat er goed? De huidige structuur waarbinnen de accounthouders laagdrempelig toegang hebben tot het wijkbureau faciliteert de signaalfunctie voor de jeugdaanpak enorm. Accounthouders nemen tweewekelijks deel aan de teambriefings van de politie. Naderhand vindt vaak overleg plaats tussen accounthouder en operationeel specialist A14 waarin wordt vastgesteld of er bepaalde patronen van jeugdoverlast kunnen worden geïdentificeerd. Soms wordt door de accounthouder aanvullende informatie opgehaald bij partners buiten de politie. Dat speelt bij onderwerpen waar de politie zelf niet in de lead is. Als bijvoorbeeld in een wijk relatief veel autobranden voorkomen dan worden cijfers opgevraagd bij de brandweer. Tussen politie, accounthouder en handhaving is veel onderling vertrouwen waardoor informatie eenvoudig wordt gedeeld.
Wat kan er beter? Signalen en aanmeldingen voor de aanpak komen grotendeels van de politie en jongerenwerk. Andere partijen, zoals onderwijsinstellingen, melden amper. In de gesprekken wordt door de ketenpartners gesteld dat zorgverleners in de praktijk te lang binnen hun eigen rol de jongeren willen helpen. Juist scholen kunnen zeer relevante zorgsignalen over individuele jongeren of een groep opvangen, zoals ongeoorloofd verzuim of (gewelds)incidenten (vroegsignalering). Scholen nemen deel aan verschillende overleggen waar zorgelijke signalen gedeeld kunnen worden, zoals tijdens overleggen van het zorgadviesteam (ZAT), waar zorg, politie en gemeente aan deelnemen en jeugd en school (JES) overleggen. Echter, signalen vanuit scholen komen volgens meerdere ketenpartners niet altijd goed aan het licht.
Ook brengen respondenten naar voren dat bij de politie bekende informatie over groepen en individuen uit een groep, niet altijd bij degenen terecht komt die vanuit de politie bij de groepsaanpak betrokken is. Restinformatie uit strafzaken of informatie uit overlastmeldingen die niet bruikbaar zijn voor de opsporing
14
Een operationeel specialist houdt zich bezig met het delen van signalen met partners van de PGA lokaal, voert individuen op in de PGA en adviseert andere organisaties over de aanpak, bijvoorbeeld als wijkagenten vastlopen in hun aanpak.
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
12
worden vanwege capaciteitsproblemen niet altijd opgenomen in processen-verbaal, terwijl dit informatie is die voor de wijkagent of operationeel specialist die betrokken is bij de groepsaanpak relevant kan zijn.
Capaciteitsproblemen en verloop in medewerkers bij politie en jongerenwerk zorgen er daarom voor dat de signaalfunctie onder druk staat. Bij wijkagenten en jongerenwerkers is veel verloop geweest en bij de politie is ook sprake van flinke druk op de capaciteit.
Duiden Wat gaat er goed? Om te komen tot een effectief plan van aanpak is het in deze fase van de aanpak van cruciaal belang dat de relevante informatie bij de accounthouder en de PGA-regisseur boven tafel komt en gedeeld wordt. Door de goede en prettig samenwerking, aldus de respondenten, komt de belangrijkste informatie boven tafel. Naast de politie is hiervoor jongerenwerk van groot belang. Voor jongerenwerkers is het bijzonder lastig omdat zij enerzijds partner zijn van politie en anderzijds een vertrouwensrelatie met jongeren hebben. Toch wordt in de praktijk in de meeste gevallen cruciale informatie met elkaar gedeeld zodat gericht kan worden ingezet.15
Wat kan beter? De ervaring dat jongerenwerk een belangrijke informatiepositie heeft, wordt door de alle respondenten onderkend. Echter, door het eerder genoemde spanningsveld waarin het jongerenwerk opereert, wordt in sommige wijken terughoudendheid ervaren door jongerenwerkers om informatie te delen. In de praktijk gebeurt dit (vooral) via de wijkagent. Echter, de wijkagent sluit niet altijd aan bij overleggen maar de operationeel specialist A. Hierdoor komt de informatie vanuit de ‘ogen van de wijk’ niet altijd goed bij het overleggen over de individuele jongeren in de groepsaanpak terecht.
Als op basis van signalen een groep in beeld komt, dan vraagt de accounthouder de politie een groepsscan in te vullen. Deze groepsscan blijkt in de praktijk geen eenvoudige opgave. De politie vindt het vaak lastig om exact aan te geven wie deel uitmaken van de groep en wie niet. Om deze definitiekwestie enigszins te omzeilen wordt flexibel gewerkt. Dat wil zeggen: er wordt gestart met een zogenaamde basisgroep en gedurende het proces kunnen er jongeren afvallen en bij komen. Deze flexibele werkwijze heeft geen invloed op de inschatting van het niveau (laag, midden, hoog) van de groep, maar gaat wel over hoeveel personen tot een groep behoren. Er worden twee belangrijke redenen genoemd die het lastig maken om goed zicht te krijgen op de samenstelling en verhoudingen in een groep: 1.
Een van de oorzaken waarom het lastig(er) is (geworden) om duidelijk te krijgen wie tot een (basis)groep behoort, is de afgenomen zichtbaarheid van groepen op straat doordat jongeren steeds meer online contact hebben. Weliswaar zijn steeds meer professionals, zoals de wijkagent 16 en het jongerenwerk, ook
15
Niet alleen cruciaal voor het kunnen duiden van een groep maar soms ook voor het aanhouden van jongeren.
