RIS313007 Bijlage
Tekst van het document
Daarnaast is de ambitie om in de periode 20182022 25.000 tot 30.000 bestaande woningen van duurzame energie te voorzien of ze hierop voor te bereiden, zodat ze klaar zijn om aangesloten te worden op schone energie. Per wijk worden wijkenergieplannen opgesteld. In deze plannen wordt beschreven welke toekomstige energievoorziening in de wijk beschikbaar is en hoe de overstap wordt gemaakt. Verder is de ambitie dat ieder geschikt dak in Den Haag zonnepanelen en zonneboilers heeft, groen is of anders wit. Leefomgeving Het opvangen van de groei van de stad dient met de ambitie van een gezonde, aangename leefomgeving gepaard gaan. Dit vraagt een maximale inzet op klimaatbestendigheid (omgaan met wateroverlast, hitte en droogte) en een sterke vooruitgang in milieukwaliteit. Klimaatbestendigheidsmaatregelen moeten zo mogelijk samenvallen met andere fysieke werkzaamheden in de stad, zoals gebiedsontwikkelingen, herinrichtingen en grootschalig onderhoud. Groen in de stad wordt kwalitatief ontwikkeld, zodat groen toekomstbestendig wordt. In intensiveringsgebieden zal groen in, op, en aan gebouwen een belangrijk middel zijn om bij te dragen aan de verschillende functies van groen in de stad (natuurontwikkeling, bijdragen aan klimaatbestendigheid, bieden plekken voor rust en ontspanning). Voorts wordt ingezet op schone lucht en bodem, aangenaam omgevingsgeluidsniveau en externe veiligheid.
Het behalen van milieunormen is hierbij niet voldoende. Uitganspunt is dat ontwikkelingen in de stad op een verantwoorde wijze worden mogelijk
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 26
gemaakt. Een afgewogen gebruik en beheer van de boven- én ondergrond wordt steeds belangrijker. Mobiliteit Den Haag kiest vooral voor vervoer dat weinig ruimte vraagt, duurzaam en gezond is: lopen, fietsen, lichte elektrische voertuigen (LEV's) en OV. Bij het inrichten van de buitenruimte krijgt dit prioriteit. Daarbij is extra aandacht voor de mensen met een beperking. Den Haag zet in op schoon vervoer. Dat doet de gemeente onder meer door het stimuleren van elektrische voertuigen. Elektrische auto's kunnen bijdragen aan een evenwicht tussen vraag en aanbod van stroom en aan een efficiënt gebruik van het stroomnetwerk in de stad. De groei van de stad vraagt om een andere organisatie van parkeren, rekening houdend met de omstandigheden en behoeften per wijk. Alternatieven worden gestimuleerd, zoals het gebruik van (elektrische-) deelauto's. De parkeernormen voor nieuw woongebouwen worden flexibeler en meer gebiedsgericht; binnen het invloedsgebied van de OV-corridors en rond OV-knopen kan een lagere parkeernorm gaan gelden. Grondstoffen Den Haag wil inzetten op hergebruik dat lokaal het meest kansrijk is en de meeste impact heeft.
Met dat doel voor ogen zal Den Haag zich concentreren op zes sporen: gebruiksgoederen delen en hergebruiken, hergebruik uit huishoudelijk afval, hergebruik uit de bouw, plastic terugdringen, voedselverspilling tegengaan, ondernemers ondersteunen in grondstoffenmanagement. De gemeente stelt eisen aan circulair gebruik van materialen en grondstoffen bij al haar opdrachten in zowel de bouw en sloop van gebouwen als de grond-, weg- en waterwerkzaamheden in de buitenruimte. Daarnaast zal de gemeente bij gebiedsontwikkeling en gronduitgifte het circulair gebruik van materialen en grondstoffen stimuleren middels gunningscriteria in ontwikkelcompetities. Grote winst is te behalen met slimme, modulaire ontwerpoplossingen in bouwprojecten. Uitvoeringsplan Duurzame Stedenbouw (2012; RIS 251776) Het document beschrijft de belangrijkste principes van duurzame stedenbouw en gaat in op voor Den Haag relevante opgaven, zoals het terugdringen van energieverbruik, het aanpassen van kust-klimaat-groen aan klimaatverandering, het stimuleren van loop en fiets bewegingen, en bouwen en hergebruiken van gebouwen. Duurzame stedelijke ontwikkeling betekent kiezen voor schone en gezonde systemen, rekening houdend met de eindgebruiker en met de mogelijkheid van geleidelijke vernieuwing.
Stedenbouwkundige en planologische keuzes ten aanzien van de situering van functies, afstemming tussen functies en (ruimtelijke) inrichtingselementen, grondgebruik (dichtheden), structuren en maatvoering kunnen bijdragen aan een duurzame ontwikkeling. Het doel is een adaptieve stedelijke omgeving die met zorgvuldig gebruik van grondstoffen en zonder ingrijpende aanpassingen lang meegaat en mooi kan verouderen. Den Haag kiest voor stedelijkheid en efficiënt grondgebruik, met een lage milieubelasting, minder energieverbruik en een beperkte mobiliteitsbehoefte. Dit betekent in grote lijnen dat er ingezet wordt op hoge dichtheid bij een OVknooppunt. Duurzaam bouwen in Den Haag Nieuwbouw in het plangebied dient te voldoen aan de beleidskaders voor duurzaam bouwen uit het Bouwbesluit en de daaraan gekoppelde energieprestatie. Deze energieprestatie is de afgelopen jaren stapsgewijs aangescherpt. Vanaf 1 januari 2021 dient alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, te voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). 3.4.7.1 Relatie tot ontwikkeling Vanaf 1 januari 2021 dient alle nieuwbouw te voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De woningen worden gasloos uitgevoerd. Op 20 augustus 2019 is het initiatief behandeld in het Haags Duurzaamheidsteam. Hierin zijn de duurzaamheidsambities opgedeeld in thema’s.
