CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS312672 Jonge slachtoffers criminele uitbuiting witte vlek in aanpak ondermijning Bijlage 2

Commissie Bestuur 16 november 2022, gemeente Den HaagBij agendapunt: Veiligheid58.432 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 7 van 7

Het integreren van de aanpak van criminele uitbuiting is tot slot ook van meerwaarde voor de repressieve aanpak van criminele organisaties die kwetsbare jongeren crimineel ronselen en vervolgens uitbuiten. Het perspectief van mensenhandel biedt opsporingsorganisaties en andere instanties betrokken bij de aanpak andere mogelijkheden, ingegeven vanuit het mensenhandelkader, als het gaat om het frustreren, opsporen en vervolgen van daders. Deze overwegingen leiden tot de volgende aanbeveling. Aanbeveling 1b: De minister van Justitie en Veiligheid wordt aanbevolen om de aanpak van criminele uitbuiting integraal onderdeel te maken van de brede aanpak van georganiseerde ondermijnende criminaliteit.

2. Verbeter de doorverwijzing door eerstelijns professionals De opsporing van mensenhandel is een haaldelict, hetgeen betekent dat het hierbij gaat om een misdrijf waarvan in veel gevallen geen aangifte wordt gedaan en waar politiediensten proactief naar op zoek moeten. Waar de opsporingsdiensten bij de strafrechtelijke aanpak van seksuele uitbuiting en arbeidsuitbuiting echter proactief kunnen controleren binnen bestaande sectoren, is dit voor criminele uitbuiting niet mogelijk, nu hiervan immers geen gereguleerde branche bestaat in Nederland. Als gevolg hiervan is de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), de

436 Brief van de Minister van Justitie en Veiligheid van 26 april 2022 over de aanpak van ondermijnende criminaliteit op hoofdlijnen, waarin met geen woord gerept wordt over criminele uitbuiting. 437 Onder meer op basis van Het Verdrag van Warschau; Europese Mensenhandel richtlijn 2011/36/EU en EHRM 7 januari 2010, 2965/04 (Rantsev t. Cyprus en Rusland).

HET MISDRIJF VOORBIJ | 87

politiedienst die verantwoordelijk is voor de strafrechtelijke aanpak van criminele uitbuiting, voor de opsporing van deze vorm van mensenhandel in veel sterkere mate afhankelijk van organisaties dan wel (eerstelijns) professionals die bij hun een melding maken. Het huidige onderzoek legt echter een grote discrepantie bloot tussen het aantal vermoedens van criminele uitbuiting van eerstelijns professionals, en het aantal vermoedelijke slachtoffers van deze vorm van mensenhandel dat in beeld is bij de AVIM’s. In een conservatieve interpretatie van de resultaten van dit onderzoek, gaat het immers al om ruim tweeduizend waarnemingen van vermoedelijke slachtoffers van criminele uitbuiting afkomstig uit 13 (middel-)grote gemeenten. Het grootste deel van deze waarnemingen van eerstelijns professionals zien op vermoedelijke slachtoffers met de Nederlandse nationaliteit. Uit dit onderzoek blijkt dat de bereidheid om signalen te delen onder eerstelijns professionals weliswaar hoog lijkt te liggen. Ruim 80% van hen geeft immers aan hun vermoedens omtrent criminele uitbuiting met iemand gedeeld te hebben, van wie 46% het met de politie heeft gedeeld. Niettemin heeft de AVIM ter vergelijking in de periode 2016-2020 ‘slechts’ 61 Nederlandse slachtoffers bij het Coördinatiecentrum tegen Mensenhandel (CoMensha) geregistreerd.