16 Bij Bureau Hoefkade is recent een medewerker jeugd, web, wijk aangesteld die zowel fysiek op straat aanwezig is als online monitort.
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
13
online actief om daar contact te zoeken en onderhouden met de doelgroep, maar aan deze online aanwezigheid zitten beperkingen. Zo is de sfeer in een groep online veel minder makkelijk te peilen en informele contactmomentjes – zoals je die op straat kunt creëren – zijn niet eenvoudig te organiseren. Verder vinden contacten tussen de jongeren binnen de jeugdgroepen (voor een belangrijk deel) plaats in afgesloten Telegram-groepen. Professionals hebben daar vaak geen toegang toe. Of wanneer ze wel binnen een groep komen en de jongeren maken zich kenbaar of jongeren vermoeden dat er mogelijk iemand van de politie deelneemt, stappen jongeren over op andere gesloten groepen. De hoeveelheid informatie die online gemonitord zou moeten worden om zicht te krijgen op de onderlinge verhoudingen tussen jongeren en binnen groepen, is volgens respondenten te groot, gelet op de beperkte capaciteit die beschikbaar is. 2.
De tweede belangrijke oorzaak die in de gesprekken genoemd werd, is dat net als bij het signaleren voor het beoordelen en duiden van de jeugdgroepen het belangrijk is dat informatie binnen de politie effectief met elkaar gedeeld wordt. Maar informatie uit inwinning, open-source intelligence (OSINT), restinformatie uit strafrechtelijke onderzoeken en bevindingen van wijkagenten komen vaak niet of onvoldoende samen waardoor het beeld van een groep incompleet is.
Uitvoering en afronding Wat gaat er goed? De ketenpartners van de Haagse groepsaanpak hebben een grote mate van commitment. Dit zorgt ervoor dat partners vaak bereid zijn een stapje meer te zetten. Zij houden hun gezamenlijk doel over het algemeen goed voor ogen en houden vast tot ze dit hebben bereikt, ondanks eventuele bureaucratische hobbels. In de verschillende gesprekken is ook een aantal concrete factoren naar voren gebracht waarvan de partners een positief effect zien: Betrokkenheid van ouders. Bij minderjarigen worden ouders als belangrijke partner gezien voor de aanpak. Het is belangrijk dat ouders worden ingelicht over het gedrag van hun kinderen en dat zij (mede)verantwoordelijk zijn voor de aanpak van de overlast. Het helpt ook als er al via een van de ketenpartners zorgbemoeienis is met het gezin. Die warme contacten worden dan benut voor het leggen van het contact. Zorgvuldige bejegening van de jongere. Dit speelt een rol in de persoonsgerichte aanpak maar ook in het aanspreken van de groep als geheel. Bejegening wordt door respondenten niet opgevat als een ‘maniertje’, maar vraagt om een serieuze investering in de relatie en de mens. Oprechte aandacht en zonder oordeel het gesprek voeren zijn belangrijke randvoorwaarden. Ook transparantie richting de jongeren wordt van groot belang geacht.
Dat betekent ook dat de jongere bijvoorbeeld moet weten dat een jongerenwerker verplicht is melding te maken als de jongere een strafbaar feit pleegt. Ook is de ervaring van respondenten dat het goed werkt als jongerenwerkers en andere betrokken professionals een contextuele benadering kiezen waarbij zo veel mogelijk wordt aangesloten bij de belevingswereld van de jongere. In de bejegening is het goede voorbeeld geven cruciaal. Dat betekent onder meer dat
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
14
afspraken moeten worden nagekomen, zodat de jongere zelf ook kan worden aangesproken op het niet nakomen van afspraken. Wederkerigheid. De relatie tussen jongere en hulpverlening moet voor de jongere profijtelijk zijn. Het bieden van praktische hulp aan de jongere blijkt wat dat betreft een nuttig middel. Het kan daarbij gaan om hulp bij het schrijven van een brief aan en contact leggen met instanties, het begeleiden bij een tandarts bezoek, het geven van een lift naar een rij-examenlocatie of het helpen met een (huishoudelijke) klus. Het gaat om het bieden van flexibel maatwerk, aldus een jongerenwerker. Dit wekt zowel vertrouwen bij de jongere in kwestie en diens gezin, als bij de jongeren binnen de jeugdgroep doordat de jongere ruchtbaarheid geeft van de verleende hulp. Op die manier ontstaat er ook vertrouwen en goodwill bij de andere jongeren binnen de groep, wat openingen biedt voor de start van hulpverlening. Veel jongeren leven van dag tot dag. Geboden hulp moet daarom wel snel plaatsvinden. Een geïnterviewde jongerenwerker hanteert als vuistregel dat praktische hulp in principe binnen 72 uur geboden moet zijn. Match tussen jongerenwerk en de jeugdgroep. Zoals gezegd is het belangrijk dat wordt aangesloten bij de belevingswereld van de jongeren.
