RIS312878 Bescherm Meijendel beter Bijlage 2
Tekst van het document
Anders dan in Duitsland en Vlaanderen, zou het gebruik mogen maken van een dergelijke drempel echter gekoppeld kunnen worden aan een feitelijk (gemeten) neerwaartse ontwikkeling van de deposities op Natura 2000-gebieden. Het gebruik van de drempel wordt dan slechts voorwaardelijk toegestaan zolang de depositie (bijvoorbeeld berekend met behulp van een driejaarlijks gemiddelde) blijft dalen. Daarmee worden twee effecten bereikt. In de eerste plaats wordt de juridische onderbouwing van de drempel (nog) sterker. Ten tweede werkt de drempel op deze wijze als een krachtige stok achter de deur voor het daadwerkelijk nemen van effectieve maatregelen om de depositie te verlagen. De toets of de gemiddelde depositie daadwerkelijk omlaag gaat, kan PBL | 98
gebiedsspecifiek plaatsvinden. Dat sluit het beste aan bij het feit dat verzekerd moet zijn dat een dergelijke drempelwaarde nergens leidt tot de mogelijkheid van significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Noodzakelijk is een gebiedsspecifieke koppeling met een feitelijke neerwaartse depositielijn echter niet. Doordat activiteiten die onder de drempel blijven slechts voor zeer geringe hoeveelheden extra depositie zorgen, is het niet zo belangrijk om tussen gebieden te differentiëren. Voordelen van een algemeen toepasbare drempel zijn de grotere eenvoud en de geringere administratieve lasten.
4.3.3 Verbetering gebiedsspecifieke analyse input voor wetenschappelijke onderbouwing vergunningverlening of drempelwaardes
Zoals eerder aangegeven, komt het woord stikstof niet voor in de Habitatrichtlijn. Deze richtlijn biedt lidstaten onder voorwaarden de mogelijkheid om maatschappelijke activiteiten toe te staan die mogelijk een verslechterend effect hebben op de natuur (zie daarvoor tekstkader 2.2). Bij het verlenen van vergunningen dient daarom een passende beoordeling plaats te vinden waarin de effecten van de te vergunnen activiteit op de ecologie worden onderbouwd en worden gerelateerd aan de natuurkwaliteit en de instandhoudingsdoelstellingen voor het desbetreffende gebied. Voor de stikstofuitstoot zou dit een onderbouwing vergen van de te verwachten (verslechterende) effecten op gebiedsspecifieke natuurkwaliteit. Voor relatief kleine (bouw)projecten is dit een administratief omvangrijke taak, te meer omdat de locatiespecifieke oorzaak-gevolgrelaties voor actuele trends in natuurkwaliteit niet voorhanden zijn. Mede daarom wordt bij vergunningverlening rond stikstof tot op heden uitgegaan van overschrijdingen van de natuurtypespecifieke risiconorm voor stikstof, ofwel de kritische depositiewaarde. Zoals in paragraaf 4.2.4 is aangegeven, laten landelijke trends in de habitatspecifieke natuurkwaliteit echter zien dat er reden is om in de passende beoordeling voor (met name) kleine extra deposities wel informatie over ecologische trends mee te nemen.
Om de administratieve last van een passende beoordeling te verlichten kan die informatie ook belangrijke rol krijgen bij de wetenschappelijke onderbouwing van drempelwaardes. Bij de huidige ecologische gegevensverzameling wordt vooral ingezet op het maken van rapportages voor Europa die informatie geven over landelijke ecologische trends. Informatie over gebieds- of locatiespecifieke trends die behulpzaam kan zijn voor een passende beoordeling bij vergunningverlening is nog schaars, onvolledig en vaak niet beschikbaar. Wel zijn er aanzetten hiertoe die laten zien dat er ook op gebiedsniveau variatie bestaat in zowel de huidige kwaliteit als in de voor- en achteruitgang ervan. Zo laat figuur 4.11 op basis van een analyse van beschikbare verspreidingsgegeven van vogel-, planten- en vlindersoorten zien dat het aantal soorten dat voor komt in verschillende locaties binnen de Veluwe varieert, net als de trend van het aantal soorten. Aan de randen van het natuurgebied komen minder soorten voor en is de ecologische kwaliteit lager. Bovendien lijkt aan de randen en in het westelijk deel vaker sprake te zijn van achteruitgang dan in bijvoorbeeld het oostelijk deel.
Deze analyses zijn nog prematuur en de maatlat voor aanwezigheid van soorten en de verandering in de mate van voorkomen is nog niet geënt zijn op hoe de natuurkwaliteitsontwikkelingen officieel gemeten moeten worden in relatie tot de gebiedsspecifieke instandhoudingsdoelen. Wel laten de analyses zien dat beschikbare gegevens opgewerkt kunnen worden om bruikbare informatie te bieden voor de prioritering van maatregelen en wellicht mogelijkheden om (kleine) emissies toe te staan. Echter, evenals voor het kosteneffectief herstellen van de natuurkwaliteit (zie paragraaf 4.2.6), is een volledig beeld van natuurkwaliteit in relatie tot vergunningverlening alleen mogelijk als de ecologische dataverzameling en monitoring verbetert.
PBL | 99
Met andere woorden, wanneer het de ambitie is om de vergunningverlening meer te koppelen aan daadwerkelijke ontwikkelingen in de natuurkwaliteit – en dus te besluiten over het toestaan van activiteiten op basis van meer dan alleen informatie over risico’s van stikstofdepositie – dan verdient het prioriteit om op gebiedsniveau de dataverzameling en de ecologische monitoring te verbeteren, en deze ecologische informatie beschikbaar te maken. In de tussentijd zou de premature informatie alleen met een goed onderlegde en gezaghebbende ecologische beoordeling verbonden kunnen worden aan gebiedsspecifiek beleid voor vergunningverlening, bijvoorbeeld bij het ecologisch onderbouwen van gebiedsspecifieke drempelwaardes (voor voorstellen voor een omvattend ecologisch oordeel zie Vink & Van Hinsberg 2019). Figuur 4.11
Landelijke verspreidingsgegevens van vogel-, planten- en vlindersoorten relevant voor de Vogel- en Habitatrichtlijn (beschermde soorten en typische soorten van beschermde habitattypen) laten zien dat de aanwezigheid en voor- en achteruitgang varieert binnen de Veluwe. Wanneer dergelijke informatie frequenter beschikbaar komt en meer aansluit bij de maatlatten uit de richtlijnen, dan zou die informatie bruikbaar kunnen worden om beleid bij te sturen en vergunningen te verlenen.
4.4 Voorwaarden voor een effectieve bestuurlijke organisatie Uit de voorgaande analyse is af te leiden dat de verdere ontwikkeling en uitvoering van het natuurbeleid verschillende uitdagingen kent. Die uitdagingen liggen zowel op het verstandig organiseren van de verhouding tussen generiek en gebiedsgericht beleid, de verhouding tussen stikstofmaatregelen en andere maatregelen die van belang zijn voor het realiseren van de VHR-doelen, de PBL | 100