RIS312442 Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing The Grace
Tekst van het document
Het voornemen omvat de realisatie van kwetsbare objecten, zoals gedefinieerd in wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Ter bescherming van kwetsbare objecten moet er een bepaalde afstand aanwezig zijn ten opzichte van risicobronnen. Gemeenten moeten hier rekening mee houden in hun ruimtelijk beleid. Vanwege de realisatie van kwetsbare objecten dienen de risicobronnen in de nabije omgeving van het plangebied te worden geïnventariseerd. Over de aanwezigheid van risicovolle activiteiten geeft de risicokaart informatie, zie figuur 4.2. f4.2 Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)
HB 6108-5-RA-015 33
De externe veiligheidsaspecten ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen, alsmede de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen, zijn geïnventariseerd voor de nabije omgeving van het plangebied. In het kader van de externe veiligheid is nabij het plangebied een aantal risicobronnen gesitueerd. Dit betreffen de volgende risicobronnen (zie figuur 4.2): 1. gasdrukregel- en meetstations aan de Plutostraat; 2. transport van gevaarlijke stoffen via een aardgasbuisleiding. Gasdrukregel- en meetstation
Op circa 165 meter afstand is een gasdrukregel- en meetstation gelegen. Dit betreft een type C gasdrukregel- en meetstation. Voor een dergelijk station geldt een veiligheidsafstand van maximaal 25 meter ten opzichte van kwetsbare objecten. Aangezien dit station ondergronds is gelegen kan deze afstand bovendien gehalveerd worden en geldt er aldus een veiligheidsafstand van 12,5 meter. Aangezien de beoogde ontwikkeling op 165 meter afstand van dit station is gelegen, vormt dit gasdrukregel- en meetstation geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Tra n s p o r t v a n g e v a a r l i j k e s t o ff e n v i a e e n a a r d g a s b u i s l e i d i n g
Op circa 230 meter afstand van het plangebied is een aardgasbuisleiding van Gasunie gelegen. Deze aardgasbuisleiding (20 inch, 40 bar) kent een invloedsgebied van 220 meter. Aangezien de beoogde ontwikkeling niet binnen het invloedsgebied van deze aardgasbuisleiding is gelegen is geen nader onderzoek benodigd. Het plangebied is bovendien niet gelegen in het invloedsgebied van risicobronnen op verder gelegen afstanden. Er is aldus geen sprake van relevante risicobronnen in de omgeving van het plangebied. 4.3.4 C o n c l u s i e
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Nabij het plangebied zijn geen relevante risicobronnen in het kader van externe veiligheid gelegen. 4.4 B e d r i j v e n e n m i l i e u z o n e r i n g
4.4.1 A l g e m e e n
De beoogde ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Hierbij moet rekening gehouden worden dat de beoogde woningen op een passende afstand ten opzichte van omliggende bedrijfsactiviteiten worden gesitueerd. Bedrijven kunnen een impact hebben op hun omgeving. Hierbij is het van belang dat enerzijds de belangen van de bedrijven niet geschaad worden en anderzijds wordt gestreefd naar een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. In deze paragraaf zal dit aspect nader worden toegelicht.
HB 6108-5-RA-015 34
4.4.2 We t t e l i j k k a d e r
Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) worden de bedrijfsactiviteiten van bedrijven ingedeeld in bepaalde milieucategorieën. Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'gevoelige' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder kan optreden ten gevolge van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Indicatieve richtafstanden (voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar) voor woningen in de twee te onderscheiden 'omgevingen' bij verschillende bedrijfstypes (ingedeeld in milieucategorieën) zijn weergegeven in tabel 4.1. t4.1 Indicatieve afstand in meters tot omgevingstype (bron: VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering') Categorie
Rustige woonwijk en rustig buitengebied
Gemengd gebied
1
10
0
2
30
10
3.1
50
30
3.2
100
50
4.1
200
100
4.2
300
200
5.1
500
300
5.2
700
500
5.3
1000
700
6
1500
1000
Volgens de voornoemde VNG-publicatie is de definitie van het omgevingstype gemengd gebied als volgt: 'Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven'. Het plangebied behoort tot dit omgevingstype. De in tabel 4.1 weergegeven afstanden betreffen de afstanden tussen de perceelgrens van de activiteiten (niet de bebouwingsgrens) en de gevel van de (geluid)gevoelige bestemming (in casu woningen). De afstanden zijn volgens de VNG-brochure algemene richtafstanden en geen harde afstandseisen. Gemotiveerd afwijken van deze afstanden is mogelijk, zo volgt ook uit jurisprudentie. 4.4.3 B e o o r d e l i n g
Het voornemen betreft de realisatie van woningen. In de omgeving van de beoogde woningen bevinden zich naast woningen voornamelijk kantoren en dienstverlening. Ter plaatse van de percelen alwaar conform de vigerende bestemmingsplannen bedrijvigheid is toegestaan, is sprake van bedrijfsactiviteiten behorend tot milieucategorie 1, 2 of 3.1. In HB 6108-5-RA-015 35
figuur 4.3 wordt weergegeven waar de richtafstand wordt overschreden uitgaande van de maximaal planologische invulling. In deze figuur worden de van toepassing zijnde richtafstanden van de perceelgrens van omliggende bedrijvigheid tot de planbegrenzing weergeven. De beoogde woningen zijn echter niet binnen deze richtafstanden gesitueerd. Daar waar niet aan de richtafstand wordt voldaan zal een weg en groene ruimte gesitueerd worden. Om deze reden wordt aldus alsnog voldaan aan de geldende richtafstand van de perceelgrens van bedrijvigheid tot de gevels van de beoogde woningen. Op basis van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan zijn de beoogde woningen in relatie tot de omliggende bedrijfsactiviteiten aldus inpasbaar binnen de omgeving. f4.3 Richtafstanden voor de maximale planologische invulling van bedrijfsactiviteiten in de nabije omgeving
Spoor wegemplacement Hollands Spoor
Tevens is in de omgeving van het plangebied het spoorwegemplacement Hollands Spoor gelegen. In figuur 4.4 wordt de ligging van het spoorwegemplacement weergeven. Conform de VNG-publicatie geldt voor deze bedrijfsactiviteiten een richtafstand van 200 meter in gemengd gebied. De beoogde woningen zijn binnen deze richtafstand gelegen. Daarom dient de inpasbaarheid van woningen in de nabijheid van dit spoorwegemplacement nader beschouwd te worden.