Dit betekent dat het belangrijk is dat er een persoonlijke klik is tussen de jongeren en de jongerenwerker en de jongerenwerker, bijvoorbeeld omdat zij overeenkomstige sociaal-culturele of etnische achtergrond hebben. Een vast honk. De groepsaanpak is gebaat bij een vast honk van waaruit je de activiteiten of projecten organiseert. Jongeren hebben behoefte aan een hangplek waar ze elkaar kunnen ontmoeten en het werkt goed als die hangplek dezelfde plek is als waar de activiteiten plaatsvinden. Op deze manier kan vertrouwen worden opgebouwd met het jongerenwerk of bijvoorbeeld de politie en op basis daarvan kunnen activiteiten worden georganiseerd.
Wat kan beter? Een aantal ketenpartners wijst erop dat tot op heden binnen de groepsaanpak relatief weinig groepsgericht wordt gewerkt. De focus ligt primair op individuele aanpakken (PGA) waardoor er weinig voortgang wordt geboekt op het verstoren van groepsprocessen en groepsdynamica zelf. Een tactische dadergroep analyse (TDGA) van de politie kan helpen om zicht te krijgen om de verschillende leden in de groep (o.a. leiders, meelopers, de verschillende achtergronden en problematiek van groepsleden, of er al maatregelen lopen etc.). Door capaciteitsgebrek lukt het echter niet om dit standaard uit te alten voeren. In die gevallen ontbreekt het bij de convenantpartners ook aan een totaalbeeld van de groep en de onderliggende samenhang. Om meer groepsgericht te werken moeten in de aanpak strategische keuzes worden gemaakt op wie als eerste kan worden ingezet, aldus geïnterviewden. Het kan helpen - zo wordt gesteld - om eerst in te zetten op leiders, en daarna pas de meelopers. Dit gebeurt in de praktijk weinig, aldus enkele respondenten.
Daarnaast lopen ketenpartners er tegenaan dat de groepen en netwerken tussen groepen steeds meer fluïde worden. Jongeren zijn minder gebiedsgebonden en daar waar in het verleden de jeugdgroepen vaak langs etnische lijnen georganiseerd waren, mixen jongeren van verschillende etnische achtergronden veel meer met elkaar. Ook de samenstelling van groepen is minder duurzaam geworden: jongeren treden makkelijker toe en
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
15
haken sneller af dan vroeger. Voorts zien respondenten dat door meer online contacten tussen jongeren het lastiger is om zicht te krijgen op wie tot een groep behoren en wie niet en wat jongeren allemaal van plan zijn. Hierdoor is het voor de ketenpartners niet altijd duidelijk van wie de jongeren ‘zijn’. Hierbij speelt mee dat de aanpak, vooral op gebieds- en groepsniveau, is ingericht om het inzetten van interventies in een bepaald gebied. Deze insteek zou volgens de respondenten, door de fluïde groepen en netwerken, aan effectiviteit inboeten. Gebiedsgericht werken in de huidige vorm is zodoende niet altijd passend.
Een ander punt van aandacht is dat dat gedurende de looptijd van de groepsaanpak de partners die aan tafel aanschuiven wisselen. Dit bemoeilijkt de aanpak omdat tijd verloren gaat met de overdracht van taken, het inlezen in de groep en de aanpak etc. Omdat jongeren wispelturig zijn, kan een korte periode dat er weinig gebeurt vanuit de aanpak in het leven van de jongeren alweer veel veranderd zijn (denk aan iemand die inmiddels is opgepakt).
Tijdens de leerbijeenkomst komt naar voren dat steeds meer jongeren naar school willen én kunnen werken. In Den Haag is het Jongerenpunt 070 opgericht, een portaal waar jongeren een aanbod van fulltimebanen kunnen vinden, om jeugdwerkloosheid tegen te gaan. Echter, een deel van de jongeren wil naast school een parttime bijbaan. Een instantie die helpt bij het vinden van een parttime baan (bijbaantje) zou helpend kunnen zijn.
Iedere groepsaanpak levert zinvolle lessen op voor de toekomst. Maar die moet je wel trekken en daarvoor is het nodig dat je na afloop van een traject met elkaar evalueert en intervisie doet. Als je als professionals wilt leren en door ontwikkelen, dan moet je hierin investeren. Dit gebeurt in de praktijk lang niet altijd. In plaats daarvan wordt meestal snel doorgegaan met de volgende groepsaanpak.
3.2
Samenwerking Samenwerken is geen doel op zich, maar bij een integrale aanpak vaak een noodzakelijke voorwaarde. Uit de literatuur is bekend dat goede samenwerking van een aantal factoren afhankelijk is: 17 1.
Het samenwerkingsverband. De juiste ketenpartners werken samen om de doelen te bereiken. Er zijn goede samenwerkingsrelaties met de andere partners die betrokken zijn bij de aanpak.
2.
Goede samenwerkingsafspraken. Er is overeenstemming over de doelen, de doelgroep en de beoogde resultaten met de samenwerking. Er zijn heldere afspraken gemaakt over taken, verantwoordelijkheden, bevoegdheden en overlegstructuur binnen de samenwerking.
17
Provan, K.G., Kenis, P. (2007). Modes of network governance: structure, management and effectiveness. Journal of Public Administration and theory, 229-252; Van Delden, P. (2009). Samenwerking in de publieke dienstverlening. Ontwikkelingsverloop en resultaten. Delft/Zutphen: Eburo; Luna-Reyes L.F & Andersen, D.F. (2007). Towards an Theory of Interorganizational Collaboration: Generic structures of Cross-Boundary Requirement Analysis; Gray, B. (1985). Conditions facilitating Interorganizational Collaboration. Human Relations, Vol 38 no 10, 911-936; Kenis (2011). Samenwerking in theorie. In: Van Leeuwen et al. Tussen institutioneel aanbod en organische vraag. Almere/Baambrugge: De Jeugdzaak.
