RIS313007 Bijlage
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Project Status Projectnummer Kenmerk Datum Auteur Controle
Treublaan 2 Den Haag 2.1 21365 21365.01.RO 26 april 2022 T.J. de Baare BSc LL.B drs. I.M. Iskander Dias
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 2
INHOUDSOPGAVE 1 2
3
4
5
6
Inleiding Projectbeschrijving
4 5
Projectlocatie Projectplan Vigerend bestemmingsplan
5 6 9
Ruimtelijk beleid
13
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
13 15 19 19
Omgevingsaspecten
28
Stedenbouwkundige motivering Motivering behoefte / Ladder voor duurzame verstedelijking Archeologie en cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Bezonning Bodem Externe veiligheid Geluid Luchtkwaliteit Natuur Verkeer en parkeren Water (Vormvrije) m.e.r-beoordeling
28 28 30 31 33 34 34 36 38 39 40 42 46
Beschrijving uitvoerbaarheid
47
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
47 47
Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid
48
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 3
1
INLEIDING In opdracht van Geste Beheer- en Exploitatiemaatschappij B.V heeft Mees Ruimte & Milieu een ruimtelijke onderbouwing opgesteld voor de gewenste woningbouwontwikkeling ter plaatse van de Treublaan 2 te Den Haag. Het doel is om 81 appartementen met stallingsgarage te realiseren en het college heeft het planologisch uitwerkingskader voor de beoogde ontwikkeling vastgesteld in december 2019. Omdat de ontwikkeling niet mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan, dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’. Onderdeel van deze omgevingsvergunning is de motivatie om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan, de zogenoemde Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO). Voorliggende rapportage betreft de GRO, waarin het project aan de hand van zowel ruimtelijke als milieutechnische aspecten wordt gemotiveerd.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 4
2
PROJECTBESCHRIJVING PROJECTLOCATIE De projectlocatie is gelegen aan de Treublaan 2 te Den Haag en ligt in de wijk Waldeck in het stadsdeel Loosduinen. De locatie maakt deel uit van het voormalige St. Jansklooster aan de Treublaan en Donker Curtiusstraat. In het hoofdgebouw is het Hofstadlyceum gehuisvest. Het gebouw waar voorliggende rapportage betrekking op heeft is de westelijke vleugel van het complex. Hierin was voorheen het Patershuis gevestigd. Figuur 1. Luchtfoto projectlocatie.
De locatie valt binnen de ‘Driehoek Loosduinen’. De Driehoek ligt op de overgang tussen de voor- en naoorlogse bebouwing van dit deel van Den Haag. Binnen de Driehoek zijn zes sfeergebieden onderscheiden: de gesloten bouwblokken van de Notenbuurt en langs de Thorbeckelaan; het landgoed Rosenburg; het groene veld met de sportvelden en voorzieningen; het winkelcentrum De Savornin Lohmanplein; het langgerekte plantsoen van de Savornin Lohmanlaan.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 5
De Treublaan ligt in de ‘bovenkant’ van de Driehoek tussen het winkelcentrum en de voetbalvelden. De Treublaan zelf is een interne ontsluitingsstraat voor dit deel van de Driehoek. Het laden en lossen van het winkelcentrum vindt plaats via de Treublaan. Het voormalige klooster ligt met de achterzijde (het huidige schoolplein) aan het open groene gebied. Het groen loopt via de randen door naar de kloostertuin, die centraal op de locatie is gelegen. De locatie grenst aan de open strokenbouw langs de Groen van Prinstererlaan.
PROJECTPLAN Het voorgenomen initiatief betreft de realisatie van appartementen. In totaal worden 81 appartementen gerealiseerd. Hiertoe wordt het klooster gesloopt. Een deel van de woningen is gelijkvloers en een deel betreft maisonnette-woningen. Aan de achterzijde van het wooncomplex komt een half verdiepte parkeerkelder (47 autoparkeerplaatsen) waar tevens de waterhuishouding voor het regenwater zal worden opgeslagen. Hier bovenop zullen twee multifunctionele sportvelden worden teruggeplaatst. Deze kunnen gebruikt worden door de bewoners van het wooncomplex (na schooluren) en natuurlijk de school. Het dak wordt voorzien van groen. Het voormalig St. Jansklooster is in 1959 als onderdeel van het St. Janscollege (schoolcomplex) gebouwd. Dit kloostergedeelte, gelegen aan de Treublaan, staat sinds december 2017 leeg. Het complex is geen monument of een beschermd stadsgezicht. Het voormalig klooster zal plaats maken voor een nieuwbouwcomplex welke gedeeltelijk prefab gebouwd zal worden. Dit om onder andere de stikstof belasting te beperken en de bouwtijd en de daarbij behorende overlast in te perken. Er zullen 81 appartementen worden gerealiseerd, een deel hiervan is gelijkvloers en een deel betreft maisonnette-woningen. Binnen het plan worden ook woningen met een privétuin ontwikkeld. Figuur 2. Huidige situatie.
Er is voor gekozen om de helft van de woningen uit te voeren als reguliere huurwoningen welke geschikt zijn voor alleenstaanden, 2- verdieners en gezinnen. De andere helft zal worden uitgevoerd als zogeheten zorgwoningen. Deze zorgwoningen zijn geschikt voor gebruikers die zorgbehoevend zijn (tot en met een zorgindicatie 3/ZZP3). Deze woningen zijn geschikt voor zowel alleenstaanden als stellen. Het Sint Jansklooster staat op een interessante plek in Den Haag waar veel bij elkaar komt. Ook is het verbonden met de rest van het ensemble waar zich een Middelbare school in huisvest. Het klooster zelf heeft een prachtige omsloten binnentuin. Het St. Jansklooster ligt midden in de “Loosduinse driehoek”. Een ontsloten eiland, veilig achter het winkelcentrum “De Savornin Lohmanplein” en tussen woonflats en
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 6
sportvelden in. Er is veel levendigheid rondom maar in de kloostertuin ervaart men de stilte. Dat het complex op deze plek gebouwd kon worden heeft eerder te maken met toevalligheden dan dat het daadwerkelijk bestemd was op deze locatie. Het had het monumentale, door baksteenarchitectuur van de Nieuwe Haagse School gedomineerde centrum moeten worden van de grootste stadsuitleg van Den Haag tot dan toe, PlanWest uit 1927. Het open karakter van de “driehoek” Loosduinen heeft men met name te danken aan de Tuinders die in de gebied er grond bezaten. Hierdoor zijn de grootse plannen voor dit gebied niet tot stand gekomen en kon de lang gekoesterde wens van de Paters voor dit scholen complex in vervulling gaan. De bestaand vleugel was niet flexibel genoeg voor het beoogde programma. Hierdoor is er besloten deze te slopen en een nieuw volume daarvoor in de plaats te ontwerpen. Hierbij ligt de nadruk op het zo natuurlijk mogelijk aansluiten op de bestaande beeldentaal en vorm van het ensemble. Dit heeft geresulteerd in een rigide gevel ritmiek met raamopeningen van 1,8m, die veel lichtinval gaan creëren in de woningen zelf. Omdat het nieuwbouw betreft is het wel mogelijk om deze opgave optimaal te verduurzamen. Er is gekozen voor deels groene dakbedekking maar ook een volledig indak zonnepanelen systeem. Er komt dus geen dakpan aan te pas.