HB 6108-5-RA-015 36
f4.4 Ligging spoorwegemplacement Hollands Spoor (bron luchtfoto: Google Earth)
Door Peutz is akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 1) waarmee de geluidbelasting ten gevolge van het spoorwegemplacement ter plaatse van de gevels van de beoogde ontwikkeling inzichtelijk is gemaakt. Hieruit volgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT ter plaatse van de gevels van de beoogde woningen maximaal 54 dB(A)-etmaalwaarde bedraagt. Gezien het heersende referentieniveau ten gevolge van weg- en railverkeerslawaai op de gevels van de beoogde woningen wordt het toestaan van geluidbelastingen tot 54 dB(A) ten gevolge van industrielawaai toelaatbaar geacht. Weg- en railverkeerslawaai zijn in deze situatie namelijk maatgevend. Bovendien worden reeds maatregelen getroffen ten aanzien van weg- en railverkeerslawaai, waarmee een prettig woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd. In de vigerende vergunning worden bij woningen maximale waarden van 57 dB(A) toegestaan. De geluidbelasting van 54 dB(A)-etmaalwaarde ter plaatse van de gevels van de beoogde ontwikkeling is lager en wordt hiermee aanvaardbaar geacht. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling inpasbaar is ten aanzien van het geluid ten gevolge van het spooremplacement Hollands Spoor. 4.4.4 C o n c l u s i e
De beoogde ontwikkeling voldoet aan de geldende richtafstanden. Bovendien wordt de geluidbelasting ten gevolge van het Spooremplacement Hollands Spoor aanvaardbaar geacht3. Daarmee is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuzonering levert dan ook geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling. 3 In paragraaf 4.11 wordt nader ingegaan op de inpasbaarheid van de beoogde ontwikkeling ten aanzien van railvekeerslawaai. HB 6108-5-RA-015 37
4.5 V e r k e e r e n p a r k e r e n
4.5.1 A l g e m e e n
De beoogde ontwikkeling heeft een invloed op de verkeerssituatie en parkeersituatie ter plaatse van het plangebied en de omgeving. In deze paragraaf wordt de impact van de ontwikkeling op het aspect verkeer en parkeren nader inzichtelijk gemaakt. 4.5.2 To e t s i n g s k a d e r
Door gemeente Den Haag is op 11 november 2011 de Nota Parkeernormen vastgesteld. Deze is bovendien begin 2016 aangepast en gewijzigd. Uit de Nota parkeernormen van Den Haag volgt dat nieuwbouw in voldoende mate moet voorzien in parkeercapaciteit ten behoeve van het bouwplan. Om te kunnen beoordelen of daaraan wordt voldaan, worden parkeernormen gehanteerd. Dit wordt de parkeerbehoefte genoemd. Deze parkeerbehoefte geeft aan welke parkeercapaciteit er in theorie beschikbaar moet zijn. Deze parkeernormen zijn echter niet per definitie dezelfde normen die uiteindelijk landen in een juridisch bindend besluit. De uiteindelijke juridisch bindende norm wordt de parkeereis genoemd en kan als gevolg van bijvoorbeeld dubbelgebruik/mobiliteitsplan lager uitvallen dan de parkeerbehoefte. Het bevoegd gezag bepaalt uiteindelijk de parkeereis. Door gemeente Den Haag zijn op 7 oktober 2020 bovendien de parkeernormen verlaagd voor het CID. Dit zijn dan ook de parkeernormen waarmee bij de beoogde ontwikkeling rekening zal worden gehouden. Bovendien kent gemeente Den Haag een stimuleringsregeling ten behoeve van het terugdringen van de auto in de stad. Deze regeling houdt in dat 50% van de parkeervraag van bewoners vervangen mag worden door deelauto’s. Hierbij geldt dat één deelauto vier eigen auto’s vervangt. 4.5.3 B e o o r d e l i n g
Door Goudappel is in 2021 een verkeerskundig onderzoek 4 (bijlage 2) uitgevoerd. In dit onderzoek is nader ingegaan op het benodigd aantal parkeerplaatsen voor auto's en fietsen, alsmede is het effect van de beoogde ontwikkeling op de verkeerssituatie nader beschouwd. Onderstaand worden deze aspecten nader toegelicht.
4 Opgemerkt wordt dat in dit onderzoek nog uitgegaan is van de realisatie van detailhandel/winkels. Thans zijn deze functies vervangen door commerciële voorzieningen (dienstverlening). Dit heeft echter geen gevolgen voor de berekening van het benodigd aantal parkeerplaatsen. Wat de van toepassing zijnde parkeernormen, en aanwezigheidspercentages, betreft sluiten commerciële voorzieningen namelijk goed aan op de functie winkels/detailhandel. HB 6108-5-RA-015 38
Autoparkeren
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van woningen en (commerciële) voorzieningen. In het onderzoek van Goudappel wordt aangekaart dat The Grace geen reguliere ontwikkeling is waarbij alle functies solitair functioneren en iedere gebruiker een eigen parkeerplaats heeft. In dit onderzoek is de parkeervraag daarom aan de hand van de volgende methoden bepaald: 1. Aan de hand van de Nota Parkeernormen Den Haag en CID; 2. Op basis van het Stimuleringsprogramma; 3. Op basis van het ontwikkelconcept The Grace. Onderstaand wordt de parkeervraag voor de drie methoden nader toelicht, waarmee uiteindelijk de parkeervraag van de beoogde ontwikkeling wordt berekend. Nota Parkeernormen Den Haag en CID Met behulp van de gemeentelijke parkeernormen is allereerst per functie de parkeervraag bepaald. De gemeenteraad van Den Haag heeft op 7 oktober 2020 parkeernormen voor het CID vastgesteld, die lager zijn dan de vigerende nota. Dit resulteert voor in de halvering van de parkeernorm voor woonfuncties. Om het benodigde aantal parkeerplaatsen ten behoeve van de woonfunctie te bepalen is het gebiedstype en het type woning bepalend. Binnen het gemeentelijk parkeerbeleid wordt namelijk onderscheid gemaakt in diverse gebiedsindelingen, zie figuur 4.5. Voor woonfuncties geldt daarbij een andere indeling dan voor werkfuncties.
De beoogde ontwikkeling behoort, ten aanzien van de woonfuncties, tot de locatie 'centrum'. In tabel 4.2 is de parkeerbehoefte voor de beoogde woningen op basis van de gemeentelijke parkeernormen berekend. f4.5 Gebiedsindeling wonen conform Nota Parkeernormen
HB 6108-5-RA-015 39
t4.2 Berekening parkeerbehoefte voor de beoogde ontwikkeling van woningen Functie
Parkeernorm*
Eenheid
Aantal
Minimaal benodigd aantal parkeerplaatsen
Appartementen < 40 m2 bvo
0,075
pp/woning
81
6
40 – 70 m bvo
0,15
pp/woning
1.117
168
70 – 100 m2 bvo
0,25
pp/woning
213
53
Bezoekers woningen
0,05
pp/woning
1.411
71
2
Totaal
298
Bovendien omvat de beoogde ontwikkeling commerciële voorzieningen. De parkeerbehoefte van deze functie zal derhalve opgeteld moeten worden bij de parkeerbehoefte ten gevolge van de woningen. In de Nota Parkeernormen wordt voor kantoren, bedrijven en voorzieningen een andere begrenzing van het gebiedstype gehanteerd dan voor wonen. Conform de Nota Parkeernormen is het plangebied in zone 2 gelegen, zie figuur 4.6. f4.6 Gebiedsindeling kantoren, bedrijven en voorzieningen conform Nota Parkeernormen
Voor de overige functies is aldus strikt genomen ‘zone 2’ van toepassing. Echter wordt in voorliggende situatie vanwege de ambitie van de ontwikkelaar en de locatie binnen het CID, ‘zone 1’ aangehouden voor de overige functies.
HB 6108-5-RA-015 40
t4.3 Berekening parkeerbehoefte voor de beoogde ontwikkeling van overige functies Omschrijving
Functie**
Parkeernorm*
Eenheid
Aantal
Minimaal benodigd aantal parkeerplaatsen
Commerciële voorzieningen
Winkel
1,55
pp/100 m2
1.280 m2
20
Sportschool
1,0
pp/100 m2
674 m2
30
4,0
2
2
6
(dienstverlening) Sport Horeca
Café/bar/strandtent
pp/100 m
754 m
Totaal
56
* Deze parkeernormen zijn inclusief het parkeren ten behoeve van bezoekers. Voor de winkels, sport en horeca bedraagt het aandeel ten behoeve van het parkeren van bezoekers van respectievelijk 85%, 80% en 90%. ** Dit betreffen de functieomschrijvingen uit de Nota parkeernormen waarop is aangesloten voor de te realiseren functies.