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
16
3.
Sterke samenwerkingscultuur. Ketenpartners delen een gevoel van urgentie en zijn bereid duurzaam te investeren in de samenwerkingsrelatie.
4.
Regie en continuïteit. De sturing en coördinatie van de samenwerking is belegd en gewaarborgd. De sturing en coördinatie is gericht op het faciliteren en versterken van de samenwerking.
5.
Informatie-uitwisseling. De informatie-uitwisseling is praktisch geregeld en niet in strijd met privacywetgeving. Bij het inrichten van de werkprocessen is expliciet aandacht besteed aan het beperken van administratieve last en vergadertijd van professionals.
In deze paragraaf wordt getoetst in hoeverre bij de groepsaanpak voldaan wordt aan deze vereisten.
Het samenwerkingsverband Onder de geïnterviewden bestaat consensus dat zowel voor de groeps- en gebiedsaanpak als de persoonsgerichte aanpak de juiste ketenpartners gecommitteerd zijn aan de aanpak. Uitzonderingen daarop zijn de scholen die worden gemist in de groeps- en gebiedsgerichte aanpak. Bij de persoonsgerichte aanpak sluit de afdeling Leerlingzaken aan bij de overleggen, waardoor in die aanpak informatie over de schoolloopbaan aanwezig is. In de afgelopen paar jaar zijn scholen – mede door corona- echter bij de groepsen gebiedsgerichte aanpak minder betrokken geweest, wat door de ketenpartners als een gemis wordt ervaren. In hoofdstuk 5 wordt hier nader op ingegaan.
Daarnaast hebben ketenpartners de behoefte om partners aan tafel te hebben die goed zicht hebben op wat er in de wijk speelt. In de persoonsgerichte aanpak wordt het ontbreken van jongerenwerk als een gemis ervaren. En vanuit de politie is het niet altijd de wijkagent die aansluit maar alleen een operationeel specialist. Ook kom het voor dat een organisatie alleen op overkoepelend niveau vertegenwoordigd wordt, maar de direct betrokkenen missen. De overkoepelende vertegenwoordigers zijn niet altijd goed op de hoogte wat er in de groepsaanpak gebeurt, wat de samenwerking en aanpak kan bemoeilijken.
Goede samenwerkingsafspraken De geïnterviewde ketenpartners concluderen dat er in de regel heldere afspraken zijn over taken en verantwoordelijkheden en er sprake is van een duidelijke overlegstructuur. Soms blijkt echter in de praktijk dat partners niet helemaal goed van elkaar weten wat de andere partners precies mogen en/of welke verantwoordelijkheid zij dragen. Meerdere geïnterviewden wijzen erop dat het van belang is dat vaker dan nu gebeurt expliciet stilgestaan moet worden bij elkaars taken, rollen, verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Dit betekent ook dat duidelijk moet zijn wie op welke moment waarmee bezig is, om te voorkomen dat interventies elkaar gaan ‘bijten’. Zeker wanneer bij de betrokken partijen personele wisselingen zijn geweest is het van belang elkaar weer goed op de hoogte te brengen van elkaars taken en verantwoordelijkheden. Daarnaast wordt genoemd dat het van belang is om regelmatig expliciet stil te staan bij wat groepsaanpak in het algemeen inhoudt en welke partners wanneer betrokken zijn. Tijdens de evaluatie valt op dat soms knelpunten naar voren worden gebracht door geïnterviewden, maar dan blijkt er bij hen een verkeerd beeld of
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
17
verkeerde verwachtingen te zijn van de groepsaanpak. Zeker gelet op de snelle omloop van professionals bij de gemeente en de verschillende betrokken organisaties, is het van belang het doel en de werkwijze van de groepsaanpak regelmatig te herhalen.
Sterke samenwerkingscultuur Meerdere geïnterviewden wijzen erop dat in de regel sprake is van een sterke samenwerkingscultuur. Vooral daar waar de samenwerkingsverbanden langer bestaan en de contacten hecht en persoonlijk zijn, wordt goed samengewerkt. Korte lijnen en wederzijds vertrouwen maakt dat er snel geschakeld kan worden wanneer de situatie daarom vraagt.
Veel partijen wijzen erop dat het commitment van de betrokken partijen echt groot is. Professionals blijken vaak meer inzet te leveren dan zij zouden moeten vanuit hun dienstverband en dat draagt bij aan een gemeenschappelijk gevoel van verantwoordelijkheid. Daarbij wordt gewezen op de betekenis van warme contacten tussen de partners en aangegeven dat deze in de regel goed verzorgd worden. Van de zijde van de politie wordt bijvoorbeeld verteld dat een paar keer per week een CJG medewerker, iemand van reclassering en Parnassia groep op het bureau werken ten behoeve van laagdrempelig contact en betere samenwerking. Deze en andere initiatieven op dit terrein helpen om tussen organisaties te ‘ontschotten’, aldus de respondenten. Kantekening bij deze bevinding is dat in de periode dat de coronamaatregelen van kracht waren de frequentie van dergelijke contacten flink lager lag en de afstand tussen de partners daardoor (tijdelijk) toegenomen is.