Verder is er ruimte binnen dit plan om onder de bestaande sportvelden een waterberging systeem aan te brengen. Door de kwaliteiten van het bestaande ensemble en de nieuwste technologieën te combineren ontstaat er een goede balans. Figuur 3. Schets toekomstige situatie
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 7
Figuur 4. Plattegrond kelder
PUK SINT JANSKLOOSTER Voor het plangebied is een planuitwerkingskader opgesteld waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaraan het plan dient te voldoen. Het doel van dit PUK is drieledig: 1. Het biedt een ruimtelijke visie op hoofdlijnen voor de ontwikkelrichting van het bouwplan bij het Sint Jansklooster in de stedenbouwkundige context. 2. Het biedt ruimtelijke en functionele randvoorwaarde voor het realiseren van het initiatief ‘Sint Jansklooster’. 3. Het functioneert deels als ruimtelijke onderbouwing voor een nog te volgen WABO-procedure of herziening van het vigerende bestemmingsplan. In het PUK is ten aanzien van het programma het volgende vastgelegd: Het programma is wonen waarvan een deel met een zorgfunctie is. De doelgroep zijn één- en meerpersoons huishoudens, ook voor senioren. De woninggroottes van het bouwplan zijn hier op afgestemd en zijn overwegend ca. 50-80 m2 gbo. Tevens komen grotere woningen voor van ca. 80-100 m2 gbo. Het maximaal aantal woningen voor deze locatie is circa 85. Alle woningen hebben een buitenruimte in de vorm van een inpandig balkon. Het gebouw dient een gemeenschappelijke ruimte te hebben aan de Treublaan. Deze ruimte draagt bij aan de levendigheid van de Treublaan. De kloostertuin is buitenruimte voor de bewoners. Het programma is inclusief gebouwd parkeren op eigen terrein.
Voor de bebouwingstypologie van de nieuwbouw is het ensemble van het oorspronkelijke kloostercomplex het uitgangspunt. Bij de aansluiting op het ensemble dient de typologie van het hoofdgebouw, de special en het verbindingsstuk terug te komen. Ter plaatse van het huidige gebouw kan een nieuw hoofdgebouw terugkomen in vergelijkbare lengte en hoogte verhoudingen. Als het gebouw langer wordt dan het bestaande wordt deze vleugel niet verlengd maar wordt er een special aan gekoppeld met een hoekverdraaiing en andere maatverhoudingen. De nieuwe vleugel wordt met een verbindingsstuk geschakeld aan het bestaande complex.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 8
Het nieuwe hoofdgebouw krijgt een hoogteopbouw van vier lagen met kap op een half verdiepte laag. De special kan een hoogte krijgen van max 7 lagen met kap op een half verdiepte laag. Het verbindingsgebouwtje aan de Treublaan sluit aan op de bestaande opbouw van één laag met kap op een plint. Het hoofgebouw is daarmee een verdieping hoger dan het bestaande gebouw. Vanwege incourante verdiepingsmaten van het bestaande gebouw zijn de goot- en nokhoogte vergelijkbaar. Ook de hoeken van de kappen zijn vergelijkbaar, waardoor het onderdeel wordt van het ensemble. De special staat vrij in de ruimte aan de kant van de voetbalvelden. Het wordt het hoogste bouwdeel van het complex, waarbij het wel binnen de hoogterange van het ensemble en de omgeving blijft. De nieuwbouw komt terug in de huidige rooilijn aan de Treublaan. Het hoofdgebouw staat haaks op de rooilijn en volgt de richting van het bestaande gebouw, waarbij de noklijn qua ligging overeenkomt. Om de woningbouwplattegrond met een corridorontsluiting in te kunnen passen is een breder bebouwingsvlak nodig dan dat van het bestaande gebouw. De verbreding gaat ten koste van groen van de kloostertuin en de groenstrook aan de westzijde van het gebouw. Tussen de nieuwbouw en de erfgrens dient een groenstrook van circa 5 meter over te blijven.
De maximale breedtes bedragen circa 17,80 meter voor het hoofdgebouw en circa 19,50 meter voor de special. In het PUK zijn tevens voorwaarden vastgelegd ten aanzien van logistiek en parkeren, groen en de buitenruimte. Figuur 5. 3D model
In navolgende paragrafen wordt gemotiveerd dat het plan voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn vastgelegd in het PUK.