In totaal bedraagt de parkeerbehoefte voor bewoners 298 parkeerplaatsen, inclusief de parkeerplaatsen voor bezoekers (zonder rekening te houden met dubbelgebruik). De parkeerbehoefte ten gevolge van de overige functies bedraagt 56 parkeerplaatsen. In totaal bedraagt de parkeerbehoefte ten gevolge van de beoogde ontwikkeling van zowel woningen als overige functies conform de gemeentelijke parkeernormen aldus 354 parkeerplaatsen (zonder toepassing van dubbelgebruik). De parkeervraag van elke functie is echter niet op ieder moment van de week even groot. Woningen hebben bijvoorbeeld ’s avonds en ’s nachts hun hoogste parkeervraag, terwijl kantoren juist overdag hun maatgevende moment hebben. Door toepassing van aanwezigheidspercentages is in het onderzoek van Goudappel rekening gehouden met dit effect. In tabel 4.4 worden de aanwezigheidspercentages voor de relevante functies opgenomen. t4.4 Aanwezigheidspercentages per periode Functie
Werkdag
Werkdag
Werkdag
Koopavond Werkdag nacht Zaterdag-
Zaterdag-
Zondag-
ochtend
middag
avond
middag
avond
middag
Woningen bewoners
50%
50%
90%
80%
100%
60%
80%
70%
Woningen bezoekers
10%
20%
80%
70%
0%
60%
100%
70%
Café/bar/cafetaria
30%
40%
90%
85%
0%
75%
100%
45%
Commerciële
30%
60%
10%
75%
0%
100%
0%
100%
Sportfunctie binnen
50%
50%
100%
100%
0%
100%
100%
75%
Parkeervraag
139
155
296
278
227
228
289
247
voorzieningen
Met toepassing van dubbelgebruik van parkeerplaatsen bedraagt de parkeerbehoefte op het maatgevende moment (werkdagavond) aldus 296 parkeerplaatsen. De parkeervraag als gevolg van de bewoners is daarbij het hoogst gedurende de werkdagnacht. De parkeervraag bedraagt dan 227 parkeerplaatsen. De bezoekers van woningen genereren op het maatgevende moment (zaterdagavond) een parkeervraag van 71 parkeerplaatsen. HB 6108-5-RA-015 41
Stimuleringsprogramma Door toepassing van deelauto's en de parkeervoorziening nader af te stemmen op de doelgroep van de beoogde ontwikkeling kan de parkeerbehoefte van de bewoners echter gereduceerd worden. Onderstaand wordt dit nader toegelicht. Rekening houdend met het toepassen van deelauto's kan deze parkeervraag worden gereduceerd. Hierbij is rekening gehouden met de volgende uitgangspunten: − 50% van de parkeervraag van bewoners wordt vervangen door deelauto’s; − 1 deelauto vervangt 4 eigen auto’s. Rekening houdend met een parkeervraag van 227 parkeerplaatsen voor bewoners resulteert dit in het inzetten van in totaal 28 deelauto’s. In tabel 4.5 wordt de parkeervraag voor de woonfuncties op basis van de gemeentelijke stimuleringsregeling berekend. t4.5 Berekende parkeervraag op basis van gemeentelijke stimuleringsregeling Functie 2
Werkdag
Werkdag
Werkdag
ochtend
middag
avond
Koopavond
Werkdag
Zaterdag-
Zaterdag-
Zondag-
nacht
middag
avond
middag
Woningen < 40 m bvo
2
2
3
2
3
2
2
2
Woningen 40 – 70 m2 bvo
42
42
75
67
84
50
67
59
Woningen 70 – 100 m2 bvo
13
13
24
21
27
16
21
19
Woningen 100 – 160 m2 bvo
0
0
0
0
0
0
0
0
Bezoekers woningen
7
14
56
49
0
42
71
49
Stallen deelauto's
28
28
28
28
28
28
28
28
Commerciële voorzieningen
5
10
2
13
0
17
0
17
1
2
0
2
0
3
0
3
Horeca bezoek
8
11
24
23
0
20
27
12
Horeca medewerkers
1
1
3
3
0
2
3
1
Sportschool bezoek
3
3
5
5
0
5
5
4
bezoek Commerciële voorzieningen medewerkers
Sportschool medewerkers
1
1
1
1
0
1
1
1
Parkeervraag
111
127
223
216
142
188
227
196
Met toepassing van dubbelgebruik van parkeerplaatsen bedraagt de parkeervraag op het maatgevende moment (zaterdagavond) 227 parkeerplaatsen. De maatgevende parkeervraag van bewoners daalt naar 142 parkeerplaatsen op een werkdagnacht, inclusief het stallen van 28 deelauto’s. De bewoners komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning. Voor de parkeervraag van bewoners realiseert de ontwikkelaar 29 deelauto-parkeerplaatsen voor het stallen van de deelauto’s. Dit betreft één deelauto meer dan nodig is. Deze parkeerplaatsen worden in de nabijgelegen Q-Park garage Laakhaven gesitueerd. Bovendien heeft de ontwikkelaar een contract met Q-Park afgesloten voor het huren van 150 parkeerplaatsen in garage Laakhaven. Van deze 150 parkeerplaatsen worden 29 parkeerplaatsen gereserveerd voor de HB 6108-5-RA-015 42
deelauto's. Het overige deel van de parkeerplaatsen, te weten de 121 parkeerplaatsen, kan worden ingezet voor de resterende parkeerbehoefte van bewoners. Deze resterende parkeervraag bedraagt 113 parkeerplaatsen (142 – 29) op het maatgevende moment en kan derhalve opgevangen worden in Q-park Laakhaven. Ontwikkelconcept The Grace De ontwikkelaar is voornemens in te spelen op de doelgroep van de ontwikkeling, namelijk bewoners en gebruikers in hoogstedelijk gebied die zich vooral met de fiets en het openbaar vervoer verplaatsen. Het NS-station Holland Spoor is op 450 meter afstand gelegen en de bus- en tramhalte ligt voor de deur. In de directe omgeving van de ontwikkellocatie is openbare parkeergelegenheid beschikbaar, waaronder Q-park Laakhaven en MegaStores Den Haag. Dit heeft dan ook een effect op het benodigd aantal parkeerplaatsen. Op basis van gestelde uitgangspunten is de parkeerbehoefte van de ontwikkeling verder bepaald. In het onderzoek van Goudappel worden hiertoe de volgende uitgangspunten voor de beoogde ontwikkeling gehanteerd: − De bewoners kunnen gebruik maken van een deelautosysteem. De deelauto’s worden gestald in de Q-Park garage. Bewoners van kunnen daarnaast nog een abonnement aanschaffen in de Q-Park Laakhaven voor het eventueel stallen van een eigen auto.
− Het bezoek van de woningen maakt gebruik van openbare parkeervoorzieningen waaronder de nabijgelegen Q-Park garages (Laakhaven en MegaStores Den Haag). − Gebruikers (en bezoekers) van de commerciële functies maken, zoals reeds gesteld, gebruik van openbare parkeervoorzieningen in de omgeving en zullen, vanwege de ligging ten opzichte van OV-voorzieningen, gebruikmaken van het openbaar vervoer en de fiets. Op basis van deze uitgangspunten is de parkeereis van de beoogde ontwikkeling opgesteld. In tabel 4.6 wordt de parkeereis per moment ten gevolge van de beoogde ontwikkeling opgenomen. t4.6 Parkeereis op basis van ontwikkelconcept Functie
Werkdag
Werkdag
Werkdag Koopavond
Werkdag
Zaterdag
Zaterdag
Zondag
dubbelgebruik overdag
Zonder
middag
avond
nacht
middag
avond
middag
Bewoners woningen
113
57
57
102
91
113
68
91
79
Bezoekers woningen
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Stallen deelauto's
28
28
28
28
28
28
28
28
28
(Commerciële)
0
0
0
0
0
0
0
0
0
142
85
85
130
119
142
96
119
108
voorzieningen Totale parkeervraag
Uit tabel 4.6 volgt dat de parkeereis op basis van het ontwikkelconcept 142 parkeerplaatsen op het maatgevende moment bedraagt. Hiervan zijn 28 parkeerplaatsen ten behoeve van deelauto's. Zoals reeds aangegeven zullen in totaal 29 deelauto’s worden gestald in de QHB 6108-5-RA-015 43
Park garage waar bewoners gebruik van kunnen maken. Dit past binnen de gehuurde 150 parkeerplaatsen. Bovendien kunnen mensen die afhankelijk zijn van de auto als vervoermiddel een abonnement afnemen in Q-Park Laakhaven voor het huren van een parkeerplek voor hun eigen auto. Hiertoe heeft de ontwikkelaar een contract met Q-Park afgesloten voor het huren van in totaal 150 parkeerplaatsen 5 in Q-Park Laakhaven. Hiermee wordt voldaan in voldoende parkeergelegenheid voor de bewoners van de beoogde ontwikkeling. Opgemerkt wordt dat voor de bezoekers van woningen en gebruikers van de overige functies voldoende openbare parkeervoorzieningen in de omgeving beschikbaar zijn. Parkeergarage Q-park Laakhaven heeft een capaciteit van 1.338 plekken en wordt voornamelijk gebruikt als parkeervoorziening door werkenden in de omgeving. De piekmomenten van deze garage zijn op werkdagen overdag. Het piekmoment van de ontwikkeling is echter de werkdagavond. De parkeervoorziening van MegaStores heeft bovendien een capaciteit van circa 1.500 plekken en kent haar piek in het weekend en op koopavond. Q-park Laakhaven en de parkeervoorziening van de MegaStores hebben aldus beide een ander piekmoment dan de beoogde ontwikkeling. Hierdoor is voor alle momenten dat de ontwikkeling een parkeerbehoefte genereert mogelijkheid om in de omgeving te parkeren. Fi e t s p a r k e r e n
Door Goudappel is in het verkeerskundig onderzoek tevens de fietsparkeervraag voor de beoogde ontwikkeling bepaald. Het benodigd aantal fietsparkeerplaatsen is bepaald aan de hand van de ‘Nota Parkeernormen’ en de ‘Beleidsregels Fietsparkeernormen Den Haag 2016’. Voor woningen wordt hierbij aangegeven dat wordt aangesloten op de eisen conform het Bouwbesluit 2012. Nieuwe woningen dienen hierbij voorzien te worden van een individuele (fietsen)berging. Er worden echter tevens mogelijkheden geboden om te voorzien in alternatieve oplossingen, zoals een gemeenschappelijke fietsenstalling. De ontwikkelaar voorziet niet in individuele bergingen, maar gaat een gemeenschappelijke fietsparkeervoorziening realiseren. Conform de 'Beleidsregel Bergingen Nieuwe Woongebouwen Den Haag 2017' bedraagt de parkeervraag ten gevolge van de woningen op basis van gemeentelijke fietsparkeernormen 2.171 fietsparkeerplaatsen. Met gemeente Den Haag is daarbij afgestemd dat het bezoek van bewoners onderdeel is van de fietsparkeernorm. Op het maatgevend moment, de werkdagnacht, bedraagt de fietsparkeervraag eveneens 2.171 fietsparkeerplaatsen. Aangezien er 's nachts geen tot weinig bezoekers zullen zijn, zal de fietsparkeervraag in werkelijkheid echter lager uitvallen.