Bij de uitwerking van het plan is met deze duurzaamheidsambities rekening gehouden. Het plan wordt voorzien van pvpanelen. Daarnaast wordt voorzien in een extra waterbergingscapaciteit, waardoor de projectlocatie bestand is tegen eventuele extreme regenbuien en daarmee als klimaatadaptief kan worden beschouwd 3.4.7.2 Conclusie Het voorgenomen initiatief is in lijn met de duurzaamheidsagenda van de gemeente.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 27
4
OMGEVINGSASPECTEN STEDENBOUWKUNDIGE MOTIVERING Het St Jansklooster is eind jaren 50 gebouwd als onderdeel van het Stedenbouwkundig plan West uit 1927. Dit plan werd gekenmerkt door twee lancetvormige straten richting zee, waartussen voorziening gepland werden, zoals scholen, sportvelden en het klooster. Het plan is gewijzigd uitgevoerd waarbij de westelijke weg (Groen van Prinsterlaan) naar ‘binnen’ gebogen werd. De omgeving van het klooster is later gebouwd, overwegend jaren 60. De locatie maakt deel uit van een voorzieningenzone tussen twee woonwijken. Het voormalige Sint Jansklooster heeft een bestemming voor Maatschappelijke voorzieningen. In het grootste deel van het complex is het Hofstadlyceum gevestigd. Met het nieuwe programma voor het Patershuis wordt de woonfunctie op de locatie hier nieuw leven ingeblazen en geïntensiveerd zonder afbreuk te doen aan de bestaande voorzieningen. Het woongebouw sluit aan op de woonbebouwing van de Groen van Prinstererlaan. Voorzieningen voor de doelgroep zijn onder meer het om de hoek gelegen winkelcentrum en zwembad de Waterthor. In de omgeving bevinden zich een aantal ruimtelijke elementen die cultuurhistorische waardevol zijn. Bijzonder stedenbouwkundig element van stedelijk niveau is het lancetvormige stratenpatroon richting zee, met de plantsoenen langs de Thorbeckelaan en de Savornin Lohmanlaan.
De open groenstructuur van de Driehoek Loosduinen is stedenbouwkundig waardevol. Architectonisch waardevol zijn de bebouwingswanden langs de Laan van Meerdervoort, karakteristiek voor de Haagse school van Meer en Bos, en het winkelcentrum Savornin Lohmanplein met de moderne architectuur jaren 60. Beeldbepalende gebouwen zijn de Bellevuetoren, de onlangs verbouwde Pauluskerk, en het ensemble van het voormalige St Jansklooster. De nieuwbouw sluit aan bij het ensemble. Het gebied kenmerkt zich door een grote variatie aan bouwhoogtes. In het binnengebied en langs de Thorbeckelaan is de bouwhoogte overwegend tussen de 2 en 4 lagen. Langs de Groen van Prinstererlaan en de Laan van Meerdervoort is de bebouwing hoger, met overwegend 5-8 lagen. Tegenover de locatie staat de flat op het winkelcentrum van 10 lagen. Het hoogteaccent is de Bellevue-toren met 19 lagen (70m). De ontwikkeling sluit aan bij de hoogtes uit de omgeving tussen de 4 en 8 lagen.
MOTIVERING BEHOEFTE / LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor het eerst geïntroduceerd in de SVIR en is als motiveringseis verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 28
Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen:
Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
Artikel 3.1.6 van het Bro:
Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling omvat de realisatie van 81 appartementen (waarvan de helft bestemd voor zorg) en kan daarmee, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging getypeerd worden als nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. In het kader van de Ladder van duurzame verstedelijking, dient de behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. Tot 2025 zijn ca. 49.000 (Primos) tot 55.000 (provincie ZH) woningen nodig binnen de regio. Geconcludeerd kan worden dat zowel voor de korte als de lange termijn onvoldoende harde plannen zijn om aan de gewenste groei van de regionale woningvoorraad (woningbehoefte) tegemoet te komen. Ook de zachte planvoorraad is (zeer waarschijnlijk) op de korte termijn en lange termijn onvoldoende om de gewenste groei van de woningvoorraad te accommoderen. Bij nieuwbouw en verdichting wordt een norm van 30% sociale woningbouw voor de hele Stad gehanteerd. De gebieden Zuidwest, de Schilderswijk, Transvaal, Mariahoeve, Kompasbuurt, Waldeck, Kom-Loosduinen, Spoorwijk en de Molenwijk kennen een hoog aandeel sociale woningbouw en zullen daarom áls er verdichting plaatsvindt zoveel mogelijk worden gediversifieerd. Dit houdt in dat er in deze wijken gestreefd wordt om het totale (relatieve) aandeel sociale woningbouw niet te laten stijgen.