VIGEREND BESTEMMINGSPLAN Ter plaatse van het projectgebied is het bestemmingsplan “Rosenburg” vigerend. Dit plan is op 27-06-2013 vastgesteld door de gemeenteraad van ‘s - Gravenhage. De projectlocatie heeft de bestemming ‘Maatschappelijk’ en ‘Sport’. Binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ geldt een bouwvlak, waarbinnen gebouwd mag worden met een maximum bebouwingspercentage van 40% en een maximum bouwhoogte
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 9
van 17 meter. Een deel van deze bestemming kent de functieaanduiding ‘parkeerterrein’. Binnen de bestemming ‘Sport’ geldt geen bouwvlak. Onderstaand figuur betreft een uitsnede van de verbeelding behorende bij het vigerende bestemmingsplan. Hierna worden de relevante bepalingen uit de regels weergegeven, voor zover relevant voor de ontwikkeling en daarmee niet limitatief.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 10
Figuur 6. Uitsnede bestemmingsplankaart (www.ruimtelijkeplannen.nl geraadpleegd op datum)
De voor “Maatschappelijk” aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor: Maatschappelijke voorzieningen I in de bestemmingsvlakken die liggen buiten het gebied dat begrensd wordt door de Albardastraat, de Walnootstraat, de Oude Haagweg en de Groen van Prinstererlaan. Maatschappelijke voorzieningen II zijn in de bestemmingsvlakken die liggen binnen het gebied dat begrensd wordt door de Albardastraat, de Walnootstraat, de Oude Haagweg en de Groen van Prinstererlaan toegestaan. Onder Maatschappelijk I en II wordt het volgende verstaan: maatschappelijke voorzieningen I: welzijnsvoorzieningen, educatieve, sociaal-medische, levensbeschouwelijke voorzieningen, waaronder peuterspeelzalen, kinderdagverblijven, buitenschoolse opvangen voorzieningen ten behoeve van de openbare dienstverlening alsook ondergeschikte horeca ten dienste van deze voorzieningen en woningen die een onderdeel vormen van een woonzorgcentrum maatschappelijke voorzieningen II: algemene en categoriale psychiatrische ziekenhuizen, zwakzinnigeninrichtingen, inrichtingen voor zintuiglijke gehandicapten, medische kindertehuizen, medische kleuterdagverblijven, sanatoria alsmede gebruikersruimten ten behoeve van drugsvoorziening. De voor ‘Sport’ aangewezen gronden zijn bestemd voor zwemmen en of zaalsporten in het bestemmingsvlak dat ligt tussen de Thorbeckelaan en de Donker Curtiusstraat.
Veld en zaalsporten in het bestemmingsvlak dat ligt ten noorden van de Albardastraat en ten oosten van de Groen van Prinstererlaan en op beide aansluit. Veldsporten zijn toegestaan in de overige bestemmingsvlakken en ter plaatse van de functie aanduiding ‘parkeerterrein’ tevens parkeren ten behoeve van de eigen parkeerbehoefte.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 11
Toets aan bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling die middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden is op een drietal onderdelen in strijd met het vigerende bestemmingsplan. De strijdigheden zijn gelegen in:
Maximum bebouwingspercentage wordt overschreden; Maximale bouwhoogte wordt overschreden; Wonen is niet toegestaan binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’.
Om de genoemde strijdigheden weg te nemen en het project planologisch mogelijk te maken, wordt een procedure doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 12
3
RUIMTELIJK BELEID RIJKSBELEID Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Figuur 7. Afwegen met de NOVI. Bron: Nationale Omgevingsvisie.
De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 13
van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen 3.1.1.1 Relatie tot ontwikkeling Uit de uitwerking van prioriteit 3 (Sterke en gezonde steden en regio’s) volgt onder andere dat sprake dient te zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling en dat het woningaanbod moet aansluiten bij de vraag. Daarnaast is één van de beleidskeuzes (beleidskeuze 3.3.) onder prioriteit 3 “Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio, toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op ruimte- en mobiliteitsefficiënte wijze ingepast. Het woningaanbod in de regio’s sluit daarbij aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse”.
Onderhavig plan sluit aan op prioriteit 3 en de beleidskeuze door woningen te realiseren binnen het bestaand stedelijk gebied, conform een programma waar grote behoefte naar bestaat en is afgestemd op de vraag (zie ook paragraaf 3.1.4.1). Verder worden in de NOVI onder andere de nationale belangen “Waarborgen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving” (4) en “Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte” (5) benoemd. In onderhavig plan wordt aandacht besteed aan de ruimtelijke aspecten en inpassing van het plan zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (fysieke leefomgeving) wordt gerealiseerd, zie hiervoor hoofdstuk 4. De opgave bij Nationaal belang 5 is het vergroten van de woningvoorraad in een fijne leefomgeving om te voorzien in de huidige behoefte aan woningen. De ontwikkeling draagt bij aan de woningbehoefte naar zowel appartementen als zorgappartementen binnen de gemeente. 3.1.1.2 Conclusie Het voorgenomen initiatief is in lijn met de Nationale Omgevingsvisie prioriteit 3 (Sterke en gezonde steden en regio’s), zoals hierboven beschreven. Beleid voor deze specifieke locatie dan wel ontwikkeling wordt daarom overgelaten aan de provincie en de gemeente.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. 3.1.2.1 Conclusie Het Barro legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling wordt voorzien.
Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 14
voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld.
PROVINCIAAL BELEID Omgevingsvisie Zuid – Holland Per 1 april 2019 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. In de Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld: 1. Naar een klimaatbestendige delta Het inrichten van de fysieke leefomgeving op een manier waarop deze klimaatbestendig blijft. Voorbeelden daarvan zijn: meer ruimte bieden aan water en het rekening houden met de impact van klimaatverandering bij nieuwe ruimtelijke projecten. 2. Naar een nieuwe economie: the next level De stap naar een circulaire economie in 2050, met grote gevolgen voor onder andere het haven-industrieel complex en de glastuinbouw. Er wordt ingezet op bijvoorbeeld digitalisering en een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving. 3. Naar een levendige meerkernige metropool De stap naar een gezonde, sociale en duurzame samenleving. Er moet een fors aantal woningen worden gerealiseerd en de woonvoorraad dient te worden verduurzaamd.
Ook zullen steden met elkaar verbonden moeten worden tot één metropolitaan gebied. In dit gebied zullen we moeten inzetten op het versterken van het leef- en vestigingsklimaat. 4. Energievernieuwing Zuid-Holland wil de fossiele bronnen vervangen door hernieuwbare bronnen. Er worden maatregelen genomen om energie te besparen en het gebruik van aardgas drastisch te verminderen. Ook wordt ingezet op innovatie: nieuwe mogelijkheden voor energiegebruik uit wind, zon, biomassa, water en aardwarmte. 5. Best bereikbare provincie De provincie moet optimaal verbonden zijn en blijven met regionale, landelijke en internationale centra. Er worden verkeersknelpunten aangepakt en de mobiliteitssector kan schoner worden gemaakt en verduurzamen. Ook wordt ingezet op OV, gebruik van de fiets en vervoer over water. 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Een groene leefomgeving draagt bij aan een gezonde leefstijl van de inwoners van de provincie, maar het landschap en de biodiversiteit staat ook onder druk door het groeiend aantal inwoners, economische ontwikkeling en klimaatverandering. De kwaliteit van de leefomgeving kan worden versterkt door natuur, water, recreatie, landbouw, cultureel erfgoed en economie in samenhang te bezien. Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden.