Conform de ‘Beleidsregel Bergingen Nieuwe Woongebouwen Den Haag 2017’ dienen altijd twee plekken6 per woning in een laag rek beschikbaar te zijn. Dit resulteert erin dat er 1.685 lage fietsparkeerplekken en 486 hoge fietsparkeerplekken gerealiseerd dienen te 5 Dit betreft het aantal parkeerplaatsen inclusief de parkeerplaatsen voor de 29 deelauto's. 6 Met uitzondering van de woningen waarvoor de fietsparkeernorm lager dan 2 is. HB 6108-5-RA-015 44
worden. In afwijking van het gemeentelijk beleid zal echter worden voorzien in 1.116 lage en 1.055 hoge fietsparkeerplekken. Hiermee wordt het voorgeschreven aantal fietsparkeerplaatsen gerealiseerd. Er is echter een tekort aan lage plekken en een overschot aan hoge plekken. Voor de doelgroep van de beoogde ontwikkeling zal het hoog parkeren in de praktijk geen probleem zijn daar het aandeel jongeren/starters groter zal zijn dan bij een gemiddelde ontwikkeling. Een afwijking van het gemeentelijk beleid is hiermee aanvaardbaar. Daarnaast zal in het gebouw 7 dagen per week een onsite serviceteam aanwezig zijn dat, wanneer nodig, kan bijsturen in het beoogde gebruik van de fietsenstalling. De beoogde ontwikkeling zal hiermee voorzien in voldoende geschikte parkeerplaatsen voor fietsen. Voor de overige functies binnen de beoogde ontwikkeling worden er in het gemeentelijk beleid parkeernormen opgenomen. Net zoals voor auto-parkeernormen wordt daarbij voor de bepaling van de van toepassing zijnde parkeernormen een aantal gebiedstypen gehanteerd. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden met een hoog en laag fietsgebruik. Volgens het gemeentelijk beleid is de beoogde ontwikkeling binnen een zone met een laag fietsgebruik gesitueerd.
Er is echter voor gekozen om aan te sluiten op de parkeernormen voor een gebied met een hoog fietsgebruik, daar de ontwikkelaar wil inzetten op andere mobiliteitsvormen dan de auto. Door Goudappel is het aantal benodigde parkeerplaatsen voor deze functies bepaald. Dit betreft op het maatgevende moment 133 plakken, bestaande uit 114 plekken voor bezoekers en 19 plekken voor medewerkers. Voor de medewerkers wordt een inpandige fietsenstalling gerealiseerd. Op maaiveld worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd voor de bezoekers van deze functies, waarmee voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Overigens wordt opgemerkt dat de capaciteit van de fietsverbindingen door de gemeente zal worden gemonitord. Indien er binnenstedelijk capaciteitsknelpunten optreden zal de gemeente actie ondernemen. Scootmobielen
Conform de Beleidsregel Bergingen Nieuwe Woongebouwen Den Haag 2017 dient ook een gemeenschappelijke stalling voor scootmobielen gerealiseerd te worden. Met behulp van de volgende formule wordt de ruimte ten behoeve van scootmobielen berekend: Ruimtereservering voor scootmobielen in m 2 = aantal woningen / 15 x 3 m 2 Uitgaande van 1.411 woningen resulteert dit in 282 m 2 ten behoeve van het stallen van scootmobielen. In de kelder van de beoogde bebouwing is voldoende ruimte bestemd voor het stallen van scootmobielen. Hiermee wordt voldaan aan de benodigde ruimte die gerealiseerd moet worden conform het gemeentelijk beleid. Ve r k e e r s g e n e r a t i e
Het nieuwbouwplan heeft, naast het effect op parkeren, eveneens een effect op de verkeersgeneratie (aantal aankomende en vertrekkende auto's). Door Goudappel is de verkeersgeneratie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling berekend.
HB 6108-5-RA-015 45
De parkeerplaatsen worden in de nabijgelegen Q-Park garage Laakhaven gesitueerd. Het gebruik van deze parkeerplaatsen genereert verkeer. Bovendien dient rekening te worden gehouden met het verkeer ten gevolge van servicelogistiek, zoals pakketbezorgers bij de woningen of monteurs. Ve r k e e r s g e n e r a t i e b e o o g d e o n t w i k k e l i n g
Allereerst is de verkeersgeneratie bepaald ten gevolge van de parkeerplaatsen voor deelauto's. Om de verkeersgeneratie van één parkeerplaats te bepalen is gebruikgemaakt van CROW-kencijfers voor dure huurappartementen. Hiervoor geldt een parkeerkencijfer van 1,2 parkeerplaats per woning en een verkeersgeneratiekencijfer van 3,3 mvt/etmaal per woning. Een parkeerplaats genereert hiermee 2,75 mvt/etmaal. Uitgaande van een parkeerbehoefte van 28 parkeerplaatsen voor deelauto’s resulteert dit in eerste aanleg in 77 verkeersbewegingen per etmaal. Opgemerkt wordt dat deelauto’s over het algemeen meer bewegingen per dag maken dan reguliere auto’s. Daarom wordt ervan uitgegaan dat de deelauto’s een dubbele verkeersgeneratie kennen. In totaal resulteert dit in een verkeersgeneratie ten gevolge van de parkeerplaatsen voor deelauto's van 154 mvt/etmaal 7. Bovendien is op basis van de CROW-publicatie 256 ‘Verkeersgeneratie woon- en werkgebieden’ de verkeersgeneratie op het maatgevend moment bepaald (zie tabel 4.7). In totaal zal naar verwachting per 20 woningen sprake zijn van 1 bestelbusje per etmaal. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van circa 140 mvt/etmaal. Hierbij dient opgemerkt te worden dat pakketbezorgers steeds efficiënter gaan werken. Hedendaags gaan circa 300 pakketten in één busje die één ronde maakt. Eén busje kan dus circa 300 huishoudens in één ronde faciliteren.