Áls er sociale woningen worden gesloopt komt wel minstens hetzelfde aantal terug. Dit is een verdichtingslocatie en het is een relatief klein project, en dus kan in andere segmenten dan sociaal worden gebouwd, waarbij wel moeten worden voldaan aan de eis van 20 % middelduur. De ontwikkeling gaat uit van woningen waarvan de helft bestemd is voor huishoudens met een zorgindicatie. Een zorgwoning voor ouderen moet minimale 50 m2 groot zijn (b.v.o) en voldoen aan Woonkeur plus. Zorg moet door de bewoner zelf georganiseerd worden en is daarmee niet gekoppeld aan de woning. De mate van zorg wordt bepaald aan de hand van zorgzwaartepakket waarbij gebruik wordt gemaakt van indicatiewaarden (1 tot en met 10). De andere helft van de woningen betreffen regulieren woningen voor alleenstaanden, tweeverdieners en gezinnen. Toevoeging van dit gehele
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 29
woonconcept past in de visie van de gemeente om langer zelfstandig wonen, met een vorm van zorg en/of ondersteuning in de buurt, te bevorderen. Het toevoegen van gedeelde voorzieningen (ontmoetingsruimte en terras) draait bij aan het creëren van een vorm van nabuurschap.
Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking is met succes doorlopen
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2022 in werking treedt. Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken.
Relatie tot ontwikkeling Archeologie Op grond van het vigerende bestemmingsplan kent de projectlocatie geen dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Ook blijkt op grond van de Archeologische waarden- en verwachtingenkaartvan de gemeente Den Haag dat de projectlocatie gelegen is binnen een zone zonder archeologische verwachtingen. Figuur 10. Uitsnede Archeologische waarden- en verwachtingenkaart Den Haag.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 30
Cultuurhistorie De projectlocatie is niet gelegen binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht. Het gebouw dat gesloopt dient te worden ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling maakt onderdeel uit van het ensemble van het klooster, maar betreft geen monument.
Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Gebieden langs een hoofdinfrastructuur worden getypeerd als een gemengd gebied.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 31
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie kent de bestemming ’Maatschappelijk’. Omliggende bestemmingen betreffen overwegend ‘Wonen’ en ‘Centrum’. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat sprake is van een gemengd gebied. Onderstaand figuur betreft een analyse van de aanwezige functies in de omgeving. Figuur 11. Uitsnede vastgesteld planologisch uitwerkingskader Treublaan.
Ten zuiden van de projectlocatie zijn sportveld gelegen. Op grond van de handreiking bedrijven en milieuzonering betreffen veldsportcomplexen (met verlichting) milieucategorie 3.1 (SBI – 2008: 931), met een te hanteren richtafstand van 30 meter binnen een gemengd gebied. De afstand van de projectlocatie tot deze sportvelden bedraagt ruim 40 meter en derhalve kan geconcludeerd worden dat dit geen belemmering vormt. Aan de overzijde van de Treublaan zijn de gronden bestemd als ‘Centrum’. Hierbinnen is onder andere detailhandel, lichte en/of middelzware horeca-inrichtingen, dienstverlenende/ recreatieve bedrijven en kantoren toegestaan. Café’s, bars, cafetaria alsmede detailhandel en kantoren worden gekwalificeerd als milieucategorie 1 met een bijbehorende richtafstand van 0 meter binnen een gemengd gebied. De afstand tot de projectlocatie bedraagt circa 20 meter en derhalve kan geconcludeerd worden dat dit geen belemmering vormt. Het te slopen deel betreft het klooster gelegen aan de Treublaan. Het klooster kent de bestemming ‘Maatschappelijk’ waarbinnen educatieve, sociaal medische, levensbeschouwelijke voorzieningen waaronder peuterspeelzalen, kinderdagverblijven, buitenschoolse opvangen en voorzieningen ten behoeve van de openbare dienstverleningen alsook onderschikte horeca ten dienste van deze voorzieningen zijn toegestaan.
De hiervoor genoemde bestemmingen worden gekwalificeerd als milieucategorie 2 met een te hanteren richtafstand van 10 meter binnen een gemengd gebied. Aan het klooster, in de tussenvleugel, komt een souterrain met hierboven één geluidsgevoelige bouwlaag (hieronder afgebeeld als bouwdeel A). Dit deel is bouwkundig afgescheiden van het klooster waardoor geconcludeerd kan worden dat dit geen belemmering vormt. Onderdeel van het plan is ook de herplaatsing van de twee multifunctionele sportvelden. Deze zullen in
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 32
hoofdzaak in gebruik genomen worden door de school, maar ook door de bewoners van het wooncomplex. Op grond van de VNG Handreiking Bedrijven en milieuzonering geldt dat sportvelden (met verlichting, SBI code 2008: 931) gekwalificeerd worden als milieucategorie 3.1 met een bijbehorende richtafstand van 30 meter binnen een gemengd gebied. Het betreft in dit geval geen reguliere sportvelden. De gronden zijn in overwegende mate in gebruik voor naschoolse kinderopvang. Een kinderopvang wordt gekwalificeerd als milieucategorie 2 (SBI 2008: 8891) met een bijbehorende richtafstand van 10 meter binnen een gemengd gebied. Aangezien ruimschoots voldaan wordt aan de richtafstand van 10 meter kan geconcludeerd worden dat dit geen belemmering vormt. Figuur 12. Uitsnede vastgesteld planologisch uitwerkingskader Treublaan.