Daarnaast wordt vanuit twaalf samenhangende opgaven de zorg voor een goede omgevingskwaliteit ingevuld. Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening (‘handelingskader ruimtelijke kwaliteit’). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 15
Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten:
De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is.
In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling.
Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied.
Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Bij transformatieopgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen en een kwalitatief optimaal resultaat. Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat. Ook hierbij kunnen ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 16
Figuur 8. Ontwikkelingen Omgevingsvisie Zuid – Holland.
De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. Bestaand stads- en dorpsgebied De provincie wil bestaand stads- en dorpsgebied (BSD), ofwel de bebouwde ruimte, beter benutten. De provincie verstaat daaronder: ‘het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Volgens de ladder voor duurzame verstedelijking moet nieuwe stedelijke ontwikkeling primair plaatsvinden binnen het BSD. Bodem- en watersysteem De Omgevingsvisie omvat het wettelijk verplichte regionale waterplan (artikel 4.4 van de Waterwet (Ww).
Klimaatverandering, toenemende verzilting, inklinking en het veranderend ruimtegebruik (ook in de ondergrond) vergen aanpassingen van en keuzes in het bodem- en watersysteem, die in veel gevallen invloed hebben op de ruimtelijke ordening. 3.2.1.1 Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling voorziet in vervangende nieuwbouw. Hergebruik van het casco is niet mogelijk gebleken waardoor is gekozen voor sloop/ nieuwbouw. De locatie maakt deel uit van een voorzieningenzone tussen twee woonwijken. De voorzieningen zijn overwegend van wijk- en bovenwijksniveau, zoals scholen, sportvoorzieningen en het winkelcentrum. Het voormalige Sint Jansklooster heeft een bestemming voor maatschappelijke voorzieningen. Naast voorgenoemde voorzieningen zijn in de directe omgeving woningen gelegen. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling een inpassing betreft passend bij de aard en schaal van de omgeving. 3.2.1.2 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie Zuid – Holland.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 17
Omgevingsverordening Zuid-Holland Per 1 april 2019 is, naast de Omgevingsvisie, ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. De inhoud van de omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. De relevante regels worden hieronder nader toegelicht. Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Alleen als binnen BSD geen ruimte is voor een specifieke stedelijke ontwikkeling kan een nieuw uitleglocatie buiten BSD in gebruik worden genomen.
De Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is hierbij van toepassing. De provincie heeft de ladder voor duurzame verstelijking ook opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze Ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie. De Ladder zoals opgenomen in het Bro is een motiveringseis voor de toelichting van het bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Om een vrijblijvend karakter te vermijden, heeft de ladder zoals opgenomen in de verordening daarom niet alleen betekenis voor de toelichting van het bestemmingsplan maar ook voor de inhoud. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen van de Omgevingsverordening Zuid-Holland gaat in op de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het artikel luidt als volgt: 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b.
indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Stedelijke ontwikkelingen Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 18
3.2.2.1 Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen in het bestaand stads- en dorpsgebied. Verder gelden vanuit de Omgevingsverordening geen beperkingen. 3.2.2.2 Conclusie De ontwikkeling die middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden is niet in strijd met de Omgevingsverordening Zuid – Holland.
REGIONAAL BELEID Regionale Woonvisie Haaglanden 2017 – 2021 De Haaglandengemeenten vormen al jaren een gezamenlijke woningmarktregio. De regionale samenwerking op het gebied van 'wonen' is na het opheffen van het Stadsgewest Haaglanden voortgezet middels een bestuurlijke tafel Wonen met de negen Haaglandengemeenten. Aan de hand van een gezamenlijk woningbouwprogramma willen de gemeenten zo goed en efficiënt mogelijk inspelen op zowel de kwalitatieve als kwantitatieve woningbehoeften van de regio Haaglanden. Een vast uitgangspunt daarbij is het zoveel mogelijk realiseren van de woonopgaven binnen bestaand stedelijke gebieden. Dit omwille van het in stand kunnen houden van de specifieke groene en blauwe kwaliteiten van de regio, die in belangrijke mate bijdragen aan het prettige woonklimaat van Haaglanden. Qua toekomstige omvang van de regionale woningvoorraad streven de gemeenten er gezamenlijk naar om te voldoen aan de tot 2025 volgens de provinciale prognose (2016) verwachte behoefte van ruim 50.000 nieuwe woningen. Gemeenten kijken daartoe met name ook naar de mogelijkheden die leegstaande kantoren en leegstand op verouderde bedrijventerreinen biedt om nieuwe woningen toe te voegen. Daarnaast zal uiteraard ook nieuwbouw van woningen plaatsvinden.
3.3.1.1 Relatie tot ontwikkeling Het voorgenomen initiatief voorziet in een woningbouwontwikkeling, waarbij zowel reguliere woningen als zorgappartementen gerealiseerd worden. Binnen de regio Haaglanden bestaat een grote kwantitatieve alsook kwalitatieve behoefte aan dergelijke woningen. Het voorgenomen initiatief draagt bij aan de bestaande behoefte. Het plan omvat 41 zorgwoningen en 40 reguliere huurwoningen.‘Woonkeur+’ komt niet voor in de PUK, woningen zijn echter wel integraal toegankelijk. Twintig procent van de 81 woningen (17 app) zijn midden-huur volgens de norm van Den Haag. Het ontbreken van sociale huur in dit plan is vastgesteld in de PUK en afgesproken met de gemeente. 3.3.1.2 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het initiatief in lijn is met de regionale woonvisie Haaglanden.
GEMEENTELIJK BELEID Structuurvisie Den Haag 2020 De Structuurvisie Den Haag 2020 “Wéreldstad aan Zee” beschrijft de toekomstvisie van Den Haag op de ruimtelijke ontwikkeling van de stad in regionaal perspectief tot het jaar 2020 (Rv 197 - 2005; RIS 129201). De ambitie is om van Den Haag een Wéreldstad aan Zee te maken door de sterke kwaliteiten van Den Haag te benutten: een internationale stad, een stad aan zee, een multiculturele stad en een monumentale residentie. In de structuurvisie wordt de Wéreldstad aan Zee vorm gegeven door ontwikkelingen in vijf kansenzones (het Centrum, de Lijn 11-zone, de Internationale Kustzone, de Vliet/A4-zone en de Schakelzone Lozerlaan).