Nu de AVIM een meldplicht heeft om alle vermoedelijke slachtoffers bij CoMensha te melden, rijst de vraag of signalen de AVIM’s niet bereiken of dat er andere redenen zijn die deze zorgelijke discrepantie verklaren. Een blik op de opsporingscijfers lijkt erop te duiden dat de vermoedens in ieder geval niet of nauwelijks leiden tot opsporingsonderzoeken naar criminele uitbuiting. Over de periode 2015 - 2019 had slechts 41 van de 954 opsporingsonderzoeken (4,3%) betrekking op criminele uitbuiting. Specifiek ten aanzien van slachtoffers met een Nederlandse nationaliteit, ging het hierbij om zelfs maar negen opsporingsonderzoeken in vijf jaar tijd; minder dan 1% van het totaal aantal opsporingsonderzoeken van mensenhandel. Een mogelijk verklaring voor deze discrepantie ligt bijvoorbeeld in het feit dat eerstelijns professionals vaak niet goed weten waar ze een slachtoffer kunnen melden zodat hier iets mee gedaan wordt. De behoefte aan bijvoorbeeld goede (werk)afspraken en een verwijsindex wordt dan ook genoemd. Het doorverwijzen van een vermoedelijk slachtoffer naar de juiste instantie is een cruciale stap in de aanpak van criminele uitbuiting, temeer omdat criminele uitbuiting zich bij uitstek in het verborgene afspeelt.

Een melding vormt in veel gevallen de start voor de bescherming van het slachtoffer en voor de opsporing van daders en door het verzamelen van deze meldingen ontstaat er een eerste indruk over de aard en omvang van criminele uitbuiting en hoe een effectieve aanpak vorm te geven. Wanneer meldingen daadwerkelijk leiden tot meer opsporing, dan heeft dat als bijkomend voordeel dat er meer vervolgingen kunnen worden opgestart en uiteindelijk meer

jurisprudentie wordt uitgelokt.438 Zodoende komt op natuurlijke wijze ook meer duidelijkheid over de reikwijdte van de strafbaarstelling omtrent criminele uitbuiting. Informatie die nodig is om de aanpak van criminele uitbuiting door te ontwikkelen en aan te scherpen. Dit leidt dan ook tot de volgende aanbeveling: Aanbeveling 2: De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wordt, als interdepartementaal coördinator op het thema mensenhandel, aanbevolen om maatregelen te nemen die de signalering en doorverwijzing van (vermoedelijke) slachtoffers van criminele uitbuiting vergroten, zodat meer meldingen terechtkomen bij de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.

3. Preventie en effectieve bescherming Het voorkomen van criminele uitbuiting begint op straat, in de scholen en in kwetsbare wijken. Tegelijkertijd geven de eerstelijns professionals aan dat er juist op het gebied van preventie onvoldoende gebeurt en hier een belangrijke stap moet worden gezet in de aanpak van criminele uitbuiting. Dit gaat in de eerste plaats om het voorkomen dat kwetsbare jongeren überhaupt in een uitbuitingssituatie terecht komen. Hiervoor is het nodig om te investeren in duurzaam proactief contact, zowel online als offline, met jongeren die een verhoogd risico lopen slachtoffer te worden. Bovendien dient er gewerkt te worden aan het opbouwen van vertrouwen, zodat enerzijds informatie kan worden uitgewisseld die de kennispositie van de eerstelijns professionals versterkt en anderzijds jongeren kunnen worden gewezen op de risico’s en gevaren van criminele uitbuiters. Een aanpak die ook de (vroeg)signalering ten goede komt, want hoe eerder eerstelijns professionals erbij zijn, hoe groter de mogelijkheden zijn om te interveniëren. Het is derhalve positief dat in het kader van de aanpak van ondermijning geïnvesteerd wordt in een wijkgerichte aanpak die vorm moet gaan krijgen binnen gemeenten. Hierbij wordt echter niet gesproken over het verweven van deze aanpak met de aanpak van criminele uitbuiting.439 Dit is een gemiste kans.

Het is van belang om binnen deze wijkgerichte aanpak ook specifiek ruimte te maken voor het uitleren van good practices ten aanzien van het voorkomen en beschermen van slachtoffers van criminele uitbuiting, opdat zij niet gevangen raken in het web van (ondermijnende) criminaliteit.

438 In 2019 beval de Nationaal Rapporteur al aan om de opsporing van niet-seksuele uitbuiting te intensiveren. Zie Nationaal Rapporteur, 2019a, aanbeveling 4. Het is hiervoor echter van belang dat de AVIM voldoende meldingen binnenkrijgt op basis waarvan zij een opsporingsonderzoek kunnen starten. 439 Brief van de minister van Justitie en Veiligheid van 26 april 2022 over de aanpak van ondermijnende criminaliteit op hoofdlijnen.