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
BEZONNING Algemeen Bij bezonning bij ruimtelijke plannen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. De gemeente Den Haag heeft beleid dat gebaseerd is op de TNOnorm. In afwijking van de lichte TNO-norm is in de Haagse norm de bezonning van gevels maatgevend, onafhankelijk van de plaats van de ramen (RIS170509).
Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van het initiatief is een bezonningsonderzoek verricht om te beoordeling wat de invloed is van de realisatie op de bezonning van omliggende bebouwing en de buitenruimte. Dit onderzoek is als bijlage opgenomen. Op grond van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat ondanks een vermindering van mogelijke zonuren bij een aantal nabij gelegen woningen, nog ruim voldaan wordt aan de Haagse Bezonningsnorm.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 33
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bezonning geen belemmering vormt voor de ontwikkeling die middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden.
BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.
Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een bodemonderzoek uitgevoerd door Ingenieursbureau Mol. De rapportage (projectnummer: A2579, 7 juli 2017) is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Tevens is een nader bodemonderzoek (projectnummer A3439, d.d. 28 mei 2018) uitgevoerd, naar aanleiding van de aangetroffen verontreinigingen met koper en zink in de grond tijdens het verkennend bodemonderzoek. De resultaten worden hieronder samenvattend besproken. Op basis van de resultaten van het verkennend- en nader bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de grond zeer plaatselijk sterk verontreinigd is met koper en zink. De verontreiniging is zowel in horizontale als in verticale richting afgeperkt. Op het overig deel van de locatie is de grond plaatselijk licht verontreinigd met koper en zink. Uitgaande van een oppervlakte van 20 m2 en een verticale verspreiding van maximaal 0,5 meter wordt het bodemvolume sterk verontreinigde grond geschat op circa 5 m3. Conform het gestelde in de Wet bodemverontreiniging is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Het volume criteria wordt niet overschreden.
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 34
Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR.
Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.
Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is de risicokaart geraadpleegd. Hierop is te zien dat de projectlocatie niet gelegen is binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting. Noch is de projectlocatie gelegen binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen, het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute of het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Figuur 13. Uitsnede risicokaart (bron: www.nederland.risicokaart.nl).
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 35
Ten zuidoosten van de projectlocatie, aan de Thorbeckelaan 350 is het zwembad De Waterthor gelegen. Op grond van de toelichting bij het vigerende bestemmingsplan kan geconcludeerd worden dat in deze inrichting sprake is van de opslag van 1.000 liter chloorbleek in een tank. Dit betreft een irriterende, niet giftige stof. Voor opslag van chloorbleekloog gelden geen wettelijke veiligheidsafstanden (PR-contour). Wanneer chloorbleekloog in contact komt met zuur kan er echter chloorgas vrijkomen. In dat verband moet worden beoordeeld of sprake is van ‘verhoogd gevaar’ voor de bevolking volgens de Leidraad Risico Inventarisatie, deel Gevaarlijke Stoffen (LRI-GS). De drempelwaarde voor chloorbleek is volgens deze leidraad 200 liter in een tank of procesinstallatie. Aangezien deze drempelwaarde wordt overschreden is de LRI-GS van toepassing. Er is sprake van een ‘verhoogd gevaar’ bij een 1%-letaliteitscontour van 50 meter of meer. Op basis van de LRI-GS geldt voor deze tank een contour van 60 meter en is er dus sprake van een verhoogd gevaar voor de directe omgeving. De afstand van de projectlocatie tot het zwembad De Waterthor bedraagt ruim 120 meter en derhalve kan geconcludeerd worden dat dit geen belemmering vormt voor het voorgenomen initiatief dat middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.
Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van het plan is door Ingenieursbureau Spreen akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage is als bijlage toegevoegd. Hieronder worden de resultaten samenvattend weergegeven. De locatie is gelegen binnen de geluidzones van de Laan van Meerdervoort (incl. trambaan), de Thorbeckelaan en de Groen van Prinsterlaan. De Treublaan betreft een 30 km/h weg en heeft van rechtswege geen zone. De gemeente heeft aangegeven dat de verkeersintensiteit op deze weg volgens het verkeersmodel minder dan 900 motorvoertuigen per etmaal bedraagt en niet in het onderzoek hoeft te
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 36
worden betrokken. Onderstaand figuur betreft de locatie van de nieuwe gebouwen. In de tussenvleugel komt een souterrain met hierboven één geluidsgevoelige bouwlaag. Gebouw B betreft een gebouw met slaapkamers in de souterrain met hierboven vijf geluidsgevoelige bouwlagen. Gebouw C betreft een gebouw met slaapkamers in de souterrain en acht geluidsgevoelige bouwlagen. Figuur 14. Uitsnede akoestisch onderzoek (kenmerk: 20211760).