Regie en continuïteit De sturing en coördinatie van de samenwerking is volgens de ketenpartners goed belegd, gewaarborgd en in de praktijk gericht op het faciliteren en versterken van de samenwerking. Daarbij wordt gesteld dat de directie Veiligheid actiegericht is en zich niet bureaucratisch opstelt.
Informatie delen Voor de Haagse aanpak is het convenant van PGA lokaal gemaakt waaraan, naast de gemeente, 10 partners deelnemen.18 Het convenant biedt de formele basis om informatie te mogen delen. In de praktijk blijkt dat deze basis in de meeste gevallen ook voldoende houvast biedt om ook strafrechtelijke en/of zorginformatie te delen. Soms ligt informatiedelen gevoelig, bijvoorbeeld bij jongerenwerk. Zoals eerder genoemd hebben zij een groot belang om de goede verstandhouding met de jongeren niet te schaden en het kan daarom lastig zijn om informatie van jongeren met de andere partners te delen. Jongerenwerk val t momenteel nog niet onder het convenant van de PGA lokaal, wat de informatiedeling bemoeilijkt. Momenteel wordt er landelijk aan een nieuw convenant groepsaanpak gewerkt en binnen Den Haag wordt op dit moment de laatste hand gelegd
18
Convenantpartner zijn: Gemeente, Politie; Reclassering Nederland; Leger des Heils (Jeugdbescherming en Reclassering); Fivoor; Jeugdbescherming West; Halt; Middin; Parnassia Groep; Willem Schrikker Stichting; Geerlings en Benard.
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
18
aan het herziene convenant jongerenwerk/politie. Dit biedt mogelijkheden om de informatiedeling met jongerenwerk te verbeteren.
De AVG beperkt soms het informatiedelen. Als voorbeeld wordt gewezen op de informatie die het CJG registreert. Op grond van geldende werkafspraken is het zorgdossier bij het CJG na drie maanden niet meer toegankelijk. Pas nadat expliciete toestemming wordt verkregen van de ouders kan deze informatie worden gebruikt voor de Haagse aanpak.
3.3
Slotbeschouwing Op veel punten verloopt de uitvoering van de Haagse aanpak van midden risicogroepen zoals beoogd. De samenwerking verloopt in grote lijnen efficiënt doordat ketenpartners elkaar goed te vinden. Er is duidelijke regie en de rollen en taken zijn doorgaans duidelijk. Bovendien wordt de directie Veiligheid als actiegericht ervaren, wat tot weinig bureaucratische hobbels leidt. De betrokkenheid van ketenpartners bij de groepsaanpak is hoog; ze zijn bereid om een stap extra te zetten voor de jongeren en hen in allerhande zaken te ondersteunen.
Er wordt ook een aantal knelpunten ervaren die de aanpak bemoeilijken en vragen om doorontwikkeling. De belangrijkste zijn: Ogen en oren vanuit de wijk zitten niet altijd aan tafel. Weinig zicht op online gedrag jongeren. Hierdoor minder aandacht voor beïnvloeden van groepsdynamiek. Nog geen passende aanpak bij fluïde groepen en netwerken. Weinig aandacht voor het evalueren van het verloop van groepsaanpakken.
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
19
4
De effectiviteit van de aanpak In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de ontwikkeling van de jeugdoverlast in het algemeen en overlast door de midden risicogroepen in het bijzonder. Hierbij wordt gekeken in hoeverre er indicaties zijn voor de effectiviteit van de aanpak van midden risicogroepen. Hierbij wordt ook gekeken naar het effect van de inzet van straatcoaches.
4.1
Globaal beeld jeugdoverlast Voordat we ingaan om de cijfers is het belangrijk om op te merken dat bij de interpretatie van de cijfers in acht moet worden genomen dat de registratie van meldingen en het beschikbaar stellen van deze registraties op het dataplatform van de politie over de jaren is verbeterd. Dit betekent dat bepaalde type meldingen die in de eerdere jaren buiten de cijfers bleven in latere later wel meetellen. Dit biedt een gedeeltelijke verklaring voor de toename van de meldingen. In welke mate dat geleid heeft tot een toename valt helaas niet te achterhalen. Ook is het belangrijk om op te merken dat de cijfers niet uitsluitend uit overlastmeldingen bestaat door groepen jongeren die tot de midden risicogroep beschouwd worden. Het gaat om het totaal aantal overlastmeldingen door (groepen) jongeren, dus ook van laag en hoog risicogroepen. In paragraaf 4.2. wordt verder ingegaan op de ontwikkelingen van de overlast door midden risicogroepen.
Onderstaand figuur laat zien dat sinds 2017 voor de stad Den Haag als geheel een flinke toename is geweest van het aantal overlastmeldingen bij de politie per 1,000 inwoners. Waar in 2017 het aantal meldingen 4,2 per 1000 inwoners was, lag dit aantal in 2021 op 7,1 (zie Figuur 4.1). Dit is een stijging van circa 80 procent.
Figuur 4.1 Aantal registraties per 1000 inwoners van jeugdoverlast, tussen 2017 en 2021.