De trend van tegenwoordig laat ook zien dat er steeds vaker ook in de avonduren wordt bezorgd. Binnen de ontwikkeling zal gebruik worden gemaakt van een service zoals MYPUP (My Pick Up Point).Bij een efficiënte planning is de berekende verkeersgeneratie aldus zeer ruim gesteld. Bovendien wordt aangenomen dat de logistieke stroom van de (commerciële) voorzieningen bestaat uit circa 5 leveringen per dag. Deze aantallen zijn beperkt en daarom onderdeel van de bandbreedte van circa 140 mvt/etmaal. In tabel 4.7 wordt de verkeersgeneratie voor de maatgevende momenten opgenomen. t4.7 Verkeersgeneratie beoogde ontwikkeling Situatie
Weekdagetmaal
Werkdagetmaal
Werkdag ochtendspitsuur
Werkdag avondspitsuur
154
171
14
15
Servicelogistiek
140
140
14
14
Totaal
294
311
28
29
Parkeerplaatsen deelauto's
7 28 * 2,75 * 2 = 154 mvt/etmaal ten gevolge van de deelauto’s. HB 6108-5-RA-015 46
Ve r k e e r s g e n e r a t i e h u i d i g e s i t u a t i e
Het kantoorgebouw dat thans ter plaatse van het plangebied is gesitueerd brengt ook een verkeersaantrekkende werking met zich mee. Thans is sprake van 311 parkeerplaatsen op eigen terrein. Om de verkeersgeneratie van één parkeerplaats te bepalen is gebruikgemaakt van CROW-kencijfers voor een kantoor zonder baliefunctie. Hiervoor geldt een gemiddeld parkeerkencijfer van 0,85 parkeerplaats per 100 m2 bvo en een gemiddeld verkeersgeneratiekencijfer van 2,95 mvt/etmaal per 100 m2 bvo. Een parkeerplaats genereert hiermee 3,47 mvt/etmaal. De verkeersgeneratie ten gevolge van het huidige kantoorgebouw bedraagt 1.080 mvt/etmaal. Ook hiervoor is de parkeervraag voor de maatgevende momenten bepaald (zie tabel 4.8). De verkeersgeneratie ten gevolge van deze functie is komen te vervallen en kan derhalve in mindering worden gebracht op de toekomstige verkeersgeneratie. Opgemerkt wordt dat, indien rekening wordt gehouden met de maximaal planologische invulling van het plangebied, sprake zal zijn van een hogere verkeersgeneratie dan de huidige situatie. t4.8 Verkeersgeneratie huidige situatie Situatie
Weekdagetmaal
Werkdagetmaal
Werkdag ochtendspitsuur
Werkdag avondspitsuur
Huidige
1.080
1.440
160
140
kantoorgebouw
Wanneer uitgegaan wordt van de huidige situatie ter plaatse van het plangebied is sprake van een worst case scenario, aangezien het verschil met de toekomstige situatie in dit geval het kleinst zal zijn. Het vigerende bestemmingsplan biedt namelijk bijvoorbeeld de mogelijkheid om een kantoorgebouw met baliefunctie te realiseren, welke een hogere verkeersgeneratie kent dan een kantoor zonder baliefunctie. Ve r k e e r s g e n e r a t i e t o e k o m s t i g e s i t u a t i e
In tabel 4.8 wordt de verkeersgeneratie ten gevolge van de huidige situatie weergegeven. Uit een vergelijking met de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie (tabel 4.7) volgt dat sprake is van een afname van de hoeveelheid verkeer van en naar het plangebied. Voor de toekomstige situatie betreft dit enkel het verkeer als gevolg van de servicelogistiek. Het overige verkeer zal immers niet naar en van het plangebied rijden, maar van en naar de parkeergarage Q-Park Laakhaven. De totale verkeersgeneratie ter plaatse van het plangebied als gevolg van de beoogde ontwikkeling neemt aldus af ten opzichte van de huidige situatie. Q -Park Laakhaven
Het overgrote deel van het verkeer wat gegenereerd wordt door de beoogde ontwikkeling, parkeert in de nabijgelegen parkeergarage Q-Park Laakhaven. Hier worden immers 150 parkeerplaatsen gehuurd voor de bewoners van de beoogde ontwikkeling. Deze parkeergarage heeft voldoende capaciteit om de parkeervraag van de beoogde ontwikkeling op te vangen. Bovendien wordt deze parkeergarage thans voornamelijk gebruikt als parkeergelegenheid door werkenden in de omgeving.
HB 6108-5-RA-015 47
Uit het verkeerskundig onderzoek van Goudappel blijkt dat, indien 150 parkeerplaatsen voor de bewoners van de beoogde ontwikkeling worden gehuurd of als stallingsplaats voor deelauto's worden gebruik, en niet voor werknemers worden gebruikt, de verkeersgeneratie per etmaal ten gevolge van Q-Park Laakhaven zal afnemen. De verkeersgeneratie neemt met circa 49 verkeersbewegingen per werkdagetmaal af. Wel zal in het ochtendspitsuur sprake zijn van 64 minder aankomende auto’s en 34 meer vertrekkende auto’s. Voor het avondspitsuur geldt het ongeveer het tegenovergestelde. In het avondspitsuur is sprake van 34 meer aankomende voertuigen, en 49 minder vertrekkende voertuigen. Dit is te verklaren doordat bewoners en werkers een gespiegeld aankomst- en vertrekpatroon kennen. Het verschil in aantal aankomende en vertrekkende voertuigen is echter zeer beperkt, waardoor dit geen invloed zal hebben op de verkeersafwikkeling in de omgeving. Bovendien is het plangebied zeer goed aangesloten op het openbaar vervoernetwerk, aangezien het op korte loopafstand van het station Hollands Spoor is gelegen. Het plangebied ligt op een dermate centrale ligging in de stad Den Haag dat transport per openbaar vervoer de meest gemakkelijke optie is. Naar alle verwachting zal sprake zijn van voldoende capaciteit. 4.5.4 C o n c l u s i e
De parkeercapaciteit die in theorie beschikbaar zou moeten zijn (de parkeerbehoefte) voor onderhavig bouwplan bedraagt 296 parkeerplaatsen. Daarbij is echter nog geen rekening gehouden met het gebruik van deelauto's en de context van het bouwplan. Uit onderzoek van Goudappel is gebleken dat de parkeervraag voor bewoners als gevolg van het ontwikkelconcept op het maatgevende moment 142 parkeerplaatsen bedraagt. In totaal zullen 29 deelauto's worden gestald in de nabijgelegen Q-Park garage. Bovendien heeft de ontwikkelaar een contract afgesloten voor het huren van in totaal 150 parkeerplaatsen in Qpark Laakhaven. Bezoekers van de woningen en gebruikers (bezoekers) van de commerciële functies maken gebruik van openbare parkeervoorzieningen in de omgeving en zullen, vanwege de ligging ten opzichte van OV-voorzieningen, gebruik maken van het openbaar vervoer en de fiets. Hiermee is sprake van voldoende parkeergelegenheid om de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling op te vangen. Bovendien zal in voldoende parkeergelegenheid voor fietsen en scootmobielen worden voorzien. Tevens zal de verkeersgeneratie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed hebben op de verkeersafwikkeling in de omgeving. Het aspect verkeer en parkeren zal hiermee geen belemmering opleveren voor de beoogde ontwikkeling.