De geluidsbelasting ten gevolge van de Laan van Meerdervoort (incl. trambaan) bedraagt ten hoogste 46 dB Lden (incl. aftrekart. 110 Wgh). De geluidsbelasting ten gevolge van de Thorbeckelaan bedraagt ten hoogste 48 dB Lden (incl. aftrek art. 110g Wgh). Ten slotte bedraagt de geluidsbelasting ten gevolge van de Groen van Prinstererlaan ten hoogste 48 dB Lden (incl. aftrek art. 110g Wgh). Uit de berekening blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden door de zoneringsplichtige wegen niet wordt overschreden. De gecumuleerde geluidsbelasting, zonder aftrek art. 110g Wgh, overschrijdt nergens de in het Haagse Ontheffingenbeleid als norm gestelde plandrempel van 69, 5 dB. Daarmee is deze ontwikkeling op deze locatie binnen het kader van de Wet geluidhinder inpasbaar, zonder dat daarvoor een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde nodig is. De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt op enkele woningen meer dan 53 dB. Bij een standaard geluidwering volgens het Bouw besluit van 20 dB , bedraagt het binnen niveau in deze woningen meer dan 33 dB. Omdat sprake is van een gecumuleerde geluidbelasting van maximaal 54 dB is uit kwalitatief oogpunt getoetst aan een karakteristiek binnenniveau van 33 dB voor het aanwezige wegverkeerslawaai door Bureau Bouwfysica (referentie: 20148.08, zie bijlage).
Hieruit blijkt dat dat voor alle woningen met de in deze rapportage beschreven bouwkundige uitgangspunten, waaronder standaard dubbele HR++ beglazing (bijv. 4/15/5 mm of gelijkwaardig) in combinatie met enkele kierdichting en standaard Velux/Fakro dakramen, de kwalitatief vereiste karakteristieke geluidwering kan worden gewaarborgd.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 37
LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.
De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.
Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de ontwikkeling van 81 appartementen. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over o.a. verkeersgegevens). Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 5 oktober 2021) met bijbehorende grenswaarden. Tabel 1. Jaar
Totale concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in nabijheid van de projectlocatie Totale concentratie NO2 (µg/m3) PM10 (µg/m3)
PM2,5 (µg/m3)
2030
14,212
6,916
8,979
Grenswaarden
40
40
25
Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie. Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 38
NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.
Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn.. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.
Relatie tot ontwikkeling Soortenbescherming Ten behoeve van de ontwikkeling is op 18 september 2019 door Ecoresult een QuickScan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. Uit de resultaten van de QuickScan ecologie is gebleken dat een afdoend onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen, huismus en gierzwaluw binnen de planlocatie noodzakelijk is, om de effecten van de ruimtelijke plannen te kunnen bepalen. Ook zijn een achttal bomen ingemeten. Zowel de QuickScan als het afdoend onderzoek zijn als bijlage toegevoegd. De resultaten worden hiervan samenvattend weergegeven. Uit de resultaten van het afdoend onderzoek naar vleermuizen blijkt dat er op planlocatie drie verblijfplaatsen zijn van gewone dwergvleermuizen; twee paarverblijven en één klein winterverblijf. Geen nestplaatsen van gierzwaluw en huismus zijn aangetroffen. De aanwezigheid van de verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis maakt dat voor de ruimtelijke plannen een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Voor het tegengaan van effecten zijn mitigerende en compenserende maatregelen in de vorm van het aanbieden van minimaal 12 (geschikte) alternatieve verblijfplaatsen noodzakelijk. Deze kasten zijn reeds aan de school bevestigd.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 39
Gebiedsbescherming Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is het ‘Westerduinpark en Wapendal’ op 0,3 kilometer ten noordoosten van de projectlocatie. Op circa 800 meter is het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen, namelijk ‘Park Bos en Meer’. Per 1 juli is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking. De Wet wijzigt de Wet natuurbescherming middels de toevoeging van een aantal artikelen. Belangrijke onderdelen van de Wet zijn een zo ver mogelijke reductie van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en een vrijstelling voor de bouwsector. Het gevolg van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering voor de bouwsector is dat per 1 juli een gedeeltelijke vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht geldt. De tijdelijke gevolgen van door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie kunnen daarmee buiten beschouwing worden gelaten bij de natuurvergunning. De aanlegfase hoeft dus niet meer meegenomen te worden in de stikstofdepositieberekening. Voor de gebruiksfase is dit nog wel het geval. Ten behoeve van de ontwikkeling is met behulp van de AERIUS-calculator een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. Door Els & Linde is hiertoe een memo geschreven welke als bijlage is toegevoegd. Ook de AERIUS-uitdraai is als bijlage opgenomen.
De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. Als gevolg van het plan is sprake van depositie op de volgende Natura 2000-gebieden: Westerduinpark & Wapendal – 290 meter afstand; Solleveld & Kapittelduinen – 1.800 meter afstand; Meijendel & Berkheide – 6.400 meter. Uit de berekeningen blijkt dat er tijdens de gebruiksfase sprake is van een verhoging van de depositie van maximaal 0,04 mol/ha. Omdat tijdens de gebruiksfase een verhoogde depositie ontstaat is berekend of saldering met de emissie vanuit het klooster een positief resultaat oplevert. Het klooster heeft een bvo van 2917,3 m2. Voor de berekening van de emissie vanuit het klooster wordt de norm van Aerius per m2 bvo gehanteerd (0,16 kg), dat leidt tot een emissie van 466,8 kg/j. Geschat wordt dat voor het klooster 200 mvt/etm worden gegenereerd. Omdat geen zekerheid is te geven over de verkeersbewegingen is een saldering uitgerekend met verkeersgeneratie vanuit het klooster en zonder deze verkeersgeneratie. Uit beide berekeningen blijkt dat saldering leidt tot een lichte afname van de depositie. Er is voor de gebruiksfase geen vergunning noodzakelijk.
Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.
Relatie tot ontwikkeling Parkeren Auto
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 40
De parkeernorm van de gemeente Den Haag is opgenomen in de Nota Parkeernormen 2011 (RIS181571). Ten aanzien van zorgwoningen geldt dat de parkeernorm is afgestemd op het zorgzwaartepakket (1 tot en met 10). Bij 1 tot en met 3 betreft het mensen die geholpen worden door vooral mantelzorgers en huishoudelijke hulp. Bij deze groep mensen is het mogelijk dat zij in het bezit kunnen zijn van een auto. De parkeernorm is hierdoor op 0,3 gezet. Vanaf categorie 4 (denk hierbij aan beschut/beschermd wonen) is het echter aannemelijk dat men geen auto meer heeft, hierdoor is bij deze categorieën de parkeernorm van 0 van toepassing. Voor de niet-zorgappartementen geldt op grond van het vigerende beleid een parkeernorm van 0,9. In de bijlage is een parkeertelling opgenomen. Op 14 juli 2020 is de ingediende motie ‘Ruimte voor de fiets in het St. Jans Klooster’ (RIS305966) aangenomen. De afdoening van de motie is opgenomen als bijlage aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De totale parkeerbehoefte van het plan bedraagt 53. In de parkeerkelder worden 47 autoparkeerplaatsen gerealiseerd. Tevens worden 2 deelauto’s binnen het plan gerealiseerd. waardoor in totaal zes autoparkeerplaatsen gecompenseerd worden. Op grond van de afdoening motie ‘Ruimte voor de fiets in het St.
Jans Klooster’ wordt door het college geconcludeerd dat het mogelijk is om af te wijken van de parkeereis, omdat parkeerproblemen niet worden verwacht. Dit bouwplan voorziet ten opzichte van de huidige bebouwing in (fiets)parkeerplaatsen op eigen terrein. Er wordt vrijwel geheel voorzien in de parkeerbehoefte van 60pp. maar omdat het bouwplan niet in een betaald regime ligt mogen de 2 deelauto’s met een totale parkeerbehoefte van 8pp. niet worden gereduceerd conform de stimuleringsregeling autodelen. Met de argumenten zoals opgenomen in de afdoening van de motie is voor het college voldoende gewaarborgd dat de gekozen mobiliteitsoplossingen recht doen aan de betreffende ontwikkeling en omgeving. Figuur 15. Plattegrond kelder.
Fiets Naast het voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor de auto dient ook te worden voorzien in genoeg stallingsruimte voor de fiets. De fietsparkeernormen van de gemeente Den Haag zijn opgenomen in de ‘Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016’. In de parkeertelling (kenmerk: parkeertelling_20210730, zie bijlage) is tevens de fietsparkeerbehoefte inzichtelijk gemaakt. Op eigen terrein worden voldoende fietsparkeerplaatsen gerealiseerd. Het plan voldoet aan de eisen vanuit de Haagse bouwbrief. Ontsluiting en verkeersgeneratie De locatie is aan vier zijden omsloten door stedelijke hoofdwegen en een wijkontsluitingsweg. Via de Treublaan en de Donker Curtiusstraat is de locatie daar aangetakt. Het gebouw wordt ontsloten vanaf de
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 41
Treublaan, tevens de Laad- en losstraat van het winkelcentrum. In de omgeving liggen twee doorgaande fietsroutes (richting Centrum en richting zee). Randstadrail lijn 3 richting Den Haag Centraal en Loosduinen halteert bij het winkelcentrum. De locatie is goed ontsloten voor alle verkeerssoorten. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is de CROW - publicatie 381 geraadpleegd. Voor huur – etagemidden/goedkoop geldt binnen een ‘zeer sterk stedelijk gebied’ en ‘schil centrum’ een minimale verkeersgeneratie van 1,8 en maximaal 2,6. Geconcludeerd kan worden dat als gevolg van het plan sprake is van een minimale verkeersgeneratie van 146 en maximaal 211. De bestaande wegenstructuur kan de (extra) verkeersgeneratie als gevolg van het initiatief zonder problemen afwikkelen.
Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
WATER Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.
Relatie tot ontwikkeling Het plangebied is gelegen binnen het beheergebied van Delfland. In het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP5) heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Voor de zorgplicht voor ‘droge voeten’, ‘stevige dijken’ en ‘schoon water’ zijn meerjarenprogramma’s opgesteld die doorlopen in de planperiode tot 2021. Delfland zet in op integraal waterbeheer in het sterk verstedelijkt deel van Nederland. Samen met de gemeenten en andere partners werkt Delfland aan klimaatadaptatie. Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners. Delfland werkt ook aan het waterbewustzijn om de kosten van het waterbeheer waar mogelijk te verlagen en het draagvlak te vergroten voor het zelf nemen van maatregelen. Hieronder wordt ingegaan op de relevante waterthema’s. Waterkwaliteit en riolering Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Het plan wordt aangesloten op de bestaande riolering ter plaatse.