2017
DSP-groep
4,6 3,7
4,2
7,1
7,8
REGISTRATIES PER 1,000 INWONERS
2018
2019
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
2020
2021
20
In vergelijking met de andere G4-gemeenten, is er een vergelijkbare trend zichtbaar (zie Figuur 4.2). Den Haag scoort in de afgelopen jaren ongeveer gelijk aan het landelijk gemiddelde en is daarmee vergelijkbaar met Rotterdam (De toename in Rotterdam tussen 2017 en 2021 was circa 93 procent). Amsterdam laat een iets gunstiger beeld zien. In Utrecht ligt daarentegen het aantal meldingen per 1000 inwoners fors hoger dan in Den Haag, de andere gemeenten en ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Daarnaast valt op dat in het algemeen er een forse toename zichtbaar is in 2020 en het aantal overlastmeldingen ook hoog blijft in 2021 t.o.v. de periode 2017-2019.
Figuur 4.2 Aantal registraties per 1000 inwoners van jeugdoverlast in Nederland, Den Haag, Amsterdam, Rotterdam en Utrecht, tussen 2017 en 2021
REGISTRATIES PER 1000 INWONERS 2018
2019
2020
2021
10,7
8,2
12,6 DEN HAAG
AMSTERDAM
4,8 3,9
3,8
4,2
3,5
3,8
3,2
4,6
3,7
4,2
5,5
7,1
7,9
7,1
7,9
7,2
4,4
5,1 4,1
NEDERLAND
11,8
13,8
18,2
2017
ROTTERDAM
UTRECHT (GEMEENTE)
De invloed van corona De sterke toename in 2020 en 2021 van het aantal overlastmeldingen, vraagt om een nadere analyse. Hierbij is het de vraag in hoeverre de coronamaatregelen in deze periode invloed hebben gehad op het aantal overlastmeldingen. In Figuur 4.3 is te zien dat de stijging van het aantal meldingen in Den Haag toenam gedurende periodes van lockdown en weer afname bij versoepelingen.
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
21
Figuur 4.3 Stijging/daling overlastmeldingen tijdens lockdown
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
22
Ook is te zien dat op sommige momenten de trend in 2020 en 2021 afweek van wat op basis van de voorgaande jaren (2016-2019) verwacht mag worden (zie Figuur 4.4).
Figuur 4.4 Invloed van coronamaatregelen op het aantal jeugdoverlast meldingen, ten opzichte van 2016-2019
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
23
Ook is te zien dat in het eerste kwartaal van 2022 het aantal meldingen van jeugdoverlast per 1000 inwoners is afgenomen. Ten opzichte van het eerste kwartaal van 2021 is in het eerste kwartaal van 2022 alweer een daling van 28% zichtbaar (zie Figuur 4.5).
Figuur 4.2 Aantal meldingen per 1.000 inwoners van jeugdoverlast in eerste kwartaal 2017-202219
Eerste kwartaal 2017-2022 2 1,8 1,6 1,4 1,2
1 0,8 0,6 0,4 0,2 0 2017
2018
2019
2020
2021
2022
Eerste kwartaal
Al met al komt naar voren dat 2020 en 2021 geen representatief jaar lijken voor de ontwikkeling van de jeugdoverlast in de gemeente Den Haag en de gemeente Den Haag bovendien niet afwijkt van de landelijke trend.
19
Bij de interpretatie van de cijfers is het belangrijk om in acht te nemen totaal aantal inwoners van 2022 nog niet bekend is, waardoor is uitgegaan van het totale inwoneraantal van 2021.
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
24
Invloed van coronamaatregelen op uitvoering groepsaanpak Op basis van de voorgaande figuren kan worden geconcludeerd dat er een sterke relatie is tussen enerzijds de coronamaatregelen en anderzijds de mate van geregistreerde overlast.
Door geïnterviewden ketenpartners wordt aangegeven dat gedurende lockdowns er meer samenscholing op straat was omdat alles dicht was, wat tot overlast heeft geleid. Ook leidden de groepsverboden die door de overheid werden opgelegd, tot veel onrust omdat in sommige wijken de cultuur is om veel de straat op te gaan. Samen met het beeld dat in sommige wijken er weinig draagvlak is voor de politie en bewoners het idee hebben dat de politie er is om te pesten, zorgden dit soms voor escalatie waarbij vernielingen werden aangebracht.
Voor straatcoaches en jongerenwerkers hadden de lockdowns overigens als voordeel dat jongeren letterlijk zichtbaarder waren op straat. Hun werk werd dan ook niet negatief beïnvloed door de coronamaatregelen. Wel zorgden de coronapandemie ervoor dat partijen minder met elkaar om tafel zaten. Een respondent zegt verbaasd te zijn geweest hoe snel instanties soms hun handen van jongeren aftrokken en gingen ‘Teamsen’, terwijl juist het live contact zo belangrijk is.
Veiligheidsmonitor 2021 Uit de Veiligheidsmonitor 2021 komt naar voren dat ruim 44% van de inwoners die de enquête heeft ingevuld, overlast van jongeren heeft ervaren. Hierbij valt op dat in twee wijken, Centrum en Schilderswijk, zowel de ervaren overlast als de geregistreerde overlast hoog is. Daarnaast is er een aantal wijken, Wateringse Veld, Scheveningen, Bouwlust en Vrederust en Ypenburg het aantal geregistreerde meldingen van jeugdoverlast hoog ligt, maar de ervaren overlast laag is. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat bewoners geneigd zijn snel melding te maken van overlast, maar dat de daadwerkelijk ervaren impact relatief meevalt. In de wijken Duindorp, Transvaalkwartier, Laakhavens, Spoorwijk en Noordpolderbuurt en Zuiderpark en Moerwijk, is daarentegen een omgekeerd verband zichtbaar: hier wordt relatief veel overlast ervaren, maar het aantal geregistreerde meldingen van overlast is naar verhouding laag. Dit kan mogelijk verklaard worden door een lage meldingsbereidheid onder de bewoners.