HB 6108-5-RA-015 48
4.6 B o d e m
4.6.1 A l g e m e e n
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient met betrekking tot de bodem rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de toekomstige functies. In deze paragraaf zal de bodemkwaliteit ter plaatse van de beoogde ontwikkeling inzichtelijk gemaakt worden. 4.6.2 We t t e l i j k k a d e r
Bij het opstellen van een bestemmingsplan of bij het plan tot afwijken van het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht. De nieuwe bestemming moet immers passend zijn in relatie tot de bodemkwaliteit. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient een bodemonderzoek verricht te worden, dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Er dient onderzoek verricht te worden naar de bestaande toestand en of deze aansluit bij de toekomstige toestand. Op sterk verontreinigde grond zijn beperkingen met betrekking tot nieuwbouw. Hier mogen geen gevoelige objecten, zoals woningen, gerealiseerd worden. Op grond van artikel 8 van de Woningwet dient te worden voorkomen dat er gebouwd wordt op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers. Er moet duidelijk rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot toegelaten functies. 4.6.3 B e o o r d e l i n g
Om te bepalen of de bodemkwaliteit passend is voor het beoogde gebruik is door VanderHelm Milieubeheer in 2017 bodemonderzoek uitgevoerd. Hiertoe is allereerst een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Doelstelling van het verkennend onderzoek is het, middels een steekproef, bepalen of het terrein, milieuhygiënisch gezien, geschikt is voor het beoogde gebruik. Aan de hand van het verkennend bodemonderzoek is geconcludeerd dat nader bodemonderzoek benodigd was om de ernst (saneringsnoodzaak) en omvang van de geconstateerde verontreinigingen vast te stellen. Uit het bodemonderzoek volgt dat er geen asbest is geconstateerd in de puin- en/of baksteenhoudende grondlagen, wel is ter plaatse van het plangebied sprake van matige tot sterke verontreinigingen. Dit betreft de volgende verontreinigingen: − minerale olieverontreiniging op het zuidoostelijke deel van het plangebied, ter plaatse van de (voormalige) ondergrondse brandstoftanks, in zowel de grond als het grondwater; − zware metalen en PAK-verontreiniging in de ondergrond verdeeld over het gehele plangebied. Plaatselijk bevindt deze verontreiniging zich eveneens in het grondwater.
HB 6108-5-RA-015 49
Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan geconcludeerd worden dat de locatie, milieuhygiënisch gezien, vooralsnog niet geschikt is voor de het beoogde gebruik. Op de locatie is sprake van twee 'gevallen van ernstige bodemverontreiniging', één met minerale olie en één met zware metalen en PAK. Indien sprake is van een 'geval van ernstige bodemverontreiniging' geldt een saneringsnoodzaak in het kader van de Wet Bodembescherming (Wbb). De Omgevingsdienst Haaglanden treedt hierbij op als bevoegd gezag. Opgemerkt wordt dat de omvang van de verontreinigingen, in horizontale richting, middels het uitgevoerde bodemonderzoek nog niet volledig in beeld is gebracht. Formeel is hiertoe nader bodemonderzoek noodzakelijk. Derhalve is door VanderHelm Milieubeheer B.V. een nader milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. Doel van dit onderzoek is het vaststellen van de mate en omvang van de aangetroffen verontreinigen en het bepalen of het terrein geschikt is voor het toekomstige gebruik. Hiertoe is op 29 januari 2019 een locatiebezoek uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat sprake is van een sterke verontreiniging met minerale olie in de grond en het grondwater. De omvang van de sterke grondverontreiniging bedraagt 165 m 3. Voor wat betreft het grondwater is naar schatting 75 m 3 sterk verontreinigd.
Hierbij wordt opgemerkt dat het vanwege de grote hoeveelheid kabels en leidingen bij het transformatorhuis momenteel niet mogelijk is om de omvang van de olieverontreiniging nauwkeuriger te bepalen. Dit transformatorhuis en de verontreiniging zal echter op korte termijn verwijderd worden. Bovendien zal voorafgaand aan de herinrichting van het plangebied een sanering uitgevoerd worden. Dit zal bestaan uit het geheel verwijderen van de olieverontreiniging binnen het plangebied. De rest van het plangebied, welke licht tot sterk is verontreinigd met zware metalen en PAK, zal verder worden onderzocht na de verwijdering van de bebouwing. Tevens wordt het maaiveld en de grond onderzocht op de aanwezigheid van asbest na verwijdering van de bebouwing. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken zullen de gronden ter plaatse van het plangebied aldus gesaneerd worden. Op deze wijze worden de gronden geschikt gemaakt voor het beoogde gebruik voor woondoeleinden. 4.6.4 C o n c l u s i e
Om te bepalen of de bodemkwaliteit passend is voor het beoogde gebruik is zowel verkennend als nader bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit volgt dat de gronden vooralsnog niet geschikt zijn voor het beoogde gebruik, aangezien sprake is van twee 'gevallen van ernstige bodemverontreiniging'. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken zullen deze gronden gesaneerd worden.
HB 6108-5-RA-015 50
4.7 E c o l o g i e
4.7.1 A l g e m e e n
De beoogde ontwikkeling bevindt zich in stedelijk gebied. Dit sluit echter niet uit dat er een effect kan zijn op de mogelijk aanwezige (beschermde) flora en fauna ter plaatse van de beoogde ontwikkeling en diens nabije omgeving. Met betrekking tot het aspect ecologie is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierna wordt nader ingegaan op dit aspect. 4.7.2 We t t e l i j k k a d e r We t n a t u u r b e s c h e r m i n g
Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet heeft 3 wetten samengevoegd: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Door hier één wet van te maken wordt deze makkelijker en duidelijker om toe te passen. Voor eenvoudige activiteiten (bijvoorbeeld reguliere onderhoudswerkzaamheden) is er voortaan een meldplicht. Voor activiteiten waar een omgevingsvergunning nodig blijft, moet die binnen 13 weken worden gegeven. Bovendien bepalen vanaf 1 januari 2017 de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. Veel verschillende planten- en dierensoorten zorgen ervoor dat de natuur tegen een stootje kan. Sommige soorten, zoals vleermuizen, gierzwaluwen en steenuilen zijn kwetsbaar, goede natuurbescherming is daarom belangrijk. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. In de Wet natuurbescherming is er sprake van een brede soortenbescherming van dieren en planten, ook buiten de aangemelde beschermingszones. Er geldt een algemene zorgplicht voor alle planten- en dierensoorten. Alvorens opstellen van een nieuw bestemmingsplan of bij een plan tot afwijking van het bestemmingsplan dient onderzoek verricht te worden naar het effect hiervan op beschermde flora en fauna.