Het hemelwater wordt niet direct op het riool geloosd, maar via de retentiedaken opgevangen en vertraagd afgevoerd, voordat het geloosd wordt. Waterkwantiteit Bij een toename van het verhard oppervlak kan een watervergunning en compenserende maatregelen aan de orde zijn. Delfland maakt gebruik van de watersleutel. Dit is een rekentool die helpt te bepalen hoeveel waterberging moet worden gerealiseerd om bij een ruimtelijke ontwikkeling de effecten op het watersysteem te compenseren. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, zorgen immers voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Dit kan leiden tot wateroverlast en moet worden gecompenseerd door extra waterberging aan te leggen. Daarnaast vindt Delfland het belangrijk dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden met hevigere neerslag door klimaatverandering. De Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 42
watersleutel berekent daarom de benodigde waterberging, zowel voor het compenseren van verharding als om gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Watersleutel, wateropgave en klimaatadaptie Door Overdevest adviseurs is in kaart gebracht wat de huidige en toekomstige verhardingspercentages in het plangebied zijn en is de watersleutel ingevuld. Hierbij is specifiek ingegaan op de ontwikkeling van de nieuwbouw in het plangebied. Een en ander is in de “Notitie hemelwaterberging”, welke is toegevoegd als bijlage, beschreven. Hieronder worden de resultaten uit deze notitie beschreven. De totale extra verharde oppervlakte is inzichtelijk gemaakt om deze rekentool in te vullen. Zie hiertoe onderstaand tabel.
Op grond van de ingevulde watersleutel (zie bijlage notitie hemelwaterberging) kan geconcludeerd worden dat extra waterberging van 134,5 m3 gerealiseerd dient te worden ten behoeve van de ontwikkeling. In het perceel is er geen mogelijkheid tot het uitgraven van extra open water. Hierdoor dient het hemelwaterberging te worden ontworpen aan de hand van de algemene richtlijnen van het Hoogheemraadschap van Delfland. In de “notitie hemelwaterberging” is het hemelwaterontwerp toegelicht aan de hand van deze richtlijnen. Het uitgangspunt is om de waterberging te realiseren op de sportvelden achter het appartementencomplex. Onder de sportvelden is een half verdiept parkeergarage, waardoor de sportvelden zich hoger dan het maaiveld bevinden. Het regenwater van het pand zal middels een traditioneel hemelwater installatie worden getransporteerd naar twee pompputten in het buitenterrein. Deze pompputten verpompen vervolgens het regenwater richting de retentiedaken. De leidingen worden eerst ontlast, zodat het regenwater niet met druk de retentiedaken in stroomt. Het retentiedak is in staat het regenwater te bufferen, te verdampen en vertraagd af te voeren. Tijdens droogte wordt het regenwater verdampt door het (kunst)gras heen. Als de retentiekratten verzadigd is wordt de buffer geleegd middels een statisch ingestelde vlotter, welk loost op de achtergelegen sloot.
De retentiekratten, welk onder het sportveld bevinden hebben een bergingscapaciteit van 161 l/m². Er worden twee sportvelden aangelegd, met een totale oppervlakte van 1.400 m². Dit geeft een totale waterberging van 225 m³, hetgeen meer is dan de verplichte 134,5 m³. Het uitgangspunt is al de verharde bebouwing aan te sluiten op de hemelwaterdaken. Het extra verhard oppervlakte is circa 2.068 m2, terwijl het aangesloten oppervlakte circa 2.930 m² bedraagt. De retentiekratten zijn in staat het hemelwater te bufferen voor 48 uur. In deze periode zal het hemelwater deels worden verdampt. Op de retentiekratten is een statisch ingestelde vlotter aangesloten. Deze vlotter wordt op een nader te bepalen volumestroom ingesteld, waardoor het hemelwater vertraagd wordt afgestroomd naar de achter liggende oppervlaktewater. Bij gebiedsontwikkelingen staat voorop dat de openbare ruimte klimaatadaptief is. Het klimaat wereldwijd en in Nederland is de afgelopen decennia al merkbaar veranderd. Door extreme neerslag, hitte en droogte kan veel overlast en financiële schade ontstaan. Ook kan hitte leiden tot een toename van sterfte bij kwetsbare groepen zoals ouderen. Vanwege deze redenen wordt er hard gewerkt om de stad klimaatbestendiger en leefbaarder te maken. Klimaatverandering zal niet in alle gebieden van Den Haag dezelfde effecten hebben.
Op basis van kenmerken, zoals ondergrond, nabijheid van sloten, bebouwingsdichtheid, aanwezigheid van
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 43
groen en gebruikte materialen zijn er veel verschillen in de stad. Zo zal de kuststrook direct te maken krijgen met de effecten van een stijgende zeespiegel, terwijl in de dichtbebouwde wijken de gevolgen van extreme neerslag en opwarming meer zichtbaar zijn. Op grond van de stresstestkaart ‘Extreme neerslag’ van de gemeente, kan geconcludeerd worden dat minimale delen van de projectlocatie aangemerkt zijn als gevoelig voor wateroverlast. Onderstaand figuur betreft hier een uitsnede van en laat het resultaat zien van een stresstest voor Den Haag. De kaart maakt inzichtelijk waar waarschijnlijk wateroverlast zal ontstaan na een extreme bui van 70 millimeter in 1 uur. Figuur 16. Uitsnede Den Haag Klimaatatlas, themakaart: extreme neerslag.