HET MISDRIJF VOORBIJ | 88

In de tweede plaats is het van belang dat specifiek wordt ingezet op het vormgeven van interventiemogelijkheden bij slachtoffers die zich reeds in een uitbuitingssituatie bevinden. Uit het onderzoek blijkt dat een aanzienlijk deel van de slachtoffers van criminele uitbuiting zichzelf niet als zodanig herkent, bijvoorbeeld vanwege misleiding door of loyaliteit naar hun uitbuiter(s), en/of niet naar voren durft te komen vanwege voor hen moverende redenen, zoals bedreigingen vanuit de uitbuiter(s) of angst voor vervolging door de politie en het Openbaar Ministerie. Het is om die reden van belang om het bewustzijn over criminele uitbuiting te vergroten, zodat slachtoffers zichzelf als zodanig gaan herkennen en inzicht krijgen in de mogelijkheden met betrekking tot bescherming. Dit geldt zowel voor beschermen tegen het criminele netwerk door wie zij worden uitgebuit, als tegen mogelijke vervolging zoals in lijn met het non-punishment beginsel. Campagnes die tot dusver op (zeer) kleine schaal zijn uitgevoerd en zijn gekoppeld aan een hulplijn, tonen aan dat er onder de doelgroep behoefte is aan anonieme en laagdrempelige hulp. Investeren in bewustwordingscampagnes gericht op deze doelgroep, gekoppeld aan de (door)ontwikkeling van aanbod als het gaat om hulp en bescherming, dienen dan ook onderdeel te zijn van een effectieve strijd tegen criminele uitbuiting.

Kijk hierbij ook over de grens, bijvoorbeeld naar het Verenigd Koninkrijk, waar informatie opgehaald kan worden over wat werkt of lijkt te werken in het voorkomen en/of bescherming van slachtoffers van criminele uitbuiting. Iedereen is het erover eens dat de meest effectieve strategie tegen criminele uitbuiting de voorkoming ervan is. Dit is evenwel ook een van de grootste uitdagingen. Daarom dient voor diegenen die slachtoffer worden van criminele uitbuiting passende hulp en adequate bescherming te zijn. Dit hebben slachtoffers van criminele uitbuiting niet alleen nodig, hier hebben ze bovendien op basis van internationale wet- en regelgeving recht op.440 Deze overwegingen leiden tot de volgende aanbeveling: Aanbeveling 3: De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wordt, als interdepartementaal coördinator op het thema mensenhandel, aanbevolen om in te zetten op het voorkomen van criminele uitbuiting en een passend hulpaanbod in combinatie met adequate bescherming te ontwikkelen voor slachtoffers van criminele uitbuiting.

4. Investeer in kennis over criminele uitbuiting De Nationaal Rapporteur heeft over de afgelopen jaren meerdere malen in rapporten vastgesteld dat er te beperkt zicht bestaat op criminele uitbuiting, en in het bijzonder van Nederlandse slachtoffers. Hoewel er in de afgelopen jaren veelvuldig wordt geïnvesteerd in onderzoek naar ondermijnende

440 EU-richtlijn 2011/36/EU.

en (georganiseerde) criminaliteit, valt het op dat in deze onderzoeken niet tot nauwelijks aandacht wordt besteed aan criminele uitbuiting, terwijl meerdere van deze studies tot resultaten komen die hier wel op duiden. Als gevolg hiervan blijft het zicht op en de kennis over criminele uitbuiting (zeer) beperkt. In het Verenigd Koninkrijk ligt dit anders. Hier is door verhoogde aandacht vanuit beleid en onderzoek een beter beeld verkregen van de aard en omvang van criminele uitbuiting, de modus operandi van daders en criminele netwerken en op de risicofactoren die maken dat iemand een verhoogde kans heeft om slachtoffer te worden. De opgedane kennis vormt het belangrijk fundament waarop de aanpak in het Verenigd Koninkrijk wordt gebouwd en heeft ertoe geleid dat het aantal gesignaleerde slachtoffers van criminele uitbuiting inmiddels bijna drie keer zo groot is als het aantal slachtoffers van seksuele uitbuiting, er steeds meer initiatieven zijn die slachtofferschap beogen te voorkomen, en dat ook de opsporings- en vervolgingsorganisaties in de afgelopen jaren steeds meer ervaring hebben opgedaan met de strafrechtelijke aanpak van criminele uitbuiting, als gevolg waarvan de jurisprudentie aldaar steeds meer uitkristalliseert. Ook wordt onderzoek uitgevoerd naar de effectiviteit van maatregelen, wat een belangrijke stap is in de doorontwikkeling van de aanpak.