Hierbij wordt onderzocht welke soorten, dieren en planten, aanwezig zijn in het plangebied. Wanneer planten- en dierensoorten, dan wel hun nesten of rustplaatsen worden aangetast kan ontheffing aangevraagd worden conform artikel 3 van de Wet natuurbescherming. In bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden kan ook vrijstelling verleend worden. Natura 2000- gebieden
Specifieke gebieden, genaamd Natura 2000-gebieden, worden beschermd op basis van Europese richtlijnen. Voor deze juridisch beschermde gebieden gelden per gebied specifieke instandhoudingsdoelen voor de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor beschermde natuur is een vergunning nodig. Het plangebied ligt echter niet in of nabij een gebied dat is aangewezen in het kader van de natuurbeschermingswet. HB 6108-5-RA-015 51
Ecologische hoofdstructuur
Gebieden behorend tot het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) worden beschermd via regelgeving onder de Wet ruimtelijke ordening. Het rijksbeleid ten aanzien van de begrenzing en de bescherming van het NNN is vastgelegd in de Nota Ruimte. Het plangebied ligt niet in een gebied dat is aangewezen als beschermd gebied. 4.7.3 B e o o r d e l i n g
Het plangebied is niet in of nabij een beschermd natuurgebied gelegen, het meest nabijgelegen Natura-2000 gebied betreft 'Meijendel & Berkheide' op een afstand van circa 4 kilometer. In figuur 4.7 wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000gebieden weergeven. f4.7 Ligging plangebied ten opzichte van natuurgebieden (bron luchtfoto: Google Earth)
Op een dergelijk grote afstand is alleen aandacht nodig voor "externe werking". Maatgevend hierbij is op dit moment de mogelijke toename van de stikstofdepositie in Natura 2000gebieden waar sprake is van habitattypen en soorten die hiervoor gevoelig zijn en waarbij de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. Een bron van stikstofemissie (en dus ook depositie) wordt gevormd door stikstofoxiden (verbrandingsproduct van fossiele brandstoffen) en ammoniak (in hoofdzaak afkomstig uit veeteelt). Bij de beoordeling of sprake is van een toename van de stikstofdepositie dient de toekomstige situatie afgezet te worden tegen een referentiesituatie. Opgemerkt wordt dat sprake is van een partiële vrijstelling van de natuurvergunningsplicht voor activiteiten in de bouwsector. Volledigheidshalve zijn deze werkzaamheden alsnog beschouwd. In het kader van de Wet natuurbescherming dient beoordeeld te worden of de ontwikkeling de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat Natura 2000-gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor HB 6108-5-RA-015 52
dat gebied is aangewezen. Overbelasting door stikstofdepositie vormt voor een groot aantal Natura 2000-gebieden een groot probleem voor de natuur. Door Peutz is daarom de stikstofdepositie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling nader beschouwd (bijlage 3). Zowel de sloop-/bouwfase als de gebruiksfase zijn vergeleken met de referentiesituatie. In de referentiesituatie is sprake van het gebruik van de bestaande bebouwing als kantoor. In deze situatie is sprake van emissie van stikstofhoudende verbindingen als gevolg van de verkeersgeneratie en de aanwezige installaties. Zoals in paragraaf 4.5 is omschreven neemt de verkeersgeneratie af ten opzichte van de referentiesituatie. Ook de emissie van aanwezige installaties zal, vanwege het gasloos uitvoeren van de bebouwing, afnemen. In de sloop- en aanlegfase is echter sprake van de inzet van divers materieel en het af- en aanrijden van vrachtwagens. Uit het uitgevoerde onderzoek volgt dat geen sprake is van een toename aan stikstofdepositie ter plaatse van voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Uit de verschilberekening in AERIUS blijkt dan ook dat er geen toename wordt berekend. Ter plaatse van sommige Natura 2000-gebieden wordt zelfs een afname aan stikstofdepositie berekend. Hiermee vormt stikstofdepositie in het kader van de Wet natuurbescherming geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Aangezien er wel sprake is van stikstofdepositie ten gevolge van de sloop- en bouwfase en er tot 1 juli 2021 nog geen sprake was van de vrijstelling voor de bouwsector, is er wel een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd aangezien sprake is van interne saldering. Inmiddels is er een (onherroepelijke) vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verkregen. Op 1 juli 2021 is het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering van kracht geworden, waarbij tijdelijke deposities gedurende de bouwfase worden vrijgesteld van toetsing aan de Wet natuurbescherming. Hiermee is een dergelijke vergunning formeel gezien niet meer benodigd. Het plangebied is ter plaatse van een drukke zeer stedelijke locatie gesitueerd. Rondom het plangebied bevinden zich namelijk meerdere wegen en is het station Den Haag Hollands Spoor op korte afstand gelegen. Het gebied alwaar de beoogde ontwikkeling is gelegen, is aldus een drukke geluidbelaste locatie, wat niet als een kwetsbaar gebied in relatie tot het aspect ecologie kan worden beschouwd. Toch kan het plangebied, en de huidige bebouwing ter plaatse van het plangebied, mogelijkerwijs een betekenis hebben voor beschermde soorten. Bureau Waardenburg (zie bijlage 4) heeft daarom op basis van een oriënterend veldonderzoek (d.d.
6 april 2018) en bronnenonderzoek de effecten van de beoogde ontwikkeling op beschermde soorten beoordeeld in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Hieruit is gebleken dat het plangebied geen betekenis vormt voor beschermde soorten. Wel vormt het plangebied leefgebied van enkele algemeen voorkomende beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Sloop-, grond- en graafwerkzaamheden en het verwijderen van beplanting in het kader van de voorgenomen ingreep kunnen deze soorten HB 6108-5-RA-015 53
treffen. Het gaat om soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt voor overtreding van verbodsbepalingen bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Een ontheffing is dus niet nodig. Voor andere beschermde soorten heeft het plangebied geen betekenis of zijn negatieve effecten van de voorgenomen ingreep uitgesloten. Het plangebied zelf heeft geen betekenis voor vleermuizen. De nabijgelegen Haagse Trekvaart heeft echter wel een functie voor vleermuizen als foerageergebied en migratieroute. Toename van verlichting/belichting is daarom niet wenselijk. Middels een op die functie afgestemd lichtplan kan beïnvloeding daarvan worden voorkomen. Effecten op vleermuizen zijn daarmee uitgesloten. De beoogde ontwikkeling gaat bovendien niet gepaard met effecten op soorten vogels met een jaarrond beschermd nest, doordat het plangebied geen betekenis heeft voor deze soorten. Wel dient opgemerkt te worden dat het vernietigen van nesten van algemeen voorkomende vogels die in gebruik zijn en het verstoren van in gebruik zijnde nesten moet worden voorkomen. Hiervoor geldt namelijk in het kader van de Wet natuurbescherming geen ontheffing. Het slopen van de panden en het verwijderen van de groenvoorzieningen dient daarom aangevangen te worden buiten het broedseizoen van vogels.
Hiermee wordt het overtreden van verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van broedvogels voorkomen. Opgemerkt dient te worden dat conform de Wet natuurbescherming wel een zorgplicht voor alle planten en dieren geldt. De zorgplicht houdt in dat handelingen die nadelige gevolgen kunnen hebben voor planten en dieren achterwege worden gelaten of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen door het treffen van maatregelen deze zoveel mogelijk te beperken. Hier zal rekening mee worden gehouden bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling. 4.7.4 C o n c l u s i e
Het plangebied heeft geen betekenis voor beschermde soorten. Met de eventuele aanwezigheid van broedvogels en diens nesten zal rekening worden gehouden bij de uitvoer van de werkzaamheden. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming wordt niet nodig geacht. 4.8 N a t u u r i n c l u s i e f b o u w e n
4.8.1 A l g e m e e n
Natuurinclusief bouwen maakt onderdeel uit van het plan. Hiermee wordt aangesloten op de ambitie om de stad te verdichten én te vergroenen. In deze paragraaf wordt dit nader toegelicht.
HB 6108-5-RA-015 54
4.8.2 To e t s i n g s k a d e r
In de 'Nota van Uitgangspunten Haagvlietpoort 2017' worden de randvoorwaarden en beleidsmatige kaders voor de verschillende nog te ontwikkelen locaties en projecten binnen het gebied Haagvlietpoort opgenomen. Als randvoorwaarde wordt opgenomen dat invulling gegeven moet worden aan natuurinclusief bouwen. De gemeente wil groen- en natuurinclusief bouwen bevorderen door de toepassing van een puntensysteem. Hiertoe is door Arcadis het document 'Puntensysteem voor groen- en natuurinclusief bouwen' in 2018 opgesteld. Dit puntensysteem maakt duidelijk welke maatregelen gewenst zijn binnen de ruimtelijke context en de mogelijkheden van de nieuwbouw. Het puntensysteem kent een lijst met maatregelen waarbij elke maatregel 1, 2 of 3 punten waard is. Afhankelijk van de omvang en ligging van het project wordt een te behalen puntenscore voorgeschreven. De architect/ontwikkelaar heeft daarbij de vrijheid om een eigen mix van maatregelen te kiezen. 4.8.3 B e o o r d e l i n g
Conform het puntensysteem voor natuurinclusief bouwen worden de te behalen punten per project bepaald aan de hand van de omvang van het project. In tabel 4.9 worden de vereiste punten per project opgenomen. t4.9 Benodigd aantal punten conform puntensysteem Onderdeel
Kleinschalig project
Middelgroot project
Grootschalig project
Gevel/dak gebouw
2
4
6
Verblijven in gebouw
1
3
4
Omgeving gebouw
2
4
6
Voor een grootschalig project, te weten een project met een footprint groter dan 2.000 m 2 en/of hoger dan 30 meter, dient in totaal een puntenscore van 18 behaald te worden. In het document ' Puntensysteem voor groen- en natuurinclusief bouwen' worden vervolgens maatregelen opgenomen die van toepassing zijn per stadszone, rekening houdend met Haagse soorten en de ruimtelijke context. Per maatregel kunnen 1, 2 of 3 groene punten worden verdiend. De beoogde ontwikkeling is daarbij in een gebied met hoogbouw en grootschalige bebouwing gesitueerd. Middels natuurinclusief bouwen wordt bij The Grace invulling gegeven aan de ambitie van Den Haag om de stad zowel te verdichten als vergroenen. In totaal wordt voor The Grace een puntenscore van 23 behaald. Onderstaand worden in tabel 4.10 de maatregelen conform het puntensysteem die worden toegepast opgenomen.