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 19
De projectlocatie is niet gelegen in een van bovenstaande kansenzones. De Haagse Structuurvisie streeft naar groei van het inwoneraantal van de stad als draagvlak voor grootstedelijke voorzieningen en voor een goede economische, sociale en culturele ontwikkeling. Hiervoor zal het aantal woningen moeten groeien. Middels voorliggend initiatief wordt hier aan bijgedragen. De Agenda Ruimte voor de stad (RIS295016, door de raad vastgesteld op 15 december 2016) is het richtinggevend document voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad en als zodanig de ruimtelijke onderlegger voor de nog op te stellen Omgevingsvisie die, wanneer de nieuwe Omgevingswet van kracht wordt, ook voor gemeenten verplicht gesteld is. Voor de Agenda Ruimte voor de Stad zijn vier transitie opgaven van belang: de ontwikkeling naar een nieuwe economie, de vraag om een inclusieve en veerkrachtige samenleving, de roep om slimme stadsontwikkeling en de opgave voor de overheid om in dit proces organiserend vermogen te tonen en ruimte te bieden voor maatschappelijk initiatief. Met behulp van negen principes voor stedelijke ontwikkeling wordt in de Agenda Ruimte voor de Stad aangegeven hoe de ontwikkelingen gestuurd wordt:
Kwaliteit van het proces door samen stad maken waar mogelijk ruimte aan initiatiefnemers, daarbij hoort ook experimenteerruimte die belangrijk is voor innovatie en dynamiek in de stad en ruimtelijke keuzen om antwoorden te bieden op de stedelijke en regionale opgaven. Ruimtelijke kwaliteit, zoals groen, cultuurhistorisch erfgoed en de buitenruimte, omdat die in belangrijke mate bijdraagt aan een aantrekkelijke leefomgeving en het economisch vestigingsklimaat. Kwaliteit door integrale samenhang met sociaal-maatschappelijke opgaven, zoals de opgave om sociaaleconomische differentiatie, functiemenging en ruimte voor wijkeconomie te bevorderen in wijken waar dat nodig is gelet op bijvoorbeeld werkeloosheid.
Het belang van veel lopende projecten wordt met deze agenda benadrukt. Goede uitvoering met ook oog voor de tijdelijke situatie vraagt een enorme inzet. Daarnaast zijn er een aantal grotere strategische ontwikkelingen geagendeerd in deze agenda. 3.4.1.1 Relatie tot ontwikkeling Het voorgenomen initiatief voorziet in een woningbouwontwikkeling. Het beoogd programma behelst de realisatie 81 woningen. De helft hiervan betreft zorgwoningen. Binnen de gemeente is grote behoefte aan woningen. De doelgroep zijn één- en meerpersoons huishoudens alsmede senioren. De woninggroottes van het plan zijn op de vraag afgestemd en zijn circa 50 – 80 gebruiksoppervlakte (gbo). Tevens worden grotere woningen van circa 80-100 gbo ontwikkeld. De woningen hebben een buitenruimte in de vorm van een inpandig balkon. Tevens worden woningen gerealiseerd met privétuin. Tevens wordt voorzien in de realisatie van een buitenruimte in de vorm van een gemeenschappelijke tuin (kloostertuin) aan de Treublaan en draagt bij aan de levendigheid. 3.4.1.2 Conclusie Het voorgenomen initiatief dat middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden is in lijn met de Agenda ruimte voor de stad
Agenda Groen voor de stad In de Agenda Groen voor de Stad (vastgesteld 15 december 2016, RIS294705) wordt geconstateerd dat door de toenemende bevolking en het bijbehorende ruimtebeslag de leefkwaliteit in het algemeen en het groen in het bijzonder soms onder druk komt te staan. Daarnaast zijn er onzekerheden en ontwikkelingen die de stad in de toekomst sterk zullen kleuren zoals de klimaatopgave, veranderingen in mobiliteit en de toenemende impact van informatietechnologie. Omdat Den Haag een aantrekkelijke stad wil blijven voor bewoners, bezoekers en bedrijven, moeten er strategische keuzes worden gemaakt op het gebied van verdichting, vergroening en verduurzaming. De ambitie is een verdere kwalitatieve ontwikkeling van het Haagse groen, waarbij ruimte bestaat voor Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 20
verandering en initiatief en bij ontwikkelingen groen toekomstbestendig wordt vormgegeven. Kortom: Groen kapitaal als basis voor een goede leefkwaliteit. In de reflectie op het vigerende beleid is geconstateerd dat vooral de nadruk is gelegd op het vastleggen van de zogenaamde Stedelijke Groene Hoofdstructuur (SGH), het groen in de stad dat op basis van de aanwezige waarden en de betekenis daarvan extra bescherming verdient. Om de kwaliteit van het Haagse groen verder te verankeren, is de SGH herijkt. Hiervoor zijn de beschrijvingen van de Haagse groengebieden getoetst, aangepast en aangevuld en verbanden gelegd met nieuwe thema's zoals duurzaamheid, gezondheid en recreatie. Het uitgangspunt was het goede te behouden en van waarde te laten zijn voor de toekomst. Bij anticipatie is gekeken naar de wenselijke ontwikkeling van het Haagse groen in een realistische context. Het doel is het Haagse groen kwalitatief te ontwikkelen. Daarom zijn in de nota per thema de kernkwaliteiten die moeten behouden, de uitdagingen die de komende jaren zijn voorzien, de ambities en het ontwikkelpad geschetst. De stedelijke leefkwaliteit - en daarmee de waarde van het groen - is niet voor de hele stad gelijk. Het is afhankelijk van gebiedskenmerken als bebouwingsgraad, aanwezigheid van infrastructuur en het gebruik van de ruimte (wonen, werken, recreatie, natuur).
Voor het Haagse Groen kunnen de drie zones worden onderscheiden: de dichte stad, de halfopen stad en om de stad. Het Haagse Groen moet gezien worden als een vorm van kapitaal met de ecologische, de maatschappelijke en de economische waarde. Mede op basis van de stadsgesprekken en het online platform zijn deze waarden uitgewerkt in zes thema's: klimaat, biodiversiteit, gezondheid, ontspanning imago en ontwikkeling. In de Nota Stadsnatuur (RIS305824) zijn handvatten opgenomen waarmee we werken aan een gezond stadsecosysteem met meer biodiversiteit. Een groene stad heeft veel te bieden aan inwoners. Bomen en planten zorgen immers voor verkoeling tijdens warme zomers en bieden een aangename plek voor bewoners om te verblijven. Een groene stad is ook beter toegerust om mee te bewegen op veranderingen in het klimaat, zoals uitschieters in temperaturen en neerslag. Een stad waar veel verschillende planten- en diersoorten zoals vlinders en vogels voorkomen, blijkt positief te zijn voor het welzijn van mensen. Een hoge biodiversiteit zorgt ervoor dat lastige soorten minder kans krijgen en er genoeg natuurlijke vijanden zijn om plaagsoorten in toom te houden. Een belangrijke voorwaarde voor een gezond stadsecosysteem is de aanwezigheid van een uitgebreid netwerk van groengebieden die onderling met elkaar verbonden zijn.