In Nederland ligt het aantal onderzoeken dat zich richt op criminele uitbuiting in het algemeen laag en specifiek voor Nederlandse slachtoffers op één hand te tellen. Hier richten de eerste studies, waaronder ook onderhavig onderzoek, zich met name op het in beeld brengen van de aard en omvang van criminele uitbuiting. Het huidige onderzoek legt daarnaast meerdere fundamentele kennislacunes bloot, die gevuld moeten worden met het oog op het versterken van de aanpak. Hoe ziet bijvoorbeeld de signalering en doorverwijzing van vermoedelijke slachtoffers binnen de strafen hulpverleningsketen eruit en hoe zorgen we ervoor dat slachtoffers de juiste hulp ontvangen? Wie zijn de daders die overgaan tot het ronselen en uitbuiten van kwetsbare jongeren en hoe gaan zij te werk? Op welke wijze kunnen we beter zicht krijgen op het online ronselen van kwetsbare jongeren door criminelen? Wat is er te zeggen over de verwevenheid tussen criminele uitbuiting en seksuele uitbuiting? En welke preventiemaatregelen zijn effectief in het voorkomen dat slachtoffers in een uitbuitingssituatie terecht komen? Voor het bouwen van een kennisfundament, en het ontwikkelen van een brede en integrale aanpak van criminele uitbuiting, is meer onderzoek nodig, waarbij het ook hier van belang is om samen op te trekken met het ondermijningsveld.

Deze overwegingen leiden tot de volgende aanbeveling: Aanbeveling 4: De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wordt, als interdepartementaal coördinator op het thema mensenhandel, aanbevolen om specifiek te investeren in onderzoek naar criminele uitbuiting in Nederland met het doel het kennisfundament te bouwen voor een effectieve landelijke aanpak.

BIBLIOGRAFIE • Adjiembaks, S., Boer, A.H. & Oude Lansink, M.J. (2022). (On)zichtbare beelden van jonge aanwas in de drugscriminaliteit. Een meta-analyse van tien deelonderzoeken in de regio MiddenNederland. Midden-Nederland: Programma Straatwaarden.

HET MISDRIJF VOORBIJ | 89

• Esser, L. (2019). De strafbaarstelling van mensenhandel ontrafeld. Een analyse en heroriëntatie in het licht van rechtsbelangen. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.

• Amsterdam (2020). Gedwongen crimineel. In gesprek over criminele uitbuiting onder meiden uit Nieuw-West. Amsterdam: Gemeente Amsterdam.

• Hogeschool Leiden (2018). Licht Verstandelijke Beperking en de Jeugdreclassering. Een handreiking voor jeugdreclasseringswerkers over de begeleiding van delinquente jongeren met een LVB.

• Bekkers, L., Schikt J. & Leukveldt, R. (2020). Naar een interventie tegen geldezels. Den Haag: De Haagse Hogeschool.

• Home Office (2022). Modern slavery: National referral mechanism and duty to notify statistics UK, end of the year summary, 2021. London: Home Office.

• Bos, K. Loyens, V. Nagy & Oude Breuil, B. (2016). Uitbuiting van minderjarigen in de criminaliteit in Nederland. Utrecht: Universiteit Utrecht.

• Informatie Knooppunt Zorgfraude (2020). Verwevenheid zorg & criminaliteit. Eindrapport – december 2020. Utrecht: Informatie Knooppunt Zorgfraude.

• Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (2020). Dader of slachtoffer? Criminele uitbuiting; een verkenning onder scholen. Den Haag: CKM.

• Leerlingalert (2022). Criminelen ronselen jongeren.

• Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (2021). Het misdrijf voorbij. Een verkenning naar criminele uitbuiting in Rotterdam. Den Haag: CKM. • Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (2022). In de greep van de misdaad. Een haalbaarheidsonderzoek naar het ontwikkelen van een online platform voor kwetsbare personen die door criminelen geronseld worden. Den Haag: CKM. • Christie, N. (1986). The ideal victim. In E. Fattah (Ed.), From crime policy to victim policy. Basingstoke: Macmillan. • Clarke, V. & Braun, V. (2006). Using thematic analysis in psychology. Qualitative Research in Psychology, 3(2), 77-101.

• Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (2016). Zicht op kwetsbaarheid. Den Haag: Nationaal Rapporteur. • Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (2017a). Slachtoffermonitor mensenhandel 2012-2016. Den Haag: Nationaal Rapporteur. • Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (2017b). Tiende rapportage mensenhandel. Den Haag: Nationaal Rapporteur. • Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen Slachtoffermonitor mensenhandel 2013-2017. Den Haag: Nationaal Rapporteur.

(2018).

• Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (2019a). Slachtoffermonitor mensenhandel 2014-2018. Den Haag: Nationaal Rapporteur.

• Coalitieakkoord Rutte IV (2021). Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst. Den Haag. • De Witte, I. & Pehlivan, M. (2015). Vulnerability of Bulgarian and Romanian Children to Trafficking in The Netherlands and in Brussels. The Netherlands: Defence for Children/ECPAT. • C.E. Dettmeijer-Vermeulen & M. Boot-Matthijssen (2014). Minderjarige slachtoffers in mensenhandelzaken: Ze wilde het zelf. Toch?, TPWS, 30(7), 128-133.

• Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (2019b). Dadermonitor mensenhandel 2013-2017. Den Haag: Nationaal Rapporteur. • Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen Slachtoffermonitormensenhandel 2015-2019. Den Haag: Nationaal Rapporteur.

(2020).

HET MISDRIJF VOORBIJ | 90

• Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (2021a). Slachtoffermonitormensenhandel 2016-2020. Den Haag: Nationaal Rapporteur. • Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (2021b). Dadermonitor mensenhandel 2015-2019. Den Haag: Nationaal Rapporteur. • Nijenhuis, R. (2016). Leren signaleren. Een onderzoek naar de signalering van criminele uitbuiting en gedwongen bedelarij door de politieorganisatie. Groningen: Nationale Politie. • Overhedenoverleg (2018). Programmastart IBP. • Politie (2021). Dealers in de dop. Amsterdam: Politie. • Politie Eenheid Amsterdam (2020). Trendbeeld 2020. Voorbij de cijfers. Amsterdam: Politie Eenheid Amsterdam.

• Broek, J. van der (2018). Speentjes aan het uitkoken, normaal is het lei. • Van Eijk, G. & Matthijsse, S. (2020). Schulden en criminaliteit. Literatuuronderzoek en interviews met Rotterdamse sleutelfiguren. Rotterdam: Erasmus Universiteit. • Anton van Wijk, A., van Esseveldt, J., Broekhuizen, J. & E. Bervoets (2021). Jongeren en georganiseerde drugscriminaliteit in de regio Den Haag. Arnhem: Bureau Beke. • Van Wijk, A. & Bremmers, B. (2011). Snelle jongens: Een onderzoek naar drugsrunners en daaraan gerelateerde problematiek in Limburg-Zuid. Arnhem: Bureau Beke. • Verhoeven, M., van Gestel, B., de Jong, D., & E. Kleemans (2015). Relationships between suspects and victims of sex trafficking. Eur. J. Crim. Policy Res, 21, 49–64. • Villacampa, N., & Torres, N. (2017). Human trafficking for criminal exploitation. The failure to identify victims. European Journal on Criminal Policy and Research, 23, 393–408.