4.2
Effectiviteit in focusgebieden In dit onderzoek ligt de focus op de midden risicogroepen. Uit onderstaand figuur komt naar voren dat het totaal aantal problematische midden risicogroepen in de afgelopen paar jaar redelijk fluctueert, variërend van vier tot zeven groepen (zie Figuur 4.7).20
20
Tot begin 2021 werd elk half jaar aan de Driehoek een overzichtsmemo gemaakt vanuit directie Veiligheid op basis van politieinformatie met het aantal problematische jeugdgroepen op de verschillende risico’s. Recentere cijfers zijn op dit moment nog niet beschikbaar.
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
25
Figuur 4.3 Aantal midden risicogroepen per district en totaal tussen 1e helft 2018 en 1e helft 2020.
MIDDEN-RISICOGROEPEN District B
District C
Totaal
7
6 2
2
2 2
2 2
2 2
1 1E HELFT 2019
2E HELFT 2019
1E HELFT 2020
2E HELFT 2020
1E HELFT 2021
0
3
3
3
3
3
4
7 6 2 1 2E HELFT 2018
4
6 1E HELFT 2018
4 1 1
9
District A
Om beter inzicht te krijgen in het effect van de groepsaanpak van midden risicogroepen zijn de ontwikkelingen van het aantal overlastmeldingen vergeleken tussen gebieden waar een groepsaanpak is ingezet (zogeheten focusgebieden) op een midden risicogroep en gebieden die in sociaal-demografisch en sociaaleconomische zin vergelijkbaar zijn met de focusgebieden maar waar geen groepsaanpak is geweest. Op die manier wordt min -of-meer een quasi-experimenteel onderzoek geconstrueerd dat bestaat uit een experimentele groep en een controlegroep waarvoor een voor- en een nameting wordt gedaan. Wanneer in de experimentele gebieden (waar de groepsaanpak wordt ingezet) de overlast daalt terwijl dat in de controlegebieden niet gebeurt dan is dat een indicatie voor een positief effect. En ook: wanneer in de experimentele gebieden de overlast stijgt maar in de controlegebieden stijgt de overlast nog harder dan levert dat ook een indicatie op dat de aanpak daar effectief is geweest.
Over het algemeen is er een indicatie dat de groepsaanpak effectief is. In de gebieden waar een groepsaanpak liep van 2017 tot 2019 (n=4) en gebieden waar een aanpak liep van 2019 tot 2021 (n=2), is de afname van het jeugdoverlast sterker afgenomen of minder sterk gestegen dan in het referentiegebied én het algemene beeld in Den Haag (zie Tabel 4.1). Dit wijst erop dat de groepsaanpakken in deze wijken succesvol zijn geweest in het terugdringen van de jeugdoverlast.
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
26
Tabel 4.1 Procentuele verandering van jeugdoverlast in focusgebieden, referentiegebieden en op gemeenteniveau, uitgesplitst naar doorlooptijd van de groepsaanpakken Periode
Aantal groepsaanpakken
%-verandering
%-verandering
%- verandering
midden-risicogroepen
focusgebieden
referentiegebieden
Den Haag
2017-2019
4
+6%
+138%
+12%
2019-2021
2
-7%
+93%
+60%
2017-2021
2
+79%
+38%
+79%
De aanpakken die van 2017 tot 2021 liepen (n=2) lijkt de groepsaanpak minder te zijn aangeslagen. Hier wordt verderop nader op ingegaan.
Onderstaand figuur (zie Figuur 4.8) geeft de procentuele verandering weer van de jeugdoverlast in focusgebieden van het laatste jaar van de groepsaanpak ten opzichte van het startjaar van de aanpak. Ook is hierin de procentuele verandering zichtbaar van een referentiegebied. In het gros van de focusgebieden is er een (sterke) indicatie dat de groepsaanpak van een midden risicogroep effectief is geweest.
Figuur 4.4 Procentuele verandering jeugdoverlast in focusgebieden en referentiegebieden, laatste jaar aanpak versus startjaar aanpak.
FOCUSGEBIEDEN VERSUS REFERENTIEGEBIEDEN
42%
53%
63%
-12%
-55%
-15%
15%
38%
38%
38%
150%
150%
Referentiegebied
145%
38%
54%
150%
Focusgebied
In de focusgebieden is voor de wijken/buurten Schilderswijk-Oost, Lage Veld, Leyenburg, Moerwijk-West en Ypenburg het jeugdoverlast sterker afgenomen of minder sterk toegenomen dan in de referentiegebieden.