De groengebieden zijn de belangrijke kerngebieden voor allerlei planten- en diersoorten. De ecologische verbindingszones zorgen als robuuste brede groenblauwe structuren voor de verbinding van deze gebieden. Zo kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen en functioneren deze daarnaast ook als belangrijke leefgebieden. In deze nota wordt de nadruk gelegd op een optimale ecologische inrichting door middel van vuistregels voor biotopen en -beheer, behoud en de mogelijke uitbreiding van de ecologische verbindingszones. Is extra ruimtebeslag van een nietecologische functie onvermijdelijk dan moet de inpasbaarheid hiervan worden onderzocht. Naast het behoud en de ontwikkeling van bovengenoemd netwerk, wordt aandacht besteed aan het rekening houden met leefomstandigheden van planten en dieren bij beheer en inrichting van groen in brede zin. We werken aan een natuurinclusieve stad met een ecologisch gezond stadswatersysteem, het beheersbaar houden van overlastgevende planten en dieren en zetten we in op monitoring van onze stadsnatuur. 3.4.2.1 Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen nabij de Bosjes van Pex, maar maakt geen deel uit van het netwerk aan ecologische verbindingszones. Daarnaast geldt dat de projectlocatie buiten het groengebied zoals aangegeven op de kaart ‘Stedelijke Groene Hoofdstructuur 2018’ ligt.
De groenstroken om en nabij de projectlocatie, zijn in beheer van de gemeente.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 21
Figuur 9. Uitsnede ‘Stedelijke Groene Hoofdstructuur 2018’(projectlocatie nabij zwarte pijl).
Op 14 juli 2020 is de door het raadlid de heer Barker ingediende motie ‘Compeneer verdwenen groen’ (RIS305965) aangenomen. Naar aanleiding van de motie is het vastgesteld PUK enigszins gewijzigd. Een beperkt verlies aan groen wordt gecompenseerd met de aanleg van een waterberging waardoor de ecologische en ruimtelijke kwaliteit verbeterd (zie hiervoor tevens paragraaf 4.12 van voorliggende rapportage). Het percentage groen op de kavel neemt af met 353 m2 (7% van het kaveloppervlak), van 3.356 m2 (75%) naar 3.204 m2 (67%). Dit komt neer op een verlies van 4 m2 groen per nieuw te bouwen woning van ca 60-80 m2 en de daarbij horende gebouwde parkeervoorziening van ca 25 m2. Doordat de sportveldjes worden gecombineerd met waterberging neemt het oppervlak onverhard toe naar 4.349 m2 (91%). Tevens worden ter compensatie extra bomen geplant en extra punten gehaald op het puntensysteem Natuurinclusief bouwen. Een en ander ziet er in een tabel als volgt uit:
Tezamen met de waterberging, de extra bomen en de inzet op een hogere score op natuurinclusief Bouwen is er sprake van voldoende compensatie die acceptabel geacht wordt. 3.4.2.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling, die middels voorliggende rapportage, mogelijk gemaakt dient te worden, is niet in strijd met de Agenda Groen voor de stad en Nota Stadsnatuur.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 22
Woonvisie Den Haag Het woonbeleid is vastgelegd in de Woonvisie Den Haag 2017-2030 (RIS296833, 29 juni 2017). Den Haag is een groeiende stad in een tijd waarin veranderingen steeds sneller gaan en die de maatschappelijke en economische verhoudingen blijvend veranderen. Het is een uitdaging om mensen, bedrijven en banen aan de stad te blijven binden. Om een fijne, leefbare en groene woonstad te blijven moeten we zorgen dat de sociaaleconomische verschillen niet te groot worden en moeten we overstappen op een nieuwe vorm van energievoorziening. Den Haag heeft een gunstige uitgangspositie als aantrekkelijke woonstad. De unieke ligging aan zee, het levendige centrumgebied, prettige woonwijken en een sterk internationaal profiel. Om deze positie nog verder te versterken zet de woonvisie in op een 'stedelijke, attractieve en inclusieve stad in 2030'. Dit betekent dat Den Haag meer onderscheidende en aantrekkelijke stedelijke woonmilieus biedt, dat wonen in de stad betaalbaar is voor iedereen én wijken op de toekomst zijn voorbereid en meer gemengd zijn. Het (sloop-)nieuwbouw, transformatie- en verbeterprogramma geeft ruim baan aan deze ambitie en volgt de groei van de stad. De gemeente Den Haag gaat voor de langere termijn uit van een jaarlijks netto bouwprogramma van 20002500 woningen. De ruimte om te groeien is beperkt.
Den Haag zal zich voor groei moeten richten op binnenstedelijke locaties (de zogenaamde inbreidingslocaties), transformatie van bestaande gebouwen en gemengde woon-werkgebieden. Daarbij wordt ingezet op differentiatie in architectuur en woningtypen. Het is van belang om hierbij zorgvuldig om te gaan met bestaand groen en bestaande wijken. Een andere uitdaging is het verkleinen van de sociaaleconomische verschillen tussen wijken. De woonvisie zet in op: 1. Een meer sociaal-inclusieve stad. 2. Het verder uitbouwen van Den Haag als aantrekkelijke en gastvrije woonstad. 3. Een meer toekomstbestendige woningvoorraad. Dit heeft zowel betrekking op de duurzaamheid van woningen als op de levensloopbestendigheid van woningen. Ad 1) Een meer sociaal-inclusieve stad. Een aantrekkelijke en gastvrije stad is sociaal inclusief: een stad zonder te grote sociaaleconomische verschillen. De aanwezigheid en spreiding van voldoende betaalbare woningen in de stad voor minder financieel draagkrachtige huishoudens is hierin een belangrijke opgave. Voor de woningbouwproductie is dit vertaald in een gemiddelde woningbouwproductie van:
30% sociale huurwoningen voor de hele stad 20% middeldure huurwoningen (€710-900 euro, prijspeil 2017) En een streven naar 25% middeldure koopwoningen.