• Regioplan (2022). Mensenhandel zichtbaar maken. Regioplan: Amsterdam. • VNG & CoMensha (2019). Aanpak mensenhandel in gemeenten. • Regioplan (2022). Mensenhandel zichtbaar maken. Leren van onderzoek in Ede en Utrecht. Amsterdam: Regioplan. • Roks, R. & Van den Broek, J. (2017). #HOUHETSTRAAT: straatcultuur op sociale media?. Tijdschrift over Cultuur en Criminaliteit, (7)3, 31-50. • Stam, J., & Karsdorp, I. (2022). Het profiel van katvangers in sociale huurwoningen. Utrecht: Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid Secondant. • Staring, R., Engbersen, G, Moerland, H., de Lange, N., Verburg, D., Vermeulen, E. & Weltevrede, A. (2005). De sociale organisatie van mensensmokkel. Amsterdam: Kerckebosch. • The Children’s Society (2018). Criminal Exploitation: Stages of Recruitment. Children At Risk of Exploitation (CARE). • Tops, P., Van Valkenhoef, J., Van der Torre, E. & L. van Spijk (2018). Waar een klein land groot in kan zijn. Den Haag: Boom Criminologie. • Üstüner, A., De Winter, M., Smulders, I., Jansen, J. & E. Kolthoff (2022). Criminele uitbuiting onder scholieren in Zeeland. Avans Hogeschool.

• Wissink, I. (2021) ‘If it’s too good to be true, it’s too good to be true’: Een verkenning van de literatuur over de kenmerken van jonge geldezels.

BIJLAGE A. BEGELEIDINGSCOMMISSIE Om de onafhankelijkheid en kwaliteit van het onderzoek te borgen is gekozen om te werken met een begeleidingscommissie die verbonden is aan het onderzoek. Leden Roos Broere Senior onderzoek Nationaal Rapporteur Robby Roks Universitair hoofddocent Erasmus Universiteit Queeny Jurel/ Vera van Rijn Beleidsmedewerker ministerie van Justitie en Veiligheid, toehoorder

HET MISDRIJF VOORBIJ | 91

BIJLAGE B. DE DERTIEN GEMEENTEN IN BEELD

In bijlage B wordt per gemeente ingegaan op (i) response per beleidsdomein, (ii) vermoedens van criminele uitbuiting in de afgelopen twee jaar (2019-2021)441 (iii) waargenomen leeftijd van slachtoffers, (iv) waargenomen vormen van gedwongen criminaliteit, (v) locaties waar slachtoffers zijn geworven of geronseld, (vi) manieren waarop slachtoffers in de criminaliteit zijn gedwongen en (vii) de resultaten op de voorgelegde stellingen. Het is hierbij van belang te benadrukken dat sommige gemeenten en beroepsgroepen sterker vertegenwoordigd zijn binnen dit onderzoek dan anderen. De onevenredige vertegenwoordiging van beroepsgroepen is mogelijk van invloed op de signalen die door de respondenten waargenomen worden, zoals de leeftijd van slachtoffers en de vormen van criminaliteit waartoe zij zijn gedwongen. Dit betekent dat de resultaten niet zonder meer gegeneraliseerd kunnen worden en dat op basis van dit onderzoek voorzichtigheid dient te worden getracht met het trekken van (te sterke) conclusies over gelijkenissen of verschillen tussen gemeenten. Het doel van het onderzoek richt zich immers op het verrijken van het landelijk zicht op criminele uitbuiting.

441 De bevraagde tijdsperiode loopt van de tweede helft van 2019 tot en met de eerste helft van 2021. Omwille van de leesbaarheid wordt in het rapport kortweg gesproken over 2019-2021.

HET MISDRIJF VOORBIJ | 92

HET MISDRIJF VOORBIJ | 93

B.1 Het beeld van Alkmaar

HET MISDRIJF VOORBIJ | 94

B.2 Het beeld van Amsterdam

HET MISDRIJF VOORBIJ | 95

B.3 Het beeld van Arnhem

HET MISDRIJF VOORBIJ | 96

B.4 Het beeld van Den Haag

HET MISDRIJF VOORBIJ | 97

B5 Het beeld van Eindhoven

HET MISDRIJF VOORBIJ | 98

B6 Het beeld van Enschede

HET MISDRIJF VOORBIJ | 99

B7 Het beeld van Haarlem

HET MISDRIJF VOORBIJ | 100

B8 Het beeld van Leeuwarden

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11662763/1