HB 6108-5-RA-015 55
t4.10 Puntenscore natuurinclusief bouwen The Grace Aspect
Maatregel
Punten
Gevel/dak gebouw
Groen dak met sedum, grassen, kruiden (7-15 cm)/30%
2
Groen dak met kruiden, dwergheesters, struiken en bomen (>50 cm)/30%
4
Alleen bij hoogbouw (>50 m): minimaal 100% van de footprint van de stedelijke laag komt terug als
4
horizontale buitenruimtes zoals daktuinen. Daarvan moet minimaal 40% ingericht worden met groen dat een bijdrage levert aan de biodiversiteit. Verblijven in gebouw
Omgeving gebouw
Gevelgroen
2
Insectenstenen
1
Nestplaatsen voor gierzwaluwen
1
Nestplaatsen voor zwarte roodstaart
1
Nestkast slechtvalk
1
Winterverblijfplaats voor vleermuizen
1
Nestkasten voor huismus bij groene tuinen/pleinen
1
Geen buitenverlichting bij groen
1
Insectenhotel
1
Cluster van 3 inheemse bomen
1
Voor vlinders geschikte struiken Droog bloemrijk grasland > 10 m Totaal aantal punten
1 2
1 23
Hiermee kan gesteld worden dat bij de beoogde ontwikkeling voldoende rekening wordt gehouden met natuurinclusief bouwen. 4.8.4 C o n c l u s i e
Resumerend kan gesteld worden dat bij beoogde ontwikkeling van The Grace voldoende invulling wordt gegeven aan de ambitie van Den Haag om de stad zowel te verdichten als vergroenen. 4.9 W a t e r
4.9.1 A l g e m e e n
De beoogde ontwikkeling heeft mogelijke effecten op de inrichting van het watersysteem en de waterberging/afvoer. In deze paragraaf wordt het aspect water inzichtelijk gemaakt. 4.9.2 We t t e l i j k k a d e r Europees beleid
In 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water vastgesteld met als doel het bereiken van een goede toestand in de wateren in de gemeenschap en het bijdragen aan de beschikbaarheid van voldoende oppervlaktewater en grondwater van een goede kwaliteit voor een duurzaam, evenwichtig en billijk gebruik van water. HB 6108-5-RA-015 56
Rijksbeleid
Het Nationaal Waterplan is de rijksnota voor het nationale waterbeleid en wordt op basis van de Waterwet eens per 6 jaar opgesteld. In het Nationaal Waterplan, opgesteld in december 2015, zijn de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050 opgenomen. Het Nationaal Waterplan streeft naar het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. H o o g h e e m ra a d s c h a p D e l fl a n d
Het plangebied valt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Delfland. Op 19 november 2015 is het Waterbeheerplan 2016-2021 vastgesteld. In dit document staan de ambities voor deze periode met betrekking tot het watersysteem. De strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren staan hierin beschreven. Het plan beschrijft de doelen voor het waterbeheer en de financiële consequenties daarvan. Hoogheemraadschap Delfland streeft naar een toekomstbestendig watersysteem. Kerntaken zijn hierbij de waterveiligheid, het waterbeheer, de waterkwaliteit en het zuiveren van afvalwater. Elk waterschap hanteert naast de Waterwet haar eigen regionale regels. Deze regels zijn opgenomen in de Keur. In de Keur staat wat wel en niet is toegestaan in het water en er omheen. Hier staan regels opgenomen over het gebruik en onderhoud van het watersysteem. Op basis van de Keur kan worden bepaald of voor een bepaalde activiteit een watervergunning aangevraagd dan wel een watermelding ingediend moet worden 4.9.3 B e o o r d e l i n g
Conform de Handreiking Watertoets van Hoogheemraadschap van Delfland is een belangrijk uitgangspunt dat de waterhuishouding door ruimtelijke veranderingen niet mag verslechteren (standstill-beginsel). Negatieve effecten op het watersysteem zullen aldus moeten worden voorkomen. Daarnaast wordt een verbetering van het watersysteem nagestreefd. Dit houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, worden benut. Conform de Handreiking Watertoets van Hoogheemraadschap van Delfland dient het Hoogheemraadschap bij de ontwikkeling betrokken te worden. Hiertoe is in het kader van de watertoetsprocedure door het Hoogheemraadschap advies gegeven. Dit advies is opgesteld in het kader van de ruimtelijke onderbouwing voor de beoogde ontwikkeling. Dit advies is in de voorliggende paragraaf meegenomen. In het plangebied zijn geen watergangen en/of waterkeringen gelegen, zie figuur 4.8. Wel is nabij het plangebied een primair water en een een regionale waterkering gelegen.
HB 6108-5-RA-015 57
f4.8
Uitsnede legger Hoogheemraadschap Delfland
Wa t e r v e i l i g h e i d
Er vinden geen relevante veranderingen plaats aan de wateren in de omgeving van het plangebied. Hiermee blijft de functie van de waterkeringen in stand en komt de waterveiligheid niet in het geding. Daarnaast zal ook gezorgd worden dat er wordt voorzien in voldoende waterberging. Dit zal in de voorliggende paragraaf nader worden toegelicht toegelicht. Ve r h a r d i n g
Het plangebied betreft een zeer stedelijk gebied alwaar geen sprake is van grote wateroppervlakten. Ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak toeneemt, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater, wat kan leiden tot wateroverlast. Het plangebied is echter voor het overgrote deel reeds verhard. In de huidige situatie is ter plaatse van de footprint van de beoogde bebouwing en daarbij behorende expeditiestraat sprake van 1.030 m 2 onverhard oppervlak. In de toekomstige situatie zal dit oppervlak geheel verhard worden. Er zal echter worden voorzien in groen middels daktuinen. Hierbij wordt opgemerkt dat de openbare ruimte rondom de beoogde ontwikkeling door de gemeente verder ingericht zal worden. Hier zal naar alle verwachting ook groen toegevoegd worden. Voor de beoogde ontwikkeling is gebruikgemaakt van de Watersleutel van het Hoogheemraadschap van Delfland. Dit is een rekentool waarmee de hoeveelheid HB 6108-5-RA-015 58
waterberging die moet worden gecompenseerd, bepaald wordt. In bijlage 5 is de uitkomst van de Watersleutel opgenomen. Opgemerkt wordt dat in de Watersleutel de omvang van het plangebied enigszins ruim is meegenomen. Dit vanwege het feit dat een deel van de gronden, te weten de gronden rondom de bebouwing, tevens tot de openbare ruimte behoort. Het heeft echter de voorkeur om de beoogde ontwikkeling en de direct omliggende openbare ruimte in zijn geheel te beschouwen. Uitgegaan is van het oppervlak, met een omvang van circa 9.330 m 2, dat is begrensd door het spoor en de (toekomstige) fietspaden rondom de beoogde ontwikkeling. In de huidige situatie is hiervan circa 2.145 m 2 onverhard oppervlak en in de toekomstige situatie is op basis van een worst case benadering sprake van 550 m 2 aan onverhard oppervlak. Uit de Watersleutel volgt dat de wateropgave 229 m 3 waterberging bedraagt, de totaal te realiseren wateroppervlakte betreft hierbij 809 m 2. Indien het voor een ontwikkeling niet mogelijk is compensatie in oppervlaktewater te realiseren, zal moeten worden gezocht naar andere vasthoudmaatregelen. In voorliggende situatie zullen waterbergende voorzieningen worden getroffen. Deze maatregelen zullen echter wel moeten voldoen aan de ‘Richtlijn toepassen vasthoudmaatregelen ter compensatie van verharding in het watertoetsproces’ van Hoogheemraadschap Delfland.