Daarbij sturen we op een meer evenwichtige spreiding van de sociale woningbouw over de stad. Ook wordt ingezet op het borgen van voldoende betaalbare woningen voor kwetsbare groepen en wordt gestuurd op de verbetering en vernieuwing van kwetsbare wijken, o.a. via de aanpak 'Nieuwe Generatie Stadswijken'. Streven is meer differentiatie in de woningvoorraad aan te brengen. Eventuele afname van de sociale voorraad in deze wijken dient elders in de stad, maar ook in de regio te worden gecompenseerd. Ad 2) Het verder uitbouwen van Den Haag als aantrekkelijke en gastvrije woonstad. Dit is een voorwaarde voor het vasthouden en aantrekken van stedelijk talent. Doel is om voor deze groepen die bijdragen aan het internationale, gastvrije, levendige en economische profiel van Den Haag nog meer onderscheidende stedelijke woon(werk)milieus te ontwikkelen. In het bouwprogramma wordt daarom nadrukkelijk rekening gehouden met de woonvoorkeuren van stedelijke doelgroepen young urban professionals, stedelijke gezinnen, studenten, empty-nesters en expats. Ad 3) Een meer toekomstbestendige woningvoorraad.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 23
Het streven is dat in 2030 de woningvoorraad voldoet aan de duurzame en woontechnische eisen. Dit betekent dat het onderhoud van woningen op orde is en dat in 2030 tenminste 50% van de woningen wordt verwarmd met een niet-fossiele warmtebron. Voor nieuwbouw betekent dit dat woningen niet langer zijn aangesloten op het gasnet. Verder wordt ingezet op een groter en gevarieerder aanbod aan geschikte woningen en woonzorgvormen voor (langer) zelfstandig thuis wonen. 3.4.3.1 Relatie tot ontwikkeling Het initiatief dat middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden betreft een woningbouwontwikkeling. Het beoogd programma behelst de realisatie van 81 woningen. Een deel van de woningen is gelijkvloers en een deel betreft maisonnette- woningen. De helft van de woningen wordt uitgevoerd als reguliere huurwoningen welke geschikt zijn voor alleenstaanden, 2- verdieners en gezinnen. De andere helft zal worden uitgevoerd als zogeheten zorgwoningen. Deze zorgwoningen zijn geschikt voor gebruikers die zorgbehoevend zijn (tot en met een zorgindicatie 3/ZZP3) en zijn geschikt voor zowel alleenstaanden als stellen. Gezien de grote vraag naar woningen welke geschikt zijn om langer thuis te blijven woningen, is gekozen voor een gemengde invulling. Tevens blijkt dat er een tekort is aan woningen voor zorgdoelgroepen, zo blijkt uit de Woonagenda 20202023 (RIS305711).
In de Woonagenda is de ambitie opgenomen om in de periode 2020-2023 meer (tijdelijke) zelfstandige woningen te realiseren voor deze groepen. Dit moet er onder andere voor zorgen dat de uitstroom uit maatschappelijke opvang en beschermde woonvormen niet stokt door een tekort aan zelfstandige woningen. 3.4.3.2 Conclusie Het initiatief is in lijn met de Woonvisie en Woonagenda.
Woonagenda 2019-2023 Het Haagse Woonbeleid is vastgelegd in de Woonagenda 2019-2023. Het woonprogramma van nieuwbouwontwikkelingen moet hieraan voldoen. Er heerst in Den Haag een grote druk op de woningmarkt. In de Woonagenda worden maatregelen genomen om deze druk te verlichten. De Woonagenda is ingedeeld in vier thema’s die elk eisen en wensen bevatten met betrekking tot nieuwbouw. Een percentage van 20% van de woningen heeft een middeldure huur tussen de liberalisatiegrens en de €950. Hiervan ligt de helft tussen de liberalisatiegrens en €850 en de andere helft tussen €850 en €950. Deze bedragen worden jaarlijks geïndexeerd aan de hand van CPI alle huishoudens volgens de ‘jaar-opjaarmethode’, reeks 2019=100 + 1%. De huur mag jaarlijks stijgen met dezelfde indexatiemethode. De middeldure huurwoningen worden minimaal 20 jaar verhuurd met een middeldure huur, ook na mutatie. De gemeente wordt gedurende deze 20 jaar jaarlijks ingelicht over de huurprijzen. Een percentage van 30% van de woningen is een sociale huurwoning. Woningcorporaties hebben het primaat in sociale woningbouw. Daarom moet een initiatiefnemer in het beginstadium een samenwerking aangaan met een in Den Haag actieve woningcorporatie. Bij gemengde ontwikkelingen wordt de onrendabele top op sociale woningbouw evenredig verdeeld tussen initiatiefnemer en woningcorporatie.
3.4.4.1 Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling gaat uit van woningen waarvan de helft bestemd is voor huishoudens met een zorgindicatie. Een zorgwoning voor ouderen moet minimale 50 m2 groot zijn (b.v.o) en voldoen aan Woonkeur plus. De zorgwoningen zijn geschikt voor gebruikers die zorgbehoevend zijn (tot en met een zorgindicatie 3/ZZP3). Deze woningen zijn geschikt voor zowel alleenstaanden als stellen. In de regel zijn dit ouderen. Zorg moet door de bewoner zelf georganiseerd worden en is daarmee niet gekoppeld aan de woning. De mate van zorg wordt bepaald aan de hand van zorgzwaartepakket waarbij gebruik wordt gemaakt van indicatiewaarden (1 tot en met 10). De andere helft van de te realiseren woningen betreffen regulieren woningen voor alleenstaanden, tweeverdieners en gezinnen. Toevoeging van dit gehele woonconcept past in de visie van de gemeente om langer zelfstandig wonen, met een vorm van zorg en/of ondersteuning in de buurt, te
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 24
bevorderen. Het toevoegen van gedeelde voorzieningen (gemeenschappelijke woonkamer en kloostertuin) draait bij aan het creëren van een vorm van nabuurschap. 3.4.4.2 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen initiatief in lijn is met de woonagenda van de gemeente Den Haag.