Het dak van het glazen tussenlid wordt voorzien van groen. Hierbij kan gedacht worden aan mossedumbeplanting dat tevens een waterbergingsfunctie heeft. De watersleutel van het hoogheemraadschap berekent de benodigde waterberging, zowel voor het compenseren van verharding als om gevolgen van klimaatverandering op te vangen zoals extreme regenbuien. De waterbergingsopgave als gevolg van het plan bedraagt 134,5 m3. De waterbergingscapaciteit als gevolg van het toegepaste waterbergingssysteem binnen het plan bedraagt in totaal 225 m3, waardoor sprake is van een surplus van 90,5 m3. Geconcludeerd kan worden dat het plan, als gevolg van de extra waterbergingscapaciteit bijdraagt aan de bergingscapaciteit van de projectlocatie, bestand is tegen eventuele extreme regenbuien en daarmee als klimaatadaptief kan worden beschouwd. Waterveiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen in (de beschermingszone van) een waterkering. Ten zuiden van de projectlocatie, achter de sportvelden is een watergang gelegen, die conform de Legger van het Hoogheemraadschap van Delfland is aangewezen als secundair water. Relevant voor de secundaire watergang is dat aan weerszijden van de watergang voldoende ruimte overblijft om (gewoon) onderhoud uit te voeren. Deze ruimte is ook in de toekomstige situatie ruim voldoende aanwezig, aangezien niet in de
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 44
richting van deze secundaire watergang gebouwd wordt. De beschermingszone van 1,5e meter aan weerszijde van deze watergang zal vrij blijven van werken. Figuur 17. Uitsnede legger Delfland.
Grondwater De projectlocatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Voor het grondwaterbeschermingsgebied gelden de regels vanuit de Provinciale Milieuverordening. In een grondwaterbeschermingsgebied mogen (in beperkte mate) activiteiten plaatsvinden, mits deze activiteiten geen risico vormen voor de kwaliteit van het grondwater. De beperkingen zijn voor de projectlocatie niet aan de orde. Door Abo-Geomet (Barrièrewerking binnen nieuwbouwproject aan de Treublaan 2 te Den Haag, referentie AA17230-3mm1, zie bijlagen) is de eventuele opstuwing binnen het project, als gevolg van het onderbreken van de op de locatie aanwezige grondwaterstromen met de één-laags parkeerkelder. De algemene ontgravingsdiepte en aanleg van de kelder is 2,32 m- NAP. Plaatselijk is een verdieping tot maximaal 3,2 mNAP aanwezig. Op de projectlocatie is pas rond 7,0 à 8,0 m- NAP een afsluitende laag aanwezig. Derhalve wordt de zandlaag slechts gedeeltelijk geblokkeerd waardoor opstuwing niet zal plaatsvinden. Het plan heeft zodoende geen effect op de omgeving.
Conclusie Er wordt voldoende rekening gehouden met de waterhuishoudkundige belangen in het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie. Het aspect water staat derhalve niet aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 45
(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.
Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.
Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van 81 appartementen. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. Aanmeldnotitie Ten behoeve van de ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. De aanmeldnotitie met daarin opgenomen de vormvrije m.e.r.-beoordeling is toegevoegd als bijlage. Hieruit blijkt dat er geen significant negatieve effecten zijn op het milieu door de beoogde ontwikkeling. Op basis van de aanmeldnotitie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 46
5
BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad verplicht om een exploitatieplan vast te stellen voor gronden, waarop de verwezenlijking van een bouwplan als genoemd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is voorgenomen. Met deze dwingende wettelijke regeling heeft de wetgever beoogd een transparante en rechtvaardige regeling vast te leggen op basis waarvan door de gemeente gemaakte grondexploitatiekosten op de particuliere grondeigenaren binnen het te exploiteren gebied kunnen worden verhaald. De voorliggende ruimtelijke onderbouwing geeft de motivering behorende bij de ingediende aanvraag omgevingsvergunning ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ die het project ‘Sint Janklooster’ planologisch mogelijk maakt. Dit betreft een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro mogelijk maakt. De vaststelling van een exploitatieplan is zoals gezegd voor de in het Bro genoemde gevallen dwingend voorgeschreven. De gemeenteraad kan echter bij het besluit tot de vaststelling van een bestemmingsplan of verlenen van een omgevingsvergunning tevens besluiten van de gelijktijdige vaststelling van een exploitatieplan af te zien, indien het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in dat bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen anderszins is verzekerd.
Onder 'anderszins verzekerd zijn' kan in het bijzonder worden verstaan verhaal van deze grondexploitatiekosten via het privaatrechtelijke spoor, zoals door middel van het sluiten van een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer / grondeigenaar. Tussen de gemeente en initiatiefnemer wordt ten behoeve van voorliggend plan een anterieure overeenkomst gesloten. Daarmee is het plankostenverhaal anderszins verzekerd en kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan. Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen. Ten behoeve van de uitvoerbaarheid en onderbouwing van de behoefte kan gesteld worden dat op basis van de in paragraaf 4.2 doorlopen toets aan de hand van de Ladder voor duurzame verstedelijking, de behoefte aan het plan. Het plan omvat 41 zorgwoningen en 40 reguliere huurwoningen.