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
27
Voor de wijken Duindorp en Schilderswijk-Noord is de jeugdoverlast juist meer gestegen ten opzichte van de referentiegebieden en bij Scheveningen-Kuststrook is de jeugdoverlast net zo sterk gestegen als in het referentiegebied. Tijdens de leerbijeenkomst kwam naar voren dat de ontwikkelingen die in deze wijken zichtbaar zijn, mogelijk voor een deel worden verklaard door maatschappelijke gebeurtenissen en/of dat er sprake is van een seizoenseffect. Voor Scheveningen-Kuststrook is inderdaad een hoger aantal overlastmeldingen in de zomermaanden zichtbaar. Het is goed mogelijk dat de overlast in deze maanden grotendeels (ook) door groepen uit andere steden wordt veroorzaakt omdat zij in Scheveningen naar het strand komen. Dit betekent dat de cijfers voor deze wijk een vertekend beeld opleveren, omdat het geen goed beeld geeft van de overlast die door de ‘eigen’ jeugdgroepen wordt veroorzaakt. Ook is bij de Kuststrook een piek in de decembermaanden zichtbaar wanneer de vreugdevuren op het strand gehouden worden, die veel jeugd trekken. Ook dit biedt mogelijk een (gedeeltelijke) alternatieve verklaring voor het ogenschijnlijk uitblijven van een effect van de groepsaanpak. In Schildersbuurt-Noord zijn in januari 2021 rellen geweest naar aanleiding van de invoering van een avondklok (de zogeheten avondklokrellen).
Uit de cijfers blijken echter niet opvallend veel meldingen bij de politie geregistreerd te zijn rondom deze periode. En ook voor Duindorp geldt dat er geen opvallende pieken zijn die samen lijken te hangen met vreugdevuren of het strandseizoen. Dit valt deels te verklaren doordat het gaat om relatief korte momenten. In de interviews komt naar voren dat in deze gebieden de aanpak ook minder van de grond is gekomen. Veel personele wisselingen bij de partners, capaciteitsgebrek in combinatie met langdurige, sociale problematiek die al decennialang in de buurten speelt. Specifiek wordt ook verwezen naar het breed maatschappelijk geaccepteerde gebruik van drugs onder jongeren (en volwassenen) in deze buurten en een sterk levend vijandsbeeld bij bewoners van de politie. Hierbij moet worden opgemerkt dat hier inmiddels wel een verbetering in te zien is, aldus een geïnterviewde ketenpartners.
Oordeel volgens betrokkenen De respondenten zijn het er over het algemeen over eens dat de groepsaanpak van midden risicogroepen effectief is. Ze zien dat na verloop van tijd na inzet op deze groepen de overlast afneemt en dat de situatie op de leefgebieden van de jongeren verbetert. Met name bij jongeren die worden gezien als potentiële jonge aanwas, zijn met de groepsaanpak over het algemeen goed te bereiken. Vaak lukt het de ketenpartners hen weer richting school en/of werk te bewegen. Echter, bij jongeren die al met één been in het criminele leven staan is het volgens respondenten een stuk lastiger om effectief interventies in te zetten en een duurzame gedragsverandering te bewerkstelligen. Ook zijn sommige plekken en groepen hardnekkig om aan te pakken; is de ene jongeren uit de groep aangepakt of een groep als geheel, dan komt er de volgende jongeren of groep voor in de plaats. Dit heeft volgens een aantal respondenten niet alleen te maken met de effectiviteit van de groepsaanpak, maar meer met de structurele problematiek die in een gebied heerst, zoals achterstandswijken met relatief veel mensen met geldproblemen of drugsgebruik. Sturen op meer activiteiten door jongerenwerk heeft voor deze groepen weinig zin.
Als voorbeeld wordt vanuit de politie genoemd dat er wijken zijn waar drugscriminaliteit als heel normaal wordt beschouwd en wordt de ernst van drugsgebruik en – handel door
DSP-groep
RAPPORT ─ De effectiviteit van de groepsaanpak jeugdoverlast Den Haag
28
jongeren (en hun ouders) gebagatelliseerd. Bovendien krijgen sommige jongeren hier mee dat politie en andere instanties de vijand zijn, waardoor het lastig is om een ingang te vinden.
4.3
Inzet van straatcoaches Sinds augustus 2021 zijn er op negen plekken in Den Haag straatcoaches actief. Voor deze negen gebieden is gekeken naar de ontwikkeling van het aantal overlastmeldingen. Hierbij is de periode vóór de implementatie vergeleken met de periode na de implementatie. Daarnaast is per gebied een vergelijking gemaakt met een referentiegebied waar de straatcoaches niet actief waren, maar die sociaal-demografisch en sociaaleconomisch vergelijkbaar is.
Figuur 4.5 Procentuele verandering van overlastmeldingen gebieden waar straatcoaches worden ingezet versus referentiegebieden ten opzichte van 12 maanden voor implementatie
VERSCHIL MET -12 MAANDEN VOOR IMPLEMENTATIE Referentiegebied
-46% -38%
-46% -38%
-20%
-35%
-76%
-56% -49%
-31%
-19%
-6%
0%
15%
33%
38%
43%
100%
Gebied
Uit bovenstaand figuur (zie figuur 4.9) komt naar voren dat de wijken Moerwijk-Oost, Transvaalkwartier-Zuid en Houtwijk een sterk samenhang wordt gevonden tussen de inzet van de straatcoach en de afname van de overlast. In de wijken Vissershaven, Zonneveld en Scheveningen-Badplaats wordt een lichte positieve samenhang gevonden. Een effect blijft vooralsnog uit in de wijken Spoorwijk, Morgenstond-Oost en Zuidwal. Overall, zien we dat in de gebieden waar een straatcoach actief is het aantal overlastmeldingen sterker is gedaald dan in referentiegebieden, respectievelijk -24% en -15%. Het is belangrijk om hierbij op te merken dat