Wateragenda en visie ‘Toekomstbestendig Haags Water!’ De gemeente Den Haag en het Hoogheemraadschap van Delfland werken aan een goed waterbeheer door middel van een gezamenlijke Wateragenda Den Haag 2016-2020 (RIS 293272). In de visie 'Toekomstbestendig Haags water!' is aangeven hoe het watersysteem in Den Haag anno 2014 functioneert, welke knelpunten er zijn en hoe het systeem robuust te houden. Het Haagse watersysteem is op dit moment grotendeels op orde. Door kansen te benutten die zorgen voor een robuuster watersysteem en die ook bijdragen aan de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de stad, wordt het stedelijke gebied bestand tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte. In het stedelijke gebied is beperkte ruimte voor de traditionele opvang van water. Daarom is inzetten op onderzoek naar meer creatieve en innovatieve maatregelen belangrijk. Samenwerking tussen gemeente Den Haag en Delfland is daarvoor essentieel. De ambitie is: "Den Haag heeft een goed functionerend en toekomstbestendig watersysteem dat de gevolgen van klimaatverandering en verstedelijking kan opvangen en dat bijdraagt aan een aantrekkelijke stad." Samengevat zijn de drie belangrijkste strategische pijlers om te komen tot een toekomstbestendig Haags watersysteem: 1. De basis op orde: We zorgen ervoor dat het systeem goed blijft functioneren.
Eventuele negatieve effecten op de waterhuishouding moeten worden voorkomen of dienen te worden gecompenseerd. 2. Pak kansen door samen te werken en door slimme combinatie te zoeken: We moeten als overheden het goede voorbeeld geven, tijdig kansrijke initiatieven en projecten herkennen en optrekken met partijen in de stad. 3. Kennis, onderzoek en innovatie: Kennisontwikkeling, onderzoek en innovatie is van belang om creatieve oplossingen te vinden in het voorkomen van wateroverlast en het leefbaar en aantrekkelijk houden van de stad.’ 3.4.5.1 Relatie tot ontwikkeling In paragraaf 4.11 van voorliggende rapportage wordt de waterhuishoudkundige situatie nader toegelicht.
Nota Parkeerkader Den Haag Het algemene parkeerbeleid is vastgelegd in de nota Parkeerkader Den Haag 2010-2020 (RIS168473). Dit beleid gaat vooral over het faciliteren van de parkeerbehoefte en het benutten van schaarse ruimte maar moet ook automobilisten prikkelen om meer met het openbaar vervoer te reizen of de fiets te pakken. Hoge stedelijke bebouwingsdichtheden zonder adequate parkeervoorzieningen leiden vaak tot een te zware belasting van de openbare ruimte. Dat geldt zowel voor woon- als werkfuncties maar ook voor locaties die veel bezoekers trekken. Behalve de noodzaak tot de verdeling van schaarse (openbare) parkeergelegenheid in een aantal gebieden in de stad, zijn mobiliteitsoverwegingen gericht op het streven naar een bereikbare en leefbare (woon)omgeving voor de gemeente aanleiding tot het stellen van parkeereisen bij nieuwe ontwikkelingen. De parkeernormen en het toepassingskader ervan zijn uitgewerkt in de “Nota Parkeernormen Den Haag” (Rv 139 - 2011; RIS 181571) en is in 2016 op een beperkt aantal onderdelen gewijzigd en aangevuld (Rv21: RIS 291425_160223). Nieuwbouwplannen worden aan dit beleid getoetst. Aan de hand van de parkeernormen wordt de parkeerbehoefte berekend en vergeleken met de voorzieningen die in het plan zijn opgenomen.
Mees Ruimte & Milieu | 21365.01.RO
Pagina | 25
Bij woningbouw is het gemiddelde autobezit uitgangspunt voor de hoogte van de parkeernorm. Voor werken, winkels en andere voorzieningen is de functie van het gebouw en de mate van bereikbaarheid met het openbaar vervoer, bepalend voor de parkeernorm. Bij knooppunten van het openbaar vervoer geldt een lagere norm dan op plekken die minder goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer. De parkeernormen worden uitgedrukt in het aantal parkeerplaatsen per woning, en bij de -meeste- overige de functies in het aantal parkeerplaatsen per 100 m² bruto vloeroppervlak. Fietsverkeer Het fietsverkeer krijgt vanwege het milieuvriendelijke karakter en de fysiek zwakkere positie ten opzichte van het gemotoriseerde verkeer, bijzondere aandacht. Door het aanbieden van een aantrekkelijk hoogwaardig netwerk van veilige fietsroutes wordt het gebruik van deze vervoerswijze gestimuleerd. Binnen het stelsel van hoofdfietsroutes is een net van 'sterroutes' aangegeven. De sterroutes vormen de belangrijkste doorgaande routes die de woongebieden met het stadscentrum, de knooppunten van Openbaar Vervoer en het buitengebied verbinden. Daarnaast is er de nodige aandacht voor het stallen van fietsen. De publieke voorzieningen voor de fiets maken integraal onderdeel uit van de inrichting van de openbare ruimte.
3.4.6.1 Relatie tot ontwikkeling In paragraaf 4.10 van voorliggende rapportage is het aspect verkeer- en parkeren nader beschouwd.
Kadernota duurzaamheid - schone energie in een groene stad Samen met alle inwoners van Den Haag werkt de gemeente aan een stad die schoner, groener en duurzamer wordt. Zo wordt duurzaam denken én doen een nog belangrijker onderdeel van de Haagse mores: duurzaam is de nieuwe norm. Om duurzame ontwikkeling hanteerbaar te maken richt de gemeente zich op vier thema's: de overgang naar schone energie, een aantrekkelijke leefomgeving, schone mobiliteit en het hergebruik van grondstoffen. Doel is om op de gestelde doelen concrete resultaten te boeken en deze resultaten via monitoring zichtbaar te maken. Dit doet de gemeente in de vorm van een jaarlijkse Programmabrief Duurzaamheid en een jaarlijkse Voortgangsbrief Duurzaamheid. Per thema is een plan van aanpak en een werkagenda voor de periode 2019-2022 opgesteld. Energie Den Haag zet betekenisvolle en concrete stappen naar het doel van een klimaatneutrale stad in 2030. Hiermee sluit de gemeente aan op de besluiten van de rijksoverheid die op energieterrein zijn genomen. Dit betekent onder andere dat elk nieuw gebouw klimaatneutraal en dus zonder aardgas wordt opgeleverd. Bij grootschalige renovaties is aardgasvrij het uitgangspunt.